Tagarchief: Dirk de Wachter

Bedriegerssyndroom

In het Engels wordt dit het ‘Imposter syndrome’ genoemd en het klinkt alsof het uit de DSM (handleiding voor diagnostiek in de psychiatrie) komt. Het valt echter niet onder de psychiatrische stoornissen.

De term werd geïntroduceerd door psychologen om mensen te beschrijven die niet in staat zijn om hun prestaties te internaliseren. Ondanks bewezen vaardigheden blijven mensen met dit syndroom ervan overtuigd dat ze bedriegers zijn en hun succes niet verdienen. De grote meerderheid van ons – tot 70 procent zelfs – wordt af en toe overvallen door het gevoel een bedrieger te zijn.

Hieronder een artikel in De Standaard van Ellen Meulemans van 17 augustus jl., die verschillende mensen vraagt of zij aan het oplichters- of bedriegerssyndroom lijden.

Psychiater Dirk de Wachter had een leuke reactie op deze vraag. Hij pleit voor meer ‘imposter syndrome’.

‘Soms denk ik: laat me met rust, alsjeblieft. Ik weet het ook allemaal niet’

‘Ik vind zelf dat ik regelmatig over het paard getild word. Er worden mij gedachten toegedicht die ik niet heb, en goeroe-achtige eigenschappen toebedeeld die ik niet wil opnemen. Ik heb ook geen antwoord op alle maatschappelijke vragen. Bij mij speelt imposter syndrome dus ook een rol, maar ik vind eigenlijk dat veel succesvolle mensen het best wat meer impostergevoelens zouden mogen hebben. Dat is vaak een blijk van gezonde zelfkritiek. Er bestaat wel een gevaar dat we zouden vervallen van een pretentieuze positie in een slachtofferrol: “Ik kan niks, ik ben niets.” Dat is al even hooghartig, een soort omgekeerd narcisme. Er moet altijd nuance zijn.’

Ervaart u uw succes in de academische wereld anders dan in de media?

‘Dat zijn totaal andere werelden. Aan de universiteit en in het ziekenhuis ben ik maar een kleine garnaal, in de media word ik opgevoerd als een opiniemaker. Ik moet daar bescheiden over spreken, want dat is veel gebakken lucht. Ik stel hier en daar een vraag, en af en toe zijn die vragen relevant. Maar ze hebben grote impact, dat moet ik ook niet ontkennen.’

‘Het zou vals bescheiden zijn om te zeggen dat wat ik doe totaal onbelangrijk en volkomen belachelijk is, maar veel van wat ik zeg is ook maar heel gewoon. Onlangs zei ik in Nederland dat het belangrijk is voor een maatschappij dat ouders goed voor hun kinderen zorgen. Dat werd overal verspreid als een ongelooflijk intellectueel inzicht. Moet je daar dan zo lang voor gestudeerd hebben, vroeg mijn vrouw zich af. Maar goed, blijkbaar moest iemand dat eens zeggen. Mijn gedachtegoed raakt blijkbaar een gevoelige snaar.’

‘Tegelijk verwachten mensen van mij ook de oplossing. “Je zegt dat er iets mis is met de wereld, nu moet je ook zeggen wat we daaraan kunnen doen.” Ik moet altijd herhalen dat ik een psychiater ben, en een psychiater brengt geen oplossingen aan. Ik maak een kader waarin mensen zelf over oplossingen kunnen nadenken. Het doel is om in dialoog nieuwe inzichten te creëren, zowel met mijn patiënten als in de maatschappij.’

Als iedereen zijn kwetsbaarheden en twijfels zou toegeven, zouden we allemaal een stuk beter in ons vel zitten.’

‘Dat is ook wat ik overal verkondig. Niet in een emocultuur – in tranen, op tv, voor een miljoen kijkers. Maar ik pleit ervoor om het aan mensen die je vertrouwt toe te geven als je het even niet meer weet, als het lastig gaat, als je het moeilijk hebt. Om de schijn van gelukzaligheid niet hoog te blijven houden, tegen beter weten in. Om geen feestfoto’s te delen op Facebook terwijl je in je bed ligt te huilen. Dan kun je uiteindelijk alleen nog maar eerlijk zijn tegen je psychiater, tegen betaling dan nog. Over kwetsbaarheid spreken werkt verbindend.’

Toch is dat in grote mate taboe.

‘Wat mensen tegen mij vertellen, in de duisternis van mijn praktijk, dat wil ik aan de wereld vertellen. Als mensen mij zeggen dat ze zo eenzaam zijn, dat ze niemand hebben, dan wil ik aan de wereld duidelijk maken dat dat veel voorkomt. Iedereen is beschaamd daarover te spreken. Ik wil, als advocaat van die mensen, spreken over wat ik in mijn praktijk hoor, en zeggen dat dat van belang is.’

‘Ik word zelf ook overrompeld. Soms denk ik: laat me met rust, alsjeblieft. Ik weet het ook allemaal niet. Wat vragen ze mij toch allemaal? Ik heb het soms ook moeilijk met kritiek, omdat ik er snel van uitga dat kritiek terecht is. Ik vertrek als psychiater dan ook steeds van het standpunt van de ander. Als ik een giftige mail krijg, dan schrik ik een beetje. Maar ik vraag me ook af waar die reactie vandaan komt, wat die mens heeft meegemaakt.’

