Tagarchief: opvoeden

“Vader is een soort aanhangsel geworden”

Aan het woord is emeritus hoogleraar pedagogiek Louis Tavecchio in een televisie-uitzending van de NTR in de serie: ‘De kunst van het opvoeden’, gepresenteerd door Edwin Rutten. Deze aflevering heet: Wat betekent een vader voor zijn zoon? Naast Tavecchio wordt ook hoogleraar pedagogiek Jeroen Dekker geïnterviewd.

In deze serie uitzendingen belicht Edwin Rutten elke keer een opvoedkundig thema aan de hand van een schilderij.

Edwin Rutten in het televisieprogramma 'de kunst van het opvoeden'

Edwin Rutten in het televisieprogramma ‘de kunst van het opvoeden’

Hieronder een link naar de aflevering: Wat betekent een vader voor zijn zoon.

http://www.uitzendinggemist.nl/afleveringen/1350622

Volgens Tavecchio hebben vaders hoog gespannen verwachtingen van hun zoons en zullen zij, meer dan in hun dochters, in hun zoons teleurgesteld worden.

Over vertwijfelde vaders die niet trots op hun zoons kunnen zijn is een hier een leuk artikel van Roos Menkhorst uit de Groene.

De zoons willen niet in de mal van hun vader passen, zegt Tavecchio. Dat voelt als een keurslijf. De zoon wil het zelf uitzoeken. Meestal komt het met de vader-zoon band later, na de puberteit, weer goed. Hoe dat gaat zien we ook in het leven van de jonge vader Erwin uit deze aflevering van ‘De kunst van het opvoeden’. De vader van Erwin herinnert het zich nog als de dag van gisteren dat zijn zoon op een gegeven moment tegen zijn moeder zei; “Dat zoek ik met papa uit daar hoef jij je niet mee te bemoeien”. Het verdriet over de verwijdering en de vreugde over de toenadering tussen deze vader en zoon is invoelbaar.

De andere zoon in het programma groeide op zonder vader en zoekt hem later in zijn leven op, mede omdat hij zelf op het punt staat om een kind te krijgen. Hij vraagt aan zijn vader: “Waarom hebben wij elkaar niet leren kennen?” Het kost extra veel moeite om de band weer goed te maken ook al willen zij dit beiden. Deze jonge aanstaande vader neemt zich voor om àlles met zijn kinderen samen mee te gaan maken en hij zal ondanks alles wat hij gemist heeft zijn eigen vader aan zijn kinderen voorstellen: “Dit is Opa Stanley”.

Stoeien

Zowel Dekker als Tavecchio vinden het stoeien van vaders met kinderen een belangrijke bezigheid. Vaders doen dit van nature en al vanaf zeer jonge leeftijd. Ze gooien hun kind van nauwelijks één jaar een klein stukje in de lucht waarbij het kind het uitkraait van plezier om even later terug in de veilige armen van zijn of haar vader te belanden. Het  stoeien met vader schept een unieke band die heel anders is dan die tussen moeder en kind. Dekker: Stoeien met vader is van alle tijden. Vader doet mee met de kinderen. Dit zie je mooi geïllustreerd in de tekeningen van Jacob de Vos. Nu tentoongesteld in Dordrecht.

Jacob de Vos

Jacob de Vos (1774-1844)

Moeder een superkoningin

Volgens Dekker gaan vaders in de loop van de 19e eeuw door de Industriële Revolutie steeds meer werken in grote bedrijven en zijn ze steeds langer weg van huis. De moeder wordt op het schild geheven. Tegelijk was de vader volgens de wet nog steeds hoofd van het gezin en hadden moeders minder rechten ten aanzien van de kinderen bij een scheiding. Desalniettemin is volgens Tavecchio de moeder een superkoningin geworden en de vader een soort aanhangsel.

In de jaren 60 van de vorige eeuw werd het verschil tussen de moeder- en de vaderrol weer kleiner, zegt Dekker. De ‘vrije zaterdag’ werd ingevoerd waardoor vaders meer thuis waren en tegelijk gingen door het feminisme, moeders steeds meer buitenshuis werken.

Het lijkt mij voor vaders frustrerend om ‘aanhangsel’ te zijn en voor moeders lijkt het me zwaar om ‘superkoningin’ te zijn. Problematisch is het vaak wanneer zowel vader als moeder veel werken buitenshuis en de kinderen zichzelf ‘opvoeden’ en ik vrees dat dit toch steeds meer de praktijk is. Het opvoeden zo veel mogelijk samen doen blijft volgens mij het mooiste en is heel leuk werk.

 

Advertenties

3 reacties

Opgeslagen onder Opvoedkunde

Ouders als managers

Een leuk artikel uit de Groene van deze week over opvoeden in deze tijd.

Geschreven door de hoofdredacteur van het blad J/M voor Ouders, Evert de Vos. Hij is vader van twee kinderen (17 en 14 jaar).

jm-ouders

De titel van zijn artikel in De Groene is: Het project kind.

Evert de Vos heeft in dit artikel ook aandacht voor de stress van ouders over het opvoeden. J/M voor Ouders heeft eerder geschreven over de overdaad aan ouderlijke aandacht. “Ouders relax een beetje”, was de boodschap.

Over ouder-stress die samen lijkt hangen met het opdringerige aanbod van opvoed-hulp door experts heb ik hier geschreven.

Alleen politici die het echt niet meer weten, geven jongeren en hun ouders de schuld van maatschappelijk ongerief. Minister Plasterk slaat de plank dan ook volledig mis als hij geweld tegen ambtenaren aan de huidige lakse opvoeding wijt.

EEN KOPJE THEE met een biscuitje. Daarmee zaten tot diep in de jaren zeventig de moeders te wachten tot hun kinderen uit school kwamen gerend. Er mocht best een flinke schep suiker in de thee – want obesitas bestond nog niet – en het koekje was een bescheiden knappertje, een mariakaakje, of een langwerpig beschuitje met suiker en kaneel.

Minister Plasterk van Binnenlandse Zaken verlangt terug naar dit opvoedbeeld van voor de anti-autoritaire revolutie. ‘Ouders moeten weer gaan opvoeden’, stelde hij twee weken geleden. ‘Ze moeten weer normen en waarden bijbrengen.’ Dit naar aanleiding van een rapport over geweld tegen overheidsdienaren, zoals brandweermannen, ambulancepersoneel en ambtenaren van de sociale dienst. Maatschappelijk geweld, zo zei hij, is niet door strengere wetten en regels te stuiten. Het probleem moet bij de bron worden aangepakt: de te lakse opvoeding door veel ouders.

