Tagarchief: hechting

Infant Mental Health

GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG VOOR JONGE KINDEREN

Wat een belangrijk en relatief jong vakgebied is dit, waar ik dankzij de specialistische cursus Systeemtherapie Kinderen en Jeugd mee kennismaakte! Eigenlijk moet ik zeggen dat het vooral de cliëntenpopulatie van jonge ouders is, die relatief nieuw is in de GGZ. En ook al werk ik zelf niet direct met met heel jonge gezinnen met een baby, ben ik toch dankbaar. Ook voor de toelichting op de literatuur van de klinisch psychologe Phineke Kruythoff van Infant IJburg die de zachtaardigheid en rust uitstraalde, die ik me voorstel bij een Infant Mental Health werker en die meer dan genoeg aandacht had voor de persoonlijke bijdragen van ons als cursisten. Ze wist dat dit vakgebied mensen gemakkelijk persoonlijk raakt.

We bekeken met haar de film: ‘Help me love my baby’.


Deze cursusdag maakte mij opnieuw bewust van het belang van de vroegkinderlijke ontwikkeling en relaties voor onze gezondheid, lichamelijk en mentaal. Het inspireerde me om ook in mijn houding tegenover (jong)volwassen cliënten nooit te vergeten dat we allemaal net zo kwetsbaar, zo exploratief en van het begin af aan zo relationeel geweest zijn als een baby.

Hoe het lichamelijke en het mentale samenhangen speelt binnen dit vakgebied vanzelfsprekend een belangrijke rol. Moeder en kind hebben in de zwangerschap natuurlijk al een zeer lichamelijke maar ook al mentale relatie met elkaar. Vaders blijven in deze fase vaak een beetje buiten beeld maar er zijn vaders die zeer betrokken zijn, ondanks alle vooroordelen en tegenwerking en ondanks het feit dat zij zelf niet fysiek zwanger zijn. Er zijn toch vaders met zwangerschapskwaaltjes en ook met postnatale depressie! Het mannelijke en het vrouwelijke zijn met elkaar verbonden. We hebben alle chromosomen. Er zijn volkeren in Afrika waar primair de vaders zorgen voor de kinderen en ook in de dierenwereld zijn hier voorbeelden van te vinden. Denk aan de penguins!

Hoe iets mentaals omgezet wordt in iets lichamelijks en vice versa begrijpen we steeds beter mede dankzij neurologisch onderzoek. Neem alleen al het onderzoek naar de invloed van stress op het lichaam.

Het Handboek ‘Infant Mental Health’

Kennis over zwangerschap, geboorte en vroegkinderlijke ontwikkeling is natuurlijk zo oud als de mensheid. Maar ‘Infant Mental Health’ (IMH) als vakgebied onder deze naam is relatief nieuw. In het hoofdstuk ‘Algemene en specifieke aspecten van de ouder-kindbehandeling’, uit het Handboek ‘Infant Mental Health’ van Nicole Vliegen en Marja Rexwinkel staat dat in 1965 voor het eerst de affectieve communicatie op jonge leeftijd werd beschreven. De Oostenrijkse psychoanalyticus René Spitz ontwikkelde toen de term ‘anaclitische depressie’ bij baby’s. Dit is de reactie van baby’s op het tijdelijk verlies van hun belangrijkste verzorgers. Spitz kwam deze vorm van depressie tegen in de naoorlogse kindertehuizen. Baby’s hadden daar geen vaste verzorger en sommigen gingen hier dood aan. Als een baby niet goed groeit kan dit samenhangen met problemen met de hechting.

De Oostenrijkse psychoanalytica Melanie Klein (1964) beschreef baby’s waarbij angst overheerst. Voor deze baby’s is het later moeilijk te bevatten dat ambivalentie in de relatie tot de moeder mogelijk is. Je kunt van je moeder houden maar soms ook erg kwaad op haar zijn zonder dat de continuïteit van de relatie onder druk komt te staan. Een veilig gehechte baby kan die ambivalentie ontwikkelen.

In de psychoanalyse zijn observaties uit de werkelijkheid meestal niet zo belangrijk omdat het onbewuste centraal staat maar na de oorlog, geconfronteerd met het lijden van ouderloze kinderen raakten psychoanalytici steeds meer overtuigd dat relaties in het hier-en-nu belangrijk waren om te bestuderen. De Britse psychoanalyticus en psychiater John Bowlby kwam met de gehechtheidsontwikkeling in 1969. De Britse psychoanalyticus en kinderarts Donald Winnicot kwam in die tijd met de drie functies van de vroege moeder-kind eenheid. Deze ‘holding’ is belangrijk voor:

1. de integratie van de senso-motorische ontwikkeling,

2. het faciliteren van autonomie en

3. het oefenen en experimenteren met relationele principes, met afstand en nabijheid.

‘His majesty the baby’

Kort na de geboorte is de moeder primair bezig met de baby en krijgt deze de illusie dat die één is met de moeder. Deze ‘magische omnipotentie’ van de baby moet volgens Winnicot gefrustreerd worden. Het is belangrijk dat de moeder de boze aanvallen van de baby overleeft. Bijvoorbeeld als de baby even moet wachten op een flesje. Zo kan de baby de moeder leren ervaren als gescheiden en beschikbaar voor een realistische relatie. De moeder moet ‘goed genoeg’ zijn en gewoon kunnen doorgaan met zichzelf te zijn.

Zonder ruimte in de relatie kan de baby niet groeien en geen zelfgevoel ontwikkelen. Het zelfgevoel  is mede gebaseerd op het internaliseren van de weerspiegeling in zijn moeders ogen. Als in die weerspiegeling de afweer van de moeder zit, dan zal de baby deze afweer internaliseren en ontstaat er een vals zelfgevoel. Een ècht zelfgevoel ontwikkelt zich alleen in de aanwezigheid van een sensitieve en niet opdringerige moeder. Als de moeder opdringerig, ‘intrusive’ is kan het kind niet exploreren. Ook spel en speelsheid zijn van vitaal belang om te ontwikkelen tot een actief en responsief individu.

De relatie met een knuffel of een doekje is een belangrijk tussenstadium in het loskomen van de moeder. De knuffel is een overgangs object tussen moeder en niet-moeder, tussen binnenwereld en buitenwereld.

Liefde en haatgevoelens gedurende de vroege ontwikkeling wisselen zich af en worden langzamerhand geïntegreerd waardoor bij het jonge kind een tolerantie voor ambivalentie instaat; ambivalentie over of moeder er wel of niet voor je is.

Ouder-kind behandeling

In de fase van de vroeg-kinderlijke ontwikkeling is er veel flexibiliteit. Behandelen gebeurt alleen als problemen hardnekkig zijn. En dan behandel je zowel het ouderschap als de gehechtheidsontwikkeling.

Herhalingen van ervaringen en gevoelens uit het verleden bij de ouder worden onderzocht om de relatie met het kind in het hier-en-nu te bevrijden van oude spoken. Omdat de ouder en het kind samen in therapie zijn is het proces van de intergenerationele overdracht minder geheimzinnig. Je ziet de overdracht in de interacties in het hier-en-nu gebeuren. Hierbij is een specifieke therapeutische houding vereist. Het opvangen (‘containment’) van de gevoelens speelt een grote rol.

Je moet goed oog en oor hebben; oor voor wat er gezegd wordt en oog voor de non-verbale communicatie. Goed observeren helpt om de emotionele impact van de geboorte en de moeilijke opdracht van het ouderschap te ervaren. Goed oog hebben voor de baby biedt tegelijk toegang tot de eigen vroegkinderlijke ervaringen van de ouder.

Je moet ècht praten, hoe jong de kinderen ook zijn. De baby is een volwaardig persoon in wording. Het is een talig wezen en een verlangend subject dat praat met zijn lichaam. Ècht praten betekent ook dat je de waarheid vertelt of herstelt waar die ontbreekt. In de film ‘Help me love my baby’ zien we hoe de therapeut dit doet. Met haar hand op het lichaam van de baby en de moeder naast haar in gesprek over de premature geboorte vertelt de therapeut met een zachte stem aan de baby dat haar moeder in het begin niet een baby zag maar een vreemd soort monster, waarna we zien dat de baby de moeder even aankijkt… De gevoelens van de moeder mogen er zijn. Waarheid is dat wat er gezegd wordt overeenkomt met dat wat er (onbewust) gevoeld wordt.

Contact kunnen maken met je eigen levensgeschiedenis en je inschrijven in het intergenerationele verhaal is van groot belang voor de opbouw van de identiteit.

Voortdurend beweeg je als behandelaar heen en weer tussen baby/peuter en ouders, tussen individuele en relationele perspectieven, binnen- en buitenwereld,, verleden en heden, tussen het gezin en de bredere context. Zoekend naar een verandering die de diepere lagen bereikt. Dat is niet bij ieder ouder-kind paar mogelijk. Maar er zijn verschillende niveau’s en therapeutische houdingen mogelijk binnen de IMH therapie.

De houding is iets meer lichamelijk en actief dan in een therapie met volwassenen en vindt soms ook thuis plaats. Er is niet direct aandacht voor de conflicten van de moeder. Er is eerder aandacht voor de co-constructies tussen ouder en kind. De therapeut is flexibel; soms gericht op de ouder, soms op het kind en soms op de interactie. Er wordt veel met video-opname’s gewerkt. Met elkaar worden de opname’s bekeken en vragen gesteld zoals: ‘Wat wilde je bereiken?’ Hoe voelde het?’ ‘Wat gebeurde er?’ Het niveau van de hulp kan variëren van hulp bij voeding tot hulp bij heftige scheidingsperikelen tot hulp bij specifieke ouder/kind interacties.

Het is de bedoeling dat ‘de kwade geesten’ uit de kinderkamer verjaagd worden. Psychoanalytica en maatschappelijk werkster Selma Fraiberg beschrijft in ‘Ghosts in the nursery’ (1975) hoe de baby een overdrachtsobject kan zijn voor de ouder. Door nuttige links te leggen tussen heden en verleden kun je ouder en kind bevrijden. Een moeder raakt bijvoorbeeld steeds in paniek als haar baby huilt. Ze blijkt zelf te zijn misbruikt en wanneer zij als klein meisje huilde was er niemand die haar troostte… Centraal staat wat er in het hier-en-nu gebeurt en het verleden alleen voor zover het opgeroepen wordt door het heden. Naast de ‘ghosts’ zijn er ook de ‘angels’ in de kinderkamer… en we mogen niet vergeten om die op te merken en te ontdekken. Positieve ervaringen waarin je je als ouder begrepen en geliefd hebt gevoeld helpen net zo goed als het behandelen van de traumatische representaties.

De zwangerschap zelf heeft ook een plaats binnen IMH behandeling. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld: ‘Is de interne wereld van de aanstaande ouders voldoende flexibel zodat de gedroomde, denkbeeldige baby geleidelijk plaats kan maken voor de echte baby met zijn eigen persoontje. Als de aanstaande ouders niet beschikken over een min of meer stabiele ‘coping’ strategie kan dit een symptoom zijn van onopgelost trauma die op de baby overgedragen kan worden. Ouders kunnen veranderen als ze open kunnen staan voor de echte baby. De echte baby los koppelen van de gefantaseerde baby of de gevreesde baby. Ouders leren kijken naar de baby in relationele termen. Een authentieke relatie draagt bij aan de gezondheid.

Niet alleen de ouders kunnen oude ervaringen overdragen op de baby, de therapeut zelf heeft ook representaties, herinneringen aan de eigen kindertijd die opgeroepen worden door de ouder die bij haar in behandeling komt. De therapeut moet gevoelig zijn voor deze overdrachtsprocessen, er niet over oordelen maar er over na denken.

De geboorte van het ouderschap

Het is de meest intens beleefde levensfase; het verandert de identiteit en de leefstijl en het ouderschap is levenslang. Zeker bij het eerste kind is de ommekeer immens. Het leven wordt doorgegeven en er is geen weg terug. Praktische ondersteuning is er vaak wel maar op emotioneel gebied is er weinig aanbod ten aanzien van de voorbereiding op het ouderschap.

Een goede voorbereiding helpt. Voor de moeder: Een gecompliceerde of pijnlijke bevallig kan haar kwetsen en kan ongunstig zijn voor de moeder/kind relatie. Het is alsof het zelf baby zijn en bemoederd worden in het onbewuste zijn opgeslagen en opgewekt worden. De Amerikaanse psychiater en psychoanalyticus Daniël Stern noemt dit de ‘motherhood constellation’. Vier centrale thema’s spelen een rol:

1. Kan ik dit nieuwe leven in stand houden?

2. Kan ik mij emotioneel verbinden met de baby?

3. Zal er genoeg steun zijn voor mij en mijn kind?

4. Kan ik mijn identiteit aanpassen om het ouderschap te realiseren?

Voor de vader: De intensiteit van de gevoelens in deze fase kan ook voor de vader overweldigend zijn. De zwangerschap is meestal voor de vader onwerkelijk. Het volle besef dat er een baby op komst is, komt vaak pas bij de bevalling. De relatie met de eigen vader komt in beeld maar deze is zelden een rolmodel. Mannen schijnen weinig uit te wisselen over hun emotionele betrokkenheid. Maar ook voor vaders is van belang of zij als kind voldoende tederheid en veiligheid hebben ervaren.

De baby is vanaf het begin sociaal en ordent zijn ervaringen volgens het lust/onlust principe. De vroege ouder-kind interactie is een co-constructie, een perfecte dans met timing en ritme, met pauzes, regelen van afstand en nabijheid, de beurt nemen in de interactie, uitdrukkingen in het gezicht of vocaal, enz. Tijdens het reguleren van lichamelijke processen dichten ouders hun baby allerlei intenties toe. Zij zien de baby enerzijds als hulpeloos en anderzijds als zich ontwikkelende mensjes met subjectieve ervaringen en een groeiend gevoel van een eigen zelf. De baby probeert te weten te komen wat hij van zijn ouders kan verwachten. De ouders bieden ‘holding’; een omgeving gekenmerkt door regelmaat, continuïteit, stabiliteit en afstemming. De ouder die ‘goed genoeg’ is slaagt er in om de onvermijdelijke tekorten in de interactie  constructief te hanteren en te overstijgen. In de balans tussen verstoringen en reparaties leert het kind dat spanningen te verdragen zijn.

Ouderschap en migratie

Migratie brengt een breuk teweeg zowel inter-generationeel als in de familiebanden in het hier-en-nu. Door de migratie is de identiteit van de ouders aan het schommelen naast de veranderende identiteit door deze intense levensfase overgang. De ouders missen hun eigen cultuur als ‘containment’. Ook zij hebben naar de baby uitgekeken en nu voelt het ouderschap ineens als zwaar. De Spaanse kinderpsychiater Marie Rose Moro zette ontmoetingsgroepen op voor deze ouders. Groepen die als het ware een baarmoeder zijn voor pas bevallen geëmigreerde ouders. Het spreken met elkaar herstelt de verwevenheid van culturen en brengt een nieuwe multiculturele identiteit tot stand. Bij de verwevenheid gaat het om op de toekomst gerichte nieuwe representaties en gedragingen van ouderschap. In de ontmoetingsgroepen ontstaat een lappendeken van fragmenten van identiteit die tot beschermjas of een omhullende enveloppe wordt. Sommige delen van de lappendeken zijn strijdig met elkaar, stoten elkaar af, zien er niet uit, laten een kloof tussen het zelf en het andere vermoeden. De onzekerheid van ouders in een snel veranderende wereld is soms ondenkbaar. Men verbergt de onzekerheid uit schaamte voor gezichtsverlies.

                                Illustratie: Lappendeken van Cynthia Borst

Volgens Moro kunnen we van migranten-ouders leren hoe je moet zoeken naar werkbare fragmenten tussen oude en nieuwe identiteiten. Hier krijgen alle ouders mee te maken in een snel veranderende wereld.

In het begin van het ouderschap moet je op een gezonde manier de vroegkinderlijke positie jegens je eigen ouders op kunnen geven. Dit veronderstelt de afwezigheid van een narcistische kwetsuur en een gezonde identificatie met het ouderlijke imago. Dit is een complexe opdracht die in bijzondere omstandigheden extra belast kan zijn.

De bijzondere omstandigheid van adoptie- en pleegouders

In ‘Spel in Psychotherapie‘ (2009) schreef klinisch psycholoog en psychotherapeut Eliane de Beer Hoefnagels hier een hoofdstuk over.

Ervaringen van verlies en ontreddering slaan kinderen op in een non-verbaal gebied van innerlijke ervaringen. Het kind geeft meestal geen signalen van angst en onzekerheid terwijl ze dit in spel vaak wèl laten zien.

Moeilijk gedrag van deze kinderen kan soms zo sterk en onwrikbaar overkomen dat pleeg- en adoptie ouders gauw denken aan erfelijke psychiatrische diagnoses bij de biologische ouders maar deze zeggen weinig over de mogelijkheden om contact te maken met het kind. Vaak liggen de problemen op het gebied van de emotie-regulatie maar er zijn ook problemen op het gebied van het leren en sociale problemen.