U zegt dat de invloed van geluk niet te onderschatten is.

‘De maakbaarheid van succes is een illusie. Ik pleit voor gewonigheid. Je mag fier zijn op de dingen die je gerealiseerd hebt met hard werken, talent, creativiteit en studie. Wees maar fier, want je succes is zeker te danken aan dingen die je zelf gedaan hebt. Maar weet ook dat er veel geluk en toeval bij komt kijken. It was half my fault, and half the atmosphere. Dat is zo bij mislukking, maar ook bij succes.’

‘Als je veel gerealiseerd hebt, zorg er dan voor dat je met beide voetjes op de grond blijft. Soms ontmoet ik in mijn praktijk heel succesvolle mensen die heel kwetsbaar zijn. Succes heeft vaak een heel hoge prijs. Ik zie mensen die heel eenzaam zijn en bijvoorbeeld hun gezinsleven compleet ontmanteld hebben. Die staan dan zogezegd succesvol in de schijnwerpers, maar ze zijn helemaal verlaten. Dat is een karikatuur, maar ze bestaat wel.’

Is kwetsbaarheid tonen moeilijker voor vrouwen of voor mannen?

‘Imposter syndrome werd ontwikkeld als theorie over vrouwen, die zich vaker zouden wegcijferen, terwijl mannen zich zomaar overal staan te profileren. Dat is later ontkracht en de theorie werd sterk verbreed. Het is ook heel subjectief en dus moeilijk te onderzoeken.’

‘Je zou kunnen zeggen dat vrouwen vanuit een cultuurhistorische achtergrond, en misschien ook wel biologisch, makkelijker toegang hebben tot kwetsbaarheid. Maar we zien ook dat vrouwen in topfuncties net afgerekend worden als ze die kwetsbaarheid tonen. Een vrouw die huilt op een vergadering: dat is fin de carrière. Een man die huilt op een vergadering wordt meteen opgehemeld. We hebben hem nodig! Oh zo kwetsbaar!’

‘Tegelijk zie ik hoe sommige mannen, vanuit de klassieke machogedachte, niet in staat lijken te zijn om enige kwetsbaarheid te tonen. Het is heel dubbel.’

U zei dat succesvolle mensen best wat meer imposter syndrome mogen hebben.

‘Ik pleit voor meer imposter syndrome. Uiteraard bedoel ik niet dat mensen zich slecht moeten voelen en moeten denken dat ze niets kunnen. Maar ik pleit voor twijfel. Je moet jezelf af en toe een spiegel voorhouden en zeggen: komaan jong, je bent toch ook maar een klein ventje. Doe maar gewoon.’

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychologie

Maak ruimte voor je verdriet

KIJK EN LUISTER: ROAD TO NOWHERE

Deze video vond ik bij een artikel uit Brainwash: Psychiater Dirk de Wachter: Maak ruimte voor je verdriet.

Hier heb ik niets aan toe te voegen. Bezoekers van mijn blog weten allang dat de Wachter mijn favoriete psychiater is. Hij is net als ik een systeemdenker. Fijn dat hij zegt dat hij een onnozelaar is tussen de onnozelaars, dat hij ook zoekend is. Zo voel ik dat ook.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychiatrie, Systeemtherapie

Emocratie

Een reactie op ontwikkelingen in de politiek vanuit de psychiatrie: “Meer en meer mensen zijn depressief, angstig en moe”, zegt Dirk de Wachter

Te zien in het Belgische TV programma: De Afspraak op Canvas: Er zijn veel emoties in het spel.

http://deredactie.be/cm/vrtnieuws/videozone/programmas/deafspraak/2.47559?playlist=7.39638&video=1.2819461

1 reactie

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek

Verdriet-dokter over de liefde

In het radioprogramma: ‘De kennis van nu’, werd op zondagavond 13-12-2015 de Belgische psychiater Dirk De Wachter geïnterviewd door Coen Verbraak. Ik heb al eerder over De Wachter geschreven op dit weblog maar het is met liefde dat ik opnieuw een bericht over hem maak. Het was opnieuw plezant om naar hem te luisteren.

Het leuke was ook de nieuwsgierigheid van de interviewer. Een paar keer vroeg hij: Hoe doet u dat dan … mensen helpen? Af en toe kregen we een kijkje in de keuken van De Wachter. De spiegel in zijn hand en het doen ondervinden, het doen ervaren van het zelf-helend vermogen van de mensen zijn belangrijke middelen. De zoektocht naar de verbinding speelt door alle gesprekken heen een rol.

Ik geniet van zijn taalgebruik en ik vermoed dat hij soms woorden zelf verzint. Een zo’n Vlaams woord is paniekéren. De klemtoon ligt op ‘keren’. We moeten niet paniekéren bij de terrorisme-dreiging. Hij gaat gewoon zoals elk jaar naar Parijs om Oud en Nieuw te vieren. En het is maar goed dat de metro in Parijs weer vol met mensen zit.

