Categorie archief: Psychiatrie

Mooi interview met Dirk de Wachter

Te lezen op de website van Brainwash.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychologie

Bedriegerssyndroom

In het Engels wordt dit het ‘Imposter syndrome’ genoemd en het klinkt alsof het uit de DSM (handleiding voor diagnostiek in de psychiatrie) komt. Het valt echter niet onder de psychiatrische stoornissen.

De term werd geïntroduceerd door psychologen om mensen te beschrijven die niet in staat zijn om hun prestaties te internaliseren. Ondanks bewezen vaardigheden blijven mensen met dit syndroom ervan overtuigd dat ze bedriegers zijn en hun succes niet verdienen. De grote meerderheid van ons – tot 70 procent zelfs – wordt af en toe overvallen door het gevoel een bedrieger te zijn.

Hieronder een artikel in De Standaard van Ellen Meulemans van 17 augustus jl., die verschillende mensen vraagt of zij aan het oplichters- of bedriegerssyndroom lijden.

Psychiater Dirk de Wachter had een leuke reactie op deze vraag. Hij pleit voor meer ‘imposter syndrome’.

‘Soms denk ik: laat me met rust, alsjeblieft. Ik weet het ook allemaal niet’

‘Ik vind zelf dat ik regelmatig over het paard getild word. Er worden mij gedachten toegedicht die ik niet heb, en goeroe-achtige eigenschappen toebedeeld die ik niet wil opnemen. Ik heb ook geen antwoord op alle maatschappelijke vragen. Bij mij speelt imposter syndrome dus ook een rol, maar ik vind eigenlijk dat veel succesvolle mensen het best wat meer impostergevoelens zouden mogen hebben. Dat is vaak een blijk van gezonde zelfkritiek. Er bestaat wel een gevaar dat we zouden vervallen van een pretentieuze positie in een slachtofferrol: “Ik kan niks, ik ben niets.” Dat is al even hooghartig, een soort omgekeerd narcisme. Er moet altijd nuance zijn.’

Ervaart u uw succes in de academische wereld anders dan in de media?

‘Dat zijn totaal andere werelden. Aan de universiteit en in het ziekenhuis ben ik maar een kleine garnaal, in de media word ik opgevoerd als een opiniemaker. Ik moet daar bescheiden over spreken, want dat is veel gebakken lucht. Ik stel hier en daar een vraag, en af en toe zijn die vragen relevant. Maar ze hebben grote impact, dat moet ik ook niet ontkennen.’

‘Het zou vals bescheiden zijn om te zeggen dat wat ik doe totaal onbelangrijk en volkomen belachelijk is, maar veel van wat ik zeg is ook maar heel gewoon. Onlangs zei ik in Nederland dat het belangrijk is voor een maatschappij dat ouders goed voor hun kinderen zorgen. Dat werd overal verspreid als een ongelooflijk intellectueel inzicht. Moet je daar dan zo lang voor gestudeerd hebben, vroeg mijn vrouw zich af. Maar goed, blijkbaar moest iemand dat eens zeggen. Mijn gedachtegoed raakt blijkbaar een gevoelige snaar.’

‘Tegelijk verwachten mensen van mij ook de oplossing. “Je zegt dat er iets mis is met de wereld, nu moet je ook zeggen wat we daaraan kunnen doen.” Ik moet altijd herhalen dat ik een psychiater ben, en een psychiater brengt geen oplossingen aan. Ik maak een kader waarin mensen zelf over oplossingen kunnen nadenken. Het doel is om in dialoog nieuwe inzichten te creëren, zowel met mijn patiënten als in de maatschappij.’

Als iedereen zijn kwetsbaarheden en twijfels zou toegeven, zouden we allemaal een stuk beter in ons vel zitten.’

‘Dat is ook wat ik overal verkondig. Niet in een emocultuur – in tranen, op tv, voor een miljoen kijkers. Maar ik pleit ervoor om het aan mensen die je vertrouwt toe te geven als je het even niet meer weet, als het lastig gaat, als je het moeilijk hebt. Om de schijn van gelukzaligheid niet hoog te blijven houden, tegen beter weten in. Om geen feestfoto’s te delen op Facebook terwijl je in je bed ligt te huilen. Dan kun je uiteindelijk alleen nog maar eerlijk zijn tegen je psychiater, tegen betaling dan nog. Over kwetsbaarheid spreken werkt verbindend.’

Toch is dat in grote mate taboe.

‘Wat mensen tegen mij vertellen, in de duisternis van mijn praktijk, dat wil ik aan de wereld vertellen. Als mensen mij zeggen dat ze zo eenzaam zijn, dat ze niemand hebben, dan wil ik aan de wereld duidelijk maken dat dat veel voorkomt. Iedereen is beschaamd daarover te spreken. Ik wil, als advocaat van die mensen, spreken over wat ik in mijn praktijk hoor, en zeggen dat dat van belang is.’

‘Ik word zelf ook overrompeld. Soms denk ik: laat me met rust, alsjeblieft. Ik weet het ook allemaal niet. Wat vragen ze mij toch allemaal? Ik heb het soms ook moeilijk met kritiek, omdat ik er snel van uitga dat kritiek terecht is. Ik vertrek als psychiater dan ook steeds van het standpunt van de ander. Als ik een giftige mail krijg, dan schrik ik een beetje. Maar ik vraag me ook af waar die reactie vandaan komt, wat die mens heeft meegemaakt.’

U zegt dat de invloed van geluk niet te onderschatten is.

‘De maakbaarheid van succes is een illusie. Ik pleit voor gewonigheid. Je mag fier zijn op de dingen die je gerealiseerd hebt met hard werken, talent, creativiteit en studie. Wees maar fier, want je succes is zeker te danken aan dingen die je zelf gedaan hebt. Maar weet ook dat er veel geluk en toeval bij komt kijken. It was half my fault, and half the atmosphere. Dat is zo bij mislukking, maar ook bij succes.’