Een ‘life event’ zoals de geboorte van een halfzusje roept bij een pleeg-of adoptie kind belevingen op uit het vroegere kerngezin die niet meer gedeeld kunnen worden met de betrokkenen. Dat kerngezin bestaat niet meer in de huidige werkelijkheid. Moeilijk gedrag kan het gevolg zijn.

Pleeg- en adoptie ouders zijn soms bang om opdringerig te zijn bij deze kwetsbare kinderen of voelen zich afgewezen of buitengesloten door de houding van het kind. Maar ook het kind voelt zich alleen, niet begrepen, niet aangevoeld. Dat is de kernervaring. Het kind geeft negatieve signalen af maar heeft behoefte aan contact. De ouders moeten leren om op een subtiele manier nadrukkelijk aanwezig te zijn.

Er kan toe gewerkt worden naar een narratief waarin de geboortegeschiedenis een plek krijgt naast de ‘wedergeboorte’ in het nieuwe gezin. De houding van de therapeut is er een van meervoudige partijdigheid naar ouders, adoptie- en pleegouders, het kind, enz. Bij deze nieuw samengestelde gezinnen gaat het wat betreft de relatie tussen de stiefouder en het kind vaak om het acceptabel maken van ambivalente en ambigue gevoelens over en weer. Het gaat over het ‘gewoon maken’ van de verschillen tussen het oorspronkelijke en het nieuwe gezin.

Kunnen de ouders nadenken en praten over het verleden ook al is het pijnlijk? De therapeut moet een inschatting maken van de hechtings-stijl en de veerkracht van het systeem. Het begrip ‘goed genoeg’ ouderschap moet meteen geïntroduceerd worden.

Kinderen die om wat voor reden dan ook niet meer bij hun biologische ouders wonen betrekken deze toestand meestal negatief op zichzelf. Het gaat om de beleving van niet gewenst zijn, leidend tot een gevoel van niemand zijn of nergens echt bijhoren. Een algemeen gevoel van niet goed genoeg zijn. Kinderen met een kwetsbare gehechtheid, met trauma’s of ervaringen van afgewezen zijn of in de steek gelaten en die te maken krijgen met meerdere ouderfiguren, hebben problemen met het integreren van alle verschillende invloeden. Dat kunnen ze in de beginfase van de therapie vaak al laten zien.

Tegenoverdracht creatief inzetten

Graag bericht ik nog over een artikel dat speciaal ging over de ambivalentie in het ouderschap. Het was geschreven door psycholoog en psychotherapeut Katie-Lee Weille: ‘Ambivalence in parenthood: on creativity and destruction’.

Winnicot schrijft over de haat, de woede en de frustratie die ouders kunnen voelen in de relatie met hun kinderen en hoe hen dat kan destabiliseren. Ouders zijn gewoon net als iedereen subjectieve wezens met een innerlijke wereld, een temperament en een geschiedenis. Datgene waar je van houdt kun je ook haten. Deze ambivalentie en de algehele subjectieve ervaring van het ouderschap is een weinig onderzocht verschijnsel. De meeste literatuur gaat over de ontwikkeling van kinderen en hoe ouders hierin kunnen opvoeden. Alice van der Pas heeft het in Nederland als eerste over de psychologie van het ouderschap.

De reacties van een therapeut kunnen intens zijn en kan het werken met ouders bemoeilijken. Therapeuten kunnen als redder van het kind gaan optreden waardoor er een dynamiek ontstaat tussen de ouders en de therapeut. Therapeuten moeten iets willen doen met die dynamiek van de tegenoverdracht.

De psychologie van de ouder kan niet begrepen worden louter door de lens van een kindertherapeut. De kwaliteit van de ouderbegeleiding hangt af van de mate waarin de therapeut de ouder begrijpt en daar speelt het begrijpen van de ambivalentie een belangrijke rol in.

Ambivalentie is een conflict tussen tegenovergestelde wensen. Voor de ouder tussen liefde en haat; tussen het verlangen om vast te houden en van je af te duwen. Tederheid kan weggevaagd worden in één seconde en plaats maken voor woede. Moederlijke ambivalenties worden het strengst beoordeeld door de omgeving. Maar wat over moederlijke ambivalenties geschreven is geldt ook voor vaders.

Ambivalentie gaat gepaard met een ‘mismatch’ van subjectieve behoeften tussen ouders en kinderen. Als niets de kinderen tevreden kan stellen voelt de ouder zich beroofd, gefrustreerd en hulpeloos. De ouder is zowel subject als object in de relatie tot het kind.

In de strijd om dingen goed voor elkaar te krijgen als ouder kan deze wanhopig en boos worden op de baby en tegelijk denken dat zij/hij niet goed genoeg is. De weigering van het kind wordt haar/zijn fout. Ambivalentie komt gemakkelijk op als gevolg van allerlei pogingen om het kind te sussen en te bevredigen.

Een moeder die haar kind voor het eerst alleen naar school laat gaan kan tegelijk trots zijn op het kind maar het ook haten omdat ze door een enorme angst heen gaat over een mogelijk ongeluk.

Complementariteit als illusie

Begrijpen van ambivalenties werpt licht licht op de blokkades om over ouderlijke subjectiviteit na te denken. Waarom zouden we ons als therapeuten afsluiten van de ouder’s woede? Is dat omdat we het ouderschap bekijken in het licht van de ‘complementaire relatie’? De een zorgt, de ander wordt verzorgt? De een staat op de achtergrond, de ander op de voorgrond? De een is object, de ander subject? Als we blijven kijken naar de relatie als een complementaire relatie dan kunnen we de ouders niet meer zien als subject. Deze beperkte blik komt veel voor in de wetenschap.

Natuurlijk is de baby afhankelijk en heeft het recht op verzorging en toch kan moeder’s subject zijn niet ontkend worden. Moeder is meer dan alleen object. Het is een illusie dat de ouderlijke subjectiviteit bijna altijd complementair is aan de subjectiviteit van het kind. Winnicot suggereert dat de woede van de moeder – ofwel haar behoefte aan eigen ruimte en subjectiviteit – op een of andere manier wel afgestemd zal raken op de behoefte van de baby om onafhankelijk te worden en de behoefte om zijn ‘magische omnipotentie’ los te laten. Winnicot zegt: ‘the baby needs her hate’. Maar zo blijft de complementaire relatie in stand.

Winnicot heeft het niet over het ongemak van deze ‘haat’ voor de moeder en het conflict dat zij kan voelen over het voor laten gaan van haar eigen behoeften en haar subjectiviteit. Iedere ouder hoopt dat de eigen behoeften zullen samen vallen met die van hun kind. Ouders willen goede ouders zijn. Ze willen zich competent voelen. Dat laadt de emotionele batterijen op, is motiverend en geeft zelfvertrouwen. Het probleem zit hem er echter in dat het de ouder iets doet als deze zich niet intuïtief voelt afgestemd op het kind.

Als ouders hun zorgen hierover uiten bijvoorbeeld als de baby niet wil drinken, dan worden ze vaak afgescheept met dat de natuur zijn werk wel zal doen. Maar natuurlijke instincten kunnen ook falen. Conflicterende gevoelens bestaan. Wat als de moeder niet op kan tegen haar eigen behoefte om zelf afhankelijk te zijn of tegen het verlies van haar empathie. Wat als ze de wens heeft om de huilende baby te laten vallen? Wat dan?

Niet bang zijn voor ambivalentie

De moeder als ‘container’ is allesbehalve statisch. Een moeder kan zich verrijkt of leeg voelen, vervuld of overvol, krachtig of gecommandeerd, uitnodigend of afwijzend, enz. Ze staat steeds weer voor de spanning tussen macht en machteloosheid, tussen subjectief en objectief, tussen keuze of zonder keuze. We moeten het idee dat de moeder weigert, wraak neemt of instort confronteren. Zelfs een ‘goed genoeg’ moeder kan haar kind gaan gebruiken als ‘container’ voor haar eigen gevoelens en behoeften. Hier ligt het probleem waar ambivalentie toe kan leiden. Een ouder kan op een of andere onacceptabele manier een kind gebruiken, emotioneel of fysiek.

Van ouderlijke goedheid gaan we dan over in ouderlijk misbruik. Misschien is het omdat we hier bang voor zijn dat het moeilijk is om na te denken over de mogelijkheden die er liggen tussen goedheid en misbruik. Er is een spectrum van acceptabele en niet acceptabele ouderlijke vormen en momenten van subjectiviteit. Een rits ruw dicht ritsen of andere korte momenten van agressie zullen de liefste moeders wel kennen. Er is ook een spectrum aan goede en slechte gevoelens op het gebied van de sensualiteit. Intimiteit kan overspoeld raken door erotiek of seksualiteit en het onderscheid tussen goede en slechte gevoelens is vaak niet duidelijk. Bewustzijn van sensuele gevoelens hoeft niet automatisch te leiden tot misbruik.

Een pijnlijke confrontatie met de subjectiviteit van haar eigen moeder kan een moeder tegenhouden om de eigen subjectiviteit toe te staan. De moeder gaat zich realiseren wat haar eigen moeder tegenover haar moet hebben gevoeld.

De triade grootmoeder-moeder-baby is de kern van de ‘motherhood constellation’. De moeder werkt haar eigen relatie met haar moeder uit tijdens haar moederschap. Dit kan een bron zijn waar zij uit putten kan.

Terwijl ouders werken aan de bewustwording van hun eigen subjectieve ervaringen als kind worden ze zich ook meer bewust van de belevingen van hun ouders. Hier zit veel repareer-potentie in voor alle partijen.

Als we niet bang zijn voor ambivalentie, subjectiviteit toe staan en onze complexe en conflictueuze innerlijke wereld accepteren kunnen we heel veel repareren.

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Systeemtherapie

Liefde, bent u er klaar voor? 4

Er stond een mooi essay van Arnon Grunberg in De Groene Amsterdammer van 13 januari 2016 onder de kop: ‘ZELF MOEDER WORDEN’ . Grunberg zelf noemt zijn essay: ‘De pijn die liefde is’ en het past goed in mijn serie over liefde. Als u klaar bent voor de liefde, bent u waarschijnlijk ook klaar voor de pijn.


Mijn moeder stierf op 9 februari 2015 in de avond in hetzelfde ziekenhuis, de VU in Amsterdam, waar ze in de jaren zeventig enkele weken had gelegen toen ze was aangereden door een auto op de hoek van de Scheldestraat en de Deurloostraat. Ik zat toen op de kleuterschool, een Montessorischool, en wij kleuters moesten op de trap zitten tot een ouder of verzorger was verschenen om ons af te halen.

Grunberg_20moeder_20op_20maat

Illustratie: Dick Tuinder

De dag dat mijn moeder het auto-ongeluk had bleef ik als laatste op de trap zitten, ik had de kleuters één voor één zien verdwijnen. Mijn moeder was nooit de eerste moeder die verscheen, maar zo laat was ongebruikelijk. Na lange tijd zei de juffrouw, Ems Acohen: ‘Ik breng je naar huis.’

Wat er aan de hand was wist ik toen nog niet, maar dat er iets niet klopte was me duidelijk. Dit is mijn eerste bewuste herinnering aan mijn moeder, alle andere herinneringen zijn verhalen die mij later door haar zijn verteld.

Mijn eerste herinnering aan haar is er dus een waarin zijzelf niet voorkomt. Ik herinner me haar afwezigheid, het wachten op haar komst, en de dreiging van het noodlot dat haar komst verhinderde.

Mijn moeder heeft me altijd voorgehouden: ‘Wij hebben zo verschrikkelijk op je gewacht.’ Tussen mijn zus, die in 1963 is geboren, en mij, ik ben in 1971 geboren, zaten acht miskramen. Dat mijn moeder en mijn zus op mij hebben gewacht, en mijn vader ook, hoewel hij in de verhalen nauwelijks voorkwam, alsof hij niet echt op me wachtte, althans minder dan de andere familieleden, wil ik graag geloven, maar het omgekeerde is net zo waar. Ik heb op mijn moeder gewacht, zittend op de trap van de kleuterschool in de Albrecht Dürerstraat. En in zekere zin zou ik moeten zeggen dat ik nog steeds op haar wacht. Nu meer dan ooit.

Als kleuter werd ik naar een kinderpsychiater gestuurd omdat ik slaapproblemen zou hebben. Ik kan me daar zelf niets van herinneren, maar zo is het mij verteld. De kinderpsychiater had mij onderzocht en zou gezegd hebben: ‘Met dat kind is niets aan de hand, laat de ouders maar komen.’

Dat deden mijn ouders en niet lang daarna raakten ze bevriend met de kinderpsychiater. Typisch iets voor mijn ouders. Eens in de zoveel maanden kwam de kinderpsychiater met zijn gezin bij ons eten en eens in de zoveel maanden gingen we naar de psychiatrische inrichting in Santpoort, waar hij woonde, om daar met zijn gezin te eten. Hoe mijn ouders dit voor elkaar hebben gekregen weet ik niet; ik neem aan dat het voor een psychiater nogal ongebruikelijk is om met zijn cliënten, of patiënten zo men wil, bevriend te raken.

Volgens mijn moeder, dit is wederom een herinnering uit tweede hand, zou ik slaapproblemen hebben gekregen omdat ze regelmatig dreigde mij te verlaten aangezien ik onhandelbaar zou zijn. Ik kan me van die dreigementen niets herinneren. Dat ik onhandelbaar was in de ogen van mijn moeder zou waar kunnen zijn, maar ik kan me niet herinneren dat die werkelijke of vermeende onhandelbaarheid tot gebrek aan moederlijke liefde zou hebben geleid, integendeel.

Later, dat staat me nog goed bij, dreigde ze regelmatig haar gezin te verlaten en naar haar tante in Buenos Aires te gaan, maar ze deed het nooit. En ik wist al vrij jong dat die dreigementen loos waren. Buenos Aires werd een mythische plek, de plek waar mijn moeder heen wilde maar waar ze nooit heen zou gaan.

***

Wat ik me wel herinner uit mijn kleutertijd is dat ik het prettig vond dat mijn moeder in mijn kamer sliep en niet bij mijn vader. Daartoe was ze bereid omdat ik zoals gezegd slaapproblemen had. Ik kon alleen slapen, en nogmaals, dit zijn haar woorden, als ik wist dat mijn moeder later in de avond of in de vroege ochtend bij me zou komen liggen. Dat deed ze, ze kwam naast me op de grond liggen op een rode stretcher met bloemetjes. Ik kan me niet echt herinneren dat ik mijn moeder daadwerkelijk op die stretcher heb zien slapen, maar de stretcher zelf kan ik me nog zeer goed herinneren; meer dan wat dan ook is die stretcher symbool voor mijn moeder, of misschien zou ik zelfs moeten zeggen: die stretcher is mijn moeder.

Op één keer na, toen ik midden in de nacht wakker werd om te plassen, toen heb ik haar op de stretcher zien liggen. In haar nachthemd. Ik ging niet naar de wc, want ik was bang voor de wc, maar ik mocht plassen in een oranje emmertje met een wit hengsel. Dat emmertje stond altijd naast mijn bed en het ging ook mee op vakantie. Ik werd wakker, plaste in mijn emmertje, terwijl mijn moeder op haar stretcher lag.

Als ik mij een symbool van veiligheid uit mijn vroegste jeugd voor de geest haal, is het de oranje emmer met het witte hengsel. Poepen deed ik op een wit potje in de woonkamer, tot op hoge leeftijd, misschien wel mijn negende of tiende. Ik was vroeg zindelijk, maar de wc boycotte ik. Mijn zus pestte mij daarmee. Je zou kunnen zeggen dat ik een wc voor mezelf wilde, dat ik het toilet niet wenste te delen met de overige gezinsleden en al helemaal niet met vreemden.

Het valt me op dat in mijn meest levendige, vroegste herinneringen mijn moeder aanwezig was op een afwezige manier. Ik zie de oranje emmer voor me, de stretcher, maar ze ligt er niet op, de trap van de kleuterschool waarop ik zit te wachten, mijn moeder zie ik nergens of uiterst vaag, als een schim. Terwijl ik zeker weet dat mijn moeder, die toen niet meer werkte, in werkelijkheid zeer aanwezig was; ze bekommerde zich fulltime om het gezin, de kinderen en met name om het jongste kind, mij dus. Ik zie de Tupperware-beker die ze bij zich had als ze mij afhaalde van school en waarin uitgeperst sinaasappelsap zat scherp voor me. Ik zie de rode schaal waarin het deeg zat voor cake; mijn moeder was geen goede kok, maar ze kon uitstekend taarten bakken. Zelf blijft ze een droombeeld, haar fiets is scherper te zien dan zij.

***
De uitdrukking ‘met het kind is niets aan de hand, laat de ouders maar komen’ werd een running gag in het gezin en werd door mijn beide ouders met trots herhaald. Waarop zij precies trots waren weet ik niet. Dat er met mij niets aan de hand was of dat er met hen wel iets aan de hand was? Misschien waren ze verrukt dat zij in staat waren een kind voort te brengen met wie volgens deskundigen niets aan de hand was. Een klein wonder.