Er zijn altijd al vluchtelingenstromen geweest maar volgens De Wachter gaan we door de technologische ontwikkelingen naar een andere wereld en zullen vluchtelingen gemakkelijker en van verder komen en zij zullen vreemdere gewoontes meenemen. Maar we moeten ook hier niet over paniekéren; het stelt ons voor uitdagingen.


Het woord verdriet-dokter is verzonnen door zijn 6 jarige dochter die destijds het woord psychiater nog niet uitspreken kon maar het is een passend woord want verdriet is de motor van elk gesprek in zijn werkkamer, in zijn kabinet.

Er valt tegenwoordig in de psychiatrie veel geld te verdienen en De Wachter heeft niet te klagen over gebrek aan werk. Maar hij zou willen dat het zelf-helend vermogen van mensen groeide. Zodat zij niet naar de psychiater toe hoefden.

Er wordt vrolijk getaterd (ook zo’n leuk woord: tateren) op Facebook. Verdriet past daar niet in. En nu is verdriet een ziekte geworden. Maar er is niets mis met verdriet. Het is juist deftig als je ongelukkig kunt zijn.

Verbindingen worden vaak door verdriet geïnitieerd. Ware vriendschap is vaak gebaseerd op moeilijkheden waar men samen doorheen gaat.


De Wachter schreef eerst het boek Borderline Times waarin hij als systeemtherapeut de maatschappij ‘op de bank’ legde. Hij beschreef de onvoorspelbaarheid, de leegte, de zinloosheid van de maatschappij en de relaties die niet lukken. Er zijn veel verzuurde mensen terwijl we het beter hebben dan ooit. Er is veel ledigheid onder de leukigheid in onze maatschappij.

Hij ziet als psychiater zowel zeer ernstige, chronische patiënten die zijn opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis, als succesvolle mensen thuis in zijn eigen kabinet. Maar allen hebben dezelfde vraag: Hoe moet ik leven?  Het gaat altijd om existentieel zoekende mensen.

Hij is geen pastoor en vertelt de mensen niet hoe zij moeten leven maar hij heeft een spiegel in zijn hand. Hij laat mensen geduldig en respectvol in de spiegel kijken en dit kijken brengt inzichten voort.

Geluk hangt voor het overgrote deel af van ‘chance’, van het lot, van toevalligheden. Maar geluk is ook een klein beetje maakbaar. Je kunt op het pad van de noodlottigheid aan de zonnige of aan de schaduwkant lopen. We kunnen leren om een beetje op een andere manier ongelukkig te zijn. We kunnen samen zoeken om het verdriet een plaats te geven door te verbinden, door het samen mee te maken. Dat kan heel mooi zijn.

De Wachter had voordat dit interview plaatsvond op deze zondagmiddag het verzorgingstehuis bezocht waar zijn oude vader kort geleden was opgenomen. Hij was er met zijn vrouw en broer heen geweest. Ze hadden samen kunnen spreken over het verdrietige hiervan. Dat werkte verbindend. De Wachter werkt als gezins- en relatietherapeut waarbinnen voortdurend gezocht wordt naar verbindingen.

Het is een kwestie van ‘chance’ dat wij hier geen oorlog hebben en ook is het een kwestie van ‘chance’ dat zijn ouders hem graag hadden toen hij geboren werd. “Dagelijks zie ik mensen die deze ‘chance’ niet kregen.”

Hij noemt zichzelf een romanticus maar hij zoekt de romantiek in het kleine. Hoe kleiner hoe belangrijker. Een kleine aanraking kan heel romantisch zijn en is gratis. Zijn tweede boek heet Liefde maar hij weet niet wat liefde is. Zodra we er een hand op leggen is het weg. Het is een hele troost dat het niet te weten is.

Hij is al 35 jaar samen met zijn vrouw. Hij heeft er weinig prestaties voor hoeven leveren: “Ons leven is een genade.  Allemaal ‘chance’.”

De Wachter heeft op zijn 39e een TIA gehad (een tijdelijke hapering van de bloeddoorstroming in de hersenen). Hij was half verlamd en kon niet meer spreken. Hij belde zijn vrouw (die huisarts is) maar kon niet spreken. Na ongeveer twee minuten stilte raadde zijn vrouw dat hij het was, noemde zijn naam en kon hij zo goed en zo kwaad als het ging een geluid voortbrengen en toen is er hulp gekomen.

Ze doen hier nu nuchter over, ook al bagatelliseren ze niet wat er toen gebeurde. Het is zo gegaan. De Wachter is dankbaar voor het bestaan.

Terecht kunnen bij elkaar, elkaar in de ogen zien, elkaar vastpakken… dat zouden we meer moeten doen. Niet via Facebook maar in levende lijve.

Seks en intimiteit horen er bij maar de duurzaamheid van een relatie is niet zo verbonden met stomende sex. Zonder seks kun je ook een bijzonder liefdevolle relatie hebben. En dan is het nog geen vriendschap. Maar natuurlijk zijn wij ook onze lijven. We kunnen elkaar vastpakken. Dat vastpakken wordt niet door de porno gepromoot.

