Tagarchief: psychoanalyse

‘Slow therapy’ in de mode

Uit het project ‘Notes from my therapist’ van fotograaf Carrie Thompson.

Net zoals ‘slow food’ blijkt nu ook ‘slow therapy’ in de mode te zijn. Dit wordt geconstateerd door psychoanalytici en was te lezen in een artikel van Marilse Eerkens van de Correspondent: ‘Waarom de psychoanalyse er na 100 jaar nog altijd toe doet‘. Het was een ode aan ‘de moeder van alle therapievormen’, geschreven nu het precies honderd jaar geleden is dat de psychoanalyse werd geïntroduceerd in Nederland.

Psychoanalyse onderzoekt de onderliggende, meestal onbewuste laag die het menselijk gedrag aanstuurt. Deze vorm van therapie werd ingehaald door de cognitieve gedragstherapie waarin het vooral draait om hoe je met negatieve gevoelens omgaat in plaats van om de vraag waar ze vandaan komen en wat die gevoelens in stand houdt. Cognitieve gedragstherapie zou efficiënter zijn: patiënten zouden gemiddeld met zo’n tien sessies geholpen zijn. Psychoanalytische behandelingen duren langer. Dat kan natuurlijk niet in onze ‘ratrace’ tijd waarin de marktwerking de boventoon voert in de gezondheidszorg.

Psychoanalyse is niet de enige vorm van ‘slow therapy’

In de reacties onder het artikel van Eerkens blijkt dat veel lezers, waaronder professionals en ervaringsdeskundigen, vinden dat Freud en de psychoanalyse niet op een voetstuk geplaatst zouden mogen worden en dat er ook andere vormen van therapie zijn die dieper en verder gaan dan de cognitieve gedragstherapie. Hier ben ik het mee eens.

Maar ik vind het idee dat ‘slow therapy’, waaronder de psychoanalyse, in de mode is, een goede zaak. Sommige veranderingsprocessen zijn taai en vragen veel tijd en ‘oefening’.  ‘Slow therapy’ hoeft misschien ook helemaal niet zo duur te zijn. Je zou kunnen denken aan ‘korte, langdurige therapie’. Dan ben je weliswaar lang in therapie maar heb je niet zo vaak een sessie met je therapeut. Misschien maar één sessie per twee of drie weken. In de psychoanalyse is het gebruikelijk om twee à drie sessies per week te hebben. Dat vind ik erg veel en het is de vraag of dat goed is. Een begrijpelijke reactie van een van de lezers van het artikel in de Correspondent luidt:

Toen ik in mijn jonge jaren in psycho-analyse was, voelde de rust, ruimte en aanwezigheid van mijn analyticus als re’parent’ing. Eindelijk iemand die er voor me was en die naar me luisterde. En de structuur van drie keer per week gaf me een veilig gevoel. Het voelde als een draagvlak voor zelfonderzoek en reflectie. Maar ik vond het ook zware luxe en voelde me redelijk a-sociaal dat er iemand, die zoveel geld kostte en bijna niets zelf zei, drie keer per week er voor mij was. Ik bedacht: ‘dat kan ik ook alleen’. Ik ben toen gestopt met de analyse en ben een dagboek gaan bijhouden voor mijzelf en daar had ik veel aan. Ik re’parent’e mijzelf op die manier.

De meeste professionals zijn het er over eens dat eigenlijk alle vormen van therapie een prijs verdienen en dat het resultaat van de therapie eerder bepaald wordt door de werkrelatie dan door de gebruikte methode. Dit idee wordt wel eens het Dodo bird verdict genoemd: ‘All therapies have won, all must have prices’.

Herbeleven

Volgens de ode van Eerkens aan de psychoanalyse verschaft deze meer dan het rationele inzicht van de cognitieve gedragstherapie. Rationeel inzicht is bijvoorbeeld:

‘ik ben boos op mijn baas omdat hij mij nooit eens complimenteert, maar ik weet dat die reactie misplaatst is, want eigenlijk ben ik op zoek naar de complimenten die ik van mijn vader nooit kreeg’.

De psychoanalyse zorgt er naast het rationele inzicht voor dat je met je therapeut de pijn uit het verleden herbeleeft. Nogmaals: Het herbeleven kan ook binnen andere vormen van psychotherapie, binnen de systeemtherapie en zelfs binnen de cognitieve gedragstherapie kan er ruimte voor zijn. Het herbeleven is belangrijk want pas wanneer je in een veilige situatie de pijn van bijvoorbeeld een gebrek aan erkenning echt doorvoelt, komt er ruimte voor rouw en kun je blijvend veranderen. Dat is het idee. De pijn moet verwerkt worden en dat kost tijd.

De theorie van de psychoanalyse komt erop neer dat het gedrag van de mens voor een groot deel wordt aangestuurd door onbewuste driften. De ontwikkeling van het onbewuste vindt voor een belangrijk deel plaats in de baby- en peutertijd. Gevoelens en behoeften zijn dan nog heel ‘rauw’, legt psychoanalytica Fernanda Sampaio de Carvalho uit aan Eerkens.

De manier waarop er tegemoet wordt gekomen aan primaire behoeften– eten bieden bij honger, warmte bieden bij kou, aanraken en praten bij behoefte aan contact – en de manier waarop de relatie met je vader en moeder (of andere vaste verzorger) op latere leeftijd verder vorm krijgt, is heel bepalend voor wat jij op volwassen leeftijd van een relatie – in welke vorm en met wie dan ook – zal gaan verwachten.

In je kindertijd creëer je onbewust een sjabloon van hoe een relatie eruitziet. Dit sjabloon en de bijbehorende verwachtingen zijn weer sterk van invloed op de keuzes die je maakt en je verdere gedrag en verhouding met de buitenwereld.

Door een gebrek aan ‘emotionele beschikbaarheid’ van je ouders krijg je als kind de boodschap dat jij en jouw gevoelens er niet zo toe doen.

Deze terugkerende ervaring, die jouw verwachtingen van het leven onbewust sterk kleurt, kan gevolgen hebben voor de keuzes die je op latere leeftijd maakt. De ervaring uit je jeugd kan er bijvoorbeeld toe leiden dat je – ter compensatie – op zoek gaat naar een partner die de ondankbare taak krijgt om jouw onbeantwoorde behoeften constant te vervullen.

Het kan er ook toe leiden dat je écht en warm contact met vrienden of geliefden gaat mijden, uit angst weer ‘weggeduwd’ te worden (en je dus de hele tijd merkt dat je relaties stuklopen). Of dat je heel erg narcistisch wordt omdat je de hele tijd wilt ervaren dat je er wél toe doet.