Voor mij had die zin ook iets bedreigends. Ik was het kind met wie niets aan de hand was, maar wilde ik dat wel zijn? En wat betekende het dat er met mijn ouders wél iets aan de hand zou kunnen zijn? Dat kon er alleen op duiden dat ik fundamenteel anders was dan mijn ouders.

Van het woord ‘niets’ ging, maar dat is interpretatie achteraf, een dreiging uit, een onheilspellende leegte. Als er niets met je aan de hand is moet je zelf ook wel niets zijn.

Toch heb ik gaandeweg deze gevleugelde uitdrukking tot onderdeel van mijn identiteit gemaakt, in positieve zin: met mij is niets aan de hand. Als deze tekst van iets wil getuigen, voorzover ik iets kan en mag zeggen over de intenties daarvan, dan toch wel daarvan, dat er met mij niets aan de hand is.

Van het kind met wie niets aan de hand was, ben ik de man geworden met wie niets aan de hand is en ik ben eigenlijk vast voornemens dat tot het eind van mijn leven te blijven.

Toen ik zo rond mijn vijftiende mijn middelbare school niet af wilde maken ben ik door leraren en ouders wederom naar hulp­verleners gestuurd. Eerst naar een psycholoog. Ik vertelde hem volstrekt verzonnen verhalen over een meisje dat zelfmoord had gepleegd. Het meisje bestond niet en haar zelfmoord dus evenmin, maar ik was erg onder de indruk van mijn eigen verhalen. Of de psycholoog dat ook was weet ik niet, hij zei weinig tot niets. Wat ik me vooral herinner is een doos met tissues die op een kleine tafel stond tussen de psycholoog en mij in. Ik had het gevoel dat er van mij verwacht werd dat ik zou gaan huilen, dat het bij het rollenspel hoorde dat wij beiden opvoerden. Maar huilen ging me te ver, ook aan een rollenspel zitten grenzen.

Omdat de psycholoog niet de gewenste effecten had bereikt, betere resultaten op school, werd ik naar een psychiater gestuurd die meer zei dan de psycholoog en ook wat strenger was. Hij zorgde ervoor dat ik niet in dienst hoefde en na vijf of zes keer met mij gesproken te hebben gaf hij me het dringende advies om bij mijn ouders weg te gaan. Ook hij leek met zoveel woorden te bevestigen wat de kinderpsychiater op mijn derde al had gezegd: met mij is niets aan de hand.

Op een gegeven moment verscheen ik niet op een consult. Ik heb daarna nooit behoorlijk afscheid van hem genomen, iets waar ik me toch schuldig over voelde. Toen ik de psychiater een paar jaar geleden bij toeval ontmoette, leek het me verstandig, zij het wat verlaat, afscheid van hem te nemen. Ik maakte een afspraak om koffie te gaan drinken. Hij was inmiddels geen psychiater meer maar coach – ik weet niet precies wat het verschil was tussen een coach en een psychiater, maar ik had sterk de indruk dat een coach beter verdiende – en toen we dan eindelijk na ruim twintig jaar de behandeling voor beëindigd verklaarden, zei hij: ‘Het verbaasde me niet dat iemand die geen afscheid van zijn moeder kon nemen ook geen afscheid van mij kon nemen.’

Ik kon me niet helemaal in deze analyse vinden. Naar mijn gevoel had ik wel degelijk afscheid van mijn moeder genomen, ik had met haar gevochten, ik was naar New York gegaan, ik had de plannen van mijn ouders – een wetenschapper worden en met een joodse vrouw trouwen – niet verwezenlijkt; nee, het afscheid nemen was een geslaagde operatie geweest. Niet zonder moeite, maar de mooiste operaties zijn de moeizaamste operaties.

***

Op die avond van 9 februari 2015 zat ik te dineren in een Japans restaurant in de Maasstraat in Amsterdam, niet ver van de Dintelstraat, waar ik ben opgegroeid, met een expert op het gebied van cyber security vanwege een artikel dat ik over cyber security zou gaan schrijven. Tijdens het voorgerecht belde mijn zus, zij woont al ruim dertig jaar in Israël, maar ze was op bezoek met haar oudste dochter en twee kleinkinderen; alles was goed met mijn moeder in het ziekenhuis, het zuurstofgehalte in mijn moeders bloed was omhoog aan het gaan. Tijdens het hoofdgerecht werd ik weer gebeld door mijn zus. We moesten onmiddellijk naar het ziekenhuis komen, het ging niet goed met mijn moeder.

Ik wist toen al dat ze dood was.

Ik herinnerde me een zondagavond aan het begin van de jaren negentig. Ik was in dienst van een uitgeverij van theaterboeken, de itfb, en was nog wat gaan werken op kantoor, ik had de sleutel. Omdat ik wachtte op een bericht van een vrouw – ik wachtte altijd op berichten van vrouwen – belde ik mijn antwoordapparaat, het was de tijd van voor de mobiele telefoon, om te horen wie er allemaal hadden ingesproken. Geen vrouw die mij de liefde verklaarde, alleen mijn moeder die kalm zei: ‘Je vader is dood. Je moet naar het ziekenhuis komen.’

Je wacht op liefde en de dood komt. Dat vat het leven samen, de krankzinnige schoonheid ervan, de absurde hoop, de ondoorgrondelijke hartstocht waarmee dit wachten dikwijls gepaard gaat.

Mijn zus rende op 9 februari 2015 de trappen van het VU-ziekenhuis omhoog en ik dacht, wat dwaas, dat hoeft niet meer. Ik had mij al van de situatie gedistantieerd. Toen mijn zus naast mijn dode moeder vreselijk begon te huilen stelde ik in mijn hoofd de column over de dood van mijn moeder samen die ik de volgende dag voor de Volkskrant zou gaan schrijven. Dat mag emotieloos klinken, maar emotieloos zou geen recht doen aan de complexiteit van mijn gevoelens. Als mijn moeder mij iets heeft geleerd is het wel om me razendsnel te hechten en ook razendsnel weer te onthechten. Ik kan me hechten in vijf minuten, maar ik ben in dertig seconden ook weer onthecht.

Slechts in uitzonderlijke gevallen lukt het niet of duurt het jaren, en als ik mijn relatie met mijn moeder en met andere vrouwen zou moeten omschrijven zou ik zeggen: een voortdurend, al dan niet speels proces van extreme hechting en extreme onthechting, tot de extremiteit van de onthechting hernieuwde hechting onmogelijk maakt.

***

De dood is vermoedelijk de extreemste vorm van onthechting die mogelijk is, toch ben ik me van geen rouwproces bewust geweest. Want hoe kun je rouwen om iemand op wie je wacht?

De christenen rouwen niet zozeer om Jezus, ze wachten op zijn terugkeer. De joden rouwen niet om de Messias, ze wachten op zijn komst.

De avond van de negende februari schreef ik op mijn weblog dat ik nu zelf moeder moest worden. Wat zou dat betekenen, zelf moeder worden, is een vraag die ik mij de afgelopen maanden bij tijd en wijle heb gesteld en die nu maar eens beantwoord moet worden.

Je zou kunnen zeggen dat ik tot nu, ik ben een man van 44, op die trap van de kleuterschool in de Albrecht Dürerstraat ben blijven zitten, wachtend op mijn moeder. Af en toe verscheen een juffrouw die zei me naar huis te zullen brengen, maar ik keerde steeds weer terug naar de trappen van de kleuterschool met een hardnekkigheid die misschien niet van waardigheid is te onderscheiden. Men zou ­kunnen beweren dat het tijd wordt die trap te verlaten, maar ik geloof niet dat ik daartoe bereid ben. Het is een ­vruchtbare plek gebleken, ik heb er diverse boeken geschreven, ik heb er gereisd, ik heb er geleefd. Het is mijn thuis geworden.

Alleen nu ik zelf mijn moeder ben geworden kan ik niet meer zeggen dat ik op haar wacht. Ik wacht op mezelf.

Het kan niet onvermeld blijven dat mijn beide ouders de oorlog hebben overleefd. Mijn moeder in diverse kampen, mijn vader op diverse onderduikadressen.

Ik wil mijn moeder niet reduceren tot het kamp, tegelijkertijd kan ik haar niet los zien van het kamp. En misschien zijn drie belangrijke lessen die ik van mijn ouders heb geleerd ook niet geheel daarvan los te zien. Pijn is communicatie. Pijn is intimiteit. Pijn is liefde.

Ik ben bemind en ik heb bemind wil altijd ook zeggen: ik ben gepijnigd en ik heb gepijnigd. Maakt dit van de minnaar een psychopaat? Moeten wij misschien zeggen: met de psychopaat is niets aan de hand?

Ik zal deze vragen onbeantwoord laten.

Mijn moeder bleef tot vlak voor haar dood benadrukken hoe verleidelijk ze was als meisje, en dat deze verleidelijkheid in niet geringe mate heeft bijgedragen aan haar overleven. ‘De moordenaars glimlachten naar me’, zei ze. De laatste jaren herhaalde ze deze zin soms wekelijks, soms ook dagelijks. Alsof ze nog altijd niet kon geloven dat de moordenaars naar haar glimlachten. Alsof ze dacht dat alleen moordenaars naar haar konden glimlachen. Alsof de moordenaars maar naar haar bleven glimlachen.

Zelf moeder worden betekent ook zelf verleider worden. En wie anders dan de lezer moet de schrijver verleiden?

Ik ben de schrijver die in het oor van de lezer fluistert: ‘Als het pijn doet, is het liefde.’


Ik heb begrepen dat Arnon Grunberg zijn moeder enkele malen per dag telefoneerde, waar ter wereld hij ook was. Daarom kon ik de psychiater/coach in het essay wel volgen in zijn analyse dat Grunberg geen afscheid kon nemen van zijn moeder. Grunberg zelf kan zich hier niet in vinden schrijft hij. Zijn regels over hoe hij zijn ouders verliet klinken als passend bij de levensfase. Inderdaad, niets mis met Grunberg. Afscheid nemen kan hij best. Hechten en onthechten kan hij zelfs extreem goed.

… Als mijn moeder mij iets heeft geleerd is het wel om me razendsnel te hechten en ook razendsnel weer te onthechten. Ik kan me hechten in vijf minuten, maar ik ben in dertig seconden ook weer onthecht.

Slechts in uitzonderlijke gevallen lukt het niet of duurt het jaren, en als ik mijn relatie met mijn moeder en met andere vrouwen zou moeten omschrijven zou ik zeggen: een voortdurend, al dan niet speels proces van extreme hechting en extreme onthechting, tot de extremiteit van de onthechting hernieuwde hechting onmogelijk maakt.

De dood is vermoedelijk de extreemste vorm van onthechting die mogelijk is, toch ben ik me van geen rouwproces bewust geweest. Want hoe kun je rouwen om iemand op wie je wacht?

Vanuit de hechtings-theorie zijn deze regels interessant.

Met dat willen blijven wachten op zijn moeder lijkt het alsof Grunberg gewoon in de eerste fase van het rouwproces wil blijven, in de fase van de ontkenning. Zijn moeder is in de verbeelding van het wachten op haar niet ècht dood en het wachten op haar voelde toch al vertrouwd.

Er kleven voor de schrijver Grunberg aardig wat voordelen aan het wachten, zittend op die trap van zijn basisschool. Het levert literatuur op. Daar is hij eerlijk over. In dat ‘blijven wachten’ is hij waarschijnlijk niet de enige kunstenaar die daar inspiratie uit haalt. Hoewel niet elke kunstenaar op zijn moeder aan het wachten is maar dan misschien toch wel op iets of iemand anders.

Had zijn coach/psychiater misschien toch gelijk met zijn analyse dat afscheid nemen voor Grunberg moeilijk is? Afscheid nemen van je moeder iets natuurlijk iets anders dan afscheid nemen van het wachten op je moeder? Het afscheid nemen van het wachten op je moeder, ofwel het afscheid nemen van het wachten op haar liefde, zou je kunnen zien als een vorm van het afscheid nemen van ‘valse hoop’, wat een afweermechanisme is. Zèlf de liefde worden – wachten op jezelf – lijkt de beste oplossing. Zou dat nu echt ten koste gaan van de literatuur?

Ik proef ambivalentie in Grunbergs essay: aan de ene kant zegt hij dat hij zijn moeder nu zelf is en dus niet meer op haar wacht en alleen nog maar kan wachten op zichzelf. Aan de andere kant zegt hij dat hij liever op die trap blijft zitten wachten op haar.

Ja, soms zijn we de liefde zelf en soms wachten we op haar. Twee zijns-vormen die elkaar afwisselen. Voorlopig wacht Grunberg met een ondoorgrondelijke hartstocht en daar kunnen zijn lezers van genieten. En ja, zowel het ‘zelf moeder worden’ als het ‘op moeder wachten’ zullen met zowel pijn als liefde gepaard gaan.

Wat die ‘werkelijke of vermeende onhandelbaarheid’ van Grunberg als kind geweest is kan hij misschien ooit nog eens toelichten. Misschien komt dan de relatie met zijn vader nog aan bod… daar ben ik wel benieuwd naar. Of misschien komt dan de relatie tussen zijn ouders aan bod. Tot tweemaal toe hebben psychiaters tegen hem gezegd dat er met hem zelf ‘niets aan de hand’ was… dan was er misschien iets met zijn ouders aan de hand. Misschien komt ooit nog duidelijker aan bod hoe het trauma uit de Tweede Wereldoorlog een rol speelde in die ‘werkelijke of vermeende onhandelbaarheid’. Het trauma begonnen bij de glimlachende moordenaar.

Ja, pijn en liefde zijn met elkaar verbonden. Helemaal eens. Maar wij mensen zijn ook verbonden. Je kunt samen zoeken om pijn en verdriet een plaats te geven door te verbinden. Dat kan heel mooi zijn. Ergens daar is ook de liefde te vinden. Hierover sprak onlangs de psychiater Dirk de Wachter. Zie mijn blog: De verdriet-dokter over de liefde.

Afscheid nemen vind ik persoonlijk niet zo gemakkelijk. Daarom intrigeerde het essay van Grunberg mij en wilde ik het delen.


NB. Als systeemtherapeut denk ik over het algemeen dat er meer ‘aan de hand is’ met een (gezins-)systeem dan met het individu zelf.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychologie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie - Rouwen, Systeemtherapie

Consultatiebureau’s maken te weinig werk van ouder-kind relatie

EEN BABY IS GEEN ‘DING’

Met toestemming van de journalist Marilse Eerkens heb ik dit bericht overgenomen uit De Correspondent.

Zo’n 30 tot 40 procent van de Nederlandse kinderen tussen één en twaalf jaar is niet veilig aan zijn ouders gehecht. De vele problemen (en kosten) die dit met zich meebrengt, zouden vermeden kunnen worden als consultatiebureaus zich meer bezighouden met de relatie die jonge ouders opbouwen met hun baby. In Limburg zijn ze alvast begonnen.

55a792de94e903291775692

Foto: Getty Images

Praktische opvoedtips

Dat is waar het volgens kinderpsycholoog en hechtingsdeskundige Paulien Kuipers nog te veel om draait op consultatiebureaus. In plaats van te focussen op de relatie tussen de ouder en de baby – ‘dit is een moeder in emotionele nood die het moeilijk vindt om een band op te bouwen met haar baby’ – wordt er gekeken naar de (medische) problemen bij het kind en wat de ouder moet doen om dit (voor zover mogelijk) op te lossen.

Een gemiste kans, vindt Kuipers. Als kinderpsycholoog met ruim vijfentwintig jaar ervaring ziet zij zeer regelmatig kinderen wier problemen bijna allemaal zijn terug te voeren op iets wat is scheefgelopen in de opgebouwde relatie tussen ouders en kind in het eerste levensjaar. Een jongetje dat voortdurend op een negatieve manier de aandacht naar zich toe trekt. Een zeer teruggetrokken meisje waar de ouders bijna geen contact mee kunnen krijgen. Of het kind dat iedereen wil ‘pleasen’ omdat het heel bang is om onaardig te worden gevonden. Bij doorvragen blijkt vaak dat er iets heeft gespeeld tijdens en/of kort na de bevalling. Het kind was bijvoorbeeld niet echt gewenst, het leven met een baby bleek tegen te vallen, de moeder vond het moeilijk om liefde te voelen voor haar baby. Dat daar iets is misgegaan, komt zelden doordat de ouders te beroerd waren om het goed te doen. Ze wisten gewoon niet wat ze met hun gevoel aan moesten, niet dat ze er iets aan konden doen.

Emotioneel uit de bocht vliegen

Als het schort in de relatie die ouder en baby met elkaar hebben opgebouwd, spreek je van een onveilige hechting. Dat kan ervoor zorgen dat je als kind en later als volwassene meer moeite hebt met het aangaan en in stand houden van vriendschappen, liefdesrelaties of relaties op het werk. Daarnaast kun je jezelf emotioneel niet goed in balans brengen als er iets vervelends gebeurt in je leven. Als we de kosten van de jeugdzorg willen terugdringen, dan is er op dit vlak dus een enorme winst te behalen.

Simpel gezegd: als je onveilig gehecht bent als kind, vlieg je op emotioneel vlak makkelijker uit de bocht. In haar boek Why Love Matters. How Affection Shapes a Baby’s Brain laat de Engelse psychotherapeut en schrijver Sue Gerhardt zien dat veel psychische aandoeningen zoals angststoornissen en depressie, eetstoornissen, borderline en extreme vormen van narcisme vaak een uitwas zijn van een onveilige hechting.

