Categorie archief: Psychologie, proza en poëzie

De kunst van het wandelen

Dit bericht is een vertaling en samenvatting van een essay van de eigenzinnige Amerikaanse dichter en filosoof Henry David Thoreau. Het essay heet ‘Walking’ en is gepubliceerd in 1862, een maand na zijn dood. Thoreau bezingt het wandelen, hij is de eerste ware natuurflaneur. Een beroemd boek van hem is ‘Walden’ over het leven in de bossen.

Hij neemt het op voor de natuur, voor de absolute vrijheid en voor de wildheid en wil de mens beschouwen als een onderdeel van de natuur, eerder dan als lid van de maatschappij.

Er werd naar dit essay verwezen door Bregje Hofstede in een bijdrage in De Correspondent over hoe zijzelf uit een burn-out kwam door te wandelen. Hofstede over Thoreau en haar wandeltherapie:

‘Iedere wandeling is een soort kruistocht,’ vindt hij, ‘om dit Heilige Land te heroveren.’ Het Heilige Land dat hij bedoelt, is een heel aards paradijs, nergens te vinden behalve hier en nu; de verlossing bestaat uit landweggetjes en een paar uur voor jezelf.

Wandelen stond centraal in mijn herstel van de burn-out, en is een constante in alle adviezen die ik daar ooit over las. Wandelcoaching is een genre binnen de begeleiding van burn-outpatiënten, daarnaast is er een joggingvariant. Ook om burn-out te voorkomen, lijkt wandelen effectief. Thoreau’s heilsverwachting begeleidt de wandelaar nog steeds. Waarom?

Lees vooral het artikel van Hofstede maar dit bericht is een vertaalde en verkorte versie van Thoreau’s essay. Zijn negentiende eeuwse engels is niet makkelijk te lezen maar hij zegt interessante dingen en neemt interessante dingen waar. Vandaar dat ik er voor ging zitten om het te ontcijferen. Mijn wandelingen zijn er een stuk romantischer op geworden.

Foto’s gemaakt tijdens wandelingen op de Oude Buisse Heide, januari 2019

Wandelen is dwalen

Een Engels woord voor wandelen, voor de kunst van het wandelen, slenteren of kuieren is ‘sauntering’. Dit woord is volgens Thoreau afgeleid van het Franse ‘sainte terrer’ dat gebruikt werd voor de middeleeuwse zwervers die te voet en bedelend door Frankrijk trokken. Deze wandelaars werden als lui en nutteloos gezien, als vagebonden die maar zeiden dat ze op weg waren naar het heilige land. Franse kinderen riepen deze mensen na: ‘sainte terrers’, ‘heilige landers’. Volgens etymologen is het woord ‘sauntering’ verwant aan het Nederlandse woord ‘slenteren’ of het Duitse woord ‘schlendern’. Het heeft dus niet echt iets te maken met het op weg zijn naar het heilige land.

Je zou volgens Thoreau ook kunnen bedenken dat het woord ‘saunterer’ afgeleid is van het Franse ‘sans terre’, zonder aarde, zonder vaste verblijfplaats. De zwerver of de wandelaar die zich overal thuis voelt. Dit is het geheim van de wandelaar; hij voelt zich overal thuis terwijl hij wandelt. Degene die thuis blijft is pas echt lui en nutteloos.

Hoewel ik de betekenis van de ‘saunterer’ als mens zonder vaste verblijfplaats een aantrekkelijke vind gaat Thoreau’s voorkeur uit naar de meer transcendente betekenis; die van de wandelaar die op weg is naar ‘het heilige land’. Thoreau heeft zelf maar weinig mensen ontmoet die op deze manier wandelen en die volgens hem echt begrepen wat de kunst van het wandelen inhield. Een wandelaar is zoals een slingerende beek, die de kortste weg naar de zee zoekt.

De tegenwoordige wandelaar begint zelden meer aan een eindeloze tocht. Meestal keert hij aan het eind van de dag terug naar de haard die hij ’s ochtends verliet. Veel wandelingen hebben we al eens eerder gemaakt. Toch zouden we zelfs de kortste wandelingen kunnen maken in de geest van het eindeloze avontuur, alsof we niet meer zullen terugkeren. Alsof we bereid zijn om familie en vrienden achter ons te laten. Onze schulden afgelost, de erfenis nagelaten, zaken geregeld en dan als vrij mens op pad. Pas als je op deze manier kunt vertrekken, ben je klaar voor het echte wandelen.

Samen met een wandelvriend fantaseerde Thoreau soms alsof zij iets belichaamden van een heldhaftige ridder te paard uit oude tijden, maar dan wel een ridder van een eerbare orde en niet in dienst van de kerk of de staat maar een dolende ridder. Zij meenden dat zij de twee enigen waren die deze edele kunst van het wandelen beoefenden. De vrije tijd, de vrijheid en onafhankelijkheid van deze toestand vonden ze van onschatbare waarde. Zij ontvingen als wandelaars direct toestemming vanuit de hemel. Ze waren geboren om te wandelen.

Volgens Thoreau mijmeren mensen graag over het verdwalen dat zij ooit, jaren geleden een keer op een wandeling meemaakten. Daarna hebben zij zich voor de rest van hun leven gehouden aan de gebaande paden. Zij menen over vrijheid en avontuur te kunnen meepraten omdat ze één keer gedurende een half uur de weg kwijt geweest zijn.

Hij meent dat je alleen gezond blijft als je minstens vier uur per dag door de bossen, velden of heuvels dwaalt, vrij van de wereldlijke beslommeringen. Hij beschrijft winkeliers uit zijn buurt die de hele dag in hun winkel zitten alsof hun benen niet gemaakt zijn om mee te lopen. Volgens Thoreau pleit het voor deze mensen dat ze nog geen eind aan hun leven gemaakt hebben, want hij zou het zitten geen dag vol houden. Hij zou zich vastgeroest voelen. Wanneer hij op een dag pas aan wandelen toekomt om vier uur ’s middags, als het licht het einde van de dag aan kondigt dan voelt het voor hem alsof hij een zonde heeft begaan.

Hij verbaast zich over het uithoudingsvermogen van zittende mensen maar ook over hun morele ongevoeligheid. Hoe kunnen ze het weken en maanden lang zittend in hun kantoren uithouden? Hij verbaast zich ook over hoe vrouwen, die meer aan huis gebonden zijn dan mannen, dit kunnen, hoewel hij denkt dat vrouwen het eigenlijk helemaal niet kunnen. Misschien hebben temperament en leeftijd er wel iets mee te maken bedenkt hij dan. Als je ouder wordt kun je makkelijker stil zitten en heb je genoeg aan een korte wandeling laat in de middag.

Het wandelen zoals Thoreau het beschrijft lijkt desalniettemin in weinig op lichamelijke oefening. Voor hem is een wandeling een avontuur; een zoektocht naar de bron van het leven. De bron die opborrelt in een veld verderop waar je het niet verwacht. Een zoektocht naar het heilige land.

Verblijven in de buitenlucht, in de zon en de wind leidt mogelijk tot een wat ruwere persoonlijkheid zoals ook het doen van veel handarbeid leidt tot ruwe handen, maar van veel binnen blijven zitten kan de huid weer te dun worden en de persoonlijkheid overgevoelig. Het mooist is als er een goede verhouding is tussen een dikke en een dunne huid, net zoals er goede verhoudingen zijn tussen dag en nacht, zomer en winter, tussen denken en ervaren.

Onze gedachten kunnen volgens Thoreau wel wat meer lucht en zonlicht gebruiken. We moeten de bossen en de velden in en dan niet alleen met ons lichaam maar ook met onze geest. Als je gedachten nog bij je werk zijn dan ben je niet waar je lichaam is en je zintuigen zijn. Wat heb je in het bos te zoeken als je er met je gedachten niet bij bent, vraagt Thoreau zich af.

Hij woonde zelf in een omgeving waar vele en verschillende goede wandelingen mogelijk waren. Dat er steeds meer bossen gekapt werden zag hij met lede ogen toe. Maar hij zelf kon nog gemakkelijk vele mijlen lopen vanuit zijn eigen voordeur zelfs zonder eerst langs andere huizen of wegen te moeten gaan. Behalve dan langs de wegen die door een vos of een das gebruikt werden. Mijlen in de omtrek was er geen bebouwing. Hij liep eerst langs een rivier en dan langs een meer, een wei en een houtstapel. Het deed hem goed om te zien hoe weinig plaats de mens en zaken die de mens bezighouden, innamen op zijn wandelingen, zaken zoals kerk, staat, school, handel, fabricage, agricultuur en politiek, wat hij het ergste van alles vindt. Op zijn wandelingen kan hij van dat alles gemakkelijk afstand nemen.

Hij heeft er weinig behoefte aan om een weg te volgen naar een herberg of een winkel. Hij loopt liever de natuur in zoals een dichter en liever niet op de gebaande paden. Er zijn maar weinig wegen waar je als wandelaar iets aan hebt. Een zo’n weg is ‘the Old Marlborough Road’, waar Thoreau een gedicht over geschreven heeft. Elke stad heeft wel een paar van dat soort wegen. ‘The old Marlborouh Road’  is een weg die eigenlijk geld had moeten opleveren, wat niet gebeurde en waarover het reizen nu zoet is. Enkele regels uit het gedicht:

The Old Marlborough Road

When the spring stirs my blood
With the instinct to travel,
I can get enough gravel
On the Old Marlborough Road.

Nobody repairs it,
For nobody wears it;
It is a living way,
As the Christians say.

What is it, what is it
But a direction out there,
And the bare possibility
Of going somewhere?

If with fancy unfurled
You leave your abode
You may go round the world
By the Old Marlborough Road.

De beste stukken land hebben volgens Thoreau geen eigenaar waar de wandelaar vrij kan rondlopen maar op een dag zal ook dit land afgescheiden zijn en een bestemming krijgen waardoor je er minder plezier aan beleeft, land waar hekken geplaatst zijn en andere beperkingen gelden. Wanneer een stuk land iemands eigendom is dan wordt het lopen over God’s aarde als lopen op verboden terrein. Het exclusief hiervan genieten door de eigenaar kan geen ècht genieten zijn volgens Thoreau. Mogelijkheden om vrij te wandelen moeten we vergroten in plaats van verkleinen.

Hij meent dat er in de natuur een soort magnetisme werkzaam is die ons een bepaalde richting op stuurt, die ons iets zal opleveren. Soms is het goed om een richting in te slaan die vreemd voor je is. Als hij zelf zijn instinct volgt dan leidt de richting hem meestal naar het westen of zuidwesten. Daar ligt zijn toekomst, denkt hij. De omtrek van zijn wandeling heeft meestal de vorm van een eclips. Hij vindt het moeilijk om te geloven dat er in oostelijke richting ook mooie en wilde landschappen te vinden zijn en dat er daar ook vrijheid achter de horizon gloort.

De natuur in het wilde westen

In zijn neiging om westwaarts te gaan meent Thoreau niet alleen te staan. Volgens hem trekken mensen oostwaarts voor de kunst en de literatuur maar trekken ze westwaarts op zoek naar de toekomst en het avontuur. Hij is een Amerikaanse filosoof en Amerikanen zijn over de Atlantische Oceaan gekomen, lieten de Oude Wereld achter zich en vòòr hen in het westen lag de Stille Oceaan die nog veel groter was dan de Atlantische. Elke zonsondergang inspireert volgens Thoreau het verlangen om in Westelijke richting te lopen; de zon migreert naar het Westen en verleidt ons om te volgen.

Columbus voelde zich aangetrokken tot het Westen. Thoreau meent dat er nergens op aarde zoveel rijk en vruchtbaar land is als in de Amerika’s. Er zijn bijvoorbeeld veel meer soorten grote bomen dan in Europa. Het Amazonegebied van Zuid Amerika is de grootste wildernis op aarde. Wat dit alles bewijst is Thoreau uiteindelijk niet zo zeker van maar hij ziet de neiging om een bepaalde richting uit te gaan ook in de trek van vogels en andere dieren.

