Categorie archief: Psychiatrie

Psychiater Glenn Helberg danst in Zomergasten

“JEZELF KUNNEN ZIJN IN EEN MENSELIJKE RELATIE IS HET MOOISTE WAT ER IS”

Dit waren de woorden van Glenn Helberg, psychiater en lid van de Raad van Advies van het College voor de Rechten van de Mens, aan het eind van het VPRO televisie programma Zomergasten. Volgens mij waren zowel Helberg als de interviewster Janine Abbring er aardig in geslaagd om tijdens de uitzending zichzelf te blijven. En ze vierden dit aan het eind door te dansen op de muziek van Louis Armstrong. In elkaars armen, een zwart mens en een wit mens, een man en een vrouw, een homo en een hetero uit verschillende generaties. Ze hadden het tijdens het interview ook over hun relatie tot elkaar gehad, in het hier en nu, ook al was het ongemakkelijk. Ik bleef geboeid kijken en luisteren.

Helberg wilde met zijn gekozen film en documentaire fragmenten en optredens van artiesten de fundamenteel relationele kant van de mens tonen. Ze zouden gaan over de verbinding tussen mensen of over het gebrek er aan. Het ging om te beginnen over de verbinding tussen zwarte en witte mensen. De zwarte mens kan nu tegen de witte zeggen: “Jij hebt mijn zwart zijn niet meer nodig”. En de witte kan misschien hetzelfde zeggen. Wit en zwart kunnen elkaar een hand geven. Zoals bezongen wordt door Louis Armstrong in ‘What a wonderful world’: “I see men shaking hands, how do you do…” Want wit en zwart zijn fundamenteel gelijkwaardig. Zoals James Baldwin het zegt in de film ‘I am not Your Negro’ en in een interview voor de Nederlandse televisie: “Alle mensen zijn broeders, daar gaat het om”.

Ook homo’s en hetero’s zijn verbonden. Niemand hoeft buitengesloten te worden. ‘Civil rights’ en ‘gay rights’ moeten samen werken. Alle minderheden moeten elkaar steunen. Helberg heeft het over ‘inclusie’: Iedereen moet het gevoel kunnen hebben dat hij zichzelf kan zijn en er bij hoort. Dit hebben we nog lang niet bereikt. ‘It takes a village to raise a child’, maar de ‘village’ moet nog ‘geraised’ worden denkt Helberg.

We denken in Nederland dat we niet zo racistisch zijn als in Amerika maar dat klopt niet. Wij zijn het racisme in Nederland aan het ontkennen. Dat is een sterke afweer die ontkenning. We moeten juist onze vooroordelen aan elkaar vertellen zodat we elkaar gaan begrijpen. Hier is een psychiater aan het woord die psychische gezondheid bekijkt binnen de context en de systemen die daar een voorwaarde voor zijn.

Verbinding met jezelf

Het eerste fragment dat Helberg de kijkers liet zien ging over een Braziliaanse vrouwelijke psychiater die in de jaren ’40 van de vorige eeuw zocht naar een alternatief voor de toen gebruikte lobotomie behandelingen (een chirurgische ingreep die verbindingen in de hersenen verbreekt). Zij wil aandacht genereren voor het verhaal van de patiënten. Zij wil de patiënten verbinden met hun eigen verhaal, hoe moeilijk hun toestand ook is.

Helberg: “Als je een verhaal vertelt aan de ander vertel je het eigenlijk ook aan jezelf. En dan maak je contact en gaat het vlammetje in jezelf weer aan.” Als deze verbinding tot stand komt dan voel je het lichamelijk. Soms hebben mensen hier hulp bij nodig. Die hulp wil Helberg geven.

Als je mensen vertelt dat ze geestelijk ziek zijn, zoals bijvoorbeeld homo’s verteld werd tot aan 1973, verliezen ze hun trots. Daar gaat Gay Pride over. Kunnen zeggen: ‘Hier ben ik’. Martin Luther King had het daar ook over: ‘We don’t want to be a nobody, we want to be a somebody’. De psychiatrische patiënten uit het fragment waren ook ‘nobodies’ geworden.

Aan het schrappen van homoseksualiteit uit de DSM, het stoornissen classificatiesysteem in de psychiatrie, ging een belangrijke opstand vooraf. Namelijk die bij de homobar The Stonewall Inn in Greenwich Village in New York in 1969. Uit een documentaire hierover kwam het volgende fragment. Ook hetero’s deden mee aan die opstand want ook zij willen natuurlijk zichzelf kunnen zijn. Deze samenwerking tussen homo’s en hetero’s deed me denken aan de film Pride waar Engelse mijnwerkers in hun staking gesteund worden door homo activisten. Mensen die onderdrukt worden herkennen elkaar ook al komen ze uit verschillende hoeken van de samenleving.

Helberg: “Mensen moeten snappen dat iedereen die zich niet met zichzelf mag verbinden, die dus niet zichzelf mag zijn, hetzelfde probleem heeft.” Iedereen mag er zijn, ook de niet-man en de niet-vrouw. Het lukt echter de een nog steeds om tegen de ander te zeggen: “Jij hoort er niet bij.” En het lukt de een nog steeds om misbruik te maken van de ander, de ander te onderdrukken. Het gaat hier om mensenrechten die nog steeds geschonden worden.

Helbergs ouders kwamen uit Suriname maar hij groeide op in Curaçao. Hij merkte als jongeman dat hij jongens spannender vond dan meisjes. Bij het masturberen dacht hij aan jongens en op het hoogtepunt dacht hij snel even aan een meisje want dan zou God hem zijn afwijking vergeven… Later bedacht hij dat hij niet gek wilde worden. Hij zei tegen zijn toenmalige vriendin: “Jij vrijt met een man, maar ik niet…” Hij vertelde zijn vader dat hij homo was, waarna de vader 5 dagen niet at en zei: ” Laat mijn zoon komen, want hij is mijn zoon.” En tegen zijn zoon zei hij: “Als je met een jongen thuis komt, breng dan een goede jongen mee”. Helbergs verhaal lijkt op het Bijbelse verhaal van de verloren zoon. Dat de vader van Helberg hem toen niet afwees, was het grootste geschenk dat hij ooit kreeg. Het kan hem nu nog ontroeren.

Zijn moeder overleed toen hij 13 jaar was. Zij had hem goed op haar overlijden voorbereid en Helberg kreeg al vroeg belangrijke levenslessen mee. Je kon merken dat de verbinding met zijn moeder nog levend was want Helberg zei dat de groene jurk die Abbring droeg tijdens het interview, hem aan zijn moeder deed denken en hem vertrouwen gaf. Zijn moeder zei altijd als ze nieuwe kleren ging kopen: “Nou heb ik weer een groene jurk gekocht!”.

Gelijkwaardigheid genereert eigenwaarde

Een volgend fragment kwam uit een Polygoonjournaal van 1969 over een opstand tegen Shell op Curaçao. Volgens het journaal was automatisering de diepere oorzaak van de opstand maar dat klopt niet, zei Helberg. De opstand had te maken met de ongelijkheid; zwarten verdienden een derde van wat blanken verdienden. De opstand ging over gelijke rechten!

Als we een inclusieve samenleving willen dan moeten we goed geïnformeerd zijn. Educatie speelt een belangrijke rol. Ook blanke Nederlanders moeten weten waarom 30 juni een belangrijke dag is: de dag van de herdenking van de afschaffing van de slavernij. We kennen onze geschiedenis niet en de geschiedenis moet belicht worden vanuit verschillende kanten. Pas dan weet je welk onrecht gedaan is.

Helberg vindt dat de emancipatie van de zwarte mens nog steeds niet goed op gang is gekomen. Hoe diep de discriminatie gaat en hoe diep die in persoonlijke levens doordringt wordt mede duidelijk in een fragment waarin blanke docenten een klasje met zwarte werknemers van een of ander bedrijf onderwijzen over hoe ze sterker kunnen staan in hun functie. Als ze dat aankijken van klanten zouden kunnen, dan zouden ze assertiever overkomen. De blanke docenten hadden goede bedoelingen maar eigenlijk werden de zwarte werknemers geschoffeerd. Abbring had met het schaamrood op de kaken naar het fragment gekeken.

Helberg legde uit dat ‘het niet aankijken’ door zwarte mensen een gevolg is van de slavernij. In de slavernij leer je dat je de ander tot ding kunt maken als je ze niet aankijkt. Het was volgens Helberg beter geweest als deze docenten hadden geprobeerd om de zwarte medewerkers te begrijpen in plaats van hen te onderwijzen. Op basis van gelijkwaardigheid met elkaar bezig zijn genereert eigenwaarde. Als de een ergens rijker van wordt, dan de ander ook. Dàt genereert eigenwaarde en dan hoef je niemand te ‘empoweren’. Baldwin zegt: “Ik ben hier nu en ik ben niet van jou. Ik ben niet minder waard.”

Het onderwijs kan een positieve rol spelen. Louis Armstrong zingt er over dat onze kinderen meer zullen leren dan wij ooit zullen weten. Universiteiten maken hun onderwijs inclusiever. Het gaat de goede kant op. We kunnen gaan onderzoeken wat racisme is, in plaats van het te ontkennen, zodat we er mee op kunnen houden.

De partij Artikel 1, die inmiddels na een rechtszaak niet meer zo mag heten en waarvan Helberg de lijstduwer was, wil radicale gelijkwaardigheid. Er kan wel gezegd worden dat de economie vooruit gaat maar dat betekent zeker niet dat iedereen vooruit gaat.

Vaders

In het fragment ‘Boys of Summer’ (2008) krijgen we te zien hoe een zwarte vader zijn zoon coacht met honkballen. We zien een zwarte vader zijn die wèl aanwezig is in het leven van zijn kind. Het verhaal dat zwarte vaders er niet zijn voor hun kinderen wordt steeds herhaald maar we moeten deze vaders een helpende hand bieden. Ook hier blijkt hoe diep de slavernij in de psyche is doorgedrongen. Het zwarte vaderschap is verarmd door de slavernij, door de reis van Afrikanen naar Amerika. Hele familieverbanden zijn uit elkaar gerukt. Dàt moeten we begrijpen. Daar komt bij dat de slaveneigenaars die kinderen hadden verwekt bij slavinnen meestal afwezig waren als vader. Zwarten hebben nog steeds meer wantrouwen binnen hun relaties dan witten.

In het fragment uit de documentaire over de Oekraïense danser Sergei Polunin zegt de (witte) vader: “Als ik het over zou kunnen doen, zou ik meer aandacht aan mijn gezin hebben besteed.” Toen ouders van deze jonge danser gingen scheiden viel zijn wereld uitelkaar. Hij wist niet meer waarvoor hij danste maar de machine die geld verdiende aan zijn talent draaide door. Hij raakte aan de drugs en kreeg de naam dat hij niet te vertrouwen was, terwijl hij gewoon hulp nodig had. Het dansen had geen betekenis meer voor hem. Hij was de verbinding met zichzelf kwijt. Pas toen hij weer heel was kon hij weer dansen.

Helberg wilde zelf ook danser worden maar zijn moeder wilde dat hij dokter werd. Na een gebroken knie was het besluit niet meer zo moeilijk. Hij ging medicijnen studeren. Nu vind hij het prettig dat hij mensen kan helpen om weer heel te worden.