Het begrip ‘hechtingsproblemen’ wordt vooral geassocieerd met adoptiekinderen en pleegkinderen. Dat is onterecht. Maar liefst 30 tot 40 procent van de thuiswonende Nederlandse kinderen tussen één en twaalf jaar is onveilig gehecht. Als we de kosten van de jeugdzorg en de geestelijke gezondheidszorg willen terugdringen, dan is er op dit vlak dus een enorme winst te behalen, aldus Kuipers.

Mee de spreekkamer in

Deze boodschap viel in goede aarde bij de Maastrichtse wethouder Mieke Damsma, verantwoordelijk voor de jeugdzorg in Zuid-Limburg. In goed overleg met de organisatie waar de consultatiebureaus van Maastricht-Heuvelland onder vallen – Envida – werd daarom besloten alle jeugdartsen en verpleegkundigen uit de regio Maastricht vier dagdelen vrij te maken om op kosten van de gemeente de bijscholingscursus ‘Hechten in de eerste lijn’ van Paulien Kuipers te volgen. Daarnaast werden zij door Kuipers praktisch gecoacht tijdens het werk. De provincie Limburg – ook enthousiast – regelde geld om het project te evalueren en de cursus in de rest van Limburg te verspreiden. Alles om consultatiebureaumedewerkers meer ondersteuning te kunnen bieden bij het voorkomen van hechtingsproblemen tussen ouder en kind.

Esther Arentsen is een van de jeugdartsen die de training van Kuipers volgde. Ik mag met haar mee de spreekkamer in. Hoewel ik niet weet hoe Arentsen vóór de training werkte, valt me op hoe ze luistert en meedenkt met de moeder die langskomt met haar vier weken oude baby Kaya. De moeder zegt dat ze gek wordt van de nachtelijke borstvoedingen. Ze komt bijna niet meer aan slapen toe en heeft besloten dat ze over wil gaan op flesvoeding.

Arentsen stelt de moeder eerst gerust – lengte en gewicht van de baby zijn uitstekend. Ze kijkt tijdens het praten veel naar Kaya en haar moeder en wijst erop hoe de baby contact zoekt. ‘Kijk, ze reageert op je stem. Ik zie echt dat ze tot rust komt bij jou op schoot.’

Als ze Kaya gaat onderzoeken, noemt ze eerst haar naam en legt ze haar precies uit wat ze gaat doen. Aan het einde van het gesprek lijkt de moeder tevreden met de tip die ze krijgt: één fles kunstvoeding voor het slapen, verder toch nog even borstvoeding aanhouden. ‘Over twee weken laat ik de verpleegkundige je bellen over hoe het gaat ’s nachts. Als het dan nog steeds niet lekker loopt, kunnen we samen kijken wat jou dan wel verder kan helpen.’

Arentsen vertelt dat ze sinds de cursus anders is gaan werken. ‘Ik vond het vroeger een beetje vreemd om een baby bij de naam te noemen voor ik ging uitleggen welke onderzoeken ik ging doen. Maar door dat te doen, maak je ouders duidelijk dat een baby – hoe klein ook – een echt persoon is en geen ‘ding’ dat alleen gevoed en verschoond moet worden. Ouders gaan daardoor ook zelf meer praten tegen hun baby, leerde ik van Paulien.’

Arentsen benoemt ook meer dan vroeger wat er goed gaat in de relatie tussen de moeder en de baby. Dat de baby op haar reageert en dat de moeder goed aanvoelt wat haar baby nodig heeft.

Was ze als jeugdarts op het consultatiebureau hiervoor dan helemaal niet bezig met hechting? Dat wel. En het was ook zeker zo dat ze het intuïtief meestal wel aanvoelde als de band tussen de ouder en de baby niet goed was. Maar ze had weleens moeite met het benoemen. ‘Sinds de cursus weet ik beter hoe ik dit onder woorden kan brengen zonder het te zwaar te maken en de ouder het gevoel te geven dat-ie het allemaal fout doet.’

‘Veel vrouwen denken dat het gevoel voor hun baby vanzelf komt’

Dat taal heel belangrijk is, schrijft Kuipers ook in haar binnenkort te verschijnen boek Eerste hulp bij hechting. Taal voor ouders en hun jonge kind. Een cruciaal woord is bijvoorbeeld ‘terwijl.’ Dus: ‘Ik zie dat jij en je baby heel erg gespannen zijn, terwijl jij heel erg je best doet om het goed te doen.’ Dat ontschuldigt ouders en dat is heel erg belangrijk.

Hechting is volgens Kuipers namelijk een heel delicaat onderwerp. Het is erg moeilijk om toe te geven dat je niet onverdeeld enthousiast bent over je baby. Dat hoort niet. Terwijl er van alles aan de hand kan zijn dat ervoor zorgt dat die ‘vanzelfsprekende’ band met je baby niet tot stand komt. Een verschrikkelijke bevalling, een ongeplande zwangerschap, een aanstaande echtscheiding, een eerdere wiegendood, nare jeugdervaringen (soms gepaard met een onveilige hechting) of een schuldgevoel omdat je je baby na de bevalling een tijdje in het ziekenhuis hebt moeten achterlaten en er niet voor hem kon zijn. ‘Ik heb ook weleens een moeder gehad die het heel moeilijk vond dat haar man vanzelfsprekender omging met de baby dan zijzelf,’ zegt Kuipers. Ook dat kan een gezonde hechting in de weg staan. Als je de schaamte over dit onderwerp kunt doorbreken, kun je volgens Kuipers gaan toewerken naar een oplossing.

‘Veel vrouwen denken dat het gevoel voor hun baby vanzelf komt,’ zegt Kuipers. ‘Ze denken: ‘Volhouden, we moeten deze klus klaren’.’ Zonde, want hoe eerder je deze zaken boven tafel krijgt, hoe beter. In veel gevallen is het al genoeg om er op een gerichte manier over te praten.’

Navolging in de rest van Nederland

Zou dit Limburgs initiatief geen navolging moeten krijgen? vraag ik Bettie Carmiggelt van het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, dat de richtlijnen voor de Nederlandse consultatiebureaus verspreidt en ondersteuning biedt bij de invoering. Carmiggelt vindt het initiatief heel lovenswaardig, maar benadrukt dat jeugdartsen al lang met hechting bezig zijn.

Maar weten zij ook hoe ze hechtingsproblemen kunnen signaleren, hoe ze het bespreekbaar maken en wat ze moeten doen om die hechting te bevorderen? Uit de evaluatie in Limburg kwam duidelijk naar voren dat de artsen heel blij zijn met de gerichte handvatten die ze hiervoor hebben gekregen. Ze weten nu hoe ze moeten praten over problemen die met hechting te maken zouden kunnen hebben en ze weten wat ze kunnen doen om een veilige hechting te bevorderen.

Dat is heel mooi, vindt Carmiggelt. En ja, het kan natuurlijk altijd beter. Maar er zijn nog zo veel andere belangrijke onderwerpen die ook extra aandacht verdienen. En de koepelorganisatie van de consultatiebureaus in Zuid-Limburg kan het onderwerp altijd op de landelijke agenda zetten en ervoor pleiten dat er een richtlijn voor dit onderwerp gemaakt wordt. Misschien dat het dan wordt opgepakt.

Paulien Kuipers is sceptisch. ‘Veel jeugdartsen denken dat ze wel weten hoe het zit met hechting. Dat hoort toch bij hun vak? Maar tijdens de lezingen die ik geef, merk ik dat de kennis heel oppervlakkig is.’

Dat spijker je niet zomaar even bij in een middag volgens jeugdarts Esther Arentsen. ‘Het duurt echt even voordat je jezelf een nieuwe manier van werken eigen maakt. Dit onderwerp moet je daarom voortdurend op de agenda blijven zetten. Ik ben erg voorstander van een opfriscursus over een jaar. Anders blijft het niet genoeg hangen.’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Psychologie

Hechting tussen cliënt en therapeut

EN… HECHTING KOST TIJD!

In dit filmpje legt de psycholoog en psychotherapeut Jeanette de Waal uit wat het belang van de hechting is voor de mens en de (partnerrelatie) therapie.


Onderstaand bericht is een bewerking van een artikel van de Waal uit het Tijdschrift voor psychotherapie (2002): ‘In den beginne was er hechting…’ Het artikel is anno 2015 nog steeds van belang.

De Waal zocht uit wat de theorieën over hechting betekenen voor de relatie met en de behandeling door de psychotherapeut.

Bij veilige hechting ontstaan positieve innerlijke werkmodellen van zelf en anderen op basis waarvan zowel het eigen functioneren als de buitenwereld zonder belangrijke vertekeningen waargenomen worden. Onveilige hechting leidt tot dysfunctionele copingstrategieën, een beperkt vermogen tot mentaliseren en tot problematisch relationeel functioneren. Neurobiologisch onderzoek toont het belang aan van vroege hechtingservaringen voor de ontwikkeling van de structuur van het brein. In de psychotherapeutische relatie worden de hechtingspatronen gereactiveerd en daardoor ook beinvloedbaar. Langer durende therapieën bieden daar de nodige ruimte voor.

De mate waarin de therapeut en de cliënt samen een relatie creëren waarbij hechting mogelijk is bepaalt volgens De Waal hoe positief de uitkomst van de therapie is. Deze hechtingsrelatie vormt de basis voor de verandering. Bij mensen met complexe trauma’s is het proces van de hechting de eigenlijke therapie!

De druk van de laatste jaren op psychologen om kortdurend en klachtgericht te werken is dus geen goede ontwikkeling. Die druk is na 2002 enorm toegenomen.

Ik ga met het schrijven van dit bericht de tijd nemen voor de relatie en de hechting tussen de therapeut en de cliënt. Ik ga achter de klacht kijken, namelijk naar de persoon met de klacht. En ik doe net alsof op het moment de toekomst van de GGZ niet op scherp staat.

Inleiding

Hechten is een biologische drijfveer, van even groot belang als de zuigreflex. Hechten moet volgens de dwingende wetten van de natuur of opvoeders nu liefdevol of mishandelend zijn.

Ongeveer 70% van de bevolking is veilig gehecht en 30% is onveilig gehecht. Deze percentages werden ook bij transcultureel onderzoek gevonden.

De eerste die onderscheid maakte tussen veilige en onveilige hechting was Bowlby (1969). Zijn theorie wordt door allerlei neurobiologisch onderzoek ondersteund. Hechtingservaringen zijn de basis voor het latere psychisch functioneren. Deze ervaringen leiden er toe dat er ‘innerlijke werkmodellen’ worden gevormd die het kind gaat gebruiken om te anticiperen op en in contact te komen met de buitenwereld. De innerlijke werkmodellen of mentale representaties bepalen hoe het ‘zelf’ in relatie tot anderen beleefd en waargenomen wordt. Is het zelf competent en om van te houden; zijn anderen beschikbaar en veilig – of niet?

De primaire zorgomgeving is dus van cruciaal belang voor de ontwikkeling van het sociaal-emotionele functioneren. Hierbij staat het vermogen tot affectregulatie (het reguleren van emoties die opgeroepen worden) centraal. Maar zonder de stimulatie van een als veilig ervaren ander stagneert de ontwikkeling van functies en structuren in de hersenen op meer gebieden dan alleen de affect-regulatie, nl. ook op het gebied van de waarneming en het geheugen.

Mishandelde of verwaarloosde kinderen zijn chronisch emotioneel ontregeld: zij vertonen een verhoogd angstniveau of apathie. Hun sociale interacties worden gekenmerkt door over- of onderassertiviteit en door een verstoorde impulsregulatie. Aandacht en concentratie zijn problematisch  en cognitieve functies zijn aangetast.

Ontwikkeling vindt dus plaats zowel op het niveau van de hersenen als op het niveau van het emotionele bewustzijn en de betekenis die gegeven worden aan ervaringen.

Veiligheid wordt geboden door ‘containment (opvang) van negatieve emoties die het kind zelf niet kan reguleren en door het kind plezier en positieve emoties te bieden. Ouders die gevoelig zijn voor de toestand van het kind valideren zijn of haar gevoelens. Dit is van essentieel belang om vertrouwen in de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van de hechtingsfiguren en om vertrouwen in zichzelf te ontwikkelen omdat het eigen gedrag als effectief wordt beleefd. Het kind leert zo om te vertrouwen op de eigen waarneming en ontwikkelt het vermogen om zijn affecten te reguleren.

Emoties zijn het immuunsysteem van de geest. positieve of negatieve emoties waarschuwen of de situatie veilig of onveilig is – kan ik dichterbij komen of moet ik me wapenen? Het is belangrijk dat dit immuunsysteem goed werkt. Zo niet, dan wordt ons functioneren bedreigd.

Emotie is een toestand van voelen. Het speelt zich af in ons lijf; het is een autonome reactie waarop wij geen directe invloed hebben. Emoties worden niet op een bewust niveau geregistreerd, terwijl ons gedrag er wel door bepaald wordt. Emoties kunnen door een ander aan onze gezichtsuitdruking herkend worden voordat wij er ons zelf van bewust zijn. ‘Weet hebben van een gevoel’ komt pas tot stand op het moment dat een emotie vertaald wordt naar een gevoel en dus op een hoger bewustzijnsniveau onderkend en benoemd wordt.

We kunnen boosheid voelen en direct in actie omzetten maar we kunnen ook boosheid in onszelf waarnemen om daarna het gevoel in woorden om te zetten.

Vier verschillende basispatronen van hechting voortkomend uit de ‘strange situation test’ en het ‘adult attatchment interview’.

I. Hechting-stijlen bij kinderen: vier patronen

Deze vier patronen kwamen eerst in 1978 naar voren in de zogenaamde ‘strange situation test’ (Ainsworth en anderen). Er werd gekeken naar de reacties van peuters op een kortdurende scheiding van en hereniging met hun moeder of verzorger in een gestandaardiseerde situatie. Het angst-regulerende gedrag van de kinderen werd geregistreerd waarbij vooral het moment van hereniging met de moeder centraal stond. Kon het kind zich herenigen en daarna weer de aandacht op de omgeving richten? Het ging om de zoektocht van het kind tussen afstand en nabijheid in de relatie tot de moeder.

De basispatronen in de wijze waarop de peuters met de stress van deze situatie omgingen waren: de veilige hechting, de angstig vermijdende hechting, de angstig ambivalente hechting. Bij een later onderzoek werd het vierde basispatroon toegevoegd: de gedesorganiseerde hechting.

1. Veilig gehechte kinderen zoeken troost en steun bij hun moeder om daarna opnieuw over te gaan tot zelfstandig exploratiegedrag. De moeder reageert in dit geval sensitief op de stresssignalen van het kind en geeft adequate zorg en aandacht. Gezien vanuit het kind kun je zeggen dat het kind adequate reacties aan het kind weet te ontlokken, waardoor het eigen gedrag als effectief wordt beleefd.

2. Angstig vermijdende kinderen zoeken geen troost en steun bij de moeder en blijven zich richten op hun omgeving. Ze gedragen zich alsof ze niet geraakt worden door de scheiding en zetten, zo lijkt het, onverstoord hun (ongerichte) exploratiegedrag voort. Het hechtingsgedrag is gedeactiveerd. Deze kinderen worden vaak als ‘makkelijk’ bestempeld. Het is echter opmerkelijk dat fysiologische maten van stress, zoals een versnelde hartslag en een hoge cortisolspiegel, bij hen evenveel afwijken als bij peuters die wel openlijk ontregeld zijn. Deze kinderen hebben al vroeg geleerd om uitingen van emotionele afhankelijkheid en ontreddering te onderdrukken om zichzelf te beschermen tegen de pijn die afwijzing door onbereikbare ouders  oproept.

3. Angstig ambivalent gehechte peuters laten een grote mate van ontregeling zien. Zij blijven zich na de hereniging vastklampen aan hun moeder maar ze zijn boos en moeilijk te troosten. Ze blijven lange tijd ontregeld wat ten koste gaat  van hun aandacht voor en exploratie van de omgeving. Het hechtingssyteem is eigenlijk op hol geslagen. Deze kinderen zijn gewend aan de onberekenbaarheid van hun ouders die soms wel en soms niet beschikbaar zijn. Het maximaliseren van emoties geeft deze kinderen de meeste kans om aandacht te krijgen.

Iki Freud heeft in ‘Mannen en moeders’ een interactie beschreven tussen een moeder en haar zoon waarbij de moeder aan de ene kant toegeeft aan zijn behoefte aan troost maar aan de andere kant boos op hem blijft. Die boosheid jaagt de zoon zoveel angst aan dat hij dan steeds meer behoefte aan troost heeft. Dit is een typisch voorbeeld van de angstig ambivalente hechting.