Hij schrijft nog wat verder aan zijn romantische visie op de natuur in de Amerika’s en zijn voorkeur om in westelijke richting te wandelen. Hij noemt zichzelf een echte patriot. Amerika is volgens hem en veel andere ontdekkingsreizigers en tijdgenoten gemaakt voor de mens uit de oude wereld. De oorspronkelijke bewoners, de Indianen, zullen hier wel anders tegen aan gekeken hebben en nog kijken, denk ik.

‘De mens’, vervolgt Thoreau, heeft de rijke aarde van Europa uitgeput en steekt dan de oceaan over richting het Westen, op avontuur om zich verder te ontwikkelen. Hij citeert een Latijnse uitspraak: ‘Oriente lux, ex occidente frux’: Uit het oosten komt het licht en uit het westen de vruchten.

De Engelse reiziger Francis Head, die later gouverneur van Canada werd, beschrijft de natuur in de Nieuwe Wereld als aanwezig op een grotere schaal met meer kostelijke kleuren dan in de Oude Wereld. De hemel is er hoger en blauwer, de lucht is er frisser, de kou intenser, de sterren helderder, de maan lijkt groter, het onweer klinkt luider, de bliksem is levendiger, de wind sterker, de regen zwaarder, de bergen hoger, de rivieren langer, de wouden groter en de vlakten wijder.

Thoreau meent dat dit alles iets zou moeten betekenen voor het niveau van de filosofie, de dichtkunst en de godsdienst die uit Amerika komt. Want een klimaat heeft invloed heeft op de mens. Frisse berglucht kan de geest voeden en inspireren. Of maakt het soms niet uit of je vele dagen van je leven in de mist doorbrengt, vraagt hij. Wij Amerikanen zouden toch tot meer verbeelding in staat moeten zijn en tot helderdere gedachten, frisser en spiritueler en tot een dieper en breder begrip moeten kunnen komen als onze vlakten, bergen, hemel, rivieren, wouden, enz. wijder, hoger, langer en groter zijn? Wat zou anders de zin zijn geweest van het ontdekken van de Amerika’s?

Leven dat de mens nog niet onderworpen heeft, verheft hem

Het westen is eigenlijk het wilde westen en de wildernis ligt ten grondslag van onze wereld. Elke boom is met zijn vezels op zoek naar het wilde. Onze voorouders waren wild. Het verhaal uit de Oudheid van Romulus en Remus die gezoogd werden door een wolvin, is niet zonder betekenis. De bron die ons voedt en levenskracht geeft is een wilde bron. Het lag niet aan de wolf dat het Romeinse Rijk instortte. Thoreau zou het liefst leven op een plek waar nooit eerder iemand zich vestigde. De Schot George Gordon-Cumming, die in Afrika jaagde schreef dat de huid van een elandantilope de meest verrukkelijke geur van bomen en gras verspreidt. Thoreau zou het liefst willen dat je aan mensen ook kunt ruiken op welke plek in de natuur ze de meeste tijd doorbrengen.

Darwin beschreef ooit een blanke man die aan het baden was naast een Tahitiaan en het leek hem alsof hij naar een, door kunstgrepen verbleekte plant keek en daarnaast een fijnere, groene en wilde plant vol met energie zag. Het wilde is het meest levende. Leven dat de mens nog niet onderworpen heeft tilt hem op, verfrist hem. Hoop en toekomst zijn niet te vinden in een gecultiveerd landschap maar wel in de ondoordringbare en van leven trillende moerassen.

Er is niets rijker voor het oog dan een veld met wilde bloemen. Als Thoreau voor de keuze zou worden gesteld om te verblijven in de buurt van de mooiste tuin die ooit door een mens gemaakt is of een of ander rampzalig moeras, dan zou hij beslist voor het moeras kiezen. Voor hem is al het werk van de mens aan zijn tuin ijdelheid.

‘Geef me de oceaan, de woestijn of de wildernis!’, roept hij uit. De zuivere lucht en de eenzaamheid van een woestijn compenseren voor het gebrek aan water. Je moraal verbetert er, je wordt er vriendelijk, hartelijk en gastvrij. Zij die gereisd hebben in de steppen van Tartarije zeggen als ze thuis komen: Terugkomend in het gecultiveerde land zijn het de agitatie, de verwarring en de verstoringen die je bedrukken en verstikken.

Thoreau betreedt een moeras alsof het een heilige plaats is want daar is de kern en de kracht van de natuur te vinden. Wild hout overwoekert er de maagdelijke schimmels en de aarde is er goed voor zowel bomen als mensen. Moerassen en wouden zijn net zo onontbeerlijk voor het leven in de stad als rechtvaardige mensen. Een stad of dorp dat omgeven wordt door wilde natuur geeft zijn bewoners niet alleen aardappelen maar ook dichters en filosofen. Beschavingen overleven zolang de aarde niet uitgeput wordt.

Ook in de literatuur is het wilde het meest aantrekkelijk. Het is het onbeschaafde, vrije en wilde denken in Hamlet en de Ilias en in alle andere verhalen en mythologieën die ons verrukken. Het tamme is saai. Een goed boek is iets natuurlijks, onverwacht zuiver en perfect zoals een wilde bloem in de prairie of de jungle. Genialiteit geeft licht in de duisternis, een bliksemschicht die de tempel van kennis op zijn grondvesten doet schudden.

Waar is de literatuur die uitdrukking geeft aan de Natuur? Waar is de dichter die indruk maakt op de wind en de rivieren, die deze laat spreken, die woorden geeft aan hun zintuigen? Waar is de dichter die woorden op een bladzijde zet waar de aarde nog aan vast zit zoals de aarde vast zit aan de wortels, woorden die zo waar en vers zijn dat het lijkt alsof ze op springen staan zoals de knoppen in de lente, woorden die in bloei staan en elk jaar opnieuw vruchten geven aan de lezer, woorden die houden van de natuur?

Thoreau kent geen gedichten die het verlangen naar de wildernis echt goed uitdrukken. Zelfs de beste poëzie vind hij matig in dit opzicht. De Griekse mythologie komt het meest dichtbij, een mythologie die de oogst was van de antieke wereld voordat deze uitgeput werd en de inbeelding en verbeelding verteerd werden. Een mythologie die nog steeds werkt wanneer haar zuivere zeggingskracht de ruimte krijgt.

Het westen moet zijn verhalen nog toevoegen aan die van het oosten. De valleien van de Ganges en de Nijl wierpen hun literaire vruchten af en het valt te bezien of de Amazone en de Mississippi dit ook zullen doen. Misschien ontstaat er ooit een inspirerende Amerikaanse mythologie. Misschien wordt de Amerikaanse vrijheid ooit een inspirerend verdicht verzinsel uit het verleden.

Hoe dan ook, goede dingen zijn wilde dingen. Een stuk muziek dat klinkt als een zomeravond of als het roepen van een wild dier uit het woud bijvoorbeeld. Thoreau houdt er van als een huisdier nog iets laat zien van zijn oorspronkelijke wildheid zoals een koe in de weide die op een lentedag een rivier inspringt. Er is nog iets van instinct bewaard gebleven. Hij hoopt dat ook de mens iets van zijn wilde trekken bewaart.

Een wild paard moet gebroken worden voordat hij de knecht van een mens kan zijn. De meeste mensen worden tam geboren maar dat betekent niet dat degenen die een beetje wilder zijn gebroken moeten worden. Je hoeft een tijger niet te temmen en ook hoef je niet, andersom, een schaap te laten verwilderen. We moeten ruimte geven aan het kind in ons en niet te snel de aangepaste volwassene willen zijn. We moeten niet elk onderdeel van een mens willen cultiveren zoals we ook niet alle aarde moeten willen cultiveren. Een deel van de aarde kunnen we bebouwen maar het grootste deel moet niet in gebruik zijn zodat de schimmels hun weg weten te vinden.

Voor ons ligt de uitgestrekte, woeste, zwevende moeder natuur, die ons overal omringt, met zo’n schoonheid en genegenheid voor haar kinderen, zoals een luipaard dat heeft; en toch maken we ons los van haar en wenden ons richting de mensen maatschappij die een beschaving produceert die bestemd is om snel te eindigen.

Het mooie van onwetend zijn

Spanjaarden hebben een goed woord voor wilde en schemerige kennis ‘grammatica parda’, een soort van aangeboren gevatheid. Kennis is macht zegt men maar er is volgens Thoreau naast nuttige kennis ook nuttige onwetendheid of schone kennis, een kennis die bruikbaar is in hogere zin. Nuttige kennis maakt ons verwaand, we scheppen op met die kennis maar we zijn beroofd van de voordelen van onwetendheid. We verzamelen een ontelbare hoeveelheid feiten, slaan deze op in ons geheugen maar als er een lente in ons leven komt en we rondstruinen zoals een paard in de wei, dan willen we vers gras en geen hooi. Eet gras, je hebt lang genoeg hooi gegeten!

Met wie heb je liever te maken? Met een mens die over een onderwerp niets weet en die, wat uitzonderlijk is, weet dat hij niets weet òf met de mens die wèl iets van het onderwerp weet en meent dat hij er alles van weet?

Thoreau heeft een onophoudelijk verlangen naar kennis maar baadt zijn hoofd graag in het onbekende. Het hoogste waar we volgens hem naar moeten streven is niet zozeer kennis maar een ingenomen zijn met intelligentie, een ingenomen zijn met momenten waarop de mist plaats maakt voor de zon.

Er zit iets slaafs in het volgen van de regels. We kunnen wetten en regels bestuderen maar er zijn geen regels voor een succesvol leven. Leef vrij, kind van de mist! Want dat zijn we allemaal; kinderen in de mist. De mens die vrij is staat boven de wet, juist op grond van zijn verhouding met de wet. Volgens een oude Indiase tekst is het onze plicht om actief kennis te vergaren die ons bevrijdt. Alle andere plichten zijn vermoeiend; alle andere kennis is niet veel meer dan een handigheid.

Er is te weinig waardering voor de schoonheid van de natuur. We weten dat de oude Grieken de wereld Kosmos noemde, wat schoonheid of orde betekent, maar we begrijpen niet echt waaròm ze de wereld zo noemden. Thoreau ziet de natuur als een enorme en universele persoonlijkheid die wij amper kennen.

In hoeverre laat de natuur zich kennen

Thoreau wandelde veel rond de kleine stad Concord in de staat Massachusetts waar hij woonde. Hij had het gevoel dat hij leefde op de grens van de natuur waar hij af en toe in kon bevinden: “Tot een leven dat ik echt natuurlijk noem, zou ik graag zelfs een dwaallicht volgen door ondenkbare moerassen en slenken, maar geen maan of vuurvlieg heeft me ooit de weg er naartoe laten zien.”