Als je genoeg hebt aan vriendschap en een leuke baan, prima! Maar de partners die de psychiater bezoeken zijn vaak ongelukkig omdat zij de liefde niet hebben. Dan denkt hij met deze mensen na over wanneer de liefde is verdwenen, over hoe het leven is gelopen en hoe de liefde weer terug kan komen. In die gesprekken kunnen de mensen hun zelf-helende vermogen ondervinden. Vaak ondervinden ze dit als ze onderweg zijn naar huis.

Het interview werd onderbroken door een lied: ‘Heart with no companion’ van Leonard Cohen.

2 reacties

Opgeslagen onder Psychiatrie, Systeemtherapie

Liefde. Een onmogelijk verlangen?

Dit is de titel van het nieuwe boek van psychiater Dirk de Wachter. Wim Brands interviewde hem naar aanleiding van het verschijnen van dit nieuwe boek op televisie in het programma Boeken van de VPRO.

Liefde zou in gezien kunnen worden als een onmogelijk verlangen in onze huidige wereld vol met paradijselijke illusies. Ons leven moet altijd ‘wow’ zijn, zegt De Wachter. De lat ligt zo hoog dat we het gewone leven niet meer kunnen leven. We zijn ons leven gaan zien als een te managen bedrijf.

De belangen van het individualisme en de vrijheid zijn dermate uitvergroot dat het collectieve is verdwenen. Dit proces begon al in de 18e eeuw. We zijn doorgeschoten in de maakbaarheid van onze samenleving en van ons zelf als individu. Het is niet zo dat vroeger alles beter was maar De Wachter wil de problemen van deze tijd scherp en kritisch blijven benaderen. Na de vele reacties die kwamen op zijn vorige boek: ‘Borderline times’, vond hij dat het tijd was om zich terug te keren naar de beslotenheid van zijn kabinet.

Om een antwoord te vinden op de vraag: ‘hoe moeten wij in hemelsnaam leven?’ We moeten leven met liefde is het antwoord. Dat we zoeken naar liefde en duurzame hechting is menselijk. Maar de liefde is niet maakbaar en kan niet ‘vermarkt’ worden. We moeten voor de liefde juist iets loslaten, iets meer laten gebeuren en onze kwetsbaarheid er laten zijn. Het is juist door wederzijdse kwetsbaarheid dat de liefde tussen mensen kan ontstaan.

De Wachter vindt dat de seksuele component in de relatie vaak wordt overdreven. We moeten de liefde ook leren kennen in het gewone. De liefde gedijt juist in het lastige. Liefde is het verbinden als het allemaal lastig en moeilijk is. Volgens Brands staat het boek vol mooie voorbeelden van mensen die de liefde zoeken.

Ik heb op dit blog al meerdere keren over De Wachter geschreven hier onder het kopje: ‘Laat ons alstublieft een beetje ongelukkig zijn’ en hier: ‘Er is geen wezenlijk verschil tussen normaal en abnormaal’ en hier: ‘Hoe moet ik leven’, wat een verslag is van mijn bezoek aan het congres Borderline Times.

3 reacties

Opgeslagen onder Psychiatrie, Systeemtherapie

“Psychiatrie een pseudo-wetenschap, psychiaters drugsdealers”

Dit beweert Will Self  in de Guardian van 3 augustus 2013.

Hij vraagt zich in zijn artikel af of de huidige epidemie van depressie en hyperactiviteit het resultaat is van een handel in ziekte door psychiaters en de farmaceutische industrie en of de psychiatrie nog enige geloofwaardigheid heeft.

images-2

Will Self

Een psychiater waar Will Self zelf eens door ‘behandeld’ werd, reciteerde regelmatig de volgende trieste mantra: “Ze zeggen dat mislukte dokters psychiater worden en dat mislukte psychiaters in drugs specialiseren”. Hij had het dan over verslavende drugs en de ‘behandeling’ bestond uit het voorschrijven van Temgesic, een synthetisch opiaat, als vervanging van de heroïne die Self zèlf liever gebruikte.

Self deed in die tijd samen met deze psychiater – zijn door de staat goedgekeurde drugsdealer – onderzoek naar verslaving. Zodoende belandden ze een keer samen in Amsterdam waar ze veel marihuana en alcohol gebruikten en waar Will zijn hand wist te leggen op heroïne die hij gebruikte onder de ogen van zijn psychiater die hem aan het ‘behandelen’ was. Dit is 20 jaar geleden.

Self presenteert deze gebeurtenis niet om zijn psychiater aan te klagen maar om te laten zien dat deze op zijn manier een perverse maar eerlijke rol speelde. Want dit is wat psychiaters doen; zij specialiseren zich in stemmings-veranderende drugs en zij kunnen mensen laten opsluiten die zij geestelijk ziek achten. Dit is wat ze te bieden hebben boven de andere ‘psy-beroepen’.

Volgens Will Self heeft de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) een enorme invloed en moeten we met zijn allen van de gelegenheid gebruik maken om, bij de publicatie van de nieuwe DSM-5, de psychiatrie aan te pakken.

