Categorie archief: Psychotherapie – Trauma

De zachte kracht van P.A.C.E.

PLAYFULNESS. ACCEPTATION. CURIOSITY. EMPATHY.

Dit bericht gaat over een therapie die gebaseerd is op de hechtingstheorie, ontwikkeld door Daniel Hughes. Hij was in april 2016 in Nederland om een training te geven. Cathy van Gorp en Nine van Stratum, beiden psycholoog en systeemtherapeut, interviewden hem. Een verslag van het interview stond in het tijdschrift Systeemtherapie, deel 3 in 2016 onder de titel: De zachte kracht van ‘pace’.

De therapie van Hughes heet ‘attachment focused family therapy’ (afft) of ook wel ‘dyadic, developmental psychotherapy’ (ddp) en ‘pace’ is er een belangrijk onderdeel van. In het Nederlands wordt ‘pace’ weleens vertaald met ‘sane’. We gaan speels, accepterend, nieuwsgierig en empathisch onze weg in deze therapie. Vooral in engelstalige landen worden therapeuten opgeleid in ddp maar in het najaar van 2016 ging Hughes ook therapeuten in Kenia en Tanzania opleiden. In het interview zei hij daarover:

Net als in Israël is het in deze omgevingen, waar gevaar zeer reëel is en alomtegenwoordig, een uitdaging om ouders te stimuleren om hun kinderen niet enkel als sterk gewapende individuen op te voeden, te eenzijdig gericht op autonomie, maar om hun ook het belang van een veilige en responsieve basis aan te leren.

Hughes richt zich in zijn boeken en DVD’s tot zowel ouders als therapeuten. Aan het eind van het interview vertelde hij dat zijn kleindochter zijn visie onlangs heel goed samenvatte in de vorm van een verzoek aan haar moeder die haar van school zou komen halen. Haar moeder had kort daarvoor een operatie ondergaan en ze vroeg: “Wil je me op tijd ophalen op school? Ik heb nog veel heftige gevoelens over jouw operatie en daar moet ik over nadenken en dat doe ik het beste thuis.”

Op een veilige manier met trauma aan de slag

Hughes werkt met mensen over de hele wereld die zeer onveilige situaties meegemaakt hebben. Van Gorp en Stratum beschrijven hem als een rustige man op leeftijd die zeer gedreven en doorleefd over zijn model en therapieën vertelt.

Zijn carrière begon met een zoektocht in de tijd dat hij werkte met misbruikte kinderen. Hij vertelt openhartig over zijn eerste ervaringen in de jaren ’80 van de vorige eeuw:

Het was erg moeilijk om de ouders van deze misbruikte kinderen te helpen, ze kwamen niet op de afspraak, of ze kwamen wel maar ontkenden de situatie. Zo kwam het dat ik me meer ging concentreren op de pleegouders aan wie de kinderen waren toegewezen. Mijn doel was toen om de pleegouders te leren om het kind beter te laten communiceren, waarbij ik ook oog had voor het verbeteren van de relatie. Ik merkte opnieuw dat ik daar niet veel succes mee oogstte. Daarenboven zag ik dat de kinderen afhaakten. Zij waren immers, vergeleken met niet-getraumatiseerde leeftijdgenoten, slecht in reflecteren en verbaliseren. In mijn pogingen te begrijpen waarom de behandelingen niet succesvol waren, kwam ik uit bij waardevolle literatuur en onderzoek omtrent hechting. Al heel snel werd duidelijk dat deze kinderen heel slecht in staat waren om een veilige hechtings-band met hun pleegouders op te bouwen. Ik zag dat de meeste kinderen die ik begeleidde in de categorie van gedesorganiseerde hechting onder te brengen waren.

De hechtingstheorie was al ontwikkeld toen Hughes begon als therapeut en de hechtings-stijlen waren bekend maar een hierop gebaseerde therapie was er eigenlijk niet. Hij begon interventies op te zetten en uit te proberen die voor zijn gevoel aansloten en werkt zijn ideeën nu nog steeds verder uit.

Een therapeut kan volgens hem niet stil, achteruit leunend en zogenaamd objectief op zijn/haar stoel blijven zitten. Vooral in zijn interactie met kinderen maar ook met adolescenten en volwassenen wil hij actief en enthousiast zijn. Hij probeerde de pleegouders van de kinderen hierin mee te krijgen en ook op die actieve manier contact te laten maken met hun getraumatiseerde kinderen.

Hughes vindt het concept van de ‘intersubjectiviteit’ eigenlijk belangrijker dan de gehechtheids-stijlen. We worden allemaal geboren met de mogelijkheid tot interactie. Hij vind het erg jammer dat er naar de therapeutische kracht van de speelse, vreugdevolle, actieve interactie nog maar weinig onderzoek is gedaan. Het onderzoek richt zich meer op modellen en te weinig op de relatie. Meer over de therapeutische relatie in het bericht de therapeutische alliantie.

Eerst connectie, dan correctie

Behandelmodellen zijn veelal gebaseerd op de sociale leertheorie maar Hughes richt zich vooral op het opbouwen van een veilige band tussen het kind en de opvoeders en baseert zich op de hechtingstheorie. Technieken die voortkomen uit de sociale leertheorie, zoals straffen en belonen werken alleen als er sprake is van een goede relatie.

Als je misbruikte kinderen helpt om zich veilig te voelen, help je hen om het trauma te overstijgen

De basisaanname van hechting is veiligheid. De fundamentele ondertoon van trauma is het ontbreken van veiligheid. Als je misbruikte kinderen helpt om zich veilig te voelen, help je hen om het trauma te overstijgen. Ouders kunnen geen veiligheid bieden als ze kritisch blijven, op afstand blijven, straffend blijven, zich niet kunnen verbinden, enz. Deze ouders zitten wellicht vast in hun eigen hechtings-geschiedenis.

In sommige gevallen stelt Hughes de gezinsgesprekken uit en wordt er exclusief gewerkt aan de band met de ouders. Een goede afstemming en verhouding met hen is noodzakelijk. Tegelijkertijd krijgt in dat geval het kind individuele therapie. Maar soms is één gesprek al voldoende om draagvlak te creëren en wordt het kind er meteen erbij betrokken.

Omdat de focus van de therapie gericht is op de afstemming en de relatie is deze therapie geschikt voor kinderen maar net zo goed voor adolescenten en volwassenen. Zodra iemand signaleert dat het niet veilig is wordt er vertraagd. Het belang van non-verbale signalen is groot. Hughes geeft in het interview een mooi voorbeeld van een sessie met een meisje waarin hij plotseling voelde dat hij het contact verloor. Hij vroeg haar op een zachte toon:

‘Ik denk dat je aan iets anders denkt op dit moment. Je hebt beslist om over iets leukers dan het onderwerp van zonet na te denken, lijkt me. Misschien herinner je je plots een droom of een plaats die jou een blij gevoel geeft. Zou je me willen vertellen waar je mee bezig bent nu? Misschien praatte ik net over iets dat je niet zo leuk vindt of waar je nu liever niet over praat Als je me liever even wil negeren is dat prima hoor.’