Hij beschrijft een wandeling op het landgoed Spaulding bij hem in de buurt en ziet de ondergaande zon oplichten aan de andere kant van een statig dennenbos. Hij ziet de gouden stralen afsteken op de bospaden en fantaseert dat de paden leiden naar een of andere statige hal van een huis waar een oud en bewonderenswaardig en stralend gezin woont, bij wie de zon de dienstknecht is. Hij zag hun park, hun lusthof en verderop in het bos, hun cranberry weide. Hun huis was niet voor de hand liggend om te zien; de bomen groeiden erdoorheen. Het lijkt alsof er geluiden te horen zijn van een onderdrukte vrolijkheid. De familieleden leunen tegen de zonnestralen. Met de zonen en dochters gaat het redelijk goed. Het karrenpad van de boer loopt rechtstreeks door de hal maar dat stoort hen in het geheel niet, omdat ze in de poeltjes van de modderige bodem soms de weerkaatste lucht zien. Ze hebben nog nooit van Spaulding gehoord en weten niet dat de boer hun buurman is, ondanks dat ze hem kunnen horen fluiten wanneer hij door hun huis rijdt. Niets kan de sereniteit van hun leven evenaren. Hun wapenschild is een eenvoudig korstmos. Die is op de dennen en de eiken geschilderd. Hun zolders liggen in de toppen van de bomen. Ze doen niet aan politiek, maken geen lawaai van arbeid. Hij ziet ze niet weven of draaien. Toch hoorde hij, toen de wind ging liggen, het fijnst denkbare zoete muzikale gebrom – als van een verre bijenkorf in mei – wat waarschijnlijk het geluid van hun denken was. Ze hadden geen ijdele gedachten en niemand zag wat voor werk zij deden.

Thoreau vind het moeilijk om deze denkbeeldige familie uit zijn geheugen op te roepen. Ze vervagen onherroepelijk uit zijn herinnering, zelfs terwijl hij het over hen heeft. Steeds opnieuw probeert hij hen voor de geest te halen en probeert hij ook om zichzelf daar te herinneren. Pas na een lange en serieuze poging lukt het. Als het niet voor zulke families was, besluit hij, zou hij Concord verlaten.

Het is volgens Thoreau een goed idee om eens in een boom te klimmen. Hij heeft het een keer gedaan. Het was een hoge witte pijnboom op de top van een heuvel en door dit te doen ontdekte hij bergen aan de horizon die hij nooit eerder zag. Daarbij ontdekte hij vlak bij zich – het was tegen het einde van juni – aan de uiteinden van de bovenste takken, een paar fijne, rode bloesems. Het is de vruchtbare bloem van een boom die zich naar de hemel uitstrekt. De natuur laat deze bloesems van het woud boven het hoofd van de mensen groeien, en blijven door hen onopgemerkt.

Het is goed om in het heden te leven en geen moment van dat heden te verliezen door je met verleden of toekomst bezig te houden. De mens die zo leeft blijft niet achter; hij is vroeg begonnen en vroeg opgehouden, hij is waar hij is en in het seizoen waarin hij is, hij bevindt zich op de eerste rang van de tijd.

Thoreau zag op een dag in november een opmerkelijke zonsondergang. Hij liep samen met een vriend in een weiland, vlak bij de bron van een klein beekje, toen de zon eindelijk vlak voor het ondergaan, na een koude, grijze dag, een heldere laag aan de horizon bereikte en het zachtste, helderste zonlicht op het droge gras viel en op de stengels van de bomen aan de horizon en op de bladeren van de heesters op de heuvel, terwijl hun eigen schaduwen zich lang over de weide oostwaarts uitstrekten, alsof zij de meeldraden waren. Het was een licht dat zij zich een moment daarvoor niet hadden kunnen voorstellen. Toen bedachten ze dat dit geen op zichzelf staand verschijnsel was, een verschijnsel dat zich nooit meer voor zou doen, maar dat dit steeds opnieuw kon gebeuren, een oneindig aantal avonden en zo werd het moment nog glorieuzer.

De zon ging onder. Ze wandelden in een zo puur en helder licht dat het droge gras en de bladeren er door verguld werden, zo’n  zacht en sereen en helder licht, dat Thoreau het idee kreeg dat hij in een gouden stroom baadde, zonder een rimpeling of geruis te veroorzaken. De westkant van het bos glinsterde en de zon op hun rug voelde als een vriendelijke herder die hen die avond naar huis bracht.

Op deze manier slenteren wandelaars in de richting van ‘het heilige land’, totdat de zon op een dag helderder zal schijnen dan ooit tevoren en misschien ook zal schitteren in onze geest en ons hart en ons hele leven zal oplichten.

Wandelen in een urbane omgeving in de 21e eeuw

Thoreau was een eigenzinnig mens en een verwoed wandelaar met romantische ideeën over de natuur. Hij was de eenzame wandelaar die de natuur beleeft met onbekommerde ontvankelijkheid. Zijn essay gaf mij inspiratie voor mijn eigen wandelingen om alles achter me te laten op het moment dat ik vertrek, om in het hier-en-nu te zijn. Vanuit mijn huis kan ik de wildernis niet in, niet eens een 21e eeuws natuurgebied, maar ik probeer toch afstand te nemen van alles wat te maken heeft met onze beschaving, het haasten, het consumeren, het presteren, enz. Ik ben met mijn aandacht bij wat ik waarneem, zoveel mogelijk bij natuurverschijnselen zoals een lichtval, een rimpeling van het water, een vogelgeluid, enz. Ook neem ik waar wat ik lichamelijk voel en beleef, de ademhaling, de beweging van het lichaam en voel me met elke stap thuis. Ik loop op gebaande paden maar vermijdt zoveel mogelijk de drukte. Ik volg een inval om een ander pad in te slaan en de wandeling uit te breiden. Ik probeer verwonderd te zijn en niets te weten. Misschien ontspringt er een bron een eindje verderop. Het is inderdaad meer dan een lichamelijke oefening.

Henriette Roland Holst

In de tijd dat ik het essay van Thoreau aan het ontcijferen was, wandelde ik in een natuurgebied waar ooit de schilder Vincent van Gogh ronddoolde maar waar ook de Nederlandse dichteres Henriette Roland Holst haar toevlucht zocht en inspiratie vondt: de Oude Buisse Heide. Natuurmonumenten heeft een gedichtenwandeling uitgezet waar je acht van haar gedichten kunt lezen tijdens de wandeling. Of deze gedichten in de ogen van Thoreau de natuur goed genoeg laten spreken weet ik niet. Vermoedelijk had Roland Holst, wellicht via Frederik van Eeden wel kennis van Thoreaus geschriften, vooral van Walden.

Roland Holst gebruikte de natuur vaak als spiegel van haar gemoedstoestand. Zoals blijkt uit deze regels uit het gedicht ‘De vrouw in het woud’:

Er zijn in de duistere dichtheid
van het onzalige woud
plekken gelukkige lichtheid
waar een glazige klaarte blauwt

Tijden van groen-oase
ruischende innigheid
tusschen het heete smart-razen
als dauwdruppels geluk gespreid

Dit sonnet schreef ze na een wandeling op de Buisse Heide.

Wij togen op weg in den stillen morgen;
De glansgedrenkte nevel was nog dicht,
De dingen lagen half in hem verborgen,
Maar toen we kwamen in het volle licht,

Aan ’t einde van het Bosch en haar gezicht
De gouden zon hief uit omsluieringen,
Blonk blauw de luchtzee zonder rimpelingen,
Zuiver stonden de stammen opgericht.

Op het gele gras, langs de smalle paden
Millioenen verwonderlijk fijne draden
Fonkelend lagen in den zwaren dauw;

Soms valt een eikel niet ver van ons neder,
Een kort geluidje; even krast een kauw
Of vliegt een vogel op, dan heerscht de stilte weder.

Een ander gedicht van de gedichtenwandeling: ‘Ik kreeg de stilte weder lief’

Ik heb de stilte weder liefgewonnen:
een korte poos was ik van haar vervreemd
maar nu heb ik opnieuw haar liefgewonnen
ik mag weer drinken aan haar klare bronnen
en zwerven door haar schaduwbeemd.

Weer gaan haar dromenlanden voor mij open
waar bloeit het kruid van de herinnering
door haar zachte geuren omdropen
weet ik nauwelijks hoe de tijd verging.

Het verenigen van wildernis en beschaving

Samen met cultuursocioloog Ruben Jacobs zou ik, ondanks mijn waardering voor het essay van Thoreau en voor de Roland Holst’ gedichten die de natuur bezingen, afstand willen nemen van een al te romantische visie op de natuur.

Veel maatschappijkritische kunstenaars en filosofen zijn in reactie op de industrialisatie, de natuur gaan zien als een toevluchtsoord, een ruimte van spirituele redding en geven de natuur een intrinsieke waarde.  Zo trok onlangs ook de schrijver en ex-milieuactivist Paul Kingsnorth zich met zijn familie terug in een dunbevolkt en bosrijk gebied in West-Ierland. Hij is een beetje gaan leven zoals Thoreau.

Jacobs is het eens met een aantal aspecten die Kingsnorth aankaart en die Thoreau natuurlijk ook wel zag, namelijk dat er ten diepste iets mis is met onze beschaving (obsessie met eindeloze groei en materiële vooruitgang) en dat het leven niet om ons draait (antropocentrisme). Hij meent echter dat we met het ons terugtrekken in ‘de natuur’ terugvallen op een romantische en achterhaalde notie van ‘de natuur’.

Volgens Jacobs kùnnen we niet terug naar ‘de natuur’ want we zijn er nooit uit weg geweest. Het enige wat we gedaan hebben is dat we de natuur hebben bedolven onder een laag beton, gif, plastic en fijnstof. Hij meent dat we de wildernis en de beschaving moeten verbinden met elkaar. Hoe moeilijk dat ook is.

We zijn de natuur teveel gaan zien als een plaats waar we naar toe gaan, als iets dat exotisch, afgelegen, ergens daar verderop is. Het resultaat is zelfs dat we de natuur dichtbij huis gaan zien als ‘gemaakt’ of  ‘nep’. Dit terwijl we juist op de plaatsen waar we leven – onze achtertuin, onze daken, parken en boerderijen – onze relatie met de natuur zullen moeten vormgeven.

In een systeem dat gericht is op economische groei en winst worden zowel mensen als de natuur uitgebuit. De ‘romantische’ Thoreau had het over het uitputten van de natuur, waarna een beschaving tot zijn einde komt. Maar Thoreau had het ook over het wilde, het levende, in ons zelf en dat we dat niet teveel moeten cultiveren:

We moeten niet elk onderdeel van een mens willen cultiveren zoals we ook niet alle aarde moeten willen cultiveren. Een deel van de aarde kunnen we bebouwen maar het grootste deel moet niet in gebruik zijn zodat de schimmels hun weg weten te vinden.

Volgens Jacobs moeten we inzien dat we àltijd in de biosfeer zijn, ook als onze directe leefomgeving bestaat uit fijnstof. We moeten volgens hem af van het idee dat ‘stad’ en ‘natuur’ onverenigbaar zijn. We hoeven niet ‘de wildernis’ in om onszelf te reinigen van het vervuilde urbane leven. De uitdaging is juist om een stedelijke leefwereld te creëren waar de natuur doorheen kruist, overheen buigt en onderdoor kruipt; een stedelijke natuur.


Voorlopig moet ook ik het hebben van de stedelijke natuur. Meer dan af en toe een uitstapje naar een natuurgebied (met hekken en gebaande paden) zit er niet in. De wildernis zie ik niet vaak en dat is misschien maar goed ook gezien de schade die het toerisme daar veroorzaakt. Na lezing van Thoreau draag ik een eigen bedachte romantische wildernis met mij mee.

NB Kort na publicatie van dit bericht ontving ik een email van de Historische Uitgeverij die mij er op attent maakte dat het hele essay van Thoreau in 2018 in het Nederlands vertaald is door Edzard Krol. Een bespreking hier van is te vinden op de site van het Nexus Instituut: Thoreau Wandelen.

De vlaamse filosoof Dirk de Schutter waardeert net zoals ik het positieve van Thoreau’s natuurervaringen, zie: http://www.dirkdeschutter.com/wandelen-henry-david-thoreau/.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie

LIEF EN LEED

Dit is de titel van een nieuw boek van klinisch psycholoog en gezinstherapeut Peter Rober. Het zijn korte verhalen uit de praktijk van de psychotherapeut. We horen de stemmen van mensen die in therapie zijn.

Ik vind de verhalen stuk voor stuk juweeltjes en dat komt mede door de poëtische vorm waarin ze gegoten zijn. Hier het voorwoord en het eerste verhaal.