Met dit pleidooi schaart hij zich in een eindeloze rij van filosofen, politici en zondagsdichters die zich beklagen over de jongeren en de ouders die hen opvoeden. De oude Grieken, vader Cats, de regenten in de jaren zestig en, in de laatste decennia, politici als Van Agt (‘ethisch en geestelijk reveil’), Enneüs Heerma (‘het gezin als bakermat van goed burgerschap’) en Balken­ende (‘herstel van waarden en normen’) – ze beklaagden zich allen over de vervlakking van normen en waarden.

Twee jaar geleden was het nog minister Van Bijsterveldt van Onderwijs die ouders terechtwees over hun geringe betrokkenheid bij het onderwijs van hun kinderen. Geheel ten onrechte, blijkt nu uit een recent onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau. ‘Bijna alle ouders praten thuis met hun kind over hoe het gaat op school, en de frequentie waarin dit gebeurt is hoog’, concludeert het scp in een begin dit jaar verschenen SCP-Factsheet. Nog geen vijf procent van de ouders met kinderen in de basisschoolleeftijd laat bij elke ouderavond verstek gaan.

Waar komt al dat gemopper dan toch vandaan? Onderzoekers van de Universiteit van Alberta hebben het eeuwenlange gezeur van de oudere generaties onderzocht en komen tot de conclusie dat de klagers een te positief beeld hebben van hun eigen jeugd. Vooral de goede gebeurtenissen en de eigen successen zijn in het actieve geheugen opgeslagen. Vervelende gebeurtenissen en ook bijvoorbeeld lange perioden van inactiviteit zijn naar de achtergrond verdrongen. Ook Plasterk kijkt met een te roze bril naar zijn eigen jonge jaren. De moeders met hun thee en kaakjes hadden er na een kwartiertje genoeg van. ‘Hup, buiten spelen, jij!’ was meestal het credo. Want er moest altijd nog wel wat schoongemaakt worden. Rust, reinheid en regelmaat waren het hoogste goed en tot een uur of half zes diende je als kind je gezicht niet te vertonen.

De vaders uit die tijd vervulden vooral de rol van afwezige autoriteit. Weinig thuis – want nieuwigheden als wasmachine en tv moesten met overwerk betaald worden – en indien aanwezig vooral met borrel en sigaret achter de krant. Waarvandaan soms een bars ‘Luister naar je moeder’ klonk. Of: ‘Vrouw doe er wat aan!’ Nee, echte aandacht, laat staan een luisterend oor, was er bij moeder en vader niet te vinden.

EEN ENORM verschil met de huidige ouders. De rust, reinheid en regelmaat zijn misschien door het werkende leven wat in het gedrang gekomen, maar nog maar weinig kinderen zullen zich beklagen over te weinig ouderlijke aandacht.

Neem bijvoorbeeld de vaders, die kunnen na werktijd echt aan de slag: luiers verschonen, kleuren, spelletjes spelen, voorlezen, het slaapritueel. En op latere leeftijd: overhoren, citotesten oefenen, werkstukken verbeteren en hun kind ophalen bij schoolfeesten. Het is niet voor niets dat de verkoopcijfers van zowel jonge jenever als kranten en mannenbladen al twintig jaar een dalende trend laten zien. Vaders zijn nauwelijks minder gaan werken, maar de tijd die ze aan hun kinderen besteden is tussen 1975 en 1995 verdubbeld, van 2,5 naar ruim vijf uur in de week. Tijd voor zichzelf is voor jonge mannen een schaars goed geworden.

En de moeders? Die zijn in dezelfde tijdspanne bijna allemaal (parttime) gaan werken en desondanks is ook bij hen de kinderzorg toegenomen van ruim zeven naar twaalf uur in de week. Toch nog dubbel zo veel als de mannen.

Waarom gaan moeders en ook vaders zo op de lip van hun kind zitten? Verschillende onderzoeken geven daarover een eenduidig antwoord: ouders voelen zich in hoge mate verantwoordelijk voor het geluk van hun kind. Dus moet er een rijk sociaal leven met veel vriendjes en vriendinnetjes georganiseerd worden. Ook dient zowel de sportieve als de creatieve ontwikkeling ter hand genomen te worden, want school doet dat al lang niet meer.

Ouders zijn de manager van het project kind, of ook wel de chauffeur van de achterbank­generatie. Toch is het te gemakkelijk om het karikaturale beeld te schetsen van Sam en Daan die door een gestreste ouder op woensdag­middag van hockey naar dwarsfluit gereden worden. De behoefte aan echt contact, een goed gesprek, is groot. Cursussen en boeken waarmee ouders gespreksvoering met jonge kinderen leren, kunnen zich in grote belangstelling verheugen. Daar waar vroeger het afdrogen een mooi moment was om zaken ter sprake te brengen, is nu de vertrouwdheid van de auto de aangewezen plek om tussen neus en lippen door naar het wel en wee te informeren.

Er zijn zeker vraagtekens te zetten bij de huidige manier van opvoeden en de overvloed van ouderlijke aandacht. Zo voerde het tijdschrift J/M voor ouders vorig jaar de coverkreet ‘Ouders, relax een beetje’. Maar als je naar de cijfers kijkt, kun je niet anders dan constateren dat de resultaten geweldig zijn: de Nederlandse jeugd is bijvoorbeeld de gelukkigste van Europa, de Verenigde Staten en Canada, volgens de studie HealthBehaviour in School-aged Children van de Wereldgezondheidsorganisatie. Van de meisjes is 92 procent heel tevreden met hun leven, van de jongens maar liefst 97 procent.

We hebben ook een steeds hoger opgeleide jeugd. Ging lange tijd zestig procent van de middelbare scholieren naar het vmbo en slechts veertig procent naar havo of hoger, nu is die verhouding vijftig/vijftig. En de jeugdcriminaliteit – de normen en waarden van Plasterk – laat de laatste tien jaar een dalende trend zien. De misdaden worden ook minder ernstig, constateren wetenschappers van de Universiteit van Amsterdam. ‘De algemene trend hierbij lijkt vooral die van zwaardere naar lichtere handelingen’, constateren ze. Ze ontvouwen zelfs de ‘kattenkwaadtheorie’: politie en justitie zijn eerder en vaker gaan optreden tegen gedragingen die voorheen niet werden gekwalificeerd als jeugdcriminaliteit. De tolerantie tegenover jongeren is dus wel afgenomen.