‘Als je veel gerealiseerd hebt, zorg er dan voor dat je met beide voetjes op de grond blijft. Soms ontmoet ik in mijn praktijk heel succesvolle mensen die heel kwetsbaar zijn. Succes heeft vaak een heel hoge prijs. Ik zie mensen die heel eenzaam zijn en bijvoorbeeld hun gezinsleven compleet ontmanteld hebben. Die staan dan zogezegd succesvol in de schijnwerpers, maar ze zijn helemaal verlaten. Dat is een karikatuur, maar ze bestaat wel.’

Is kwetsbaarheid tonen moeilijker voor vrouwen of voor mannen?

‘Imposter syndrome werd ontwikkeld als theorie over vrouwen, die zich vaker zouden wegcijferen, terwijl mannen zich zomaar overal staan te profileren. Dat is later ontkracht en de theorie werd sterk verbreed. Het is ook heel subjectief en dus moeilijk te onderzoeken.’

‘Je zou kunnen zeggen dat vrouwen vanuit een cultuurhistorische achtergrond, en misschien ook wel biologisch, makkelijker toegang hebben tot kwetsbaarheid. Maar we zien ook dat vrouwen in topfuncties net afgerekend worden als ze die kwetsbaarheid tonen. Een vrouw die huilt op een vergadering: dat is fin de carrière. Een man die huilt op een vergadering wordt meteen opgehemeld. We hebben hem nodig! Oh zo kwetsbaar!’

‘Tegelijk zie ik hoe sommige mannen, vanuit de klassieke machogedachte, niet in staat lijken te zijn om enige kwetsbaarheid te tonen. Het is heel dubbel.’

U zei dat succesvolle mensen best wat meer imposter syndrome mogen hebben.

‘Ik pleit voor meer imposter syndrome. Uiteraard bedoel ik niet dat mensen zich slecht moeten voelen en moeten denken dat ze niets kunnen. Maar ik pleit voor twijfel. Je moet jezelf af en toe een spiegel voorhouden en zeggen: komaan jong, je bent toch ook maar een klein ventje. Doe maar gewoon.’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychologie

Ecologie is overal

‘Het gevoel dat er iets in jou zit, dat jij niet bent’. Dit is Freuds definitie van een depressie lees ik in een artikel van de filosoof Tomothy Morton die weet wat het is om depressief te zijn. Hij weet ook hoe het is om boos te zijn. Hij wil zich er mee verbinden.

In de manier waarop hij met zijn depressie en boosheid heeft leren omgaan ziet hij een manier van hoe we kunnen omgaan met het ecosysteem:

‘Wat is erop tegen om boos te zijn?’, vroeg de psychoanalyticus aan me. Zo had ik het nog nooit bekeken. Ik kwam de woede te boven, niet door het weg te werken, maar door het een plek te geven in een veel breder muziekstuk van menselijke emotie. Je valt niet samen met de woede, weet ik nu. Ik kan die woede daardoor toestaan en wie weet komt er nog iets moois uit. Ik denk dat de manier waarop we met depressie omgaan, leerzaam kan zijn voor de manier waarop we onszelf als ecologische wezens gedragen.’

Niet samenvallen met je woede kun je toepassen op je depressie, op je somberheid. Niet er mee samenvallen ofwel je er niet mee identificeren, het ook niet willen wegwerken maar het waarnemen, het bekijken. Het buiten jezelf plaatsen, het boze en sombere kunnen externaliseren.

Moet iedereen naar de eco-psycholoog om zichzelf en het ecosysteem gezond te maken? Het kan simpeler. Het enige dat we hoeven te doen is ons bewust te worden van de verbinding tussen onszelf en het systeem. Morton:

Stel jezelf voor, buiten een disco. Die disco is de biosfeer. Eigenlijk ben je nog steeds binnen, in die disco, maar op de een of manier heb je jezelf verleid te denken dat je buiten staat. De disco gaat door, vierentwintig uur per dag, zo’n disco is het. Onthoud dat je de disco nooit echt verlaten hebt, je hebt alleen het idee dat dat zo is. Je hoeft niets bijzonders te doen om die verbintenis weer te voelen. Die is er nog steeds, anders zou je allang dood zijn geweest. Ecologie is overal.

De Franse filosoof en socioloog Bruno Latour komt tot eenzelfde conclusie:  “We kunnen niets of niemand meer op afstand plaatsen. De dingen niet, de wereld niet, de natuur niet.” Alles en iedereen is met elkaar verbonden.

In het artikel: Hoe onze beschaving mensen ziek maakt, legt Morton uit dat andere wezens een deel van ons zijn en dat wij ons niet af kunnen scheiden van het ecosysteem dat naar de knoppen gaat. Morton geeft in het artikel ook een mooie definitie van het begrip: ‘gaslighting’ een vorm van manipulatie vanuit een narcistische afweer. Op dit weblog een eerder bericht hierover: De waarheid van Trump. Laat je niet ziek(er) maken!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychiatrie, Psychologie en klimaat, Psychotherapie, Systeemtherapie

Maak ruimte voor je verdriet

KIJK EN LUISTER: ROAD TO NOWHERE

Deze video vond ik bij een artikel uit Brainwash: Psychiater Dirk de Wachter: Maak ruimte voor je verdriet.