VOORWOORD

Daar is de kleine mens

en hij zoekt zijn weg

in de wereld

 

Er is veel verdriet.

En hier en daar

schoonheid

en deugddoende momenten

die troosten.

 

De wereld is koppig,

vaak tegendraads.

En de kleine mens;

hij heeft voor deze wereld niet gekozen,

en hij heeft hem niet gemaakt.

 

Maar hij probeert er het beste van te maken.

 

Soms doet de kleine mens

daarbij een beroep op ons,

psychotherapeuten.

We luisteren naar zijn verhaal,

van het struikelen

en nog juist recht blijven,

van het wankelen

en vallen.

 

En we proberen nuttig te zijn

bij het zoeken en tasten,

het wroeten en trachten.

Soms lukt dat goed.

Soms minder.

Soms niet.

 

Maar we proberen er het beste van te maken.


Hier het eerste verhaal:


VOOR WE BEGINNEN…

Voor we beginnen, wil ik duidelijk zijn.

Ik wil niet dat je mij behandelt als een geval.

Ik wil dat je naar me luistert.

 

Ik heb een verhaal te vertellen

en ik heb iemand nodig

die me helpt het te vertellen.

Iemand die luistert en

niet vindt dat ik gestoord ben,

of dat mijn leven een mislukking is.

 

Mijn vorige therapeut gaf me het gevoel

dat er iets grondig mis met mij was.

 

Ik vertelde mijn verhaal

over weinig eten om slank te worden,

over kijken in de spiegel

en zien dat het nog te vet is,

over mijn neerslachtigheid dan,

over mijn angst om buiten te komen

met zo een dik lijf.

 

Ik vertelde ook

dat ik anderzijds

mijn dikke lijf nodig had,

omdat het me beschermde,

zoals de dikke huid van een olifant.

Ik vertelde over mijn vader

die met zijn handen niet van mij af kon blijven,

en over mijn moeder die het niet zag,

en over mijzelf die er niet over durfde te spreken.

 

Ik vertelde dit alles

en ik wilde graag

nog veel meer vertellen,

maar de therapeut zei:

En waar wil je dan aan werken?

 

Ik begreep niet wat hij bedoelde.

 

Hij legde uit:

Ik moet eerst een duidelijke diagnose stellen,

zodat we een behandelingsplan kunnen uitwerken, 

en zodat ik de geschikte interventies kan kiezen.

 

Ik zweeg.

 

Mijn stilte maakte hem onzeker.

In plaats van mij te vragen wat er was,

begon hij verder uit te leggen wat hij wilde…

Ja, we werken hier vraaggestuurd. Dat vinden we heel

belangrijk. Maar het is me niet duidelijk wat je vraag is. Ik

hoor depressie, eetstoornis, angststoornis. Mogelijk ook een

posttraumatische stressstoornis, maat dat moet ik nog verder

onderzoeken. Ik heb hier nog ergens een vragenlijst liggen

die ons daarbij kan helpen.

 

Ik ben niet onmiddellijk buiten gestapt

en heb beleefd verder meegewerkt

maar het was toen al duidelijk

dat ik nooit meer terug zou komen bij deze vent.

 

Daarom vraag ik je nu maar meteen,

in deze eerste ontmoeting met jou:

Wil je mij behandelen

of ga je naar mijn verhaal luisteren?


Op het weblog van Peter Rober zijn meerdere verhalen uit het boekje te lezen

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie

Moderne devotie

We kunnen in succes en rijkdom vast komen te zitten. Dit legt filosofe en organisatiedeskundige Minke Tromp uit tijdens een interview met Lex Bohlmeijer van De Correspondent. Het gaat over het vastzitten in de ‘succesparadox’ en Tromp geeft toe dat ze er zelf ook last van heeft. Hoe meer succes je hebt, hoe hoger in de hiërarchie, hoe meer je gevangen kan komen te zitten in je eigen ambities, hoe minder tijd voor reflectie, hoe minder wijs.

Aan de top van een hiërarchie zijn vaardigheden vereist zoals strategisch en instrumenteel denken. Diep nadenken zou men juist daar moeten doen want er worden belangrijke beslissingen genomen die voor veel mensen gevolgen hebben. Hierover is men het meestal gauw eens. Maar zo werkt het niet.

Instrumenteel denken is doel-middel denken. Deze vorm van denken beperkt onmiddellijk de ruimte in je hoofd. Strategisch denken is: wat moet ik nu doen om… Dit is gekoppeld aan het doel-middel denken en geeft een soort geslotenheid.

Bohlmeijer komt met het voorbeeld van een toppoliticus zoals Jeroen Dijsselbloem die bezuinigingen oplegde aan de Grieken. Lijdt hij aan de succesparadox? Veel mensen waarschuwden dat die bezuinigingen desastreus zouden zijn voor Griekenland maar toch zette Dijsselbloem door. Gevangen in zijn eigen ambities, niet gehinderd door enige reflectie. Dit voorbeeld raakt haar hoewel het volgens Tromp niet zo is dat zo iemand meteen dom of slecht is want het is ècht zo dat de dynamiek aan dat soort onderhandelingstafels, sommige vragen of beslissingen niet toelaten.

Voor mij mag Tromp gerust zeggen over Dijsselbloem dat die een een snoeiharde technocraat is zonder idealen. Maar ze komt met een eigen voorbeeld van een groep leidinggevenden waar zij echt respect voor heeft en die zij een training geeft. Ze maakt mee dat het zo’n groep een kwartier kost om een antwoord te krijgen op de vraag: “Wat moet je doen als iemand tijdens een vergadering iets zegt wat jij niet begrijpt?” Haar dochter van 6 jaar geeft het antwoord meteen: “Vragen wat ze bedoelen.” Maar dit soort hele simpele dingen kunnen deze topmensen heel moeilijk over hun lippen krijgen. Dit is schokkend vindt Tromp. “Hoe arm zijn je reflectieve vermogens als het je een kwartier kost om een antwoord op een dergelijke eenvoudige vraag te geven?” Dit is de succesparadox aan het werk.

Soms leest Tromp een gedicht voor tijdens een training. En laat dan een stilte vallen. Om openheid en denkruimte te laten ontstaan. Het gedicht hieronder is van Wislawa Szymborska (1923-2012). Gepubliceerd in 1986.

Het schrijven van een c.v.

 

Wat moet je doen?

Je moet een aanvraag indienen

en bij die aanvraag een c.v. insluiten.

 

Ongeacht de lengte van het leven

moet het c.v. kort zijn.

 

Bondigheid en selectie zijn verplicht.

Vervang het landschap door adressen

en wankele herinneringen door vaste data.

 

Van alle liefdes volstaat de echtelijke,

en van de kinderen alleen die welke geboren zijn.

 

Wie jou kent is belangrijker dan wie jij kent.

Reizen alleen indien buitenslands.

Lidmaatschappen waarvan, maar niet waarom.

Onderscheidingen zonder waarvoor.

 

Schrijf zo alsof je nooit met jezelf hebt gepraat

en altijd ver uit je eigen buurt bent gebleven.

 

Ga zwijgend voorbij aan honden, katten, vogels,

rommeltjes van vroeger, vrienden, dromen.

 

Liever de prijs dan de waarde,

de titel dan de inhoud.

Eerder nog de schoenmaat dan waarheen hij loopt,

hij voor wie jij doorgaat.

 

Daarbij een foto met één oor vrij.

Zijn vorm telt, niet wat het hoort.

Wat hoort het dan?

Het dreunen van de papiervernietigers.


Het laten vallen van een stilte is niet altijd even makkelijk voor Tromp. Ze is goed in het verzinnen van vragen rond allerlei filosofische thema’s en er staan er enkele op haar website: succesparadox.nl. Thema’s zoals dankbaarheid, macht en moed. Vragen die aanzetten tot diep nadenken en de succesparadox kunnen doorbreken. Je kunt een groter bewustzijn krijgen rondom deze thema’s. Met vragen en opdrachten geeft Tromp structuur. Dat is nodig want het denken gaat alle kanten op. Het is de bedoeling dat je je geest ontstijgt. Daar helpt structuur bij.

Ze krijgt haar inspiratie ondermeer van de filosoof Geert Grote (1340-1384) die geldt als grondlegger van de Moderne Devotie, een onderstroom in de cultuur die door de eeuwen heen is blijven waarschuwen: pas op dat bezieling zich louter op het uiterlijke richt en zijn magie verliest. Tromp heeft meegeschreven aan het boekje: Goede punten van Geert Grote.

In zijn tijd, bijna 700 jaar geleden, was meditatie op korte teksten een scholingspraktijk, een manier om praktische wijsheid te ontwikkelen, om inzicht in het juiste handelen te integreren in het karakter van mensen.

Hebben we niet te veel? Zijn we niet te druk met aanzien, posities en macht en andere uiterlijke zaken, in plaats van innerlijke rijkdom en welzijn van onszelf en onze naasten? De thematiek lijkt tijdloos te zijn en Geert Grote geeft duidelijke, concrete adviezen en leefregels voor goed handelen en een juiste ‘innerlijke’ houding zoals:

Verlang niet naar vergankelijke winst. Heb niet teveel functies en doe niet teveel opdrachten tegelijk. De grootste verleiding schuilt erin de verleiding niet meer te voelen.

Dat bezieling iets plats wordt gaat vanzelf

We moeten oppassen dat het niet meer de innerlijke rijkdom is die ons inspireert en motiveert en dat bezieling verwordt tot iets van de buitenkant, tot iets plats. En volgens Tromp gebeurt dit vanzelf, voordat je het weet is de bezieling iets plats geworden. Het is de valkuil waar we voortdurend in kunnen vallen, het is de immanente dynamiek van het succes. Ze ziet succes als iets breeds. Ook het succes van de kunstenaar die overal buiten wil blijven en die dat bereikt, kan daar vervolgens in gevangen komen te zitten en de bezieling verliezen.

Het aantrekkelijke van de moderne devotie is volgens Tromp dat het een dynamiek volgt die eigen is aan het leven. Zo gaat het. Je kunt voortdurend het succes opgeven en niet weten wat er gaat gebeuren. Dit is ook een uitdaging voor haarzelf. Het is een soort sterven wat je moet oefenen. Tromp oefent dit bijvoorbeeld als ze een training geeft en ook tijdens het interview met Bohlmeijer. Ze probeert voortdurend om niet iets te roepen wat ze van te voren heeft bedacht. Dit opgeven is voor haar een soort sterven, eventjes doodgaan. Op zo’n moment ben je heel kwetsbaar en sta je open, niet wetend wat er gaat gebeuren. Hier elkaar bij helpen, daar gaat het om.

Reflectie

1 reactie

Opgeslagen onder Filosofie, Persoonlijk en politiek, Psychologie, proza en poëzie

‘Spoken word’

Dit optreden van de ‘spoken word’ kunstenares Babs Gons gaat over verloren vaders. ‘Spoken word’ is een nieuwe kunstvorm, erg in opkomst. Dit is goed nieuws.

Over verloren vaders gesproken, eerdere berichten op dit web-log met dit thema waren ondermeer: ‘Ontmande vaders’ en ‘Vader is een soort aanhangsel geworden’. Het ligt vaak niet alleen aan de vaders als zij geen plaats meer innemen in het leven van hun kinderen. Babs Gons verwoordt het probleem voor de kinderen heel mooi.

Ik vond het filmpje van deze kunstenaar dankzij een artikel in de Correspondent van Marco Martens, schrijver en ‘spoken word’ artiest. Lees vooral het hele artikel. Martens ziet ‘spoken word’ als een oefening in kwetsbaarheid.