Per slot van rekening is het alleen de psychiatrie die handelt in opgelegde maatschappelijke zorg. Psychotherapie en psychoanalyse ondergaan is meestal een vrijwillige bezigheid en ook de opvolging van verzachtende adviezen die gegeven worden via de media wordt vrijwillig ondernomen. Daarbij neemt de psychiatrie als enige deel aan die eigenaardige mystiek die medische beroepen eigen is.

Meningen van allerlei soorten therapeuten mogen opzij geschoven worden, maar de psychiatrie die zoals zij claimt, werkt met duidelijk gedefinieerde ziekten, oefent een grote invloed uit op ons collectieve zelfbeeld. Wat de aard is van die invloed en hoe die invloed ons idee over onszelf en ons geestelijk functioneren bepaalt, wil Self proberen te ontrafelen.

images

Illustratie: John Holcroft

Ernstig geestelijk ziek zijn is een extreem beangstigend verschijnsel om te zien en zeker om het mee te maken. Graag gaan we het uit de weg. We weten wel dat psychose niet besmettelijk is maar we wenden ons af als we op straat iemand tegen komen die tegen zichzelf aan het praten is en we vermijden de gekwelde blikken van diegenen waar onze gemeenschap voor moet zorgen.

Onderstaand filmpje van het komische ‘News Network The Onion’ illustreert hoe afzijdig we zijn als iemand in de publieke ruimte zijn emoties uit.

http://www.theonion.com/video/breaking-news-woman-crying-on-train-platform,19207/

De vroegere gekkenhuizen werden nog weleens bezocht bij wijze van amusement. Dat was dan tenminste nog een vorm van contact. Veel van de gekken die er zaten waren opgesloten om gedrag dat we nu beschouwen als een bepaalde leefstijl zoals seksuele promiscuïteit. Deze ziekenhuizen waren tegelijk een dump-plaats voor mensen met organische hersenziekten.

Onze psychiatrische instellingen zouden nog steeds op deze manier bezocht kunnen worden. Gesloten afdelingen bieden nog steeds een afschrikwekkende aanblik van ernstig gestoorde mensen die schreeuwen, grommen, schudden en beven – Self heeft het zelf gezien. En het is volgens hem juist de veelal onderdrukte wetenschap dat dit soort mensen bestaat, die er toe bijdraagt dat we er wel voor uitkijken om teveel kritiek uit te oefenen op de psychiatrie. Net zoals we stilletjes dankbaar zijn voor de bewakers van gevangenen, zijn we de psychiaters en psychiatrische verpleegkundigen dankbaar dat zij zorgen voor een cordon sanitaire tussen ons en de gestoorden.

Post Hoc Ergo Propter Hoc

Ook al is er de laatste 50 jaar veel veranderd voor degenen met een psychiatrische diagnose, de prognose voor deze mensen is er niet beter op geworden. Afgezien van de professionals die er hun brood mee verdienen is er bijna niemand die zich buigt over de vele wetenschappelijke documenten die gaan over alternatieve behandelingen.

In zijn boek ‘Our Necessary Shadow’ brengt Tom Burns, professor in sociale psychiatrie aan de Oxford University, verslag uit over de aard en betekenis van psychiatrie op een heldere, menselijke en in vele opzichten uitgebalanceerde manier. Hij maakt de volgende opmerking: “Ik ben er van overtuigd dat psychiatrie een belangrijke kracht is voor het goede want anders had ik er niet mijn hele volwassen leven aan gewijd”.

Deze opmerking is volgens Self een vorm van een logische dwaling nl.: ‘post hoc ergo propter hoc’. Als B na A gebeurt dan kun je aannemen dat A, B veroorzaakt heeft maar dit hoeft lang niet altijd zo te zijn. Bijvoorbeeld de komeet Halley komt langs de aarde (A) en een week later stort de effectenbeurs in (B). Dan kun je niet automatisch aannemen dat dit veroorzaakt werd door Halley. Burns had ook kunnen zeggen: “Omdat ik mijn hele leven als psychiater heb gewerkt, moet ik er wel van overtuigd zijn dat de psychiatrie een belangrijke kracht is voor het goede”.

Het alternatief voor Burns en voor de vele duizenden psychiaters met hem zou zijn om te moeten aannemen dat hun werkende leven heeft bestaan uit ridicule bezigheden zoals: patiënten, wiens ziekten niet door een organische dysfunctie worden bepaald maar door sociaal onaanvaardbaar gedrag, opsluiten of verdoven met drugs.

Burns is zo integer dat hij toegeeft dat de belangrijkste afwijkingen zoals schizofrenie, bipolaire stoornis en depressie niet op dezelfde manier gedefinieerd kunnen worden als lichamelijke ziekten. Hij hangt de moderne visie aan waarbij men geestelijke ziektes probeert te begrijpen vanuit zowel een biologisch, een psychologisch en een sociaal standpunt. Hij kent aan de psychotherapie een belangrijke rol toe waarmee hij afstand neemt van het biologische model dat sinds 1970 steeds meer de overhand heeft gekregen.