Hier heb ik niets aan toe te voegen. Bezoekers van mijn blog weten allang dat de Wachter mijn favoriete psychiater is. Hij is net als ik een systeemdenker. Fijn dat hij zegt dat hij een onnozelaar is tussen de onnozelaars, dat hij ook zoekend is. Zo voel ik dat ook.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychiatrie, Systeemtherapie

Het idee dat het leven vooral leuk moet zijn, is dè ziekte van deze tijd

Het is dé ziekte van deze tijd, zegt psychiater Dirk de Wachter in zijn Brainwash Talk. Het idee dat ons leven vooral leuk moet zijn. En dat terwijl juist tegenslag ons zoveel kan brengen.

Hier kun je deze toespraak van 19 november 2017 zien: https://www.brainwash.nl/bijdrage/het-idee-dat-het-leven-vooral-leuk-moet-zijn-is-de-ziekte-van-deze-tijd , maar hieronder is hij te lezen.

Psychiater zijn, het leek me wel een leuk beroep. Rustig aan: boekje lezen, patiënten spreken. Maar het is onvoorstelbaar hoeveel mensen mij komen opzoeken. Ik krijg het werk niet gedaan. En mijn collega’s ook niet; er zijn overal wachtlijsten.

Wat is er aan de hand in dit leven, dat ogenschijnlijk zo goed is? Waarom wil iedereen naar de psychiater? We hebben geen grote hongersnood, geen epidemieën waar hele bevolkingsgroepen aan sterven en materieel hebben we het in onze geschiedenis nog nooit zo goed gehad als nu. Waarom zijn we dan zo erg in nood? Waarom zijn we zo vermoeid, nemen we zoveel pillen en heeft iedereen een diagnose?

We zijn te geobsedeerd met geluk. We zijn te zeer bezig met gelukkig zijn. We willen dat alles leuk, leuk, leuk is. En dat lijkt me een vergissing. We moeten in dit aardse leven aanvaarden dat het af en toe een klein beetje lastig kan zijn. Een klein beetje, liefst niet te veel. Maar we hebben het moeilijk met de kleine lastigheden van het gewone leven. We lijken niet te kunnen accepteren dat het dagelijkse leven af en toe een klein beetje gewoon en een klein beetje verdrietig is.

Voorheen konden we uitkijken naar een hemel na dit leven, waar het leven goed zou zijn. Deze hemel is afgeschaft, dat paste niet meer in de begroting. Nu willen wij zonodig de hemel hier. Met onze westerse hoogmoed denken we ook dat we deze hemel kunnen maken, produceren of zelfs kunnen kopen. Dat lijkt me een meritocratische vergissing: dat we dat kunnen grijpen. En dit streven naar een onmogelijke regen van geluk zorgt voor veel miserie, depressie en vermoeidheid.

Meestal hebben we nog niet voldoende aan het gewone geluk, maar we willen zonodig fantastisch gelukkig zijn. De meeste mensen willen dat alles ongelofelijk is. Niet zomaar een beetje content, maar fantastisch. Na het weekend kom je op je werk en men vraagt wat je gedaan hebt. ‘Oh gewoon, een beetje thuis geweest.’ Dan is de reactie: ‘gaat het wel, ben je ziek?’ We moeten verre reizen maken. Heel ver, zo ver: maar als je op de aardbol maar ver genoeg gaat, dan kom je gewoon weer terug bij je huis uit.

Dirk de Wachter tijdens de Brainwash Talk Foto: Anna van Kooij.

Hoe kunnen we rustig aan doen, gewoon doen? Ik pleit voor gewonigheid en het plezier daarin te vinden. Ik pleit niet voor ongelukkigheid an sich, maar voor geluk vinden in het gewone. We willen altijd party time, foto’s van verre reizen, en multiple orgasms. Zeer vermoeiend. Hoe kunnen we de lastigheid van het leven een plaats geven?

Ik denk dat de lastigheden van het leven aanleiding geven tot de liefde. De liefde verschijnt niet in de fantastische kant van het leven. Niet als iedereen zich geweldig voelt en bonussen binnenharkt. Want juist als het leven een beetje moeilijk wordt, heeft het menselijke dier nood aan een ander. Dan hebben we nood aan hechting, streling, de blik van de ander en samenzijn met de ander. Dat komt vooral als het moeilijk is. Dan overstijgt de ongelukkigheid zich en het verandert zich paradoxaal in verbondenheid. Liefdevolheid ontstaat in het menselijk tekort. Het verdriet, dat we liever niet willen en niet zo leuk vinden, dat geeft aanleiding tot de liefde.

En wat is nu het probleem van onze maatschappij? Dat verdriet moet altijd worden weggemoffeld in de duisternis; onze lastigheid, onze moeilijkheid, onze kwetsbaarheid en ons tekort wordt weggeduwd in de duisternis. We kunnen daarvoor niet terecht bij onze vrienden en onze geliefden, want we willen altijd stoer en leuk en sterk zijn. En dus gaan we ons afsluiten en inbunkeren voor de liefdevolheid.

Onze maatschappij lijkt door te schieten in ‘ikkigheid’, in een overgewaardeerd denken van autonomie, van ‘ik kan het helemaal alleen’. Het ontstaan van het individu, wat een goede zaak is, is begonnen in de Verlichting. Maar dat is gekanteld naar een teveel aan helemaal alleen alles presteren. Ik pleit ervoor om meer kwetsbaarheid, gevoeligheid en de kleine verdrietigheden met elkaar te delen. Zodat mensen een beetje elkaars psychiater kunnen zijn.