De voordracht is in deze stroming minstens zo belangrijk als de tekst. Daarnaast zijn er overeenkomsten te vinden met rap, stand up-comedy en theater; ritme, mimiek en timing zijn belangrijke bouwstenen in een spokenwordvoordracht. Niet voor niets zie je spokenwordartiesten zelden lezen vanaf papier; veelal dragen ze uit het hoofd voor.

1 reactie

Opgeslagen onder Psychologie, proza en poëzie

‘Amor fati’

Dit is Latijn voor ‘liefde voor het noodlot’ en een uitspraak van de filosoof Nietzsche. Maar hoe haalbaar is het om liefde voor je noodlot te voelen als je bijvoorbeeld te horen krijgt dat je ongeneeslijk ziek bent. Kanker. Kun je dan die liefde opbrengen? Omarm je dan je lot? En hoe doe je dat dan? En moet het?

Deze vragen kwamen aan de orde op de Wereldkankerdag in de Internationale School Voor Wijsbegeerte (ISVW) in Leusden, opgericht door Frederik van Eeden in 1916, een school zonder winstoogmerk.

Een van de sprekers Leo Gualthérie van Weezel, tot 2015 psychiater en psychotherapeut in het Anthonie van Leeuwenhoek ziekenhuis, was openhartig met zijn antwoord. Hij stond wat betreft het omarmen van zijn lot, niet voor zichzelf in als hij te horen zou krijgen dat hij ongeneeslijk ziek was.

Iemand die het noodlot wèl kan omarmen na zo’n bericht dwingt bij hem veel respect af. Met zo iemand was deze psychiater eens bevriend. Hij zou best graag ook zo mooi en bewonderenswaardig willen sterven.

De vraag is: Wat inspireert een gewone sterveling na een dergelijk heftig slecht nieuws gesprek? Wat inspireert je nog als je voor een muur bent komen te staan waar je niet omheen kunt? Een ongeneeslijke ziekte. Een onverwacht ontslag, een heftige scheiding, enz. We leven in een tijd van het maakbare individu maar hoe maakbaar zijn we?

Het was de bedoeling dat het een inspirerende dag zou zijn en dat werd het. Er kwamen zo’n 130 mensen bij elkaar, zieke mensen en gezonde mensen. Er waren lezingen en workshops. Er was een heerlijke lunch. En er was humor.

Leven XL

We werden voorgesteld aan een stichting die de rollen heeft omgedraaid; de zieken worden zelf de inspiratiebron. Mensen die ernstig ziek zijn (geweest) en hun leven noodgedwongen hebben moeten omgooien, gaan anderen helpen die worstelen met allerlei levens- en zingevingsvragen. Ze noemen zichzelf levenscoaches en geloven dat iedere ervaring, hoe vreselijk ook, kan inspireren om het leven mooier te maken. De vraag die hen verbindt is: Hoe kunnen we leren van onze ervaringen en hoe kunnen we de kracht die er in die ervaringen zit doorgeven. Ze worden ondermeer geïnspireerd door de onlangs aan kanker overleden filosoof René Gude.

Verschillende levenscoaches stelden zichzelf voor. De een helpt je bij het zoeken naar ervaringen waar je energie van krijgt, de ander bij het ontdekken van wat je wilt met je leven, een derde helpt je met je zelfvertrouwen, een vierde met het opruimen van problemen die er niet zijn. Je kunt hulp krijgen bij het leven in het hier-en-nu oftewel met het leven in het moment, met het juist nìet met jezelf bezig zijn en met dat wat je bent naar buiten te brengen tot aan de laatste dag! De coaches van LevenXL vormen een inspirerende groep.

Mocht het op deze dag ook gaan over de dood? Daar was ik persoonlijk nieuwsgierig naar. Er gaat bijna geen dag voorbij dat ik er niet over nadenk. De dood intrigeert me. En ik ben niet de enige. Het is het lot van ons allen. Ik bedacht in de loop van de ochtend dat voor mij persoonlijk de fascinatie misschien te maken heeft met het loslaten van controle. Dat vind ik namelijk niet gemakkelijk. Misschien had ik er daarom voor gekozen om een workshop te doen waarbinnen mij waarschijnlijk gevraagd zou worden om uit de comfort zone te stappen. Deze workshop heette: Het improvisatietheater van het leven. Ik zag er een beetje tegenop. Maar eerst kwam de lezing van Gualthérie van Weezel.

De menselijke maat

Gualthérie van Weezel bleek net als ik systeemtherapeut te zijn, wat mij aangenaam verraste. ‘Amor fati’ kan volgens hem als ideaal inspireren maar het kan je ook geselen als je vindt dat je aan dat ideaal moet voldoen. Als je over je eigen reactie op het heftige bericht van een ziekte als kanker bijvoorbeeld gaat oordelen op een negatieve manier en als je steeds het gevoel hebt dat je faalt in het omarmen van je lot. Als je je in bochten gaat wringen om het goed te doen, dan werkt ‘amor fati’ nìet inspirerend. De psychiater komt in zijn werk vooral mensen tegen die het niet zo gemakkelijk af gaat om hun lot te omarmen.

Hij probeert het proces van het omgaan met de ziekte te versterken, probeert te helpen bij het verwerken van het bericht en sluit aan bij de krachten van de patiënt. Steeds zoekt hij de balans tussen de draaglast en de draagkracht. Hierbij kan het bio-psychosociale model helpen. Er zijn somatische, psychologische en sociale aspecten om rekening mee te houden. Psychologisch gezien heb je te maken met de reactie op de ziekte en met de persoonlijkheid. Persoonlijkheden kun je onderverdelen in de stoïcijnen, degenen die proberen controle te krijgen, de afhankelijken en de ontkenners. Sociaal gezien heb je te maken met het medische steunsysteem en het eigen steunsysteem. Als systeemtherapeut heeft deze psychiater oog voor de levensfase-overgangen die ook altijd voor gezonde mensen spannend zijn omdat ze ons voor nieuwe levensklussen stellen. Een ernstige ziekte krijgen is een extra ingewikkelde klus die extra veel kunst en vliegwerk vereist. Hoe omarm je die klus?

De psychiater onderscheid drie fasen in het proces. De eerste fase is de acute fase, als je de diagnose net gehoord hebt. De tweede fase is de chronische fase, het leven met de ziekte. Het ontdooien en reïntegreren. En dan uiteindelijk de palliatief-terminale fase.

Een mevrouw uit het publiek vond het fijn dat het woord ‘chronisch’ werd gebruikt omdat zij dit woord van de dokter in het ziekenhuis nooit gehoord had. Zij had al 15 jaar kanker en pleitte voor andere woorden, een taal die beter past bij ernstige ziektes.

De systeemtherapeuten Carter en McGoldrick onderscheiden horizontale en verticale stressoren. De horizontale stressoren zijn die we als individu tegenkomen tijdens de levensfase-overgangen die horen bij onze natuurlijke ontwikkeling van baby naar bejaarde. Maar er zijn ook onvoorspelbare stressoren zoals die bij een ernstige ziekte, een ongeluk of een plotseling ontslag. En dan zijn er nog historische gebeurtenissen, oorlogen, crises, natuurrampen die voor stress zorgen. De verticale stressoren komen voort uit de systemen waarin we ons als individu bevinden. Dat zijn ons gezin, onze familie, onze gemeenschap en grotere systemen zoals onze maatschappij met zijn politieke, culturele en economische invloeden. Voor degene die ziek is wordt de medische ‘gemeenschap’ belangrijk en die gemeenschap kan ook stress opleveren.

Het omarmen van de stress of het lot gaat dus meestal met kunst en vliegwerk gepaard. Je kunt het doen met de hulp van een levenscoach die geïnspireerd is door René Gude of met de hulp van een televisieprogramma als ‘Over mijn lijk’ of met de hulp van iets heel anders, zolang het maar geen dogma wordt vindt de psychiater. Hij had weinig goede woorden over voor Pink Ribbon, een commerciële beweging waarbinnen je als kankerpatiënt verondersteld wordt dat je de kanker met ‘glamour’ overleeft.

De focus van hoop bij een ernstige ziekte kan verschuiven. Hoop is niet iets statisch. De hoop op een langere overleving kan veranderen naar hoop op comfort of kwaliteit van het leven, naar hoop op waardigheid en verbondenheid.

Olsman, Willems & Leget (2012) onderscheiden drie perspectieven op hoop, het realistische perspectief, het functionele perspectief en het het narratieve perspectief. Uitgaande van het realistische perspectief staan waarheid en het goed geïnformeerd zijn centraal. De hoop moet vooral realistisch zijn. Vanuit het functionele perspectief heeft de hoop betrekking op de verwerking van het lijden. Hoop – zelfs wanneer die niet direct realistisch is – kan een belangrijke bijdrage leveren aan de mate waarin je betekenis kunt geven aan het lijden. Gezien vanuit het narratieve perspectief heeft de hoop betrekking op de zin van je leven. De hoop moet waardevol zijn en passen in jouw levensverhaal.

Het leven tussen hoop en vrees kan tussen een patiënt en zijn/haar partner problematisch worden wanneer de één altijd leeft vanuit de hoop en de ander altijd vanuit de vrees. Op deze manier maken de partners een karikatuur van zichzelf wat tot tragische conflicten kan leiden. Leo Gualthérie van Weezel had nog veel meer te vertellen maar moest afronden. Helaas. En over de dood, de palliatief-terminale fase, over hoe je leeft met het zicht op de dood kon niet uitgeweid worden.

Wandelworkshop

Rond de Internationale School voor wijsbegeerte is een stukje bos waar we met een groepje deelnemers doorheen wandelden onder leiding van de jonge filosoof Florian Jacobs. Er staan afbeeldingen van filosofen in het bos. We staan af en toe stil bij enkele ‘oudere’ filosofen. Zoals bij Spinoza. Over deze filosoof heeft Gerrit Achterberg een gedicht geschreven. Jacobs las het voor. Met op de achtergrond het geluid van de boomklever.

Spinoza

Diep in de deken van de tijd
ligt gij gebed, niets onderscheidt
u van de grond, die u omvat,
alsof gij nimmer lichaam had.

Volgens de wet van Lavoisier
doet gij op deze wijze mee
aan de bestendiging der stof,
die gij met denken overtrof.

Maar beide attributen Gods
doordringen nog elkander: trots
gaat gij door mijn geheugen heen
en nergens zijt gij hier van steen.
[uit Sphinx, 1946)

Gerrit Achterberg is een van Nederlands meest besproken dichters. Thematiek in zijn werk is de verzoening tussen leven en dood door middel van het gedicht. Veel dichter bij de dood kwam ik vandaag misschien niet… Over Spinoza en therapie heb ik eerder een bericht gemaakt.

Even later stonden we stil bij Aristoteles die volgens Jacobs meer waarde hechtte aan de poëzie dan bijvoorbeeld aan een wetenschap als geschiedenis. De poëzie komt volgens Aristoteles dichter bij de filosofie en is creatiever. Deze filosoof stond dicht bij de natuur en bestudeerde bijvoorbeeld de mieren.

img_1951

Florian Jacobs staat stil bij Aristoteles

Improviseren

Eindelijk was het tijd voor ‘het improvisatietheater van het leven’. Wat mij had aangetrokken was de aankondiging van deze workshop: ‘Soms lijkt het alsof je maar weinig invloed hebt op je leven. Dan blijft er nog maar een ding over: improviseren!’

We kregen op een strookje papier een in enkele regels beschreven situatie en enkele minuten om ons voor te bereiden. In een groepje van drie speelde ik de vriendin van een weduwnaar met een opstandige puber die het helemaal niet zag zitten dat haar vader de vriendin mee naar huis nam. We sloegen ons er met zijn drieën doorheen en hadden er lol in. We deden het samen. Dat was misschien wel de opluchting van de dag: improviseren is leuk, loslaten van de controle hoeft niet eng te zijn.