Groot succes is ook dat kinderen steeds later voor het eerst alcohol drinken. Nieuwe ontdekkingen over de invloed van alcohol op de groei van puberhersenen en een succesvolle overheidscampagne hebben ervoor gezorgd dat een groot deel van de ouders de grens bij zestien jaar legt. Een mentaliteitsverandering die tot voor kort voor onmogelijk werd gehouden. Sinds 2001 heeft de alcoholconsumptie onder Nederlandse jongeren een dalende lijn ingezet. Behoorden ze toen tot de grote innemers van Europa, nu tot de nuchtersten. ‘Je mag dan rustig constateren dat Nederlandse ouders het goed doen’, zegt onderzoeker Wilma Vollebergh van de Universiteit Utrecht.

MAAR WAAR komt de opmerking van Plasterk dan vandaan? Allereerst moet je constateren dat de wetenschapper Plasterk zich heeft ontwikkeld tot een incidentenpoliticus. En incidenten zijn er natuurlijk net als vroeger altijd. Of het nu gaat om een Project X-feest in Haren of om het in elkaar trappen van een voorbijganger in Eindhoven, de moderne media zorgen voor een enorme uitvergroting van de incidenten. De beruchte kermisvechtpartijen waren vroeger net zo erg, alleen bleef de verontwaardiging beperkt tot het dorp waar de knokpartij had plaatsgevonden.

Incidenten vertekenen ook de werkelijkheid. Neem bijvoorbeeld het comazuipen. Per jaar belanden er 750 kinderen met vergiftigings­verschijnselen op de eerste hulp. Vreselijk natuurlijk voor de betrokken ouders en kinderen, maar vergeleken met de honderdduizenden jongeren die in de weekends de uitgaanscentra bevolken, is het een zeer kleine groep

En er zijn natuurlijk best opvoedproblemen te detecteren en groepen ouders die het minder goed doen. Opvallend is dat die zich vaak aan de uitersten van het sociale spectrum bevinden. Aan de ene kant de prinsjes en prinsesjes van de welgestelde, hoogopgeleide elite die geen enkele grens of geen enkel gebod meer accepteren, aan de andere kant de hangjongeren uit de ‘krachtwijken’ met ouders die de benodigde basisvaardigheden voor een goede opvoeding vrijwel ontberen. Maar ook dit zijn maar relatief kleine groepen.

Het waren echter juist de betrokken, hard hun best doende ouders die als een wesp gestoken op de opmerkingen van Plasterk reageerden. Want uit de macro-cijfers mag dan wel naar voren komen dat de Nederlandse ouders het geweldig doen, individueel heerst er grote twijfel. En juist dan zit je er niet op te wachten dat een onbetrouwbare overheid – die door bezuinigingen nauwelijks nog enige steun biedt – je ook nog eens terechtwijst.

De huidige chaotische maatschappij zorgt voor grote onzekerheid. Wanneer moet je streng zijn, wanneer moet je juist loslaten? Ouders worstelen met het stellen van grenzen. Niet vanwege een grenzeloos anti-autoritair opvoedideaal dat, mocht het ooit bestaan hebben, al lang passé is. Kinderen hebben liefde, aandacht én grenzen nodig, daarover heerst consensus. Want grenzen bieden ook de noodzakelijke veiligheid. Maar waar leg je de grens in de praktijk van alledag?

Ontwikkelingspsycholoog en systeem­therapeut Steven Pont, auteur van het onlangs verschenen Sociaal? Vaardig ziet dat geworstel met die grenzen als een onvermijdbare consequentie van juist het betrokken ouderschap. We trekken zoveel met onze kinderen op dat we zeker op latere leeftijd maatjes en vrienden van ze worden. Vanuit die positie is het lastig om opeens afstand te nemen en de rol van ­autoriteit op je nemen. Lastig, maar niet onmogelijk.

Opvoeden is net als leren lopen: het gaat met vallen en opstaan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde

Opvoed-experts

Onder de titel: ‘Doe ik het wel goed?’ verscheen van Casper Thomas in het Kerstnummer van 2011 een artikel in de Groene over de vele opvoed-adviezen waarmee ouders in deze tijd overstelpt worden. Deskundigen menen dat ouders het hard nodig hebben. Dit artikel vond de Groene een herhaling waard want het stond vorige week opnieuw op hun site. Het is volgens mij ook nog een actueel onderwerp.

Bij het woord ‘deskundige’ of ‘expert’ gaat het bij mij tegenwoordig jeuken. Zeker als het gaat om experts in de hulpverlening. Een beweging binnen de psychotherapie waartoe ik mij aangetrokken voel staat kritisch tegenover de expert-rol en wil in een dialoog met de cliënt werken aan het oplossen van problemen en wil niet in een klinische, lineaire relatie staan tot de cliënt. Zoals in de constructieve en dialogische therapie. Ik denk dat veel opvoed-deskundigen een toontje lager mogen zingen, ook al bedoelen sommigen het goed en ik ben het eens met critici als Jo Hermanns en Micha de Winter die in het artikel genoemd worden. De Winter heeft het over ‘opvoedingskramp’ en ‘maakbare’ kinderen en Hermanns over een ‘omgekeerde generatiestrijd waarbij ouders de aanval op de kinderen hebben geopend en deskundigen inzetten om de jeugd mores te leren’.

Het artikel spreekt terecht over ‘de bedrijfstak van de opvoed-ondersteuning’ want er wordt immers veel geld verdiend aan de onzekerheid van ouders. Want dat zijn de ouders volgens de opvoed-deskundigen: onzeker. Het is de vraag of er problemen worden gecreëerd.

De cartoon bij het artikel is erg leuk. Ik weet niet of het iedereen opvalt maar de ouders zijn getekend als een beetje ordinaire jongeren en de kinderen zien er uit als geslaagde ‘grote mensen in zakformaat’. Het zoontje in pak en het dochtertje met parelketting. De cartoon moet een foto voorstellen die genomen is van het gezin op een diploma-uitreiking. De ouders zijn namelijk geslaagd voor de opvoed-cursus. De zogenaamde foto is in een album geplakt en krijgt van de ouders een ondertiteling mee waarin ze spellingsfouten hebben gemaakt. Opvoeden kunnen ze maar spellen nog niet.