Maar wat Burns niet doet is het opgeven van de drugs. Hij verwijst in zijn hele boek slechts drie maal naar de zogenaamde SSRI’s, Selective Serotonine Reuptake Inhibitors, in het Nederlands: selectieve serotonine heropname remmers, zoals Prozac en Seroxat, de meest voorgeschreven psychiatrische drugs. Hij merkt op dat deze inderdaad teveel voorgeschreven worden en dat ze gebruikt worden om gewoon ongelukkig zijn mee te ‘behandelen’ in plaats van er alleen zware depressies mee te behandelen.

Maar Burns heeft het niet over de systematische kritiek van de laatste jaren op deze drugs en op de neuro-farmacie in het algemeen. Naar het onderzoek van Irving Kirsch dat aantoont dat SSRI’s niet beter werken dan placebo’s, kijkt hij niet. Hij kijkt ook niet naar de onderliggende ‘chemische onbalans theorie’ over depressie, die aan de basis ligt van de werking van de SSRI’s. Misschien wil hij er niet naar kijken omdat hij weet dat deze theorie onzin is want ook na gedegen onderzoek, is er geen correlatie gevonden tussen serotonine niveau’s in de hersenen en depressie.

De twijfel over het recht van bestaan waar de psychiatrie momenteel tegenaan kijkt wordt volgens Self nu juist veroorzaakt door de enorme toename van het gebruik van de anti-depressiva.

Psychiaters zeggen dat deze drugs voornamelijk door huisartsen worden voorgeschreven. Maar dat is alleen maar mogelijk doordat het onderzoek in de psychiatrie naar nieuwe behandelingen voortdurend gefinancierd werd door de farmaceutische industrie. Omdat psychiaters niet in staat zijn geweest om mensen met ernstige psychologische problemen te genezen heeft de psychiatrie op een geheel onbewuste en eigenaardige, collectieve manier de aandacht gericht op de minder ernstige psychische klachten. Anders was hun beroep namelijk opgehouden te bestaan.

Per slot van rekening: wanneer chlorpromazine of andere neuro-drugs schizofrenie niet geneest en wanneer lithium bi-polaire stoornissen niet genezen waarom zou je dan nog een gekwalificeerde dokter nodig hebben?

images-1

Anti-depressiva. Foto: Jonathan Nourok/Getty Images

De toename van psycho-farmaceutische middelen is hand in hand gegaan met de toename van psychische ziekten die ermee ‘behandeld’ moesten worden. De eerste DSM, die in 1952 werd gepubliceerd en de opvolger daarvan die in 1968 uitkwam waren beïnvloed door psychoanalytische theorieën. In 1980 bij het uitkomen van de DSM-III veranderde er iets omdat lithium werkzaam bleek bij het managen van manies. Er waren ineens duidelijke criteria nodig om vast te kunnen stellen wie daar bij gebaat zouden kunnen zijn.

De focus van de kritiek in het boek van James Davies: Cracked: Why Psychiatry Is Doing More Harm Than Good, is dat de criteria van de stoornissen die er in de DSM staan (ADHD, autisme, depressie) niet tot stand zijn gekomen door het volgen van een wetenschappelijke procedure maar dat ze tot stand zijn gekomen binnen een commissie van psychiaters die het met elkaar eens werden over over hoe patiënten met deze ziekten zich (volgens het jargon) ‘presenteren’. Het is te begrijpen hoe de staart de hond heeft doen kwispelen. In plaats van uit te komen bij een set symptomen waaruit een ziekte bestaat, zijn psychiaters beïnvloed door welke farmaceutische mengsels bepaalde symptomen verzachten en zo zijn er ziekten gecreëerd of stoornissen bedacht die bij de drugs passen.

Dit verklaart volgens Davies hoe bij elke nieuwe uitgave van de DSM er weer nieuwe stoornissen bij gekomen zijn. De nieuwe stoornissen komen niet tot stand door meer wetenschappelijk inzicht en de ontdekking van nieuwe ziekten maar door iatrogenese: door dokters gecreëerde ziekte.

De grote aantallen ‘hyperactieve’ kinderen die ritalin slikken en depressieven die serotonine slikken zijn inmiddels stijlfiguren geworden in de populaire cultuur. Deze ‘patiënten’ behoren niet tot de groep ernstige gekken. De ‘sad’ worden nu gekweld door dezelfde stoornissen als de ‘mad’.

Winst halen uit bedroefdheid

De kritiek van Davies is dat de farmaceutische multinationals zijn gaan bepalen hoe de psychiatrie werkt. Bijna alle onderzoekingen naar de werking van drugs worden gefinancierd door degenen die er winst mee zullen maken. Dit behoren we te weten. Net zoals we behoren te weten in welke mate onderzoeksafdelingen van universiteiten en wetenschappelijke tijdschriften gefinancierd worden door degenen die er winst mee maken. De hoeveelheid geld die er verdiend wordt met de SSRI’s is enorm, genoeg om er een heel vakgebied voor om zeep te helpen.

Delen van het boek van Davies waarin hij beschrijft hoe ‘big pharma’ zich bewogen heeft naar niet Engels sprekende landen en ook daar een grote culturele omwenteling heeft veroorzaakt in het denken over bedroefdheid (waar een merk van gemaakt is: chemisch behandelbare depressie), zodat zij hun twijfelachtige kleine blauwe pilletjes kunnen slijten, vond Self erg griezelig om te lezen.