Misschien hielp het dat we in de goede handen waren van Line de Bruijn, filosofie docente, en Jelle Schroor, ‘stoeitrainer’, beiden lid van de Toneelgroep Levenskunst van de Universiteit voor Humanistiek. Zij gaven enkele simpele instructies voor de improvisatie: maak gebruik van het moment, laat binnenkomen wat zich voordoet. Vertel niet wie of waar je bent maar laat het zien.

Wat ik in deze workshop leerde viel samen met de boodschap die ik uit de lezing van Leo Gualthérie van Weezel haalde: het leven vereist kunst en vliegwerk. Daar kun je improvisatie goed bij gebruiken.

Leven zonder einde

Tijdens deze workshop kwam ik dan toch nog iets dichter bij de dood, ook al zou je dit op grond van de titel van de workshop niet verwachten: ‘Een leven zonder einde’. Het zal uiteindelijk veeleer de dood zijn die zonder einde is.

We werden gevraagd om te fantaseren over een geluksmoment dat we voor eeuwig zouden willen laten voortduren. Een moment waarin we een intens geluk ervaren, waarin de tijd stil lijkt te staan en we de werkelijkheid vergeten, een moment waarin alles mogelijk lijkt te zijn en de perceptie haarscherp is. We werden gevraagd om deze momenten te gieten in een verhaal in de ik vorm en in de tegenwoordige tijd. Onze verhalen werden opgenomen op een geluidsband. Een voor een verdwenen we in een aparte ruimte en in ons geluksmoment, in de privacy van de afzondering maar samen met een getrainde luisteraar. In de ruimte waar ik mijn verhaal vertelde werden spreker en luisteraar omhuld door tule gordijnen in zachte kleuren.

scan

 

Mijn verhaal luidde ongeveer zo:

Ik ben 7 of 8 of 9 of 10 jaar of misschien wel ouder. Ik heb dit meerdere keren meegemaakt. Ik kijk uit het raam de achtertuin in. Het regent. De achtergrond vervaagd. Ik zie nog wat tinten blauw, groen en grijs. Op de voorgrond zie ik druppels die naar beneden glijden. Ze glanzen. De geluiden van het drukke gezin waarin ik opgroei en waarin ik de oudste ben, raken steeds verder op de achtergrond. Ik ben alleen met de regen. Er wordt even helemaal niets van mij verwacht. De druppels die tegen het raam vallen hoor ik nog wel. Zachtjes komen ze er op neer. Doek, doek. De regendruppels vormen smalle en grillige paadjes naar beneden. ‘Panta rei’, alles stroomt, is in beweging. Iedere druppel volgt zijn eigen weg in zijn eigen tempo. Soms komen twee of meer druppels plotseling samen en versnellen de stroompjes in hun weg naar beneden. Samen wegen ze meer. Ik kies één druppel uit en neem mij voor om die te volgen op zijn weg naar beneden maar ik verlies hem weer uit het oog. Daar is alweer een volgende druppel. Dit kan uren doorgaan. Hoe lang ik voor het raam sta weet ik niet. Eigenlijk besta ik niet, zo diep ga ik er in op.

Filmmaakster Vanesa Abajo Pérez gaat van de verhalen die opgenomen zijn op deze dag een geluidsgedicht maken over oneindigheid. Ongeveer net zoals de Japanse filmmaker Kore-eda Hirokazu heeft gedaan in zijn film After Life die gaat over een tussenstation tussen leven en dood. Hier passeren wekelijks recent overleden personen om geholpen door gidsen, een moment uit hun leven te kiezen om mee te nemen naar het hiernamaals.


Een paar dagen na deze inspirerende dag zag ik op televisie een biografie van een van mijn favoriete psychiaters Irvin D. Yalom. De schrijver van ‘Nietzsches tranen’. Ik hoorde hem zeggen dat de angst voor de dood niet te verhelpen is. Maar hij vroeg zich ook af: Wat is er te vrezen als er geen bewustzijn meer is? Als de hersenen stoppen, stopt onze geest ook.

 

6 reacties

Opgeslagen onder Filosofie, Psychiatrie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie

Een ode aan de psychotherapie van Griet Op de Beeck

De maakbaarheid van de mens

“Er is een heleboel in de wereld niet in orde maar uw leven is van u, u kunt het zelf bepalen,” roept de Vlaamse schrijfster Griet op de Beeck uit aan het eind van het TV programma Zomergasten van de VPRO. Ze heeft dit aan de hand van allerlei fragmenten uit films en documentaires geprobeerd duidelijk te maken. Namelijk dat het belangrijk is om niet stilletjes in een donker hoekje te gaan zitten afwachten en hopen dat het goed komt met je leven. Ze heeft betoogd dat het leven van de mens maakbaar is.

Maar het leek alsof het niet tot de interviewer Thomas Erdbrink wilde doordringen. Hij leek maar te blijven geloven dat Op de Beeck iets tegen hoop had. Daar had ze niets op tegen maar haar betoog was dat je ook actief aan de slag moet en dat hoop alleen niet genoeg is. Geduldig legt ze het aan het eind nog één keer uit: “Wat ik zeg is ongelooflijk hoopvol maar het is niet passief.” En ze weet ook dat er grenzen zijn aan wat je kunt bereiken met de activiteit die therapie heet: “Je blijft vechten tot aan het eind. Af komt het niet.”

Met haar betoog zit ze niet op dezelfde lijn als Hedy d’Ancona die een uitzending vòòr haar de Zomergast was. Voor d’Ancona is ‘het persoonlijke’ politiek en andersom. Als jij je niet met politiek bemoeit, bemoeit de politiek zich wel met jou. Op de Beeck maakt een ander punt. Veel mensen zijn passiever dan nodig in het maken van hun eigen leven. Haar betoog ligt meer op het gebied van ‘het persoonlijke’.

Griet bleef gedurende het hele interview stralen. Of Erdbrink haar nu wel of niet begreep of naar de bekende weg vroeg of een impertinente vraag stelde zoals de vraag naar haar huwelijkse staat. Misschien verdiende ze met dat stralen wel de handkus van Erdbrink die hij haar aan het eind van de avond gaf…

Het stralende van Op de Beeck komt wellicht door haar dankbaarheid en blijdschap over dat ze van haar oude angsten en anorexia verlost is maar ze laat met het stralen misschien ook een restje zien van de emotionele verwaarlozing uit haar kindertijd. Net zoals geadopteerde kinderen je altijd stralend kunnen blijven aankijken uit angst om ooit opnieuw verlaten te worden.

Ook bleef ze snel en veel praten. De ene volzin na de andere. Ze is een echte taalvirtuoos. Enkele van haar zinnen begon ik te noteren.

Gezien worden

Griet had zelf ouders die haar weliswaar niet verlieten maar ouders die geen oog voor haar hadden. Ze beschrijft haar jeugd als die van een ‘grondeloze eenzaamheid’. Hunkerde ze naar waardering? Nee, ze hunkerde naar gezien worden. En gezien worden betekent dat je ook voorbij jezelf kunt gaan kijken.

Hier legt ze de vinger op het ontstaan van het narcisme dat we allemaal in meer of mindere mate in ons dragen. Ouders die geen oog hebben voor hun kinderen geven het narcisme door; ofwel het ‘niet voorbij jezelf kunnen kijken’. Kinderen die later in therapie gaan kunnen volgens haar genezen. Welke diagnose ze dan ook kregen. Daar is zij zelf een voorbeeld van. Haar eigen ouders waren niet geschikt voor de rol van het ouderschap denkt ze. Daar kwam dan nog bij dat ze hun kinderen tegen elkaar uit speelden.

Niet alleen therapie maar ook de kunst hielp haar: “Kunst dwingt je om stil te vallen.” Als jongedame las ze alles van de grote Vlaamse schrijver Hugo Claus ook al kon ze het niet allemaal begrijpen, ze vond dat het heel erg aan haar besteed was.

Zij had zelf veel moed nodig om schrijfster te worden: “Je moet in evenwicht kunnen blijven als kunstenaar ook als je commentaar krijgt op wat je maakt.” Haar boeken zijn inmiddels bestsellers. 70% van haar lezers komen uit Nederland, 30% komt uit België en de reden daarvan is dat ze van directheid houdt en dat waarderen Nederlanders meer.

Uit een van de eerste fragmenten die we te zien krijgen in deze aflevering van Zomergasten blijkt volgens haar hoe sterk kinderen zijn. Te sterk, denkt ze. Kinderen zullen niet gauw zeggen: “Ik heb een slechte papa of mama”. Integendeel ze gaan proberen te compenseren voor wat er fout gaat in het gezin.

In het fragment zien we hoe wij met zijn allen dat ‘te sterk zijn’ van kinderen aanmoedigen. We zien een jongetje dat een vreselijk ongeluk heeft gehad terwijl hij aan het spelen was. Hij had er brandwonden over zijn hele lichaam aan over gehouden. Hij is aan het revalideren terwijl hij geïnterviewd wordt. Wij vinden dat jongetje allemaal geweldig omdat hij er spijt van heeft dat hij ondeugend is geweest. Hij wil het goed maken door later ambulancebroeder te worden. Dit vinden we mooi. We moedigen dit ‘te sterk zijn’ aan in kinderen. We vinden het mooi dat hij ‘sorry’ zegt terwijl hij in feite onschuldig is.

Op de Beeck vindt dat we kinderen een stem moeten geven: “Kinderen weten alles. Ze kunnen het alleen niet zeggen.” Daar moeten we hen bij helpen i.p.v. dat ‘sterk zijn’ aan te moedigen.

Een volgend fragment is uit een documentaire over zelfmoordenaars die van de Golden Gate Bridge afspringen. Een man die dit overleefde beschrijft hoe hij over de brug liep op zoek naar een goede plek om te springen zonder de brug eerst te raken. Hij begon te huilen. Een voorbijgangster vroeg hem of hij een foto van haar wilde maken. Dat deed hij. De voorbijgangster zag zijn tranen niet. Die was alleen met zichzelf bezig. Hij dacht: Dit is waarom ik spring. Ik loop huilend over een brug en niemand die het ziet.

Op de Beeck die zelf ook zelfmoord heeft willen plegen maakt een onderscheid tussen ‘dood willen’ en ‘willen dat het ophoudt’. Zij wilde dat haar angst ophield, haar angst dat het nooit in orde zou komen met haar leven en met het gevoel afgewezen te zijn. Zij stond zelf ook eens ooit op een brug en het waren voorbijrijdende en met hun licht seinende vrachtwagen chauffeurs die haar tegenhielden. Die gaven haar een gevoel van verbinding, het idee dat het iemand iets kon schelen.

Bevrijding

Griet heeft zichzelf uit allerlei soorten drek getrokken. Je hebt een fantastische ‘shrink’ nodig die je helpt om een goede ‘spot’ te zetten op de oorzaak. Maar dan lukt het. Iedereen moet in therapie. We zijn allemaal meesters in het wegkijken terwijl de beloning als je wèl kijkt zo immens groot is. Het is heftig om te doen maar we hebben maar één leven. Een goede vraag van Erdbrink: “Hoe voelt die bevrijding?” Griet: “Je voelt de bevrijding zelf niet maar je voelt de gevolgen van de bevrijding.” In haar geval was het gevolg dat ze haar eerste boek schreef dat haar alle mogelijke vormen van diep plezier gaf.

We zien vervolgens een fragment uit de documentaire: ‘Gardenia. Before the last curtain falls.’ Het gaat over het bevrijdingsproces van travestieten. Maar het gaat over meer dan dat. Op een toneel staan mannen in pakken die langzaam transformeren in vrouwen op de meeslepende muziek van Ravel’s Bolero. De opvoering op het toneel wordt afgewisseld met verhalen uit de levens van de mannen buiten het theater.