‘Grote mensen in zakformaat’, is een concept waar ik voor het eerst van hoorde in de jaren ‘70 toen ik pedagogie studeerde. We lazen toen: ‘Grootbrengen door kleinhouden’ van de historisch pedagoog Lea Dasberg. Ik ben er trots op dat ik later onder haar begeleiding mijn doctoraalscriptie mocht schrijven.

Dasberg toonde aan dat vòòr 1750 kinderen ‘grote mensen in zakformaat waren’ en dat kinderen in de eeuwen daarna steeds langer ‘kleingehouden’ werden en dus steeds later de volwassen fase bereikten. Opvoeders en pedagogen waren er terecht trots op dat de kinderarbeid was afgeschaft en trots op het kinderboek en het aparte kinderrecht. Maar het nadeel was volgens Dasberg dat het kind geïsoleerd was geraakt van de maatschappij, van zijn verantwoordelijkheid en van zijn seksualiteit. Kleinhouden was een slechte manier van grootbrengen vond ze. Kinderen moest je wel beschermen maar niet isoleren. Een groot deel van de jeugd in de jaren ’70 van de vorige eeuw raakte volgens Dasberg tussen de rails of bleef in de wachtkamer zitten. Een generatie die infantiel bleef.

We lijken te zitten met een generatie ouders is die onzeker is als opvoeder. Of onzeker gemaakt worden. Onzekerheid bij mensen komt een marketingmanager goed van pas, lijkt me. Ouders, losgesneden van hun eigen oerkrachten, zijn makkelijker in een consumenten-rol te krijgen. Dasberg vond dat volwassenen een grenzeloos gebrek aan historisch besef hadden en dat ze er te weinig besef van hadden een schakel in een keten te zijn. Ik vraag me af of we nu misschien nog steeds zonder geschiedenis leven en of daarom ouders onzeker zijn over zichzelf als opvoeders? Hebben de opvoed-deskundigen dan toch gelijk? Zijn ouders echt onzeker?

Ik vraag me ook af of we nu opnieuw willen dat kinderen, zoals meer dan 250 jaar geleden, volwassenen in zakformaat zijn? En dan natuurlijk dat ze succesvolle volwassenen in zakformaat zijn. Naar succes streven mag weer, wat in de tijd dat Dasberg haar boek schreef (1975), gewantrouwd werd. Succes wantrouwen is geen positieve houding dat ben ik met Dasberg eens. En ik ben het ook met haar eens dat je kinderen niet klein moet houden, niet moet isoleren maar om ze succes op te leggen, zoals nu lijkt te gebeuren, is een ander uiterste.

Het artikel in de Groene begint met het noemen van de filosoof John Stuart Mill uit de 19e eeuw die voor de vrije markt was maar die het vermogen van ouders om kinderen op te voeden wantrouwde. Het opvoeden kon je dus niet vrij laten. Een interessante contradictie.

Volgens Dasberg geloofde de mens in de 19e eeuw nog in succes en carrière maar was dit geloof was aan het einde van de 20e eeuw grotendeels verdwenen. De economische welvaart had er volgens haar voor gezorgd dat mensen succes en carrière waren gaan wantrouwen. Dit wantrouwen is nu, het begin van de 21e eeuw geheel verdwenen. We geloven er weer in! We willen weer vechten voor succes en carrière. En we willen dat onze kinderen er voor vechten. Is dit wat ouders onzeker maakt? Omdat ze diep in hun hart weten – oerkennis – dat niet alle kinderen succesvol kunnen zijn?

Mijn pleidooi is: laat het historisch besef dat welvaart het wantrouwen van succes tot gevolg had, ons leiden naar een compromis voor de opvoeding van nu, een crisistijd. Laten we gaan opvoeden tot succesvol zijn maar ook tot plezier hebben en tot jezelf blijven. En dat kunnen ouders misschien best met elkaar zonder de hulp van opvoed-cursussen die hen leren hoe zij hun kinderen kunnen doen aanpassen aan onze prestatiemaatschappij. Want dat zijn volgens mij de ‘mores’ die de jeugd moet leren.

We moeten het met elkaar doen: ‘It takes a village to raise a child’, en daar zijn normaliter geen experts bij nodig.

Mij spreekt ook aan wat de filosoof Foucault zegt over geld, wat een maatstaf voor succes is: “Ik wil er net zoveel van hebben dat ik er geen last van heb”.

Hieronder het artikel uit de Groene.

Illustratie: Milo

NOEM DE NAAM ‘John Stuart Mill’ en het bloed van menige liberaal gaat sneller stromen. Zijn boek On Liberty geldt als bijbel voor iedereen die waarde hecht aan zelfbeschikking en een afkeer heeft van bemoeizucht. Daarbij wordt vaak vergeten dat Mill er heel wat minder liberale opvattingen op nahield als het gaat om de opvoeding van kinderen. De filosoof wantrouwde het vermogen van vaders en moeders om hun kinderen zelf groot te brengen. Ouders zijn in overgrote mate ‘onbeschaafd’, oordeelde Mill, en hebben hulp nodig van ‘verlichte opvoed-experts’ om hun kroost te ‘socialiseren’.
De aanblik van Nederland anno 2011 zou Mill ongetwijfeld hebben doen watertanden. Het idee dat ouders moeten worden bijgestaan door opvoed-experts is diepgeworteld in onze samenleving. Het kabinet-Rutte werkt hard verder aan de erfenis van André Rouvoet, minister van Jeugd en Gezin in het laatste kabinet-Balkenende: een landelijk netwerk van Centra voor Jeugd en Gezin dat moet dienen als eerste hulp bij opvoed-vraagstukken. Onlangs deed Kinderombudsman Marc Dullaert het voorstel om ieder aanstaand ouderpaar op opvoed-cursus te sturen. Dat moet helpen kindermishandeling te voorkomen. ‘Zoals vrouwen ook op zwangerschapsgym gaan, moet het normaal zijn om naar een opvoed-cursus te gaan’, zei Dullaert in BN De stem. Hij kreeg ruime bijval van de Tweede Kamer.
Het voorstel van de Kinderombudsman is symptomatisch voor onze opvoed-cultuur, meent Jo Hermanns, deeltijdhoogleraar opvoedkunde aan de Universiteit van Amsterdam. ‘In Nederland geloven we sterk in de noodzaak van professionals en instituties’, legt hij uit in de spreekkamer van zijn adviesbureau voor jeugdbeleid in Woerden. ‘We hebben weinig vertrouwen in onze eigen vermogens om opvoed-problemen op te lossen en denken al snel dat een expert het beter kan. Het resultaat is een legioen aan hulpverleners dat zich over de ontwikkeling van jonge mensen buigt. Nederland heeft niet voor niets de meeste psychologen per hoofd van de bevolking ter wereld.’