4. Gedesorganiseerd gehechte kinderen vertonen bij stress chaotisch gedrag waarbij ze verschillende coping-strategieën afwisselen. Het bizarre en angstaanjagende gedrag van de hechtingsfiguren stelt het kind voor een onoplosbaar conflict omdat de hechtingsfiguren tegelijkertijd de oorzaak van de angst als de bron van troost zijn. Deze kinderen zijn hyper-alert en voor het gedrag van de moeder en extreem gevoelig voor haar mentale toestand terwijl de eigen innerlijke wereld ontregeld en verbrokkeld blijft. Een samenhangende strategie om met angst om te gaan blijft uit.

II. Hechting-stijlen bij volwassenen: vier patronen

In 1985 werd er een interview ontwikkeld (Main, Kaplan en Cassidy) waardoor het onderzoek naar hechting zich verder ontwikkelde. Volwassenen werden in het semi-gestructureerde interview  (Adult Attachment Interview, AAI) gevraagd om zich hechtingservaringen te herinneren en deze te bespreken. Bij de beoordeling van hun antwoorden stond niet de inhoud van hun verhaal centraal maar de huidige mentale representaties van de vroegere ervaringen: niet wàt er was gebeurd was belangrijk maar hòe er nu over gedacht en gesproken werd. Op deze manier kregen de onderzoekers toegang tot de onbewuste lagen van het mentale functioneren.

Basisschema’s van het zelf en de ander die gebaseerd zijn op vroege hechtingservaringen worden opgeslagen in het zogenaamde ‘procedurele of impliciete geheugen’. Dit geheugen bevat impliciete  relationele kennis die zich gevormd heeft in de eerste levensjaren, nog voor de ontwikkeling van de taal. De automatismen van het dagelijks leven, de reacties die we vertonen zonder dat we er over kunnen of moeten nadenken – onze ‘lijfreacties’ zijn er in opgeslagen.

Het AAI laat zien hoe de volwassene de informatie over de hechtingsfiguren opgeslagen heeft. De kwaliteit, kwantiteit, relevantie en stijl van de antwoorden van de volwassene werden beoordeeld. Kwaliteit wil hier zeggen dat het verhaal berust op waarheid en onderbouwd kan worden. Kwantiteit zegt iets over de beknoptheid en tegelijkertijd volledigheid van het verhaal. Relevantie refereert aan het vermogen om bij het onderwerp te blijven en stijl verwijst naar het vermogen om heldere en begrijpelijke taal te gebruiken.

Gebleken is dat mensen die niet op een coherente wijze kunnen nadenken en vertellen over hun eigen hechtingservaringen, onveilig gehechte kinderen hebben. 70 tot 80% van de hechtingscategorieen van kinderen zijn te voorspellen met de hechtingsstijlen van hun verzorgers zoals gemeten met de AAI. Ook de AAI kwam uit op vier hechtingsstijlen.

1. De autonoom gehechte volwassen  (overeenkomend met het veilig gehechte kind uit de ‘strange situation test’) zijn in staat om te reflecteren op hun ervaringen met hechtingsfiguren waarbij ze toegang hebben tot emotionele informatie over de hechting. Ze kunnen voldoende distantie houden om hun situatie te evalueren, ook wanneer het om pijnlijke ervaringen gaat, zonder de effecten daarvan te bagatelliseren, te ontkennen of in details te blijven steken.

2. Vermijdend gehechte mensen (overeenkomend met het angstig vermijdende kind ) devalueren het belang van hechtingservaringen of idealiseren het gezin van herkomst. Ze ontkennen de impact van vroegere trauma’s en benadrukken eigen mogelijkheden en zelfredzaamheid. Vaak lijken ze zich weinig te herinneren van hun vroege ervaringen en de erbij horende emoties.

3. Gepreoccupeerd gehechte volwassenen (overeenkomend met het angstig ambivalente kind) overwaarderen hun vroegere hechtingservaringen. Zij komen moeilijk los van negatieve emoties over de tekortkomingen van hun ouders. Zij gebruiken een overmaat aan details en het verhaal komt vaak chaotisch over. Hun vertrouwen in de eigen mogelijkheden is gering. Ze zijn hyper-alert op tekenen van steun, acceptatie en goedkeuring dan wel afwijzing en ze zijn geneigd het gedrag van anderen betekenis te geven tegen deze achtergrond.

4. Gedesoriënteerd gehechte volwassenen hebben hun trauma’s niet verwerkt. Hun vermogen om logisch te redeneren lijkt verstoord. In hun rol als ouder worden hun trauma’s zichtbaar in de vorm van plotseling optredende, soms onbegrijpelijke en bizarre emotionele uitingen wat hun gedrag voor hun kinderen grillig en onvoorspelbaar maakt. De onvoorspelbaarheid van de reacties ligt waarschijnlijk ten grondslag aan gedesorganiseerde hechtingsreacties bij hun kinderen. Naast dat deze volwassen tot deze categorie behoren, vallen zij tegelijk onder één van de andere drie classificaties.

Van lineair naar circulair

In eerste instantie lijkt het proces van hechting gekenmerkt te worden door een lineaire ontwikkeling: als de ouders zorgzaam en sensitief zijn, is het kind veilig gehecht. Traditioneel gaan psychoanalytische theorieën er van uit dat het kind een beeld van een verzorger internaliseert die in staat is tot containment van conflicten en angsten. Zo ontwikkelt het kind zelf een structuur waardoor het in staat is tot containment van conflicten en angsten. Schematisch voorgesteld:

emotie van het kind ⟶ zorgzame/ niet zorgzame ouder ⟶ veilig / niet veilig gehecht kind

Maar de theorie over de onderliggende processen van hechting heeft zich verder gevormd. Met de ontwikkeling van de AAI werden de feitelijke gebeurtenissen uit de kindertijd losgelaten en werd de indicator voor veilige of niet veilige gehechtheid, de mate waarin en de manier waarop iemand in staat is te reflecteren op gebeurtenissen en relaties uit het verleden en kan nadenken over de impact daarvan op het huidige functioneren. Hiermee wordt het begrip ‘meta-cognitief vermogen’ geïntroduceerd.

De stap van kijken naar ‘wat er is gebeurd’ naar kijken ‘hoe er op gereflecteerd en gesproken wordt’, is van groot belang. Het betekent dat iemand met een traumatische voorgeschiedenis als ‘veilig gehecht’ gescoord kan worden en het houdt impliciet in dat verandering in beleving mogelijk is. Wàt er is gebeurd kan niet veranderen; hoe er over gevoeld en gedacht wordt kan wèl veranderen en daardoor ook de impact van de gebeurtenis op het latere leven.

“Oude pijn kan zo hevig zijn dat we geloven dat die gevoelens ons nu nog kunnen schaden. We zijn bang dat we er niet tegen kunnen, dat we er aan onderdoor gaan of er gek door worden. We kennen dit allemaal maar het is een goed bewaard geheim: Oude pijn kan ons en zal ons niet schaden.”

Zo zegt de psychotherapeut Ingeborgh Bosch het. Zij ontwikkelde de Past Reality Integration therapie waar ik eerder over berichtte op dit weblog.

Terug naar Jeanette De Waal. Weet hebben van wat wij voelen maakt het mogelijk om affecten en impulsen te reguleren en te beïnvloeden en maakt het mogelijk om ons eigen handelen als effectief te beleven.

De Britse klinisch psycholoog Fonagy (1997) werkte deze theorie verder uit en introduceerde het begrip ‘mentaliseren’. Mentaliseren is een mentale functie die kinderen (en later volwassenen)  in staat stelt om zich een voorstelling te maken van de innerlijke wereld van anderen in termen van mentale toestanden zoals emoties, intenties of attitudes. Mede hierdoor wordt het gedrag van andere mensen als betekenisvol en voorspelbaar beleefd.

Exploratie van de innerlijke wereld van anderen is onlosmakelijk verbonden met de betekenis-geving aan eigen ervaringen en is wellicht ook van groot belang bij het ontstaan van het gevoel van eigen competentie. Het gaat hierbij om het vermogen om aan anderen een ‘mentale toestand’ toe te kennen, los van de eigen psychische realiteit. Fonagy spreekt van een ‘theorie van de psyche’, een ‘theory of mind’ die ons in staat stelt om de intenties en de gemoedstoestanden van anderen te begrijpen.

Fonagy ziet dit als een circulair proces en dus niet als een lineair proces. Niet het gedrag van de moeder als reactie op de emotie van het kind is bepalend, maar haar interpretatie van de betekenis van de emotie van het kind. Het is haar beeld van het kind en van wat het vertegenwoordigt en haar beleving van de emoties van het kind als al dan niet bedreigend, die bepalend zijn. Dit is wat zij door haar eigen reactie aan het kind teruggeeft. Schematisch voorgesteld:

emotie van het kind ⟶ beleving en correcte of niet correcte interpretatie door de ouder ⟶ zorgzame / niet zorgzame reactie op het kind ⟶ veilig / niet veilig gehecht kind ⟶ enz.

De betekenis die aan het gedrag van het kind wordt gegeven is bepalend

De emoties van het kind zijn voor de moeder een bedreiging wanneer zij als ‘trigger’ functioneren voor haar eigen onverwerkte traumatische ervaringen van angst, verlating, woede enz. De moeder verliest dan het vermogen om het kind als een eigen persoontje te zien, los van haar eigen emoties. De betekenis die de moeder geeft aan het gedrag van het kind zal de basis vormen voor de manier waarop het kind zichzelf als persoon waarneemt, dat wil zeggen, voor het zich ontwikkelende ik-gevoel van het kind.

Het vermogen van de moeder om de mentale en de fysieke toestand van het kind correct te interpreteren en aan het kind als betekenisvol terug te geven, maar ook om containment (opvang) te bieden, is bepalend voor de zich bij het kind ontwikkelende mentale representaties van zichzelf en de ander. De moeder leert het kind om uiteindelijk zelf de regie over zijn emoties in handen te nemen door de (non-verbale) communicatie van haar begrip voor zijn mentale toestand.

Een vermijdende moeder die vindt dat haar kind zeurt zonder te zien dat het honger of pijn heeft of bang is, erkent zijn emotionele toestand niet, ook al krijgt het te eten of zalf op zijn billen. Dit kind leert: ik ben een zeur en hij zal zijn emotionele reacties minimaliseren.

Een gepreoccupeerde moeder zal wellicht de emoties van het kind invoelen maar als dit te sterke emoties bij haar zelf oproept zal zij niet in staat zijn het kind te leren om zijn affecten te reguleren. Dit kind leer: wat ik voel is heel erg en het zal moeite hebben om zijn gevoelens te containen (op te vangen).

De reacties van deze moeders komen voort uit hun eigen innerlijke werkmodellen die gebaseerd zijn op de onbewuste belevingen (die in het procedurele geheugen zijn opgeslagen) van de eigen hechtingservaringen.

Hechtingsstrategieën zijn de zichtbare gedragingen die ontwikkeld werden vanuit de noodzaak om stressvolle situaties hanteerbaar te maken. Op zichzelf wijzen ze niet op psychische gezondheid of emotioneel disfunctioneren. Het hechtings-systeem wordt pas geactiveerd in situaties die stressvol of bedreigend zijn. Onder stress worden de oude ‘coping’ strategieën ofwel de niet-reflectieve interne werkmodellen ofwel de ontoereikende metacognitieve vermogens zichtbaar. Psychisch disfunctioneren uit zich in het gevoel van niet meer de regie te hebben over de eigen emoties en gedrag en wordt zichtbaar in verstoorde intermenselijke verhoudingen: er ontstaan conflicten met anderen op het werk of in intieme relaties.

De hechting in de psychotherapeutische relatie: de ‘ideale’ cliënt.

Door als therapeut de stap te maken van de inhoud van de ervaringen van de cliënt naar de manier waarop de ervaringen worden verteld en de structuur van het denken van de cliënt krijgen we als therapeut een beter idee van zijn/haar hechtingsstijl. Hiermee kunnen afweer, introspectieve vaardigheden, motivatie enz. van de cliënt op een nieuwe manier gedefinieerd worden.

Zowel veilige als onveilig gehechte volwassenen kunnen in psychische nood verkeren.

Veilig gehechte cliënten kunnen beter reflecteren op hun innerlijke wereld en daardoor vaak hun hulpvraag beter formuleren. Ze hebben meer inzicht in hun functioneren en leren van nieuwe ervaringen en deze integreren. De ‘ideale’ cliënt is gemotiveerd, introspectief, niet te afhankelijk en ook niet te afwerend in de relatie met de therapeut.

Vermijdend gehechte cliënten communiceren vooral dat zij op eigen krachten vertrouwen. Zij hebben al vroeg geleerd om op eigen benen te staan en zullen aangeboden hulp vanuit een krampachtige behoefte aan autonomie eerder afwijzen dan verwelkomen. Omdat ze emotionele afhankelijkheid vermijden zullen ze een beperkt inzicht hebben in de eigen affectieve behoeften en in die van anderen. Ze presenteren zichzelf als veel minder problematisch dan hun omgeving hen ervaart. Ze minimaliseren problemen.

Pijnlijke ervaringen worden weggehouden omdat er in vroegere situaties van ontreddering toch niemand was om troost en opvang te bieden. Omdat ze hun problemen buiten zichzelf plaatsen en de oorzaak er van bij de omgeving te leggen worden ze vaak beschreven als ‘niet gemotiveerd’ of ‘niet-introspectief’. Als een onveilig gehecht iemand hulp nodig heeft, betekent dat voor hem een aantasting van zijn autonomie, een teken van zwakte en een bewijs dat hij het toch niet alleen redt. De angst voor autonomieverlies leidt tot afweer.

Tegenoverdracht reacties bij de therapeut zijn woede of verveling. De therapeut voelt zich met zijn hulpaanbod en kennis afgewezen en wordt er toe verleid te denken dat de cliënt toch niet te helpen is. Het is belangrijk dat de therapeut beseft dat de afweer van de cliënt gebaseerd kan zijn op angst voor afhankelijkheid en verlies van autonomie dat de boosheid of afwijzing van de cliënt geaccepteerd worden. Zo kan de cliënt geleidelijk aan geholpen worden om diens gevoelens van angst, pijn en verdriet onder ogen te zien en te verdragen.

Gepreoccupeerd gehechte cliënten zullen geneigd zijn hun klachten te maximaliseren en zullen hulpeloosheid en afhankelijkheid communiceren. Zij ervaren constant een angst voor afwijzing en zij houden anderen nauwlettend in de gaten, vooral personen die voor hen emotioneel van belang zijn. Hun gevoel van eigenwaarde is afhankelijk van het oordeel van de ander, wat hen erg kwetsbaar maakt. Zij zijn voortdurend op zoek naar geruststelling, maar zijn tegelijk nauwelijks gerust te stellen. Geruststelling is van korte duur, want een volgende situatie houdt weer een nieuwe mogelijkheid tot afwijzing in. Het gevoel anderen nodig te hebben maakt hen angstig, onzeker en ook boos. Op de voorgrond staat de angst om in de steek gelaten te worden. In de therapeutische relatie zullen ze zich afhankelijk opstellen.

Kenmerkende tegenoverdracht reacties van de therapeut zijn om verantwoordelijkheid over te nemen en probleemoplossend te werk te gaan. Gevoelens van frustratie, onmacht en afwijzing kunnen ontstaan omdat de cliënt zijn onmacht blijft benadrukken en ‘niets doet’ met de aangeboden hulp. De therapeut kan zich overspoeld voelen door de klachten en ervaart het appèl van de cliënt als verstikkend. Kennis van en begrip voor de onderliggende hechtings-problemen helpt om dit gedrag te ‘plaatsen’. Het centrale affect van deze cliënten is angst voor verlating die ontstaan is in de context van een indringende en tegenstrijdige opvoeding. De belangrijkste therapeutische strategie is het bieden van veiligheid door middel van acceptatie en ondersteuning, terwijl tegelijk de overspoelende emoties via containment door de therapeut ontvangen en begrensd worden.

Gedesoriënteerd (‘unresolved’) onveilig gehechte cliënten lijken de meeste kans te hebben op het ontstaan van psychopathologie. Kinderen van ouders die zelf onveilig gehecht zijn en onverwerkte trauma’s hebben worden vaak in deze groep ingedeeld. Trauma’s veroorzaakt door mishandeling, misbruik, geweld en verlies in samenhang met de hechtings-stijl maakt dat volwassen cliënten vaak in deze groep worden ingedeeld.

Oude traumatische ervaringen worden door het gedrag van anderen en dus ook van de eigen kinderen gereactiveerd, zodat het zicht op de actuele realiteit vertroebeld wordt. De waarneming raakt verstoord: men hoort en ziet dreiging waar er geen is.

Ook met gedesoriënteerd onveilige cliënten krijgt de therapeut te maken. Het is essentieel om hier oog voor de hechtings-stijl te hebben. Theorieën over hechtings-stijlen zijn heel goed in simpele bewoordingen uit te leggen en zo kan de therapeut aan cliënten uitleggen wat er bij henzelf gaande is. Het is waardevol dat op deze manier destructieve reacties in het hier-en-nu begrijpelijk worden voor de cliënt. Dit de-pathologiseert en maakt de weg vrij om gevoelens en belevingen te valideren. Begrip en zorg voor het kind dat de cliënt ooit was, worden vanzelfsprekend en maken onderdeel uit van een helend proces.