Griet ziet veel relaties die niet kloppen. Mensen kunnen wel zeggen dat ze best gelukkig zijn maar als er geen echte wederkerigheid en verbinding in de relatie is, klopt het niet. Haar eigen ouders waren geen feestje samen. Ze denkt dat haar vader al vroeg opgehouden was met leven. Hij kon nog wel charmeren maar hij had geen echte vrienden. Hij hield mensen op afstand. Hij zweeg behalve als hij dronken was. Ze is blijven zitten met veel vragen over haar vader. Griet heeft geprobeerd om haar ouders gelukkig te maken. Erdbrink vroeg of het haar lukte. Terecht merkt ze op dat dit een onmogelijke opdracht was.

Kinderen zullen blijven verlangen naar onvoorwaardelijke liefde. Alleen ouders kunnen dat aan hun kinderen geven en niet andersom. Dat werkt niet. Zij wil zelf absoluut geen relatie hebben zoals die van haar ouders met hun complete gebrek aan empathie voor elkaar. Daarbij helpt het bij het liefhebben van je partner als je jezelf kent, als je inzicht hebt in je eigen blinde vlekken.

Ze laat een fragment zien uit een documentaire waaruit blijkt hoe gemakkelijk het is om kinderen racisme aan te leren en een waaruit blijkt hoe psychologisch onveilig het is om gevluchte gezinnen met kinderen terug te sturen naar het land van herkomst. De veiligheid waarmee deze kinderen hier zijn opgegroeid wordt hen ontnomen wat een enorme ontreddering tot gevolg heeft. Voor de beschadiging van deze kinderen is dit beleid verantwoordelijk. Erdbrink vraagt: Waarom doen we dit? Griet: “We zijn alleen met onszelf bezig!”

Hard leven

Met de schrijver Jonathan Franzen vindt Griet dat je boeken moet schrijven terwijl het schaamrood je op de kaken staat. Erdbrink vraag waar zij zich voor schaamt. Griet is verbaast dat hij dit vraagt na alles wat ze tot nu toe uit de doeken deed maar ze legt het nog wat duidelijker uit: “Schaamte voor alles, voor het niet waard zijn, voor het niet verdienen van alles wat mooi en goed is.” Franzen betoogt dat Kafka over zijn strijd met zijn familie schreef ook al had hij het over insecten. Het blijft kunst ook al zitten er autobiografische elementen in. Een roman moet een persoonlijke strijd zijn, een schrijver moet een persoonlijk risico nemen. Volgens Griet moet er bij elk boek een nieuwe hindernis genomen worden. Bij haar eerste boek was dit de hindernis van het zichzelf te durven te laten zien: “Hé ik ben er ook nog!” Dat was het eerste risico dat ze nam. Als dramaturg was ze dienstbaar maar als schrijfster toont zij zich.

Hard leven betekent dat je strijd voert tegen de banaliteit. Het betekent dat je diep graaft, verder kijkt, veel voelt, intensiteit opzoekt, durft stil te staan en nog dieper durft te denken. Zelfs van grote trauma’s kun je herstellen. Ook al zal de verpletterende leegte je soms blijven overvallen. Die leegte moet je vullen: “Uw grootste noden zijn uw grootste troeven.”

Een plaats bij uitstek waar mensen niet gezien worden is wel de gevangenis. Als dramaturg heeft Op de Beeck toneel gemaakt met gedetineerden. “Wij gaan zo slecht met hen om terwijl van alle kanten is aangetoond dat opsluiten alleen maar schadelijk is. Er is veel te weinig aanbod van therapie in de gevangenis. Dit is een groot gebrek van onze beschaving. Gedetineerden die elke week een therapeut op bezoek krijgen gaan vooruit. Ook voor deze mensen geldt de maakbaarheid. Wij lijken meer op elkaar dan dat we van elkaar verschillen.”

Ze gelooft in de maakbaarheid van de mens maar de mens moet er wel iets voor doen. Dat moge duidelijk zijn. Hoe gevaarlijk een passieve vorm van hoop is wordt volgens haar mooi duidelijk in de rol van Sonja en het toneelstuk Oom Wanja van Tsjechov hoewel ook de andere personages zichzelf dwars zitten. Sonja is verliefd op de dokter in het stuk maar de dokter ziet haar niet staan. Als een ander personage haar aanbiedt om deze toestand te helpen doorbreken zegt Sonja: “Doe mij maar onzekerheid want dan is er tenminste nog hoop”. Het is een gevaarlijke zin omdat Sonja op deze manier blijft ronddraaien in dezelfde cirkel.

Anorexia gaat niet over eten

Volgens Op de Beeck heeft een eetstoornis vooral te maken met een destructief denksysteem. Het gaat over perfectionisme, over schaamte en jezelf willen straffen. Het perfectionisme waardoor je altijd faalt en blijft denken dat je niet mooi bent, niet goed, niets waard. Ze spreekt uit ervaring. Op een goed moment woog ze nog maar 35 kilo en voelde ze liggend in de zon ineens dat haar lijf op was en besloot ze om een etentje te geven. Ze kan nog steeds in gevecht zijn tegen het basismechanisme dat aan de stoornis ten grondslag ligt maar ze is vastbesloten om dat gevecht te winnen. Na een fragment uit de film: ‘Le tout nouveau testament’, legt ze uit dat zij haar trauma helemaal wil aankijken en dat ze de emotie die dat teweegbrengt wil laten bestaan. Het gaat er volgens haar om dat je het verval durft te zien, dat je het leed durft te laten bestaan.

Als dit geen ode is aan de psychotherapie dan weet ik het niet. Veel dank Griet voor je boeken en voor dit interview.

8 reacties

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie

Begrijpen van terreurdaden

‘Het gevaar komt eerder van binnen dan van buiten en daar moet toch iets aan te doen zijn’, dacht ik toen ik las dat de aanvaller in Nice, Mohamed Lahouaiej Bouhlel, persoonlijke problemen had.

Ik las dat Bouhlel werkte als bezorger-chauffeur en drie kinderen had. Zijn buren omschreven hem tegenover de Franse krant Le Parisien als een stille en eenzame man. Hij zag er niet uit als een gelovig persoon.

In het NOS bericht stond:

Een andere buurman heeft tegen de zender France 3 gezegd dat hij ervan overtuigd is dat de aanslag niets te maken heeft met de islam. “Hij heeft niets met religie, hij bidt niet, hij doet niet aan de ramadan. Hij is een depressieve man die in scheiding ligt. Hij woont alleen en hij heeft financiële problemen.”

Crimineel

Bouhlel was volgens Franse media een bekende van de politie. Hij zou meerdere keren zijn veroordeeld, onder meer voor geweld en wapenbezit. De veiligheidsdiensten hadden hem niet in het vizier.

De chauffeur zou in maart voor het laatst zijn veroordeeld, vanwege een uit de hand gelopen verkeersruzie.

De zus van Bouhlel beschreef haar broer als psychisch labiel. Verder verklaarde de openbare aanklager François Molins dat Bouhlel veroordeeld was voor lichamelijk geweld en beschuldigd van huiselijk geweld.

Het begon er steeds meer op te lijken dat financiële en sociaal emotionele problemen deze man uit Nice tot zijn brute wanhoopsdaad hadden gedreven. Of alcohol, medicatie of drugs een rol speelden werd niet bekend.

Sociaal-psychologische factoren, de context, maken de aanslag minder geschikt voor de ‘oorlog tegen terreur’ propaganda en minder interessant voor de op sensatie beluste media dan wanneer er islamitisch terrorisme achter zou zitten. Karel Smouter in zijn column in De Correspondent spreekt van een wijdverbreid fenomeen wat tot dit soort aanslagen kan leiden: een geradicaliseerde existentiële verwarring.

Ondanks de mededelingen van de buren en de zus van Bouhlel en ondanks het feit dat de Franse justitie denkt dat de aanslag waarschijnlijk niet het werk is van een islamitische terreurorganisatie, bleef de Franse premier Valls beweren dat Bouhlel waarschijnlijk banden had met radicaal-islamitische groepen. Niet alleen van Valls maar ook van andere politieke leiders tot Clinton en Trump aan toe, kwamen dit soort beweringen.

Veel politici lijken graag te wijzen naar het gevaar dat van buiten komt. Angst voor de buitenwereld en de ‘vreemde’ godsdienst maakt het gemakkelijk om de aandacht af te leiden van de problemen in het eigen land.

Het gevaarlijkst is misschien wel de politicus die niet met verklaringen kan komen die hoop bieden na gruwelijke gebeurtenissen zoals die in Nice, die geen verklaringen kan bieden met aanknopingspunten om zèlf iets te veranderen. Een regering die de oorlog verklaart aan een andere regering kan althans in theorie die oorlog winnen. Maar wie de oorlog verklaart aan een handelwijze als ‘het terrorisme’ begint een oorlog zonder eind. Politici die niets beters weten te verzinnen zijn gevaarlijk.

Van dat soort politici lijken er steeds meer te zijn, net zoals het lijkt alsof er steeds meer wanhopige mensen rondlopen. We moeten politici kiezen die hoop kunnen bieden in dit soort situaties. Politici die oorlog na oorlog beginnen moeten we links (of rechts) laten liggen.


Met een essay in De Groene Amsterdammer probeerde Joost de Vries eerder dit jaar uit te zoeken wat de literatuur kan bijdragen aan het begrijpen van terreurdaden. Hiertoe had namelijk hoogleraar internationale betrekkingen en terrorisme Beatrice de Graaf kort na de aanslagen in Parijs van eind 2015, uitgenodigd toen ze over terroristen opmerkte: ‘Ze zijn niet altijd ongelukkig, ze zijn niet altijd arm, ze komen niet altijd uit dezelfde regio. Ze zijn wel vaak crimineel en hebben wel vaak broertjes of zusjes die terrorist zijn. Om een individuele terrorist echt te begrijpen, kun je misschien beter bij een romanschrijver dan bij een wetenschapper aankloppen.’

De Vries komt o.a. met twee regels uit Menno Wigmans nieuwe dicht bundel ‘Slordig met geluk’, een gedicht waarin iemand een aanslag op Koningsdag lijkt te overwegen:

‘Nog voor het eind van het festijn

zal ik de grootste zoekterm zijn.’

In de volgende veronderstelling van de Vries kan ik mij met mijn analyse over de wanhoop van de terreurdader vinden:

Misschien lijken terroristen meer op de high school shooters die om de haverklap opduiken in de VS, die niet vanuit een politieke of religieuze overtuiging handelen, maar vanuit een existentiële wanhoop. Hun geweld is geen middel, het dient nergens toe, het veroorzaakt geen betere wereld. Het kan niet anders dan dat de aanslagplegers in Parijs dat ook wisten. Het is een laatste, groteske poging tot zingeving.

De Vries begint zijn essay met het vergelijken van terroristen van nu met die van eind 19e eeuw, begin 20e eeuw. Toen waren het anarchistische terroristen die de wereld steeds deden opschudden.

Verander in de geschriften van de anarchisten ‘bourgeois’ in ‘heidenen’ en ze lijken volkomen actueel. Terrorisme als breekijzer, een kalasjnikov als gereedschap om in één keer superieur te worden aan de krachten om je heen.

De sociologische voedingsbodem lijkt voor beide soorten terrorisme evident: een uitzichtloze sociale achterstand, de behoefte gehoord en gezien te worden, het gemis van een politieke garde die voor de rechten van de minder bedeelden opkomt. Armoede, angst, honger, druk.

Maar wat is dat irrationele waar geen sociologie tegenop kan boksen, vraagt de Vries zich af; wat is

… het moment dat de maatschappelijke realiteit en persoonlijke moraliteit worden opgegeven voor het blinde verlangen van jezelf een bom te maken, om je leven te geven en zo veel mogelijk andere levens mee te sleuren het ravijn in. Dat moment is uniek, want voor elke geradicaliseerde moslim in de banlieues die naar een bomgordel grijpt, zijn er tienduizenden in exact dezelfde sociale situatie die dat niet doen.

Joseph Conrad schrijft naar aanleiding van zo’n anarchistische aanslag uit een vorig tijdperk een roman genaamd ‘The secret agent’ (1907). De Vries merkt over de hoofdpersoon Verloc in deze roman op:

… we leren wel één essentieel ding van Conrads personage kennen, misschien wel het meest essentiële wat romanschrijvers kunnen laten zien en wetenschappers niet – via de verhaallijn van zijn huwelijk. Het lukt Verloc niet zijn vrouw als een mens te zien, met eigen emoties en behoeften – hij ziet haar alleen als een instrument voor zijn eigen wensen. ‘Every time he passed by the door, Mr Verloc glanced at his wife uneasily. It was not that he was afraid of her. Mr Verloc imagined himself loved by that woman. But she had not accustomed him to make confidences.’ Mooi is dat ‘that woman’. Dat ‘that’ schetst een onoverbrugbare afstand. De volkomen egocentrische Verloc kan niet bij haar gevoelens komen, zoals hij eigenlijk aan niemand anders gevoelens denkt – als je die eigenschap koppelt aan zijn roeping als bommenlegger snap je ineens veel beter hoe hij kan doen wat hij doet. Hij is niet alleen het maatschappelijke voorbij, ook het menselijke.

In ‘The secret agent’ zit ook een bijfiguur, de Professor. Hij is de bommenmaker. Over deze figuur en verder over de roman schrijft de Vries:

Coherent wordt zijn ideologie nooit. Dat is ook het schrikbeeld van de roman: het irratio­nele, het ongrijpbare. De roman eindigt met de Professor, die doelloos door de straten van Londen loopt, oogcontact mijdend, met zijn eeuwige bomgordel om, die hij elk moment kan laten ontploffen. Slotzinnen: ‘He had no future. He disdained it. He was a force. His thoughts caressed the images of ruin and destruction. (…) He passed on unsuspected and deadly, like a pest in a street full of men.’

Volgens de Vries is de kracht van dit personage en dat van de terrorist niet een middel tot een betere wereld maar is zijn kracht een doel op zich.

De reactie op de aanslagen in Parijs van de Nederlandse schrijver, dichter Ilja Leonard Pfeiffer die ook in het artikel van De Vries wordt genoemd geeft volgens mij perspectief. Hier zijn verhaal dat uit de NRC van 16 januari 2015 komt:

Dit is een poging de daders in Parijs te begrijpen.

Keihard heeft de veroordeling geklonken van de aanslagen in Frankrijk. Lost dit iets op? Nee, zegt Ilja Leonard Pfeijffer. Wat helpt? Empathie tonen.

Dit stuk gaat over ongemak. Want na de aanvankelijke verontwaardiging over de aanslag in Parijs voelde ik mij de afgelopen week in toenemende mate ongemakkelijk bij de wijze waarop de aanslag in het publieke domein werd geannexeerd.

Het idee begon bij mij post te vatten om een stuk voor deze krant te schrijven over het ongemak dat ik voel voor de overweldigend unanieme en hartverwarmend eenzijdige steun voor die rebelse kwajongens, die met hun dekselse tekeningetjes toch maar mooi de profeet te kakken hebben gezet en daarmee helden zijn geworden van het vrije woord en martelaren in de heilige oorlog van het glorieus verlichte Westen tegen de achterlijke en verachtelijke islam. Het leek mij nodig ook de andere kant van het verhaal te belichten en een stuk te schrijven waarin ik begrip opbreng voor de daders. Die worden nu zonder enig voorbehoud verketterd als monsters die nog erger zijn dan misdadigers, als vijanden van onze vrijheid en als de verpersoonlijking van het kwaad dat met wortel en tak dient te worden uitgerukt, verdelgd, platgebrand en verbannen naar de diepste kringen van de hel.

We zeggen dat we zo verlicht zijn en dat we haat nimmer zullen tolereren, maar haat is het enige antwoord dat wij op haat weten te geven. En dat heeft nog nooit tot iets geleid. Het enige juiste antwoord is empathie en een poging om de daders te begrijpen. Zo’n stuk wilde ik schrijven en ik had ‘Je suis Kouachi’ als provocerende titel bedacht.

Maar met het voornemen om mijn ongemak onder woorden te brengen, werd ik overvallen door een ander gevoel van ongemak. Want uiteraard besefte ik maar al te goed dat ik uiterst gevoelige, om niet te zeggen explosieve materie zou aanroeren. Misschien was zo’n stuk eigenlijk geen goed idee.

Twee dagen geleden mailde ik de redactie van deze krant, om te vragen of het verstandig zou zijn zo’n stuk te schrijven. Dat deed ik natuurlijk niet voor niets. Dat doe ik anders nooit. Het antwoord bevatte wijze woorden. ‘Waarom niet? Je weet hoe het werkt: hoe gevoeliger het onderwerp, hoe beter de argumentatie van de auteur moet zijn. Immers, als de lezer het a priori met je eens is, is die in het algemeen wat luier in z’n denken en neemt dan genoegen met halve waarheden. Als de lezer het a priori met je oneens is, of heel sterk oneens, dan slaat hij bij je eerste argument al op tilt.’

Misschien is ongemak in dit geval wel een eufemisme voor hypocrisie. Want we staan nu allemaal schouder aan schouder met een potlood in de lucht, pal voor de vrijheid van meningsuiting, maar die vrijheid geldt alleen voor ons en niet voor de ander. Je mag je mening vrijelijk uiten op voorwaarde dat je de juiste mening hebt. Iedereen mag alles zeggen wat hij wil, behalve dat hij begrip heeft voor de daders die nog een paar appeltjes te schillen hadden met dat zogenaamde vrije Westen van ons.

Vrijheid van meningsuiting is sinds vorige week ons grootste goed en ons hoogste recht, zeker in Frankrijk, maar eergisteren is de Franse komiek Dieudonné opgepakt omdat hij op Facebook had gezegd dat hij begrip heeft voor de terroristen. En er lopen nog 54 vergelijkbare zaken in Frankrijk. Vijf mensen zijn al veroordeeld. Twee mannen kregen een jaar cel, omdat ze op straat hadden geroepen: ‘Ik ben er trots op een moslim te zijn. Ik houd niet van Charlie. Ze hadden het recht dat te doen.’

Ik wil de aanslag in Parijs niet goedpraten, begrijp me niet verkeerd. Natuurlijk is het fout om mensen neer te schieten omdat hun gevoel van humor het jouwe niet is. Sterker nog, dat is bij wet verboden. Evenmin wil ik mezelf opwerpen als verdediger van een geloof dat de doodstraf uitvaardigt jegens iedereen die spot met zijn profeet of van welk ander geloof dan ook. Het liefste zou ik ook elke vorm van religie bij wet verbieden, maar dat is nu even niet het punt. Ik zou wel graag de kanttekening willen maken dat de humor van Charlie Hebdo niet de mijne is. Ik kan niet lachen om die tekeningetjes. Ik vind ze grof en onnodig kwetsend. Hier begeef ik mij al op glad ijs, dus haast ik mij eraan toe te voegen dat iedereen uiteraard het volste recht moet hebben om onleuke en onnodig kwetsende plaatjes te tekenen. Die vrijheid zal ik tot mijn laatste snik verdedigen, maar ik zal diegenen die van die vrijheid gebruikmaken daar niet om bewonderen, laat staan dat ik ze zal vereren als helden van de vrijheid.

Maar mijn grootste gevoel van ongemak betreft onze hypocrisie. Het trof mij als een bliksemschicht toen ik een van de honderden cartoons voorbij zag komen die naar aanleiding van de aanslag zijn gemaakt. Er waren twee moslims getekend. Die kon je herkennen aan het feit dat ze bivakmutsen droegen en kalasjnikovs in hun handen hadden. Vol ontzetting keken ze naar de hemel van waaruit een bombardement van potloden op hen neerdaalde.

Precies zo zien wij het graag. De moslims zaaien dood en verderf met hun achterlijke geloof en hun automatische wapens en wij, verlichte westerlingen die wij zijn, slaan terug met onze universele waarden en vrijheid van meningsuiting, die zijn gesymboliseerd door die regen van potloden.

Maar zo is het natuurlijk niet. En die cartoon laat dat pijnlijk duidelijk zien. Want in werkelijkheid staan die moslims zonder bivakmuts en kalasjnikov op hun schamele akkers in Irak, Afghanistan, Syrië of in de Gazastrook – en wat op hen uit de hemel neerdaalt, is geen bombardement van potloden, maar een bombardement van bommen. Met de vriendelijke groeten uit het vrije, verlichte Westen. Ik kan mij voorstellen dat je als moslim wel een paar bedenkingen hebt om onze universele westerse waarden onvoorwaardelijk te omarmen, zoals wij van hen eisen.

De aanslag in Parijs wordt door velen beschouwd als een oorlogsdaad. Dat zou je zo kunnen zien, maar dan moet je je wel afvragen wie die oorlog is begonnen. In zijn stuk in deze krant van gisteren citeerde Arend Jan Boekestijn Leon Trotski: ‘Wij kiezen niet voor een oorlog, maar de oorlog kiest ons.’ Hij citeerde het om duidelijk te maken dat we ernst moeten beginnen te maken met het bestrijden van de islam. Maar je zou het evengoed kunnen omdraaien. Het citaat zou ook uit de mond kunnen komen van de terroristen.

Als het oorlog is, hebben wij het daar zelf naar gemaakt. Dan moet je niet raar opkijken als de vijand begint terug te schieten. Als het oorlog is, mag de vijand ook meedoen, anders is het niet eerlijk. Die vijand moet je dan bestrijden, maar je moet niet opeens heel hypocriet in een protestmars gaan lopen roepen dat de vijand niet mag bestaan en dat hij een smet is op onze vredelievendheid.

Mijn gevoel van ongemak betreft het algeheel gedeelde gevoel dat het nu oorlog is. Want met een oorlogsverklaring creëer je niets anders dan vijanden. In NRC Handelsblad van zaterdag schrijft Tom-Jan Meeus over verschillende Amerikaanse veiligheidsadviseurs die er achteraf spijt van hebben dat de VS in antwoord op de aanslag op de Twin Towers de ‘War on Terror’ hebben uitgeroepen. Dat heeft volgens hen averechts gewerkt. Een van hen, Mark Fallon, de special agent die meteen na 9/11 was belast met de opsporing van Osama Bin Laden, zei dat je terroristen pas aan je zijde krijgt als je je in hen verdiept. „Alles draait om empathie”, zei hij. En toen Meeus hem vol ongeloof vroeg of hij bedoelde dat we een kopje thee moeten gaan drinken met de terroristen, antwoordde hij: „Absoluut. Want dát verwachten ze niet.

Empathie en verbinding leiden tot het verminderen van het gevaar. Daar kunnen we allemaal elke dag opnieuw mee aan de slag.

Een mooie suggestie voor het probleem van de wanhoop of de existentiële verwarring binnen in de terreurdader doet ook Karel Smouter in zijn column in De Correspondent; hij houdt een pleidooi voor meer sereniteit en haalt daarbij een aantal regels aan uit het ‘Serenity Prayer’ van de theoloog Reinhold Niebuhr:

‘Grant us the serenity to accept the things we cannot change,
the courage to change the things we can,
and the wisdom to know the difference.’

We hebben volgens Smouter meer begrip nodig voor elkaars verwarde toestand. En we hebben hulp nodig om daar uit te geraken voor de verwarring escaleert. Dit begrip begint met het besef dat elke verwarde man die het nieuws haalt, uiteindelijk een geradicaliseerde versie van onszelf is.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, proza en poëzie