5 reacties

Opgeslagen onder Filosofie, Psychiatrie, Psychologie

Psychiater Glenn Helberg danst in Zomergasten

“JEZELF KUNNEN ZIJN IN EEN MENSELIJKE RELATIE IS HET MOOISTE WAT ER IS”

Dit waren de woorden van Glenn Helberg, psychiater en lid van de Raad van Advies van het College voor de Rechten van de Mens, aan het eind van het VPRO televisie programma Zomergasten. Volgens mij waren zowel Helberg als de interviewster Janine Abbring er aardig in geslaagd om tijdens de uitzending zichzelf te blijven. En ze vierden dit aan het eind door te dansen op de muziek van Louis Armstrong. In elkaars armen, een zwart mens en een wit mens, een man en een vrouw, een homo en een hetero uit verschillende generaties. Ze hadden het tijdens het interview ook over hun relatie tot elkaar gehad, in het hier en nu, ook al was het ongemakkelijk. Ik bleef geboeid kijken en luisteren.

Helberg wilde met zijn gekozen film en documentaire fragmenten en optredens van artiesten de fundamenteel relationele kant van de mens tonen. Ze zouden gaan over de verbinding tussen mensen of over het gebrek er aan. Het ging om te beginnen over de verbinding tussen zwarte en witte mensen. De zwarte mens kan nu tegen de witte zeggen: “Jij hebt mijn zwart zijn niet meer nodig”. En de witte kan misschien hetzelfde zeggen. Wit en zwart kunnen elkaar een hand geven. Zoals bezongen wordt door Louis Armstrong in ‘What a wonderful world’: “I see men shaking hands, how do you do…” Want wit en zwart zijn fundamenteel gelijkwaardig. Zoals James Baldwin het zegt in de film ‘I am not Your Negro’ en in een interview voor de Nederlandse televisie: “Alle mensen zijn broeders, daar gaat het om”.

Ook homo’s en hetero’s zijn verbonden. Niemand hoeft buitengesloten te worden. ‘Civil rights’ en ‘gay rights’ moeten samen werken. Alle minderheden moeten elkaar steunen. Helberg heeft het over ‘inclusie’: Iedereen moet het gevoel kunnen hebben dat hij zichzelf kan zijn en er bij hoort. Dit hebben we nog lang niet bereikt. ‘It takes a village to raise a child’, maar de ‘village’ moet nog ‘geraised’ worden denkt Helberg.

We denken in Nederland dat we niet zo racistisch zijn als in Amerika maar dat klopt niet. Wij zijn het racisme in Nederland aan het ontkennen. Dat is een sterke afweer die ontkenning. We moeten juist onze vooroordelen aan elkaar vertellen zodat we elkaar gaan begrijpen. Hier is een psychiater aan het woord die psychische gezondheid bekijkt binnen de context en de systemen die daar een voorwaarde voor zijn.

Verbinding met jezelf

Het eerste fragment dat Helberg de kijkers liet zien ging over een Braziliaanse vrouwelijke psychiater die in de jaren ’40 van de vorige eeuw zocht naar een alternatief voor de toen gebruikte lobotomie behandelingen (een chirurgische ingreep die verbindingen in de hersenen verbreekt). Zij wil aandacht genereren voor het verhaal van de patiënten. Zij wil de patiënten verbinden met hun eigen verhaal, hoe moeilijk hun toestand ook is.

Helberg: “Als je een verhaal vertelt aan de ander vertel je het eigenlijk ook aan jezelf. En dan maak je contact en gaat het vlammetje in jezelf weer aan.” Als deze verbinding tot stand komt dan voel je het lichamelijk. Soms hebben mensen hier hulp bij nodig. Die hulp wil Helberg geven.

Als je mensen vertelt dat ze geestelijk ziek zijn, zoals bijvoorbeeld homo’s verteld werd tot aan 1973, verliezen ze hun trots. Daar gaat Gay Pride over. Kunnen zeggen: ‘Hier ben ik’. Martin Luther King had het daar ook over: ‘We don’t want to be a nobody, we want to be a somebody’. De psychiatrische patiënten uit het fragment waren ook ‘nobodies’ geworden.

Aan het schrappen van homoseksualiteit uit de DSM, het stoornissen classificatiesysteem in de psychiatrie, ging een belangrijke opstand vooraf. Namelijk die bij de homobar The Stonewall Inn in Greenwich Village in New York in 1969. Uit een documentaire hierover kwam het volgende fragment. Ook hetero’s deden mee aan die opstand want ook zij willen natuurlijk zichzelf kunnen zijn. Deze samenwerking tussen homo’s en hetero’s deed me denken aan de film Pride waar Engelse mijnwerkers in hun staking gesteund worden door homo activisten. Mensen die onderdrukt worden herkennen elkaar ook al komen ze uit verschillende hoeken van de samenleving.

Helberg: “Mensen moeten snappen dat iedereen die zich niet met zichzelf mag verbinden, die dus niet zichzelf mag zijn, hetzelfde probleem heeft.” Iedereen mag er zijn, ook de niet-man en de niet-vrouw. Het lukt echter de een nog steeds om tegen de ander te zeggen: “Jij hoort er niet bij.” En het lukt de een nog steeds om misbruik te maken van de ander, de ander te onderdrukken. Het gaat hier om mensenrechten die nog steeds geschonden worden.

Helbergs ouders kwamen uit Suriname maar hij groeide op in Curaçao. Hij merkte als jongeman dat hij jongens spannender vond dan meisjes. Bij het masturberen dacht hij aan jongens en op het hoogtepunt dacht hij snel even aan een meisje want dan zou God hem zijn afwijking vergeven… Later bedacht hij dat hij niet gek wilde worden. Hij zei tegen zijn toenmalige vriendin: “Jij vrijt met een man, maar ik niet…” Hij vertelde zijn vader dat hij homo was, waarna de vader 5 dagen niet at en zei: ” Laat mijn zoon komen, want hij is mijn zoon.” En tegen zijn zoon zei hij: “Als je met een jongen thuis komt, breng dan een goede jongen mee”. Helbergs verhaal lijkt op het Bijbelse verhaal van de verloren zoon. Dat de vader van Helberg hem toen niet afwees, was het grootste geschenk dat hij ooit kreeg. Het kan hem nu nog ontroeren.

