Tagarchief: Verhaeghe

Nieuwe grond onder autoriteit

De titel van het nieuwe boek van de Belgische psychotherapeut en hoogleraar Paul Verhaeghe is: Autoriteit. Ik las een interview met hem in de Correspondent.

Eerder kwam een andere van mijn favoriete psychologen, de Israeliër Haim Omer met het concept van het ‘nieuwe gezag‘, gebaseerd op geweldloosheid. De Rotterdamse burgemeester Aboutaleb had het onlangs in een aflevering van het TV programma Zomergasten over natuurlijke wereldleiders en het gebrek daar aan. En nu dit interview met Verhaege over autoriteit. Het onderwerp, gezag, autoriteit, leiderschap ligt op mijn pad en gaat me aan het hart.


We moeten beginnen met het maken van een onderscheid tussen macht en autoriteit zegt Verhaeghe. Traditionele autoriteit was gebaseerd op het patriarchaat. Omdat dit verdwenen is, is een hergronding van autoriteit nodig. De oplossing ligt niet in het afschaffen van autoriteit omdat zodoende onze maatschappij steeds meer ‘noodgedwongen’ onderworpen zal worden aan machtsstructuren. Er zijn steeds meer militairen op straat (bijvoorbeeld in Parijs), politie wordt steeds meer bewapend maar ook in de zorg en het onderwijs zien we dat macht de plaats inneemt van de traditionele autoriteiten die zo goed als verdwenen zijn. Willen we dit? Verhaeghe gaat op zoek naar een alternatief voor het traditionele gezag maar zeker ook voor de huidige machtsstructuren. Het alternatief is volgens hem een autoriteit die gebaseerd is op het collectief en niet op een leider of een of ander groot (religieus of ideologisch) verhaal. We moeten een nieuw ‘derde punt’ vinden waar we met zijn allen in geloven.

Waarom therapeuten zich met een onderwerp zoals dit bezig houden spreekt voor zich: therapie is om mensen te bevrijden en dus zeker ook van macht.


Het ‘derde punt’

De nieuwe vorm van autoriteit moet niet komen van een leider of ideologie maar van een collectief van mensen die zich groeperen rond een gemeenschappelijk en concreet doel. Doelen die dichtbij liggen en te realiseren zijn. Ze gaan over praktische zaken zoals hoe we ons vervoer regelen, hoe we onze kinderen verzorgen, hoe we samen energie kunnen opwekken, hoe we ons voedsel produceren, enz.

Bestaande autoriteiten en machtsstructuren zullen plaats moeten maken voor nieuwe; een revolutie is dus nodig. Verhaeghe hoopt op een geleidelijke overgang zonder geweld en hij ziet dat er hier en daar al een beweging is. Een bekend voorbeeld is het Braziliaanse bedrijf Semco.

Het is een corporatie met winstoogmerk en kan dus moeilijk communistisch genoemd worden. Tegelijk hebben de werknemers de hand in alle besluitvorming, inclusief winst- en verliesverdeling, over aanwervingen en ontslag, over de organisatie van hun eigen werk. Dit is een sterk economisch voorbeeld van een collectief.

Mannen en vrouwen naast elkaar

De traditionele organisatiestructuur was top-down en piramidaal, de nieuwe is bottom-up en horizontaal. Het is deze organisatiestructuur die bepalend werkt en niet of het collectief geleid wordt door een man of een vrouw. Ook met een vrouw zoals Lagarde aan de top van het IMF blijft de organisatie piramidaal gestuurd. Zolang de organisatiestructuur niet verandert, maakt een vrouw of een man niet veel verschil. Wanneer het nieuwe collectieve model doorgang vindt, moet je goed beseffen dat het groepen zijn die beslissen, met horizontaal leiderschap.

Krijtlijnen

Wel zijn er bepaalde krijtlijnen nodig waarbinnen het collectief functioneert. Het antiautoritaire idee dat zoiets als een spontane zelforganisatie mogelijk én goed is, is net zoiets als de illusie van de ‘onzichtbare hand’ van de zogenaamde vrije markt. Die fout zullen we nu niet meer maken en dat is een verschil met de jaren zeventig.

De econoom Elinor Ostrom won in 2009 de Nobelprijs voor economie. Haar onderzoek laat met concrete voorbeelden zien hoe regels en instituties van gemeenschappen ‘bottum-up’ kunnen ontstaan, buiten de markt en de overheid – waarmee een duurzaam en gedeeld gebruik van grondstoffen te organiseren is, dat ook economisch efficiënter is.

Macht en instabiliteit

Het algemene beeld is dat de jongere generatie de nieuwe manier van werken naar voren schuift, terwijl de oude generatie de macht wil behouden binnen het oude model. De splitsing horizontaal-verticaal staat los van de splitsing links-rechts. Het is juist dat rechtse populisten in West-Europa succes oogsten door terug te vallen op het patriarchale model. Toch zullen dergelijke projecten vroeg of laat mislukken. Zoals gezegd: de grond eronder is weggevallen – elke poging ertoe wordt al heel snel machtsuitoefening en is dus instabiel. Dat maakt hen natuurlijk niet minder gevaarlijk, integendeel.

Macht is in de plaats gekomen van autoriteit en roept steeds meer verzet op. Het herstel van de democratie hangt direct samen met het installeren van een nieuwe autoriteit op basis van horizontale vormen.

Deliberatieve democratie

Deliberatie betekent ‘het uitwisselen van meningen’. Wanneer een democratie gebruik maakt van deliberatieve besluitvorming, houdt dat in dat elk besluit wordt genomen op basis van de uitkomst van een discussie onder burgers. Binnen een deliberatieve democratie wordt niet door het hele volk gestemd. Er wordt een representatieve groep uit de gemeenschap geselecteerd op basis van gender, opleidingsniveau, etnische achtergrond en leeftijd, waaraan één bepaald probleem voorgelegd wordt, bijvoorbeeld energievoorziening. Deze groep krijgt gedurende een aantal dagen objectieve informatie vanuit verschillende invalshoeken, heeft ruimschoots de kans tot discussie en overleg onder begeleiding van professionele moderatoren en kan dan overgaan tot stemming.

Een experiment hiermee vond plaats in Texas en ging over energievoorziening en had als resultaat dat Texas vandaag veel meer uit hernieuwbare energie put dan uit olie! Deze vorm van democratie heeft dus grote gevolgen.

Het moeilijkste punt is de organisatie van ruime en objectieve informatie over het onderwerp en dat deze aan de representatieve groep uit de gemeenschap onderwezen wordt, waarbij er ruimte is voor overleg en onderlinge discussie. Dat gaat niet in een uurtje of twee. Het minimum is een weekend. Bovendien is er heel wat voorbereiding nodig. Die gebeurt niet door de burgers zelf, maar vooraf, door alle groepen die bij de besluitvorming zijn betrokken. Zo wordt voorkomen dat lobbygroepen de informatievoorziening kapen.

Democratie is natuurlijk nooit af, het blijft een project. Maar wat we nu meemaken is de uitholling van de centralistische democratie. Het algemeen kiesrecht is in de vorige eeuw geïntroduceerd en heeft vooral in de tweede helft goed gewerkt; inmiddels heeft dit kader geleid tot een verkozen aristocratie. Er wordt ook wel gesproken van een particratie, waarbij de partijbureaus bepalen wat er moet gebeuren: de parlementen staan feitelijk buitenspel.

Maar tegelijkertijd wordt democratie op een decentraal niveau opnieuw uitgevonden. Steden werken horizontaler, kunnen burgers meer betrekken. Ze hebben bijvoorbeeld vaak een veel ambitieuzer klimaatbeleid dan bovenliggende politieke niveaus. Burgers nemen zelf initiatief en stappen naar de overheid met eigen, goed onderbouwde voorstellen in het belang van de gemeenschap. Die dingen stemmen mij hoopvol.

Advertenties

2 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychotherapie

Verhaeghe; we moeten elkaar gaan helpen

Hij zegt het op een zachte maar directe en besliste manier: ‘Dit is geen goede ontwikkeling’, of; ‘daar ben ik het beslist niet mee eens’, met een vanzelfsprekend gezag. Hij heeft zijn onderwerp goed bestudeerd en kan zijn standpunten helder en zonder veel moeite onderbouwen. Hij spreekt vanuit bezorgdheid. Op een beetje vaderlijke toon.

Paul Verhaeghe, Vlaamse klinisch psycholoog, psychotherapeut en hoogleraar in Gent, was gisteravond op uitnodiging van Deforum in het Filmtheater in Hilversum om te spreken over het onbehagen in onze cultuur. De westerse mens heeft het nog nooit zo goed gehad, maar voelt zich slecht. In Nederland lijden 800.000 mensen aan depressie en een miljoen mensen slikt anti-depressieva.

Desgevraagd gaat zijn grootste bezorgdheid uit naar de manier waarop de psychotherapie bezig is mensen te disciplineren in plaats van te behandelen. Hij zegt dat psychotherapeuten wel anders willen maar dat zij in een systeem terecht gekomen zijn waarin zij mensen disciplineren in plaats van behandelen. Maar of psychotherapeuten dit behandelen überhaupt nog wel kunnen is volgens bijvoorbeeld prof. dr. J.J.L .Derksen, een Nederlandse klinisch psycholoog, de vraag.

Waar Verhaeghe het heeft over disciplineren spreekt Derksen in een recente column over ‘temmen’. De huidige generatie psychotherapeuten worden volgens Derksen niet meer opgeleid om een goed gesprek te voeren met hun cliënten. En het systeem waarbinnen zij moeten werken noemt hij een over-gecontroleerd neurotisch regelsysteem.

Waar Verhaeghe het beslist niet mee eens is, is het doorslaan van het individualisme in de neo-liberale maatschappij. Het idee van ‘survival of the fittest’ uit Darwin’s evolutietheorie, die gaat over ontwikkelingen van miljoenen jaren, is doorgeslagen in de richting van ‘survival of the strongest’ die gaat over een veel  kortere termijn. Dit idee van ‘survival of the strongest’ komt uit het sociaal-darwinisme wat een misvorming is van de biologische inzichten van Darwin. Het is een politieke ‘recht van de sterkste’ ideologie.

Verhaeghe is een groot bewonderaar van de Nederlandse bioloog Frans de Waal die aantoont dat er naast het streven van de mens om zelf de beste en de sterkste te zijn er ook een aangeboren streven is tot eerlijkheid en empathie. Volgens Verhaeghe gaat De Waal nog eens een Nobelprijs winnen. Hieronder een toespraak van De Waal met leuke filmfragmenten van onderzoekingen naar eerlijkheid en empathie met apen en olifanten.

Het sociaal-darwinisme was vlak na de tweede wereldoorlog taboe omdat de nazi’s er hun rassentheorie op baseerden, maar heeft ongemerkt opnieuw steeds meer invloed gekregen. Het zogenaamde ‘rank and yank’ systeem past hier in: een systeem waarbij personeel hiërarchisch georganiseerd is en waarbij regelmatig, degenen die het slechtst presteren uit het bedrijf of de instelling gezet worden. Collega’s worden concurrenten en worden bang voor elkaar. Werknemers krijgen grote verantwoordelijkheden maar niet de bijbehorende macht. 61% van de werkende bevolking ervaart stress op het werk.

Kanariepiet

De meeste psychische problemen worden veroorzaakt door maatschappelijke stress.  Dit is ook de visie van de World Health Organization. Daar tegenover staat de visie dat psychische problemen veroorzaakt worden door de hersenen en ontstaan binnen het individu. Binnen deze ‘brein-visie’ is naast behandeling met medicijnen ook de ‘perceptie-therapie’ in allerlei vormen de nu gangbare remedie. Medicijnen en perceptie-therapie moeten de cliënt ‘helpen’ (disciplineren). De boodschap is eigenlijk ‘u bent niet flink genoeg’; als u maar anders gaat denken en voelen, dan kunt u met de stress omgaan. Dit is nòg zoiets waar Verhaeghe het beslist mee oneens is. Hij weet ook wel dat de ene mens sterker is dan de andere maar je kunt volgens hem niet die ene, iets zwakkere mens de schuld geven van de stress. Dit zou hetzelfde zijn als wanneer je de kanariepiet die in de mijn dood neervalt, de schuld zou geven van het mijngas.

kanariepiet

ⓒ Christine de Tollenaere

De oplossing: een ‘wij’- cultuur

De mensen voor wie na de tweede wereldoorlog de deuren open gingen om te studeren en die in de laatste 50 jaren naar de top zijn geklommen, houden nu de deuren voor anderen dicht. Uit angst? Uit behoefte aan controle? Dit is een relatief kleine groep, extreem rijke mensen.

De inkomensongelijkheid wordt hoe langer hoe groter. Tegelijk is de politiek steeds machtelozer. De democratie is dood, al is dat bij veel politici nog niet doorgedrongen. De economie heeft het voor het zeggen.

Volgens Verhaeghe realiseren mensen zich nog onvoldoende hoeveel macht ze hebben.  Hij las ergens: ‘when you are buying, you are voting’. We kunnen volgens hem rechtstreeks invloed uitoefenen door de manier waarop we consumeren; door de manier waarop we ons geld uitgeven.

Volgens hem moeten we desalniettemin toe naar meer inkomensnivellering. Het is aangetoond dat hoe groter de inkomensongelijkheid is in een maatschappij hoe meer ellende, stoornissen, suïcides enz. We moeten ook af van het groeimodel en toewerken naar een duurzaam model. En we moeten naar een ‘wij’ model; we moeten elkaar gaan helpen. Deze nieuwe ontwikkelingen zijn hier en daar al begonnen.

Als de democratie echt dood is weet ik nog niet hoe de inkomensnivellering op gang moet komen. Gaan extreem rijken hun dichte deuren vrijwillig openen?  Met behulp van hun eerlijke en empathische kant? Zodat anderen kansen krijgen?

NL1301_0

‘When you are buying, you are voting’…

Meer over Verhaeghe op dit blog hier en hier.

Een bespreking van een Deforum presentatie over Spinoza hier.

1 reactie

Opgeslagen onder Dierengedrag, Persoonlijk en politiek, Psychotherapie

Een geestelijke gezondheidszorg die ons disciplineert: Staatspsychologie

De meeste mensen hebben het niet door dat we gedisciplineerd worden en dat zorg-verleners daar aan meewerken. Zorg-verleners hebben het zelf niet eens altijd door. Hoe werkt dit?

Klinisch psycholoog en hoogleraar aan de Universiteit van Gent Paul Verhaeghe toont in dit artikel uit 2013 aan hoe de huidige medicalisering en het denken in stoornissen een verborgen manier van disciplinering inhoudt. Het is een lijvig artikel met veel noten en een uitgebreide literatuurlijst, dat ik hier heb bewerkt voor mijn blog.

Verhaeghe begint met het uiten van zijn verbazing over het feit dat het niet algemeen bekend is dat anti-depressiva nauwelijks werken. Het is namelijk allang geleden bewezen dat het verschil tussen een anti-depressivum en een placebo klinisch grotendeels verwaarloosbaar is. Het is nota bene bewezen door het onder de loep nemen van onderzoek dat de farmaceutische industrie zelf heeft gedaan (Kirsch, 2011). Waarom is dit niet algemeen bekend? Waarom heeft deze kennis niet geleid tot een radicale ommekeer in de behandeling van depressie?

Dit is volgens Verhaeghe niet toevallig en hij ziet twee oorzaken: cognitieve dissonantie en de kracht van een paradigma. Deze oorzaken beschrijft hij in het artikel waarna hij aantoont hoe we in de geestelijke gezondheidszorg aan het verglijden zijn van behandeling naar disciplinering van cliënten. Het behandelen met pillen blijkt een morele lading te hebben.

Hij hoopt dat zijn lezers stil zullen staan bij hun overtuigingen inzake de gezondheidszorg maar vreest dat zijn hoop een illusie is want wie zijn verhaal wil lezen zal dat doen omdat hij reeds de overtuiging heeft; “Pillen werken niet en worden te vaak voorgeschreven”, en een meerderheid zal zijn verhaal niet willen lezen omdat zij een heel andere overtuiging heeft namelijk; “Gelukkig hebben we nu efficiënte medicijnen voor ziektes zoals depressie en ADHD.”

Voor wie het wil lezen hier een door mij ingekorte versie.

Cognitieve dissonantie 

Er gaapt een kloof tussen wat wetenschappelijk aangetoond is (in ons geval: antidepressiva werken nauwelijks) en de heersende overtuigingen bij artsen en patiënten (patïent: “mijn arts heeft mij gezegd dat ik die pillen waarschijnlijk voor de rest van mijn leven zal moeten innemen”).

Waar komt deze hedendaagse overtuiging vandaan, dat de meeste psychologische problemen niets anders zijn dan neuro-biologische stoornissen (ook nauwelijks bewezen) die het best farmacologisch behandeld kunnen worden?

Hoe we hier allemaal zo van overtuigd zijn geraakt komt volgens Verhaeghe door het psychologische mechanisme van de ‘cognitieve dissonantie’. Dit mechanisme verklaart waarom wij bepaalde kennis weigeren op te nemen en – als gevolg – andere overtuigingen kritiekloos slikken.

Dit mechanisme van cognitieve dissonantie is voor vrijwel iedereen herkenbaar: wij ordenen onze opvattingen zo coherent en zo consistent mogelijk, waardoor we een voorspelbaar en dus veilig wereldbeeld kunnen behouden. Worden we toch geconfronteerd met tegenstrijdige informatie, dan proberen we deze tegenstrijdigheid weg te redeneren, of toch tenminste te minimaliseren, ten einde onze overtuiging te kunnen behouden.

In het merendeel van de gevallen slagen wij erin om gevaarlijke informatie op voorhand te vermijden: we lezen enkel die kranten en auteurs die aansluiten bij onze opvattingen, de andere schuiven we terzijde als achterhaald, verkeerd, niet-bewezen, enzovoort. We doen dat zonder er bij stil te staan, want ondanks de benaming – cognitieve dissonantie – werkt dit mechanisme voornamelijk affectief. Het gaat over een onderbuik-gevoel op grond waarvan wij intuïtief beslissen of iets ‘goed’ of ‘slecht’ is (en dus niet: juist of fout). Op die manier kunnen we onze overtuigingen voor waar blijven aannemen en zelfs overdag rustig verder blijven slapen.

Een literaire illustratie. Een van de hoofdfiguren uit Irvin Yaloms boek: ‘Het raadsel Spinoza’, is de nazi Rosenberg. Als nazi is hij overtuigd van de inferioriteit van het joodse ras, een overtuiging waarvoor hij zich beroept op het verondersteld wetenschappelijk sociaal-darwinisme van zijn tijd. Tezelfdertijd moet hij toegeven dat de jood Spinoza, voor wie hij bewondering koestert, geniaal is. De daaruit ontstane dissonantie probeert hij op te lossen door ontkenningen (‘Spinoza was vermoedelijk geen echte jood’) en rationalisaties (‘Uitzonderingen bevestigen de regel’).

Het sociaal-darwinisme is een ideologische lezing van Darwin, die beweert dat sociaal-culturele vooruitgang het product is van conflict en competitie tussen groepen en dat daarom de sociaal bevoorrechte klassen (personen met geld en macht) een biologische superioriteit hebben in de strijd om het bestaan. Deze theorie werd o.a. gebruikt om de kolonisaties ‘wetenschappelijk’ te rechtvaardigen. Een recente heropleving van dit sociaaldarwinisme berust op een ideologische lezing van Dawkins (‘The Selfish Gene’), waarbij het selectiecriterium niet langer de groep maar het individu is. Meer hierover hier.

De kracht van een paradigma of discours 

Thomas Kuhn (1970) toont met zijn paradigma-theorie aan dat wanneer een bepaalde wetenschappelijke theorie en bijbehorende praktijk overtuigende resultaten boekt èn aansluit bij de tijdsgeest, dat dit voor bijna iedereen de ‘normaal-wetenschap’ en de norm wordt. Gevolg daarvan is dat de centrale opvattingen – het paradigma – niet meer ter discussie gesteld worden. In zekere zin is dit een collectief-wetenschappelijke versie van cognitieve dissonantie. Pas wanneer er teveel contradicties optreden wordt die normaal-wetenschap ter discussie gesteld, met als gevolg een wetenschappelijke revolutie en een verschuiving in het paradigma.

Dat de kracht van een paradigma zeer ver gaat, mag blijken uit de geschiedenis van Ignaz Semmelweis (1818 – 1865). Als arts in Wenen werd hij getroffen door de hoge mortaliteit van vrouwen na hun bevalling in het ziekenhuis waar maar liefst één op de vier stierf. Hij stelde vast dat de mortaliteit beduidend hoger lag als artsen een vrouw tijdens de bevalling assisteerden wanneer ze bij wijze van spreken rechtstreeks van de autopsiekamer kwamen, waar ze een overleden moeder hadden onderzocht. Vandaar zijn hypothese: deze artsen brengen iets – hijzelf noemde het ‘lijkstof’ – van de overledene op de gezonde vrouw over, waardoor deze laatste eveneens ziek werd. Als voorzorgsmaatregel verplichtte Semmelweis zijn assistenten hun handen grondig schoon te schrobben, liefst met bleekwater (!). Het sterftecijfer daalde al snel onder de één procent. Maar Semmelweis werd ontslagen en hield er een depressie aan over. Zijn aanpak kreeg geen gehoor, omdat die nu eenmaal indruiste tegen het toen heersende paradigma, dat ziektes voortkomen uit kwalijke luchten, de zogenaamde miasma-theorie. Het was nog een halve eeuw wachten tot het werk van de Franse bacterioloog Louis Pasteur voor een ander paradigma zou zorgen, met virussen en bacteriën als ziekteverwekkers.

Het paradigma in de medische wetenschap: het ‘stofjes’-model

Het paradigma dat vandaag in de medische wetenschap de overhand heeft, is gebaseerd op de grote ontdekkingen van de vorige eeuw, zoals mooi beschreven door James Le Fanu, een Britse wetenschapsjournalist (2000). Het daaruit ontstane paradigma kunnen we benoemen als het ‘stofjes’-model. Elke ziekte heeft een duidelijke oorzaak – een tekort of een teveel aan een bepaalde stof – waardoor een voorspelbaar ziekteverloop ontstaat, waarbij behandeling (het toedienen van andere stofjes) die oorzaak zal wegnemen. Het succes van bepaalde behandelingen die aansluiten bij dit model – denk aan insuline, ontstekingsremmers en antibiotica – sterkt het geloof in het paradigma.

In het kielzog hiervan ontstaat al snel een bepaalde misvatting, met name dat we de werkzaamheid van ongeveer alle medicijnen (stofjes) kennen en dat die naadloos aansluit bij onze kennis van het ziekteproces als dusdanig. Ondanks het therapeutisch succes en de toename van onze kennis hebben we, zoals Le Fanu uiteen zet, nog steeds meer vraagtekens dan antwoorden. Heel wat hedendaagse medische behandelingen berusten op een beredeneerde ‘trial and error’ aanpak.

Dit soort nuanceringen blijven echter buiten de normaal-wetenschap, alhoewel de meerderheid van de praktijk-voerende artsen zich er wel van bewust is. En deze nuanceringen verdwijnen volledig wanneer we de overstap maken naar de farmaceutische industrie.

De werking van het stofjes-model binnen de farmaceutische industrie

Als commercieel bedrijf heeft de farmaceutische industrie maar één doel, het maken van winst, met publiciteit als voornaamste instrument. Vanzelfsprekend sluit die publiciteit doelbewust aan bij het hedendaagse paradigma, waarbij in het geval van psychofarmaca het stofjes-model uitgedrukt wordt in termen van ‘chemical inbalances’. Daarbij wordt steevast de volgende boodschap gesuggereerd: de oorzaak van bepaalde mentale problemen – ‘stoornissen’ – ligt in de hersenen. Ongemerkt ontstaat er daarbij een uiterst belangrijke herdefiniëring, via de vage term disorder, stoornis.

Veel probleemsituaties zijn psychosociaal van aard, denk maar aan mensen die onder de werkdruk bezwijken, kinderen die niet meer gehoorzamen, agressie in het verkeer. Mochten deze problemen benoemd worden als een ziekte, dan zouden heel wat mensen daar de nodige kritische vragen bij stellen. Maar via de neutrale term ‘disorder’ vermijdt men die kritische reactie, terwijl de invulling van ‘disorder’ gaandeweg steeds meer medisch wordt. Immers, de oorzaak ligt toch in het teveel of te weinig voorhanden zijn van bepaalde stofjes in ons brein? Dan kan de behandeling toch het best gebeuren met een doeltreffend medicijn dat rechtstreeks op die oorzaak inwerkt? Op tal van websites kunnen we via kleurrijke computeranimaties zien hoe die stoffen hun gezond-makende invloed uitoefenen in en op onze hersenen.

Voor leken is de overtuigingskracht van dergelijke beelden en de bijbehorende informatie enorm, ook al omdat die vandaag zo ongeveer overal voorhanden zijn, van het internet tot de reclame in bushokjes. Bij ons is reclame voor medicijnen verboden maar in de VS niet. Bepaalde firma’s maken daar handig gebruik van. Onder de dekmantel van nep-patiëntenorganisaties wordt het Amerikaanse publiek doelbewust gevoelig gemaakt voor een nieuwe ‘stoornis’ (social anxiety disorder), o.a. met posters in bushokjes. De onderliggende boodschap is: ‘You’re not shy, you’re sick’, en daar bestaat een pil voor. Paroxetine werd onder verschillende merknamen een van de meest winstgevende producten van SmithKline.

Professionals uit de gezondheidssector worden overtuigd met de verwijzing naar een aantal empirische studies die de effectiviteit van de farmacologische behandeling aangetoond zouden hebben. Maar het zijn steeds dezelfde studies waarnaar verwezen wordt en die een massale verspreiding gekregen hebben. Onderzoek dat vragen stelt bij die effectiviteit of die zelfs weerlegt, krijgt slechts een fractie van die aandacht. Twee bekende voorbeelden betreffen de psycho-farmacologische behandeling van ADHD en depressie.

ADHD en depressie

Het hedendaagse paradigma en de normaal-wetenschap over ADHD werkt op een dwingende manier en luidt als volgt: ADHD is een lichamelijke aandoening waarvan de oorzaak min of meer bekend is; de ‘best practice’ behandeling gebeurt met medicijnen, en wie daaraan twijfelt is niet goed bezig.

Gegevens die dit tegenspreken worden genegeerd. Kritische collega’s worden platgewalst. In ongeveer alle paradigma bevestigende artikels wordt er verwezen naar de in 1999 opgestarte ‘Multimodal Treatment Study of ADHD’. Dit is een longitudinaal onderzoek waarvan de eerste resultaten inderdaad uitwezen dat een behandeling met methylphenidaat (ritalin) de beste resultaten gaf. Het is dit onderzoek waar voorstanders van medicatie ook vandaag nog naar blijven verwijzen. Wat ze niet vermelden, is dat bij de vervolgmetingen van hetzelfde onderzoek heel andere resultaten uit de bus kwamen.

Hetzelfde verhaal geldt voor antidepressiva. In tegenstelling tot de huidige overtuigingen is er geen enkel wetenschappelijk bewijs dat depressie veroorzaakt wordt door een serotonine ‘imbalance’. Daarbij is er meer dan voldoende evidentie om de werkzaamheid van antidepressiva ernstig te betwijfelen. Toch blijft het paradigma overeind, op grond van wat Kirsch (2011) ‘the dirty little secret’ uit de farmaceutische literatuur noemt.

Het smerige kleine geheim

Om een medicijn op de markt te mogen brengen in de VS en bij uitbreiding in het Westen, moet een bedrijf twee positieve ‘trials’ (proef-opzetten bij patiënten) kunnen voorleggen. Wat het brede publiek niet weet, is dat bedrijven zoveel trials mogen opzetten als ze maar willen, zij het dat ze die allemaal ook moeten indienen bij de Amerikaanse officiële controle-instantie; the Food and Drug Administration (FDA). Eens de goedkeuring verkregen, zorgen de farmaceutische bedrijven ervoor dat de twee positieve onderzoeksresultaten massaal verspreid worden; de andere verdwijnen in een la, zodat de buitenwereld enkel het hoera-verhaal te horen krijgt.

Statistisch beschouwd is er een overeenkomst van 82 % tussen de effecten van een placebo en het medicijn. Toen Kirsch en zijn medewerkers vervolgens naar de klinische effecten keken, bleken er zelfs géén verschillen meer te zijn.

In de marge van dit onderzoek werd ook nog een ander effect zichtbaar. Niet alleen is de therapeutische effectiviteit beperkt, er zijn ook heel wat negatieve gevolgen wanneer iemand stopt met het gebruik van anti-depressiva. Bekende abstinentieverschijnselen zijn evenwichtsstoornissen, maag- en darmklachten, griepachtige toestanden (vermoeidheid, spierpijn, afwisselend koud en warm), neurologische verstoringen en slaapproblemen.

De ironie wil dat nogal wat mensen het gebruik van antidepressiva herstarten om toch maar verlost te worden van die abstinentieverschijnselen en dus niet om hun terugkerende depressie te bestrijden. Dat deze mensen die medicijnen levenslang moeten innemen, is een effect van de pillen zèlf en heeft niets te maken met de veronderstelde hardnekkigheid van hun depressie.

Wie nu verwacht dat er op grond van dergelijk onderzoek een mentaliteitswijziging ontstaan is en dat wetenschappers op zoek zijn gegaan naar betere verklaringsmodellen, die komt bedrogen uit.

Drie noodzakelijke correcties op het medicaliseren van psychische problemen

De eerste twee noodzakelijke correcties gaan over de werkzaamheid van medicijnen en de derde over de uitbreiding van het ziektebegrip.

Ten eerste. In tegenstelling tot wat reclameboodschappen doen voorkomen is het niet zo dat psychofarmaca het brein terugbrengen naar een gezonde, normale toestand. In het beste geval verhinderen ze bepaalde symptomen (angst, hallucinaties) en gedragingen (agressie), waardoor de situatie meer leefbaar wordt. Nagenoeg altijd gaat dit gepaard met ernstige neveneffecten. Genezen doen ze nooit.

Ten tweede. In weerwil van dezelfde reclameboodschappen hebben psychofarmaca géén ziekte-specifiek effect (zoals bijvoorbeeld insuline bij diabetes). Mochten ze dat wel hebben, dan zouden ze inderdaad deel uitmaken van de klassieke geneeskunde. Dit is niet het geval, dergelijke medicijnen werken zeer ruim in de zin van het onderdrukken van het denken, het voelen en het gedrag (de ‘downers’) of van het bevorderen ervan (de ‘uppers’).

Ten derde. Heel wat van de zogenaamde ‘stoornissen’ kunnen veel beter benoemd worden als psychosociale problemen, soms zelfs simpelweg als normale menselijke gevoelens (rouw). De invoering van de term ‘stoornissen’ voert menselijke problemen ongemerkt binnen in een medisch domein, terwijl het tezelfdertijd de indruk schept dat die storende gedragingen of affecten gecorrigeerd moeten worden. Dit is de redeneerwijze van de hedendaags dominante psychiatrische diagnostiek, gebaseerd op de Diagnostical and Statistical Manual for Mental Disorders. De stap naar disciplinering is bijzonder klein.

Foucault: discours en disciplinering

Kuhns paradigma-theorie biedt een verklaring voor het blijven bestaan van bepaalde overtuigingen in de schoot van de wetenschap in weerwil van de evidentie die deze overtuigingen tegenspreken. Een nog ruimere blik, gebaseerd op Michel Foucault, toont aan dat paradigmatische opvattingen niet onschuldig zijn, integendeel. Ze functioneren als een rechtvaardiging voor het uitoefenen van een anonieme sociaal-politieke macht waarmee een maatschappij disciplinerend kan optreden.

Zoals Foucault met zo ongeveer zijn hele oeuvre aantoont, werkt zowel de macht-uitoefening als de rechtvaardiging daarvan via het dominante taalgebruik – het discours – omdat dit ons denken en handelen bepaalt. Als wij sociaal afwijkend gedrag benoemen als een zonde, dan is de oplossing biecht en penitentie, desnoods de hel, met de brandstapel als versneld opstapje. Als wij sociaal afwijkend gedrag benoemen als een psychiatrische stoornis, dan hebben we het niet meer over de effecten van psychosociale probleemsituaties op individuen, maar over te behandelen ziektes van individuen.

Dat die behandeling neerkomt op een disciplinering, wordt in dezelfde beweging onzichtbaar. Vergeet niet dat psychiatrie de enige medische discipline is – inderdaad, discipline – die een behandeling onder dwang kan opleggen.

Vooraleer hier verder op in te gaan, wil Verhaeghe op voorhand twee te verwachten tegenwerpingen beantwoorden. “Ik houd geen pleidooi voor een terugkeer naar een naïeve antipsychiatrie. Als ik stel dat het dominante vertoog vandaag de dag nogal wat psychosociale moeilijkheden en zelfs normale menselijke reacties herdoopt tot psychiatrische stoornissen, dan betekent dit niet dat ik ook de omgekeerde redenering hanteer. Niet elke psychiatrische stoornis valt zomaar te herleiden tot psychosociale moeilijkheden. Deze verhandeling is ook geen pleidooi tegen disciplinering, elke maatschappij heeft daar nu eenmaal behoefte aan.”

Maar over de aard en de omvang van maatschappelijke regelgeving en disciplinering zouden we volgens Verhaeghe een voortdurend democratisch debat moeten voeren. Maar als een maatschappij disciplinering uitoefent via het gebruik van ziektelabels en het toedienen van psychofarmaca, dan wordt een dergelijk debat op voorhand onmogelijk gemaakt.

Medicalisering van psychosociale problemen

Is er vandaag de dag sprake van medicalisering van psychosociale problemen? Een van de oudste beroepsverenigingen binnen de psychologie is alleszins die mening toegedaan! Een van de belangrijkste kritieken van de British Psychological Society op de voorpublicatie van de DSM 5.0. luidt: “De vermeende diagnoses gepresenteerd in DSM 5.0 zijn duidelijk en hoofdzakelijk gebaseerd op sociale normen, met ‘symptomen’ die berusten op subjectieve oordelen, met weinig bevestigende fysieke tekenen of evidentie van biologische oorzaken. De criteria zijn niet waarden-vrij, maar reflecteren de huidige normatieve sociale verwachtingen. Dit systeem gaat voorbij aan de relationele context en de onvermijdelijke sociale oorzaken van veel van deze problemen.”

Deze kritiek sluit aan bij de conclusie van de World Health Organisation: “Mental health is produced socially: the presence or absence of mental health is above all a social indicator and therefore requires social, as well as individual solutions. A preoccupation with individual symptoms may lead to a ‘disembodied psychology’ which separates what goes on inside people’s heads from social structure and context. The key therapeutic intervention then becomes to ‘change the way you think’ rather than to refer people to sources of help for key catalysts for psychological problems: debt, poor housing, violence and crime.”  Er is veel meer bewijs voor een psychosociale causaliteit dan voor genetische en of neurobiologische oorzaken (Boyle, 2011).

Hier een korte aanvulling op het betoog van Verhaeghe: Al in 1897 toonde de Franse socioloog Durkheim aan, dat zelfmoord, op het eerste gezicht volkomen individueel, een maatschappelijke context heeft. Zie http://en.wikipedia.org/wiki/Suicide_%28book%29

De medicalisering van psychosociale problemen blijkt ook uit een merkwaardige omkering in het taalgebruik. Het klinkt alsof psychische moeilijkheden de oorzaak zijn van sociale ellende en economische problemen. Zo kunnen we in een ‘depression report’ opgesteld door de London School of Economics het volgende lezen ‘Crippling depression and chronic anxiety are the biggest causes of misery in Britain today’ (Boyle, 2011). In Vlaanderen werd in 2012 de boodschap verkondigd dat het aantal zelfdodingen de Vlaamse economie meer dan 500 miljoen euro op jaarbasis kost (Vlaams preventie-plan tegen zelfdoding, DS, 21 januari 2012).

Dergelijke redeneringen zijn niet onschuldig! Wanneer armoede, werkloosheid, druggebruik, sociale isolatie en geweld voorgesteld worden als gevolgen van mentale stoornissen, dan ligt het probleem bij het individu (Smail, 2011). In het omgekeerde geval hebben we te maken met maatschappelijke problemen, die vervolgens om een maatschappelijke aanpak vragen.

Dezelfde redenering, waarbij de focus op de persoon ligt en niet op de omgeving, vinden we helaas ook in de psychotherapeutische en psychiatrische kliniek. Een typisch voorbeeld betreft de manier waarop hulpverleners spreken over bijvoorbeeld mensen met een Borderline Personality Disorder (BPD). Een vaak gehoorde uitdrukking is dat patiënten bepaalde gedragingen en interactiepatronen vertonen omdat ze aan BPD lijden. Het daarin veronderstelde causaal verband is duidelijk, met als gevolg dat BPD in het individu gesitueerd wordt, als een substantiële ziekte, los van een sociale en historische context.

Daartegenover staat de robuuste vaststelling uit talloze onderzoekingen dat mensen met het label BPD in meer dan 80% van de gevallen slachtoffer geweest zijn van chronisch misbruik in de kindertijd. Dit betekent dat er meer dan voldoende bewijs is om hun ‘symptomen’ te begrijpen als adaptief gedrag ontwikkeld op grond van hun traumatische relationele geschiedenis (Bourne, 2011, p.83). In plaats van het BPD-label is het dus veel correcter om te spreken over een complexe posttraumatische stressstoornis. Dit gebeurt niet of nauwelijks: BPD is een probleem van de patiënt. Behandeling moet dan ook op dat gestoorde individu gericht zijn, met medicatie, training en disciplinering. Meer over de diagnose borderline en een kritische kijk daarop van psychiater Dirk de Wachter hier.

Het aspect disciplinering krijgen we nog duidelijker te zien als we de overstap maken naar kinderen en de vergelijking maken met het dominante vertoog van pakweg een eeuw geleden. In de 19de eeuw hadden we ‘Struwwelpeter’. In het Nederlands bekend als Piet de Smeerpoes. Dit was het op Heinrich Hoffmann’s verhaal gebaseerde cultuurmodel van de stoute jongen die voor galg en rad dreigde op te groeien, waarmee kinderen (en ouders!) bang gemaakt werden. De reactie daarop was moraliserend-pedagogisch. Vandaag de dag hebben we jongens met ODD en/of ADHD die zich moeten gedragen, stil moeten zitten, opletten en die daarvoor medicijnen krijgen. Wat oorspronkelijk een moreel-pedagogisch probleem was, is tegenwoordig een medische aandoening, een ‘brain disorder’ (Rapley et al., 2011).

Waar disciplinering in het vroegere model open en bloot en als dusdanig aangeprezen werd, ligt zij nu verborgen onder een pseudo-medisch model en wordt ze uitgeoefend via pillen.

Discours als machtsinstrument

Medicalisering heeft niet alleen te maken met het feit dat er teveel medicijnen voorgeschreven worden Het voornaamste gevolg ervan is de herdefiniëring en de uitbreiding van wat ziekte is. Het gecombineerd effect van een dwingend wetenschapsparadigma (medisch, positief-wetenschappelijk), het bijbehorend taalgebruik (stoornissen) en het daarbij aansluitende behandelingsdoel (disciplinering) maakt een niet-medische blik op moeilijkheden die mensen ervaren nagenoeg onmogelijk. Heel veel psychiaters en psychologen zijn zich hiervan nauwelijks bewust en dit heeft alles te maken met hun opleiding waarin ze leren moeilijkheden te beschouwen als stoornissen en dus als ‘ziektes’ te lokaliseren bij het individu.

Een van de krachtigste redeneerfouten daarbij is het wijd verspreide idee dat stoornissen misschien wel ‘getriggerd’ worden door de omgeving, maar dat dit enkel kan omdat zij in essentie op voorhand al aanwezig waren in dat individu, dat ondertussen omgedoopt is tot patiënt. Was die ziekte niet op voorhand in hem of haar aanwezig geweest, dan was die ‘triggering’ onmogelijk.

In meer wetenschappelijk klinkend jargon is dit de ‘vulnerability-stress’ hypothese. Ja, stress (lees: externe gebeurtenissen) kan bijdragen tot de ontwikkeling van een mentale stoornis, maar nee, echt causaal zijn die gebeurtenissen niet, ze lokken enkel iets uit wat biologisch reeds klaar lag in het lichaam van dat individu. Was die biologische ‘predispositie’ er niet geweest, dan zou de persoon niet ziek geworden zijn, en zou hij die gebeurtenissen vlot verwerkt hebben. Eigenlijk is het zijn schuld, het zat al in hem.

Ter vergelijking: oorlogsgeweld kan bijdragen tot de dood van iemand, maar nee, echt causaal zijn die omstandigheden niet, ze lokken enkel uit wat biologisch reeds klaar lag in het lichaam van dat individu, met name dat het vroeg of laat moet sterven. Het zit hem in de genen!

De huidige op de DSM gebaseerde psychiatrische diagnostiek, als concrete vormgeving van het achterliggende vertoog, realiseert deze redeneerlijn ten volle en functioneert daardoor als een instrument waarlangs de macht van dit achterliggende vertoog uitgeoefend wordt. Ondanks alle lippendienst aan het bio-psycho-sociaal model gaat alle aandacht naar het individu, waarbij het doel van de behandeling inbegrepen ligt in de diagnostische formulering. De rationale van deze diagnostiek is niet zo moeilijk te achterhalen. Elk DSM-label bevat drie lagen: een psychologische, een sociale en een medische.

– Het psychologische aspect is de zichtbare buitenkant. Diagnostische criteria beschrijven mentale en gedragsmatige kenmerken zoals ‘lijkt vaak niet te luisteren’ of ‘affectief instabiel’.

– Het sociale aspect is meer verborgen. Merkwaardig genoeg is het meest gebruikte woord in dit handboek: het woord ‘te’ in alle denkbare varianten. Zo bevat de omschrijving van de borderline persoonlijkheidsstoornis een tiental te’s. Te veel kenmerk zus of te weinig gedrag zo. Begrijp: te veel of te weinig met betrekking tot een impliciete sociale norm. Precies dat impliciete karakter (de diagnosticus moet dit zelf inschatten, er zijn geen objectieve maatstaven voor) toont hoe de norm op sociale conventies berust.

– Het medische aspect is niet veel meer dan een dwingende aanname gebaseerd op het ziektemodel, ondanks het ontbreken van overtuigend wetenschappelijk bewijs.

Samengevat: op basis van een stilzwijgende aanname dat de oorzaak organisch is, komt een psychologisch of gedragsmatig kenmerk te veel of te weinig voor, met als maatstaf de sociale conventie. Een dergelijke diagnostiek heeft dan ook een duidelijk effect op het therapeutische doel. Het te veel moet minder. En het te weinig moet meer. Genezing betekent dat de patiënt opnieuw beantwoordt aan de sociale norm. Bijgevolg is het doel van de behandeling niet een medische genezing, wel het terug conform maken van de patiënt aan een steeds tijd- en plaatsgebonden maatschappelijke conventie.

Besluit: medicalisering en psychologisering als disciplinering

Dit brengt ons bij een vraagstelling die duidelijk buiten het veld van de objectieve wetenschappen ligt: wat is het bijbehorende mensbeeld waaraan dat te veel of te weinig afgemeten wordt?

Het antwoord op een dergelijke, moreel beladen vraag kunnen we het best zoeken bij een moraalfilosoof. In 1981 schrijft Alasdair MacIntyre dat de beoordeling van de moderne mens op een nieuwe morele norm berust: effectiviteit. En hij voegt er aan toe dat er twee nieuwe hogepriesters opgestaan zijn die deze morele norm bewaken: de manager en de psychotherapeut.

Dit geeft ons meteen een belangrijke indicatie over het huidige mensbeeld. Het is een hername van de oude opvatting van de mens als machine van de Franse materialistische verlichtingsfilosoof De la Mettrie uit de 18de eeuw. Vandaag is dat verbijzonderd tot de mens als productiemachine die zo efficiënt mogelijk een output moet leveren en daarop voortdurend geëvalueerd en gecontroleerd wordt. En net zoals elke machine kan ook de mens kapotte onderdelen of functies hebben, die vervolgens om een zo efficiënt mogelijke herstelling vragen.

Als beroepsactiviteit kan dit twee richtingen uitgaan: ofwel een zo spoedig mogelijk herstel van de machinemens, zodat hij terug het arbeidsproces in kan. Ofwel – als het herstel niet lukt – wordt de herstelactiviteit op zich onderdeel van een op winst gerichte economie, in dit geval een efficiënt functionerend zorg-bedrijf, waarin niet de patiënt centraal staat maar de winst van de organisatie.

Iets vroeger dan MacIntyre had Foucault (2004) al dezelfde stelling geformuleerd: het dominante discours van vandaag is een economisch discours in een neoliberale versie. Kort samengevat: alles wordt ‘vermarkt’ en dat de sterkste moge winnen. Het taalgebruik bulkt van woorden die in deze richting wijzen. Investeren, benchmarking, kapitaliseren, zorg-bedrijf en het mensbeeld (flexibel, competitief, competent, rationeel, enz.) sluiten aan bij het platvloerse sociaal-darwinisme waarbij het selectiecriterium niet meer de groep is, maar het individu. Het gaat niet langer over ‘survival of the fittest’, maar over ‘survival of the strongest’, met daarbij het financiële als doorslaggevend criterium.

Het medisch-psychiatrisch-psychologisch complex is ongemerkt door dit vertoog ingenomen, zowel in de organisatie ervan (‘zorg-bedrijf’) als in hun eigenlijke werking (diagnose en behandeling). Bijgevolg is medicalisering geen geïsoleerd probleem over het meer of minder voorschrijven van medicijnen. De huidige medicalisering is een effect van een historisch gegroeide combinatie tussen een wetenschappelijk paradigma en een sociaal-politiek vertoog, geruggensteund door een financieel-economisch motief (farmaceutische industrie).

Als systeem werkt deze combinatie onder andere via opsplitsingen: geest versus lichaam, samenleving versus individu, waarbij deze veronderstelde entiteiten nog verder opgesplitst worden (denk aan de verschillende medische en psychologische specialisaties). Dit alles staat in schril contrast tot het feit dat menselijke moeilijkheden altijd sociaal ingebed zijn en dat de splitsing tussen lichaam en geest alleen op papier bestaat.

De toepassing van dit vertoog strekt zich ondertussen inderdaad ook uit naar de gewone geneeskunde en de psychologie. Wat de psychologie betreft, als discipline heeft zij altijd al het accent op het individu gelegd. De combinatie met het hedendaagse positief-wetenschappelijke paradigma zorgde voor een accentverschuiving naar de neuropsychologie, waarin het psychosociale al helemaal geen plaats krijgt. Sociaal werk wordt ronduit minachtend bekeken wegens ‘niet wetenschappelijk’, ‘soft’, achterhaald, ‘links’. Binnen de ‘echte’ psychologie gaat het over cognities die via hersenscans bestudeerd worden, en waarvan de afwijkingen straks letterlijk zichtbaar zullen zijn op het scherm. Ziektes, dus.

Wat de geneeskunde betreft, mogen twee voorbeelden volstaan. EU- commissaris voor gezondheid Borg over de gezondheid van onze Griekse medeburgers: “Roken vermindert de productiviteit, het schaadt de economie. Ik ga binnenkort naar Griekenland, waar 40% van de mensen roken. Dat is een kostenfactor waarover gepraat moet worden.” Terwijl dat vele roken een symptoom kan zijn van de spanningen, waaraan individuen in Griekenland bloot staan door het harde bezuinigingsbeleid van de Europese Commissie van Borg en zijn collega’s. In dezelfde redeneerlijn kunnen we ons voorstellen dat er ook ‘gepraat moet worden’ over chronisch zieken – ook zij schaden de economie. Bejaarden zijn al helemaal een verliespost, vandaar de uitspraak van Japanse minister Taro Aso: “dat ze maar beter sneller kunnen sterven.”

De overeenkomst tussen medicalisering en psychologisering wordt nog duidelijker bij de toepassing. Jan De Vos toont mooi aan dat in beide gevallen het accent ligt op disciplinering, waarbij protocollair gedachte, kortdurende behandelingen op grond van DSM-diagnoses gericht zijn op het sociaal stroomlijnen van de patiënt (Jan De Vos, 2011). We zijn aan het afglijden naar een zorgsector waarin diagnoses als vangnetten functioneren ter sociale controle en behandeling neerkomt op economische disciplinering. Psychiater en psycholoog worden aldus de nieuwe morele autoriteiten die in naam van de wetenschap opleggen hoe de mens zich moet gedragen in functie van een dominant maatschappelijk model.

Dat laatste is op zich niet nieuw en ook niet per se problematisch. Het sociaal normatieve zit vanaf de aanvang inbegrepen in de psychiatrie, net zoals in de ruimere geneeskunde. Onze huidige verlengde levensduur hebben we voor een flink stuk te danken aan inentingen, veranderde voedingspatronen, milieumaatregelen (riolering) – allemaal opgelegd vanuit de preventieve geneeskunde.

Het idee dat maatschappelijke disciplinering alleen maar slecht kan zijn, is een naïeve erfenis van onder andere de Verlichtingsfilosoof Rousseau. Zijn tegenstelling tussen een ziekmakende maatschappij en een gezonde natuurstaat is inderdaad een achterhaalde illusie.

De verklaring is eenvoudig: iedere gemeenschap definieert en kneedt haar vormen van normaliteit, waarmee ze in dezelfde beweging ook haar abnormaliteiten definieert en kneedt. Beiden gaan terug op de dominante mens-visie, waarbij psychologie en psychiatrie al dan niet kunnen aansluiten.

De vraag is daarom ook niet of een maatschappij ziek- of gezond-makend is. De vraag is veeleer hoe een bepaalde maatschappij haar afwijkingen definieert en wat de consequenties van die definiëring zijn. De huidige maatschappij reduceert mensen tot productiemachines die bovendien zelf de verantwoordelijkheid voor hun succes of mislukking moeten dragen. De dominantie van het vertoog maakt dat het nauwelijks meer ter discussie wordt gesteld, terwijl het zowel voor het individu, de maatschappij als ruimer, het milieu, zeer ongezond is.

“Is there a doctor in the house?”

Voor meer Verhaeghe over dit onderwerp: http://bureaudehelling.nl/artikel-tijdschrift/responsabilisering-of-disciplinering

5 reacties

Opgeslagen onder Filosofie, Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Psychologie, Psychotherapie

Psycho-sociale problemen krijgen de naam van een stoornis

Deze video toont een gesprek met de Vlaamse hoogleraar psychologie Paul Verhaeghe over zijn boek ‘Het einde van de psychotherapie’, waarin hij zich afvraagt hoe het komt dat we tegenwoordig alles met medicijnen denken te kunnen oplossen, of: hoe psychisch lijden kassa werd. Zijn boek is een analyse van een zorgwekkende ontwikkeling die zegt dat alle psychisch lijden uitsluitend genetisch en neurologisch verklaard kan worden. Presentatie: Wim Brands.

De theorie van Sigmund Freud is onpopulair geworden omdat algemeen wordt geloofd dat zijn ideeën geen wetenschappelijke basis hebben. Tegenwoordig ligt de nadruk op de genetische achtergrond van gedragsproblemen, die vaak wordt gepresenteerd als een onweerlegbaar feit. In ‘Het einde van de psychotherapie’ bewijst Paul Verhaeghe dat Freuds werk nog steeds heel waardevol en bruikbaar is en dat de genetische basis van psychologische problemen minder betrouwbaar is dan vaak wordt aangenomen.

De westerse wereld kampt met een depressie-epidemie, zoals beschreven door Trudy Dehue. Voortbordurend op Freuds theorie over de oorzaak van depressie verklaart Verhaeghe dat deze epidemie het resultaat is van het verdwijnen van identiteit. Een vorige generatie weekte zich los van iedere soort van autoritaire inmenging met als resultaat leeglopende kerken, gebroken gezinnen en carrièremakers die zelden langer dan een paar jaar voor hetzelfde bedrijf blijven werken. Nu blijkt echter dat deze verdwenen stabiele factoren en blijvende sociale verbindingen een mens voorzien van zekerheid, bevestiging en op den duur van een identiteit omdat je weet wie je bent ten opzichte van de ander. Depressie volgt wanneer door gebrek aan identiteit een mens zich ook niet meer zeker weet van het doel in het leven en op den duur ieder sociaal en ethisch richtingsgevoel verliest.
Verhaeghe stelt dat het gebrek aan identiteit door het verminderende aantal sociale banden heeft geresulteerd in een obsessie met het lichaam, een andere manier om een identiteit te verwerven. Kan je je immers niet vergelijken met je gezinsleden, pastoor of collega om jezelf zo te definiëren, dan profileer je je door uiterlijk vertoon en seksueel gedrag. In het zoeken naar een identiteit is het eigen gender al snel een beginpunt. Door mannelijke of vrouwelijke eigenschappen extreem uit te vergroten vindt men een basis voor identiteit, maar deze blijkt minder bevrediging te geven dan een identiteit gebaseerd op sociale verbintenissen.
Deze problematiek zorgt voor een nieuw soort patiënten. Waar zich vroeger patiënten aandienden die een neurose of complex ontwikkelden omdat ze iedere seksuele fantasie moesten onderdrukken, is er nu een vloedgolf aan patiënten die juist iedere snelle lichamelijke bevrediging aangrijpen, maar van binnen een grote leegte ervaren. Vroeger was het onderdrukken van het lichamelijk instinct een oorzaak voor problemen, nu is het gebrek aan enig andere beweegreden de oorzaak.
Het meest schrijnende aan deze nieuwe generatie patiënten is dat de farmaceutische industrie gewetenloos op hun problemen inspeelt. Door ieder gevoel van eenzaamheid, verdriet, of onbehagen te labelen als ziekte wordt de oorzaak van de ellende buiten de patiënt gelegd. De patiënt is dan immers het slachtoffers van verkeerde genen, waar geen goed gesprek aan zal helpen. De oplossing staat vervolgens klaar in pilvorm.
ADHD is boerenbedrog
Verhaeghe gaat zelfs zo ver te stellen dat aandoeningen zoals ADHD en PDD-NOS niet bestaan. De symptomen natuurlijk wel: drukke of verlegen kinderen zijn een feit. Het probleem ontstaat wanneer een patiënt niet als een persoon met een aantal eigenschappen wordt beschouwd, maar als die eigenschappen worden gefilterd tot een paar goed te classificeren afkortingen. Diagnose van zo’n soort aandoening gebeurt meestal met behulp van de DSM, een diagnostisch handboek dat niet, zoals men zou verwachten, samengesteld werd door onafhankelijke wetenschappers maar eerder een allegaartje van meningen is. De samensteller is de Amerikaanse Psychiatrische Associatie, een belangenvereniging die ooit zelfs met een stemming besloot of homoseksualiteit al dan niet een categorie moest worden. Zo worden ook te pas en te onpas aandoeningen toegevoegd, tot grote vreugde van de farmaceutische industrie. Zo kan er bijvoorbeeld weer een nieuwe pil in de markt worden gezet tegen een abnormaal lange rouwperiode. De DSM methode valt dus moeilijk wetenschappelijk te noemen, en blijkt in de praktijk al helemaal niet bij te dragen aan een structurele oplossing.
Verhaeghes voorstel om terug te keren naar een psychologische methode biedt een geruststelling. Hoewel de oplossing niet meer in een pilletje te vinden is, legt het de nadruk op een menselijker manier van omgaan met psychologische problemen. Niet langer regeren de zogenaamde allesbepalende genen en het wordt weer mogelijk jezelf te veranderen. Hoewel de psychiater of de psycholoog ook niet almachtig is, kan deze in ieder geval wel helpen om van psychiatrisch ongelukkig te veranderen in ‘gewoon ongelukkig’.

5 reacties

Opgeslagen onder Psychologie, Psychotherapie