Hermanns is een van de critici die vraagtekens zet bij de professionalisering van de opvoeding. ‘Problemen in de opvoeding, die al millennia-lang tot het gewone leven behoren, worden steeds meer gezien als iets waar ouders, leerkrachten en burgers in het publieke domein geen verstand meer van hebben’, schreef hij onlangs in De Groene Amsterdammer. Hij voegt zich daarmee bij types als de Britse dwarsdenker Frank Furedi, die in zijn boek Paranoid Parenting de oorlog verklaarde aan de zelfbenoemde opvoed-experts. Zijn aanklacht: ze doen het ouderschap voorkomen als iets extreem complex en gebruiken dat vervolgens als excuus om de ouderlijke privé-sfeer te koloniseren.
‘Die kritiek is te makkelijk’, klinkt het uit de hoek van de professionals. ‘Opvoeden is een vak en daarbij is hulp af en toe noodzakelijk’, zegt Gerda van Dijk. Zij is manager bij het expertise-centrum voor Jeugd, Samenleving en Opvoeding, een orgaan met ruim honderd medewerkers dat de opvoedkundige hulpverlening in de provincie Zuid-Holland coördineert. ‘Het is belangrijk dat ouders, in onze geïndividualiseerde samenleving, ergens terecht kunnen met hun opvoed-vragen’, aldus Van Dijk. ‘Ouders zijn vaak onzeker, bang om iets verkeerd te doen bij het opvoeden. En dus gaan ze op zoek naar advies.’

OP ZOEK naar advies zijn in elk geval de vrouwen die zich melden op een woensdagmorgen bij het ‘mamma-café’ in de binnenstad van Amsterdam. In de bruine kroeg waar ’s avonds glazen bier rondgaan, wordt deze ochtend opvoed-advies uitgedeeld. Tussen de mannen aan de zakenlunch zitten vijf dames aan een houten cafétafel die samen een afspiegeling van het opvoed-legioen vormen. Aanwezig zijn onder anderen een pedagoog, een verpleegster en een lactatiedeskundige. Een opvallend gekleurd bord (‘Vandaag: mamma-café’) voor de gevel nodigt passanten uit om binnen te stappen en bij een kop thee hun twijfels op de experts af te vuren. Vragen van de aanwezige moeders variëren van: ‘Mag ik met mijn kind van tweeënhalve week de tram in?’ en: ‘Hoeveel lagen kleding moet mijn dochter aan?’ tot: ‘Hoe vaak moet ik langs bij het consultatiebureau?’ Volgens de organisatoren komen ze om wegwijs te worden in het overvloedige aanbod aan opvoed-advies. ‘Op internet staat zoveel, daardoor worden ouders onzeker. Wij zijn er om structuur te geven.’
Het mamma-café, opgezet door de verloskundigen-praktijk en het ouder-kind centrum, is een van de talloze gelegenheden waarbij ouders professionele opvoed-steun krijgen aangereikt. In een gemiddelde stad worden voldoende workshops en lezingen over opvoeding georganiseerd om een werkweek mee te kunnen vullen. Wie raad wil, kortom, klopt niet langer aan bij ouders of buren, maar zoekt advies van een expert. En die verwijst graag door naar een cursus ‘positief opvoeden’, een workshop ‘stevig ouderschap’ of stelt voor een opvoedexpert in huis te halen. Zo biedt de gemeente Amsterdam de gelegenheid een pedagogisch adviseur video-opnamen te laten maken bij ouders thuis. Daarbij wordt gelet op ‘wat er goed gaat in het contact tussen u en uw kind’. Een acuut probleem is niet noodzakelijk. ‘Misschien ontdekt u punten die verbeterd kunnen worden, waaraan u met hulp van de adviseur kunt gaan werken’, zo luidt de opgewekte aanbeveling van ‘video-interactie-begeleiding’.

OPVOEDONDERSTEUNING barst van de goede bedoelingen, daar twijfelt niemand aan. Toch klinken er steeds meer tegengeluiden. Pedagoog Micha de Winter heeft het over ‘opvoedingskramp’ waar met name hoogopgeleide ouders last van hebben: een overspannen verwachting dat hun kind maakbaar is, zolang ze maar de juiste opvoedstrategieën kiezen. In haar proefschrift Ontheemd ouderschap constateert onderzoeker Margreth Hoek dat opvoedingsondersteuning vooral draait om het voorkomen van toekomstige maatschappelijke problemen zoals criminaliteit en stijgende kosten in de gezondheidszorg. ‘Het wantrouwen tegenover ouders is de laatste jaren toegenomen’, zo schrijft de journaliste Kaat Schaubroeck in ‘Een verpletterend gevoel van verantwoordelijkheid’, haar boek over modern ouderschap. ‘Voortdurend rijst de vraag of ze nog wel een goede opvoeding kunnen bieden zonder te worden bijgestuurd door professionals.’
‘Er is sprake van een omgekeerde generatiestrijd’, zo vatte Jo Hermanns in De Groene Amsterdammer de onvrede over de hedendaagse opvoed-cultuur op polemische wijze samen. ‘Waar de botsing tussen verschillende generaties ooit ging over jeugd die zich afzette tegen de burgerlijke wereld van volwassenen hebben volwassenen nu de aanval geopend op de jeugd en zetten ze deskundigen in de zorg-sectoren in om de jeugd mores te leren.’ Hij is bezorgd over de toename van het aantal jongeren in de jeugdzorg, dat in tien jaar is verdubbeld tot ruim negentigduizend. Hermanns wijt dit voor een belangrijk deel aan wat hij ‘de zuigkracht van het systeem’ noemt: het begint met lichte opvoed-ondersteuning en het eindigt met een etiket waarop staat ‘gedragsprobleem’. ‘Er is niets mis met ouders die hun licht opsteken bij deskundigen’, zegt Hermanns, ‘maar het probleem is: die deskundigen zijn getraind om problemen te zoeken en niet om te luisteren naar waar ouders behoefte aan hebben. Een kleine opvoedvraag wordt dan al snel groter gemaakt en afgestemd op het pakket aan professionele hulp dat ze op de plank hebben liggen.’
Het commentaar dat we wellicht doorslaan met de opvoed-ondersteuning lijkt vooralsnog weinig effect te hebben. In 2010 ontving bijna zestig procent van de ouders professionele ondersteuning van ten minste één instantie. Voor eenvijfde van de ouders ging het om een paar keer per maand of vaker, zo becijferde het Sociaal en Cultureel Planbureau in de Gezinsmonitor 2011. ‘Vaders en moeders hebben nu eenmaal behoefte aan hulp’, luidt de geijkte verklaring voor deze cijfers. De vraag is of dat klopt. Landelijk beleid is erop gericht dat ouders het normaler gaan vinden om opvoedingsondersteuning te gaan accepteren, concludeerde het SCP.
Ook Stefan Ramaekers, wijsgerig pedagoog aan de Katholieke Universiteit Leuven en auteur van het boek The Claims of Parenting, waarin hij de hedendaagse opvoed-moraal onder de loep neemt, vraagt zich af of het aanbod niet de vraag creëert, in plaats van andersom. ‘Er wordt al snel gezegd: ouders zijn onzeker en kloppen daarom aan bij de experts. Maar het is moeilijk vast te stellen wat er eerder was, de onzekerheid of de deskundigen. Ik vermoed dat onzekerheid ook in de hand wordt gewerkt door de overvloed aan advies dat mensen krijgen. Bovendien, hoeveel opvoed-experts je ook op ouders af stuurt, de fundamentele vraag “doe ik het wel goed?” blijft. En dat is maar goed ook. Opvoeden draait niet alleen om het toepassen van de juiste vaardigheden, maar ook om onze hoop en verwachting over hoe de volgende generatie opgroeit. Die kun je niet aan een buitenstaander uitbesteden.’

OUDERS ZELF lijken er minder zeker van te zijn dat ze het zelf afkunnen, getuige het overweldigende aanbod aan opvoed-steun. Zo werden in Nederland afgelopen jaar bijna vierhonderd ‘eigen-krachtconferenties’ georganiseerd waarbij ouders onder begeleiding van hulpverleners zelf hun ‘zorg-vragen’ op het terrein van opvoeden leren formuleren. De derde week van oktober werd bestempeld tot ‘Week van de Opvoeding’, waarbij workshops, lezingen en ludieke activiteiten op touw werden gezet. Opvallend detail: goed opvoeden lijkt vooral een Randstedelijke bezigheid. De provincies Noord- en Zuid-Holland namen bijna zeshonderd activiteiten voor hun rekening. In Friesland bleef de teller steken op twintig, in Zeeland op acht.
Het is de vraag wat ouders er echt mee opschieten. Ludiek en serieus, vrijblijvend of verplichtend, in de wereld van de opvoed-ondersteuning loopt alles door elkaar. En, goede bedoelingen of niet, opvoed-hulp is niet vrij van commerciële belangen. Veel aanbieders van opvoed-steun opereren ergens tussen de publieke sector en de vrije markt in. Het Expertis-ecentrum voor Jeugd, Samenleving en Opvoeding, bijvoorbeeld, wordt voor veertig procent gesubsidieerd door de provincie Zuid-Holland. De overige zestig procent moet worden opgehaald met het geven van workshops, trainingen aan opvoed-professionals en de verkoop van cursusmateriaal. Daarnaast bestaat er een omvangrijke commerciële sector waarbij opvoed-advies, boekverkoop en de belangen van sponsors nauw met elkaar verstrikt zijn. In de wijze waarop ze zich aan het publiek presenteren zijn de twee nauwelijks uit elkaar te houden. Ook de pedagogische trucs die aan de man worden gebracht, zijn vaak dezelfde als die in de publieke sector.
Een goed voorbeeld van hoe makkelijk commercie verweven raakt met de non-profitsector, is de opvoed-literatuur. In het kader van de Week van de Opvoeding stelde het Nederlands Jeugd Instituut, dat zich bezighoudt met ‘effectieve behandelprogramma’s en interventies in de jeugdsector’ een literatuurlijst van 38 pagina’s samen met een selectie van werken die opvoeders een steuntje in de rug kunnen bieden. Een greep uit het aanbod: How2talk2kids: effectief communiceren met kinderen (‘Toegankelijk geschreven communicatietips voor ouders vanuit een positieve grondhouding’), Opgroeien in vertrouwen: Opvoeden zonder straffen en belonen (‘Belonen en straffen zijn volgens de auteur een vorm van manipulatie’), of: Aargh!: Eerste hulp bij opvoed-stress (‘Een praktisch gidsje van A tot Z met ideeën en tips over opvoeden’). Alles verkrijgbaar in de (internet)boekhandel. Natuurlijk, het is een eerste schifting van het simpelweg onoverzienbare aanbod, maar een lijst met tweehonderd boeken brengt mensen eerder in verwarring dan dat die de vertwijfeling wegneemt.
Aan de pedagogische literatuur is overigens goed te zien hoe de opvoed-moraal is veranderd. Tot diep in de jaren zestig moesten ouders het doen met een handjevol boeken die in meerderheid voor de oorlog waren geschreven. De canon bestond uit werken als De opvoeding van zuigeling en kleuter geschreven door de Amsterdamse hoogleraar Martinus Langeveld, of Zuigeling en kind van de katholieke opvoedkundige Alfons Chorus, boeken die het accent legden op het opvoeden van kinderen tot deugdzame burgers. Ouders dienden vooral het goede leven voor te leven.
‘Begin jaren zeventig kwam de kentering’, constateert Janneke Wubs, docent sociaal-pedagogische hulpverlening op de Haagse Hogeschool, die enkele jaren geleden promoveerde op een analyse van honderd jaar opvoed-literatuur: ‘Sindsdien volgen nieuwe pedagogische werken elkaar in rap tempo op. De nadruk is komen te liggen op de emotionele ontwikkeling van kinderen. Indachtig de tijdgeest is ook het burgerlijk ideaal uit de opvoed-literatuur verdwenen om plaats te maken voor adviezen om de ontwikkeling van het kind zo optimaal mogelijk te laten verlopen. Wat dat betreft was Benjamin Spock met zijn opvoed-klassieker Baby- en kinderverzorging en de opvoeding uit 1946 zijn tijd ver vooruit.’ Ook Jo Hermanns voert de wortels van onze hedendaagse opvoed-moraal terug op de jaren zeventig. ‘Vanaf die tijd zie je langzaam een andere vorm van ouderschap ontstaan. Het ouderschap is veranderd van iets wat je nauwelijks overwoog tot een keuze die de kwaliteit van je leven moet verhogen.’
En dat betekent niet meer alleen het goede voorbeeld geven en hopen dat het kind volgt, maar actief aan de slag gaan met training, stimulering en begeleiding. Kort gezegd: emulatie heeft plaatsgemaakt voor interventie. Zo houdt het Nederlands Jeugd Instituut een databank bij van ‘effectieve jeugdinterventies’ die hobbels op de weg naar volwassenheid moeten ‘voorkomen, verzachten of verhelpen’. Behalve hulp bij problemen zoals verslaving of depressie bevat de databank doorverwijzingen naar de ‘kanjer-training’: tien lessen van anderhalf uur voor kinderen tot zestien jaar met cognitieve training, rollenspellen en vertrouwensoefeningen die moeten leiden tot een ‘verbeterd moreel besef’. Of naar de workshop ‘smakelijk eten’ die de ‘opvoed-competenties van ouders met betrekking tot smaakontwikkeling van kinderen versterkt’.

WAT OPVALT aan het opvoed-discours is het taalgebruik. Gewone bezigheden, zoals het nuttigen van een maaltijd of spelen op het schoolplein, worden omschreven in abstracte vaktermen of wetenschappelijk vocabulaire. ‘Ons dagelijks spreken over opvoeding wordt ingenomen door begrippen uit de psychologie’, aldus Stefan Ramaekers. ‘Als ouders zien dat een kind druk is, klinkt al snel “misschien is dat wel ADHD”. Ook de opvoedingsliteratuur is doorspekt van psychologische termen. Het gaat over hechting, over interactie, over emotionele stimulering. Als we zo over onze kinderen spreken, gaan we ze vanzelf ook zo zien. Is een kind sociaal, dan heeft het “goede interactieve vaardigheden”. Je kunt ook gewoon zeggen “hij maakt makkelijk vriendjes”. Een kind is op die manier niet een menselijk wezen waar je zo goed mogelijk voor moet zorgen, maar een organisatorisch project dat je zo goed mogelijk moet managen.’
Wat Ramaekers bedoelt, is goed te zien aan de laatste mode in opvoed-land: de Triple P-cursus. Deze methode, ontwikkeld door de Australische psycholoog Matthew Sanders, draait om positive parenting, wat betekent dat ouders aangemoedigd worden hun kinderen regelmatig complimenten te geven, een ‘aansprekende discipline’ te hanteren en goed voor zichzelf te zorgen. Wie de vijf uitgangspunten en zeventien ‘basisvaardigheden’ van Triple P volgt, kan meer ‘genieten van de opvoeding’, is de belofte. Ook voor gezinnen waar de opvoeding gladjes verloopt wordt Triple P aangeraden om toekomstige problemen voor te zijn. Parenting now comes with a manual!, zo vatten de auteurs hun methode samen.
Wie het cursusmateriaal leest gaat al snel geloven dat het ouderschap inderdaad een taak is van herculische proporties waar je zonder handleiding niet uitkomt. Zo bevat de cursusmap een folder die ouders uitlegt hoe ze met hun kind moeten omgaan als er bezoek komt. ‘Dit kan tot problemen leiden’, valt in het lesmateriaal te lezen. ‘Maar in deze folder staan tips om uw kleuter te leren hoe hij of zij zich moet gedragen als er bezoek komt.’ Wat volgt is een waslijst aan maatregelen om ‘een bezoek in goede banen te leiden’. Zo wordt geadviseerd een kind goed voor te bereiden op een bezoek, het regelmatig te herinneren aan de aankomende visite en, als de gasten eenmaal zijn vertrokken, de gebeurtenis na te bespreken. Het is een protocol dat bij een gemiddeld staatsbezoek niet zou misstaan. Ook voor andere dagelijkse bezigheden zoals boodschappen doen (want ‘daarbij kunnen kinderen zeuren of door de gangpaden rennen’) of autorijden (want ‘ongewenst gedrag in de auto bezorgt ouders stress’) bevat de Triple P-map een plan van aanpak.

HET IS een verhaal dat er in Nederland ingaat als koek. Na een eerste testfase bieden inmiddels ruim achtduizend Triple P getrainde opvoed-experts in honderdzestig Nederlandse gemeenten op deze wijze opvoed-ondersteuning aan. Ook moeders die binnenlopen bij het Amsterdamse mamma-café wordt geadviseerd zich in Triple P te verdiepen. Slecht nieuws voor hen die menen dat de bemoeienis met opvoeding wel wat minder kan. Te meer omdat deze methode alles bevat waar de critici over vallen: preventie-denken, controledrang en de impliciete boodschap dat ouders het niet alleen afkunnen. En dat alles gebaseerd op de stoplap: onderzoek heeft aangetoond dat het werkt.
‘Ik vraag me dan af: het werkt waarvoor?’ reageert Stefan Ramaekers. ‘Wat geldt als een goede opvoeding is een ethische kwestie. Men lijkt er stilzwijgend vanuit te gaan dat iedereen daar hetzelfde over denkt. Ouders wordt duidelijk verteld wat de goede en slechte handelingen zijn om opvoedingsdoelen te bereiken, maar de doelen zelf worden zelden ter sprake gebracht. Het gaat doorgaans om zeer brede begrippen, zoals emotioneel en psychisch welzijn. Maar wat dat betekent, voor elk van ons, in relatie met ons eigen kind, daarover wordt gezwegen in de opvoed-ondersteuning.’
Wat Ramaekers betreft zoeken ouders bovendien een houvast dat de wetenschap helemaal niet kan bieden. ‘Neem bijvoorbeeld de discussie over de pedagogische tik. De consensus is: dat mag je niet doen, want dat is slecht voor de emotionele ontwikkeling van een kind. Enige tijd geleden publiceerde de Amerikaanse ontwikkelingspsycholoog Marjorie Gunnoe een onderzoek waaruit bleek dat volwassenen die op jonge leeftijd fysiek gedisciplineerd werden succesvoller waren dan kinderen die nooit een tik kregen. Wat moet je als ouder met dit soort onderzoek? Wetenschap zal altijd tegenstrijdigheden bevatten. Het is een illusie dat je opvoed-vragen definitief kunt oplossen door te verwijzen naar empirische evidentie.’