Zijn moeder overleed toen hij 13 jaar was. Zij had hem goed op haar overlijden voorbereid en Helberg kreeg al vroeg belangrijke levenslessen mee. Je kon merken dat de verbinding met zijn moeder nog levend was want Helberg zei dat de groene jurk die Abbring droeg tijdens het interview, hem aan zijn moeder deed denken en hem vertrouwen gaf. Zijn moeder zei altijd als ze nieuwe kleren ging kopen: “Nou heb ik weer een groene jurk gekocht!”.

Gelijkwaardigheid genereert eigenwaarde

Een volgend fragment kwam uit een Polygoonjournaal van 1969 over een opstand tegen Shell op Curaçao. Volgens het journaal was automatisering de diepere oorzaak van de opstand maar dat klopt niet, zei Helberg. De opstand had te maken met de ongelijkheid; zwarten verdienden een derde van wat blanken verdienden. De opstand ging over gelijke rechten!

Als we een inclusieve samenleving willen dan moeten we goed geïnformeerd zijn. Educatie speelt een belangrijke rol. Ook blanke Nederlanders moeten weten waarom 30 juni een belangrijke dag is: de dag van de herdenking van de afschaffing van de slavernij. We kennen onze geschiedenis niet en de geschiedenis moet belicht worden vanuit verschillende kanten. Pas dan weet je welk onrecht gedaan is.

Helberg vindt dat de emancipatie van de zwarte mens nog steeds niet goed op gang is gekomen. Hoe diep de discriminatie gaat en hoe diep die in persoonlijke levens doordringt wordt mede duidelijk in een fragment waarin blanke docenten een klasje met zwarte werknemers van een of ander bedrijf onderwijzen over hoe ze sterker kunnen staan in hun functie. Als ze dat aankijken van klanten zouden kunnen, dan zouden ze assertiever overkomen. De blanke docenten hadden goede bedoelingen maar eigenlijk werden de zwarte werknemers geschoffeerd. Abbring had met het schaamrood op de kaken naar het fragment gekeken.

Helberg legde uit dat ‘het niet aankijken’ door zwarte mensen een gevolg is van de slavernij. In de slavernij leer je dat je de ander tot ding kunt maken als je ze niet aankijkt. Het was volgens Helberg beter geweest als deze docenten hadden geprobeerd om de zwarte medewerkers te begrijpen in plaats van hen te onderwijzen. Op basis van gelijkwaardigheid met elkaar bezig zijn genereert eigenwaarde. Als de een ergens rijker van wordt, dan de ander ook. Dàt genereert eigenwaarde en dan hoef je niemand te ‘empoweren’. Baldwin zegt: “Ik ben hier nu en ik ben niet van jou. Ik ben niet minder waard.”

Het onderwijs kan een positieve rol spelen. Louis Armstrong zingt er over dat onze kinderen meer zullen leren dan wij ooit zullen weten. Universiteiten maken hun onderwijs inclusiever. Het gaat de goede kant op. We kunnen gaan onderzoeken wat racisme is, in plaats van het te ontkennen, zodat we er mee op kunnen houden.

De partij Artikel 1, die inmiddels na een rechtszaak niet meer zo mag heten en waarvan Helberg de lijstduwer was, wil radicale gelijkwaardigheid. Er kan wel gezegd worden dat de economie vooruit gaat maar dat betekent zeker niet dat iedereen vooruit gaat.

Vaders

In het fragment ‘Boys of Summer’ (2008) krijgen we te zien hoe een zwarte vader zijn zoon coacht met honkballen. We zien een zwarte vader zijn die wèl aanwezig is in het leven van zijn kind. Het verhaal dat zwarte vaders er niet zijn voor hun kinderen wordt steeds herhaald maar we moeten deze vaders een helpende hand bieden. Ook hier blijkt hoe diep de slavernij in de psyche is doorgedrongen. Het zwarte vaderschap is verarmd door de slavernij, door de reis van Afrikanen naar Amerika. Hele familieverbanden zijn uit elkaar gerukt. Dàt moeten we begrijpen. Daar komt bij dat de slaveneigenaars die kinderen hadden verwekt bij slavinnen meestal afwezig waren als vader. Zwarten hebben nog steeds meer wantrouwen binnen hun relaties dan witten.

In het fragment uit de documentaire over de Oekraïense danser Sergei Polunin zegt de (witte) vader: “Als ik het over zou kunnen doen, zou ik meer aandacht aan mijn gezin hebben besteed.” Toen ouders van deze jonge danser gingen scheiden viel zijn wereld uitelkaar. Hij wist niet meer waarvoor hij danste maar de machine die geld verdiende aan zijn talent draaide door. Hij raakte aan de drugs en kreeg de naam dat hij niet te vertrouwen was, terwijl hij gewoon hulp nodig had. Het dansen had geen betekenis meer voor hem. Hij was de verbinding met zichzelf kwijt. Pas toen hij weer heel was kon hij weer dansen.

Helberg wilde zelf ook danser worden maar zijn moeder wilde dat hij dokter werd. Na een gebroken knie was het besluit niet meer zo moeilijk. Hij ging medicijnen studeren. Nu vind hij het prettig dat hij mensen kan helpen om weer heel te worden.

Relatietherapie

We krijgen een fragment te zien uit ‘Scenes uit een huwelijk’ (1974) van Ingmar Bergman. We zien twee mensen die van elkaar houden maar niet samen kunnen zijn. We moeten volgens Helberg de liefde leren. Wij kunnen onze liefde aan die ander geven maar als die ander zijn of haar liefde niet meer aan ons kan geven dan is het klaar. De liefde is wel voor de ander maar niet van de ander. In een relatie geven beiden 50% maar je blijft altijd 100% verantwoordelijk voor jouw 50%. Ook voor je eigen boosheid ben je voor 100% zelf verantwoordelijk. Relatietherapie blijft van waarde, ook als de partners toch gaan scheiden. Het kan de partners leren elkaar beter te verstaan en dat blijft fijn ook als ze uit elkaar gaan.

We krijgen nog een mooi fragment te zien uit de film ‘Moonlight’ uit 2016. We zien twee zwarte jongemannen die in hun kindertijd een relatie met elkaar hadden en elkaar na vele jaren opnieuw ontmoeten. Het fragment eindigt er mee dat ze tegen elkaar aan zitten, de een met zijn hoofd op de schouder van de ander, de ander streelt zijn schedel. We mogen die intimiteit zien en dat is heel bijzonder. Het gaat eens een keer niet om de coïtus, het gaat om de aanraking van de huid, ons grootste orgaan, zegt Helberg. Door de aanraking van de huid weten we ons geborgen. Zelf mist hij het dat hij al lang niet meer aangeraakt is… Jezelf kunnen zijn in een menselijke relatie is het mooiste wat er is.

Ook aan deze televisie zomeravond komt een einde. Helberg en Abbring staan op en dansen.


Ga vooral deze film zien: I am not your Negro.

En ook de keuze film van Helberg is een aanrader: Selma.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Systeemtherapie

‘Amor fati’

Dit is Latijn voor ‘liefde voor het noodlot’ en een uitspraak van de filosoof Nietzsche. Maar hoe haalbaar is het om liefde voor je noodlot te voelen als je bijvoorbeeld te horen krijgt dat je ongeneeslijk ziek bent. Kanker. Kun je dan die liefde opbrengen? Omarm je dan je lot? En hoe doe je dat dan? En moet het?

Deze vragen kwamen aan de orde op de Wereldkankerdag in de Internationale School Voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden, opgericht door Frederik van Eeden in 1916, een school zonder winstoogmerk.

Een van de sprekers Leo Gualthérie van Weezel, tot 2015 psychiater en psychotherapeut in het Anthonie van Leeuwenhoek ziekenhuis, was openhartig met zijn antwoord. Hij stond wat betreft het omarmen van zijn lot, niet voor zichzelf in als hij te horen zou krijgen dat hij ongeneeslijk ziek was.

Iemand die het noodlot wèl kan omarmen na zo’n bericht dwingt bij hem veel respect af. Met zo iemand was deze psychiater eens bevriend. Hij zou best graag ook zo mooi en bewonderenswaardig willen sterven.

De vraag is: Wat inspireert een gewone sterveling na een dergelijk heftig slecht nieuws gesprek? Wat inspireert je nog als je voor een muur bent komen te staan waar je niet omheen kunt? Een ongeneeslijke ziekte. Een onverwacht ontslag, een heftige scheiding, enz. We leven in een tijd van het maakbare individu maar hoe maakbaar zijn we?

Het was de bedoeling dat het een inspirerende dag zou zijn en dat werd het. Er kwamen zo’n 130 mensen bij elkaar, zieke mensen en gezonde mensen. Er waren lezingen en workshops. Er was een heerlijke lunch. En er was humor.

Leven XL

We werden voorgesteld aan een stichting die de rollen heeft omgedraaid; de zieken worden zelf de inspiratiebron. Mensen die ernstig ziek zijn (geweest) en hun leven noodgedwongen hebben moeten omgooien, gaan anderen helpen die worstelen met allerlei levens- en zingevingsvragen. Ze noemen zichzelf levenscoaches en geloven dat iedere ervaring, hoe vreselijk ook, kan inspireren om het leven mooier te maken. De vraag die hen verbindt is: Hoe kunnen we leren van onze ervaringen en hoe kunnen we de kracht die er in die ervaringen zit doorgeven. Ze worden ondermeer geïnspireerd door de onlangs aan kanker overleden filosoof René Gude.

Verschillende levenscoaches stelden zichzelf voor. De een helpt je bij het zoeken naar ervaringen waar je energie van krijgt, de ander bij het ontdekken van wat je wilt met je leven, een derde helpt je met je zelfvertrouwen, een vierde met het opruimen van problemen die er niet zijn. Je kunt hulp krijgen bij het leven in het hier-en-nu oftewel met het leven in het moment, met het juist nìet met jezelf bezig zijn en met dat wat je bent naar buiten te brengen tot aan de laatste dag! De coaches van LevenXL vormen een inspirerende groep.

Mocht het op deze dag ook gaan over de dood? Daar was ik persoonlijk nieuwsgierig naar. Er gaat bijna geen dag voorbij dat ik er niet over nadenk. De dood intrigeert me. En ik ben niet de enige. Het is het lot van ons allen. Ik bedacht in de loop van de ochtend dat voor mij persoonlijk de fascinatie misschien te maken heeft met het loslaten van controle. Dat vind ik namelijk niet gemakkelijk. Misschien had ik er daarom voor gekozen om een workshop te doen waarbinnen mij waarschijnlijk gevraagd zou worden om uit de comfort zone te stappen. Deze workshop heette: Het improvisatietheater van het leven. Ik zag er een beetje tegenop. Maar eerst kwam de lezing van Gualthérie van Weezel.