Betekenis voor de therapie

– Aandacht voor de taal van de cliënt; hoe vertelt de cliënt 

Het concept van de meta-cognitieve vermogens verlegt de aandacht van de inhoud naar de structuur: niet alleen wat er verteld wordt over vroeger maar hoe het verteld wordt is van belang. De therapeut moet alert zijn op incongruenties tussen de taal en de emotie die met de taal uitgedrukt wordt. De taal zelf ontsnapt makkelijk aan de aandacht maar is cruciaal omdat de taal iets zegt over onopgeloste of onbewuste ervaringen of conflictgebieden. De therapeut moet zich niet laten verleiden om zich te gedragen in overeenstemming met de vroege hechtings-ervaringen van de cliënt en bijvoorbeeld mee gaan in een vermijdende of afhankelijke stijl. De therapeut moet een situatie creëeren waarin erkenning geboden kan worden voor vroeger leed en voor de strategieën die toen noodzakelijk waren om te overleven. In de veilige relatie met de therapeut waarin gevoelens en belevingen van de cliënt gevalideerd en opgevangen worden, kan alsnog een vermogen om te mentaliseren tot ontwikkeling komen waarna de cliënt als veilig gehechte volwassene verder kan.

– Aandacht voor lichamelijke reacties 

Het ‘weten’ over vroeger ligt opgeslagen in het procedurele geheugen en wordt voelbaar en zichtbaar in ons lijf. Deze lijfreacties zijn de automatische piloot waarmee we anticiperen en reageren op wat er om ons heen gebeurt. Reactiepatronen worden geactiveerd door complexe hormonale en neurologische systemen. Deze patronen horen bij ons en worden door onszelf niet als disfunctioneel ervaren. Toch hebben we last van de gevolgen er van: emotionele ontregeling, spanningen en conflicten.

Herkenning van ‘lijfreacties’ kan toegang bieden tot gevoelens en herinneringen die in eerste instantie niet toegankelijk zijn. Emotionele reacties zijn vaak te heftig of juist te gecontroleerd en de beheersing van impulsen is ofwel onvoldoende of juist te restrictief. Het begrijpen van de nuances en de betekenis van fysieke ervaringen vormen de basis voor zowel zelfbewustzijn als zelfregulatie.

Volgens Fonagy ontstaat verandering niet zozeer door inzicht maar eerder als gevolg van de ervaring van contact met een veilige ander! Op deze manier kunnen veranderingen ontstaan in het procedurele (onbewuste) geheugen.

Psychopathologie hangt vaak samen met het disfunctioneren van de impuls-beheersing die onvoldoende is of juist te restrictief. Emotionele reacties zijn òf te heftig òf te gecontroleerd.

– Aandacht voor de betekenis van de klacht voor de persoon

Door de hechtings-theorie krijgt de klacht betekenis: het gaat niet om de klacht maar om de persoon met de klacht. De klacht duidt niet alleen de pathologie aan maar is het gevolg van een in oorsprong adaptief mechanisme, van een ‘coping’ mechanisme. De klacht maakt zichtbaar welke strategie het kind in zijn gezin van oorsprong heeft ontwikkeld om te overleven.

De latere reactiepatronen die tot disfunctioneren leiden worden tegen deze achtergrond invoelbaar en begrijpelijk, niet alleen voor de therapeut maar ook voor de cliënt zelf. Door een herwaardering van de huidige situatie van de cliënt worden oude afweerpatronen overbodig en kunnen de klachten verdwijnen. Kennis van de hechtings-theorie wekt begrip voor de persoon achter de klacht en kan er voor zorgen dat men vanaf het begin genuanceerd kijkt naar de situatie van de cliënt, de manier waarop deze zijn verhaal presenteert en de manier waarop de cliënt het contact met de therapeut aangaat.

Tot besluit

De sterke toename van de ‘heraanmeldingen’ in de afgelopen jaren is wellicht het gevolg van een streven binnen de GGZ om vooral kortdurend en klachtgericht in plaats van persoonsgericht. Door te kijken naar de persoon achter de klacht kunnen cliënten een blijvende verandering gaan ervaren en hoeven ze niet ‘rondgepompt’ te worden binnen een systeem van klacht-gerichte, technische en protocollaire behandelingen.

 

 

 

 

 

 

 

5 reacties

Opgeslagen onder Psychologie, Psychotherapie, Systeemtherapie

Collusie en co-evolutie

EEN MODEL VOOR PARTNERRELATIETHERAPIE

Angst voor hechting

Met de begrippen collusie en co-evolutie reikt de Oostenrijkse psychiater en relatie-en gezinstherapeut Jurg Willi enkele wegwijzers aan in een doolhof van conflicten en spanningen. Hij laat zien hoe angst voor hechting bij partners aanleiding kan geven tot verkramping in de relatie.

Willi past de objectrelatie-theorie toe. Volgens deze theorie staan relaties vanaf de geboorte centraal in de ontwikkeling van een individu. In de afstemming tussen ouder en kind komt de psychologische ontwikkeling van het kind op gang. Als de afstemming goed loopt, is er bevrediging en als het fout loopt, is er frustratie bij het kind. Bevrediging en frustratie vormen de motor voor de ontwikkeling.

Binnen de dyade ouder-kind worden objectrelaties opgebouwd die bestaan uit een beeld van de ander (objectrepresentatie), een beeld van zichzelf (zelfrepresentatie) en een bepaald gevoel of affect dat de relatie tussen het beeld van zichzelf en dat van de ander kleurt.

Later in het volwassen leven kunnen in een intieme relatie zoals de partnerrelatie de beelden en het gevoel over de relatie daartussen verder worden bijgesteld.

Collusie als wegwijzer naar een ziekmakend grondthema

Voor Willi zijn partner-relatieconflicten eindeloze variaties op eenzelfde grondthema. Een grondthema thema waarbinnen beide partners overgevoelig en kwetsbaar reageren. De escalerende en verkrampte interacties en de narratieven die ontstaan rond het gevoelige thema duidt Willi aan als het collusiepatroon.

Door oog te hebben voor terugkerende collusie-patronen, los van de inhoudelijk concrete aanleidingen voor het conflict, overbrugt Willi de kloof tussen het interactionele en het intrapsychische model, tussen individuele psychotherapie en systeemtherapie. Collusie betekent dat er rond een gemeenschappelijk gevoelig en kwetsbaar grondthema, gepolariseerde en verkrampte interactiepatronen ontstaan. De partners vinden elkaar in een wisselwerking waarbij de ene de behoefte inbrengt om zijn eigen verlangens te laten vervullen door de ander en de ander de uitdrukkelijke wens heeft om de verlangens van de partner in te willigen. De positie van de eerstgenoemde partner is regressief en die van de andere partner is progressief. Hun complementaire posities berusten op verwante verlangens die ze op tegengestelde manieren proberen te verwezenlijken. Een dergelijk samenspel noemt Willi collusie.

Een gemeenschappelijk grondthema zoals het zorgthema, het orale grondthema, komt in verschillende posities, rollen en narratieven tot uiting. De posities cirkelen rond het thema zorg. Er is een welomschreven interactiepatroon. Rond het zorgthema cirkelen de posities van de actieve zorgdrager (progressieve positie) en de claimende, passieve zorgvrager (regressieve positie).

De zorgdrager die verantwoordelijk is voor de zorg ten aanzien van een hulpeloze zorgvrager illustreert dit in een terugkerend narratief. En er is de zorgvrager die door zijn narratief heen verduidelijkt waarom hij geen verantwoordelijke zorg durft of kan dragen. Door de totaal verschillende posities ontstaat de indruk dat de ene positie het tegendeel is van de andere maar het zijn alleen maar gepolariseerde varianten van hetzelfde gevoelige grondthema, in dit voorbeeld het orale grondthema, waarmee beide partners worstelen vanuit hun kinderlijke voorgeschiedenis.

De centrale rol van projectieve identificatie in de collusies

Projectieve identificatie is het projecteren van afgesplitste delen van de persoonlijkheid op een ander waarbij die ander zich gaat identificeren met wat op hem geprojecteerd wordt. De ander gaat zich in de interactie gedragen zoals van hem wordt verwacht. Iedere positie verantwoord zichzelf met een eigen narratief dat moet illustreren en verklaren waarom iemand die bepaalde rol op zich neemt.

De progressieve zorgpositie (de zorgdrager) externaliseert en delegeert bijvoorbeeld haar regressief verlangen naar vertroeteling en zorg aan de regressieve positie. De zorgdrager wil alleen nog maar zorg geven en heeft daardoor minder of geen voeling meer met haar eigen verlangen naar zorg. Die positie is bang om zorg voor zichzelf te vragen en ontslaat zichzelf door externalisatie van de regressieve positie om nog zorg te moeten vragen en ontvangen. Omgekeerd voelt de regressieve zorgpositie (de zorgvrager) zich zo kwetsbaar en hulpeloos, dat zij het zorg dragen uitbesteedt en de progressieve positie projecteert op de zorgdragende partner. Daardoor ontslaat zij zichzelf van zorg te moeten geven aan de ander, wat zij toch al te moeilijk vindt. In dit voorbeeld zijn de partners beiden van het vrouwelijk geslacht.

Door afsplitsing van een (zorgvragend of zorgdragend) deel van jezelf ontstaan grote spanningen in de relatie!

De grondthema’s die Willi beschrijft zijn te beschouwen als existentiële thema’s die spelen in elk interactiesysteem waar mensen gedurende een langere periode intens samen werken of omgaan met elkaar. Deze thema’s kunnen spelen tussen partners maar ook in gezinnen, vriendschapsrelaties, tussen volwassen broers en zussen en in werk-situaties. Willi ziet het als de opdracht van de coach of de therapeut om het grondthema dat de voedingsbodem is voor terugkerende conflicten naar voren te halen. Als dit gevoelige thema op metaniveau tot onderwerp van gesprek kan worden gemaakt kunnen de sterk verschillende posities die met elkaar in conflict komen weer worden samengebracht als onderdelen van hetzelfde bipolaire thema.

Overzicht van de collusionele grondthema’s

Willi benadrukt dat de thema’s pas na verloop van tijd aanleiding geven tot ernstige conflicten. In het begin van de relatie heeft het voor beide partners gevoelige thema juist een aantrekkingskracht om voor elkaar te kiezen. Aanvankelijk onderscheidde Willi 4 grondthema’s. Later werkte hij een 5e thema uit: het grondthema van de gehechtheid, waar hier het meest uitgebreid bij stilgestaan wordt.

1. Het narcistische grondthema

Hier gaat het om de polariteit tussen almacht en onmacht. De partners worstelen met de volgende fundamentele vragen: ‘Ben ik God in het diepst van mijn gedachten’ (de progressief collusionele pool)? ‘In hoeverre ben ik in feite Niets’ (de regressief collusionele pool)? In hoeverre moet ik mijzelf wegcijferen en opofferen voor anderen? In hoeverre mag ik mijzelf blijven als mens van vlees en bloed met beperkingen en grenzen? In hoeverre kan ik mijzelf afgrenzen of in hoeverre moet ik versmelten met anderen? In hoeverre durf ik stil te staan bij de onmacht van anderen, zonder de angst te verdwijnen of uiteen te vallen? In welke mate heb ik het nodig dat anderen mij ophemelen en bewonderen? In welke mate ben ik alleen maar iemand als ik kan opkijken naar anderen? In hoeverre moet de ander zich hoe dan ook met mij identificeren, alleen voor mij leven en zo mijn wankele gevoel van eigenheid hooghouden?

2. Het orale grondthema

Hier gaat het om de polariteit tussen zorg dragen en zorg vragen en nodig hebben van anderen. Fundamentele vragen waar dit interactiesysteem mee worstelt zijn: In hoeverre moeten we anderen koesteren, verzorgen en helpen (progressieve pool)? In welke mate kan ik er van uit gaan dat de ander mij met zorg zal omringen als ik het nodig heb (regressieve pool)? In hoeverre moet ik mij tot helper en redder van de ander maken en een onuitputtelijke gevende rol op mij nemen? In hoeverre moet ik mijzelf als hulpeloze patiënt definiëren om zorg te kunnen krijgen van anderen?

3. Het anale grondthema

Hier gaat het om de polariteit tussen autonomie en afhankelijkheid. Fundamentele vragen zijn: In hoeverre kan ik de ambitieuze autonome leider zijn aan wie de ander zich dient te onderwerpen (progressieve pool)? In hoeverre mag ik passief afhankelijk zijn van anderen zonder bang te hoeven zijn om misbruikt te worden (regressieve pool)? Beide posities zijn in de ban van het denken in hiërarchie. Het zelfbeeld en het beeld van de ander wordt vanuit dit grondthema ingekleurd in een schema van boven- en onderposities.

4. Het fallisch-oedipale man-vrouw thema

Hier gaat om de worsteling tussen het animus- en animaprincipe, tussen eenzijdig mannelijk en eenzijdig vrouwelijk gedrag. Fundamentele vragen zijn: Ben ik als man of vrouw verplicht om mij ten alle tijde ‘mannelijk’, initiatiefrijk, actiegericht en ondernemend voor te doen (progressieve pool)? Of mag ik als man of vrouw ook ‘vrouwelijke’, sensitieve en kwetsbare posities innemen (regressieve pool)?

5. De nabijheid en afstandscollusie: het grondthema van de gehechtheid

Het onderscheid tussen de progressieve en regressieve positie is niet zo makkelijk te maken in dit thema. Het gaat eerder om een collusie tussen de aanklampende positie die verkrampt nabijheid claimt en de afstandelijke positie die met grote stelligheid het afstandelijke benadrukt, die zichzelf voorhoudt geen nabijheid nodig te hebben en die zich terug trekt.

Binnen de partnerrelatie ontstaan diverse vormen van triangulatie waarbij allerlei soorten derden worden ingeschakeld om de afstand en nabijheid te reguleren en onder controle te houden. De derde kan een buitenechtelijke relatie zijn maar ook de kinderen, een psychosomatische ziekte, enz. Net zoals de beroemde Engelse gezinstherapeut Byng-Hall (1995) heeft Willi oog voor allerlei symbolische derden die ingeschakeld worden om afstand en nabijheid te moduleren.

Mensen met een angstig-vermijdende gehechtheids-stijl nemen in de worsteling rond afstand en nabijheid (intimiteit) een gedistantieerde positie in. Ze doen tegenover zichzelf en anderen alsof ze nabijheid, kwetsbaarheid en verbondenheid niet nodig hebben. Deze positie kan op een extraverte en introverte wijze ingenomen worden. Het lijkt alsof deze gedistantieerde positie de veilige haven van intieme verbondenheid niet nodig heeft.

Mensen met een angstig-gepreoccupeerde hechtings-stijl voelen zich aangetrokken tot de gedistantieerde positie. Vrouwen hebben vaak bij kennismaking het gevoel door een dergelijk gedistantieerde man op een bijzondere wijze begrepen en gerespecteerd te worden. Tegelijk groeit bij haar de ‘bekeringsijver’, waarbij het idee groeit dat zij deze emotioneel gesloten man aan zich moet binden en hem moet vervullen met haar eigen gevoelens. De over-emotionele aanklampende positie denkt dat zij beter weet dan hem wat goed voor hem is. Het gevolg is een achtervolgings-race van afwisselend aantrekken en afstoten, die eindigt in een psychische grensoverschrijding. De aanklampende positie dringt opdringerig en ongevraagd binnen in de psychische ruimte van haar partner. Daardoor ontstaat snel een destructief en escalerend interactiepatroon. Hoe sterker de intrusie en het aanklampen van de ene, hoe meer de gedistantieerde positie zich terugtrekt en omgekeerd.

Beide posities worstelen met ambivalentie ten aanzien van intimiteit, nabijheid en verbondenheid. De gedistantieerde rots-positie verlangt in feite ook naar warmte en nabijheid. Tegelijkertijd vertrouwt hij de nabijheid niet. Ook de aanklampende positie die luid om nabijheid roept is er tegelijkertijd bang voor dat de nabijheid niet zal voortduren en als los zand door haar vingers zal glippen. De gedistantieerde positie voelt zich bestookt door de opdringerige eisen van de aanklampende positie. Sommigen kunnen maar geen besluit nemen of ze de relatie zullen aanhouden of afbreken. Toenadering van de partner kan bruut worden afgeweerd. Kwetsende en beledigende of vernederende opmerkingen zijn te beschouwen als wanhopige pogingen om afstand te houden. De aanklampende positie probeert vervolgens steeds ingenieuzer en dieper tot haar partner door te dringen.

Het lijkt alsof mannen altijd in de afstandelijke positie zitten en vrouwen de aanklampende rol aannemen. Vaak is dit ook zo omdat de culturele gender-rol van mannen meer zakelijke afstandelijkheid vergt, terwijl het emotionele toebedeeld wordt aan de vrouwelijke gender-rol. In een beperkt aantal situaties komen vrouwen in de gedistantieerde positie terecht en mannen in de aanklampende.