Hier demonstreert Hughes twee belangrijke peilers van zijn model: acceptatie en nieuwsgierigheid. De reactie van het meisje na deze woorden:

‘Ik ben in het land van de dinosauriërs, ik rijd op Diamant, mijn eenhoorn.’ Hughes vraagt haar: ‘Echt? Je rijdt gewoon rond?’ ‘Ja, en als een dinosauriër te dichtbij komt, dan prikt Diamant hem met zijn hoorn.’ ‘Dat is geweldig. Je bent heel veilig daar. Mag ik je daar komen bezoeken?.’ ‘Nee! Het is mijn speciale plek.’ ‘Als je straks terug wil komen op bezoek bij mij, wil je dan eventueel Diamant meebrengen? Zo kan Diamant mij ook prikken als ik te dicht bij jou kom.’ Het meisje lachte, vertelt Hughes. ‘Laat je me weten als je terug bent?’ Ze kijkt hem aan wat voor hem een teken is dat ze terug is. ‘Wil je me waarschuwen als Diamant me gaat prikken?’ ‘Nee!’, roept het meisje. ‘Verdorie’, lacht Hughes, ‘ik kan maar beter oppassen dan’!

Hiermee is aangetoond hoe belangrijk het is om een dissociatie te accepteren. Een van de peilers van zijn model: acceptatie. De dissociatie is een zinvolle, betekenisvolle reactie op gevaar en gebrek aan veiligheid. Het accepteren er van geeft veiligheid en maakt de dissociatie minder hard nodig. Vaak uit angst gaan ouders of minder ervaren therapeuten dissociaties uit de weg. Uit angst gaan ze contact vermijden of de dissociatie bestrijden.

Een belangrijk punt is dus dat de therapeut in verbinding moet zijn met zijn/haar eigen gevoelens en zicht hebben op zijn/haar eigen hechtins-geschiedenis. Als we dat contact kwijt raken gaan we rationaliseren. Een belangrijk citaat uit zijn meest recente boek is: ‘Eerst connectie, dan correctie’. Dit geldt voor zowel de opvoeding als voor de therapie.

Mentaliseren

Als therapeut mag je dus directief zijn en mag je niet teveel in de ontvankelijke rol zitten. Het is essentieel om het belang van de intersubjectiviteit te beseffen en in te zetten in de therapie. Je stuurt als therapeut het proces, je zorgt actief mee voor de beweging.

Het kunnen reflecteren is bij getraumatiseerde mensen zeer beperkt. Zij hebben vaak geen woorden voor hun innerlijke belevingen. Als je hen laat leiden, verzand je. Je zoekt dus samen met hen actief naar woorden en je geeft hen de ruimte om jou te corrigeren. Ook kinderen zullen je corrigeren: ‘Nee ik ben niet verdrietig maar misschien wel in de war’. Het proces van samen zoeken en aftasten maakt mensen sterk en verhoogt hun gevoel van veiligheid. Als een kind ‘nee’ kan zeggen getuigt dit van een basisgevoel van veiligheid.

Speelsheid

Speelsheid is een kernelement voor Hughes die als speltherapeut begon maar speelsheid behelst nu voor hem veel meer dan het spelen met materiaal. Het materiaal haalt hij nog zelden uit de kast. Om je te verbinden met kinderen heb je het echt niet nodig. Onder speelsheid verstaat hij de afwisseling van enthousiasme, lichtheid, hoopvol zijn, gek doen, plagen, opgewonden zijn, enz. Hij is blij dat er veel interesse is voor het enthousiast, veilig en geëngageerd werken met zwaar getraumatiseerde kinderen.

Meer over hechtings-therapie op dit web-log: Mentaliseren en hechting, Hechting tussen client en therapeut, Hoe gehecht bent u?

Meer over trauma therapie op dit web-log: Schrijftherapie bij trauma, Schrijftherapie bij trauma deel 2, Het onderliggende trauma wordt niet behandeld.

 

Advertenties

3 reacties

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Psychotherapie - Trauma, Systeemtherapie

Congres: Insluiten en uitsluiten

CONGRES VAN MIJN BEROEPSVERENIGING: DE NVRG (De Nederlandse Vereniging van Relatie en Gezinstherapeuten).

Insluiten en uitsluiten was het thema 

Een belangrijk thema in een tijd waarin veel vluchtelingen naar Europa komen die zoeken naar insluiting of aansluiting om hun leven opnieuw op te bouwen. Een belangrijk thema in een tijd waarin steeds meer mensen, ook die niet gevlucht zijn voor oorlog en onderdrukking, buiten de ‘speedboat’ vallen zoals de bekende Belgische psychiater Dirk de Wachter het formuleerde op een vorig congres:

Voorop staan knappe jonge kerels, glinsterend in de zon, met rondborstige blon­dines aan hun gespierde armen. Ze lachen, drinken champagne. De boot racet steeds sneller maar zij kijken niet achterom, naar de mensen die uit de boot vallen: degenen die terecht­komen in de geestelijke gezondheidszorg of zeggen: ik kan niet meer, ik doe niet meer mee.

Een van de sprekers op dit congres was de psychiater Aram Hasan, zelf een vluchteling uit Syrië die vele jaren geleden moest vluchten vanwege zijn mensenrechten-activiteiten en die sinds eind jaren ’90 in Nederland woont. Voor hem is de cirkel van uitsluiting/insluiting rond: hij heeft zich van ‘de ene kant van de tafel’ (die van hulpzoekende) naar ‘de andere kant’ (die van hulpverlener) verplaatst en helpt nu de vluchtelingen die na hem gekomen zijn.

Eigenwaarde en context

Toen Hasan naar Nederland kwam riep Pim Fortuijn nog dat je vluchtelingen ‘streng maar rechtvaardig’ moest behandelen. Het lijkt alsof Hasan het hier mee eens kan zijn. Of de uitsluit/insluit cirkel afgelegd wordt en of je slaagt in het nieuwe land hangt volgens hem voor een groot deel af van je gevoel van eigenwaarde. Je moet er dus zelf iets voor doen om dat ingesloten gevoel te krijgen.

Zijn opmerking over eigenwaarde deed mij denken aan mijn emigratie naar Australië in 1984 als jonge vrouw van 32. Na 12 jaar kwam ik terug naar Nederland. Dat was opnieuw een emigratie.

Emigreren is natuurlijk niet hetzelfde als vluchten maar in de eerste jaren in Australië had ik wel degelijk insluit problemen omdat ik een vreemdeling was. Mijn opleiding als pedagoog werd bijvoorbeeld niet erkend. Op zoek naar insluiting kocht ik in die tijd een komisch boekje met de titel: ‘How to be normal in Australia’, maar ik belandde uiteindelijk na enige omzwervingen aan ‘de ene kant van de tafel’ en wel bij een psychiater. De goede man was toevallig Joods en hij vertelde dat veel psychiaters Joods zijn omdat Joden een geschiedenis van vervolging kennen (een ernstige vorm van uitsluiting). Met dit verhaal hielp hij mij niet direct maar het werd in onze gesprekken wel steeds duidelijker dat ik was geëmigreerd in een fase van mijn leven waarin ik nog niet veel zelfvertrouwen had ontwikkeld als professional.

Zelfvertrouwen is niet hetzelfde als eigenwaarde maar de twee begrippen zijn natuurlijk verwant. Het voelde voor mij als een confrontatie toen de psychiater over mijn zelfvertrouwen begon. Deze confrontatie was ‘hard maar rechtvaardig’. Het was waar; mijn pijn over het uitgesloten zijn van de arbeidsmarkt had niet alleen te maken met mijn status als vreemdeling maar ook met mijn gebrek aan zelfvertrouwen. Ik was namelijk nog maar twee en een half jaar vòòr de emigratie afgestudeerd en had in Nederland nog maar twee jaar werkervaring als professional achter de rug. Om mij duidelijk te kunnen presenteren op deze specifieke arbeidsmarkt in een vreemd land was dat niet voldoende.