‘Slow therapy’ en zorg-verzekeraars

Het zou goed zijn als de Correspondent ook aandacht zou besteden aan de relatie tussen de psychotherapie en de zorg-verzekeraars waarbij dan ook de werkrelatie tussen client en therapeut wordt meegenomen. Ik ben het heel erg eens met deze reactie onder het artikel:

De waarde van een langdurige en/of intensieve therapie onderschrijf ik volledig, al is het maar als regelmatige check-up omdat aangeleerde patronen niet zo makkelijk structureel zijn te doorbreken of te veranderen en je voor nieuwe uitdagingen kan komen te staan. Daarbij kan het ook heel fijn en belangrijk zijn om bij één bepaalde therapeut terecht te kunnen, waar je goede ervaringen mee hebt en met wie je een goede werkrelatie hebt opgebouwd. Dat wordt nu vind ik te weinig gefaciliteerd door het vergoedingssysteem…

Het huidige systeem gaat er toch wel van uit dat je ofwel ziek ofwel genezen bent en dat het altijd gaat om een traject dat je kunt afsluiten en als zodanig kunt declareren bij de zorgverzekeraar. En daarnaast wordt er heel luchtig gedaan over de vraag naar welke therapeut je gaat. Zo was er een paar jaar terug nog het plan om de zelfstandig behandelende psychotherapeuten niet meer te vergoeden. Als mensen naar een behandelkliniek gaan moeten ze maar afwachten welke therapeut hen wordt toegewezen en zelfs in psychologenland is het flexcontracten troef.


Een mooie vorm van psychotherapie waarbij herbeleven een belangrijke rol speelt heb ik beschreven in het bericht: Wie ben ik nou echt.

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie, Psychotherapie - Rouwen, Zorgverzekeringen

Bewustzijn van het ‘double bind’ probleem is belangrijk

Het is belangrijk voor ons allemaal; maar misschien vooral voor politici. Dit bewustzijn kan ons helpen om het opwarmen van de aarde tegen te gaan, om in een schoon milieu en stabiel klimaat verder te leven.

Jelmer Mommers, Correspondent Klimaat en Energie beschrijft de ‘double bind’ in een artikel voor De Correspondent. Het artikel gaat voor een groot deel over een ontdekking van de Amerikaanse klimaatpsycholoog Renee Lertzman; mensen blijken lang niet zo apathisch over de klimaatopwarming te zijn als we denken. Het echte probleem is volgens haar de machteloosheid. Mensen worden gek en machteloos door de waarschuwende boodschappen over het klimaat enerzijds en de oproep om te consumeren anderzijds, ze worden gek van de ‘double bind’. Lertzman hield hier in Nederland onlangs een lezing over. Mommers interviewde haar. Hieronder een bewerking van zijn artikel.

‘Double bind’ betekent letterlijk dubbele binding en is een dilemma in de communicatie, waarbij een individu (of groep) twee of meer tegenstrijdige boodschappen ontvangt waarbij de ene boodschap de andere ontkent. Het is een toestand waarin adequaat reageren op de ene boodschap, betekent dat je in gebreke blijft ten aanzien van de andere boodschap, en omgekeerd. Je zit altijd fout: ‘You are damned if you do and damned if you don’t’.

Het begrip werd voor het eerst gebruikt door de Amerikaanse filosoof en psycholoog Gregory Bateson. Hij gebruikte het om de toestand te beschrijven waarin kinderen komen als ze van hun ouders de boodschap meekrijgen om iets niet te doen en vlak daarna om datzelfde juist wèl te doen. Wat je ervaart in de ‘double bind’ is gespletenheid en incoherentie. Met machteloosheid tot gevolg.

De ontvanger van een ‘double bind’ boodschap kan geen commentaar leveren op het conflict, kan het niet oplossen en zich ook niet aan de situatie onttrekken.

Dit is precies wat schilder, schrijver, criticus, John Berger in de BBC serie ‘Ways of seeing’ uit 1972 nu juist wèl doet. Hij levert wel degelijk commentaar op het conflict waarin we terecht komen. Hoe kwellend het is om in een gesplitste werkelijkheid te leven wordt goed duidelijk in dit stukje film uit de vierde aflevering van deze serie. Een indrukwekkend stukje film.

Graaievangelie

Lertzman doet onderzoek naar de psychologische mechanismen van mensen om met milieukwesties en klimaatverandering om te gaan. Het collectieve onbewuste van de mensen kan door de ‘double bind’ gefragmenteerd en gekweld raken waardoor ze geneigd zijn om afstand te nemen tot een onderwerp zoals klimaatopwarming.

Jelmer Mommers geeft in zijn artikel een actueel voorbeeld van twee tegenstrijdige verhalen over de werkelijkheid rond het klimaat waar je een gespleten gevoel aan over houdt. Deze twee advertenties hingen de afgelopen weken zij aan zij op stations in Nederland.

Links een afbeelding van een boom met de tekst: ‘Als we de aarde kunnen opwarmen, kunnen we haar ook weer afkoelen.’ Het is een aansporing om iets voor het klimaat te doen: stuur een sms’je en je helpt bomen aanplanten.

Rechts een advertentie over de snelle treinverbinding tussen station Rotterdam en luchthaven Brussel. ‘Vlieg ver, vertrek vlakbij!’

cwbl75txgaalnzw

De meeste mensen zullen aanvoelen dat deze twee advertenties tegenstrijdig zijn. Met één sms’je kun je de klimaatimpact van een verre vlucht niet compenseren. Belangrijker: je kunt niet tegelijkertijd leven in een wereld waar je je serieus inzet tegen klimaatverandering én in een wereld waarin je zorgeloos je vakantie tegemoet vliegt. Die twee gaan niet samen.

Het graaievangelie (mooi woord voor de boodschap van dit soort advertenties, bedacht door Arjen van Veelen, een collega van Mommers) gaat niet helpen bij de oplossing van het klimaatprobleem. Hier een voorbeeld van het graai-evangelie van Tele 2.

tele2-omdat-bericht

Eigenlijk zeggen dit soort advertenties: begin niet aan dat verhaal over het verlies van ons stabiele leefklimaat. Maar als we er niet aan beginnen betalen we dit o.a. met een complex van conflict en schuld. Het is volgens Lertzman moeilijk om je in deze tijd helemaal niet bewust te zijn van het feit dat er iets mis is met het klimaat. Ze gelooft ook niet dat mensen totaal afgehaakt zijn. Het milieuprobleem is op de achtergrond aanwezig maar het voelt voor de meeste mensen als een terrein dat je niet kunt betreden. Het is te veel. Het is overweldigend. Er is al teveel mis.

Er lijkt op het moment nog sprake te zijn van een collectieve en onbewuste overeenstemming om niet te kijken naar de implicaties van de klimaatopwarming. Er is een enorme weerstand maar het is niet zo dat het de mensen niets kan schelen.

Een verlangen naar een tijd dat dingen eenvoudiger waren

Lertzman verkent al sinds 1986 het terrein tussen het milieu en de menselijke psyche. Ze volgde destijds als student een vak over milieuwetenschap. Wat ze leerde over de menselijke invloed op het milieu en het klimaat vond ze vreselijk. Traumatisch zelfs. Iets later begon ze zich in de psychologie te verdiepen. Tot haar verbazing waren het onderzoek naar de menselijke psyche en het milieu totaal gescheiden.