1 reactie

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Persoonlijk en politiek

Puberwapens en pubermanipulaties

Regelmatig raad ik een ouder met een puber aan om: ‘Alles went, ook een adolescent’, van de Belgische psycholoog Theo Compernolle, te lezen. Het hele boek is goed maar ik bedoel nu de paragraaf: ‘Pas op voor puberwapens en puber-manipulaties!’

Ouders denken soms niet op te kunnen tegen de invloed van vrienden van hun puber en de invloed van het internet. Maar ze moeten het idee van opvoeden juist niet opgeven als hun kinderen gaan puberen.

Juist in de puberteit moeten ouders hun kinderen een mening geven en hen stimuleren om daarover na te denken. Zo zetten zij de hersens van hun pubers op ‘aan’, zei psychologe Martine Delfos in een artikel enkele jaren geleden in NRC Handelsblad. Haar advies was dan ook: Stel grenzen en trotseer de protesten!

Hieronder een samenvatting van de zojuist bedoelde paragraaf van Theo Compernolle. In de hoop dat ouders door de herkenning ervan zich gesterkt voelen om te blijven opvoeden.

De manieren waarop een puber zijn zin probeert te krijgen zijn dezelfde als die van een veel jonger kind. Alleen zijn de wapens nu groter, sterker, krachtiger, dreigender en meestal lastiger. Als een puber de onderstaande middelen vaak of zelfs voortdurend gebruikt, dan is dat omdat hij er in het verleden succes mee had.

Gebruikt je puber op 16/17 jarige leeftijd nog steeds dit soort wapens, dan kun je het wel vergeten zegt Compernolle: “Er is weinig meer aan te doen, behalve hem zo snel en netjes mogelijk de deur uitwerken. Dan kan hij zelf ervaren hoe het is om zichzelf te redden in een wereld waar niemand dat soort dreigementen pikt.”

De meest geliefde puberwapens en puber-manipulaties:

1 Drammen, zeuren, doorzagen

In principe is dit een uitputtingsslag. Als een kind na 10 minuten drammen zijn zin krijgt, zal hij de volgende keer minstens voor die 10 minuten gaan en als dat geen succes heeft, nog langer aanhouden. Door steeds toe te geven leer je je kind steeds beter drammen, langer zeuren en vervelender doorzagen.

Voor een extreem en ook grappig voorbeeld zie het blog bericht Puberwapen

2 Schreeuwen, schelden, woedend of hysterisch worden

Ontkracht de emotie niet, val ze niet aan of negeer ze niet, is het advies. Boos zijn mag maar schreeuwen en schelden hoef je niet te accepteren.

puber

 

3 Stommetje spelen

Het zwijgen van een kind wordt door veel ouders als heel vervelend ervaren. Vaak zijn pubers er beter in dan hun ouders en trekken ze een muur voor je op waar je niet doorheen komt. Ga niet smeken om binnen gelaten te worden want daarmee versterk je het machtsgevoel van je kind. Wat wel eens wil werken om het ijs te breken is het schrijven van een briefje.

4 Op je gevoel spelen, verleiden, misleiden

Een goede manier om je ouders om te krijgen is: inspelen op hun liefde of op hun schuldgevoel. De kreet: “Ik haat je”, kunnen 3-jarigen al gebruiken al weten ze vaak nog niet wat het betekent. Ouders die zich hierdoor van de wijs laten brengen krijgen steeds minder liefde en steeds meer haat.

Pubers kunnen op je gevoel spelen met: “Ik heb er niet om gevraagd om op de wereld gezet te worden”, of met: “Het is jullie schuld dat ik ongelukkig ben”. Verleidende opmerkingen zoals: “Pap, jij snapt de jeugd veel beter dan mama, mag ik van jou…” zijn een valkuil. Misleidende opmerkingen zoals: “De anderen van mijn klas mogen wel…” kunnen ook effectief werken. Een stevige ouder zegt: “Dit vind ik zò belangrijk dat het er niet toe doet wat die andere ouders zeggen”.

5 Geweld gebruiken

Fysiek geweld moet in de kiem worden gesmoord met een maatregel die voldoende zwaar is om de kans op herhaling te voorkomen.  Hoe geweld gestopt kan worden geeft Haim Omer aanwijzingen voor.

6 Dreigen en chanteren

De ultieme catastrofale manipulatie- en chantage middelen zijn: weglopen, dreigen met zelfmoord, zwaar fysiek geweld gebruiken of ermee dreigen. Kinderen gebruiken deze middelen in twee situaties:

a als ze werkelijk volledig klem zitten, geen uitweg meer zien

b als ze hun zin niet krijgen waar ze het wel verwacht hadden

Deze dwangmiddelen geven de ouders dikwijls de indruk dat ze voor een onoplosbaar dilemma staan. Als ze toegeven gaat het fout, als ze niet toegeven gaat het ook fout, denken ouders. Maar zo is het niet. Als je toegeeft aan chantage middelen, houdt de chantage niet op, die begint steeds opnieuw en wordt alsmaar erger.

Wees alert op het alarmsignaal dat je kind met een van deze dwangmiddelen geeft: ofwel er is iets grondig mis met je kind, met jullie relatie, met het gezin of op school, ofwel is het eindpunt bereikt van een escalatie van chantage, meestal de climax van verwenning.

In dit geval is het tijd om een beroep te doen op een stevige gezinstherapeut die verstand heeft van pubers en adolescenten.

Als de zaak opeens is geëscaleerd en het eigenlijk altijd redelijk goed gaat kan een afkoelingsperiode een oplossing zijn. Bijvoorbeeld dat je kind een paar weken bij goede vrienden of kennissen gaat logeren.

5 reacties

Opgeslagen onder Opvoedkunde