Toen ik mij dit bewust werd viel er een ‘slachtoffer’ gevoel van mij af, werd ik sterker en namen de mogelijkheden om mij meer ingesloten te voelen uiteindelijk toe. Een gevoel van eigenwaarde is inderdaad een belangrijk ingrediënt om als vreemdeling het gevoel te krijgen dat je erbij hoort. Daar kan ik over meepraten. En om die eigenwaarde te ontwikkelen moet je zelf iets doen maar heb je ook je omgeving nodig.

Helaas worden vluchtelingen nu in Nederland ernstig tegengewerkt waardoor ze te lang buiten de maatschappij blijven staan. Het langdurige wachten alleen al werkt traumatiserend. De NOS berichtte recent nog over het wachten waar de vluchteling mee geconfronteerd wordt. Een vluchteling:

Je moet eerst wachten op een verblijfsvergunning. Dan moet je wachten op een huis. Daarna mag je pas de taalcursus doen. Wil je dan gaan studeren, moet je eerst nog een schakeljaar doen en na al die jaren wachten kan je dan eindelijk aan je studie beginnen. Dat maakt het zo moeilijk om weer onderdeel te worden van de maatschappij.

Volgens Hasan is naast de eigenwaarde ook de context belangrijk voor een uitsluit/insluit-gevoel. Een moeder met een ‘boerkini’ aan, kan gemakkelijk met haar kinderen mee de zee in om met hen te spelen. Dan is zij ingesloten in haar gezin in de situatie. Maar in gezelschap van een meerderheid van Nederlandse vrouwen die bikini’s dragen zal zij uitgesloten zijn. De context-afhankelijkheid van de begrippen uitsluiten en insluiten worden tijdens de gehele dag op het congres door verschillende sprekers naar voren gebracht.

d1089a0dd1e3f634e034e063dc7a08be1

Eigenwaarde en doorzettingsvermogen heb je nodig om je ingesloten te voelen maar je hebt net zo goed mensen om je heen nodig die je helpen.

Hasan richtte de stichting Psychiaters Zonder Grenzen op.

Behandelen van getraumatiseerde vluchtelingen: vertrouwen en psycho-educatie

Obstakels in therapie met getraumatiseerde vluchtelingen kunnen te maken hebben met vertrouwen, taal, vermijding, schaamte (gezichtsverlies), doelen en verwachtingen van de therapie, de geestelijke en sociale toestand waarin de client zich bevindt, het gebruik van medicatie, bijgeloof, verborgen discriminatie enz. Sommige vluchtelingen denken dat wanneer de hulpverlener/dokter/psychiater geen pillen geeft dat het dan geen goede dokter is.

Aan de hand van een casus illustreert Hassan hoe belangrijk het vertrouwen in de therapeut is en hoe dit voor een doorbraak zorgde. Het ging om een 51-jarige man die uit Irak was gevlucht met zijn vrouw en kinderen en die in Nederland gescheiden was. Deze man kon erg agressief worden en dreigde om zijn ex-vrouw te vermoorden. Het vertrouwen en de doorbraak in de behandeling betekende dat de man zijn levensverhaal begon te vertellen aan de therapeut. De relaties met zijn dochters werden hersteld en hij kreeg begrip voor zijn ex-vrouw.

Volgens Hasan is ook psycho-educatie van groot belang. Je moet uitleggen wat het nut van de behandeling is. Je moet duidelijk uitleggen wat het voor de cliënt kan betekenen als deze over zijn post- traumatische stress heen zal zijn. Hasan heeft hiervoor een filmpje gemaakt. Een van zijn cliënten zei na het zien van dit filmpje dat het zien er van meer invloed op hem had dan een jaar behandeling! Dit maakte mij erg nieuwsgierig maar we kregen het filmpje helaas niet te zien en het is niet te vinden op het internet.

Na vele jaren werken met vluchtelingen komt Hasan tot de conclusie dat diagnostiek en behandeling bij het grootste deel van cliënten uit Oosterse culturen om veel geduld, durf en flexibiliteit vraagt. Het systeem rond de cliënt moet er zoveel mogelijk bij betrokken worden, er moeten duidelijke en haalbare behandeldoelen gesteld worden en de therapie moet begrijpelijk gemaakt worden met psycho-educatie. Emoties, gevoelens en angsten moeten zoveel mogelijk benoemd worden.

Welke methode de therapeut ook gebruikt maakt niet zoveel uit. EMDR, BEPP of NET, ‘Narrrative Exposure Therapy’, waarbij het levensverhaal van de cliënt centraal staat, het maakt niet uit als zowel de cliënt als de therapeut er maar vertrouwen in hebben. Over EMDR denken veel vluchtelingen dat het een soort hypnose is. In de ‘Narrative Exposure Therapy’ heb ik persoonlijk het meest vertrouwen. Eerder schreef ik hier over op dit weblog, al maak ik gebruik van de term schrijftherapie. Tekenen of andere beeldende middelen kunnen ook ingezet worden binnen deze therapie.


Andere sprekers over insluiten en uitsluiten op dit congres: Trudy Dehue en Bill Madsen, en de uitstekende workshop van Monique Hof van Systeemwijs over pesten, komen in een volgend bericht aan de orde. Trudy Dehue sprak over: wat sluit je in en wat sluit je uit als je een wetenschappelijke definitie formuleert. Bill Madsen sprak over ‘mattering’ (er toe doen, ingesloten zijn) en ‘marginalization’ (uitgesloten worden) in gezinnen. Dus; ‘stay tuned!’

3 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Psychotherapie - Trauma, Systeemtherapie

Schrijftherapie bij trauma deel 2

EEN HELEND VERHAAL DRAAGT DE WOND, DE VRAAG EN HET MEDICIJN IN ZICH

Als je iets heel naars hebt meegemaakt wil je het zo snel mogelijk kwijt. Je gooit het daarom zo vlug mogelijk in een kist in je hoofd en probeert vervolgens die kist uit je hoofd te krijgen. Dat lukt niet goed. Soms lukt het om de deksel een tijd op de kist te houden. Vaak springt die open, bijv. als je net in bed ligt. Dat die kist openspringt komt omdat alles zo rommelig in die kist ligt. Je moest het snel kwijt dus had je geen tijd om het netjes neer te leggen. Omdat het er rommelig in ligt drukt het hard tegen de deksel aan en als hij opengaat springt de deksel helemaal open. Tijdens de schrijftherapie doen we de kist voorzichtig een stukje open, bekijken we wat er in ligt en gaan we het netjes neerleggen. Dan springt de kist niet meer zo makkelijk open en als hij een keer opengaat gaat hij maar een klein stukje open en kun je hem met een hand dichtdoen. Je zult merken dat je je veel rustiger en prettiger gaat voelen. We gaan het netjes neerleggen door er samen over te schrijven.

Deze metafoor van de kist vond ik in een artikel van GZ-psycholoog Sacha Lucassen in het tijdschrift Kind en Adolescent in maart 2005: ‘Schrijftherapie voor getraumatiseerde kinderen en adolescenten’. Sinds dat ik dit las ben ik steeds vaker met schrijftherapie bij trauma gaan werken en heb ik deze verder ontwikkeld, ook voor cliënten van boven de 18 jaar. De metafoor van de kist gebruik ik nog steeds om cliënten met een trauma te motiveren voor schrijftherapie.

Tijdens de schrijftherapie zal de cliënt vaker aan de traumatische gebeurtenis denken. Dit is niet prettig maar draagt wel bij aan de verwerking. Je gaat ervaren dat er in de hoeken en gaten van het verhaal zaadjes van kracht en veerkracht zitten en het wordt uiteindelijk een verhaal waar je mee kunt leven in plaats van te moeten overleven.