Co-evolutie binnen het partnersysteem

In een interactiesysteem waarin sprake is van een gezonde co-evolutie ontplooien mensen hun persoonlijkheid binnen een persoonlijke relatie met anderen. Dit soort gezonde relaties noemt Willi co-relaties. Een vorm van co-relatie is noodzakelijk om menselijke persoonlijkheidsontwikkeling mogelijk te maken en gaande te houden. Ze zijn een wezenlijk onderdeel van onze psycho-ecologische niche waar zich belangrijke anderen bevinden; de partner, de kinderen, persoonlijke vriendschappen enz. In de psycho-ecologische niche zoekt ieder individu naar mogelijkheden om zijn behoeften, verlangens en wensen zo adequaat en doeltreffend mogelijk te realiseren. Het zoeken naar doeltreffende interacties in onze niche staat centraal in de persoonlijke ontwikkeling en de geestelijke gezondheid van een individu.

Het partnersysteem is de relationele niche die een individu tot belangrijke persoonlijkheidsontwikkeling kan stimuleren, maar die eveneens de persoonlijke ontwikkeling kan ontzeggen. Co-evolutie is het proces van gezonde wederzijdse beïnvloeding van de persoonlijke ontwikkeling waarbij partners op duurzame wijze samenleven.

De persoonlijke ontwikkeling van een partner wordt in een bepaalde richting sterk beïnvloed, gestuurd en gestimuleerd en afgeremd in een andere richting. Sommige ontwikkelingsmogelijkheden kunnen braakliggend terrein blijven. Na een scheiding kunnen partners soms verassende nieuwe ontwikkelingen doormaken. Maar een partnerrelatie wordt aangegaan en opgebouwd als een poging tot heelwording en genezing.

In de fase van de verliefdheid is er sprake van aantrekking en fascinatie rond een gemeenschappelijk grondthema dat op de achtergrond blijft. Willi ziet dit als een fase van overeenstemming en ontwikkelingsbereidheid van beide partners. Vaak gaat het om een voor beide partners gevoelig thema waarin zij zich gekwetst of geremd hebben gevoeld tijdens hun opvoeding. De verliefdheid levert de drive tot heelwording binnen de partnerrelatie. Verliefdheid is voor Willi dus meer dan een soort ziekte waarbij partners een geïdealiseerd beeld van elkaar hooghouden. Partners voelen volgens Willi juist heel goed intuïtief aan waar de kwetsbaarheid van de ander ligt. Er is een  fascinatie en aantrekking voor elkaars gemeenschappelijke kwetsbaarheden en met deze drive zoeken de partners vaak onbewust naar genezing.

Collusie en co-evolutie zijn complementaire concepten

Wanneer de interacties binnen het partnersysteem soepel verlopen rond het levensthema is er sprake van gezonde co-evolutie. Soms treden spanningen op door zich opstapelende misverstanden. Betere communicatie en onderhandelen kunnen deze uit de weg ruimen. Maar soms wordt de escalatie tussen de verschillende posities zo destructief dat de partners samen met een relatietherapeut zoeken naar het gevoelige thema dat de partners ‘triggert’ tot extreme posities. Door de collusionele verkramping is alle rationaliteit zoek en worden partners meegezogen in negatieve emoties. Samen met de relatietherapeut kunnen partners uitzoeken wat er aan de hand is.

IMG_0304

co-evolutie: bloemen en bijen zijn samen geëvolueerd

 

Een vorig bericht over dit onderwerp hier. Voor dit bericht is gebruik gemaakt van Hoofdstuk 4, De visie van Willi op hechting, uit het boek Hechtingsproblemen in gezinnen, van Jean-Marie Govaerts.

2 reacties

Opgeslagen onder Psychologie, Psychotherapie, Systeemtherapie

Erotische intelligentie

‘Tell me how you were loved and I will tell you how you love’,

dit belooft Esther Perel, relatietherapeut uit New York.

De sectie Partner Relatie Therapie van de Nederlandse Vereniging voor Relatie- en Gezinstherapie therapie nodigde deze Belgisch-Amerikaanse uit naar Beilen in Drenthe om te spreken over haar ideeën rond seksualiteit in de partnerrelatie.

Culturele en historische ontwikkelingen zijn voor Perel’s ideeën belangrijk en haar ideeën zijn dus op zich zelf ook aan verandering onderhevig. Ze is van niets overtuigd; over twee jaar kan het weer anders zijn en voegt ze hier nog aan toe op zijn Vlaams: “Niets gaat perfect in ons kabinet (lees: slaapkamer)”. Ze noemt zichzelf een ‘master of nothing and a student of everything’. Ze heeft niet een methode maar een benadering. Het dynamische, het systemische en het lichamelijke spelen daarbij een rol. Ze heeft geen seksuologie opleiding gedaan. Ze is relatietherapeut en houdt zich bezig met seksualiteit. Vooral met de begeerte in de relatie houd zij zich bezig. Ze is getrouwd met een therapeut die werkt met ernstig getraumatiseerde mensen: ‘He does pain, I do pleasure’…

Tijdens haar presentatie sprak zij afwisselend Engels en Nederlands; als het nodig was waren wij als publiek graag bereid haar te helpen bij het zoeken naar het juiste Nederlandse woord. Ach; therapie is taal, is zoeken naar het juiste woord.

De titel van haar boek: Erotische intelligentie, was eigenlijk als grap bedoeld naast bijvoorbeeld het meer bekende begrip; emotionele intelligentie, maar erotische intelligentie is inmiddels een bekend concept. U heeft misschien gehoord van de Amerikaanse psycholoog Gardner die 8 soorten intelligentie onderscheidt waarvan de ‘kinesthetische en de interpersoonlijke intelligentie’ misschien in de buurt komen van het concept van ‘erotische intelligentie’ van Perel.

In het Engels is de titel van haar boek: ‘Mating in captivity’, een titel die uitdrukking geeft aan een dilemma. In de Nederlandse vertaling van de titel zit de oplossing van dit dilemma vervat; erotische intelligentie als oplossing voor  ‘mating in captivity’,  voor ‘paren in gevangenschap’. De ondertitel van haar boek luidt: Een vaste relatie geeft zekerheid, maar hoe houdt je het spannend?

Ze draagt haar boek op aan haar ouders wiens vitaliteit doorleeft in haar. Haar ouders kwamen vanuit de concentratiekampen van Nazi-Duitsland naar Antwerpen. Perel verdeelt de Antwerpse Joden van na de tweede wereldoorlog in twee groepen: zij die niet dood gingen en zij die terugkwamen om te leven. De eerste groep overlevers hield zich vooral bezig met voorzichtig zijn. De andere groep was meer bezig met hoe ze levendig konden blijven. Haar ouders behoorden duidelijk tot de tweede groep. Perel’s levendigheid en speelsheid kwamen tijdens haar presentatie duidelijk naar voren.

Haar vitaliteit was naar mij doorgestroomd. Het viel mijn partner op toen ik na ruim twee uur reizen thuis kwam en vertelde over deze dag.

‘Erotische Intelligentie’ is geschreven voor het algemene publiek en dus niet voor relatietherapeuten en seksuologen, waarvan er zo’n 150 naar Beilen waren gekomen om te leren over ‘Attatchment, Security and Erotic life’.

Perel woont en werkt in New York en doet voor 80% paren-therapie. Ze ziet paren van veel verschillende nationaliteiten en spreekt meerdere talen. Ze ziet hen van twee uur tot vier uur tot soms een hele dag. Soms ziet ze een partner alleen, soms is het individuele therapie met beiden aanwezig en soms is het relatietherapie met slechts een partner aanwezig. Minuchin, een van de grondleggers van de systeemtherapie, is haar meester. Daarnaast wordt ze geïnspireerd door de narratieve therapeut Michael White, door de hechtingstheorie en de neurologie.

Haar interesse in de seks binnen de relatie groeide vooral na het Lewinsky-schandaal in de VS. Daarvoor was de seks binnen haar relatietherapieën ‘als het bekijken van een film zonder ondertiteling’. Na het Lewinsky-schandaal ging ze zich afvragen waarom er in de VS geen taboe was op scheiden maar wel op ontrouw. Ze ontdekte dat het probleem van de begeerte centraal was hierin. Het opnieuw in bezit nemen van de begeerte leidt volgens haar tot seksuele bevrijding. Het gaat haar in de therapie om ‘to own the wanting’. Op het moment schrijft ze aan een boek over affaires.

‘Intimacy became Into-me-see’

Sinds het opkomen van het individualisme is er veel veranderd. Dat is slechts 150 jaar geleden. Het heeft geleid tot een nieuwe manier van denken, tot een nieuw model. We moeten ons goed realiseren dat onze manier van denken gebaseerd is op een model dat nog niet zo lang bestaat. Vòòr het opkomen van het individualisme bestond de seks in de ontrouw en dus niet in het huwelijk! Wij denken dat het zo ìs dat seks tot het domein van het huwelijk hoort. Maar dat ìs niet zo.

Een huwelijk werd niet lang geleden gesloten om economische redenen, om een gezin te stichten, om samen land te kunnen bebouwen. Intimiteit bestond uit samen je land bebouwen. Intimiteit had je met mensen uit je dorp, uit je gemeenschap. Het behoren tot die gemeenschap gaf jou een identiteit. Intimiteit en identiteit hadden niet speciaal iets te maken met je partner.

Wanneer Perel relatietherapie doet met paren die nog opgevoed zijn binnen de hier boven beschreven archaïsche structuren dan is het niet alleen belangrijk dat ze de man en de vrouw ziet maar is het ook belangrijk dat ze bijvoorbeeld de vrouw met de moeder van de man ziet.

Pas bij het ontstaan van de steden zijn partnerrelaties belangrijker geworden. ‘Intimacy’ is ‘into-me-see’ geworden. Intimiteit in de partnerrelatie is belangrijk geworden om niet alleen te zijn, om niet alleen over te blijven. Intimiteit betekent gevalideerd worden door je partner. Dit werd het nieuwe model.

De uitvinding van de contraceptie heeft dit nieuwe model versterkt. De revolutie die de contraceptie bracht is slechts een aantal decennia oud. De verbinding van twee mensen binnen het huwelijk wordt in dit nieuwe model verondersteld samen te gaan met seksueel plezier. Zowel de liefde als de seks zijn naar het huwelijk gebracht. De revolutie die de contraceptie bracht ging samen met nog twee andere recente revoluties: die van de vrouwenbeweging en die van de ‘gay-movement’. Seks kwam los te staan van de zwangerschap.

Dat huwelijksgeluk gezien wordt als verbonden met seksuele bevrediging is in vele delen van de wereld (nog) niet doorgedrongen. Huwelijksgeluk is een imperatief binnen ons moderne Westerse model. We scheiden omdat we denken gelukkiger te kunnen zijn in een ander huwelijk. Het huwelijk lijkt wel een product geworden: Wat geeft dit huwelijk mij, vragen we ons af.

We denken; als ik mijn partner lief heb moet ik hem/haar ook begeren. Maar voor vele mensen op deze aarde staan liefde en begeerte ver uit elkaar.

In ons soort huwelijk moet alles gegeven worden aan ons door één persoon terwijl dit alles vroeger gegeven werd door een heel dorp. Wij zitten in een heel idealistisch model. We willen liefde, begeerte, nieuwsgierigheid, avontuur, veiligheid enz. enz. allemaal vinden bij een persoon, in één relatie. Veiligheid en een vaste verbintenis zijn ook belangrijk voor ons omdat we in onze cultuur veel vrijheid hebben.

Liefde en begeerte: een paradox, een dialectiek

Ieder mens heeft enerzijds behoefte aan een bepaalde mate van vrijheid, ruimte en individualiteit en anderzijds behoefte aan verbinding, veiligheid, bescherming. Het gebeurt dat ‘one person wanting more space meets another person wanting more connection’.

Door het begrijpen van verbinding begrijpen we nog niet de begeerte. Perel maakt bij het begrijpen van het verschil tussen deze twee gebruik van de hechtingstheorie. Stelt u zich een kind voor dat op schoot zit bij de ouder. Dit kind is nieuwsgierig, het wil exploreren, spelen. Daarom moet het kind de schoot verlaten. Het kind van de ouder die het laat gaan en tegelijk enig toezicht en contact houdt, kan zowel de vrijheid als de verbinding ervaren. Maar de ouder die zegt: “Niet weggaan, ik ben bang”, onthoudt het kind van het ervaren van de vrijheid. Kind nummer 1 gaat een deel van zichzelf in de band met de ouder verliezen om autonomie te kunnen ervaren. Kind nummer 2 krijgt een teveel aan verantwoordelijkheidsgevoel voor de band met de ouder. Het kan misschien wel weggaan maar het blijft bang. Volgens Perel moet je om seks te hebben de ander kunnen verlaten; ‘you cannot climax if you cannot be free’.

Liefde en begeerte hebben een relatie maar hebben tegelijk een conflict. Het tweede kind komt later als partner naar relatietherapie en zegt: In het begin was het goed maar na de bruiloft of nadat we kinderen kregen was ik een ‘done deal’. Alles ging goed tot ik zeker was van hem, van haar. Hoe meer liefde en verbinding, hoe minder verbeelding, begeerte en erotiek. ‘You have the trust and you lose the desire’. Een erotisch paar kan zowel verbinding als vrijheid ervaren. ‘Fire needs air’. Het gaat hier om een paradox die je moet managen. De een heeft meer behoefte aan verbinding, de ander meer aan vrijheid. Maar de vrijheid, het los zijn van de ander is een essentiële voorwaarde voor de begeerte. Dit is de dialectiek; ‘attatchment is a condition for seperateness’.

De hechtings-theorie onderscheidt globaal drie soorten van onveilige gehechtheid. Binnen de relatie zie je ook drie soorten problematiek. 1. De vrijheid is opgegeven ten behoeve van de verbinding (angstige gehechtheid). 2. Naarmate de verbinding sterker wordt zoekt een van de partners de vrijheid en verlaat uiteindelijk de relatie (ambivalente gehechtheid). 3. De partner gaat nooit de verbinding aan en verlaat elke relatie na korte tijd (vermijdende gehechtheid).

Liefde gaat over verbinden, over hebben, over afstand verkleinen, spanning verminderen, gevaar neutraliseren. Begeerte gaat over willen, over onzekerheid kunnen verdragen, speels kunnen zijn. Begeerte gaat dood onder routine. Begeerte houdt van een comfortabele, psychologische afstand. Het is een illusie dat iemand jou zou kunnen toe behoren.

Bij vrouwen is de veiligheidsbehoefte doorgaans erg groot. Dit maakt de vrouwelijk seks narcistisch. Ze vraagt het publiek, wat voor een groot deel uit vrouwen bestaat, wanneer men zich meer aangetrokken voelt zijn of haar partner. Wij voelen ons aangetrokken tot onze partners wanneer hij/zij ergens gepassioneerd mee bezig is, wanneer hij/zij ons niet nodig heeft, wanneer hij/zij iets uitstraalt. In de afstand ligt de erotische spanning. In de afstand kun je iets nieuws blijven zien. De Franse schrijver Marcel Proust zegt dat reizen niet zit in het bezoeken van nieuwe plekken maar in het kijken met andere ogen. Het onbekende, het nieuwe in ons huis kunnen we begeren. We moeten nieuwsgierig kunnen blijven. Het onbekende kan ons ook angstig maken. Het besef dat die ander jou altijd kan verlaten kan beangstigend zijn maar die angst leeft in het centrum van de liefde. In de angst voor het verliezen van de ander zit de mogelijkheid van het verlangen, van het begeren. Verlangen, begeerte en verbinding hebben een actieve en dialectische relatie. Het begeren moet de ruimte openen die de liefde dicht maakt.

Perel maakt een onderscheid tussen seks en erotiek. Dieren hebben zeks, wij mensen hebben erotiek. Wij hebben verbeelding. Wij kunnen plezier hebben om het plezier. Wij hebben een ‘erotic mind’. Je mòet seks niet doen, je moet denken aan het doen. Je kunt seks hebben en ‘dood’ zijn. Eros betekent levendig. Erotiek is niet meetbaar. Je kunt tellen hoe vaak paren seks hebben maar bij erotiek gaat het om de kwaliteit van het leven. Erotiek is de poëzie van seks. ‘Sex is a place you go to, not something you do’. Ze vraagt: ‘Where do you go to in sex? To which core parts in yourself do you connect? Your playfullness, your soft side?

Therapie in praktijk

Volgens Perel zit het probleem niet in de mensen maar in het model, in onze manier van denken. Ze begint een relatietherapie door meteen te vragen naar hoe het met de seks gaat. Net zoals je vraagt naar hoe het met de kinderen gaat of met het werk. Het seksuele ligt dus meteen in het eerste gesprek op tafel. Ze vraagt er naar en wacht niet tot het paar er over begint. Ze vraagt mensen om haar te schrijven over hun toestand, hun bedoeling met de therapie, wat ze bereid zijn te doen om het probleem op te lossen, wat voor partner ze willen zijn. Ze is met seks bezig maar is er geen makelaar in.

Traditioneel wordt er in relatietherapie gedacht dat seksuele problematiek komt door relatieproblematiek en dat wanneer dat opgelost is dat dan de seks vanzelf verbetert. Maar dit klopt volgens haar niet. Een paar kan op zijn best zijn in de keuken maar helemaal niet in de slaapkamer. Je kunt je als partner enorm geliefd voelen maar niet begeerd. Liefde en seks gaan niet automatisch samen. Seks is geen metafoor voor de relatie maar is een parallel narratief. Het is ook niet zo dat wanneer de bloemkool het goed doet dat dan de tomaten het ook goed doen.