Ze begon zelf onderzoek te doen. Haar belangrijkste nieuwe inzicht, verkregen door middel van diepte-interviews (voor een promotieonderzoek) die ze tussen 2006 en 2009 voerde met bewoners van de geïndustrialiseerde staat Wisconsin in de VS, is dat mensen zijn niet zo apathisch zijn als het lijkt. Hun bezorgdheid is begraven onder een diepe laag van machteloosheid.

Ze stralen misschien uit dat het milieu of het klimaat ze ‘niets kan schelen,’ maar dat is vooral een beschermingsmechanisme. Het is een houding die mensen zich onbewust aanmeten als ze wel een gevoel van verlies ervaren, maar niet het gevoel hebben dat ze daar iets aan kunnen doen.

In haar boek ‘Environmental Melancholia: Psychoanalytic Dimensions of Engagement’, schrijft ze: ‘apathy is a psychic defence for managing intolerable primitive anxieties and is the result of a peculiar combination of helplessness, fear and omnipotence.’ Mommers schrijft in zijn artikel dat Lertzman in Wisconsin o.a. melancholie aantrof:

een onbestemd gevoel van verlies, een verlangen naar een tijd dat dingen eenvoudiger waren, dat de seizoenen nog ‘gewoon’ waren. Totale ontkenning van klimaatverandering is ook een manier om aan die tijd vast te houden. Net als apathie is ontkenning dus een strategie: het is een manier om de zorgwekkende implicaties van klimaatverandering buiten te sluiten.

Psychoanalyse en praten

De psychoanalyse heeft volgens de klimaatpsycholoog een heel inzichtelijke en fijnzinnige manier om te beschrijven hoe onbewuste verdedigingsmechanismen werken. Ze vindt het nog steeds vreemd dat niet meer mensen zich hierin verdiepen. ‘Mensen lijken te vergeten dat ontkenning een klinisch concept is dat lang geleden is beschreven door psychoanalisten.’

In haar boek heeft ze het naast ontkenning ook over verloochening. Verloochening is volgens haar verraderlijker; het is het selectief overeenstemmen om je niet echt met het onderwerp te verbinden. Het is ook niet gemakkelijk om de gevolgen van de opwarming van de aarde te overzien. De uitstoot van CO2 is met onze levens verweven. Als mensen het gevoel hebben dat ze iets zullen verliezen als ze de klimaatopwarming echt serieus nemen, zullen ze het onderwerp ontwijken. Het eerste wat mensen denken bij een verlies is: wat betekent dit voor mij? Maar dit afvragen doen mensen onbewust.

We moeten over onze gevoelens praten. In campagnes en verhalen over klimaatverandering moet veel meer ruimte zijn voor ambivalentie en innerlijke strijd. De meeste campagnes over klimaatverandering verhogen het gevoel van urgentie en roepen vervolgens op tot actie. Maar dat werkt niet omdat de meeste mensen dubbelzinnigheid ervaren: gevoelens van conflict, verwarring en ongeloof.

Als je over klimaatverandering praat, komen er ook gevoelens van schuld en schaamte naar boven. Ons eigen gedrag is onderdeel van het probleem, dus natuurlijk voelen mensen zich schuldig. Milieuactivisten moeten mensen helpen om daar doorheen te bewegen. Zolang mensen schaamte voelen, zullen ze zich nergens mee verbinden.

Schuldgevoelens

De grote achterliggende vraag van Lertzman’s werk is: hoe vergroten we de psychische ruimte voor actie? En ze ziet het schuldgevoel als de grootste barrière. Want het schuldgevoel is ondraaglijk. Het is verlammend. En tragisch, omdat het vaak erg privé is. Schuldgevoelens worden vaak verzwegen.

Lertzman denkt dat veel mensen – al dan niet onbewust – met schuldgevoelens zitten over alle kleine en grote dingen die ze voor het klimaat zouden kunnen doen, maar nalaten.

‘Als we dat gevoel meer erkennen, zouden we misschien meer actie zien. Dat zou ik willen onderzoeken. Het wegnemen van schuld en schaamte werkt als het over andere onderwerpen gaat die maatschappelijk zwaarbeladen zijn. Mensen komen in beweging als ze zich niet veroordeeld voelen, als ze zich niet schamen. Dat is steeds opnieuw aangetoond.’

‘Mensen die zich schuldig voelen moet je uitnodigen: vertel het maar. Je moet niet over het gevoel van machteloosheid heen walsen. Een sms-je sturen gaat de planeet niet redden. Daar moet je eerlijk over zijn. Maar richt het gesprek daarna op iets anders: hoe zou het eruitzien als jij meer te zeggen had?  Zo’n gesprek kan ertoe leiden dat mensen zelf iets ondernemen én dat ze zich verbinden aan milieu- en klimaatorganisaties die verandering nastreven. Je hoeft alleen maar naar de geschiedenis te kijken om te zien dat collectieve actie grote impact kan hebben.’

‘We moeten culturen van verandering ondersteunen en mensen aanmoedigen om zichzelf als onderdeel van iets groters te zien. Sociale interacties zijn de beste voorspeller van gedrag. Mensen moeten een gevoel van gemeenschap hebben met organisaties die de waarden vertegenwoordigen waar het hier om gaat.’

Een politiek van compassie

En zo komt Mommers met Lerzman in gesprek over Trump. Als de man iets vertegenwoordigt, is het egoïsme. Een Amerikaanse psycholoog die Trumps geest analyseerde kon weinig méér onderscheiden dan narcistische motieven en een bijhorend persoonlijk verhaal van winnen, koste wat het kost. ‘His level of egotism is rarely exhibited outside of a clinical environment’, schreef een Amerikaanse journalist.

Het antwoord hierop is volgens Lertzman:

‘Compassie. Voor onszelf en anderen. In de zin van: bereidheid om de ongelooflijke pijn te erkennen die ons op deze plek heeft gebracht. Niemand heeft het zo bedoeld en toch zijn we hier beland. Het gevoel dat we stuurloos zijn. Dat ons hele onzekere tijden staan te wachten. Dat dingen instabiel voelen. We hebben een diepe toewijding nodig aan samenwerking en naar elkaar luisteren. Je kunt het een politiek van compassie noemen. Dit is een kans om dat echt te oefenen. Het zou ontwapenend kunnen werken.’

‘Politieke leiders hadden mensen moeten helpen om om te gaan met snelle verandering. Dat hebben ze onvoldoende gedaan en de huidige situatie is er het gevolg van. Dit is wat er gebeurt als mensen zich kwetsbaar en stuurloos voelen. Dan slaan ze terug.’

Mommers: ‘Dan houden ze zich vast aan wat ze kennen.’ Lertzman: ‘Ja. En dan verdedigen ze dat tot het bittere einde.’

Het doet Mommers denken aan het onderzoek van socioloog Arlie Hochschild, die vijf jaar optrok met de achterban van Trump in het arme Louisiana. ‘Wat je ziet op televisie is boosheid,’ zei Hochschild onlangs in Vrij Nederland, ‘maar wat eronder ligt, is rouw om een samenleving en een levensstijl die er niet meer is, om een land dat Trump-stemmers niet langer herkennen als het hunne. Ze voelen verdriet, pijn en angst. Trump speelt daar als geen ander op in, bewust of instinctief.’

Trumps antwoord op complexiteit en verandering is een radicale versimpeling van de werkelijkheid. Dat is een aantrekkelijke optie, zolang er geen ruimte is voor ambivalentie. ‘Het moet veel normaler worden om eerlijk te zeggen hoe we ons voelen over dit onderwerp,’ zegt Lertzman. ‘Het hele spectrum van gevoelens: angst, hoop en enthousiasme.’

Het bespreekbaar maken van deze gevoelens kan helpen om oplossingen los te weken, zegt Lertzman. Want creativiteit, zorg en bezorgdheid zijn nauw met elkaar verbonden. ‘Ik heb veel vertrouwen in mensen. We zijn in staat tot grote innovatie en weerbaarheid, zeker als we in groepen samenwerken.’


Lees ook mijn bericht: Emocratie en bekijk het filmpje waarin de psychiater Dirk de Wachter het heeft over waarom we met zijn allen iets moeten met de emoties die door maatschappelijke ontwikkelingen worden opgeroepen.


Misschien beschrijft Lertzman in haar boek wel dat de ontkenning van het probleem van de klimaatopwarming ook te maken heeft met een rouwproces en dus niet alleen met de ‘double bind’. In haar gesprek met Mommers ging het over de rouw die Trump-stemmers ervaren over het voorbijgaan van de leefstijl van de jaren ’60 en ’70 van de vorige eeuw toen er sprake was van economische groei (gebaseerd op fossiele brandstoffen) en er minder werkeloosheid was enz.

De vijf fasen van een rouwproces zijn: ontkenning, boosheid, onderhandeling, loslaten en acceptatie van het verlies. In de fase van de ontkenning van het klimaatprobleem zitten veel mensen nu nog. Ze houden vast aan de oude (neo-liberale) economische groei. Ze ontkennen de klimaatopwarming en vervuilde oceanen. Milieuactivisten zitten niet meer in die fase en zijn overgestapt naar de fase van de boosheid over het verlies van schone lucht, schone oceanen en een stabiel klimaat maar velen zitten ook in de fase van de onderhandeling. Ze onderhandelen met vertegenwoordigers van industrie en politiek maar ze onderhandelen denk ik ook op een emotioneel en mentaal niveau. Zij hebben compensaties gevonden voor het verlies dat veroorzaakt wordt door het opgeven van consumpties zoals vliegreizen, auto’s, het eten van vlees enz. Compensaties zoals het plezier in het fietsen, het thuisblijven, het overstappen op vegetarische gerechten, enz. Dit is waar het in de fase van ‘de onderhandeling’ bij een rouwproces over gaat. Op zoek naar nieuwe invullingen en betekenissen. Een deur gaat dicht, een andere deur gaat open. Er zijn mensen die de pijn van het verlies van de auto en het maken van vliegreizen in hun leven allang hebben losgelaten. Deze mensen zitten in de fase van de acceptatie. Hun leefstijl is veranderd. Maar voor deze mensen is het rouwen niet echt afgelopen want ze blijven zitten in de vervuilde lucht en opgewarmde planeet zolang er niet een meerderheid van mensen is die aan de fase van het onderhandelen zijn toegekomen.

Het is een ingewikkeld rouwproces. Als we een geliefde verliezen door een overlijden kunnen we daar niets aan veranderen. Maar aan het verlies van een stabiel klimaat kunnen we wèl iets veranderen. Dat weten we maar dat willen we niet weten. Dat is de ontkenning. We moeten afscheid nemen van een oude manier van leven. Als we in actie zouden komen tegen de opwarming van de aarde, verliezen we onze zorgeloosheid bij het consumeren. We realiseren ons nog niet voldoende wat we daar allemaal voor terug krijgen. Wanneer mensen zich dat eenmaal realiseren zijn ze in de rouwfase van het zogenaamde onderhandelen gekomen. Misschien hebben mensen naast een bewustzijn van de ‘double bind’ ook behoefte aan hulp om in die fase te komen. Hulp bij het ontdekken van het plezier in de nieuwe manieren van leven. De overgang van fossiele naar zonne-energie betekent een verlies maar ook een winst. Ik verwacht dat de winst zal opwegen tegen het verlies.

Het probleem is natuurlijk niet alleen met psychologie op te lossen. Er is veel nieuwe politiek nodig die de weg naar zonne-energie ruimte geeft. Politiek gericht op verbinding. Zie mijn bericht: Narratieve therapie voor de hele wereld met de toespraak van de democratische en socialistische Amerikaanse politicus Bernie Sanders. Hij is een van de weinige politieke leiders die de mensen kan helpen om om te gaan met verandering. Naar zijn verkiezingsbijeenkomsten kwamen meer mensen dan naar die van Clinton en Trump bij elkaar. Volgens sommige opiniepeilingen zou hij van Trump hebben gewonnen als hij de Democratische kandidaat was geworden. Bijna was hij de president van het machtigste land ter wereld. De meerderheid van de mensen willen verandering.

4 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie

Verschil tussen therapie en opvoeden

Vanzelfsprekend! Natuurlijk is er een verschil. Net zoals er een verschil is tussen hoe een therapeut omgaat met zijn vrienden of familieleden en hoe h/zij omgaat met zijn/haar cliënten.

Ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma vind echter dat Ingeborg Bosch (ook psycholoog) in haar boek: ‘De onschuldige gevangene’, te weinig onderscheid maakt tussen therapie en opvoeden.

Dit is te lezen in zijn artikel in Ouders Online: Het sadistisch universum van Ingeborg Bosch. Gepubliceerd in 2009. Breeuwsma vind dat Bosch ouders teveel aanspoort om therapeutje te spelen met hun eigen kinderen.


Bosch werkt als psychotherapeut met een methode die zij ‘Past Reality Integration’ (PRI) noemt. Een methode die zij mijns inziens goed uit de doeken doet in haar boek: ‘Herontdekking van het ware zelf’. Ik heb op dit weblog een samenvatting van dit boek gepubliceerd: Wie ben ik nou echt?

De verdienste van Breeuwsma is m.i. vooral dat hij de methode van Bosch plaatst binnen de ‘early formation’ theorie en de psychoanalyse. Bosch doet namelijk een beetje teveel alsof zij zelf het wiel uitgevonden heeft.

Ik denk dat ik de zorg van Breeuwsma over het ‘therapeutje spelen’ begrijp maar voor mij blijft de therapie zoals Bosch die beschrijft, als therapie voor volwassenen absoluut bruikbaar en ik boek er resultaat mee. En dat allemaal zonder expliciete psychoanalytische scholing of speciale PRI cursus.


Volgens Bosch zijn kinderen – machteloos en onschuldig – overgeleverd aan de grillen van hun ouders en zijn kinderen de gevangenen van hun ouders. Een gelukkige jeugd is een illusie volgens Bosch, wat een beetje een negatief idee is.

Dat kinderen van zeer jongs af aan gevoelig zijn voor allerlei indrukken die traumatisch kunnen zijn, betekent nog niet dat kinderen niet òòk weerbaar zijn, merkt Breeuwsma terecht op.

Een tekort aan aandacht kan schadelijk zijn voor het kind, maar een teveel aan bemoeienis met het kind is niet op voorhand beter en ook niet nodig.

Jerome Kagan schreef al eens dat de meeste kinderen wel tegen een stootje kunnen en een ‘milde verwaarlozing’ prima weten te overleven. Bruno Bettelheim meende dat het voldoende was als ouders ‘niet volmaakt, maar goed genoeg’ waren.

Gelukkig hoeft dus niet iedereen die in zijn kindertijd nare dingen heeft meegemaakt in therapie en van mij hoeft ook niet iedereen iets te veranderen aan zijn oude afweermechanismen. Misschien zorgen ouders die ‘goed genoeg’ zijn wel voor een kindertijd die ‘gelukkig genoeg’ is.

De illusie dat ik helemaal vrij zou kunnen zijn van oude afweer heb ik persoonlijk niet hoewel ik er wel graag zo vrij mogelijk van zou willen zijn. Dus ‘werk’ ik nog steeds aan mijzelf. Dat vind ik leuk, ik zie het als een luxe en een weg naar bevrijding.

Behoefte aan therapie komt regelmatig voort uit het hebben van te veel last van oude afweermechanismen in het heden en van teveel last hebben van de ongelukkige kindertijd. In die gevallen blijft voor mij de therapie zoals Bosch die beschrijft goed bruikbaar naast mogelijk elke andere therapie die gebaseerd is op de ‘early formation’ theorie.

Breeuwsma lijkt überhaupt niet veel op te hebben met de ‘early formation’ theorie. Hij vraagt zich af of het mogelijk is om herinneringen uit de kindertijd weer te activeren op zo’n manier dat we zicht krijgen op de inhoud en de betekenis ervan. En of dit wenselijk is. Hij haalt onderzoek en literatuur naar voren waaruit blijkt dat ons vermogen tot zelfbewustzijn en zelfkennis beperkt is en waarin beweert wordt dat mensen in essentie vreemden zijn voor zich zelf.


Het voorbeeld waarmee Breeuwsma in zijn artikel aantoont dat Bosch in ‘De onschuldige gevangene’ ouders teveel aanspoort om therapie met hun kinderen te doen vind ik niet heel sterk. Het gaat over een jongetje dat niet uit logeren durft.

Vertel hem dan, aldus Bosch, dat hij als baby na de geboorte bij jou (zijn moeder) is weggehaald, omdat jij rust nodig had en dat hij toen de hele nacht gehuild heeft: “Ik vond het zo erg, maar het was te laat, ik kon er niets meer aan doen”  (p.249). Later kun je hem ook helpen terug te gaan naar zijn oude pijn.

Zoek dan een rustige plek op, bij voorkeur een slaapkamer waar je kind zich veilig voelt, laat hem liggen op bed, met zijn ogen dicht, en help hem zich voor te stellen dat hij bij Jan logeert. Laat hem zich de hele situatie zo concreet mogelijk voorstellen en vraag wat het ergste is in die situatie, waar hij het meest bang voor is. Laat hem zich vervolgens voorstellen dat waar hij het meest bang voor is ook echt zou gebeuren en hoe dat zou zijn. (p.254)

Wie Jan is weet ik niet omdat ik ‘De onschuldige gevangene’ zelf niet gelezen heb maar ik ga er vanuit dat het een vriendje o.i.d. is. De vraag naar waar het jongetje het meest bang voor is vind ik gewoon een nieuwsgierige vraag van een betrokken ouder. Dat je als ouder vervolgens vraagt naar hoe het zou zijn als datgene waar het jongetje bang voor is ook echt zou gebeuren, vind ik een wat vertrouwelijke vraag maar als de relatie goed is en de ouder denkt de reactie van het kind aan te kunnen en denkt dat het kind het aankan lijkt het mij niet verkeerd. Vertrouwelijkheid tussen ouders en kinderen hoeft op zijn tijd niet verkeerd te zijn en een persoonlijke vraag hoeft ook niet direct therapie te zijn. Belangrijkst vind ik het dat er geen macht in het spel is.

Misschien is het wat gekunsteld om het kind te vragen om zijn ogen te sluiten terwijl het zich probeert voor te stellen wat het precies zo eng vind. Dat zou ik persoonlijk niet letterlijk overnemen. Misschien doet het kind trouwens uit zichzelf zijn ogen dicht omdat het zich concentreert maar ik denk vooral dat het eigen woordgebruik, de eigen taal van de ouder belangrijk is in zo’n interactie. Anders is de interactie al meteen onveilig.

Uit het voorbeeld blijkt dat therapie en opvoeding raakvlakken hebben. Het woord therapie komt van therapeia, een oud-Grieks woord. Het betekent behandeling, geneeswijze. Ook wel: Het geven van zorg en aandacht aan een ander door te pogen naast of met die ander te staan. Ik kan mij best voorstellen dat de interactie zoals Bosch die voorstelt in dit geval zo’n poging is en dat die troostend of geruststellend kan zijn voor het kind en dat het kind er iets van leert mits de ouder zichzelf kan blijven.

Meer over het belang van taal in therapie vind u hier: Therapie is taal en Therapie is taal; het is samen een rijker verhaal maken.


Breeuwsma heeft niets met Bosch’ idee dat een gelukkige kindertijd niet bestaat:

Ga er maar vanuit dat het nooit goed is, lijkt haar motto. Ze haalt dan ook gevallen aan in haar boek, zoals een 40-jarige man, die begint met: “Ik dacht altijd dat ik wel een fijne jeugd had gehad”, waarna Bosch hem uit de droom helpt.

En hij heeft ook niets met haar onbescheiden houding. Ze prijst haar therapie aan als fundamenteel vernieuwend waarin een brug geslagen wordt tussen oosterse en westerse concepten en die een fundamentele andere kijk op emotionele problematiek voorstaat.

Ze heeft ook een toekomstdroom, die allesbehalve bescheiden is. Citaat uit ‘De onschuldige gevangene’:

Mijn uiteindelijke hoop is dat de volgende scène op een dag heel normaal zal zijn. Twee jonge stellen zitten in de kroeg. Vraagt het ene stel aan het andere: ‘Denken jullie al over kinderen?’ Waarop het andere stel antwoordt: ‘Nou dat is ook toevallig dat jullie daarover beginnen! Wij […] hebben net de knoop doorgehakt dat we echt een kind willen en hebben dus de eerste stap gezet.’ ‘Je bedoelt dat je met de pil gestopt bent?’ ‘Nee joh, we zijn allebei begonnen serieus te kijken naar de bagage die we uit onze eigen jeugd bij ons dragen. Die willen we niet doorgeven!’ ‘O ja, natuurlijk’ (p.399).

Breeuwsma maakt bezwaar tegen de commerciële aanpak van Bosch. Ze heeft niet alleen een therapie ontwikkeld, maar ook een product.

Ze doet er alles aan om haar werk aan de man te brengen, via haar therapieën, cursussen en boeken, maar ook door middel van de opleiding van PRI-therapeuten. Een opleiding psychologie is daarvoor niet een vereiste, maar op haar website staat onder de opleidingseisen wel vermeld dat zij de voorkeur geeft aan BIG-geregistreerde psychologen en psychotherapeuten.

Hier ben ik het van harte met hem eens want ik ben mordicus tegen de marktwerking en producten in de zorg. Toch wil ik Breeuwsma, die universitair docent is aan de Universiteit van Groningen, zeggen: Probeer eens te overleven als uitvoerend psycholoog in een op marktwerking gebaseerde GGZ. Bosch is met haar boeken, onbescheidenheid enz. misschien wel een product van dat systeem.

1 reactie

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Psychologie, Psychotherapie

Narcisme: “Dat maak ik zelf wel uit”

We hebben in Nederland een autoriteit op het gebied van narcisme: Jan Derksen, hoogleraar klinische psychologie en psychotherapeut. Enige tijd geleden werd hij geïnterviewd in het Filmtheater van Hilversum. Derksen had toen net zijn boek ‘Het narcistisch ideaal, opvoeden in een tijd van zelfverheerlijking’,  gepubliceerd.

In dit bericht aandacht voor het narcisme aan de hand van een toespraak van Derksen, die ik op het internet vond en die u hier kunt downloaden. Narcistische eigenschappen gedijen zeer goed in onze individualistische maatschappij.

Een mooi voorbeeld is hoe we steeds vaker iemand (of onszelf) horen zeggen: “Dat maak ik zelf wel uit…”. Of ik voor een rood licht stop, of ik zacht praat in de trein, of ik op mijn beurt wacht… dat maak ik zelf wel uit.

Derksen komt met nog een mooi voorbeeld van narcisme: een werkloze man die daar zichtbaar onder lijdt maar die niet zelf op zoek is naar hulp zegt tegen een hulpverlener: “Motiveer jij mij maar eens om weer aan het werk te gaan”…

Elke persoonlijkheidsstoornis gaat in meer of mindere mate terug naar een stoornis van het zelfgevoel. Narcisme is een oud en vertrouwd psychoanalytisch begrip. Allerlei lichamelijke klachten zoals chronische vermoeidheid, ‘burn-out’ maar ook eetstoornissen en verslavingen kunnen allemaal gebaseerd zijn op een gestoord zelfgevoel en het daarmee gepaard gaande onvermogen om gevoelens en conflicten te beleven, te verwerken, te beheersen en gecontroleerd te uiten.

In zijn toespraak besteed Derksen aandacht aan het ontstaan, de maatschappelijke aspecten en de behandeling van een gestoord zelfgevoel. Hier mijn samenvatting en commentaar.

Hoe het begint

2012-11-03-15-36-55.vallenm1fz60xa47yp

Een kleuter van drie. Hij voelt zich de koning op aarde. Dan struikelt hij op straat en valt. De gigantische schreeuw-partij die volgt komt niet alleen door de pijn maar ook door de boosheid. De ‘koning’ is gekrenkt en ligt op de grond.

Kan zijn vader hem hierbij helpen?

Eén vader geeft de stoeptegel de schuld. Het zelfgevoel, de trots en de almacht van de kleuter blijven intact. Deze vader is misschien zelf ook narcistisch.

Een andere vader roept dat zijn kleuter een stommeling is. Om de kwetsuur en de belediging te repareren denkt de kleuter bij zichzelf: Niemand snapt mij, ze zijn allemaal te stom.

Een derde vader vangt de narcistische krenking op: Hij helpt zijn zoontje overeind, geeft een zoen op de pijnlijke plek en legt hem uit dat zijn beentjes nog kort zijn en zijn ogen nog te veel in de verte gericht. Nu valt hij nog af en toe, maar over een tijdje lukt het hem zijn voeten op te tillen op die momenten dat het voor zo’n stomme tegel noodzakelijk is. Ja, en dit allemaal in begrijpelijke taal voor het kind, opvoeden is niet makkelijk.

Het kunnen voelen van de eigen beperkingen met het uitzicht straks wel te kunnen lopen zonder te vallen mits daaraan gewerkt wordt – de kleuter moet er wel iets voor over hebben – helpt bij het reguleren van de krenking.

Hoe het verder gaat

In de kleuterfase transformeren de narcistische investeringen in een ‘ik-ideaal’: een wensenpakket omtrent wat voor iemand je in de toekomst wil zijn. Als ouders vaak genoeg helpen bij het reguleren van krenkingen van het ik-ideaal dan wordt de afstand tussen het zelf en het ik-ideaal niet te groot en niet te klein.

Een te grote afstand tussen het zelf en het ik-ideaal leidt tot minderwaardigheidsgevoelens en tot perfectionisme. Deze mensen gaan er van uit dat ze over elke tegel struikelen. Zij houden zich schuil, zijn niet assertief, introvert, angstig of somber. Hun frustratie richt zich vooral naar binnen.

Een te kleine of geen afstand tussen het zelf en het ik-ideaal leidt tot gevoelens van grootheid en belangrijkheid, tot overdrijving van eigen talenten en prestaties, het gevoel recht te hebben op een speciale behandeling en weinig belangstelling voor wat er in andere mensen leeft. Deze mensen zijn vooral bezig met eigen macht, succes en rijkdom. De ironie is dat deze narcistische trekken tegenwoordig hogelijk gewaardeerd worden! Thatcher riep niet lang geleden nog: “There is no such thing as society”; de maatschappij, de anderen, bestaan niet!

Narcistische mensen kunnen behoren tot het ‘vergeetachtige’ type; deze spreken niet mèt mensen maar spreken mensen toe, ze zijn uit op bewondering en applaus en zoeken een omgeving die dit biedt. Een variant is het ‘waakzame’ type; deze mijden contacten met anderen waarmee zij beschadiging van hun grootheidsfantasieën proberen te voorkomen.

Er ontstaat een probleem zodra de grootheidsfantasieën botsen op de werkelijkheid; zodra de stoeptegel dwars zit. Frustraties gaan een grote rol spelen. Krenkingen en narcistische woede kunnen depressies in de hand werken.

Therapie

Volgens Derksen moet de therapeut directief te werk gaan. Hij moet niet gaan wachten totdat duidingen en interpretaties bij de cliënt bijna als vanzelf opkomen zoals in de klassieke psychoanalyse. De therapeut gaat ook niet de devaluatie of de idealisering waarop de cliënt hem zal trakteren afwachten en deze laten uitgroeien totdat een structurele verandering mogelijk is en het narcistische tekort van vroeger geheeld kan worden. De ‘narcist van nu’  is dan al lang van therapeut gewisseld. Dus géén klassieke psychoanalyse.

De therapeut vermijdt de fase van de devaluaties en idealiseringen door meteen een krachtige en sterke indruk te maken op de cliënt. Zodra je als therapeut een tactische weerstand voelt bij de cliënt zoals: “ik ben nu eenmaal zo” of: “dit maakt me heus niet jaloers”, doorbreek je deze weerstand door dieper liggende gevoelslagen aan te boren. Je blijft tamelijk bot en ongeïnteresseerd zolang de tactische weerstanden sterk blijven maar je bent heel empathisch zodra de afgeweerde gevoelens van krenking naar boven komen; zodra de cliënt het over zijn pijn heeft.

Tactische weerstanden dienen er toe om de therapeut op afstand te houden. Maar als je als therapeut onmiddellijk over gaat tot spiegeling van deze weerstanden of afweer, kom je sterk over. Het gevolg is dat de emotionele betrokkenheid van de cliënt bij de therapie toeneemt.

Emotionele betrokkenheid op zichzelf is al helend omdat die in de plaats komt van de narcistische afweer. Door de duiding van de afgeweerde gevoelens van gekrenktheid worden ze doorleefd en begrepen. Dit vermindert de noodzaak tot de afweer.

Empathie is van groot belang zodra de gekrenktheid in de gevoelsbeleving van de cliënt naar boven komt drijven. Ook hierin ervaart de cliënt de stevigheid van de therapeut. De therapeut straalt uit dat hij niet bang is voor wat er in de cliënt leeft. De therapeut moet zich ‘goed genoeg’ voelen en niet afgeleid zijn door eigen vermoeidheid of zorgen. Je moet zowel het probleem van de stratenmaker als van de kleine beentjes en de onbekommerdheid overzien. Dit kun je bereiken door heel empathisch te zijn en door tegelijkertijd scherp te luisteren naar de woorden van de cliënt en elke narcistische kleuring vast te stellen.

De therapeut voelt dus mee met iemands gekwetste gevoelens en heeft positieve aandacht voor de kwaliteiten waarmee iemand heeft geprobeerd om zichzelf op de kaart te zetten. Maar tegelijk duidt de therapeut met enige scherpte de grootheidsfantasieën die ten grondslag liggen aan de krenkingen. En duidt hij de minderwaardigheidsgevoelens waarop de grootheidsgevoelens een afweer waren.

In feite is de therapeut de steunende ouder die in het volle licht van de schijnwerper het zelf losmaakt van het ik-ideaal. Tegelijk wijst hij de weg naar een toekomst waarin belangrijke wensen ten dele kunnen worden gerealiseerd maar niet zonder inspanning.

In deze fase wordt het verleden van de cliënt bespreekbaar. Hij is nu pas toe aan het voelen van zijn wortels en aan het voelen van de beperkingen maar ook van de stevigheid die zowel de wortels als de aarde met zich mee brengen.

Narcisme en slachtofferschap

Volgens Derksen is in onze maatschappij het individu naar buiten gericht. De oorzaak van bijvoorbeeld burn-out zoekt het individu volgens hem in de eerste plaats bij de werkomstandigheden. En wanneer posttraumatische stress zich tot een stoornis ontwikkelt (PTSS) wordt er gedaan alsof de dramatische gebeurtenis, de stressvolle werkomgeving, de oorzaak van de stoornis is. Derksen mist het psychologische aspect in deze denkwijze.

Ik denk dat het individu ook teveel naar binnen gericht kan zijn. Werkomstandigheden in onze maatschappij worden soms gekenmerkt door vervreemding, uitbuiting en pesterijen die werkelijk tot een ‘burn-out’ kunnen leiden. Aangemoedigd door de individualisering, het brein-denken en de medicalisering van psychische problemen, zoeken mensen de oorzaak van hun klachten soms juist bij zichzelf i.p.v. bij de omstandigheden. Graag verwijs ik naar een analyse van de oorzaak van veel psychische klachten door Trudy Dehue en Dirk de Wachter, die de meritocratische maatschappij en de ‘rat-race’ maatschappij er bij betrekken.

Toch blijf ik Derksen volgen in zijn analyse waarin hij de psychologische en narcistische oorzaken van klachten en stoornissen belicht. Derksen ziet ook wel dat de individualistische ‘rat-race’ maatschappij het narcisme alle ruimte geeft al is hij ook kritisch op het narcisme in het individu.

Vroeger was een oorlogservaring nodig om de diagnose PTSS te krijgen, nu lijkt volgens Derksen een treinvertraging al voldoende. Het slachtofferschap is de identiteit die wordt aangeroepen om zich van het eigen falen, met het oog op de grootheidsfantasieën, af te keren. Het slachtofferschap is in psychologisch opzicht het reddingsvest dat de persoon moet behoeden voor de narcistische krenkingen. Het aanklagen van de sociale omgeving, de politiek, de werkgever en de maatschappij gebeurt met de souplesse van de gevallen kleuter: “Dit ligt toch niet aan mij, dit kan toch niet”.

Het ‘ik heb borderline’ slachtoffer

De DSM (Diagnostictical and Statistical Manual of Mental Disorders) classificaties helpen mee aan het idee van het slachtofferschap door mensen middels het opplakken van labels passief te maken. De passiviteit heeft met name betrekking op de rol van het zelf, de identiteit. Een van Derksens cliënten draagt haar kruis aldus: “Ik heb borderline”, betoogt zij voor iedereen die het wil horen…

Zij bezoekt de lotgenotengroepen, ze heeft hiermee een ticket voor een woning, een uitkering, het gebruik van drugs, vergoeding van psychologische hulp en indien nodig volledige steun bij het indienen van een klacht aan de broek van de hulpverlener. Natuurlijk lijdt zij ook en is haar psychische ontregeling ernstig, maar hier overheen komt de sociale identiteit als slachtoffer-patiënt die verlammend werkt voor de eigen verantwoordelijkheid in de actieve participatie waardoor een behandeling voor de afgrond van de mislukking kan worden weggesleept. Minder dan een halve eeuw geleden zou ze niet zelfstandig en alleen hebben gewoond, maar zijn ondergebracht in een beschermend sociaal netwerk vormgegeven door familie, gezin of kerk. Nu komt ze naar buiten met haar (valse) identiteit en claimt aandacht voor haar kwetsbare kanten. Ze eist hulp, steun, geld, onderdak en beschuldigt haar omgeving van haar gebrek aan een klachtenvrij bestaan. De psychiatrie en klinische psychologie hebben diagnostische labels ter beschikking gesteld. Behandelmethoden en medicamenten liggen in de internet-etalage. De behandelaars worden afgezet tegen het forum gecreëerd door de patiëntenvereniging en nadat een klacht gegrond is verklaard door de professionele tuchtcommissie, doorgaans niet gehinderd door ervaring met deze patiëntengroep, volgt de schadeclaim via een civiele procedure. De goed bedoelende humanistisch ingestelde, goedgelovige klinisch psycholoog plukt de wrange vruchten van de eigen ideologische dwaling en gaat verbitterd, vervroegd met pensioen.

Om dit scenario te voorkomen pleit Derksen voor het snel spiegelen van de tactische weerstanden waar de DSM labels zoals ‘borderline’ dus toe behoren. Net zoals het: “ik ben nu eenmaal zo”, is ook het: “ik heb borderline”, een tactische weerstand. Leest u vooral ook  “Zo ben ik nu eenmaal!” van hoogleraar klinische psychologie Willem van der Does. De nieuwe editie van dit makkelijk leesbare boek bevat nog meer omgangstips met lastige of moeilijk te doorgronden individuen – ook als u er zelf een bent.

In de behandeling een passieve houding niet omzeilen

Het succes van de behandeling hangt af van hoe de cliënt op de spiegeling reageert. Het omzeilen van de passieve houding, van passief-agressieve uitingen en van de slachtoffer identiteit is geen goed idee want deze brengen elke poging om dingen te veranderen om zeep.

In een naar buiten gerichte cultuur zien we dat het verwerven van een slachtofferidentiteit en compensaties belangrijker gevonden worden dan zèlf veranderen binnen een behandeling. Het aanbieden van een therapeutische uitdaging aan iemand met een gekwetst narcisme kan erg ingewikkeld zijn. De buitenwereld is in de narcistische beleving van een adolescent soms een koude douche in een tot dan toe tropisch paradijs.

Een goede behandeling van trauma introduceert dus niet alleen de werkelijkheid op een passende manier en helpt bij de verwerking van vastzittende gevoelens, maar helpt ook om het zelf en het ik-ideaal uiteen te halen zodat een besef kan ontstaan voor de kwetsbaarheid van het eigen bestaan, het eigen lichaam en de eigen psyche. De neiging om deze kwetsbaarheid te verdringen ligt ten grondslag aan vele psychische klachten.

Bij allerlei typen cliënten moet de psycholoog volgens Derksen de verhouding tussen het zelf en het ik-ideaal onderzoeken. De narcistisch gestoorde cliënt zal de psycholoog niet makkelijk een blik gunnen op die verhouding. De psycholoog moet vooral goed luisteren naar datgene wat niet gezegd wordt, naar de tactische weerstanden en hij zal de cliënt vragen om door te praten waar die juist wilde stoppen, hij zal een komma zetten in plaats van een punt en zal een bijzin tot hoofdzin maken.

In de veel voorkomende stemmingsstoornissen (die de angststoornissen naar de tweede plaats hebben verdrongen) buitelen de narcistische krenkingen over elkaar heen. De onwelwillende werkelijkheid van de depressieve cliënt roept het failliet uit over de samensmelting van het zelf en het ik-ideaal. Bij sommige mensen roept de narcistische krenking en de frustratie woede op die zich naar binnen richt. De psycholoog kan hulp bieden bij de expressie van de woede maar mag niet vergeten om de verhouding tussen het zelf en het ik-ideaal te beïnvloeden want anders leidt de volgende krenking tot dezelfde problemen en kunnen we niet van psychologische groei spreken.

Cliënten die alleen uit zijn op een label en medicatie horen niet thuis bij de psycholoog.

Partnerrelaties

Naast depressie scoren relatieproblemen ook hoog op de agenda van de psycholoog. De keuze voor een partner kan op narcistische motieven gestoeld zijn. Maar een partner kan ook gekozen worden op basis van een van beide ouderfiguren. Dan speelt geschiedenis een rol, wat in deze tijd als ouderwets wordt gezien.

De individualistische jongere die onbewust is raakt gefascineerd door alles dat men in de ander herkent. Of hij kiest voor een wens-beeld dat ontstaan is uit een samensmelting tussen het zelf en het ik-ideaal wat hij projecteert in de ander. Vervolgens identificeert deze jongere zich met dit wens-beeld en zo tracht hij zijn identiteit van buitenaf te verstevigen. Deze narcistische collusie (een term van Laing, 1971)  is kwetsbaar. De partner krijgt een functie in het handhaven van een inadequaat zelfgevoel. Op allerlei momenten leidt dit tot schipbreuk en worden er verwijten op die partner gericht.

In plaats van een depressie zien we dan een op de partner gerichte agressie. De relatietherapeut en tegenwoordig ook de mediator staan klaar maar vaak zonder kennis van narcistische patronen. De hulp blijft dan oppervlakkig en gebrekkig maar wel heel duur.

Hoe het afloopt

Het door fantasie in plaats van traditie en geschiedenis aangeklede zelf, plus het in de relatie ontstane gemeenschappelijke zelf is de basis voor de opvoeding van de kinderen. Deze narcistische constellatie heeft de pedagogiek die gebaseerd is op opvoedingstraditie en ideologie verdrongen. Wederom geen sociale patronen die het gedrag van de opvoedende ouders ondersteunen, men heeft alleen zichzelf.

Een individualistisch impulsieve opvoedingsstijl die niet gebaseerd is op een gedachtengoed ziet er ongeveer zo uit:

Het lege zelf van de ouders geeft de aanzetten tot het lege zelf van de kinderen, overigens rijkelijk ingevuld met hockey, voetbal, zwemles, pianospelen, paardrijden, gameboys, dvd’s, internet, video’s en uitzicht op een nieuw zomerkamp terwijl de ouders overuren maken teneinde de hypotheek op te kunnen brengen. In de narcistische beeldcultuur hebben spelletjes met onkwetsbare helden het overgenomen van de boeken of nog verder terug van de verhalen over het verleden rondom het houtvuur. Al chattend, eventueel ondersteund door een webcam, kan men op het internet in narcistisch opzicht de meest bizarre fantasmatische relaties aller tijden aangaan en snel weer afbreken.

Aan het betoog van Derksen komt een einde met de leegte maar dat is nu eenmaal het gevolg van een narcistisch zelfgevoel dat zich dus kan ontwikkelen na een niet gereguleerde struikel-partij in de kleutertijd. Laten we opvoeden maar flink serieus nemen.


Een fijne website voor slachtoffers van ernstige vormen van narcisme kan die van Iris Koops zijn: Het verdwenen zelf.

21 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, Psychotherapie, Psychotherapie - Trauma, Systeemtherapie