Drie fasen van de schrijftherapie

Deze fasen komen van Alfred Lange die schrijftherapieën met volwassenen doet.

Fase 1

In de eerste fase confronteert de cliënt zichzelf. H/zij wordt aangemoedigd om vrijuit en gedetailleerd te schrijven over feiten, gedachten en gevoelens die met de traumatische gebeurtenis samenhangen. De meest pijnlijke gedachten en beelden worden niet vermeden.

Fase 2

In de tweede fase vindt er een cognitieve herstructurering plaats al pratend tijdens de zitting: We herdenken en herordenen de vooronderstellingen, attitudes, ideeën, beelden, vermoedens, gedachten en denkstijlen die de cliënt er op na is gaan houden na het trauma. De therapeut kan suggesties doen waarvan hij denkt dat ze zouden kunnen passen bij de cliënt. De herstructureringen, de nieuwe en helpende gedachten worden opgeschreven. Allerlei positieve manieren van omgaan met de traumatische gebeurtenissen worden genoteerd.

Het verhaal wordt met elke sessie rijker. Lees ook het bericht: Therapie is taal, het is samen een rijker verhaal maken. We schrijven totdat het een verhaal is waar je mee kan leven en het trauma niet meer of aanzienlijk minder in de weg zit. Een helend verhaal draagt de wond, de vraag en het medicijn in zich.

De therapie neemt natuurlijk niet weg dat veel onrecht waar het trauma een resultaat van is ook op andere en misschien wel ‘politiek’ actieve manieren voorkomen moet worden. Soms werken cliënten als ervaringsdeskundigen daar na en door hun therapie aan mee.

Fase 1 en fase 2 wisselen elkaar af. Tijdens de sessie herlezen we wat al geschreven is en bedenken we nieuwe en helpende gedachten (fase 2) en schrijven we aan nieuwe delen, voegen we feiten en gebeurtenissen toe (fase 1). Dit alles in een tempo dat bij je past.

Fase 3

Afsluitend verzinnen we een ritueel of schrijf je een brief aan een belangrijke ander om het verhaal waar jij mee verder kunt te delen.  Je schrijft het verhaal voor je zelf maar misschien mogen anderen het lezen. De brief of het ritueel onderstreept het afscheid nemen van het trauma.

Soms hebben we aan het eind een sessie met belangrijke anderen en wordt het verhaal voorgelezen. De anderen luisteren, een beetje alsof ze naar de radio luisteren, waarna ze mogen reageren en vragen mogen stellen. Hierbij kunnen we gebruik maken van de zogenaamde ‘Outsider Witness’ vragen van Michael White. Door deze gestructureerde vorm van luisteren en vragen stellen wordt gezorgd dat het veilig blijft om het verhaal te delen; er wordt niet geoordeeld en er ontstaat ruimte voor verbinding en troost.

‘Outsider Witness’ vragen zijn bijvoorbeeld: Wat trekt je aandacht in één zin of in één woord. Wat trekt letterlijk de aandacht, dus los van de interpretatie? Wat denk je dat belangrijk is of van waarde is voor de verteller? Komt er een metafoor, een beeld bij je op? Raakt het verhaal van de verteller aan een eigen ervaring? Kom je bij het luisteren van het verhaal op nieuwe ideeën? Krijg je nieuwe voornemens?

Hoe gaat het verder in zijn werk?

Levensgrafiek

Levensgrafiek

Meestal is het verhaal in de ik-vorm. Bij het schrijven kunnen we gebruik maken van de levensgrafiek. We kunnen samen een titel bedenken. Tijdens de sessie bedenken we samen de eerste zinnen van het verhaal en schrijf jij ze op. Later werk je dit thuis op de computer uit. Zo zet je de zaken nog eens extra op een rij en kun je er nog iets aan veranderen. Wat je hebt uitgewerkt kan tijdens een volgende sessie nog eens voorgelezen worden, je luistert en beleeft en ontwikkelt nog meer meta-cognities, gedachten en wetenswaardigheden over het trauma. Je komt er steeds meer boven te staan.

De opbouw van het verhaal kan zijn; een korte inleiding, de beschrijving van het trauma, de feiten, de gevoelens, de gedachten, zeker wat het pijnlijkste deel van het trauma betreft. Waar je in je gedachten/dromen steeds naar terugkeert zijn vaak de pijnlijkste delen, de piek-ervaringen. We schrijven op wie naast de dader en het slachtoffer, de andere figuren in het trauma waren.

We schrijven ook op wat er na het trauma gebeurde, wat het trauma voor jou betekende en hoe je nu kunt omgaan met het trauma als je er aan herinnerd wordt.

We spelen rechtbank en bedenken een straf voor de dader. De straf wordt beschreven. De verantwoordelijkheid moet gelegd worden daar waar die hoort. Pas dan ben je vrij van het trauma.

Het idee over jezelf veranderde door het trauma. Het idee dat je had over jezelf voor het trauma is aan diggelen geslagen. We gaan op zoek naar de verbinding met gevoelens, waarden, overtuigingen, ideeën die bij je hoorden vòòr het trauma en die nu bij je horen.

Herstructurering en verbeeldingskracht in plaats van te moeten ontsnappen

Terwijl je schrijft onderzoeken we je gedachten op hun houdbaarheid en dagen we ze uit. Wat had je willen doen op dat moment?

Als er een absolute macht op je wordt uitgeoefend is er geen ruimte in de geest voor een eigen wil of een actieve vorm van denken. Het kan zijn dat iemand tijdens het trauma in zijn hoofd is ontsnapt door alsmaar te zeggen: ik wil hier niet zijn, ik wil hier weg, laat dit ophouden. Dit ontsnappen is wat men in de psychologie dissociatie noemt. Het is een slimme manier van overleven als je in een situatie bent waar je geen kant meer op kunt. Het ontsnappen zorgt er voor dat de naarste herinneringen vaag zijn gebleven. Als je herinnerd wordt aan het trauma zul je steeds weer willen ontsnappen maar dat hoeft na de therapie niet meer. De ruimte voor de eigen wil en een actieve vorm van denken is opgeëist.

Samenhangend schrijven draagt bij aan de gezondheid

Door het trauma is het levensverhaal verstoord. Grof geweld, mensen die willekeurig sterven, mishandeling, misbruik, het zijn ervaringen die het moeilijk maken om te blijven geloven in de goedheid van mensen of een rechtvaardige wereld. Naast het verwerken van het leed, plaatst zo’n ervaring vraagtekens bij de basale uitgangspunten van je levensverhaal. Wat klopt er eigenlijk nog van waarden die voor mij belangrijk waren voor dit gebeurde? Dat maakt het moeilijk om over zulke ervaringen te vertellen, want hoe vertel je het? Welke woorden kunnen het gebeurde uitdrukken als je het zelf niet meer begrijpt?

Mensen die getraumatiseerd zijn vertellen hun verhaal daarover vaak in flarden, onsamenhangend, dan weer los van het gevoel en dan ineens weer overspoeld van gevoel, er zit geen lijn in. Het terugvinden van die lijn, betekenis verlenen aan je ervaringen, is moeilijk. Er kan angst zijn om overspoeld te raken bij het terugdenken. Er kan angst zijn dat het verhaal te zwaar zal zijn voor de ander als je erover spreekt.