De vrouw kan zich liefdevol beschermd voelen door haar man maar dit is niet wat ze moet voelen in de seks. Dan moet ze zich eerder voelen als een roofdier. Grenzen overschrijden, regels kunnen breken, dingen doen die ondeugend zijn, zijn allemaal belangrijk om vrijheid te kunnen voelen. Het gaat niet om heel belangrijke regels. Breek de kleine regels eens, is Perel’s advies is: ‘Ga eens een keer niet naar je werk’.

Alles wat onze erotiek aanwakkert is waar ons gezinsleven tegen in opstand komt. Ze vraagt dat je bekijkt hoe het voelt als je liefhebt en hoe dit gevoel veranderd als je begeert. Hierbij kun je gebruik maken van een ‘love and desire map’. Een simpele set van vragen.

LOVE AND DESIRE: A PERSONAL MAP

1. When I think of love, I think of:                1. When I think of sex, I think of:

2. When I love I feel:                                         2. When I desire I feel:

3. When I am loved I feel:                                3. When I am desired I feel:

4. When I think of love between                    4. When I think about sex between

my partner and me today, I feel:                     my partner and me today, I feel:

Het begeren, het verlangen geeft gevoelens die niet noodzakelijk liefdevol zijn. Soms hebben die gevoelens te maken met goede macht of goede agressie. Niet met geweld.

Vrouwen worden opgevoed om in emotioneel opzicht de verzorger te zijn. Maar in de seks wordt de vrouw opgewonden als zij zelf opwindend is. Dan is ze vrij van het zorgen voor anderen.

Het landschap van de erotiek bestaat uit een repertoire aan behoeften, dromen, angsten en verlangens. Het erotische krijgt energie door onze eerste ervaringen, door onze hele geschiedenis. Het gaat er niet om wat je wil doen in de seks maar wie je wil zijn om wat jij wil voelen in de seks. In onze seksuele fantasieën drukken we onze diepste behoeften uit.

Eerste casus: kan zij het roofdier zijn dat zij is?

We gaan een opname van een gesprek zien dat Perel had met een jong koppel. Hij is Amerikaan, zij is van oorsprong Spaans en komt uit een katholieke familie. Zij is haar begeerte kwijtgeraakt. Dit is haar in een eerdere relatie ook overkomen. Misschien heeft het iets met haar te maken. In haar werk heeft ze goed kunnen emanciperen maar het zal blijken dat diep binnenin haar, de archaïsche patronen van haar voorouders nog voortleven. Welke patronen zijn dit?

Hij had een moeder die depressief was en een vader die vaak weg was. Hij heeft met veel verschillende vrouwen seks gehad maar hij wil nu een vaste relatie. Zijn partner gaat hem zijn ‘run for his money’ geven is zijn idee.

Het blijkt voor haar moeilijk om iets te willen. Eigenlijk zegt ze tegen hem: ‘Ik wil dat jij mij doet willen’. Ze wil alleen seks als ze een ruzie gehad hebben of alleen op een plaats waar het niet mag. Ze wil anoniem zijn maar niet met een vreemde, andere man. Ze wil anoniem zijn met hem, haar partner. Ze wil onzekerheid. Ze wil niet weten waar de reis eindigt.

Perel: ‘Familiarity is not erotic for her’. Alles wat comfortabel is en goed voor hem wil zij niet.

Hij wil niet meer bang hoeven zijn afgewezen te worden en zich geen zorgen meer hoeven maken over zijn seksuele prestaties. Hij zegt: Als ik geen seks met jou wil dan wil jij het wel. Het is niet zìjn ‘willen’ wat het probleem is, denkt Perel.

Het probleem is dat zij niet wéét dat zìj het wil. Pas wanneer zij weet dat het haar wil is, kan zij autonoom zijn, kan zij begeerte voelen. Deze zoektocht naar autonomie is een zeer belangrijk thema. Sommige mensen kunnen erg moeilijk zichzelf zijn in aanwezigheid van anderen. Als genot gezien wordt als zondig, hoe kan het dan plezierig worden? Dit is een bekend thema bij vrouwen uit een traditioneel milieu.

Hij werd in hun relatie ‘recruited for a play he never auditioned for’. Hij dacht dat zij bescherming nodig had en zorgde ervoor veel thuis te zijn maar zij kreeg daardoor te weinig lucht. Zij wil juist met hem het ‘veilige huis’ ontvluchten. Pas dan kan zij het roofdier zijn dat zij wil zijn. Zij zal hem moeten leiden door de doolhof van haar erotische geest.

Als therapeut is het belangrijk om niet lineair te denken als je iemands seksuele ‘blue-print’ wil leren kennen, zegt Perel. Voor sommige paren is het moeilijk om op emotioneel gebied iets op te geven. Dit paar lukte het niet. Zij ging seks zoeken buitenshuis. Zij ging doen wat hij had opgegeven voor hun relatie.

De jacht van dit roofdier, het jachtluipaard,  is van een ongekende schoonheid. Het inspireerde mij ooit bij het toeëigenen van ‘mijn willen’.

Flirten met je eigen partner per email

Wat Perel veel paren adviseert om het begeren levend te houden is dat zij een speciaal email adres instellen voor berichten waarin ze met elkaar flirten om zo een erotische ruimte te creëren. Soms sturen partners liederen en gedichten naar elkaar. Een email heeft een ingebouwde afstand. Ook adviseert zij paren om telefoonseks met elkaar te hebben terwijl ze allebei thuis zijn. Perel: ‘Speel met de afstand die je hebt tot elkaar’!

Het ging met het paar uit de video-opname niet om een machtstrijd. Het ging om autonomie. Erotisch gezien had zij onzekerheid nodig. Emotioneel gezien had ze de onzekerheid nìet nodig. Perel probeerde hem te leren om haar behoefte aan onzekerheid (autonomie, avontuur) te begrijpen. Wie het minst rigide is kan het makkelijkst veranderen. Seksuele ‘blueprints’ veranderen echter niet gemakkelijk.

Drie openingen voor seks

– fysieke opwinding

– beginnen met het begeren in een interactie waarna de fysieke opwinding volgt

– bereidheid, open staan voor de begeerte

In dit laatste geval reageer je op een uitnodiging niet met: ‘nee, ik heb geen zin’. Perel vergelijkt seks hebben met zwemmen en zegt dat ze nog nooit iemand is tegengekomen die er achteraf spijt van had dat hij was gaan zwemmen ook al had hij er eerst geen zin in.

De biologisch antropologe Helen Fisher beschrijft in haar boek ‘Why we love’, drie gebieden in de hersenen. Gebieden voor onze lust (testosteron), voor romantiek (dopamine) en voor hechting (oxitocine).

Het begeren is uw eigen verantwoordelijkheid

Na de lunch geeft Perel de zaal een opdracht. We gaan op zoek naar onze eigen seksuele ‘blueprint’. We moeten in paren 10 verschillende antwoorden geven op twee vragen: Wat windt mij op?  En: Waar knap ik op af? Wat maakt mij levend, geeft mij energie of wat maakt mij dood? ‘What turns me on or what turns me off’?

Ook in therapie vraagt ze aan paren die geen seks meer hebben; Wat vond u fijn voordat u ‘dood’ ging? Het helpt om je dit te herinneren. In de veilige hechting kun je voelen dat je het waard bent om bemind te worden, om naar verlangt te worden. Het is een gevoel van voortdurende zelfwaardering; ‘I am lovable, desirable’, ‘I can desire, I deserve to desire, to want’.

Je moet zorgen voor jezelf, jezelf waarderen, mooi vinden. Als je je zelf niet mooi vind kan je partner wel 100 keer zeggen dat je het wel bent maar jij blijft denken dat hij een verkeerde bril op heeft. Als therapeut kun je mensen helpen om hun eigen waardigheid terug te vinden. Je kunt met hen naar hun verleden gaan tot je iets vindt. Of je kunt vragen: Hoe bent u gestorven? Wat is er gebeurd? Dit gaat allemaal over seksualiteit zegt Perel: ‘Sex is the engine of human experience’. Als iemand in het verleden genoot van het fietsen zegt ze : Stap opnieuw op uw fiets en kijk of u weer kunt genieten. Ze signeerde haar boek met een simpele opdracht: ‘Enjoy’!

Vijf werkwoorden

Vijf werkwoorden uit de grammatica die we kunnen gebruiken om met mensen over seks te praten: Vragen, geven, nemen, krijgen en weigeren. Er zijn mensen die goed kunnen geven maar niet kunnen krijgen. Als u angst hebt om u te verliezen is het moeilijk om te geven. Veel mensen doen niet wat ze willen maar doen wat ze denken dat ze mogen willen. Om te durven willen en vragen moet je een goede eigenwaarde hebben.

Je kunt je afvragen; zou ik van mijzelf kunnen houden, zou ik met mijzelf willen vrijen? Als u niet in uw lichaam wil zijn hoe kun je dan de ander ontvangen?

In relatietherapie komt men meestal niet met de vraag: wat doe ik fout? Meestal weten de partners beter wat de ander fout doet dan wat zij zelf fout doen. Perel gaat hoe dan ook op zoek naar het positieve en naar het genieten. Intimiteit heeft niets te maken met controle want dat zou betekenen dat de ene partner tegen de andere zegt: ‘U moet uw vrijheid opgeven voor mijn vrijheid’. Vertrouwen is de vaardigheid om het onbekende lief te hebben. Je moet kunnen leven met het onbekende, het andere…in contact kunnen komen met je angstige kant, met de verboden kanten van je identiteit.

Oefening: Uitnodigen van de ander

Perel laat twee mensen naar voren komen en geeft hen de opdracht om op enige afstand van elkaar te gaan staan. Een van de twee gaat de ander non-verbaal uitnodigen om dichter bij te komen. Later vraagt ze aan de spelers hoe het was om de rol te spelen van degene die uitnodigt en hoe het was om de uitgenodigde te zijn. De uitgenodigde vraagt zich bijvoorbeeld af: Hoe dichtbij mag ik komen? Zal ik meteen komen of zal ik even wachten? Kan ik het me veroorloven om te wachten? Zal de ander me later nog een keer uitnodigen als ik wacht? Ga ik onmiddellijk op de uitnodiging in want anders voelt die ander zich afgewezen? Als je deze oefening met een paar doet in de relatietherapie dan kan de hele geschiedenis van de relatie naar voren komen.

Tweede casus

Het gaat om een paar dat Perel één keer heeft gezien. Dit consult van 4 uur is op de video ingekort tot 20 minuten. Net zoals in de vorige casus gaat het er om dat het paar zich realiseert dat zij iets willen. Hij had een moeder die veel op de bank lag sigaretten te roken en TV te kijken. Wanneer hij als jongetje op een dag het been van zijn moeder aanraakt heeft hij een erotische ervaring. In deze paradigmatische ervaring van hem ontstaat zijn erotische ‘blue-print’. Hij kijkt naar pornofilms waarin moeders ‘who love to fuck’ het doen jongemannen. Een genre porno dat veel voorkomt. Hij is katholiek en heeft veel schaamte hierover.

Hij kan niet tegen zijn partner zeggen: ‘I need you’. Hij kan alleen zeggen: ‘She is withholding me, she refuses to give to me’. Een sleutelzin in het opgenomen gesprek is wanneer zij zegt: ‘I don’t want to nurture the little boy in him’. Hij heeft zijn emotionele behoefte verborgen en geseksualiseerd. Alleen in de seks kan hij vragen: ‘Hold me’. In het bekijken van een pornofilm zal ‘de moeder’ hem niet afwijzen of hem klein doen voelen. Perel vraagt hem: ‘Hoe kan je je partner willen in plaats van haar nodig te hebben’? Ze krijgt het in deze sessie voor elkaar dat het paar elkaars gezichten aanraakt en op een gegeven moment zelfs dat ze elkaars hele gezicht vasthouden. Dit is voor het eerst dat hij buiten de seks om vastgehouden kan worden.

Zij werd als meisje gewoonlijk niet gezien en werd op een nacht ziek en had overgegeven. Ze wilde niemand wakker maken maar liet iets van het braaksel express op haar lip achter in de hoop dat iemand van het gezin het zou opmerken. Dit is voor haar een paradigmatische ervaring. Haar seksuele fantasie en ‘blueprint’ bestaat eruit dat ze geblinddoekt vastgebonden ligt op een bed. Alleen op deze manier kan ze ontvangen, ‘selfish’ zijn en genieten. De blinddoek zorgt voor de afstand, voor haar autonomie, voor haar begeerte, zegt Perel.

Voor Perel is therapie om op een levendige, krachtige en poëtische manier uitdrukking te geven aan gevoelens. De focus is niet de pijn maar het plezier.

‘We kunnen het niet over genot hebben als we het alleen over pijn hebben’.

Als u haar zelf wil zien spreken kan dat hier:

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie, Psychotherapie, Systeemtherapie

De koekoek op de divan

Deze column van Marco Kamphuis, uitgesproken tijdens de radio uitzending Vroege Vogels is een aanrader. Om op een leuke manier nog iets meer te begrijpen van de hechtingstheorie en van de koekoek natuurlijk.

De meeste mensen weten wel dat de koekoek haar ei laat uitbroeden door een andere, veel kleinere vogel en dus niet voor zijn eigen jong zorgt. Marco Kamphuis staat hier samen met zijn vriendin bij stil vanuit een psychologisch standpunt.

Het is een groot geluk wakker te worden met de roep van de koekoek, en daarom breng ik ieder jaar de meivakantie in het Zuid-Limburgse Mechelen door. De daar residerende koekoek heeft me nog nooit teleurgesteld. Zoals alle koekoeken is hij schuw, hij laat zich liever horen dan zien, maar dit jaar nam ik hem toch waar. We liepen door het Geuldal toen zijn roep boven ons hoofd klonk. Mijn vriendin vond hem aandoenlijk, want voor zo’n gestroomlijnde vogel vliegt hij wat onhandig, met snelle slagen, waarbij hij zijn puntige vleugels geforceerd onder zijn lichaam houdt en zijn staart hem in de weg lijkt te zitten – het is alsof hij zelf zo’n beetje heeft uitgedokterd hoe het moet. En inderdaad, wie had hem moeten leren vliegen? De graspieper soms? Of de heggenmus?

Om de sympathie van mijn vriendin wat te temperen begon ik over zijn immorele nestgedrag. Strikt genomen is dat natuurlijk het gedrag van het vrouwtje, en een roepende koekoek is per definitie een mannetje, maar dit tegen de wind in harkende heerschap was op zijn minst medeplichtig. Maar mijn vriendin was begripvoller dan ik. ‘Hij heeft waarschijnlijk een hechtingsstoornis,’ zei ze.

Zo had ik het nog niet bekeken. De hechtingsstoornis is bekende problematiek bij adoptiekinderen. Het diepe besef dat hij zijn leven is begonnen als door zijn biologische ouders ongewenst ei, maakt het voor een koekoek op volwassen leeftijd allerminst vanzelfsprekend het ouderschap te verwelkomen. Ik dacht aan Jean-Jacques Rousseau, de bekendste filosoof die Zwitserland – het land van de koekoeksklok – heeft voortgebracht. Aan zijn moeder kon hij zich niet hechten omdat ze stierf bij zijn geboorte. Zoals hij zelf schreef: ‘Mijn geboorte was de eerste ramp die mij getroffen heeft.’ En wat deed Jean-Jacques toen hij later zelf vijf kinderen kreeg? Juist, die bracht hij regelrecht naar het vondelingenhuis! En dat was maar goed ook, want zo had hij zijn handen tenminste vrij voor zijn meesterwerk Émile ou De l’éducation, waarin hij haarfijn uitlegt hoe je kinderen moet opvoeden.

Ik vroeg mijn vriendin welke behandeling ze voorstelde – voor de koekoek, want Rousseau heeft het niet meer nodig. ‘Inzichtgevende psychotherapie,’ antwoordde ze. ‘Maar dan moet hij wel snel zijn, nu de zorgverzekeraar het nog vergoedt…’ Ik ben bang dat het weggegooid geld is, want met bevoegde biologen houd ik het erop dat de koekoek door een van Darwins nukken geprogrammeerd is om pleegouders voor het grootbrengen van zijn jongen te laten opdraaien. Net zoals hij ’s winters instinctief, zonder koekoek die hem de weg wijst, naar Afrika vliegt.

Hoe het ook zij, we waren het erover eens dat het een kapitale aanwijzing voor het bestaan van de vrije wil zou zijn, als er eens een koekoek opstond die zei: bekijk het maar, ik broed mijn ei lekker zelf uit.

De koekoek hieronder heb ik persoonlijk gezien en gefotografeerd in de Zouweboezem in Zuid-Holland. Of zijn aanwezigheid net zo voorspelbaar is als die van de koekoek in Mechelen in Zuid Limburg weet ik niet.

IMG_8464

‘een medeplichtig mannetje’

Meer over hechting op dit blog hier.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychotherapie