Tagarchief: verdriet

De mythe van het ontbrekende stofje in het brein

Niets menselijks is de wetenschappers vreemd en ook zij houden meer van bevestigend dan van tegensprekend nieuws…

Dit zegt Trudy Dehue in het artikel in De Groene Amsterdammer: Het ontbrekende stofje in het brein.

Helaas krijgen publicaties die een populaire theorie weerspreken meestal weinig aandacht in de wetenschappelijke gemeenschap. En de theorie van het ontbrekende stofje in het brein is zo’n een populaire theorie. Dit is zeer kwalijk want mensen raken door deze theorie hun vertrouwen in hun lichaam en hun brein kwijt.

Mede door dit conservatisme in de wetenschap is het mogelijk dat miljoenen mensen met psychische problemen op het verkeerde spoor gezet zijn. En nog steeds worden mensen vergiftigd en vervolgens afhankelijk van Big Pharma. Heel veel mensen, waaronder artsen denken nog steeds dat de ‘ontbrekende stofjes’ – verklaring voor psychische problemen klopt. Volgens die verklaring is het een ‘chemische onbalans’ in het brein die depressie, druk en impulsief gedrag enz. veroorzaken. Terwijl in de werkelijkheid psychische problemen meestal verklaard worden door nare omstandigheden waar mensen in terecht gekomen zijn.

Dehue wil niet alle schuld in de schoenen van de farmaceutische industrie schuiven.

Het is mijn rol niet om medicijngebruik tegen te gaan – of te bevorderen. Als wetenschapssocioloog (onderzoeker van het verschijnsel wetenschap) en trouwens ook als burger en patiënt houdt mij vooral het fenomeen bezig van het onverantwoord simplificeren van wetenschap.

Er zijn volgens haar drie oorzaken voor de hardnekkigheid van de ‘stofjesverklaring’ en daar komt zij op door de ontstaansgeschiedenis er van te bestuderen.

Deze geschiedenis laat ten eerste zien dat er, bij commercieel interessant onderzoek, onvoldoende scheiding is tussen de wetenschap en het bedrijfsleven, ten tweede dat de theorie van de chemische onbalans vanaf het begin al uiterst wankel was en ten derde dat deze theorie mede in stand blijft door conserverende krachten in de wetenschap.

Zowel uit vakliteratuur als uit eigen ervaring weet ik dat mensen ongelukkig, bang of onhandelbaar kunnen zijn. En ik ben er ook van overtuigd dat de psyche met het lichaam is verbonden, dusdanig dat het onderscheid eigenlijk niet te maken valt. Bovendien betwijfel ik de oprechtheid niet van artsen die weloverwogen pillen voorschrijven noch van patiënten die menen erdoor te zijn geholpen. Maar dit alles rechtvaardigt het gelijk van de stofjesverklaring niet. Als cocaïne mensen moed geeft, betekent dat ook niet dat bangelijkheid een stoornis moet heten en al helemaal niet dat die ontstaat door cocaïnetekort, dat medicinale aanvulling behoeft.

Ook wetenschappers die beweren dat de ‘stofjesverklaring’ de schuld is van de farmaceutische industrie maskeren de nauwe samenwerking tussen bio-medische wetenschap en de industrie. Elke vorm van samenwerking tussen wetenschap en industrie leidt tot een verhulde vorm van marketing.

Stofjes die op zoek zijn naar een stoornis

Het wankele van de ‘ontbrekende stofjes’ theorie zit hem o.a. in een proces dat officieel ‘reverse engineering’ (omgekeerd ontwerpen) heet. Dit proces ligt ook ten grondslag aan de huidige medicatie voor adhd en depressie. Je zou kunnen zeggen dat stofjes op zoek zijn naar een stoornis.

Amfetaminen en methylfenidaat die nu adhd-medicatie heten zijn bijvoorbeeld aanvankelijk geprobeerd voor van alles en nog wat, variërend van astma tot hoofdpijn, darmontsteking, narcolepsie en menstruatiepijn, gebrek aan vechtlust bij dienstplichtigen en aan levenslust bij huisvrouwen. Pas in de jaren zestig muntten bedrijven en wetenschappelijk onderzoekers het regulerende effect op ‘hyperkinesie’ bij drukke kinderen, die later werd omgedoopt tot adhd.

Een vergelijkbaar verhaal valt over de eerste antidepressiva te vertellen. Het middel iproniazid begon als medicijn tegen tuberculose. Uiteindelijk bleek het leverschade te veroorzaken, maar tbc-patiënten werden er aanvankelijk wel energieker en vrolijker van en zo is het als een stimulerend medicijn op de markt gekomen. Een nog opmerkelijker voorgeschiedenis hebben de serotonine heropnameremmers (ssri’s), waarvan prozac een vroeg voorbeeld is en seroxat tegenwoordig het meest wordt gebruikt.

Tot op de dag van vandaag kwam de stofjeshypothese ook bij onderzoek naar de ssri’s nooit verder dan een hypothese, omdat bevestigingen ervan steeds opnieuw niet herhaalbaar waren.

Een wetenschappelijk artikel uit begin 2015 getiteld ‘Is serotonin an upper or a downer?’, concludeert dat het oorspronkelijke uitgangspunt voor de theorie van het ontbrekende stofje niet klopt.

Ssri’s bevorderen de transmissie van serotonine helemaal niet, beargumenteren de auteurs, maar verstoren de energiebalans in het zenuwstelsel. Hun idee is, anders gezegd, dat antidepressiva een onbalans teweegbrengen in plaats van te corrigeren.

Een positief effect bij sommige mensen is dan het gevolg van herstelmechanismen die in gang moeten worden gezet om de schade te compenseren aangebracht door de medicatie. Die schrikbarende gedachte zou ook verklaren waarom het effect van antidepressiva nooit meteen optreedt en waarom menige patiënt zelfs eerst verslechtert, want het duurt even voor het herstelmechanisme op gang komt. Als een gebruiker vervolgens stopt kunnen er opnieuw problemen ontstaan omdat het zenuwstelsel het herstelmechanisme terug moet draaien.

Nare omstandigheden maken mensen ongelukkig

De publicatie ‘Is serotonine an upper or a downer’, krijgt volgens Dehue te weinig aandacht door het conservatisme van wetenschappers. Weerleggende inzichten worden niet actief genoeg bekend gemaakt. Het verhaal van het ontbrekende stofje gaat zelfs verder. Het gaat nu gepaard met dat van het ontbrekende stukje dna, suggestief omgedoopt tot het ‘serotonine-transporter-gen’ .

Na een beroemd geworden publicatie uit 2003 over dit gen in het tijdschrift Science volgde er zes jaar later een overzichtsartikel van verdere studies ernaar, dat het bestaan van zo’n gen tegenspreekt. Dit artikel, in het hoog aangeschreven JAMA, concludeerde dat eigenlijk alleen nare omstandigheden mensen ongelukkig maken. Het roemruchte depressiegen, meldden de auteurs nadrukkelijk al in de samenvatting boven hun tekst, speelt ‘noch op zichzelf noch in interactie met stressvolle gebeurtenissen’ een rol bij depressie – met daaraan voor de zekerheid nog toegevoegd ‘niet bij mannen, niet bij vrouwen, en niet bij mannen en vrouwen gezamenlijk’.

Maar toen had ook het verhaal van het ‘serotonine-transporter-gen’ zich al verspreid, via artikelen, leerboeken en de vele populariseringen van wetenschap. Het overzichtsartikel in JAMA uit 2009 dat dit verhaal krachtig weersprak, had eind december 2015 het aantal van 1213 citaties – wat bleekjes afsteekt tegen het getal van 6665 verwijzingen naar het oorspronkelijke stuk in Science uit 2003.

Het omdopen van allerlei verdriet en hopeloosheid in depressie 

Het kan zeker zinvol zijn om het woord depressie te gebruiken voor bepaalde vormen van grote neerslachtigheid, maar net zoals wij geen diversiteit van woorden hebben voor soorten sneeuw hebben we dat onderhand niet meer voor soorten ellende. Die heten nu als vanzelfsprekend allemaal ‘depressie’, wat impliceert dat het bij somberheid automatisch om een stoornis gaat die om medische behandeling vraagt.

Het eigen levensverhaal als overbodig verklaren

Voorstanders van de stofjestheorie voeren aan dat hij een verontschuldiging is voor mensen die anders zichzelf verwijten maken. Dat kan zo zijn, maar onterechte zelfverwijten vallen op betere manieren tegen te gaan dan door mensen te vertellen dat er iets fundamenteel mis is met hun hersenen. Ook zijn er net zo goed patiënten die zich juist miskend voelen door de stofjestheorie, omdat deze een ‘quick fix’ inhoudt en hun eigen levensverhaal overbodig verklaart.

Waarom spreken neurowetenschappers niet massaal de theorie van de ontbrekende stofjes of de theorie van de chemische onbalans tegen?

Is het omdat op erkenning beluste psychiaters met deze theorie een hogere plek willen verwerven in de medische hiërarchie? Exacte wetenschap heeft namelijk meer aanzien dan geestes- of sociale wetenschap. Exacte wetenschap zou objectiever zijn, maar:

Zoals wetenschapsfilosofen echter al meer dan een eeuw met veel argumenten betogen is objectiviteit in de zin van rechtstreekse weergave van de werkelijkheid voor geen enkele wetenschap mogelijk. Zodra we over de realiteit beginnen te praten, interpreteren we haar al en bij wetenschappelijk praten wordt dat zeker niet minder. Wat er wordt onderzocht, hoe dat gebeurt en hoe het wordt benoemd, hangt af van menselijke besluiten die vaak grote consequenties hebben. Achter elk schijnbaar hard feit schuilt een verhaal en als daar een laag getallen, hersenscans of andere grafieken overheen komt, verdwijnt dat verhaal niet, maar raakt het hooguit onttrokken aan het zicht.

Is het omdat kritiek op de ‘stofjesverklaring’ het aanzien van een heel vakgebied aan zou kunnen tasten? Dit gevaar geldt volgens Dehue zeker voor de psychiatrie.

Is het omdat zowat alle wetenschappelijke disciplines zich tegenwoordig schuldig maken aan het suggereren dat niet zijzelf spreken, maar via hun mond de naakte werkelijkheid?

Is het omdat kritiek op deze populaire wetenschappelijke trend betekent dat je wordt neergezet als jaloers?  En dan zou je vooral jaloers zijn op de publiekslievelingen onder de populariserende wetenschappers.

Of is het omdat het publiek graag onomstotelijk bewezen waarheden hoort? Echter:

Geen enkele wetenschappelijke discipline zou daarom haar uitspraken moeten immuniseren tegen tegenspraak door te doen alsof zij namens de realiteit spreekt. De wetenschap zou respect moeten verwerven door het tonen van de kwaliteit van haar achterliggende argumenten. Dan zouden wetenschapsbeoefenaren ook echt in gesprek gaan met anderen, in plaats van hen mee te delen wat de ‘gevonden feiten’ zijn. Openheid over de discursieve basis van wetenschap blijft echter onmogelijk zolang het publiek alleen onomstotelijke waarheden wil horen. Het verdriet van de wetenschap is dat ze slechts wordt bewonderd om wat ze niet kan zijn. Ze moet voortdurend de schijn ophouden, zozeer dat veel wetenschapsbeoefenaren zelf nog in die schijn gaan geloven ook en wetenschapsvoorlichting geven die niet veel meer dan wetenschapsmarketing is.

Volgens Dehue moet het inzicht dat wetenschap minder op de realiteit dan op denkwerk is gebaseerd niet tot teleurstelling en minachting leiden. Dit inzicht zou aanleiding moeten zijn tot enerzijds minder goedgelovigheid en anderzijds juist méér waardering.


Ook het TV programma  Zembla onderzoekt waarom het gebruik van antidepressiva zo hardnekkig blijft stijgen, terwijl bekend is dat deze pillen bij veel mensen niet goed werken en gevaarlijk kunnen zijn. De inhoud van het programma raakt aan het betoog van Dehue.

Hier een link naar de hele uitzending.

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

4 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Psychologie

‘Bullshit job’, betekenisloos werk

Een bullshit job is een baan waarvan diegene die hem heeft – let op – zelf zegt dat hij eigenlijk overbodig is.

Vandaag verscheen in de Correspondent een verhaal van Rutger Bregman getiteld: ‘Stel jezelf de vraag: heeft mijn werk eigenlijk wel zin?’

Zijn verhaal is psychologisch gezien interessant niet zozeer omdat werk alles heeft te maken met geld verdienen maar vooral omdat het te maken heeft met betekenis hebben. En aan het laatste ontbreekt het te vaak. Bregman:

In 2013 was maar liefst 35 procent van alle Nederlandse werknemers niet ‘enthousiast over zijn baan.’ In de handel en de financiële sector zijn mensen het minst enthousiast; in de zorg en in het onderwijs het meest (voor het salaris geldt trouwens precies het omgekeerde).

Terwijl de werkgelegenheid voor veel leraren en thuiszorg medewerkers op het moment afneemt, is er steeds meer vraag naar bijvoorbeeld fiscalisten en ICT’ers. Bregman vraagt zich af of we wel blij moeten zijn met deze vacatures.

Meer dan ooit geldt dat als je erbij wilt horen in Nederland je een baan nodig hebt. Niet zo gek dus dat iedereen in Den Haag juicht als er meer vacatures ontstaan. Of het nu om callcentermedewerkers of tabakslobbyisten gaat – zelfs bij GroenLinks gaan de handen op elkaar. En als je een gemiddelde econoom vraagt naar het grootste probleem van dit moment, dan zal hij wijzen op het gebrek aan ‘vraag’ – maakt niet uit naar wat.

Maar misschien is er wel te veel vraag.

Misschien is er wel te veel vraag naar afstompende marketing, te veel vraag naar overbodige administratie, te veel vraag naar vervuilende troep en te veel vraag naar dubieuze financiële producten. En misschien is er juist te weinig tijd voor de dingen die we echt belangrijk vinden, waarvan we op ons sterfbed zeggen: daar had ik graag meer tijd aan willen besteden.

Ik wil het verschijnen van dit artikel in de Correspondent aangrijpen om mijn lezers te trakteren op een fragment uit het boek ‘Geheime geliefden’ van Herman Gorter. Je vraagt je af; wat heeft dàt er mee te maken? Maar Gorter was een romantische socialist en maakte zich net als Bregman ernstig zorgen over de betekenisloosheid van veel werk.

‘Geheime geliefden’ bestaat uit liefdesbrieven die Gorter schreef aan twee minnaressen. Hier een paar fragmenten uit de brieven aan Ada.

Brief van 15 augustus 1902.

Liefste Ada! Ik zal maar weer een brief aan je schrijven. Het is nu Vrijdag morgen. Het is prachtig weer. De wolken drijven langzaam langs mijn kamer gestuwd door een zachte Noordewind. ‘S ochtends vroeg is het zoo heerlijk in mijn kamer, alles is dan nog zo stil en open. Je voelt jezelf nog of je je klaar maakt voor den dag. Weet je wat ik ook zoo verschrikkelijk vind van den tegenwoordigen tijd. Dat je op een dag zoo weinig werkt wat je weet dat goed is voor jezelf, de wereld en de andere menschen. De arbeiders werken hard maar alleen om enkele anderen rijk te maken, zelf zeer pover te blijven en wij, wat doen wij eigenlijk? Werken, produceren doen wij niet en het leeren dat wij doen is gewoonlijk ook alleen om het kapitaal te dienen en zelf slaaf te worden. Er moet een verandering komen, de wereld kan zoo niet blijven bestaan. Werken, arbeiden met genot, voor een hoog gemeenschappelijk doel dat je interesseert en aantrekt dat moet er komen. De voorwaarden dat dit komen kan worden steeds grooter en beter, de menschen kunnen het dus hoe langer hoe minder uithouden met zooals het nu is. Geloof je ook niet dat in de grond van de zaak de oorzaak van al het verdriet, de zenuwziekten enz. enz. die we om ons heen zien hierin ligt dat men niet tot zijn wezenlijke vreugde werken kan. Werken, geestelijk, lichamelijk, alle twee is zoo absoluut nodig om gelukkig te leven voor ons, dat als wij dat niet kunnen, de gevolgen wel allerberoerdst moeten wezen.

De brief gaat verder en eindigt met:

… Ik schrijf nu morgen weer, die heb je dan Zondag. Maandag vind ik dan jouw brief. Dag mijn liefste liefste ik kus je duizendmaal op je mond, je oogen, je hals, overal. Dag Ada.

Je Herman

Het is eenzaam hier. Wat zou het heerlijk zijn samen. Dan gaat je hart open. Dan voel je alles wat er is, je heele lijf zo goed. Heerlijk zal het wezen als je terugkomt. Dat gevoel dat dat geeft, daarmee is niets te vergelijken. Dat doortintelt je hele wezen, de heele wereld. In dat licht kan je pas ademen. Dag mijn liefste liefste Ada, dag Ada lieve lieve lieve Ada. Ik kus je nog eens een lange lange verschrikkelijk lange kus.

Ik citeerde iets meer dan nodig was voor het onderwerp van deze blog-post omdat ik de taal van Gorter zoo mooi vind.

Een paar brieven later komt Gorter op het onderwerp ‘werk’ terug. Uit een brief aan Ada van 10 november 1904.

…Het is een prachtige morgen na het vreeselijke noodweer. ‘S morgens is mijn beste tijd. Het is altijd net of de wereld open staat heel ver heel ver. Wat zou het mooi zijn als je dan werk te doen had dat je geheel bevredigde, dat je geheel en al goed vond. Maar hoe zeldzaam is dat tegenwoordig, is het niet? hoe is zelfs het beste geestelijke werk nog eenzijdig en maar naar één kant ontwikkeld.

 

 

 

 

1 reactie

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, proza en poëzie

De gestorvene

Zeven maal om de aarde te gaan,

als het zou moeten op handen en voeten;

zeven maal, om die éne te groeten

die daar lachend te wachten zou staan.

Zeven maal om de aarde te gaan.

 

Zeven maal over de zeeën te gaan,

schraal in de kleren, wat zou het mij deren,

kon uit de dood ik die éne doen keren.

Zeven maal over de zeeën te gaan –

zeven maal om met zijn tweeën te staan.

 

Ida Gerhardt

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie - Rouwen

Troost

tranen omarmt

met warme

woorden

geoogst uit

onze tuin

vloeien samen

in een zee

van vruchtbaar

verdriet

 

Danny Demeersseman

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie - Rouwen