Woorden geven aan wat er is gebeurd is echter een kritisch onderdeel van het helingsproces. Hier helpt schrijftherapie bij. Het lijden houdt op lijden te zijn zodra we er een duidelijk beeld van hebben. In verschillende onderzoeken is gevonden dat het schrijven een positief effect heeft op de psychische én de lichamelijke gezondheid. Ook zijn er relaties gevonden met het verbeteren van het functioneren van het immuunsysteem. Naast het schrijven over het trauma werkt ook het schrijven over een voorgestelde gewenste toekomst, helend.

Meer over schrijftherapie met o.a. vluchtelingen in een vorig bericht: Schrijftherapie bij trauma 

Hoe vaak er aan het trauma voorbijgegaan wordt binnen de hulpverlening en hoe kwalijk dit is schreef ik over in dit bericht: Het onderliggende trauma wordt niet behandeld.

 

4 reacties

Opgeslagen onder Psychotherapie - Trauma

Het onderliggende trauma wordt niet behandeld

In de Groene Amsterdammer stond een artikel: De trauma-paradox. De paradox is dat mensen met de grootste problemen het minst geholpen worden. Er worden namelijk wèl behandelingen uitgevoerd voor allerlei stoornissen maar het onderliggende trauma wordt niet behandeld. Hier mijn samenvatting van het artikel.

Je moet er maar mee leren leven

De juiste diagnose wordt vaak niet gesteld omdat behandelaar en cliënt blijven steken bij een stoornis zoals een depressie of een eetprobleem. Dit werkt re-traumatiserend en versterkt het lijden van de cliënt. Ook zeggen hulpverleners tegen cliënten dat ze maar met het trauma moeten leren leven. Maar dat kunnen ze niet.

Veel mensen met vroegkinderlijke chronische traumatisering wordt de toegang tot de geestelijke gezondheidszorg geweigerd en tal van therapeuten met een particuliere praktijk voelen zich voor deze behandelingen onvoldoende toegerust.

Dit beweert Onno van der Hart, trauma-expert en emeritus hoogleraar aan de Universiteit Utrecht.

Het is deze alinea die mij motiveert om iets nieuws te gaan schrijven over mijn ervaring met trauma therapieën. Ook al werk ik in een eigen praktijk, ik voel mij wel degelijk toegerust. Het zijn zelfs mijn ‘favoriete’ therapieën. Waar de hoogleraar de opmerking over particuliere praktijken vandaan haalt wordt verder niet toegelicht. Een eerder bericht over trauma-behandeling op dit weblog is: Schrijftherapie bij trauma.

Als hulpverleners zich onvoldoende toegerust voelen dan zou dat weleens kunnen komen omdat zij binnen de instellingen door hun leidinggevenden onvoldoende ondersteund worden. Instellingen werken namelijk meestal vanuit de DSM, wat een armetierige basis is voor behandeling van trauma. Hierover uitte de Vlaamse psychotherapeut Paul Verhaeghe terecht zijn zorgen op het congres van de NVRG in 2015. We beseffen volgens hem te weinig hoe sociaal normerend de DSM is. Het woordje ‘te’ komt er het vaakst in voor. Mensen krijgen een label omdat ze ‘te’ veel dit of ‘te’ weinig dat doen. Maar voor dat ‘te’ is er geen andere maatstaf dan een sociale norm. O.a de norm van hun hulpverleners. Hulpverleners worden gedwongen om op deze manier te diagnosticeren en zijn daarmee automatisch gericht op sociale aanpassing.

Verder met het artikel uit de Groene Amsterdammer

Volgens een ervaringsdeskundige …

…. vinden ze in de ggz trauma gevallen meestal te zwaar. Er wordt in de regel niet aan de traumatische ervaringen gewerkt. Alles is gericht op stabilisatie. In de praktijk komt dat neer op medicijnen en coping-strategieën. Dan krijg je bijvoorbeeld een training emotieregulatie. Maar dat helpt niks. Mensen blijven zichzelf bijvoorbeeld snijden, want de traumatisering zelf wordt niet opgelost. Er zijn tegenwoordig zoveel technieken voor traumabehandeling, maar ze durven het niet aan. Bovendien moet alles kort en snel. Terwijl voor deze mensen het nemen van de tijd juist cruciaal is.’

Fatalisme bij hulpverleners

Vroegkinderlijk, herhaaldelijk en langdurig fysiek geweld leidt tot complexe trauma’s en laat enorme sporen na. Vaak is er sprake van depressies, psychoses, verslavingen, zelfbeschadiging. Maar ook zijn er veel al dan niet onbegrepen lichamelijke klachten. Bovendien is het vaak niet mogelijk om in een werkomgeving te functioneren.

Opeenstapeling van problematiek op veel gebieden tegelijk leidt tot een terughoudende opstelling in de ggz soms zelfs tot een soort fatalisme. Het adagium werd: ‘als je deze mensen gaat behandelen, worden ze alleen maar slechter.’ Maar er zijn nieuwe inzichten en er zijn hulpverleners die met zweet op hun rug beginnen aan trauma-behandelingen. Dat is heel spannend zegt een bestuurder van GGNet, een ggz-instelling de Achterhoek die zich op het screenen op trauma van al hun cliënten heeft gestort. Als hulpverleners merken dat het wél gaat en dat ze successen boeken, dan maken ze een omslag. Inmiddels blijkt uit onderzoek dat zelfs psychotische mensen met ptss behandeld kunnen en moeten worden.

Ook van de groep slachtoffers van seksueel geweld wordt te snel aangenomen dat zij een traumagerichte behandeling niet aankunnen.

De ggz is te aanbodgericht

Wilma Boevink, onderzoeker bij het Trimbos Instituut en ervaringsdeskundige, vertelt aan de telefoon: ‘Ik ben nu 52. Op mijn zeventiende belandde ik in de ggz. Eerst ambulant, daarna jarenlang via verschillende opnames. Ik ben mijn hele leven al bezig. En dat is niet omdat ik het zo leuk vind.’ De ggz is te aanbodgericht, volgens haar. ‘Uw ziekte bestaat niet omdat wij het aanbod hier niet hebben. Dat idee.’ Sinds 2000 houdt Boevink zich bezig met de zogenaamde herstelbeweging. ‘We begonnen met herstelwerkgroepen, waar mensen leerden te vertellen wat ze hadden meegemaakt. Daar kwam een enorme stoot van geweldsverhalen los. Naar die verhalen was nog nooit gevraagd. Mij was ook nooit gevraagd naar mijn verleden tijdens al die opnames. De vraag ‘wat is er met je gebeurd?’ was simpelweg nooit gesteld. In de psychiatrie is er een aanname dat iemand een ziekte heeft die je kunt opsnorren. Je praat dan dus niet met een persoon maar met een stoornis.’

Meer over de herstelbeweging op dit weblog: Herstel is een uniek proces.

Er zijn dappere hulpverleners nodig

In de kinderjaren mishandelde kinderen zijn de hoogste gebruikers van de gezondheidszorg als ze volwassen zijn. De zorgconsumptie is driemaal zo hoog vergeleken bij degenen die zijn opgegroeid in een veilige omgeving.

Hulp bieden aan traumaslachtoffers is niet alleen een morele verplichting, maar ook een praktische. Er valt immers zoveel te winnen: gezondheidswinst voor slachtoffers natuurlijk. Maar ook: verhoging van arbeidsparticipatie, verlaging van zorgkosten, het doorbreken van patronen die van generatie op generatie worden doorgegeven.

Slachtoffers van kindermishandeling zijn als bange kinderen. ‘Die hebben dappere hulpverleners nodig’ zegt een pleegvader.

Er is werk aan de winkel. Maar werken vanuit een stoornis helpt dus niet. Het levensverhaal en de verdere context van de cliënt moeten het uitgangspunt zijn.

Een bericht over mijn eigen schrijftherapieën bij trauma volgt nog.

2 reacties

Opgeslagen onder Psychotherapie - Trauma

Het geheim van mijn vader

marlieskleiner-650x300

Het geheim van mijn vader is een observerende documentaire waarin Marco’s dochter, Marlies, het gesprek aan gaat met haar vader over zijn incestverleden. Ze reizen samen af naar zijn stacaravan in de bossen in Harfsen. Gedurende hun weekend weg, gaan zij het gesprek met elkaar aan over de grote verschillen die Marlies en haar vader hebben ervaren gedurende hun jeugd. Ondanks Marco’s tragische en onveilige jeugd, heeft hij Marlies veilig en liefdevol grootgebracht.

Terecht schrijft de redacteur van NPO Doc over de filmmakers:

“Knap hoe jullie zo’n moeilijk onderwerp hebben vastgelegd en mooi om te zien hoe vader en dochter dichter bij elkaar komen”.

Ik zag de film op NPO Doc maar hij is hier te zien. Duur: 15 minuten. Heel erg de moeite waard.

http://www.worldvisualsfilm.nl/het-geheim-van-mijn-vader/

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie - Rouwen, Psychotherapie - Trauma

Het belangrijkste is om baas te worden over je eigen verhaal

Dit zegt de Rotterdamse priester Remy Jacobs in een interview met Lex Bohlmeijer in De Correspondent. Jacobs heeft een theatervoorstelling gemaakt over zijn trauma. Hij is tussen zijn tiende en zijn vijftiende seksueel misbruikt in de Katholieke kerk. Het stuk heet: Als ik de liefde niet heb.

Zie hier het artikel in de Correspondent en beluister de podcast.

Een voorstelling als deze kan denk ik gezien worden als een bijzonder mooie uitkomst van narratieve therapie en van schrijftherapie bij trauma. Eerder op dit blog over narratieve therapie: hier en hier. In de narratieve therapie werk je van ‘dunne, arme verhalen naar dikke, rijke verhalen‘.

Jacobs: “Ik ben de baas van mijn verhaal en niet de mannen die mij dit hebben aangedaan of degenen die toekeken”. Hij kan het verhaal nu vastpakken en het zelf aan of uitzetten.

Hij heeft een vorm gevonden samen met de theatermaakster Marjolein van Heemstra. “Vind maar eens mensen die je helpen om je verhaal goed te kunnen vertellen”, zegt hij. En dat is nu precies wat ook in een goede narratieve therapie gebeurt.

Een schadevergoeding wegens het misbruik vond Jacobs niet genoeg: “Er is iets in het systeem dat niet klopt. Waarom is er zo lang over gezwegen? Waarom doen we zo lang aan ‘damage-control’? Hij wilde niet alleen dat de kerk het zwijgen doorbrak, hij wilde ook zijn eigen zwijgen doorbreken. Steun en heling is wat je nodig hebt. En je kunt wonden alleen genezen als je ze ziet en als je kunt luisteren naar die wonden.

Hij verdwaalt af en toe in zijn verhaal en dat is volgens hem een ervaring die bij het leven hoort. Door te verdwalen kom je op zinnen zoals “om de liefde te krijgen moet je langs de liefdeloosheid”.

 

1 reactie

Opgeslagen onder Psychotherapie - Trauma

Narcisme: “Dat maak ik zelf wel uit”

We hebben in Nederland een autoriteit op het gebied van narcisme: Jan Derksen, hoogleraar klinische psychologie en psychotherapeut. Enige tijd geleden werd hij geïnterviewd in het Filmtheater van Hilversum. Derksen had toen net zijn boek ‘Het narcistisch ideaal, opvoeden in een tijd van zelfverheerlijking’,  gepubliceerd.

In dit bericht aandacht voor het narcisme aan de hand van een toespraak van Derksen, die ik op het internet vond en die u hier kunt downloaden. Narcistische eigenschappen gedijen zeer goed in onze individualistische maatschappij.

Een mooi voorbeeld is hoe we steeds vaker iemand (of onszelf) horen zeggen: “Dat maak ik zelf wel uit…”. Of ik voor een rood licht stop, of ik zacht praat in de trein, of ik op mijn beurt wacht… dat maak ik zelf wel uit.

Derksen komt met nog een mooi voorbeeld van narcisme: een werkloze man die daar zichtbaar onder lijdt maar die niet zelf op zoek is naar hulp zegt tegen een hulpverlener: “Motiveer jij mij maar eens om weer aan het werk te gaan”…

Elke persoonlijkheidsstoornis gaat in meer of mindere mate terug naar een stoornis van het zelfgevoel. Narcisme is een oud en vertrouwd psychoanalytisch begrip. Allerlei lichamelijke klachten zoals chronische vermoeidheid, ‘burn-out’ maar ook eetstoornissen en verslavingen kunnen allemaal gebaseerd zijn op een gestoord zelfgevoel en het daarmee gepaard gaande onvermogen om gevoelens en conflicten te beleven, te verwerken, te beheersen en gecontroleerd te uiten.

In zijn toespraak besteed Derksen aandacht aan het ontstaan, de maatschappelijke aspecten en de behandeling van een gestoord zelfgevoel. Hier mijn samenvatting en commentaar.

Hoe het begint

2012-11-03-15-36-55.vallenm1fz60xa47yp

Een kleuter van drie. Hij voelt zich de koning op aarde. Dan struikelt hij op straat en valt. De gigantische schreeuw-partij die volgt komt niet alleen door de pijn maar ook door de boosheid. De ‘koning’ is gekrenkt en ligt op de grond.

Kan zijn vader hem hierbij helpen?

Eén vader geeft de stoeptegel de schuld. Het zelfgevoel, de trots en de almacht van de kleuter blijven intact. Deze vader is misschien zelf ook narcistisch.

Een andere vader roept dat zijn kleuter een stommeling is. Om de kwetsuur en de belediging te repareren denkt de kleuter bij zichzelf: Niemand snapt mij, ze zijn allemaal te stom.

Een derde vader vangt de narcistische krenking op: Hij helpt zijn zoontje overeind, geeft een zoen op de pijnlijke plek en legt hem uit dat zijn beentjes nog kort zijn en zijn ogen nog te veel in de verte gericht. Nu valt hij nog af en toe, maar over een tijdje lukt het hem zijn voeten op te tillen op die momenten dat het voor zo’n stomme tegel noodzakelijk is. Ja, en dit allemaal in begrijpelijke taal voor het kind, opvoeden is niet makkelijk.

Het kunnen voelen van de eigen beperkingen met het uitzicht straks wel te kunnen lopen zonder te vallen mits daaraan gewerkt wordt – de kleuter moet er wel iets voor over hebben – helpt bij het reguleren van de krenking.

Hoe het verder gaat

In de kleuterfase transformeren de narcistische investeringen in een ‘ik-ideaal’: een wensenpakket omtrent wat voor iemand je in de toekomst wil zijn. Als ouders vaak genoeg helpen bij het reguleren van krenkingen van het ik-ideaal dan wordt de afstand tussen het zelf en het ik-ideaal niet te groot en niet te klein.

Een te grote afstand tussen het zelf en het ik-ideaal leidt tot minderwaardigheidsgevoelens en tot perfectionisme. Deze mensen gaan er van uit dat ze over elke tegel struikelen. Zij houden zich schuil, zijn niet assertief, introvert, angstig of somber. Hun frustratie richt zich vooral naar binnen.

Een te kleine of geen afstand tussen het zelf en het ik-ideaal leidt tot gevoelens van grootheid en belangrijkheid, tot overdrijving van eigen talenten en prestaties, het gevoel recht te hebben op een speciale behandeling en weinig belangstelling voor wat er in andere mensen leeft. Deze mensen zijn vooral bezig met eigen macht, succes en rijkdom. De ironie is dat deze narcistische trekken tegenwoordig hogelijk gewaardeerd worden! Thatcher riep niet lang geleden nog: “There is no such thing as society”; de maatschappij, de anderen, bestaan niet!

Narcistische mensen kunnen behoren tot het ‘vergeetachtige’ type; deze spreken niet mèt mensen maar spreken mensen toe, ze zijn uit op bewondering en applaus en zoeken een omgeving die dit biedt. Een variant is het ‘waakzame’ type; deze mijden contacten met anderen waarmee zij beschadiging van hun grootheidsfantasieën proberen te voorkomen.

Er ontstaat een probleem zodra de grootheidsfantasieën botsen op de werkelijkheid; zodra de stoeptegel dwars zit. Frustraties gaan een grote rol spelen. Krenkingen en narcistische woede kunnen depressies in de hand werken.

Therapie

Volgens Derksen moet de therapeut directief te werk gaan. Hij moet niet gaan wachten totdat duidingen en interpretaties bij de cliënt bijna als vanzelf opkomen zoals in de klassieke psychoanalyse. De therapeut gaat ook niet de devaluatie of de idealisering waarop de cliënt hem zal trakteren afwachten en deze laten uitgroeien totdat een structurele verandering mogelijk is en het narcistische tekort van vroeger geheeld kan worden. De ‘narcist van nu’  is dan al lang van therapeut gewisseld. Dus géén klassieke psychoanalyse.

De therapeut vermijdt de fase van de devaluaties en idealiseringen door meteen een krachtige en sterke indruk te maken op de cliënt. Zodra je als therapeut een tactische weerstand voelt bij de cliënt zoals: “ik ben nu eenmaal zo” of: “dit maakt me heus niet jaloers”, doorbreek je deze weerstand door dieper liggende gevoelslagen aan te boren. Je blijft tamelijk bot en ongeïnteresseerd zolang de tactische weerstanden sterk blijven maar je bent heel empathisch zodra de afgeweerde gevoelens van krenking naar boven komen; zodra de cliënt het over zijn pijn heeft.

Tactische weerstanden dienen er toe om de therapeut op afstand te houden. Maar als je als therapeut onmiddellijk over gaat tot spiegeling van deze weerstanden of afweer, kom je sterk over. Het gevolg is dat de emotionele betrokkenheid van de cliënt bij de therapie toeneemt.

Emotionele betrokkenheid op zichzelf is al helend omdat die in de plaats komt van de narcistische afweer. Door de duiding van de afgeweerde gevoelens van gekrenktheid worden ze doorleefd en begrepen. Dit vermindert de noodzaak tot de afweer.

Empathie is van groot belang zodra de gekrenktheid in de gevoelsbeleving van de cliënt naar boven komt drijven. Ook hierin ervaart de cliënt de stevigheid van de therapeut. De therapeut straalt uit dat hij niet bang is voor wat er in de cliënt leeft. De therapeut moet zich ‘goed genoeg’ voelen en niet afgeleid zijn door eigen vermoeidheid of zorgen. Je moet zowel het probleem van de stratenmaker als van de kleine beentjes en de onbekommerdheid overzien. Dit kun je bereiken door heel empathisch te zijn en door tegelijkertijd scherp te luisteren naar de woorden van de cliënt en elke narcistische kleuring vast te stellen.

De therapeut voelt dus mee met iemands gekwetste gevoelens en heeft positieve aandacht voor de kwaliteiten waarmee iemand heeft geprobeerd om zichzelf op de kaart te zetten. Maar tegelijk duidt de therapeut met enige scherpte de grootheidsfantasieën die ten grondslag liggen aan de krenkingen. En duidt hij de minderwaardigheidsgevoelens waarop de grootheidsgevoelens een afweer waren.

In feite is de therapeut de steunende ouder die in het volle licht van de schijnwerper het zelf losmaakt van het ik-ideaal. Tegelijk wijst hij de weg naar een toekomst waarin belangrijke wensen ten dele kunnen worden gerealiseerd maar niet zonder inspanning.

In deze fase wordt het verleden van de cliënt bespreekbaar. Hij is nu pas toe aan het voelen van zijn wortels en aan het voelen van de beperkingen maar ook van de stevigheid die zowel de wortels als de aarde met zich mee brengen.

Narcisme en slachtofferschap

Volgens Derksen is in onze maatschappij het individu naar buiten gericht. De oorzaak van bijvoorbeeld burn-out zoekt het individu volgens hem in de eerste plaats bij de werkomstandigheden. En wanneer posttraumatische stress zich tot een stoornis ontwikkelt (PTSS) wordt er gedaan alsof de dramatische gebeurtenis, de stressvolle werkomgeving, de oorzaak van de stoornis is. Derksen mist het psychologische aspect in deze denkwijze.

Ik denk dat het individu ook teveel naar binnen gericht kan zijn. Werkomstandigheden in onze maatschappij worden soms gekenmerkt door vervreemding, uitbuiting en pesterijen die werkelijk tot een ‘burn-out’ kunnen leiden. Aangemoedigd door de individualisering, het brein-denken en de medicalisering van psychische problemen, zoeken mensen de oorzaak van hun klachten soms juist bij zichzelf i.p.v. bij de omstandigheden. Graag verwijs ik naar een analyse van de oorzaak van veel psychische klachten door Trudy Dehue en Dirk de Wachter, die de meritocratische maatschappij en de ‘rat-race’ maatschappij er bij betrekken.

Toch blijf ik Derksen volgen in zijn analyse waarin hij de psychologische en narcistische oorzaken van klachten en stoornissen belicht. Derksen ziet ook wel dat de individualistische ‘rat-race’ maatschappij het narcisme alle ruimte geeft al is hij ook kritisch op het narcisme in het individu.

Vroeger was een oorlogservaring nodig om de diagnose PTSS te krijgen, nu lijkt volgens Derksen een treinvertraging al voldoende. Het slachtofferschap is de identiteit die wordt aangeroepen om zich van het eigen falen, met het oog op de grootheidsfantasieën, af te keren. Het slachtofferschap is in psychologisch opzicht het reddingsvest dat de persoon moet behoeden voor de narcistische krenkingen. Het aanklagen van de sociale omgeving, de politiek, de werkgever en de maatschappij gebeurt met de souplesse van de gevallen kleuter: “Dit ligt toch niet aan mij, dit kan toch niet”.

Het ‘ik heb borderline’ slachtoffer

De DSM (Diagnostictical and Statistical Manual of Mental Disorders) classificaties helpen mee aan het idee van het slachtofferschap door mensen middels het opplakken van labels passief te maken. De passiviteit heeft met name betrekking op de rol van het zelf, de identiteit. Een van Derksens cliënten draagt haar kruis aldus: “Ik heb borderline”, betoogt zij voor iedereen die het wil horen…

Zij bezoekt de lotgenotengroepen, ze heeft hiermee een ticket voor een woning, een uitkering, het gebruik van drugs, vergoeding van psychologische hulp en indien nodig volledige steun bij het indienen van een klacht aan de broek van de hulpverlener. Natuurlijk lijdt zij ook en is haar psychische ontregeling ernstig, maar hier overheen komt de sociale identiteit als slachtoffer-patiënt die verlammend werkt voor de eigen verantwoordelijkheid in de actieve participatie waardoor een behandeling voor de afgrond van de mislukking kan worden weggesleept. Minder dan een halve eeuw geleden zou ze niet zelfstandig en alleen hebben gewoond, maar zijn ondergebracht in een beschermend sociaal netwerk vormgegeven door familie, gezin of kerk. Nu komt ze naar buiten met haar (valse) identiteit en claimt aandacht voor haar kwetsbare kanten. Ze eist hulp, steun, geld, onderdak en beschuldigt haar omgeving van haar gebrek aan een klachtenvrij bestaan. De psychiatrie en klinische psychologie hebben diagnostische labels ter beschikking gesteld. Behandelmethoden en medicamenten liggen in de internet-etalage. De behandelaars worden afgezet tegen het forum gecreëerd door de patiëntenvereniging en nadat een klacht gegrond is verklaard door de professionele tuchtcommissie, doorgaans niet gehinderd door ervaring met deze patiëntengroep, volgt de schadeclaim via een civiele procedure. De goed bedoelende humanistisch ingestelde, goedgelovige klinisch psycholoog plukt de wrange vruchten van de eigen ideologische dwaling en gaat verbitterd, vervroegd met pensioen.

Om dit scenario te voorkomen pleit Derksen voor het snel spiegelen van de tactische weerstanden waar de DSM labels zoals ‘borderline’ dus toe behoren. Net zoals het: “ik ben nu eenmaal zo”, is ook het: “ik heb borderline”, een tactische weerstand. Leest u vooral ook  “Zo ben ik nu eenmaal!” van hoogleraar klinische psychologie Willem van der Does. De nieuwe editie van dit makkelijk leesbare boek bevat nog meer omgangstips met lastige of moeilijk te doorgronden individuen – ook als u er zelf een bent.

In de behandeling een passieve houding niet omzeilen

Het succes van de behandeling hangt af van hoe de cliënt op de spiegeling reageert. Het omzeilen van de passieve houding, van passief-agressieve uitingen en van de slachtoffer identiteit is geen goed idee want deze brengen elke poging om dingen te veranderen om zeep.

In een naar buiten gerichte cultuur zien we dat het verwerven van een slachtofferidentiteit en compensaties belangrijker gevonden worden dan zèlf veranderen binnen een behandeling. Het aanbieden van een therapeutische uitdaging aan iemand met een gekwetst narcisme kan erg ingewikkeld zijn. De buitenwereld is in de narcistische beleving van een adolescent soms een koude douche in een tot dan toe tropisch paradijs.

Een goede behandeling van trauma introduceert dus niet alleen de werkelijkheid op een passende manier en helpt bij de verwerking van vastzittende gevoelens, maar helpt ook om het zelf en het ik-ideaal uiteen te halen zodat een besef kan ontstaan voor de kwetsbaarheid van het eigen bestaan, het eigen lichaam en de eigen psyche. De neiging om deze kwetsbaarheid te verdringen ligt ten grondslag aan vele psychische klachten.

Bij allerlei typen cliënten moet de psycholoog volgens Derksen de verhouding tussen het zelf en het ik-ideaal onderzoeken. De narcistisch gestoorde cliënt zal de psycholoog niet makkelijk een blik gunnen op die verhouding. De psycholoog moet vooral goed luisteren naar datgene wat niet gezegd wordt, naar de tactische weerstanden en hij zal de cliënt vragen om door te praten waar die juist wilde stoppen, hij zal een komma zetten in plaats van een punt en zal een bijzin tot hoofdzin maken.

In de veel voorkomende stemmingsstoornissen (die de angststoornissen naar de tweede plaats hebben verdrongen) buitelen de narcistische krenkingen over elkaar heen. De onwelwillende werkelijkheid van de depressieve cliënt roept het failliet uit over de samensmelting van het zelf en het ik-ideaal. Bij sommige mensen roept de narcistische krenking en de frustratie woede op die zich naar binnen richt. De psycholoog kan hulp bieden bij de expressie van de woede maar mag niet vergeten om de verhouding tussen het zelf en het ik-ideaal te beïnvloeden want anders leidt de volgende krenking tot dezelfde problemen en kunnen we niet van psychologische groei spreken.

Cliënten die alleen uit zijn op een label en medicatie horen niet thuis bij de psycholoog.

Partnerrelaties

Naast depressie scoren relatieproblemen ook hoog op de agenda van de psycholoog. De keuze voor een partner kan op narcistische motieven gestoeld zijn. Maar een partner kan ook gekozen worden op basis van een van beide ouderfiguren. Dan speelt geschiedenis een rol, wat in deze tijd als ouderwets wordt gezien.

De individualistische jongere die onbewust is raakt gefascineerd door alles dat men in de ander herkent. Of hij kiest voor een wens-beeld dat ontstaan is uit een samensmelting tussen het zelf en het ik-ideaal wat hij projecteert in de ander. Vervolgens identificeert deze jongere zich met dit wens-beeld en zo tracht hij zijn identiteit van buitenaf te verstevigen. Deze narcistische collusie (een term van Laing, 1971)  is kwetsbaar. De partner krijgt een functie in het handhaven van een inadequaat zelfgevoel. Op allerlei momenten leidt dit tot schipbreuk en worden er verwijten op die partner gericht.

In plaats van een depressie zien we dan een op de partner gerichte agressie. De relatietherapeut en tegenwoordig ook de mediator staan klaar maar vaak zonder kennis van narcistische patronen. De hulp blijft dan oppervlakkig en gebrekkig maar wel heel duur.

Hoe het afloopt

Het door fantasie in plaats van traditie en geschiedenis aangeklede zelf, plus het in de relatie ontstane gemeenschappelijke zelf is de basis voor de opvoeding van de kinderen. Deze narcistische constellatie heeft de pedagogiek die gebaseerd is op opvoedingstraditie en ideologie verdrongen. Wederom geen sociale patronen die het gedrag van de opvoedende ouders ondersteunen, men heeft alleen zichzelf.

Een individualistisch impulsieve opvoedingsstijl die niet gebaseerd is op een gedachtengoed ziet er ongeveer zo uit:

Het lege zelf van de ouders geeft de aanzetten tot het lege zelf van de kinderen, overigens rijkelijk ingevuld met hockey, voetbal, zwemles, pianospelen, paardrijden, gameboys, dvd’s, internet, video’s en uitzicht op een nieuw zomerkamp terwijl de ouders overuren maken teneinde de hypotheek op te kunnen brengen. In de narcistische beeldcultuur hebben spelletjes met onkwetsbare helden het overgenomen van de boeken of nog verder terug van de verhalen over het verleden rondom het houtvuur. Al chattend, eventueel ondersteund door een webcam, kan men op het internet in narcistisch opzicht de meest bizarre fantasmatische relaties aller tijden aangaan en snel weer afbreken.

Aan het betoog van Derksen komt een einde met de leegte maar dat is nu eenmaal het gevolg van een narcistisch zelfgevoel dat zich dus kan ontwikkelen na een niet gereguleerde struikel-partij in de kleutertijd. Laten we opvoeden maar flink serieus nemen.


Een fijne website voor slachtoffers van ernstige vormen van narcisme kan die van Iris Koops zijn: Het verdwenen zelf.

20 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, Psychotherapie, Psychotherapie - Trauma, Systeemtherapie