Het is alsof niemand meer bedroefd mag zijn. Zie: mijn blog-post over het pleidooi dat psychiater Dirk de Wachter houdt voor bedroefdheid: “Mogen we alstublieft weer een beetje ongelukkig zijn”. Meer over dit pleidooi hier en hier.

De psychiater Burns zou het hier en daar met de kritiek van Davies eens kunnen zijn ook al gelooft hij dat zijn beroep een kracht voor het goede is. Davies is klinisch psycholoog en de felheid waarmee hij de psychiatrie aanvalt zou weggezet kunnen worden als een onderdeel van het territorium-conflikt onder de psy beroepen. Irving Kirsch is ook een klinisch psycholoog.

Self gelooft niet dat de huidige verwikkelingen simpelweg een functie zijn van de laat kapitalistische fase. Hij denkt dat we allemaal verantwoordelijkheid moeten nemen maar dat is niet gemakkelijk omdat we ons zo weinig bewust zijn van wat er aan de hand is. We zijn niet bewust aan het samenspannen om de psychoten chemisch te onderdrukken – ook al produceert Davies overtuigende statistieken die aantonen dat degenen met een psychose beter herstellen als ze helemaal geen medicatie krijgen – en we zijn niet bewust aan het samenspannen om van depressie een ‘chemische onevenwichtigheid’ te maken die je met SSRI’s kunt behandelen. Meer over de ‘chemische onbalans theorie’ hier.

We geloven liever het omgekeerde: we voelen ons enorm ellendig, kunnen ‘s ochtends niet opstaan, we verzorgen ons slecht en gaan er mee naar de huisarts en die schrijft een antidepressivum voor. En zie: we herstellen. We geloven in de overweldigende doeltreffende geneeskundige kracht van deze medicijnen en we geloven in onze huisartsen. Maar de SSRI’s werken nu juist omdàt we in dokters en hun wondermiddeltjes geloven! Self geloofde er zelf ook in. Zijn huisarts, een wijze, meevoelende man die hij helemaal vertrouwde, geloofde in de SSRI’s en schreef ze voor aan Self en hij geloofde er in. Wat we nìet willen geloven is dat er chemisch gezien niets mis was met ons brein.

Tegelijkertijd doet een psychiater zoals Burns moeite om te benadrukken, tegen de DSM in, dat de grote kracht en vaardigheid van de psychiater ligt in het diagnosticeren door empathisch met patiënten om te gaan. Diagnosticeren is voor hem een kunst, geen wetenschap.  Self denkt dat Burns zeker in staat is om mensen te helpen die geplaagd worden door demonen die hun zelfgevoel ondermijnen. Self is zelf getuige geweest van hoe een bevriende psychiater werkt met een haast bovennatuurlijk talent en compassie met deze mensen. In beide gevallen denkt hij dat deze psychiaters goede genezers zijn meer ondanks, dan dankzij de medische ideologie die zij aanhangen.

Opvoedende netwerken

Interessant genoeg gelooft Burns dat een grote groep ‘geestelijk zieken’ niet te genezen zijn. Dat zijn volgens hem de drugs en alcohol verslaafden. Hij wijst naar de ineffectiviteit van bijna alle behandelregimes, mogelijk omdat het nogal dom is om mensen die aan psychoactieve drugs verslaafd zijn, te gaan behandelen met weer andere psychoactieve drugs.

Elders in ‘Our Necessary Shadow’ lijkt Burns het idee te omhelzen dat zelf-hulp groepen een heleboel psychische ziekte kunnen verlichten en Self vind het vreemd dat Burns dan niet tot de conclusie komt dat dit nou juist de enige behandeling is die op de lange termijn werkt voor verslaafden. Psychiaters zijn notoir ongewillig om het 12-stappen programma te onderschrijven en benadrukken dat statistisch gezien de resultaten niet overtuigend zijn. Dat kan waar zijn maar het is ook waar dat er voor die 12-stappen programma’s geen psychiaters of andere psy beroepen vereist zijn!

Burns is het wel met Davies eens dat onze afhankelijkheid van psychiatrie en psychofarmaca te maken hebben met onze vervreemdende massamaatschappij, met de verzwakte familieverbanden en de nauwelijks bestaande gemeenschapszin. Zelfhulpgroepen zouden een belangrijke rol kunnen spelen in het herstel van deze koesterende, ondersteunende en opvoedende netwerken. Maar Burns lijkt te voelen dat we altijd een professional nodig zullen hebben om de ‘septic tank’ te laten repareren en onze bevuilde psyche schoon te laten spoelen.

Self is er niet zo zeker van of we die psychiatrie nodig hebben. Volgens hem zijn de psychiatrische behandelingen van de laatste tweehonderd jaar schadelijk geweest. Van hypnose, naar hersenoperaties, naar electroconvulsietherapie, naar valium en andere tranquilizers – de lijst van de wondermiddelen is lang en kwalijk en Self twijfelt er niet aan dat de SSRI’s straks aan de lijst worden toegevoegd.

