Categorie archief: Psychiatrie

“Iedereen heeft last van psychotische wanen”

Aan het woord is psychiater Jim van Os.

Een belangrijk artikel op de web site van Brainwash: Psychiater Jim van Os: Iedereen heeft last van psychotische wanen.

Er stonden voor mij nieuwe woorden in zoals: ‘zuchtigheid’, dit is het lijden aan een abnormale zucht naar zoiets als alcohol of gokken. En het woord: ‘psychotroop’: invloed hebbend op de geest.

Lees dit artikel of luister naar de podcast

Er kan iets veranderen ofwel, je kunt je psychose beïnvloeden, bij het aannemen van een nieuw meta perspectief. Dit is vaak iets wat een willekeurige ander over je zegt. Een ander perspectief dat jouw leven een wending geeeft, een ‘turning point’. Die ander is vaak niet de psychiater die louter vanuit het perspectief van een DSM classificatie spreekt en de daar aan gekoppelde medicatie uitdeelt. De DSM kan de prullenmand in. Hier een filmpje van Jim van Os over dit onderwerp.

En hier een filmpje van psychiater, systeemtherapeut Dirk de Wachter over psychoses. Hij kwam eerder al met ook zo’n mooi nieuw woord: ‘verdrietdokter’.

Advertenties

2 reacties

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychotherapie

Een gevoel van isolement

In een nieuwe bijdrage op De Correspondent van Nina Polak gaat ze samen met filosoof en psycholoog Bert van den Bergh op zoek naar een nieuwe taal rond het verschijnsel depressie. Van den Bergh promoveerde op een culturele geschiedenis van het denken hierover: ‘De schaduw van de zwarte hond. Depressie als symptoom van onze tijd’.

Zwarte hond is een metafoor voor depressie, bedacht door de Britse staatsman Winston Churchill. Matthew Johnstone, een Australisch auteur en illustrator herkent zichzelf terug in deze metafoor en maakte er een treffend stripverhaal over: “Black Dog. Leven met een depressie.” (Acco, 2011). En hier is een filmpje van gemaakt.

Hier volgt een korte versie van de bijdrage van Polak in de Correspondent.

Sociale pathologie

Van den Bergh vindt het belangrijkste kenmerk van depressie: een gevoel van isolement, niet terug in de lijst symptomen van de DSM. Isolement: Het gevoel dat je anderen niet kunt bereiken, dat je eenzaam, geïsoleerd en opgesloten bent in je ervaring.

‘Physically I was not alone, but I felt an immense and aching solitude’, zo schreef de Amerikaanse auteur William Styron in een van de beroemdste depressiedagboeken, Darkness Visible (1990).

Depressief zijn is een persoonlijke ervaring maar de taal waarin depressie besproken wordt is vaak medisch, mechanisch en heeft betrekking op symptomen en niet op de existentiële beleving.

‘Het is zaak’, zo schrijft Van den Bergh in zijn inleiding, ‘om de individuele aandoening te beschouwen als een sociale pathologie: een probleem met een collectieve voedingsbodem. Depressie is een schop tegen onze fundamenten. Het gaat over onze existentie.’

Hiermee schaart Van den Bergh zich bij vakgenoten als Paul Verhaeghe en Dirk De Wachter, die psychische ziekten beschouwen als sociale pathologie, te maken met de tijdgeest. Verhaeghe pleit in zijn laatste boek: ‘Intimiteit’, voor een biopsychosociale benadering waarbij lichaam en geest geen dualiteiten meet zijn. De Wachter heeft het over dè ziekte van deze tijd: het idee dat het leven vooral leuk moet zijn. Ook schaart Van den Bergh zich bij wetenschapsfilosoof Trudy Dehue wiens boek ‘De depressie-epidemie‘, veel invloed heeft gehad sinds het tien jaar geleden verscheen.

De bewering dat depressie een hersenziekte is, is misleidend

Overal zie je de aanname dat depressie een hersenziekte is terug. Van den Bergh haalt de psychiater Kraepelin, een tijdgenoot van Freud, er bij:

‘Als cabaretier Mike Boddé bij Jinek vertelt over zijn depressie herhaalt hij, gevraagd naar wat depressie is, bijna letterlijk wat Kraepelin al schreef in 1883: “Wat een depressie is, is heel moeilijk uit te leggen. Dat weten ze ook nog niet precies. We weten inmiddels dat het waarschijnlijk een hersenziekte is.”

Ook de Hersenstichting herhaalt dit vaak. Depressie is een hersenziekte, je kunt er niks aan doen, horen we een jonge depressieve vrouw zeggen in een recent spotje.

Van den Bergh wil de ervaring van mensen die zich doodziek voelen in hun depressie niet bagatelliseren. Het kan een opluchting zijn om te horen dat je ziek bent. Toch is de bewering dat depressie een hersenziekte is, gezien de huidige stand van onze kennis, misleidend. Het een hersenziekte noemen, is een van vele manieren om de aandoening in een biologisch kader te plaatsen en te suggereren dat de wetenschap op een dag een definitieve, lichamelijke oorzaak zal vinden.

Deze manier van denken is volgens Van den Bergh extra dominant geworden door de ‘DSM-revolutie’. Met het diagnostisch handboek van de psychiatrie, de Diagnostical and Statistical Manual of Mental Disorders, die vanaf de jaren tachtig steeds meer toonaangevend werd, deed het medisch-diagnostisch model van psychische ziekten definitief zijn intrede. De medische benadering ontneemt ons het zicht op de betekenis van de individuele ervaring.

De DSM omschrijft depressie aan de hand van negen symptomen, waaronder ‘somberheid’ en ‘verlies van interesse in bijna alle activiteiten’. Isolementsgevoelens zijn niet geclassificeerd als kernsymptoom, maar als bijverschijnsel. Terwijl uit autobiografische verslagen van depressieve personen blijkt dat verstoorde interpersoonlijke relaties een wezenlijk deel uitmaken van depressies, en er niet alleen een gevolg van zijn.

Van den Bergh denkt dat je dat gevoel van isolement het beste ‘fenomenologisch’ kunt benaderen, dat wil zeggen: kijkend naar de inhoud van de ervaring. En daar helpt de huidige psychiatrische praktijk vaak niet bij.

‘Depressie is formeel weliswaar gecategoriseerd als een stoornis van het gevoelsleven’, zegt hij, maar dat zie je niet terug in de omgang ermee. ‘Waarschijnlijk de meest toegepaste behandeling naast antidepressiva is paradoxaal genoeg cognitieve gedragstherapie, die ingaat op je gedachten.’

Van den Bergh: ‘Of je nu zegt “het is een hersenaandoening, waarvoor je medicatie moet nemen”, of “het is een cognitief probleem van negatieve gedachten, die je kunt ombuigen”; allebei leidt het tot symptoombestrijding, dweilen met de kraan open. Je adresseert niet de diepe ontstemdheid die depressie is.’ Die ontstemdheid tekent onze hedendaagse cultuur.

Wees alleen, wees een winnaar

Hoe cultuur depressie kan voortbrengen, leggen alle critici aan wie Van den Bergh verwant is, op een eigen manier uit. Voor Dehue is depressie de keerzijde van hedendaagse deugden als zelfverwerkelijking en de plicht het lot in eigen handen te nemen. Verhaeghe brengt het in verband met het maakbaarheidsideaal. De Britse Johann Hari noemt depressie een kwestie van verbroken sociale verbindingen.

Voor Van den Bergh heeft het te maken met wat we tegenwoordig zien als het ‘goede leven’, in feite een set etiketten en gedragsnormen die voorschrijven hoe je een succesvol mens moet zijn. De druk van die eisen voelt bijna iedereen – ze maken ons rijp voor depressie.

Wat dat ‘goede leven’ namelijk in ons opwekt laat zich in één woord samenvatten als isolisme – een giftig mengsel van egoïsme en hedonisme.

Je ziet de kern van dat isolisme bijvoorbeeld goed terug in de alomtegenwoordigheid van talentenshows, aldus Van den Bergh, die ook bij de jongste kinderen heel populair zijn. ‘Wat is de boodschap die de kijker aan talentenshows kan ontlenen?’ vraagt hij. ‘Schitter en geniet, ook van je medekandidaten, maar zorg dat ze verdwijnen.’

‘Wees succesvol, wees alleen en wees een winnaar’, kortom.

Van den Bergh: ‘Het is niet voor niets dat de persoon die troont in het hart van onze ultraliberale cultuur zo’n boodschap belichaamt. Donald Trump werd bekend door zijn talentenshow The Apprentice. We worden tegenwoordig allemaal aangesproken als aspiranten en worden geacht ontvankelijk te zijn voor die boodschap.’

‘Depressie is het isolisme dat pijn begint te doen’, zegt Van den Bergh. ‘Het is de erfenis van de jaren zestig en zeventig, en van de jaren tachtig en negentig. De zelfbevrijding van die eerste epoche en de marktbevrijding van het tweede klikten soepel in elkaar. En hier zijn we: een legioen isolisten die massaal last hebben van depressie.’

Van den Bergh haalt Jan Cremer aan, in plat Amsterdams: ‘Je komt alleen, je bent alleen en je gáát alleen. En als je dát maar doorhebt, dan heb je een geweldige tijd.’

‘Dat is onze hedendaagse opdracht’, zegt hij, ‘en die opdracht maakt ons depressief. Het staat haaks op het wezen van de mens. Wat is een mens? “Het niet-vastgestelde dier”, zei Friedrich Wilhelm Nietzsche (1844-1900) De mens is een afstemmingswezen. De mens wordt getypeerd door een fundamentele openheid ten aanzien van de wereld en moet zich aanhoudend afstemmen op anderen en op zichzelf.

‘Wat we een stemmingsstoornis noemen, is dus eigenlijk een afstemmingsstoornis.’

‘Dat afstemmen vraagt namelijk tijd en ruimte die we niet krijgen en nemen in deze hyperdynamische en ultra-individualistische wereld. Onze verhouding tot de wereld is vluchtig en instrumenteel. De depressie-epidemie vraagt om een elementaire en massale herstemming, om herstel van onze ontvankelijkheid en betrokkenheid, op allerlei fronten, op allerlei niveaus, op allerlei manieren.’

‘Anders zal de war on depression nooit ophouden.’

Depressie is een probleem van iedereen

Want door de aandoening massaal te duiden als een hersenziekte, stelt Van den Bergh, brengen we tot zwijgen wat depressie ons wil vertellen. ‘We verweren ons tegen ons eigen verweer.’

Neem Laura van Kaam, zegt hij, die in 2013 The Voice Kids won. ‘In 2016 deelt ze op Facebook dat ze zwaar depressief is. Niet veel later verschijnt ze weer op het podium, maar daarop volgt een suïcidepoging.’

‘Laura zat nog op school toen ze de talentenshow won. In een talkshow legt ze later uit dat ze daarvoor al op een hoog niveau paard reed. Ze zei: we zijn allemaal enorm ambitieus bij ons thuis – niet omdat het móét maar omdat we zo zijn.’

‘Je hoort haar tussen de regels door zeggen dat de prestatiedruk haar te veel is’, aldus Van den Bergh, ‘maar ze zegt het nét niet. Iemand concludeerde in een krantenartikel dat dit soort bekentenissen van bekende mensen zinnig zijn, omdat zo voor iedereen duidelijk wordt dat je depressief kunt zijn en toch op een podium kunt staan. Dat lijkt me nu echt precies de verkeerde conclusie!’

The show must go on, is de boodschap. Wees een winnaar, wees alleen.’ Terwijl de symptomen van je depressie – somberheid, slapeloosheid, schuldgevoel – eigenlijk een waarschuwing zijn: ‘Misschien moet je die show wat veranderen.’

Van Kaam flirt met een maatschappelijke duiding van haar depressie (prestatiedruk) maar uiteindelijk concludeert ze dat ze lijdt aan een individuele ziekte, die genezen moet worden. Juist dat is volgens Van den Bergh zo pijnlijk aan de moderne omgang met depressie.

Want hoewel de ervaring hoogst individueel is, zou het probleem dat niet moeten zijn. Van den Bergh: ‘Er bestaan culturen waarin emotie veel meer als een groepsding gezien wordt.’

Polak vraagt: ‘Maar is het niet ook gewoon veel overzichtelijker voor iemand die lijdt om te zeggen dat het een ziekte is waarvan je zelf kunt genezen? Wat heeft een depressief persoon aan het ingewikkelde boek van Van den Berg, behalve een hoop verwarring? Polak lijkt enige moeite te hebben met de verscheidenheid aan culturele verklaringen die voor depressie worden gegeven.

Van den Bergh geeft een verstandig antwoord: ‘Iets wat ingewikkeld is, moet je niet willen versimpelen. We moeten de complexiteit van het fenomeen depressie aandurven. Het kan troostrijk zijn en je minder eenzaam maken als je je realiseert dat dit complexe probleem iets is wat we delen. En dat het daarmee niet je eigen schuld is. De vervreemding speelt zich alom af en aldoor, iedereen kan daaraan relateren. We zullen ons met z’n allen moeten herschikken.’

Van onderlinge strijd naar solidariteit

‘Gelukkig hebben we een cultuur waarin je die mogelijkheden tot herschikking kunt verkennen’, meent de auteur. ‘Er zijn allerlei manieren waarop je op zoek kunt gaan naar meer verbinding en afstemming.’

De Duitse socioloog Hartmut Rosa, wiens werk van groot belang is voor Van den Bergh, hoopt bijvoorbeeld dat het basisinkomen kan helpen bij het omzetten van de existentiële grondmodus van onze cultuur, van onderlinge strijd naar solidariteit, zodat de diepe angst voor de sociale dood verdwijnt.

Van den Bergh: ’Zulk optimisme hoor ik ook in de verhalen van collega’s als Dehue, Verhaeghe en Johann Hari. Hoewel er geen simpele oplossing bestaat, wijzen ze allemaal in de richting van nieuwe vormen van collectiviteit als tegenwicht voor het dominante ultraliberalisme.’ Zo noemt hij het werk van de Vlaamse historica Tine De Moor, die spreekt van een ‘derde collectieven revolutie’.

Sinds Dehues boek, meent Van den Bergh, beginnen er steeds meer scheuren te ontstaan in het vertrouwen in het ‘DSM-regime’ en de visie op psychisch leed die daarbij hoort. ‘Op allerlei fronten in de geestelijke gezondheidszorg klinken tegengeluiden, waarbij meer aandacht komt voor het unieke verhaal en de individuele ervaring van mensen die lijden.’

Hij haalt hoogleraar Innovatie in de GGZ Floor Scheepers aan, die aan de Universiteit Utrecht onderzoek doet met ervaringsdeskundigen en net als veel collega’s pleit voor het afschaffen van de DSM labels.

Het zijn beginnetjes in het ontwikkelen van een nieuwe taal om over psychisch leed te praten. Een taal waarbinnen de ervaring meer ruimte heeft en het woord ‘diagnose’ een andere betekenis krijgt of wellicht helemaal verdwijnt.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychiatrie, Psychotherapie

Mooi interview met Dirk de Wachter

Te lezen op de website van Brainwash.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychologie

Bedriegerssyndroom

In het Engels wordt dit het ‘Imposter syndrome’ genoemd en het klinkt alsof het uit de DSM (handleiding voor diagnostiek in de psychiatrie) komt. Het valt echter niet onder de psychiatrische stoornissen.

De term werd geïntroduceerd door psychologen om mensen te beschrijven die niet in staat zijn om hun prestaties te internaliseren. Ondanks bewezen vaardigheden blijven mensen met dit syndroom ervan overtuigd dat ze bedriegers zijn en hun succes niet verdienen. De grote meerderheid van ons – tot 70 procent zelfs – wordt af en toe overvallen door het gevoel een bedrieger te zijn.

Hieronder een artikel in De Standaard van Ellen Meulemans van 17 augustus jl., die verschillende mensen vraagt of zij aan het oplichters- of bedriegerssyndroom lijden.

Psychiater Dirk de Wachter had een leuke reactie op deze vraag. Hij pleit voor meer ‘imposter syndrome’.

‘Soms denk ik: laat me met rust, alsjeblieft. Ik weet het ook allemaal niet’

‘Ik vind zelf dat ik regelmatig over het paard getild word. Er worden mij gedachten toegedicht die ik niet heb, en goeroe-achtige eigenschappen toebedeeld die ik niet wil opnemen. Ik heb ook geen antwoord op alle maatschappelijke vragen. Bij mij speelt imposter syndrome dus ook een rol, maar ik vind eigenlijk dat veel succesvolle mensen het best wat meer impostergevoelens zouden mogen hebben. Dat is vaak een blijk van gezonde zelfkritiek. Er bestaat wel een gevaar dat we zouden vervallen van een pretentieuze positie in een slachtofferrol: “Ik kan niks, ik ben niets.” Dat is al even hooghartig, een soort omgekeerd narcisme. Er moet altijd nuance zijn.’

Ervaart u uw succes in de academische wereld anders dan in de media?

‘Dat zijn totaal andere werelden. Aan de universiteit en in het ziekenhuis ben ik maar een kleine garnaal, in de media word ik opgevoerd als een opiniemaker. Ik moet daar bescheiden over spreken, want dat is veel gebakken lucht. Ik stel hier en daar een vraag, en af en toe zijn die vragen relevant. Maar ze hebben grote impact, dat moet ik ook niet ontkennen.’

‘Het zou vals bescheiden zijn om te zeggen dat wat ik doe totaal onbelangrijk en volkomen belachelijk is, maar veel van wat ik zeg is ook maar heel gewoon. Onlangs zei ik in Nederland dat het belangrijk is voor een maatschappij dat ouders goed voor hun kinderen zorgen. Dat werd overal verspreid als een ongelooflijk intellectueel inzicht. Moet je daar dan zo lang voor gestudeerd hebben, vroeg mijn vrouw zich af. Maar goed, blijkbaar moest iemand dat eens zeggen. Mijn gedachtegoed raakt blijkbaar een gevoelige snaar.’

‘Tegelijk verwachten mensen van mij ook de oplossing. “Je zegt dat er iets mis is met de wereld, nu moet je ook zeggen wat we daaraan kunnen doen.” Ik moet altijd herhalen dat ik een psychiater ben, en een psychiater brengt geen oplossingen aan. Ik maak een kader waarin mensen zelf over oplossingen kunnen nadenken. Het doel is om in dialoog nieuwe inzichten te creëren, zowel met mijn patiënten als in de maatschappij.’

Als iedereen zijn kwetsbaarheden en twijfels zou toegeven, zouden we allemaal een stuk beter in ons vel zitten.’

‘Dat is ook wat ik overal verkondig. Niet in een emocultuur – in tranen, op tv, voor een miljoen kijkers. Maar ik pleit ervoor om het aan mensen die je vertrouwt toe te geven als je het even niet meer weet, als het lastig gaat, als je het moeilijk hebt. Om de schijn van gelukzaligheid niet hoog te blijven houden, tegen beter weten in. Om geen feestfoto’s te delen op Facebook terwijl je in je bed ligt te huilen. Dan kun je uiteindelijk alleen nog maar eerlijk zijn tegen je psychiater, tegen betaling dan nog. Over kwetsbaarheid spreken werkt verbindend.’

Toch is dat in grote mate taboe.

‘Wat mensen tegen mij vertellen, in de duisternis van mijn praktijk, dat wil ik aan de wereld vertellen. Als mensen mij zeggen dat ze zo eenzaam zijn, dat ze niemand hebben, dan wil ik aan de wereld duidelijk maken dat dat veel voorkomt. Iedereen is beschaamd daarover te spreken. Ik wil, als advocaat van die mensen, spreken over wat ik in mijn praktijk hoor, en zeggen dat dat van belang is.’

‘Ik word zelf ook overrompeld. Soms denk ik: laat me met rust, alsjeblieft. Ik weet het ook allemaal niet. Wat vragen ze mij toch allemaal? Ik heb het soms ook moeilijk met kritiek, omdat ik er snel van uitga dat kritiek terecht is. Ik vertrek als psychiater dan ook steeds van het standpunt van de ander. Als ik een giftige mail krijg, dan schrik ik een beetje. Maar ik vraag me ook af waar die reactie vandaan komt, wat die mens heeft meegemaakt.’

U zegt dat de invloed van geluk niet te onderschatten is.

‘De maakbaarheid van succes is een illusie. Ik pleit voor gewonigheid. Je mag fier zijn op de dingen die je gerealiseerd hebt met hard werken, talent, creativiteit en studie. Wees maar fier, want je succes is zeker te danken aan dingen die je zelf gedaan hebt. Maar weet ook dat er veel geluk en toeval bij komt kijken. It was half my fault, and half the atmosphere. Dat is zo bij mislukking, maar ook bij succes.’

‘Als je veel gerealiseerd hebt, zorg er dan voor dat je met beide voetjes op de grond blijft. Soms ontmoet ik in mijn praktijk heel succesvolle mensen die heel kwetsbaar zijn. Succes heeft vaak een heel hoge prijs. Ik zie mensen die heel eenzaam zijn en bijvoorbeeld hun gezinsleven compleet ontmanteld hebben. Die staan dan zogezegd succesvol in de schijnwerpers, maar ze zijn helemaal verlaten. Dat is een karikatuur, maar ze bestaat wel.’

Is kwetsbaarheid tonen moeilijker voor vrouwen of voor mannen?

‘Imposter syndrome werd ontwikkeld als theorie over vrouwen, die zich vaker zouden wegcijferen, terwijl mannen zich zomaar overal staan te profileren. Dat is later ontkracht en de theorie werd sterk verbreed. Het is ook heel subjectief en dus moeilijk te onderzoeken.’

‘Je zou kunnen zeggen dat vrouwen vanuit een cultuurhistorische achtergrond, en misschien ook wel biologisch, makkelijker toegang hebben tot kwetsbaarheid. Maar we zien ook dat vrouwen in topfuncties net afgerekend worden als ze die kwetsbaarheid tonen. Een vrouw die huilt op een vergadering: dat is fin de carrière. Een man die huilt op een vergadering wordt meteen opgehemeld. We hebben hem nodig! Oh zo kwetsbaar!’

‘Tegelijk zie ik hoe sommige mannen, vanuit de klassieke machogedachte, niet in staat lijken te zijn om enige kwetsbaarheid te tonen. Het is heel dubbel.’

U zei dat succesvolle mensen best wat meer imposter syndrome mogen hebben.

‘Ik pleit voor meer imposter syndrome. Uiteraard bedoel ik niet dat mensen zich slecht moeten voelen en moeten denken dat ze niets kunnen. Maar ik pleit voor twijfel. Je moet jezelf af en toe een spiegel voorhouden en zeggen: komaan jong, je bent toch ook maar een klein ventje. Doe maar gewoon.’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychologie

Ecologie is overal

‘Het gevoel dat er iets in jou zit, dat jij niet bent’. Dit is Freuds definitie van een depressie lees ik in een artikel van de filosoof Tomothy Morton die weet wat het is om depressief te zijn. Hij weet ook hoe het is om boos te zijn. Hij wil zich er mee verbinden.

In de manier waarop hij met zijn depressie en boosheid heeft leren omgaan ziet hij een manier van hoe we kunnen omgaan met het ecosysteem:

‘Wat is erop tegen om boos te zijn?’, vroeg de psychoanalyticus aan me. Zo had ik het nog nooit bekeken. Ik kwam de woede te boven, niet door het weg te werken, maar door het een plek te geven in een veel breder muziekstuk van menselijke emotie. Je valt niet samen met de woede, weet ik nu. Ik kan die woede daardoor toestaan en wie weet komt er nog iets moois uit. Ik denk dat de manier waarop we met depressie omgaan, leerzaam kan zijn voor de manier waarop we onszelf als ecologische wezens gedragen.’

Niet samenvallen met je woede kun je toepassen op je depressie, op je somberheid. Niet er mee samenvallen ofwel je er niet mee identificeren, het ook niet willen wegwerken maar het waarnemen, het bekijken. Het buiten jezelf plaatsen, het boze en sombere kunnen externaliseren.

Moet iedereen naar de eco-psycholoog om zichzelf en het ecosysteem gezond te maken? Het kan simpeler. Het enige dat we hoeven te doen is ons bewust te worden van de verbinding tussen onszelf en het systeem. Morton:

Stel jezelf voor, buiten een disco. Die disco is de biosfeer. Eigenlijk ben je nog steeds binnen, in die disco, maar op de een of manier heb je jezelf verleid te denken dat je buiten staat. De disco gaat door, vierentwintig uur per dag, zo’n disco is het. Onthoud dat je de disco nooit echt verlaten hebt, je hebt alleen het idee dat dat zo is. Je hoeft niets bijzonders te doen om die verbintenis weer te voelen. Die is er nog steeds, anders zou je allang dood zijn geweest. Ecologie is overal.

De Franse filosoof en socioloog Bruno Latour komt tot eenzelfde conclusie:  “We kunnen niets of niemand meer op afstand plaatsen. De dingen niet, de wereld niet, de natuur niet.” Alles en iedereen is met elkaar verbonden.

In het artikel: Hoe onze beschaving mensen ziek maakt, legt Morton uit dat andere wezens een deel van ons zijn en dat wij ons niet af kunnen scheiden van het ecosysteem dat naar de knoppen gaat. Morton geeft in het artikel ook een mooie definitie van het begrip: ‘gaslighting’ een vorm van manipulatie vanuit een narcistische afweer. Op dit weblog een eerder bericht hierover: De waarheid van Trump. Laat je niet ziek(er) maken!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychiatrie, Psychologie en klimaat, Psychotherapie, Systeemtherapie

Maak ruimte voor je verdriet

KIJK EN LUISTER: ROAD TO NOWHERE

Deze video vond ik bij een artikel uit Brainwash: Psychiater Dirk de Wachter: Maak ruimte voor je verdriet.

Hier heb ik niets aan toe te voegen. Bezoekers van mijn blog weten allang dat de Wachter mijn favoriete psychiater is. Hij is net als ik een systeemdenker. Fijn dat hij zegt dat hij een onnozelaar is tussen de onnozelaars, dat hij ook zoekend is. Zo voel ik dat ook.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychiatrie, Systeemtherapie

Het idee dat het leven vooral leuk moet zijn, is dè ziekte van deze tijd

Het is dé ziekte van deze tijd, zegt psychiater Dirk de Wachter in zijn Brainwash Talk. Het idee dat ons leven vooral leuk moet zijn. En dat terwijl juist tegenslag ons zoveel kan brengen.

Hier kun je deze toespraak van 19 november 2017 zien: https://www.brainwash.nl/bijdrage/het-idee-dat-het-leven-vooral-leuk-moet-zijn-is-de-ziekte-van-deze-tijd , maar hieronder is hij te lezen.

Psychiater zijn, het leek me wel een leuk beroep. Rustig aan: boekje lezen, patiënten spreken. Maar het is onvoorstelbaar hoeveel mensen mij komen opzoeken. Ik krijg het werk niet gedaan. En mijn collega’s ook niet; er zijn overal wachtlijsten.

Wat is er aan de hand in dit leven, dat ogenschijnlijk zo goed is? Waarom wil iedereen naar de psychiater? We hebben geen grote hongersnood, geen epidemieën waar hele bevolkingsgroepen aan sterven en materieel hebben we het in onze geschiedenis nog nooit zo goed gehad als nu. Waarom zijn we dan zo erg in nood? Waarom zijn we zo vermoeid, nemen we zoveel pillen en heeft iedereen een diagnose?

We zijn te geobsedeerd met geluk. We zijn te zeer bezig met gelukkig zijn. We willen dat alles leuk, leuk, leuk is. En dat lijkt me een vergissing. We moeten in dit aardse leven aanvaarden dat het af en toe een klein beetje lastig kan zijn. Een klein beetje, liefst niet te veel. Maar we hebben het moeilijk met de kleine lastigheden van het gewone leven. We lijken niet te kunnen accepteren dat het dagelijkse leven af en toe een klein beetje gewoon en een klein beetje verdrietig is.

Voorheen konden we uitkijken naar een hemel na dit leven, waar het leven goed zou zijn. Deze hemel is afgeschaft, dat paste niet meer in de begroting. Nu willen wij zonodig de hemel hier. Met onze westerse hoogmoed denken we ook dat we deze hemel kunnen maken, produceren of zelfs kunnen kopen. Dat lijkt me een meritocratische vergissing: dat we dat kunnen grijpen. En dit streven naar een onmogelijke regen van geluk zorgt voor veel miserie, depressie en vermoeidheid.

Meestal hebben we nog niet voldoende aan het gewone geluk, maar we willen zonodig fantastisch gelukkig zijn. De meeste mensen willen dat alles ongelofelijk is. Niet zomaar een beetje content, maar fantastisch. Na het weekend kom je op je werk en men vraagt wat je gedaan hebt. ‘Oh gewoon, een beetje thuis geweest.’ Dan is de reactie: ‘gaat het wel, ben je ziek?’ We moeten verre reizen maken. Heel ver, zo ver: maar als je op de aardbol maar ver genoeg gaat, dan kom je gewoon weer terug bij je huis uit.

Dirk de Wachter tijdens de Brainwash Talk Foto: Anna van Kooij.

Hoe kunnen we rustig aan doen, gewoon doen? Ik pleit voor gewonigheid en het plezier daarin te vinden. Ik pleit niet voor ongelukkigheid an sich, maar voor geluk vinden in het gewone. We willen altijd party time, foto’s van verre reizen, en multiple orgasms. Zeer vermoeiend. Hoe kunnen we de lastigheid van het leven een plaats geven?

Ik denk dat de lastigheden van het leven aanleiding geven tot de liefde. De liefde verschijnt niet in de fantastische kant van het leven. Niet als iedereen zich geweldig voelt en bonussen binnenharkt. Want juist als het leven een beetje moeilijk wordt, heeft het menselijke dier nood aan een ander. Dan hebben we nood aan hechting, streling, de blik van de ander en samenzijn met de ander. Dat komt vooral als het moeilijk is. Dan overstijgt de ongelukkigheid zich en het verandert zich paradoxaal in verbondenheid. Liefdevolheid ontstaat in het menselijk tekort. Het verdriet, dat we liever niet willen en niet zo leuk vinden, dat geeft aanleiding tot de liefde.

En wat is nu het probleem van onze maatschappij? Dat verdriet moet altijd worden weggemoffeld in de duisternis; onze lastigheid, onze moeilijkheid, onze kwetsbaarheid en ons tekort wordt weggeduwd in de duisternis. We kunnen daarvoor niet terecht bij onze vrienden en onze geliefden, want we willen altijd stoer en leuk en sterk zijn. En dus gaan we ons afsluiten en inbunkeren voor de liefdevolheid.

Onze maatschappij lijkt door te schieten in ‘ikkigheid’, in een overgewaardeerd denken van autonomie, van ‘ik kan het helemaal alleen’. Het ontstaan van het individu, wat een goede zaak is, is begonnen in de Verlichting. Maar dat is gekanteld naar een teveel aan helemaal alleen alles presteren. Ik pleit ervoor om meer kwetsbaarheid, gevoeligheid en de kleine verdrietigheden met elkaar te delen. Zodat mensen een beetje elkaars psychiater kunnen zijn.

5 reacties

Opgeslagen onder Filosofie, Psychiatrie, Psychologie