Relatietherapie

We krijgen een fragment te zien uit ‘Scenes uit een huwelijk’ (1974) van Ingmar Bergman. We zien twee mensen die van elkaar houden maar niet samen kunnen zijn. We moeten volgens Helberg de liefde leren. Wij kunnen onze liefde aan die ander geven maar als die ander zijn of haar liefde niet meer aan ons kan geven dan is het klaar. De liefde is wel voor de ander maar niet van de ander. In een relatie geven beiden 50% maar je blijft altijd 100% verantwoordelijk voor jouw 50%. Ook voor je eigen boosheid ben je voor 100% zelf verantwoordelijk. Relatietherapie blijft van waarde, ook als de partners toch gaan scheiden. Het kan de partners leren elkaar beter te verstaan en dat blijft fijn ook als ze uit elkaar gaan.

We krijgen nog een mooi fragment te zien uit de film ‘Moonlight’ uit 2016. We zien twee zwarte jongemannen die in hun kindertijd een relatie met elkaar hadden en elkaar na vele jaren opnieuw ontmoeten. Het fragment eindigt er mee dat ze tegen elkaar aan zitten, de een met zijn hoofd op de schouder van de ander, de ander streelt zijn schedel. We mogen die intimiteit zien en dat is heel bijzonder. Het gaat eens een keer niet om de coïtus, het gaat om de aanraking van de huid, ons grootste orgaan, zegt Helberg. Door de aanraking van de huid weten we ons geborgen. Zelf mist hij het dat hij al lang niet meer aangeraakt is… Jezelf kunnen zijn in een menselijke relatie is het mooiste wat er is.

Ook aan deze televisie zomeravond komt een einde. Helberg en Abbring staan op en dansen.


Ga vooral deze film zien: I am not your Negro.

En ook de keuze film van Helberg is een aanrader: Selma.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Systeemtherapie

‘Amor fati’

Dit is Latijn voor ‘liefde voor het noodlot’ en een uitspraak van de filosoof Nietzsche. Maar hoe haalbaar is het om liefde voor je noodlot te voelen als je bijvoorbeeld te horen krijgt dat je ongeneeslijk ziek bent. Kanker. Kun je dan die liefde opbrengen? Omarm je dan je lot? En hoe doe je dat dan? En moet het?

Deze vragen kwamen aan de orde op de Wereldkankerdag in de Internationale School Voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden, opgericht door Frederik van Eeden in 1916, een school zonder winstoogmerk.

Een van de sprekers Leo Gualthérie van Weezel, tot 2015 psychiater en psychotherapeut in het Anthonie van Leeuwenhoek ziekenhuis, was openhartig met zijn antwoord. Hij stond wat betreft het omarmen van zijn lot, niet voor zichzelf in als hij te horen zou krijgen dat hij ongeneeslijk ziek was.

Iemand die het noodlot wèl kan omarmen na zo’n bericht dwingt bij hem veel respect af. Met zo iemand was deze psychiater eens bevriend. Hij zou best graag ook zo mooi en bewonderenswaardig willen sterven.

De vraag is: Wat inspireert een gewone sterveling na een dergelijk heftig slecht nieuws gesprek? Wat inspireert je nog als je voor een muur bent komen te staan waar je niet omheen kunt? Een ongeneeslijke ziekte. Een onverwacht ontslag, een heftige scheiding, enz. We leven in een tijd van het maakbare individu maar hoe maakbaar zijn we?

Het was de bedoeling dat het een inspirerende dag zou zijn en dat werd het. Er kwamen zo’n 130 mensen bij elkaar, zieke mensen en gezonde mensen. Er waren lezingen en workshops. Er was een heerlijke lunch. En er was humor.

Leven XL

We werden voorgesteld aan een stichting die de rollen heeft omgedraaid; de zieken worden zelf de inspiratiebron. Mensen die ernstig ziek zijn (geweest) en hun leven noodgedwongen hebben moeten omgooien, gaan anderen helpen die worstelen met allerlei levens- en zingevingsvragen. Ze noemen zichzelf levenscoaches en geloven dat iedere ervaring, hoe vreselijk ook, kan inspireren om het leven mooier te maken. De vraag die hen verbindt is: Hoe kunnen we leren van onze ervaringen en hoe kunnen we de kracht die er in die ervaringen zit doorgeven. Ze worden ondermeer geïnspireerd door de onlangs aan kanker overleden filosoof René Gude.

Verschillende levenscoaches stelden zichzelf voor. De een helpt je bij het zoeken naar ervaringen waar je energie van krijgt, de ander bij het ontdekken van wat je wilt met je leven, een derde helpt je met je zelfvertrouwen, een vierde met het opruimen van problemen die er niet zijn. Je kunt hulp krijgen bij het leven in het hier-en-nu oftewel met het leven in het moment, met het juist nìet met jezelf bezig zijn en met dat wat je bent naar buiten te brengen tot aan de laatste dag! De coaches van LevenXL vormen een inspirerende groep.

Mocht het op deze dag ook gaan over de dood? Daar was ik persoonlijk nieuwsgierig naar. Er gaat bijna geen dag voorbij dat ik er niet over nadenk. De dood intrigeert me. En ik ben niet de enige. Het is het lot van ons allen. Ik bedacht in de loop van de ochtend dat voor mij persoonlijk de fascinatie misschien te maken heeft met het loslaten van controle. Dat vind ik namelijk niet gemakkelijk. Misschien had ik er daarom voor gekozen om een workshop te doen waarbinnen mij waarschijnlijk gevraagd zou worden om uit de comfort zone te stappen. Deze workshop heette: Het improvisatietheater van het leven. Ik zag er een beetje tegenop. Maar eerst kwam de lezing van Gualthérie van Weezel.

De menselijke maat

Gualthérie van Weezel bleek net als ik systeemtherapeut te zijn, wat mij aangenaam verraste. ‘Amor fati’ kan volgens hem als ideaal inspireren maar het kan je ook geselen als je vindt dat je aan dat ideaal moet voldoen. Als je over je eigen reactie op het heftige bericht van een ziekte als kanker bijvoorbeeld gaat oordelen op een negatieve manier en als je steeds het gevoel hebt dat je faalt in het omarmen van je lot. Als je je in bochten gaat wringen om het goed te doen, dan werkt ‘amor fati’ nìet inspirerend. De psychiater komt in zijn werk vooral mensen tegen die het niet zo gemakkelijk af gaat om hun lot te omarmen.

Hij probeert het proces van het omgaan met de ziekte te versterken, probeert te helpen bij het verwerken van het bericht en sluit aan bij de krachten van de patiënt. Steeds zoekt hij de balans tussen de draaglast en de draagkracht. Hierbij kan het bio-psychosociale model helpen. Er zijn somatische, psychologische en sociale aspecten om rekening mee te houden. Psychologisch gezien heb je te maken met de reactie op de ziekte en met de persoonlijkheid. Persoonlijkheden kun je onderverdelen in de stoïcijnen, degenen die proberen controle te krijgen, de afhankelijken en de ontkenners. Sociaal gezien heb je te maken met het medische steunsysteem en het eigen steunsysteem. Als systeemtherapeut heeft deze psychiater oog voor de levensfase-overgangen die ook altijd voor gezonde mensen spannend zijn omdat ze ons voor nieuwe levensklussen stellen. Een ernstige ziekte krijgen is een extra ingewikkelde klus die extra veel kunst en vliegwerk vereist. Hoe omarm je die klus?

De psychiater onderscheid drie fasen in het proces. De eerste fase is de acute fase, als je de diagnose net gehoord hebt. De tweede fase is de chronische fase, het leven met de ziekte. Het ontdooien en reïntegreren. En dan uiteindelijk de palliatief-terminale fase.

Een mevrouw uit het publiek vond het fijn dat het woord ‘chronisch’ werd gebruikt omdat zij dit woord van de dokter in het ziekenhuis nooit gehoord had. Zij had al 15 jaar kanker en pleitte voor andere woorden, een taal die beter past bij ernstige ziektes.

De systeemtherapeuten Carter en McGoldrick onderscheiden horizontale en verticale stressoren. De horizontale stressoren zijn die we als individu tegenkomen tijdens de levensfase-overgangen die horen bij onze natuurlijke ontwikkeling van baby naar bejaarde. Maar er zijn ook onvoorspelbare stressoren zoals die bij een ernstige ziekte, een ongeluk of een plotseling ontslag. En dan zijn er nog historische gebeurtenissen, oorlogen, crises, natuurrampen die voor stress zorgen. De verticale stressoren komen voort uit de systemen waarin we ons als individu bevinden. Dat zijn ons gezin, onze familie, onze gemeenschap en grotere systemen zoals onze maatschappij met zijn politieke, culturele en economische invloeden. Voor degene die ziek is wordt de medische ‘gemeenschap’ belangrijk en die gemeenschap kan ook stress opleveren.

Het omarmen van de stress of het lot gaat dus meestal met kunst en vliegwerk gepaard. Je kunt het doen met de hulp van een levenscoach die geïnspireerd is door René Gude of met de hulp van een televisieprogramma als ‘Over mijn lijk’ of met de hulp van iets heel anders, zolang het maar geen dogma wordt vindt de psychiater. Hij had weinig goede woorden over voor Pink Ribbon, een commerciële beweging waarbinnen je als kankerpatiënt verondersteld wordt dat je de kanker met ‘glamour’ overleeft.

De focus van hoop bij een ernstige ziekte kan verschuiven. Hoop is niet iets statisch. De hoop op een langere overleving kan veranderen naar hoop op comfort of kwaliteit van het leven, naar hoop op waardigheid en verbondenheid.

Olsman, Willems & Leget (2012) onderscheiden drie perspectieven op hoop, het realistische perspectief, het functionele perspectief en het het narratieve perspectief. Uitgaande van het realistische perspectief staan waarheid en het goed geïnformeerd zijn centraal. De hoop moet vooral realistisch zijn. Vanuit het functionele perspectief heeft de hoop betrekking op de verwerking van het lijden. Hoop – zelfs wanneer die niet direct realistisch is – kan een belangrijke bijdrage leveren aan de mate waarin je betekenis kunt geven aan het lijden. Gezien vanuit het narratieve perspectief heeft de hoop betrekking op de zin van je leven. De hoop moet waardevol zijn en passen in jouw levensverhaal.

Het leven tussen hoop en vrees kan tussen een patiënt en zijn/haar partner problematisch worden wanneer de één altijd leeft vanuit de hoop en de ander altijd vanuit de vrees. Op deze manier maken de partners een karikatuur van zichzelf wat tot tragische conflicten kan leiden. Leo Gualthérie van Weezel had nog veel meer te vertellen maar moest afronden. Helaas. En over de dood, de palliatief-terminale fase, over hoe je leeft met het zicht op de dood kon niet uitgeweid worden.

Wandelworkshop

Rond de Internationale School voor wijsbegeerte is een stukje bos waar we met een groepje deelnemers doorheen wandelden onder leiding van de jonge filosoof Florian Jacobs. Er staan afbeeldingen van filosofen in het bos. We staan af en toe stil bij enkele ‘oudere’ filosofen. Zoals bij Spinoza. Over deze filosoof heeft Gerrit Achterberg een gedicht geschreven. Jacobs las het voor. Met op de achtergrond het geluid van de boomklever.

Spinoza

Diep in de deken van de tijd
ligt gij gebed, niets onderscheidt
u van de grond, die u omvat,
alsof gij nimmer lichaam had.

Volgens de wet van Lavoisier
doet gij op deze wijze mee
aan de bestendiging der stof,
die gij met denken overtrof.

Maar beide attributen Gods
doordringen nog elkander: trots
gaat gij door mijn geheugen heen
en nergens zijt gij hier van steen.
[uit Sphinx, 1946)

Gerrit Achterberg is een van Nederlands meest besproken dichters. Thematiek in zijn werk is de verzoening tussen leven en dood door middel van het gedicht. Veel dichter bij de dood kwam ik vandaag misschien niet… Over Spinoza en therapie heb ik eerder een bericht gemaakt.

Even later stonden we stil bij Aristoteles die volgens Jacobs meer waarde hechtte aan de poëzie dan bijvoorbeeld aan een wetenschap als geschiedenis. De poëzie komt volgens Aristoteles dichter bij de filosofie en is creatiever. Deze filosoof stond dicht bij de natuur en bestudeerde bijvoorbeeld de mieren.

img_1951

Florian Jacobs staat stil bij Aristoteles

Improviseren

Eindelijk was het tijd voor ‘het improvisatietheater van het leven’. Wat mij had aangetrokken was de aankondiging van deze workshop: ‘Soms lijkt het alsof je maar weinig invloed hebt op je leven. Dan blijft er nog maar een ding over: improviseren!’

We kregen op een strookje papier een in enkele regels beschreven situatie en enkele minuten om ons voor te bereiden. In een groepje van drie speelde ik de vriendin van een weduwnaar met een opstandige puber die het helemaal niet zag zitten dat haar vader de vriendin mee naar huis nam. We sloegen ons er met zijn drieën doorheen en hadden er lol in. We deden het samen. Dat was misschien wel de opluchting van de dag: improviseren is leuk, loslaten van de controle hoeft niet eng te zijn.

Misschien hielp het dat we in de goede handen waren van Line de Bruijn, filosofie docente, en Jelle Schroor, ‘stoeitrainer’, beiden lid van de Toneelgroep Levenskunst van de Universiteit voor Humanistiek. Zij gaven enkele simpele instructies voor de improvisatie: maak gebruik van het moment, laat binnenkomen wat zich voordoet. Vertel niet wie of waar je bent maar laat het zien.

Wat ik in deze workshop leerde viel samen met de boodschap die ik uit de lezing van Leo Gualthérie van Weezel haalde: het leven vereist kunst en vliegwerk. Daar kun je improvisatie goed bij gebruiken.

Leven zonder einde

Tijdens deze workshop kwam ik dan toch nog iets dichter bij de dood, ook al zou je dit op grond van de titel van de workshop niet verwachten: ‘Een leven zonder einde’. Het zal uiteindelijk veeleer de dood zijn die zonder einde is.

We werden gevraagd om te fantaseren over een geluksmoment dat we voor eeuwig zouden willen laten voortduren. Een moment waarin we een intens geluk ervaren, waarin de tijd stil lijkt te staan en we de werkelijkheid vergeten, een moment waarin alles mogelijk lijkt te zijn en de perceptie haarscherp is. We werden gevraagd om deze momenten te gieten in een verhaal in de ik vorm en in de tegenwoordige tijd. Onze verhalen werden opgenomen op een geluidsband. Een voor een verdwenen we in een aparte ruimte en in ons geluksmoment, in de privacy van de afzondering maar samen met een getrainde luisteraar. In de ruimte waar ik mijn verhaal vertelde werden spreker en luisteraar omhuld door tule gordijnen in zachte kleuren.

scan

 

Mijn verhaal luidde ongeveer zo:

Ik ben 7 of 8 of 9 of 10 jaar of misschien wel ouder. Ik heb dit meerdere keren meegemaakt. Ik kijk uit het raam de achtertuin in. Het regent. De achtergrond vervaagd. Ik zie nog wat tinten blauw, groen en grijs. Op de voorgrond zie ik druppels die naar beneden glijden. Ze glanzen. De geluiden van het drukke gezin waarin ik opgroei en waarin ik de oudste ben, raken steeds verder op de achtergrond. Ik ben alleen met de regen. Er wordt even helemaal niets van mij verwacht. De druppels die tegen het raam vallen hoor ik nog wel. Zachtjes komen ze er op neer. Doek, doek. De regendruppels vormen smalle en grillige paadjes naar beneden. ‘Panta rei’, alles stroomt, is in beweging. Iedere druppel volgt zijn eigen weg in zijn eigen tempo. Soms komen twee of meer druppels plotseling samen en versnellen de stroompjes in hun weg naar beneden. Samen wegen ze meer. Ik kies één druppel uit en neem mij voor om die te volgen op zijn weg naar beneden maar ik verlies hem weer uit het oog. Daar is alweer een volgende druppel. Dit kan uren doorgaan. Hoe lang ik voor het raam sta weet ik niet. Eigenlijk besta ik niet, zo diep ga ik er in op.

Filmmaakster Vanesa Abajo Pérez gaat van de verhalen die opgenomen zijn op deze dag een geluidsgedicht maken over oneindigheid. Ongeveer net zoals de Japanse filmmaker Kore-eda Hirokazu heeft gedaan in zijn film After Life die gaat over een tussenstation tussen leven en dood. Hier passeren wekelijks recent overleden personen om geholpen door gidsen, een moment uit hun leven te kiezen om mee te nemen naar het hiernamaals.


Een paar dagen na deze inspirerende dag zag ik op televisie een biografie van een van mijn favoriete psychiaters Irvin D. Yalom. De schrijver van ‘Nietzsches tranen’. Ik hoorde hem zeggen dat de angst voor de dood niet te verhelpen is. Maar hij vroeg zich ook af: Wat is er te vrezen als er geen bewustzijn meer is? Als de hersenen stoppen, stopt onze geest ook.

 

6 reacties

Opgeslagen onder Filosofie, Psychiatrie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie

Congres: Insluiten en uitsluiten

CONGRES VAN MIJN BEROEPSVERENIGING: DE NVRG (De Nederlandse Vereniging van Relatie en Gezinstherapeuten).

Insluiten en uitsluiten was het thema 

Een belangrijk thema in een tijd waarin veel vluchtelingen naar Europa komen die zoeken naar insluiting of aansluiting om hun leven opnieuw op te bouwen. Een belangrijk thema in een tijd waarin steeds meer mensen, ook die niet gevlucht zijn voor oorlog en onderdrukking, buiten de ‘speedboat’ vallen zoals de bekende Belgische psychiater Dirk de Wachter het formuleerde op een vorig congres:

Voorop staan knappe jonge kerels, glinsterend in de zon, met rondborstige blon­dines aan hun gespierde armen. Ze lachen, drinken champagne. De boot racet steeds sneller maar zij kijken niet achterom, naar de mensen die uit de boot vallen: degenen die terecht­komen in de geestelijke gezondheidszorg of zeggen: ik kan niet meer, ik doe niet meer mee.

Een van de sprekers op dit congres was de psychiater Aram Hasan, zelf een vluchteling uit Syrië die vele jaren geleden moest vluchten vanwege zijn mensenrechten-activiteiten en die sinds eind jaren ’90 in Nederland woont. Voor hem is de cirkel van uitsluiting/insluiting rond: hij heeft zich van ‘de ene kant van de tafel’ (die van hulpzoekende) naar ‘de andere kant’ (die van hulpverlener) verplaatst en helpt nu de vluchtelingen die na hem gekomen zijn.

Eigenwaarde en context

Toen Hasan naar Nederland kwam riep Pim Fortuijn nog dat je vluchtelingen ‘streng maar rechtvaardig’ moest behandelen. Het lijkt alsof Hasan het hier mee eens kan zijn. Of de uitsluit/insluit cirkel afgelegd wordt en of je slaagt in het nieuwe land hangt volgens hem voor een groot deel af van je gevoel van eigenwaarde. Je moet er dus zelf iets voor doen om dat ingesloten gevoel te krijgen.

Zijn opmerking over eigenwaarde deed mij denken aan mijn emigratie naar Australië in 1984 als jonge vrouw van 32. Na 12 jaar kwam ik terug naar Nederland. Dat was opnieuw een emigratie.

Emigreren is natuurlijk niet hetzelfde als vluchten maar in de eerste jaren in Australië had ik wel degelijk insluit problemen omdat ik een vreemdeling was. Mijn opleiding als pedagoog werd bijvoorbeeld niet erkend. Op zoek naar insluiting kocht ik in die tijd een komisch boekje met de titel: ‘How to be normal in Australia’, maar ik belandde uiteindelijk na enige omzwervingen aan ‘de ene kant van de tafel’ en wel bij een psychiater. De goede man was toevallig Joods en hij vertelde dat veel psychiaters Joods zijn omdat Joden een geschiedenis van vervolging kennen (een ernstige vorm van uitsluiting). Met dit verhaal hielp hij mij niet direct maar het werd in onze gesprekken wel steeds duidelijker dat ik was geëmigreerd in een fase van mijn leven waarin ik nog niet veel zelfvertrouwen had ontwikkeld als professional.

Zelfvertrouwen is niet hetzelfde als eigenwaarde maar de twee begrippen zijn natuurlijk verwant. Het voelde voor mij als een confrontatie toen de psychiater over mijn zelfvertrouwen begon. Deze confrontatie was ‘hard maar rechtvaardig’. Het was waar; mijn pijn over het uitgesloten zijn van de arbeidsmarkt had niet alleen te maken met mijn status als vreemdeling maar ook met mijn gebrek aan zelfvertrouwen. Ik was namelijk nog maar twee en een half jaar vòòr de emigratie afgestudeerd en had in Nederland nog maar twee jaar werkervaring als professional achter de rug. Om mij duidelijk te kunnen presenteren op deze specifieke arbeidsmarkt in een vreemd land was dat niet voldoende.

Toen ik mij dit bewust werd viel er een ‘slachtoffer’ gevoel van mij af, werd ik sterker en namen de mogelijkheden om mij meer ingesloten te voelen uiteindelijk toe. Een gevoel van eigenwaarde is inderdaad een belangrijk ingrediënt om als vreemdeling het gevoel te krijgen dat je erbij hoort. Daar kan ik over meepraten. En om die eigenwaarde te ontwikkelen moet je zelf iets doen maar heb je ook je omgeving nodig.

Helaas worden vluchtelingen nu in Nederland ernstig tegengewerkt waardoor ze te lang buiten de maatschappij blijven staan. Het langdurige wachten alleen al werkt traumatiserend. De NOS berichtte recent nog over het wachten waar de vluchteling mee geconfronteerd wordt. Een vluchteling:

Je moet eerst wachten op een verblijfsvergunning. Dan moet je wachten op een huis. Daarna mag je pas de taalcursus doen. Wil je dan gaan studeren, moet je eerst nog een schakeljaar doen en na al die jaren wachten kan je dan eindelijk aan je studie beginnen. Dat maakt het zo moeilijk om weer onderdeel te worden van de maatschappij.

Volgens Hasan is naast de eigenwaarde ook de context belangrijk voor een uitsluit/insluit-gevoel. Een moeder met een ‘boerkini’ aan, kan gemakkelijk met haar kinderen mee de zee in om met hen te spelen. Dan is zij ingesloten in haar gezin in de situatie. Maar in gezelschap van een meerderheid van Nederlandse vrouwen die bikini’s dragen zal zij uitgesloten zijn. De context-afhankelijkheid van de begrippen uitsluiten en insluiten worden tijdens de gehele dag op het congres door verschillende sprekers naar voren gebracht.

d1089a0dd1e3f634e034e063dc7a08be1

Eigenwaarde en doorzettingsvermogen heb je nodig om je ingesloten te voelen maar je hebt net zo goed mensen om je heen nodig die je helpen.

Hasan richtte de stichting Psychiaters Zonder Grenzen op.

Behandelen van getraumatiseerde vluchtelingen: vertrouwen en psycho-educatie

Obstakels in therapie met getraumatiseerde vluchtelingen kunnen te maken hebben met vertrouwen, taal, vermijding, schaamte (gezichtsverlies), doelen en verwachtingen van de therapie, de geestelijke en sociale toestand waarin de client zich bevindt, het gebruik van medicatie, bijgeloof, verborgen discriminatie enz. Sommige vluchtelingen denken dat wanneer de hulpverlener/dokter/psychiater geen pillen geeft dat het dan geen goede dokter is.

Aan de hand van een casus illustreert Hassan hoe belangrijk het vertrouwen in de therapeut is en hoe dit voor een doorbraak zorgde. Het ging om een 51-jarige man die uit Irak was gevlucht met zijn vrouw en kinderen en die in Nederland gescheiden was. Deze man kon erg agressief worden en dreigde om zijn ex-vrouw te vermoorden. Het vertrouwen en de doorbraak in de behandeling betekende dat de man zijn levensverhaal begon te vertellen aan de therapeut. De relaties met zijn dochters werden hersteld en hij kreeg begrip voor zijn ex-vrouw.

Volgens Hasan is ook psycho-educatie van groot belang. Je moet uitleggen wat het nut van de behandeling is. Je moet duidelijk uitleggen wat het voor de cliënt kan betekenen als deze over zijn post- traumatische stress heen zal zijn. Hasan heeft hiervoor een filmpje gemaakt. Een van zijn cliënten zei na het zien van dit filmpje dat het zien er van meer invloed op hem had dan een jaar behandeling! Dit maakte mij erg nieuwsgierig maar we kregen het filmpje helaas niet te zien en het is niet te vinden op het internet.

Na vele jaren werken met vluchtelingen komt Hasan tot de conclusie dat diagnostiek en behandeling bij het grootste deel van cliënten uit Oosterse culturen om veel geduld, durf en flexibiliteit vraagt. Het systeem rond de cliënt moet er zoveel mogelijk bij betrokken worden, er moeten duidelijke en haalbare behandeldoelen gesteld worden en de therapie moet begrijpelijk gemaakt worden met psycho-educatie. Emoties, gevoelens en angsten moeten zoveel mogelijk benoemd worden.

Welke methode de therapeut ook gebruikt maakt niet zoveel uit. EMDR, BEPP of NET, ‘Narrrative Exposure Therapy’, waarbij het levensverhaal van de cliënt centraal staat, het maakt niet uit als zowel de cliënt als de therapeut er maar vertrouwen in hebben. Over EMDR denken veel vluchtelingen dat het een soort hypnose is. In de ‘Narrative Exposure Therapy’ heb ik persoonlijk het meest vertrouwen. Eerder schreef ik hier over op dit weblog, al maak ik gebruik van de term schrijftherapie. Tekenen of andere beeldende middelen kunnen ook ingezet worden binnen deze therapie.


Andere sprekers over insluiten en uitsluiten op dit congres: Trudy Dehue en Bill Madsen, en de uitstekende workshop van Monique Hof van Systeemwijs over pesten, komen in een volgend bericht aan de orde. Trudy Dehue sprak over: wat sluit je in en wat sluit je uit als je een wetenschappelijke definitie formuleert. Bill Madsen sprak over ‘mattering’ (er toe doen, ingesloten zijn) en ‘marginalization’ (uitgesloten worden) in gezinnen. Dus; ‘stay tuned!’

3 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Psychotherapie - Trauma, Systeemtherapie

Een ode aan de psychotherapie van Griet Op de Beeck

De maakbaarheid van de mens

“Er is een heleboel in de wereld niet in orde maar uw leven is van u, u kunt het zelf bepalen,” roept de Vlaamse schrijfster Griet op de Beeck uit aan het eind van het TV programma Zomergasten van de VPRO. Ze heeft dit aan de hand van allerlei fragmenten uit films en documentaires geprobeerd duidelijk te maken. Namelijk dat het belangrijk is om niet stilletjes in een donker hoekje te gaan zitten afwachten en hopen dat het goed komt met je leven. Ze heeft betoogd dat het leven van de mens maakbaar is.

Maar het leek alsof het niet tot de interviewer Thomas Erdbrink wilde doordringen. Hij leek maar te blijven geloven dat Op de Beeck iets tegen hoop had. Daar had ze niets op tegen maar haar betoog was dat je ook actief aan de slag moet en dat hoop alleen niet genoeg is. Geduldig legt ze het aan het eind nog één keer uit: “Wat ik zeg is ongelooflijk hoopvol maar het is niet passief.” En ze weet ook dat er grenzen zijn aan wat je kunt bereiken met de activiteit die therapie heet: “Je blijft vechten tot aan het eind. Af komt het niet.”

Met haar betoog zit ze niet op dezelfde lijn als Hedy d’Ancona die een uitzending vòòr haar de Zomergast was. Voor d’Ancona is ‘het persoonlijke’ politiek en andersom. Als jij je niet met politiek bemoeit, bemoeit de politiek zich wel met jou. Op de Beeck maakt een ander punt. Veel mensen zijn passiever dan nodig in het maken van hun eigen leven. Haar betoog ligt meer op het gebied van ‘het persoonlijke’.

Griet bleef gedurende het hele interview stralen. Of Erdbrink haar nu wel of niet begreep of naar de bekende weg vroeg of een impertinente vraag stelde zoals de vraag naar haar huwelijkse staat. Misschien verdiende ze met dat stralen wel de handkus van Erdbrink die hij haar aan het eind van de avond gaf…

Het stralende van Op de Beeck komt wellicht door haar dankbaarheid en blijdschap over dat ze van haar oude angsten en anorexia verlost is maar ze laat met het stralen misschien ook een restje zien van de emotionele verwaarlozing uit haar kindertijd. Net zoals geadopteerde kinderen je altijd stralend kunnen blijven aankijken uit angst om ooit opnieuw verlaten te worden.

Ook bleef ze snel en veel praten. De ene volzin na de andere. Ze is een echte taalvirtuoos. Enkele van haar zinnen begon ik te noteren.

Gezien worden

Griet had zelf ouders die haar weliswaar niet verlieten maar ouders die geen oog voor haar hadden. Ze beschrijft haar jeugd als die van een ‘grondeloze eenzaamheid’. Hunkerde ze naar waardering? Nee, ze hunkerde naar gezien worden. En gezien worden betekent dat je ook voorbij jezelf kunt gaan kijken.

Hier legt ze de vinger op het ontstaan van het narcisme dat we allemaal in meer of mindere mate in ons dragen. Ouders die geen oog hebben voor hun kinderen geven het narcisme door; ofwel het ‘niet voorbij jezelf kunnen kijken’. Kinderen die later in therapie gaan kunnen volgens haar genezen. Welke diagnose ze dan ook kregen. Daar is zij zelf een voorbeeld van. Haar eigen ouders waren niet geschikt voor de rol van het ouderschap denkt ze. Daar kwam dan nog bij dat ze hun kinderen tegen elkaar uit speelden.

Niet alleen therapie maar ook de kunst hielp haar: “Kunst dwingt je om stil te vallen.” Als jongedame las ze alles van de grote Vlaamse schrijver Hugo Claus ook al kon ze het niet allemaal begrijpen, ze vond dat het heel erg aan haar besteed was.

Zij had zelf veel moed nodig om schrijfster te worden: “Je moet in evenwicht kunnen blijven als kunstenaar ook als je commentaar krijgt op wat je maakt.” Haar boeken zijn inmiddels bestsellers. 70% van haar lezers komen uit Nederland, 30% komt uit België en de reden daarvan is dat ze van directheid houdt en dat waarderen Nederlanders meer.

Uit een van de eerste fragmenten die we te zien krijgen in deze aflevering van Zomergasten blijkt volgens haar hoe sterk kinderen zijn. Te sterk, denkt ze. Kinderen zullen niet gauw zeggen: “Ik heb een slechte papa of mama”. Integendeel ze gaan proberen te compenseren voor wat er fout gaat in het gezin.

In het fragment zien we hoe wij met zijn allen dat ‘te sterk zijn’ van kinderen aanmoedigen. We zien een jongetje dat een vreselijk ongeluk heeft gehad terwijl hij aan het spelen was. Hij had er brandwonden over zijn hele lichaam aan over gehouden. Hij is aan het revalideren terwijl hij geïnterviewd wordt. Wij vinden dat jongetje allemaal geweldig omdat hij er spijt van heeft dat hij ondeugend is geweest. Hij wil het goed maken door later ambulancebroeder te worden. Dit vinden we mooi. We moedigen dit ‘te sterk zijn’ aan in kinderen. We vinden het mooi dat hij ‘sorry’ zegt terwijl hij in feite onschuldig is.

Op de Beeck vindt dat we kinderen een stem moeten geven: “Kinderen weten alles. Ze kunnen het alleen niet zeggen.” Daar moeten we hen bij helpen i.p.v. dat ‘sterk zijn’ aan te moedigen.

Een volgend fragment is uit een documentaire over zelfmoordenaars die van de Golden Gate Bridge afspringen. Een man die dit overleefde beschrijft hoe hij over de brug liep op zoek naar een goede plek om te springen zonder de brug eerst te raken. Hij begon te huilen. Een voorbijgangster vroeg hem of hij een foto van haar wilde maken. Dat deed hij. De voorbijgangster zag zijn tranen niet. Die was alleen met zichzelf bezig. Hij dacht: Dit is waarom ik spring. Ik loop huilend over een brug en niemand die het ziet.

Op de Beeck die zelf ook zelfmoord heeft willen plegen maakt een onderscheid tussen ‘dood willen’ en ‘willen dat het ophoudt’. Zij wilde dat haar angst ophield, haar angst dat het nooit in orde zou komen met haar leven en met het gevoel afgewezen te zijn. Zij stond zelf ook eens ooit op een brug en het waren voorbijrijdende en met hun licht seinende vrachtwagen chauffeurs die haar tegenhielden. Die gaven haar een gevoel van verbinding, het idee dat het iemand iets kon schelen.

Bevrijding

Griet heeft zichzelf uit allerlei soorten drek getrokken. Je hebt een fantastische ‘shrink’ nodig die je helpt om een goede ‘spot’ te zetten op de oorzaak. Maar dan lukt het. Iedereen moet in therapie. We zijn allemaal meesters in het wegkijken terwijl de beloning als je wèl kijkt zo immens groot is. Het is heftig om te doen maar we hebben maar één leven. Een goede vraag van Erdbrink: “Hoe voelt die bevrijding?” Griet: “Je voelt de bevrijding zelf niet maar je voelt de gevolgen van de bevrijding.” In haar geval was het gevolg dat ze haar eerste boek schreef dat haar alle mogelijke vormen van diep plezier gaf.

We zien vervolgens een fragment uit de documentaire: ‘Gardenia. Before the last curtain falls.’ Het gaat over het bevrijdingsproces van travestieten. Maar het gaat over meer dan dat. Op een toneel staan mannen in pakken die langzaam transformeren in vrouwen op de meeslepende muziek van Ravel’s Bolero. De opvoering op het toneel wordt afgewisseld met verhalen uit de levens van de mannen buiten het theater.

Griet ziet veel relaties die niet kloppen. Mensen kunnen wel zeggen dat ze best gelukkig zijn maar als er geen echte wederkerigheid en verbinding in de relatie is, klopt het niet. Haar eigen ouders waren geen feestje samen. Ze denkt dat haar vader al vroeg opgehouden was met leven. Hij kon nog wel charmeren maar hij had geen echte vrienden. Hij hield mensen op afstand. Hij zweeg behalve als hij dronken was. Ze is blijven zitten met veel vragen over haar vader. Griet heeft geprobeerd om haar ouders gelukkig te maken. Erdbrink vroeg of het haar lukte. Terecht merkt ze op dat dit een onmogelijke opdracht was.

Kinderen zullen blijven verlangen naar onvoorwaardelijke liefde. Alleen ouders kunnen dat aan hun kinderen geven en niet andersom. Dat werkt niet. Zij wil zelf absoluut geen relatie hebben zoals die van haar ouders met hun complete gebrek aan empathie voor elkaar. Daarbij helpt het bij het liefhebben van je partner als je jezelf kent, als je inzicht hebt in je eigen blinde vlekken.

Ze laat een fragment zien uit een documentaire waaruit blijkt hoe gemakkelijk het is om kinderen racisme aan te leren en een waaruit blijkt hoe psychologisch onveilig het is om gevluchte gezinnen met kinderen terug te sturen naar het land van herkomst. De veiligheid waarmee deze kinderen hier zijn opgegroeid wordt hen ontnomen wat een enorme ontreddering tot gevolg heeft. Voor de beschadiging van deze kinderen is dit beleid verantwoordelijk. Erdbrink vraagt: Waarom doen we dit? Griet: “We zijn alleen met onszelf bezig!”

Hard leven

Met de schrijver Jonathan Franzen vindt Griet dat je boeken moet schrijven terwijl het schaamrood je op de kaken staat. Erdbrink vraag waar zij zich voor schaamt. Griet is verbaast dat hij dit vraagt na alles wat ze tot nu toe uit de doeken deed maar ze legt het nog wat duidelijker uit: “Schaamte voor alles, voor het niet waard zijn, voor het niet verdienen van alles wat mooi en goed is.” Franzen betoogt dat Kafka over zijn strijd met zijn familie schreef ook al had hij het over insecten. Het blijft kunst ook al zitten er autobiografische elementen in. Een roman moet een persoonlijke strijd zijn, een schrijver moet een persoonlijk risico nemen. Volgens Griet moet er bij elk boek een nieuwe hindernis genomen worden. Bij haar eerste boek was dit de hindernis van het zichzelf te durven te laten zien: “Hé ik ben er ook nog!” Dat was het eerste risico dat ze nam. Als dramaturg was ze dienstbaar maar als schrijfster toont zij zich.

Hard leven betekent dat je strijd voert tegen de banaliteit. Het betekent dat je diep graaft, verder kijkt, veel voelt, intensiteit opzoekt, durft stil te staan en nog dieper durft te denken. Zelfs van grote trauma’s kun je herstellen. Ook al zal de verpletterende leegte je soms blijven overvallen. Die leegte moet je vullen: “Uw grootste noden zijn uw grootste troeven.”

Een plaats bij uitstek waar mensen niet gezien worden is wel de gevangenis. Als dramaturg heeft Op de Beeck toneel gemaakt met gedetineerden. “Wij gaan zo slecht met hen om terwijl van alle kanten is aangetoond dat opsluiten alleen maar schadelijk is. Er is veel te weinig aanbod van therapie in de gevangenis. Dit is een groot gebrek van onze beschaving. Gedetineerden die elke week een therapeut op bezoek krijgen gaan vooruit. Ook voor deze mensen geldt de maakbaarheid. Wij lijken meer op elkaar dan dat we van elkaar verschillen.”

Ze gelooft in de maakbaarheid van de mens maar de mens moet er wel iets voor doen. Dat moge duidelijk zijn. Hoe gevaarlijk een passieve vorm van hoop is wordt volgens haar mooi duidelijk in de rol van Sonja en het toneelstuk Oom Wanja van Tsjechov hoewel ook de andere personages zichzelf dwars zitten. Sonja is verliefd op de dokter in het stuk maar de dokter ziet haar niet staan. Als een ander personage haar aanbiedt om deze toestand te helpen doorbreken zegt Sonja: “Doe mij maar onzekerheid want dan is er tenminste nog hoop”. Het is een gevaarlijke zin omdat Sonja op deze manier blijft ronddraaien in dezelfde cirkel.

Anorexia gaat niet over eten

Volgens Op de Beeck heeft een eetstoornis vooral te maken met een destructief denksysteem. Het gaat over perfectionisme, over schaamte en jezelf willen straffen. Het perfectionisme waardoor je altijd faalt en blijft denken dat je niet mooi bent, niet goed, niets waard. Ze spreekt uit ervaring. Op een goed moment woog ze nog maar 35 kilo en voelde ze liggend in de zon ineens dat haar lijf op was en besloot ze om een etentje te geven. Ze kan nog steeds in gevecht zijn tegen het basismechanisme dat aan de stoornis ten grondslag ligt maar ze is vastbesloten om dat gevecht te winnen. Na een fragment uit de film: ‘Le tout nouveau testament’, legt ze uit dat zij haar trauma helemaal wil aankijken en dat ze de emotie die dat teweegbrengt wil laten bestaan. Het gaat er volgens haar om dat je het verval durft te zien, dat je het leed durft te laten bestaan.

Als dit geen ode is aan de psychotherapie dan weet ik het niet. Veel dank Griet voor je boeken en voor dit interview.

8 reacties

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie

De mythe van het ontbrekende stofje in het brein

Niets menselijks is de wetenschappers vreemd en ook zij houden meer van bevestigend dan van tegensprekend nieuws…

Dit zegt Trudy Dehue in het artikel in De Groene Amsterdammer: Het ontbrekende stofje in het brein.

Helaas krijgen publicaties die een populaire theorie weerspreken meestal weinig aandacht in de wetenschappelijke gemeenschap. En de theorie van het ontbrekende stofje in het brein is zo’n een populaire theorie. Dit is zeer kwalijk want mensen raken door deze theorie hun vertrouwen in hun lichaam en hun brein kwijt.

Mede door dit conservatisme in de wetenschap is het mogelijk dat miljoenen mensen met psychische problemen op het verkeerde spoor gezet zijn. En nog steeds worden mensen vergiftigd en vervolgens afhankelijk van Big Pharma. Heel veel mensen, waaronder artsen denken nog steeds dat de ‘ontbrekende stofjes’ – verklaring voor psychische problemen klopt. Volgens die verklaring is het een ‘chemische onbalans’ in het brein die depressie, druk en impulsief gedrag enz. veroorzaken. Terwijl in de werkelijkheid psychische problemen meestal verklaard worden door nare omstandigheden waar mensen in terecht gekomen zijn.

Dehue wil niet alle schuld in de schoenen van de farmaceutische industrie schuiven.

Het is mijn rol niet om medicijngebruik tegen te gaan – of te bevorderen. Als wetenschapssocioloog (onderzoeker van het verschijnsel wetenschap) en trouwens ook als burger en patiënt houdt mij vooral het fenomeen bezig van het onverantwoord simplificeren van wetenschap.

Er zijn volgens haar drie oorzaken voor de hardnekkigheid van de ‘stofjesverklaring’ en daar komt zij op door de ontstaansgeschiedenis er van te bestuderen.

Deze geschiedenis laat ten eerste zien dat er, bij commercieel interessant onderzoek, onvoldoende scheiding is tussen de wetenschap en het bedrijfsleven, ten tweede dat de theorie van de chemische onbalans vanaf het begin al uiterst wankel was en ten derde dat deze theorie mede in stand blijft door conserverende krachten in de wetenschap.

Zowel uit vakliteratuur als uit eigen ervaring weet ik dat mensen ongelukkig, bang of onhandelbaar kunnen zijn. En ik ben er ook van overtuigd dat de psyche met het lichaam is verbonden, dusdanig dat het onderscheid eigenlijk niet te maken valt. Bovendien betwijfel ik de oprechtheid niet van artsen die weloverwogen pillen voorschrijven noch van patiënten die menen erdoor te zijn geholpen. Maar dit alles rechtvaardigt het gelijk van de stofjesverklaring niet. Als cocaïne mensen moed geeft, betekent dat ook niet dat bangelijkheid een stoornis moet heten en al helemaal niet dat die ontstaat door cocaïnetekort, dat medicinale aanvulling behoeft.

Ook wetenschappers die beweren dat de ‘stofjesverklaring’ de schuld is van de farmaceutische industrie maskeren de nauwe samenwerking tussen bio-medische wetenschap en de industrie. Elke vorm van samenwerking tussen wetenschap en industrie leidt tot een verhulde vorm van marketing.

Stofjes die op zoek zijn naar een stoornis

Het wankele van de ‘ontbrekende stofjes’ theorie zit hem o.a. in een proces dat officieel ‘reverse engineering’ (omgekeerd ontwerpen) heet. Dit proces ligt ook ten grondslag aan de huidige medicatie voor adhd en depressie. Je zou kunnen zeggen dat stofjes op zoek zijn naar een stoornis.

Amfetaminen en methylfenidaat die nu adhd-medicatie heten zijn bijvoorbeeld aanvankelijk geprobeerd voor van alles en nog wat, variërend van astma tot hoofdpijn, darmontsteking, narcolepsie en menstruatiepijn, gebrek aan vechtlust bij dienstplichtigen en aan levenslust bij huisvrouwen. Pas in de jaren zestig muntten bedrijven en wetenschappelijk onderzoekers het regulerende effect op ‘hyperkinesie’ bij drukke kinderen, die later werd omgedoopt tot adhd.

Een vergelijkbaar verhaal valt over de eerste antidepressiva te vertellen. Het middel iproniazid begon als medicijn tegen tuberculose. Uiteindelijk bleek het leverschade te veroorzaken, maar tbc-patiënten werden er aanvankelijk wel energieker en vrolijker van en zo is het als een stimulerend medicijn op de markt gekomen. Een nog opmerkelijker voorgeschiedenis hebben de serotonine heropnameremmers (ssri’s), waarvan prozac een vroeg voorbeeld is en seroxat tegenwoordig het meest wordt gebruikt.

Tot op de dag van vandaag kwam de stofjeshypothese ook bij onderzoek naar de ssri’s nooit verder dan een hypothese, omdat bevestigingen ervan steeds opnieuw niet herhaalbaar waren.

Een wetenschappelijk artikel uit begin 2015 getiteld ‘Is serotonin an upper or a downer?’, concludeert dat het oorspronkelijke uitgangspunt voor de theorie van het ontbrekende stofje niet klopt.

Ssri’s bevorderen de transmissie van serotonine helemaal niet, beargumenteren de auteurs, maar verstoren de energiebalans in het zenuwstelsel. Hun idee is, anders gezegd, dat antidepressiva een onbalans teweegbrengen in plaats van te corrigeren.

Een positief effect bij sommige mensen is dan het gevolg van herstelmechanismen die in gang moeten worden gezet om de schade te compenseren aangebracht door de medicatie. Die schrikbarende gedachte zou ook verklaren waarom het effect van antidepressiva nooit meteen optreedt en waarom menige patiënt zelfs eerst verslechtert, want het duurt even voor het herstelmechanisme op gang komt. Als een gebruiker vervolgens stopt kunnen er opnieuw problemen ontstaan omdat het zenuwstelsel het herstelmechanisme terug moet draaien.

Nare omstandigheden maken mensen ongelukkig

De publicatie ‘Is serotonine an upper or a downer’, krijgt volgens Dehue te weinig aandacht door het conservatisme van wetenschappers. Weerleggende inzichten worden niet actief genoeg bekend gemaakt. Het verhaal van het ontbrekende stofje gaat zelfs verder. Het gaat nu gepaard met dat van het ontbrekende stukje dna, suggestief omgedoopt tot het ‘serotonine-transporter-gen’ .

Na een beroemd geworden publicatie uit 2003 over dit gen in het tijdschrift Science volgde er zes jaar later een overzichtsartikel van verdere studies ernaar, dat het bestaan van zo’n gen tegenspreekt. Dit artikel, in het hoog aangeschreven JAMA, concludeerde dat eigenlijk alleen nare omstandigheden mensen ongelukkig maken. Het roemruchte depressiegen, meldden de auteurs nadrukkelijk al in de samenvatting boven hun tekst, speelt ‘noch op zichzelf noch in interactie met stressvolle gebeurtenissen’ een rol bij depressie – met daaraan voor de zekerheid nog toegevoegd ‘niet bij mannen, niet bij vrouwen, en niet bij mannen en vrouwen gezamenlijk’.

Maar toen had ook het verhaal van het ‘serotonine-transporter-gen’ zich al verspreid, via artikelen, leerboeken en de vele populariseringen van wetenschap. Het overzichtsartikel in JAMA uit 2009 dat dit verhaal krachtig weersprak, had eind december 2015 het aantal van 1213 citaties – wat bleekjes afsteekt tegen het getal van 6665 verwijzingen naar het oorspronkelijke stuk in Science uit 2003.

Het omdopen van allerlei verdriet en hopeloosheid in depressie 

Het kan zeker zinvol zijn om het woord depressie te gebruiken voor bepaalde vormen van grote neerslachtigheid, maar net zoals wij geen diversiteit van woorden hebben voor soorten sneeuw hebben we dat onderhand niet meer voor soorten ellende. Die heten nu als vanzelfsprekend allemaal ‘depressie’, wat impliceert dat het bij somberheid automatisch om een stoornis gaat die om medische behandeling vraagt.

Het eigen levensverhaal als overbodig verklaren

Voorstanders van de stofjestheorie voeren aan dat hij een verontschuldiging is voor mensen die anders zichzelf verwijten maken. Dat kan zo zijn, maar onterechte zelfverwijten vallen op betere manieren tegen te gaan dan door mensen te vertellen dat er iets fundamenteel mis is met hun hersenen. Ook zijn er net zo goed patiënten die zich juist miskend voelen door de stofjestheorie, omdat deze een ‘quick fix’ inhoudt en hun eigen levensverhaal overbodig verklaart.

Waarom spreken neurowetenschappers niet massaal de theorie van de ontbrekende stofjes of de theorie van de chemische onbalans tegen?

Is het omdat op erkenning beluste psychiaters met deze theorie een hogere plek willen verwerven in de medische hiërarchie? Exacte wetenschap heeft namelijk meer aanzien dan geestes- of sociale wetenschap. Exacte wetenschap zou objectiever zijn, maar:

Zoals wetenschapsfilosofen echter al meer dan een eeuw met veel argumenten betogen is objectiviteit in de zin van rechtstreekse weergave van de werkelijkheid voor geen enkele wetenschap mogelijk. Zodra we over de realiteit beginnen te praten, interpreteren we haar al en bij wetenschappelijk praten wordt dat zeker niet minder. Wat er wordt onderzocht, hoe dat gebeurt en hoe het wordt benoemd, hangt af van menselijke besluiten die vaak grote consequenties hebben. Achter elk schijnbaar hard feit schuilt een verhaal en als daar een laag getallen, hersenscans of andere grafieken overheen komt, verdwijnt dat verhaal niet, maar raakt het hooguit onttrokken aan het zicht.

Is het omdat kritiek op de ‘stofjesverklaring’ het aanzien van een heel vakgebied aan zou kunnen tasten? Dit gevaar geldt volgens Dehue zeker voor de psychiatrie.

Is het omdat zowat alle wetenschappelijke disciplines zich tegenwoordig schuldig maken aan het suggereren dat niet zijzelf spreken, maar via hun mond de naakte werkelijkheid?

Is het omdat kritiek op deze populaire wetenschappelijke trend betekent dat je wordt neergezet als jaloers?  En dan zou je vooral jaloers zijn op de publiekslievelingen onder de populariserende wetenschappers.

Of is het omdat het publiek graag onomstotelijk bewezen waarheden hoort? Echter:

Geen enkele wetenschappelijke discipline zou daarom haar uitspraken moeten immuniseren tegen tegenspraak door te doen alsof zij namens de realiteit spreekt. De wetenschap zou respect moeten verwerven door het tonen van de kwaliteit van haar achterliggende argumenten. Dan zouden wetenschapsbeoefenaren ook echt in gesprek gaan met anderen, in plaats van hen mee te delen wat de ‘gevonden feiten’ zijn. Openheid over de discursieve basis van wetenschap blijft echter onmogelijk zolang het publiek alleen onomstotelijke waarheden wil horen. Het verdriet van de wetenschap is dat ze slechts wordt bewonderd om wat ze niet kan zijn. Ze moet voortdurend de schijn ophouden, zozeer dat veel wetenschapsbeoefenaren zelf nog in die schijn gaan geloven ook en wetenschapsvoorlichting geven die niet veel meer dan wetenschapsmarketing is.

Volgens Dehue moet het inzicht dat wetenschap minder op de realiteit dan op denkwerk is gebaseerd niet tot teleurstelling en minachting leiden. Dit inzicht zou aanleiding moeten zijn tot enerzijds minder goedgelovigheid en anderzijds juist méér waardering.


Ook het TV programma  Zembla onderzoekt waarom het gebruik van antidepressiva zo hardnekkig blijft stijgen, terwijl bekend is dat deze pillen bij veel mensen niet goed werken en gevaarlijk kunnen zijn. De inhoud van het programma raakt aan het betoog van Dehue.

Hier een link naar de hele uitzending.

 

 

 

 

 

 

 

 

4 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Psychologie

Liefde, bent u er klaar voor? 4

Er stond een mooi essay van Arnon Grunberg in De Groene Amsterdammer van 13 januari 2016 onder de kop: ‘ZELF MOEDER WORDEN’ . Grunberg zelf noemt zijn essay: ‘De pijn die liefde is’ en het past goed in mijn serie over liefde. Als u klaar bent voor de liefde, bent u waarschijnlijk ook klaar voor de pijn.


Mijn moeder stierf op 9 februari 2015 in de avond in hetzelfde ziekenhuis, de VU in Amsterdam, waar ze in de jaren zeventig enkele weken had gelegen toen ze was aangereden door een auto op de hoek van de Scheldestraat en de Deurloostraat. Ik zat toen op de kleuterschool, een Montessorischool, en wij kleuters moesten op de trap zitten tot een ouder of verzorger was verschenen om ons af te halen.

Grunberg_20moeder_20op_20maat

Illustratie: Dick Tuinder

De dag dat mijn moeder het auto-ongeluk had bleef ik als laatste op de trap zitten, ik had de kleuters één voor één zien verdwijnen. Mijn moeder was nooit de eerste moeder die verscheen, maar zo laat was ongebruikelijk. Na lange tijd zei de juffrouw, Ems Acohen: ‘Ik breng je naar huis.’

Wat er aan de hand was wist ik toen nog niet, maar dat er iets niet klopte was me duidelijk. Dit is mijn eerste bewuste herinnering aan mijn moeder, alle andere herinneringen zijn verhalen die mij later door haar zijn verteld.

Mijn eerste herinnering aan haar is er dus een waarin zijzelf niet voorkomt. Ik herinner me haar afwezigheid, het wachten op haar komst, en de dreiging van het noodlot dat haar komst verhinderde.

Mijn moeder heeft me altijd voorgehouden: ‘Wij hebben zo verschrikkelijk op je gewacht.’ Tussen mijn zus, die in 1963 is geboren, en mij, ik ben in 1971 geboren, zaten acht miskramen. Dat mijn moeder en mijn zus op mij hebben gewacht, en mijn vader ook, hoewel hij in de verhalen nauwelijks voorkwam, alsof hij niet echt op me wachtte, althans minder dan de andere familieleden, wil ik graag geloven, maar het omgekeerde is net zo waar. Ik heb op mijn moeder gewacht, zittend op de trap van de kleuterschool in de Albrecht Dürerstraat. En in zekere zin zou ik moeten zeggen dat ik nog steeds op haar wacht. Nu meer dan ooit.

Als kleuter werd ik naar een kinderpsychiater gestuurd omdat ik slaapproblemen zou hebben. Ik kan me daar zelf niets van herinneren, maar zo is het mij verteld. De kinderpsychiater had mij onderzocht en zou gezegd hebben: ‘Met dat kind is niets aan de hand, laat de ouders maar komen.’

Dat deden mijn ouders en niet lang daarna raakten ze bevriend met de kinderpsychiater. Typisch iets voor mijn ouders. Eens in de zoveel maanden kwam de kinderpsychiater met zijn gezin bij ons eten en eens in de zoveel maanden gingen we naar de psychiatrische inrichting in Santpoort, waar hij woonde, om daar met zijn gezin te eten. Hoe mijn ouders dit voor elkaar hebben gekregen weet ik niet; ik neem aan dat het voor een psychiater nogal ongebruikelijk is om met zijn cliënten, of patiënten zo men wil, bevriend te raken.

Volgens mijn moeder, dit is wederom een herinnering uit tweede hand, zou ik slaapproblemen hebben gekregen omdat ze regelmatig dreigde mij te verlaten aangezien ik onhandelbaar zou zijn. Ik kan me van die dreigementen niets herinneren. Dat ik onhandelbaar was in de ogen van mijn moeder zou waar kunnen zijn, maar ik kan me niet herinneren dat die werkelijke of vermeende onhandelbaarheid tot gebrek aan moederlijke liefde zou hebben geleid, integendeel.

Later, dat staat me nog goed bij, dreigde ze regelmatig haar gezin te verlaten en naar haar tante in Buenos Aires te gaan, maar ze deed het nooit. En ik wist al vrij jong dat die dreigementen loos waren. Buenos Aires werd een mythische plek, de plek waar mijn moeder heen wilde maar waar ze nooit heen zou gaan.

***

Wat ik me wel herinner uit mijn kleutertijd is dat ik het prettig vond dat mijn moeder in mijn kamer sliep en niet bij mijn vader. Daartoe was ze bereid omdat ik zoals gezegd slaapproblemen had. Ik kon alleen slapen, en nogmaals, dit zijn haar woorden, als ik wist dat mijn moeder later in de avond of in de vroege ochtend bij me zou komen liggen. Dat deed ze, ze kwam naast me op de grond liggen op een rode stretcher met bloemetjes. Ik kan me niet echt herinneren dat ik mijn moeder daadwerkelijk op die stretcher heb zien slapen, maar de stretcher zelf kan ik me nog zeer goed herinneren; meer dan wat dan ook is die stretcher symbool voor mijn moeder, of misschien zou ik zelfs moeten zeggen: die stretcher is mijn moeder.

Op één keer na, toen ik midden in de nacht wakker werd om te plassen, toen heb ik haar op de stretcher zien liggen. In haar nachthemd. Ik ging niet naar de wc, want ik was bang voor de wc, maar ik mocht plassen in een oranje emmertje met een wit hengsel. Dat emmertje stond altijd naast mijn bed en het ging ook mee op vakantie. Ik werd wakker, plaste in mijn emmertje, terwijl mijn moeder op haar stretcher lag.

Als ik mij een symbool van veiligheid uit mijn vroegste jeugd voor de geest haal, is het de oranje emmer met het witte hengsel. Poepen deed ik op een wit potje in de woonkamer, tot op hoge leeftijd, misschien wel mijn negende of tiende. Ik was vroeg zindelijk, maar de wc boycotte ik. Mijn zus pestte mij daarmee. Je zou kunnen zeggen dat ik een wc voor mezelf wilde, dat ik het toilet niet wenste te delen met de overige gezinsleden en al helemaal niet met vreemden.

Het valt me op dat in mijn meest levendige, vroegste herinneringen mijn moeder aanwezig was op een afwezige manier. Ik zie de oranje emmer voor me, de stretcher, maar ze ligt er niet op, de trap van de kleuterschool waarop ik zit te wachten, mijn moeder zie ik nergens of uiterst vaag, als een schim. Terwijl ik zeker weet dat mijn moeder, die toen niet meer werkte, in werkelijkheid zeer aanwezig was; ze bekommerde zich fulltime om het gezin, de kinderen en met name om het jongste kind, mij dus. Ik zie de Tupperware-beker die ze bij zich had als ze mij afhaalde van school en waarin uitgeperst sinaasappelsap zat scherp voor me. Ik zie de rode schaal waarin het deeg zat voor cake; mijn moeder was geen goede kok, maar ze kon uitstekend taarten bakken. Zelf blijft ze een droombeeld, haar fiets is scherper te zien dan zij.

***
De uitdrukking ‘met het kind is niets aan de hand, laat de ouders maar komen’ werd een running gag in het gezin en werd door mijn beide ouders met trots herhaald. Waarop zij precies trots waren weet ik niet. Dat er met mij niets aan de hand was of dat er met hen wel iets aan de hand was? Misschien waren ze verrukt dat zij in staat waren een kind voort te brengen met wie volgens deskundigen niets aan de hand was. Een klein wonder.

Voor mij had die zin ook iets bedreigends. Ik was het kind met wie niets aan de hand was, maar wilde ik dat wel zijn? En wat betekende het dat er met mijn ouders wél iets aan de hand zou kunnen zijn? Dat kon er alleen op duiden dat ik fundamenteel anders was dan mijn ouders.

Van het woord ‘niets’ ging, maar dat is interpretatie achteraf, een dreiging uit, een onheilspellende leegte. Als er niets met je aan de hand is moet je zelf ook wel niets zijn.

Toch heb ik gaandeweg deze gevleugelde uitdrukking tot onderdeel van mijn identiteit gemaakt, in positieve zin: met mij is niets aan de hand. Als deze tekst van iets wil getuigen, voorzover ik iets kan en mag zeggen over de intenties daarvan, dan toch wel daarvan, dat er met mij niets aan de hand is.

Van het kind met wie niets aan de hand was, ben ik de man geworden met wie niets aan de hand is en ik ben eigenlijk vast voornemens dat tot het eind van mijn leven te blijven.

Toen ik zo rond mijn vijftiende mijn middelbare school niet af wilde maken ben ik door leraren en ouders wederom naar hulp­verleners gestuurd. Eerst naar een psycholoog. Ik vertelde hem volstrekt verzonnen verhalen over een meisje dat zelfmoord had gepleegd. Het meisje bestond niet en haar zelfmoord dus evenmin, maar ik was erg onder de indruk van mijn eigen verhalen. Of de psycholoog dat ook was weet ik niet, hij zei weinig tot niets. Wat ik me vooral herinner is een doos met tissues die op een kleine tafel stond tussen de psycholoog en mij in. Ik had het gevoel dat er van mij verwacht werd dat ik zou gaan huilen, dat het bij het rollenspel hoorde dat wij beiden opvoerden. Maar huilen ging me te ver, ook aan een rollenspel zitten grenzen.

Omdat de psycholoog niet de gewenste effecten had bereikt, betere resultaten op school, werd ik naar een psychiater gestuurd die meer zei dan de psycholoog en ook wat strenger was. Hij zorgde ervoor dat ik niet in dienst hoefde en na vijf of zes keer met mij gesproken te hebben gaf hij me het dringende advies om bij mijn ouders weg te gaan. Ook hij leek met zoveel woorden te bevestigen wat de kinderpsychiater op mijn derde al had gezegd: met mij is niets aan de hand.

Op een gegeven moment verscheen ik niet op een consult. Ik heb daarna nooit behoorlijk afscheid van hem genomen, iets waar ik me toch schuldig over voelde. Toen ik de psychiater een paar jaar geleden bij toeval ontmoette, leek het me verstandig, zij het wat verlaat, afscheid van hem te nemen. Ik maakte een afspraak om koffie te gaan drinken. Hij was inmiddels geen psychiater meer maar coach – ik weet niet precies wat het verschil was tussen een coach en een psychiater, maar ik had sterk de indruk dat een coach beter verdiende – en toen we dan eindelijk na ruim twintig jaar de behandeling voor beëindigd verklaarden, zei hij: ‘Het verbaasde me niet dat iemand die geen afscheid van zijn moeder kon nemen ook geen afscheid van mij kon nemen.’

Ik kon me niet helemaal in deze analyse vinden. Naar mijn gevoel had ik wel degelijk afscheid van mijn moeder genomen, ik had met haar gevochten, ik was naar New York gegaan, ik had de plannen van mijn ouders – een wetenschapper worden en met een joodse vrouw trouwen – niet verwezenlijkt; nee, het afscheid nemen was een geslaagde operatie geweest. Niet zonder moeite, maar de mooiste operaties zijn de moeizaamste operaties.

***

Op die avond van 9 februari 2015 zat ik te dineren in een Japans restaurant in de Maasstraat in Amsterdam, niet ver van de Dintelstraat, waar ik ben opgegroeid, met een expert op het gebied van cyber security vanwege een artikel dat ik over cyber security zou gaan schrijven. Tijdens het voorgerecht belde mijn zus, zij woont al ruim dertig jaar in Israël, maar ze was op bezoek met haar oudste dochter en twee kleinkinderen; alles was goed met mijn moeder in het ziekenhuis, het zuurstofgehalte in mijn moeders bloed was omhoog aan het gaan. Tijdens het hoofdgerecht werd ik weer gebeld door mijn zus. We moesten onmiddellijk naar het ziekenhuis komen, het ging niet goed met mijn moeder.

Ik wist toen al dat ze dood was.

Ik herinnerde me een zondagavond aan het begin van de jaren negentig. Ik was in dienst van een uitgeverij van theaterboeken, de itfb, en was nog wat gaan werken op kantoor, ik had de sleutel. Omdat ik wachtte op een bericht van een vrouw – ik wachtte altijd op berichten van vrouwen – belde ik mijn antwoordapparaat, het was de tijd van voor de mobiele telefoon, om te horen wie er allemaal hadden ingesproken. Geen vrouw die mij de liefde verklaarde, alleen mijn moeder die kalm zei: ‘Je vader is dood. Je moet naar het ziekenhuis komen.’

Je wacht op liefde en de dood komt. Dat vat het leven samen, de krankzinnige schoonheid ervan, de absurde hoop, de ondoorgrondelijke hartstocht waarmee dit wachten dikwijls gepaard gaat.

Mijn zus rende op 9 februari 2015 de trappen van het VU-ziekenhuis omhoog en ik dacht, wat dwaas, dat hoeft niet meer. Ik had mij al van de situatie gedistantieerd. Toen mijn zus naast mijn dode moeder vreselijk begon te huilen stelde ik in mijn hoofd de column over de dood van mijn moeder samen die ik de volgende dag voor de Volkskrant zou gaan schrijven. Dat mag emotieloos klinken, maar emotieloos zou geen recht doen aan de complexiteit van mijn gevoelens. Als mijn moeder mij iets heeft geleerd is het wel om me razendsnel te hechten en ook razendsnel weer te onthechten. Ik kan me hechten in vijf minuten, maar ik ben in dertig seconden ook weer onthecht.

Slechts in uitzonderlijke gevallen lukt het niet of duurt het jaren, en als ik mijn relatie met mijn moeder en met andere vrouwen zou moeten omschrijven zou ik zeggen: een voortdurend, al dan niet speels proces van extreme hechting en extreme onthechting, tot de extremiteit van de onthechting hernieuwde hechting onmogelijk maakt.

***

De dood is vermoedelijk de extreemste vorm van onthechting die mogelijk is, toch ben ik me van geen rouwproces bewust geweest. Want hoe kun je rouwen om iemand op wie je wacht?

De christenen rouwen niet zozeer om Jezus, ze wachten op zijn terugkeer. De joden rouwen niet om de Messias, ze wachten op zijn komst.

De avond van de negende februari schreef ik op mijn weblog dat ik nu zelf moeder moest worden. Wat zou dat betekenen, zelf moeder worden, is een vraag die ik mij de afgelopen maanden bij tijd en wijle heb gesteld en die nu maar eens beantwoord moet worden.

Je zou kunnen zeggen dat ik tot nu, ik ben een man van 44, op die trap van de kleuterschool in de Albrecht Dürerstraat ben blijven zitten, wachtend op mijn moeder. Af en toe verscheen een juffrouw die zei me naar huis te zullen brengen, maar ik keerde steeds weer terug naar de trappen van de kleuterschool met een hardnekkigheid die misschien niet van waardigheid is te onderscheiden. Men zou ­kunnen beweren dat het tijd wordt die trap te verlaten, maar ik geloof niet dat ik daartoe bereid ben. Het is een ­vruchtbare plek gebleken, ik heb er diverse boeken geschreven, ik heb er gereisd, ik heb er geleefd. Het is mijn thuis geworden.

Alleen nu ik zelf mijn moeder ben geworden kan ik niet meer zeggen dat ik op haar wacht. Ik wacht op mezelf.

Het kan niet onvermeld blijven dat mijn beide ouders de oorlog hebben overleefd. Mijn moeder in diverse kampen, mijn vader op diverse onderduikadressen.

Ik wil mijn moeder niet reduceren tot het kamp, tegelijkertijd kan ik haar niet los zien van het kamp. En misschien zijn drie belangrijke lessen die ik van mijn ouders heb geleerd ook niet geheel daarvan los te zien. Pijn is communicatie. Pijn is intimiteit. Pijn is liefde.

Ik ben bemind en ik heb bemind wil altijd ook zeggen: ik ben gepijnigd en ik heb gepijnigd. Maakt dit van de minnaar een psychopaat? Moeten wij misschien zeggen: met de psychopaat is niets aan de hand?

Ik zal deze vragen onbeantwoord laten.

Mijn moeder bleef tot vlak voor haar dood benadrukken hoe verleidelijk ze was als meisje, en dat deze verleidelijkheid in niet geringe mate heeft bijgedragen aan haar overleven. ‘De moordenaars glimlachten naar me’, zei ze. De laatste jaren herhaalde ze deze zin soms wekelijks, soms ook dagelijks. Alsof ze nog altijd niet kon geloven dat de moordenaars naar haar glimlachten. Alsof ze dacht dat alleen moordenaars naar haar konden glimlachen. Alsof de moordenaars maar naar haar bleven glimlachen.

Zelf moeder worden betekent ook zelf verleider worden. En wie anders dan de lezer moet de schrijver verleiden?

Ik ben de schrijver die in het oor van de lezer fluistert: ‘Als het pijn doet, is het liefde.’


Ik heb begrepen dat Arnon Grunberg zijn moeder enkele malen per dag telefoneerde, waar ter wereld hij ook was. Daarom kon ik de psychiater/coach in het essay wel volgen in zijn analyse dat Grunberg geen afscheid kon nemen van zijn moeder. Grunberg zelf kan zich hier niet in vinden schrijft hij. Zijn regels over hoe hij zijn ouders verliet klinken als passend bij de levensfase. Inderdaad, niets mis met Grunberg. Afscheid nemen kan hij best. Hechten en onthechten kan hij zelfs extreem goed.

… Als mijn moeder mij iets heeft geleerd is het wel om me razendsnel te hechten en ook razendsnel weer te onthechten. Ik kan me hechten in vijf minuten, maar ik ben in dertig seconden ook weer onthecht.

Slechts in uitzonderlijke gevallen lukt het niet of duurt het jaren, en als ik mijn relatie met mijn moeder en met andere vrouwen zou moeten omschrijven zou ik zeggen: een voortdurend, al dan niet speels proces van extreme hechting en extreme onthechting, tot de extremiteit van de onthechting hernieuwde hechting onmogelijk maakt.

De dood is vermoedelijk de extreemste vorm van onthechting die mogelijk is, toch ben ik me van geen rouwproces bewust geweest. Want hoe kun je rouwen om iemand op wie je wacht?

Vanuit de hechtings-theorie zijn deze regels interessant.

Met dat willen blijven wachten op zijn moeder lijkt het alsof Grunberg gewoon in de eerste fase van het rouwproces wil blijven, in de fase van de ontkenning. Zijn moeder is in de verbeelding van het wachten op haar niet ècht dood en het wachten op haar voelde toch al vertrouwd.

Er kleven voor de schrijver Grunberg aardig wat voordelen aan het wachten, zittend op die trap van zijn basisschool. Het levert literatuur op. Daar is hij eerlijk over. In dat ‘blijven wachten’ is hij waarschijnlijk niet de enige kunstenaar die daar inspiratie uit haalt. Hoewel niet elke kunstenaar op zijn moeder aan het wachten is maar dan misschien toch wel op iets of iemand anders.

Had zijn coach/psychiater misschien toch gelijk met zijn analyse dat afscheid nemen voor Grunberg moeilijk is? Afscheid nemen van je moeder iets natuurlijk iets anders dan afscheid nemen van het wachten op je moeder? Het afscheid nemen van het wachten op je moeder, ofwel het afscheid nemen van het wachten op haar liefde, zou je kunnen zien als een vorm van het afscheid nemen van ‘valse hoop’, wat een afweermechanisme is. Zèlf de liefde worden – wachten op jezelf – lijkt de beste oplossing. Zou dat nu echt ten koste gaan van de literatuur?

Ik proef ambivalentie in Grunbergs essay: aan de ene kant zegt hij dat hij zijn moeder nu zelf is en dus niet meer op haar wacht en alleen nog maar kan wachten op zichzelf. Aan de andere kant zegt hij dat hij liever op die trap blijft zitten wachten op haar.

Ja, soms zijn we de liefde zelf en soms wachten we op haar. Twee zijns-vormen die elkaar afwisselen. Voorlopig wacht Grunberg met een ondoorgrondelijke hartstocht en daar kunnen zijn lezers van genieten. En ja, zowel het ‘zelf moeder worden’ als het ‘op moeder wachten’ zullen met zowel pijn als liefde gepaard gaan.

Wat die ‘werkelijke of vermeende onhandelbaarheid’ van Grunberg als kind geweest is kan hij misschien ooit nog eens toelichten. Misschien komt dan de relatie met zijn vader nog aan bod… daar ben ik wel benieuwd naar. Of misschien komt dan de relatie tussen zijn ouders aan bod. Tot tweemaal toe hebben psychiaters tegen hem gezegd dat er met hem zelf ‘niets aan de hand’ was… dan was er misschien iets met zijn ouders aan de hand. Misschien komt ooit nog duidelijker aan bod hoe het trauma uit de Tweede Wereldoorlog een rol speelde in die ‘werkelijke of vermeende onhandelbaarheid’. Het trauma begonnen bij de glimlachende moordenaar.

Ja, pijn en liefde zijn met elkaar verbonden. Helemaal eens. Maar wij mensen zijn ook verbonden. Je kunt samen zoeken om pijn en verdriet een plaats te geven door te verbinden. Dat kan heel mooi zijn. Ergens daar is ook de liefde te vinden. Hierover sprak onlangs de psychiater Dirk de Wachter. Zie mijn blog: De verdriet-dokter over de liefde.

Afscheid nemen vind ik persoonlijk niet zo gemakkelijk. Daarom intrigeerde het essay van Grunberg mij en wilde ik het delen.


NB. Als systeemtherapeut denk ik over het algemeen dat er meer ‘aan de hand is’ met een (gezins-)systeem dan met het individu zelf.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychologie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie - Rouwen, Systeemtherapie

Verdriet-dokter over de liefde

In het radioprogramma: ‘De kennis van nu’, werd op zondagavond 13-12-2015 de Belgische psychiater Dirk De Wachter geïnterviewd door Coen Verbraak. Ik heb al eerder over De Wachter geschreven op dit weblog maar het is met liefde dat ik opnieuw een bericht over hem maak. Het was opnieuw plezant om naar hem te luisteren.

Het leuke was ook de nieuwsgierigheid van de interviewer. Een paar keer vroeg hij: Hoe doet u dat dan … mensen helpen? Af en toe kregen we een kijkje in de keuken van De Wachter. De spiegel in zijn hand en het doen ondervinden, het doen ervaren van het zelf-helend vermogen van de mensen zijn belangrijke middelen. De zoektocht naar de verbinding speelt door alle gesprekken heen een rol.

Ik geniet van zijn taalgebruik en ik vermoed dat hij soms woorden zelf verzint. Een zo’n Vlaams woord is paniekéren. De klemtoon ligt op ‘keren’. We moeten niet paniekéren bij de terrorisme-dreiging. Hij gaat gewoon zoals elk jaar naar Parijs om Oud en Nieuw te vieren. En het is maar goed dat de metro in Parijs weer vol met mensen zit.

Er zijn altijd al vluchtelingenstromen geweest maar volgens De Wachter gaan we door de technologische ontwikkelingen naar een andere wereld en zullen vluchtelingen gemakkelijker en van verder komen en zij zullen vreemdere gewoontes meenemen. Maar we moeten ook hier niet over paniekéren; het stelt ons voor uitdagingen.


Het woord verdriet-dokter is verzonnen door zijn 6 jarige dochter die destijds het woord psychiater nog niet uitspreken kon maar het is een passend woord want verdriet is de motor van elk gesprek in zijn werkkamer, in zijn kabinet.

Er valt tegenwoordig in de psychiatrie veel geld te verdienen en De Wachter heeft niet te klagen over gebrek aan werk. Maar hij zou willen dat het zelf-helend vermogen van mensen groeide. Zodat zij niet naar de psychiater toe hoefden.

Er wordt vrolijk getaterd (ook zo’n leuk woord: tateren) op Facebook. Verdriet past daar niet in. En nu is verdriet een ziekte geworden. Maar er is niets mis met verdriet. Het is juist deftig als je ongelukkig kunt zijn.

Verbindingen worden vaak door verdriet geïnitieerd. Ware vriendschap is vaak gebaseerd op moeilijkheden waar men samen doorheen gaat.


De Wachter schreef eerst het boek Borderline Times waarin hij als systeemtherapeut de maatschappij ‘op de bank’ legde. Hij beschreef de onvoorspelbaarheid, de leegte, de zinloosheid van de maatschappij en de relaties die niet lukken. Er zijn veel verzuurde mensen terwijl we het beter hebben dan ooit. Er is veel ledigheid onder de leukigheid in onze maatschappij.

Hij ziet als psychiater zowel zeer ernstige, chronische patiënten die zijn opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis, als succesvolle mensen thuis in zijn eigen kabinet. Maar allen hebben dezelfde vraag: Hoe moet ik leven?  Het gaat altijd om existentieel zoekende mensen.

Hij is geen pastoor en vertelt de mensen niet hoe zij moeten leven maar hij heeft een spiegel in zijn hand. Hij laat mensen geduldig en respectvol in de spiegel kijken en dit kijken brengt inzichten voort.

Geluk hangt voor het overgrote deel af van ‘chance’, van het lot, van toevalligheden. Maar geluk is ook een klein beetje maakbaar. Je kunt op het pad van de noodlottigheid aan de zonnige of aan de schaduwkant lopen. We kunnen leren om een beetje op een andere manier ongelukkig te zijn. We kunnen samen zoeken om het verdriet een plaats te geven door te verbinden, door het samen mee te maken. Dat kan heel mooi zijn.

De Wachter had voordat dit interview plaatsvond op deze zondagmiddag het verzorgingstehuis bezocht waar zijn oude vader kort geleden was opgenomen. Hij was er met zijn vrouw en broer heen geweest. Ze hadden samen kunnen spreken over het verdrietige hiervan. Dat werkte verbindend. De Wachter werkt als gezins- en relatietherapeut waarbinnen voortdurend gezocht wordt naar verbindingen.

Het is een kwestie van ‘chance’ dat wij hier geen oorlog hebben en ook is het een kwestie van ‘chance’ dat zijn ouders hem graag hadden toen hij geboren werd. “Dagelijks zie ik mensen die deze ‘chance’ niet kregen.”

Hij noemt zichzelf een romanticus maar hij zoekt de romantiek in het kleine. Hoe kleiner hoe belangrijker. Een kleine aanraking kan heel romantisch zijn en is gratis. Zijn tweede boek heet Liefde maar hij weet niet wat liefde is. Zodra we er een hand op leggen is het weg. Het is een hele troost dat het niet te weten is.

Hij is al 35 jaar samen met zijn vrouw. Hij heeft er weinig prestaties voor hoeven leveren: “Ons leven is een genade.  Allemaal ‘chance’.”

De Wachter heeft op zijn 39e een TIA gehad (een tijdelijke hapering van de bloeddoorstroming in de hersenen). Hij was half verlamd en kon niet meer spreken. Hij belde zijn vrouw (die huisarts is) maar kon niet spreken. Na ongeveer twee minuten stilte raadde zijn vrouw dat hij het was, noemde zijn naam en kon hij zo goed en zo kwaad als het ging een geluid voortbrengen en toen is er hulp gekomen.

Ze doen hier nu nuchter over, ook al bagatelliseren ze niet wat er toen gebeurde. Het is zo gegaan. De Wachter is dankbaar voor het bestaan.

Terecht kunnen bij elkaar, elkaar in de ogen zien, elkaar vastpakken… dat zouden we meer moeten doen. Niet via Facebook maar in levende lijve.

Seks en intimiteit horen er bij maar de duurzaamheid van een relatie is niet zo verbonden met stomende sex. Zonder seks kun je ook een bijzonder liefdevolle relatie hebben. En dan is het nog geen vriendschap. Maar natuurlijk zijn wij ook onze lijven. We kunnen elkaar vastpakken. Dat vastpakken wordt niet door de porno gepromoot.

Als je genoeg hebt aan vriendschap en een leuke baan, prima! Maar de partners die de psychiater bezoeken zijn vaak ongelukkig omdat zij de liefde niet hebben. Dan denkt hij met deze mensen na over wanneer de liefde is verdwenen, over hoe het leven is gelopen en hoe de liefde weer terug kan komen. In die gesprekken kunnen de mensen hun zelf-helende vermogen ondervinden. Vaak ondervinden ze dit als ze onderweg zijn naar huis.

Het interview werd onderbroken door een lied: ‘Heart with no companion’ van Leonard Cohen.

2 reacties

Opgeslagen onder Psychiatrie, Systeemtherapie