We zullen toch een keer wakker moeten worden en beseffen dat terwijl de medische wetenschap ons onmetelijke voordelen brengt, de medische pseudo-wetenschap niet vooruitgaat. Per slot van rekening kwam er uit de meta-analyse van Irving Kirsch dat heroïne net zo werkzaam is tegen depressie als een SSRI.

Hoe gevaarlijk de SSRI’s zijn blijkt uit deze column van Ivan Wolffers: ‘De psychiater en de Prozac-moorden’.

 

6 reacties

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Psychologie

“Vader is een soort aanhangsel geworden”

Aan het woord is emeritus hoogleraar pedagogiek Louis Tavecchio in een televisie-uitzending van de NTR in de serie: ‘De kunst van het opvoeden’, gepresenteerd door Edwin Rutten. Deze aflevering heet: Wat betekent een vader voor zijn zoon? Naast Tavecchio wordt ook hoogleraar pedagogiek Jeroen Dekker geïnterviewd.

In deze serie uitzendingen belicht Edwin Rutten elke keer een opvoedkundig thema aan de hand van een schilderij.

Edwin Rutten in het televisieprogramma 'de kunst van het opvoeden'

Edwin Rutten in het televisieprogramma ‘de kunst van het opvoeden’

Hieronder een link naar de aflevering: Wat betekent een vader voor zijn zoon.

http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1350622

Volgens Tavecchio hebben vaders hoog gespannen verwachtingen van hun zoons en zullen zij, meer dan in hun dochters, in hun zoons teleurgesteld worden.

Over vertwijfelde vaders die niet trots op hun zoons kunnen zijn is een hier een leuk artikel van Roos Menkhorst uit de Groene.

De zoons willen niet in de mal van hun vader passen, zegt Tavecchio. Dat voelt als een keurslijf. De zoon wil het zelf uitzoeken. Meestal komt het met de vader-zoon band later, na de puberteit, weer goed. Hoe dat gaat zien we ook in het leven van de jonge vader Erwin uit deze aflevering van ‘De kunst van het opvoeden’. De vader van Erwin herinnert het zich nog als de dag van gisteren dat zijn zoon op een gegeven moment tegen zijn moeder zei; “Dat zoek ik met papa uit daar hoef jij je niet mee te bemoeien”. Het verdriet over de verwijdering en de vreugde over de toenadering tussen deze vader en zoon is invoelbaar.

De andere zoon in het programma groeide op zonder vader en zoekt hem later in zijn leven op, mede omdat hij zelf op het punt staat om een kind te krijgen. Hij vraagt aan zijn vader: “Waarom hebben wij elkaar niet leren kennen?” Het kost extra veel moeite om de band weer goed te maken ook al willen zij dit beiden. Deze jonge aanstaande vader neemt zich voor om àlles met zijn kinderen samen mee te gaan maken en hij zal ondanks alles wat hij gemist heeft zijn eigen vader aan zijn kinderen voorstellen: “Dit is Opa Stanley”.

Stoeien

Zowel Dekker als Tavecchio vinden het stoeien van vaders met kinderen een belangrijke bezigheid. Vaders doen dit van nature en al vanaf zeer jonge leeftijd. Ze gooien hun kind van nauwelijks één jaar een klein stukje in de lucht waarbij het kind het uitkraait van plezier om even later terug in de veilige armen van zijn of haar vader te belanden. Het  stoeien met vader schept een unieke band die heel anders is dan die tussen moeder en kind. Dekker: Stoeien met vader is van alle tijden. Vader doet mee met de kinderen. Dit zie je mooi geïllustreerd in de tekeningen van Jacob de Vos. Nu tentoongesteld in Dordrecht.

Jacob de Vos

Jacob de Vos (1774-1844)

Moeder een superkoningin

Volgens Dekker gaan vaders in de loop van de 19e eeuw door de Industriële Revolutie steeds meer werken in grote bedrijven en zijn ze steeds langer weg van huis. De moeder wordt op het schild geheven. Tegelijk was de vader volgens de wet nog steeds hoofd van het gezin en hadden moeders minder rechten ten aanzien van de kinderen bij een scheiding. Desalniettemin is volgens Tavecchio de moeder een superkoningin geworden en de vader een soort aanhangsel.

In de jaren 60 van de vorige eeuw werd het verschil tussen de moeder- en de vaderrol weer kleiner, zegt Dekker. De ‘vrije zaterdag’ werd ingevoerd waardoor vaders meer thuis waren en tegelijk gingen door het feminisme, moeders steeds meer buitenshuis werken.

Het lijkt mij voor vaders frustrerend om ‘aanhangsel’ te zijn en voor moeders lijkt het me zwaar om ‘superkoningin’ te zijn. Problematisch is het vaak wanneer zowel vader als moeder veel werken buitenshuis en de kinderen zichzelf ‘opvoeden’ en ik vrees dat dit toch steeds meer de praktijk is. Het opvoeden zo veel mogelijk samen doen blijft volgens mij het mooiste en is heel leuk werk.

 

3 reacties

Opgeslagen onder Opvoedkunde