De menselijke maat

Gualthérie van Weezel bleek net als ik systeemtherapeut te zijn, wat mij aangenaam verraste. ‘Amor fati’ kan volgens hem als ideaal inspireren maar het kan je ook geselen als je vindt dat je aan dat ideaal moet voldoen. Als je over je eigen reactie op het heftige bericht van een ziekte als kanker bijvoorbeeld gaat oordelen op een negatieve manier en als je steeds het gevoel hebt dat je faalt in het omarmen van je lot. Als je je in bochten gaat wringen om het goed te doen, dan werkt ‘amor fati’ nìet inspirerend. De psychiater komt in zijn werk vooral mensen tegen die het niet zo gemakkelijk af gaat om hun lot te omarmen.

Hij probeert het proces van het omgaan met de ziekte te versterken, probeert te helpen bij het verwerken van het bericht en sluit aan bij de krachten van de patiënt. Steeds zoekt hij de balans tussen de draaglast en de draagkracht. Hierbij kan het bio-psychosociale model helpen. Er zijn somatische, psychologische en sociale aspecten om rekening mee te houden. Psychologisch gezien heb je te maken met de reactie op de ziekte en met de persoonlijkheid. Persoonlijkheden kun je onderverdelen in de stoïcijnen, degenen die proberen controle te krijgen, de afhankelijken en de ontkenners. Sociaal gezien heb je te maken met het medische steunsysteem en het eigen steunsysteem. Als systeemtherapeut heeft deze psychiater oog voor de levensfase-overgangen die ook altijd voor gezonde mensen spannend zijn omdat ze ons voor nieuwe levensklussen stellen. Een ernstige ziekte krijgen is een extra ingewikkelde klus die extra veel kunst en vliegwerk vereist. Hoe omarm je die klus?

De psychiater onderscheid drie fasen in het proces. De eerste fase is de acute fase, als je de diagnose net gehoord hebt. De tweede fase is de chronische fase, het leven met de ziekte. Het ontdooien en reïntegreren. En dan uiteindelijk de palliatief-terminale fase.

Een mevrouw uit het publiek vond het fijn dat het woord ‘chronisch’ werd gebruikt omdat zij dit woord van de dokter in het ziekenhuis nooit gehoord had. Zij had al 15 jaar kanker en pleitte voor andere woorden, een taal die beter past bij ernstige ziektes.

De systeemtherapeuten Carter en McGoldrick onderscheiden horizontale en verticale stressoren. De horizontale stressoren zijn die we als individu tegenkomen tijdens de levensfase-overgangen die horen bij onze natuurlijke ontwikkeling van baby naar bejaarde. Maar er zijn ook onvoorspelbare stressoren zoals die bij een ernstige ziekte, een ongeluk of een plotseling ontslag. En dan zijn er nog historische gebeurtenissen, oorlogen, crises, natuurrampen die voor stress zorgen. De verticale stressoren komen voort uit de systemen waarin we ons als individu bevinden. Dat zijn ons gezin, onze familie, onze gemeenschap en grotere systemen zoals onze maatschappij met zijn politieke, culturele en economische invloeden. Voor degene die ziek is wordt de medische ‘gemeenschap’ belangrijk en die gemeenschap kan ook stress opleveren.

Het omarmen van de stress of het lot gaat dus meestal met kunst en vliegwerk gepaard. Je kunt het doen met de hulp van een levenscoach die geïnspireerd is door René Gude of met de hulp van een televisieprogramma als ‘Over mijn lijk’ of met de hulp van iets heel anders, zolang het maar geen dogma wordt vindt de psychiater. Hij had weinig goede woorden over voor Pink Ribbon, een commerciële beweging waarbinnen je als kankerpatiënt verondersteld wordt dat je de kanker met ‘glamour’ overleeft.

De focus van hoop bij een ernstige ziekte kan verschuiven. Hoop is niet iets statisch. De hoop op een langere overleving kan veranderen naar hoop op comfort of kwaliteit van het leven, naar hoop op waardigheid en verbondenheid.

Olsman, Willems & Leget (2012) onderscheiden drie perspectieven op hoop, het realistische perspectief, het functionele perspectief en het het narratieve perspectief. Uitgaande van het realistische perspectief staan waarheid en het goed geïnformeerd zijn centraal. De hoop moet vooral realistisch zijn. Vanuit het functionele perspectief heeft de hoop betrekking op de verwerking van het lijden. Hoop – zelfs wanneer die niet direct realistisch is – kan een belangrijke bijdrage leveren aan de mate waarin je betekenis kunt geven aan het lijden. Gezien vanuit het narratieve perspectief heeft de hoop betrekking op de zin van je leven. De hoop moet waardevol zijn en passen in jouw levensverhaal.

Het leven tussen hoop en vrees kan tussen een patiënt en zijn/haar partner problematisch worden wanneer de één altijd leeft vanuit de hoop en de ander altijd vanuit de vrees. Op deze manier maken de partners een karikatuur van zichzelf wat tot tragische conflicten kan leiden. Leo Gualthérie van Weezel had nog veel meer te vertellen maar moest afronden. Helaas. En over de dood, de palliatief-terminale fase, over hoe je leeft met het zicht op de dood kon niet uitgeweid worden.

Wandelworkshop

Rond de Internationale School voor wijsbegeerte is een stukje bos waar we met een groepje deelnemers doorheen wandelden onder leiding van de jonge filosoof Florian Jacobs. Er staan afbeeldingen van filosofen in het bos. We staan af en toe stil bij enkele ‘oudere’ filosofen. Zoals bij Spinoza. Over deze filosoof heeft Gerrit Achterberg een gedicht geschreven. Jacobs las het voor. Met op de achtergrond het geluid van de boomklever.

Spinoza

Diep in de deken van de tijd
ligt gij gebed, niets onderscheidt
u van de grond, die u omvat,
alsof gij nimmer lichaam had.

Volgens de wet van Lavoisier
doet gij op deze wijze mee
aan de bestendiging der stof,
die gij met denken overtrof.

Maar beide attributen Gods
doordringen nog elkander: trots
gaat gij door mijn geheugen heen
en nergens zijt gij hier van steen.
[uit Sphinx, 1946)

Gerrit Achterberg is een van Nederlands meest besproken dichters. Thematiek in zijn werk is de verzoening tussen leven en dood door middel van het gedicht. Veel dichter bij de dood kwam ik vandaag misschien niet… Over Spinoza en therapie heb ik eerder een bericht gemaakt.

Even later stonden we stil bij Aristoteles die volgens Jacobs meer waarde hechtte aan de poëzie dan bijvoorbeeld aan een wetenschap als geschiedenis. De poëzie komt volgens Aristoteles dichter bij de filosofie en is creatiever. Deze filosoof stond dicht bij de natuur en bestudeerde bijvoorbeeld de mieren.

img_1951

Florian Jacobs staat stil bij Aristoteles

Improviseren

Eindelijk was het tijd voor ‘het improvisatietheater van het leven’. Wat mij had aangetrokken was de aankondiging van deze workshop: ‘Soms lijkt het alsof je maar weinig invloed hebt op je leven. Dan blijft er nog maar een ding over: improviseren!’

We kregen op een strookje papier een in enkele regels beschreven situatie en enkele minuten om ons voor te bereiden. In een groepje van drie speelde ik de vriendin van een weduwnaar met een opstandige puber die het helemaal niet zag zitten dat haar vader de vriendin mee naar huis nam. We sloegen ons er met zijn drieën doorheen en hadden er lol in. We deden het samen. Dat was misschien wel de opluchting van de dag: improviseren is leuk, loslaten van de controle hoeft niet eng te zijn.

Misschien hielp het dat we in de goede handen waren van Line de Bruijn, filosofie docente, en Jelle Schroor, ‘stoeitrainer’, beiden lid van de Toneelgroep Levenskunst van de Universiteit voor Humanistiek. Zij gaven enkele simpele instructies voor de improvisatie: maak gebruik van het moment, laat binnenkomen wat zich voordoet. Vertel niet wie of waar je bent maar laat het zien.

Wat ik in deze workshop leerde viel samen met de boodschap die ik uit de lezing van Leo Gualthérie van Weezel haalde: het leven vereist kunst en vliegwerk. Daar kun je improvisatie goed bij gebruiken.

Leven zonder einde

Tijdens deze workshop kwam ik dan toch nog iets dichter bij de dood, ook al zou je dit op grond van de titel van de workshop niet verwachten: ‘Een leven zonder einde’. Het zal uiteindelijk veeleer de dood zijn die zonder einde is.

We werden gevraagd om te fantaseren over een geluksmoment dat we voor eeuwig zouden willen laten voortduren. Een moment waarin we een intens geluk ervaren, waarin de tijd stil lijkt te staan en we de werkelijkheid vergeten, een moment waarin alles mogelijk lijkt te zijn en de perceptie haarscherp is. We werden gevraagd om deze momenten te gieten in een verhaal in de ik vorm en in de tegenwoordige tijd. Onze verhalen werden opgenomen op een geluidsband. Een voor een verdwenen we in een aparte ruimte en in ons geluksmoment, in de privacy van de afzondering maar samen met een getrainde luisteraar. In de ruimte waar ik mijn verhaal vertelde werden spreker en luisteraar omhuld door tule gordijnen in zachte kleuren.

scan

 

Mijn verhaal luidde ongeveer zo:

Ik ben 7 of 8 of 9 of 10 jaar of misschien wel ouder. Ik heb dit meerdere keren meegemaakt. Ik kijk uit het raam de achtertuin in. Het regent. De achtergrond vervaagd. Ik zie nog wat tinten blauw, groen en grijs. Op de voorgrond zie ik druppels die naar beneden glijden. Ze glanzen. De geluiden van het drukke gezin waarin ik opgroei en waarin ik de oudste ben, raken steeds verder op de achtergrond. Ik ben alleen met de regen. Er wordt even helemaal niets van mij verwacht. De druppels die tegen het raam vallen hoor ik nog wel. Zachtjes komen ze er op neer. Doek, doek. De regendruppels vormen smalle en grillige paadjes naar beneden. ‘Panta rei’, alles stroomt, is in beweging. Iedere druppel volgt zijn eigen weg in zijn eigen tempo. Soms komen twee of meer druppels plotseling samen en versnellen de stroompjes in hun weg naar beneden. Samen wegen ze meer. Ik kies één druppel uit en neem mij voor om die te volgen op zijn weg naar beneden maar ik verlies hem weer uit het oog. Daar is alweer een volgende druppel. Dit kan uren doorgaan. Hoe lang ik voor het raam sta weet ik niet. Eigenlijk besta ik niet, zo diep ga ik er in op.

Filmmaakster Vanesa Abajo Pérez gaat van de verhalen die opgenomen zijn op deze dag een geluidsgedicht maken over oneindigheid. Ongeveer net zoals de Japanse filmmaker Kore-eda Hirokazu heeft gedaan in zijn film After Life die gaat over een tussenstation tussen leven en dood. Hier passeren wekelijks recent overleden personen om geholpen door gidsen, een moment uit hun leven te kiezen om mee te nemen naar het hiernamaals.


Een paar dagen na deze inspirerende dag zag ik op televisie een biografie van een van mijn favoriete psychiaters Irvin D. Yalom. De schrijver van ‘Nietzsches tranen’. Ik hoorde hem zeggen dat de angst voor de dood niet te verhelpen is. Maar hij vroeg zich ook af: Wat is er te vrezen als er geen bewustzijn meer is? Als de hersenen stoppen, stopt onze geest ook.

 

6 reacties

Opgeslagen onder Filosofie, Psychiatrie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie