Categorie archief: Opvoedkunde

Rijk worden met het opsluiten en emotioneel verwaarlozen van kinderen

Dit is een heel triest bericht. De twee grootste problemen van het beleid van de regering-Trump in de VS met betrekking tot de migranten-kinderen: 1. Er wordt veel geld aan verdiend en 2. de kinderen krijgen er extra trauma’s bij – ze zijn al gescheiden van hun ouders – door de behandeling in de gevangenissen. Het is niet voor niets dat hier wereldwijd verontwaardiging over is. In Amerika kun je rijk worden met het opsluiten en emotioneel verwaarlozen van kinderen.

Veel eigenaren van particuliere gevangenissen hebben Trump’s campagne om president te worden gesponsord. Er zijn meer dan honderd van dit soort gevangenissen. Ook, officieel ‘non-profit’ en streng religieuze gevangenissen, waar directeuren anderhalf miljoen dollar per jaar verdienen, profiteren.

Voor meer hier over van Associated Press: ‘Detaining immigrant kids is now a billion-dollar industry’

Schokkend is het om te vernemen hoe deze kinderen aan strenge regels worden onderworpen: het is hen verboden om elkaar aan te raken, te knuffelen, te rennen, te huilen, elkaar een bijnaam te geven, enz.

The New York Times reported that one rule a little girl named Leticia had to abide by in her Texas facility was that you cannot touch another child, even if they were your little brother or sister.

The rule often meant that children had to resort to hugging themselves. An employee at a different Texas facility told The Times that when children get sad, “you’ll see them sit on the floor and just kind of wrap their arms around themselves.”

Diego is a 10-year-old Brazilian boy who was released from a Chicago facility after 43 days. Upon his departure, Diego made sure to say goodbye to another child he had become friends with. He told The Times that he didn’t hug his friend because of the no touching policy.

Voor meer hier over uit de New York Times: Cleaning toilets, Following Rules: A migrant Child’s Days in Detention

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Persoonlijk en politiek

Wat mensen waardevol vinden

‘Thuis zouden we dit niet steunen’

Winter heeft het over de ontzielde onderneming:

‘Een onderneming waar menselijke waarden en inspiratie er niet toe doen. Besluiten worden enkel ingegeven door financiële parameters en de eisen van het kapitaalmarktsysteem, of bij andere grote organisaties door andere meetbare output. Kennen jullie de film The Company Men met Ben Affleck? Die gaat over een Amerikaanse scheepswerf die vanwege de recessie en prijsconcurrentie uit Japan en Korea elk jaar honderden mensen ontslaat. Op een bepaald moment moet de man die iedereen ontslaat er zelf uit. Als hij verhaal haalt bij de ceo, zegt deze: “Dit is wat aandeelhouders van mij verwachten. Dit is hoe de markt werkt.” Die conversatie in de megalomaan grote kamer van de ceo is ontluisterend.’

Het is alsof managers van beursgenoteerde ondernemingen geen eigen wil hebben.

‘Er is constante druk om te “leveren”, elke maand, elk jaar opnieuw, ook al ontwricht het gezinnen, samenlevingen en het milieu. Als advocaat stond ik eens de Nederlandse commissarissen van sigarettenproducent BAT bij. Zij verzetten zich tegen sluiting van de fabriek in Zevenaar en verplaatsing van het werk naar Polen omdat arbeid daar goedkoper is. De helft van het dorp werkte in die fabriek. Het besluit had een directe impact op vijfhonderd gezinnen. Dat zijn mensen waar je bij sluiting niet voor zorgt, waar je je niet betrokken bij voelt. Financieel is het allemaal verstandig, maar past het bij wat je thuis aan je kinderen vertelt over waar het leven over gaat, wat er echt toe doet?’

Nu gaat het hier om een sigarettenfabriek waar mensen geld verdienden en een leven opbouwen ten koste van de verslaving van andere mensen. Geen bezield doel voor een onderneming. Maar het gaat er in dit voorbeeld om dat de ondernemers in hun formele rollen zichzelf op een beangstigende manier conformeren aan veronderstelde wetmatigheden die ze thuis niet zouden steunen.

‘In het model van de kapitaalvennootschap is de kapitaalverschaffer uiteindelijk altijd de dominante partij. Bij bedrijven met een sterke sociale verankering – ik denk aan bedrijven met circulaire doelstelling, aan organisaties in de zorg en integratie, de zaterdagmarkt bij ons om de hoek, maar het kan ook gaan om een bank of verzekeraar – kunnen we voorkomen dat het maatschappelijk nut steeds ondergeschikt is aan de financiële waarde voor kapitaalverschaffers. En wel door behalve een stem ook echt stemrecht te geven aan alle belanghebbenden. We hebben in Nederland de mond vol van het Rijnlandse model, kapitalisme met een menselijk gezicht, maar dit is het echt. Het gaat dan niet om stemrecht over operationele details als de kleur van de verpakking, maar over fundamentele vragen als waar de onderneming voor staat, welke producten bij de missie passen en of je kunt samenwerken met een partij die de waarden van de onderneming niet deelt. De coöperatie is een heel flexibele rechtsvorm. ‘

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Onderwijs, Opvoedkunde, Persoonlijk en politiek

Idealen voor de opvoeding anno 2017

Volgens Marilse Eerkens van De Correspondent voeden Nederlandse ouders van nu vooral op met het doel voor ogen dat hun kind als individu slaagt en een plezierig leven leidt. In dit doel ontbreekt elke vorm van idealisme. De link tussen opvoeding en maatschappij wordt niet gelegd. Lees vooral haar artikel: Tot wat voeden we eigenlijk op?

Hier samengevat enkele idealen voor de opvoeding:

  1. Weten wat het betekent om in een democratische samenleving te leven. Democratie is niet meer vanzelfsprekend door het toenemend accent op eigenbelang, calculerend burgerschap, oprukkend fundamentalisme en politieke desinteresse. Veel Nederlandse scholieren blijken het beginsel van gelijke rechten af te wijzen.
  2. Een goed ontwikkeld empathisch vermogen. Het empathisch vermogen is weliswaar aangeboren maar het moet wél gevoed en ontwikkeld worden. Het empathische gehalte van een maatschappij wordt in belangrijke mate bepaald door de opvoeders.
  3. Liefde voor de natuur en kennis van milieuproblemen. Vijftienjarige kinderen in Nederland weten het minst over milieuproblemen vergeleken met bijna alle andere industriële landen in de wereld.
  4. Het vermogen om kritisch te denken en op te komen voor wat je belangrijk vindt. Opvoeders en bestuurders handelen vaak vanuit de opvatting dat mensen alleen in beweging komen om een straf te ontlopen of een beloning te krijgen. Maar handelen vanuit dit principe ondermijnt de intrinsieke motivatie van mensen en daarmee het zélf nadenken. In een samenleving waarin duurzaamheid het vaak aflegt tegen kortetermijnwinsten en waarin het moeilijk navigeren is in een zee van informatie is het belangrijk is om je voor dit doel in te zetten.

Een mooie toevoeging  aan deze idealen is misschien:

Opvoeden om dankbaar te kunnen zijn en opvoeden tot fouten mogen maken.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Persoonlijk en politiek

Mijn gelukkige ingewikkelde familie

Voor alle kinderen van scheidende of gescheiden ouders. Voor alle scheidende en gescheiden ouders. Voor het geval u dit gemist heeft:

Hier vind u informatie over deze documentaire van Tessa Pope.

1 reactie

Opgeslagen onder Opvoedkunde

Infant Mental Health

GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG VOOR JONGE KINDEREN

Wat een belangrijk en relatief jong vakgebied is dit, waar ik dankzij de specialistische cursus Systeemtherapie Kinderen en Jeugd mee kennismaakte! Eigenlijk moet ik zeggen dat het vooral de cliëntenpopulatie van jonge ouders is, die relatief nieuw is in de GGZ. En ook al werk ik zelf niet direct met met heel jonge gezinnen met een baby, ben ik toch dankbaar. Ook voor de toelichting op de literatuur van de klinisch psychologe Phineke Kruythoff van Infant IJburg die de zachtaardigheid en rust uitstraalde, die ik me voorstel bij een Infant Mental Health werker en die meer dan genoeg aandacht had voor de persoonlijke bijdragen van ons als cursisten. Ze wist dat dit vakgebied mensen gemakkelijk persoonlijk raakt.

We bekeken met haar de film: ‘Help me love my baby’.


Deze cursusdag maakte mij opnieuw bewust van het belang van de vroegkinderlijke ontwikkeling en relaties voor onze gezondheid, lichamelijk en mentaal. Het inspireerde me om ook in mijn houding tegenover (jong)volwassen cliënten nooit te vergeten dat we allemaal net zo kwetsbaar, zo exploratief en van het begin af aan zo relationeel geweest zijn als een baby.

Hoe het lichamelijke en het mentale samenhangen speelt binnen dit vakgebied vanzelfsprekend een belangrijke rol. Moeder en kind hebben in de zwangerschap natuurlijk al een zeer lichamelijke maar ook al mentale relatie met elkaar. Vaders blijven in deze fase vaak een beetje buiten beeld maar er zijn vaders die zeer betrokken zijn, ondanks alle vooroordelen en tegenwerking en ondanks het feit dat zij zelf niet fysiek zwanger zijn. Er zijn toch vaders met zwangerschapskwaaltjes en ook met postnatale depressie! Het mannelijke en het vrouwelijke zijn met elkaar verbonden. We hebben alle chromosomen. Er zijn volkeren in Afrika waar primair de vaders zorgen voor de kinderen en ook in de dierenwereld zijn hier voorbeelden van te vinden. Denk aan de penguins!

Hoe iets mentaals omgezet wordt in iets lichamelijks en vice versa begrijpen we steeds beter mede dankzij neurologisch onderzoek. Neem alleen al het onderzoek naar de invloed van stress op het lichaam.

Het Handboek ‘Infant Mental Health’

Kennis over zwangerschap, geboorte en vroegkinderlijke ontwikkeling is natuurlijk zo oud als de mensheid. Maar ‘Infant Mental Health’ (IMH) als vakgebied onder deze naam is relatief nieuw. In het hoofdstuk ‘Algemene en specifieke aspecten van de ouder-kindbehandeling’, uit het Handboek ‘Infant Mental Health’ van Nicole Vliegen en Marja Rexwinkel staat dat in 1965 voor het eerst de affectieve communicatie op jonge leeftijd werd beschreven. De Oostenrijkse psychoanalyticus René Spitz ontwikkelde toen de term ‘anaclitische depressie’ bij baby’s. Dit is de reactie van baby’s op het tijdelijk verlies van hun belangrijkste verzorgers. Spitz kwam deze vorm van depressie tegen in de naoorlogse kindertehuizen. Baby’s hadden daar geen vaste verzorger en sommigen gingen hier dood aan. Als een baby niet goed groeit kan dit samenhangen met problemen met de hechting.

De Oostenrijkse psychoanalytica Melanie Klein (1964) beschreef baby’s waarbij angst overheerst. Voor deze baby’s is het later moeilijk te bevatten dat ambivalentie in de relatie tot de moeder mogelijk is. Je kunt van je moeder houden maar soms ook erg kwaad op haar zijn zonder dat de continuïteit van de relatie onder druk komt te staan. Een veilig gehechte baby kan die ambivalentie ontwikkelen.

In de psychoanalyse zijn observaties uit de werkelijkheid meestal niet zo belangrijk omdat het onbewuste centraal staat maar na de oorlog, geconfronteerd met het lijden van ouderloze kinderen raakten psychoanalytici steeds meer overtuigd dat relaties in het hier-en-nu belangrijk waren om te bestuderen. De Britse psychoanalyticus en psychiater John Bowlby kwam met de gehechtheidsontwikkeling in 1969. De Britse psychoanalyticus en kinderarts Donald Winnicot kwam in die tijd met de drie functies van de vroege moeder-kind eenheid. Deze ‘holding’ is belangrijk voor:

1. de integratie van de senso-motorische ontwikkeling,

2. het faciliteren van autonomie en

3. het oefenen en experimenteren met relationele principes, met afstand en nabijheid.

‘His majesty the baby’

Kort na de geboorte is de moeder primair bezig met de baby en krijgt deze de illusie dat die één is met de moeder. Deze ‘magische omnipotentie’ van de baby moet volgens Winnicot gefrustreerd worden. Het is belangrijk dat de moeder de boze aanvallen van de baby overleeft. Bijvoorbeeld als de baby even moet wachten op een flesje. Zo kan de baby de moeder leren ervaren als gescheiden en beschikbaar voor een realistische relatie. De moeder moet ‘goed genoeg’ zijn en gewoon kunnen doorgaan met zichzelf te zijn.

Zonder ruimte in de relatie kan de baby niet groeien en geen zelfgevoel ontwikkelen. Het zelfgevoel  is mede gebaseerd op het internaliseren van de weerspiegeling in zijn moeders ogen. Als in die weerspiegeling de afweer van de moeder zit, dan zal de baby deze afweer internaliseren en ontstaat er een vals zelfgevoel. Een ècht zelfgevoel ontwikkelt zich alleen in de aanwezigheid van een sensitieve en niet opdringerige moeder. Als de moeder opdringerig, ‘intrusive’ is kan het kind niet exploreren. Ook spel en speelsheid zijn van vitaal belang om te ontwikkelen tot een actief en responsief individu.

De relatie met een knuffel of een doekje is een belangrijk tussenstadium in het loskomen van de moeder. De knuffel is een overgangs object tussen moeder en niet-moeder, tussen binnenwereld en buitenwereld.

Liefde en haatgevoelens gedurende de vroege ontwikkeling wisselen zich af en worden langzamerhand geïntegreerd waardoor bij het jonge kind een tolerantie voor ambivalentie instaat; ambivalentie over of moeder er wel of niet voor je is.

Ouder-kind behandeling

In de fase van de vroeg-kinderlijke ontwikkeling is er veel flexibiliteit. Behandelen gebeurt alleen als problemen hardnekkig zijn. En dan behandel je zowel het ouderschap als de gehechtheidsontwikkeling.

Herhalingen van ervaringen en gevoelens uit het verleden bij de ouder worden onderzocht om de relatie met het kind in het hier-en-nu te bevrijden van oude spoken. Omdat de ouder en het kind samen in therapie zijn is het proces van de intergenerationele overdracht minder geheimzinnig. Je ziet de overdracht in de interacties in het hier-en-nu gebeuren. Hierbij is een specifieke therapeutische houding vereist. Het opvangen (‘containment’) van de gevoelens speelt een grote rol.

Je moet goed oog en oor hebben; oor voor wat er gezegd wordt en oog voor de non-verbale communicatie. Goed observeren helpt om de emotionele impact van de geboorte en de moeilijke opdracht van het ouderschap te ervaren. Goed oog hebben voor de baby biedt tegelijk toegang tot de eigen vroegkinderlijke ervaringen van de ouder.

Je moet ècht praten, hoe jong de kinderen ook zijn. De baby is een volwaardig persoon in wording. Het is een talig wezen en een verlangend subject dat praat met zijn lichaam. Ècht praten betekent ook dat je de waarheid vertelt of herstelt waar die ontbreekt. In de film ‘Help me love my baby’ zien we hoe de therapeut dit doet. Met haar hand op het lichaam van de baby en de moeder naast haar in gesprek over de premature geboorte vertelt de therapeut met een zachte stem aan de baby dat haar moeder in het begin niet een baby zag maar een vreemd soort monster, waarna we zien dat de baby de moeder even aankijkt… De gevoelens van de moeder mogen er zijn. Waarheid is dat wat er gezegd wordt overeenkomt met dat wat er (onbewust) gevoeld wordt.

Contact kunnen maken met je eigen levensgeschiedenis en je inschrijven in het intergenerationele verhaal is van groot belang voor de opbouw van de identiteit.

Voortdurend beweeg je als behandelaar heen en weer tussen baby/peuter en ouders, tussen individuele en relationele perspectieven, binnen- en buitenwereld,, verleden en heden, tussen het gezin en de bredere context. Zoekend naar een verandering die de diepere lagen bereikt. Dat is niet bij ieder ouder-kind paar mogelijk. Maar er zijn verschillende niveau’s en therapeutische houdingen mogelijk binnen de IMH therapie.

De houding is iets meer lichamelijk en actief dan in een therapie met volwassenen en vindt soms ook thuis plaats. Er is niet direct aandacht voor de conflicten van de moeder. Er is eerder aandacht voor de co-constructies tussen ouder en kind. De therapeut is flexibel; soms gericht op de ouder, soms op het kind en soms op de interactie. Er wordt veel met video-opname’s gewerkt. Met elkaar worden de opname’s bekeken en vragen gesteld zoals: ‘Wat wilde je bereiken?’ Hoe voelde het?’ ‘Wat gebeurde er?’ Het niveau van de hulp kan variëren van hulp bij voeding tot hulp bij heftige scheidingsperikelen tot hulp bij specifieke ouder/kind interacties.

Het is de bedoeling dat ‘de kwade geesten’ uit de kinderkamer verjaagd worden. Psychoanalytica en maatschappelijk werkster Selma Fraiberg beschrijft in ‘Ghosts in the nursery’ (1975) hoe de baby een overdrachtsobject kan zijn voor de ouder. Door nuttige links te leggen tussen heden en verleden kun je ouder en kind bevrijden. Een moeder raakt bijvoorbeeld steeds in paniek als haar baby huilt. Ze blijkt zelf te zijn misbruikt en wanneer zij als klein meisje huilde was er niemand die haar troostte… Centraal staat wat er in het hier-en-nu gebeurt en het verleden alleen voor zover het opgeroepen wordt door het heden. Naast de ‘ghosts’ zijn er ook de ‘angels’ in de kinderkamer… en we mogen niet vergeten om die op te merken en te ontdekken. Positieve ervaringen waarin je je als ouder begrepen en geliefd hebt gevoeld helpen net zo goed als het behandelen van de traumatische representaties.

De zwangerschap zelf heeft ook een plaats binnen IMH behandeling. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld: ‘Is de interne wereld van de aanstaande ouders voldoende flexibel zodat de gedroomde, denkbeeldige baby geleidelijk plaats kan maken voor de echte baby met zijn eigen persoontje. Als de aanstaande ouders niet beschikken over een min of meer stabiele ‘coping’ strategie kan dit een symptoom zijn van onopgelost trauma die op de baby overgedragen kan worden. Ouders kunnen veranderen als ze open kunnen staan voor de echte baby. De echte baby los koppelen van de gefantaseerde baby of de gevreesde baby. Ouders leren kijken naar de baby in relationele termen. Een authentieke relatie draagt bij aan de gezondheid.

Niet alleen de ouders kunnen oude ervaringen overdragen op de baby, de therapeut zelf heeft ook representaties, herinneringen aan de eigen kindertijd die opgeroepen worden door de ouder die bij haar in behandeling komt. De therapeut moet gevoelig zijn voor deze overdrachtsprocessen, er niet over oordelen maar er over na denken.

De geboorte van het ouderschap

Het is de meest intens beleefde levensfase; het verandert de identiteit en de leefstijl en het ouderschap is levenslang. Zeker bij het eerste kind is de ommekeer immens. Het leven wordt doorgegeven en er is geen weg terug. Praktische ondersteuning is er vaak wel maar op emotioneel gebied is er weinig aanbod ten aanzien van de voorbereiding op het ouderschap.

Een goede voorbereiding helpt. Voor de moeder: Een gecompliceerde of pijnlijke bevallig kan haar kwetsen en kan ongunstig zijn voor de moeder/kind relatie. Het is alsof het zelf baby zijn en bemoederd worden in het onbewuste zijn opgeslagen en opgewekt worden. De Amerikaanse psychiater en psychoanalyticus Daniël Stern noemt dit de ‘motherhood constellation’. Vier centrale thema’s spelen een rol:

1. Kan ik dit nieuwe leven in stand houden?

2. Kan ik mij emotioneel verbinden met de baby?

3. Zal er genoeg steun zijn voor mij en mijn kind?

4. Kan ik mijn identiteit aanpassen om het ouderschap te realiseren?

Voor de vader: De intensiteit van de gevoelens in deze fase kan ook voor de vader overweldigend zijn. De zwangerschap is meestal voor de vader onwerkelijk. Het volle besef dat er een baby op komst is, komt vaak pas bij de bevalling. De relatie met de eigen vader komt in beeld maar deze is zelden een rolmodel. Mannen schijnen weinig uit te wisselen over hun emotionele betrokkenheid. Maar ook voor vaders is van belang of zij als kind voldoende tederheid en veiligheid hebben ervaren.

De baby is vanaf het begin sociaal en ordent zijn ervaringen volgens het lust/onlust principe. De vroege ouder-kind interactie is een co-constructie, een perfecte dans met timing en ritme, met pauzes, regelen van afstand en nabijheid, de beurt nemen in de interactie, uitdrukkingen in het gezicht of vocaal, enz. Tijdens het reguleren van lichamelijke processen dichten ouders hun baby allerlei intenties toe. Zij zien de baby enerzijds als hulpeloos en anderzijds als zich ontwikkelende mensjes met subjectieve ervaringen en een groeiend gevoel van een eigen zelf. De baby probeert te weten te komen wat hij van zijn ouders kan verwachten. De ouders bieden ‘holding’; een omgeving gekenmerkt door regelmaat, continuïteit, stabiliteit en afstemming. De ouder die ‘goed genoeg’ is slaagt er in om de onvermijdelijke tekorten in de interactie  constructief te hanteren en te overstijgen. In de balans tussen verstoringen en reparaties leert het kind dat spanningen te verdragen zijn.

Ouderschap en migratie

Migratie brengt een breuk teweeg zowel inter-generationeel als in de familiebanden in het hier-en-nu. Door de migratie is de identiteit van de ouders aan het schommelen naast de veranderende identiteit door deze intense levensfase overgang. De ouders missen hun eigen cultuur als ‘containment’. Ook zij hebben naar de baby uitgekeken en nu voelt het ouderschap ineens als zwaar. De Spaanse kinderpsychiater Marie Rose Moro zette ontmoetingsgroepen op voor deze ouders. Groepen die als het ware een baarmoeder zijn voor pas bevallen geëmigreerde ouders. Het spreken met elkaar herstelt de verwevenheid van culturen en brengt een nieuwe multiculturele identiteit tot stand. Bij de verwevenheid gaat het om op de toekomst gerichte nieuwe representaties en gedragingen van ouderschap. In de ontmoetingsgroepen ontstaat een lappendeken van fragmenten van identiteit die tot beschermjas of een omhullende enveloppe wordt. Sommige delen van de lappendeken zijn strijdig met elkaar, stoten elkaar af, zien er niet uit, laten een kloof tussen het zelf en het andere vermoeden. De onzekerheid van ouders in een snel veranderende wereld is soms ondenkbaar. Men verbergt de onzekerheid uit schaamte voor gezichtsverlies.

                                Illustratie: Lappendeken van Cynthia Borst

Volgens Moro kunnen we van migranten-ouders leren hoe je moet zoeken naar werkbare fragmenten tussen oude en nieuwe identiteiten. Hier krijgen alle ouders mee te maken in een snel veranderende wereld.

In het begin van het ouderschap moet je op een gezonde manier de vroegkinderlijke positie jegens je eigen ouders op kunnen geven. Dit veronderstelt de afwezigheid van een narcistische kwetsuur en een gezonde identificatie met het ouderlijke imago. Dit is een complexe opdracht die in bijzondere omstandigheden extra belast kan zijn.

De bijzondere omstandigheid van adoptie- en pleegouders

In ‘Spel in Psychotherapie‘ (2009) schreef klinisch psycholoog en psychotherapeut Eliane de Beer Hoefnagels hier een hoofdstuk over.

Ervaringen van verlies en ontreddering slaan kinderen op in een non-verbaal gebied van innerlijke ervaringen. Het kind geeft meestal geen signalen van angst en onzekerheid terwijl ze dit in spel vaak wèl laten zien.

Moeilijk gedrag van deze kinderen kan soms zo sterk en onwrikbaar overkomen dat pleeg- en adoptie ouders gauw denken aan erfelijke psychiatrische diagnoses bij de biologische ouders maar deze zeggen weinig over de mogelijkheden om contact te maken met het kind. Vaak liggen de problemen op het gebied van de emotie-regulatie maar er zijn ook problemen op het gebied van het leren en sociale problemen.

Een ‘life event’ zoals de geboorte van een halfzusje roept bij een pleeg-of adoptie kind belevingen op uit het vroegere kerngezin die niet meer gedeeld kunnen worden met de betrokkenen. Dat kerngezin bestaat niet meer in de huidige werkelijkheid. Moeilijk gedrag kan het gevolg zijn.

Pleeg- en adoptie ouders zijn soms bang om opdringerig te zijn bij deze kwetsbare kinderen of voelen zich afgewezen of buitengesloten door de houding van het kind. Maar ook het kind voelt zich alleen, niet begrepen, niet aangevoeld. Dat is de kernervaring. Het kind geeft negatieve signalen af maar heeft behoefte aan contact. De ouders moeten leren om op een subtiele manier nadrukkelijk aanwezig te zijn.

Er kan toe gewerkt worden naar een narratief waarin de geboortegeschiedenis een plek krijgt naast de ‘wedergeboorte’ in het nieuwe gezin. De houding van de therapeut is er een van meervoudige partijdigheid naar ouders, adoptie- en pleegouders, het kind, enz. Bij deze nieuw samengestelde gezinnen gaat het wat betreft de relatie tussen de stiefouder en het kind vaak om het acceptabel maken van ambivalente en ambigue gevoelens over en weer. Het gaat over het ‘gewoon maken’ van de verschillen tussen het oorspronkelijke en het nieuwe gezin.

Kunnen de ouders nadenken en praten over het verleden ook al is het pijnlijk? De therapeut moet een inschatting maken van de hechtings-stijl en de veerkracht van het systeem. Het begrip ‘goed genoeg’ ouderschap moet meteen geïntroduceerd worden.

Kinderen die om wat voor reden dan ook niet meer bij hun biologische ouders wonen betrekken deze toestand meestal negatief op zichzelf. Het gaat om de beleving van niet gewenst zijn, leidend tot een gevoel van niemand zijn of nergens echt bijhoren. Een algemeen gevoel van niet goed genoeg zijn. Kinderen met een kwetsbare gehechtheid, met trauma’s of ervaringen van afgewezen zijn of in de steek gelaten en die te maken krijgen met meerdere ouderfiguren, hebben problemen met het integreren van alle verschillende invloeden. Dat kunnen ze in de beginfase van de therapie vaak al laten zien.

Tegenoverdracht creatief inzetten

Graag bericht ik nog over een artikel dat speciaal ging over de ambivalentie in het ouderschap. Het was geschreven door psycholoog en psychotherapeut Katie-Lee Weille: ‘Ambivalence in parenthood: on creativity and destruction’.

Winnicot schrijft over de haat, de woede en de frustratie die ouders kunnen voelen in de relatie met hun kinderen en hoe hen dat kan destabiliseren. Ouders zijn gewoon net als iedereen subjectieve wezens met een innerlijke wereld, een temperament en een geschiedenis. Datgene waar je van houdt kun je ook haten. Deze ambivalentie en de algehele subjectieve ervaring van het ouderschap is een weinig onderzocht verschijnsel. De meeste literatuur gaat over de ontwikkeling van kinderen en hoe ouders hierin kunnen opvoeden. Alice van der Pas heeft het in Nederland als eerste over de psychologie van het ouderschap.

De reacties van een therapeut kunnen intens zijn en kan het werken met ouders bemoeilijken. Therapeuten kunnen als redder van het kind gaan optreden waardoor er een dynamiek ontstaat tussen de ouders en de therapeut. Therapeuten moeten iets willen doen met die dynamiek van de tegenoverdracht.

De psychologie van de ouder kan niet begrepen worden louter door de lens van een kindertherapeut. De kwaliteit van de ouderbegeleiding hangt af van de mate waarin de therapeut de ouder begrijpt en daar speelt het begrijpen van de ambivalentie een belangrijke rol in.

Ambivalentie is een conflict tussen tegenovergestelde wensen. Voor de ouder tussen liefde en haat; tussen het verlangen om vast te houden en van je af te duwen. Tederheid kan weggevaagd worden in één seconde en plaats maken voor woede. Moederlijke ambivalenties worden het strengst beoordeeld door de omgeving. Maar wat over moederlijke ambivalenties geschreven is geldt ook voor vaders.

Ambivalentie gaat gepaard met een ‘mismatch’ van subjectieve behoeften tussen ouders en kinderen. Als niets de kinderen tevreden kan stellen voelt de ouder zich beroofd, gefrustreerd en hulpeloos. De ouder is zowel subject als object in de relatie tot het kind.

In de strijd om dingen goed voor elkaar te krijgen als ouder kan deze wanhopig en boos worden op de baby en tegelijk denken dat zij/hij niet goed genoeg is. De weigering van het kind wordt haar/zijn fout. Ambivalentie komt gemakkelijk op als gevolg van allerlei pogingen om het kind te sussen en te bevredigen.

Een moeder die haar kind voor het eerst alleen naar school laat gaan kan tegelijk trots zijn op het kind maar het ook haten omdat ze door een enorme angst heen gaat over een mogelijk ongeluk.

Complementariteit als illusie

Begrijpen van ambivalenties werpt licht licht op de blokkades om over ouderlijke subjectiviteit na te denken. Waarom zouden we ons als therapeuten afsluiten van de ouder’s woede? Is dat omdat we het ouderschap bekijken in het licht van de ‘complementaire relatie’? De een zorgt, de ander wordt verzorgt? De een staat op de achtergrond, de ander op de voorgrond? De een is object, de ander subject? Als we blijven kijken naar de relatie als een complementaire relatie dan kunnen we de ouders niet meer zien als subject. Deze beperkte blik komt veel voor in de wetenschap.

Natuurlijk is de baby afhankelijk en heeft het recht op verzorging en toch kan moeder’s subject zijn niet ontkend worden. Moeder is meer dan alleen object. Het is een illusie dat de ouderlijke subjectiviteit bijna altijd complementair is aan de subjectiviteit van het kind. Winnicot suggereert dat de woede van de moeder – ofwel haar behoefte aan eigen ruimte en subjectiviteit – op een of andere manier wel afgestemd zal raken op de behoefte van de baby om onafhankelijk te worden en de behoefte om zijn ‘magische omnipotentie’ los te laten. Winnicot zegt: ‘the baby needs her hate’. Maar zo blijft de complementaire relatie in stand.

Winnicot heeft het niet over het ongemak van deze ‘haat’ voor de moeder en het conflict dat zij kan voelen over het voor laten gaan van haar eigen behoeften en haar subjectiviteit. Iedere ouder hoopt dat de eigen behoeften zullen samen vallen met die van hun kind. Ouders willen goede ouders zijn. Ze willen zich competent voelen. Dat laadt de emotionele batterijen op, is motiverend en geeft zelfvertrouwen. Het probleem zit hem er echter in dat het de ouder iets doet als deze zich niet intuïtief voelt afgestemd op het kind.

Als ouders hun zorgen hierover uiten bijvoorbeeld als de baby niet wil drinken, dan worden ze vaak afgescheept met dat de natuur zijn werk wel zal doen. Maar natuurlijke instincten kunnen ook falen. Conflicterende gevoelens bestaan. Wat als de moeder niet op kan tegen haar eigen behoefte om zelf afhankelijk te zijn of tegen het verlies van haar empathie. Wat als ze de wens heeft om de huilende baby te laten vallen? Wat dan?

Niet bang zijn voor ambivalentie

De moeder als ‘container’ is allesbehalve statisch. Een moeder kan zich verrijkt of leeg voelen, vervuld of overvol, krachtig of gecommandeerd, uitnodigend of afwijzend, enz. Ze staat steeds weer voor de spanning tussen macht en machteloosheid, tussen subjectief en objectief, tussen keuze of zonder keuze. We moeten het idee dat de moeder weigert, wraak neemt of instort confronteren. Zelfs een ‘goed genoeg’ moeder kan haar kind gaan gebruiken als ‘container’ voor haar eigen gevoelens en behoeften. Hier ligt het probleem waar ambivalentie toe kan leiden. Een ouder kan op een of andere onacceptabele manier een kind gebruiken, emotioneel of fysiek.

Van ouderlijke goedheid gaan we dan over in ouderlijk misbruik. Misschien is het omdat we hier bang voor zijn dat het moeilijk is om na te denken over de mogelijkheden die er liggen tussen goedheid en misbruik. Er is een spectrum van acceptabele en niet acceptabele ouderlijke vormen en momenten van subjectiviteit. Een rits ruw dicht ritsen of andere korte momenten van agressie zullen de liefste moeders wel kennen. Er is ook een spectrum aan goede en slechte gevoelens op het gebied van de sensualiteit. Intimiteit kan overspoeld raken door erotiek of seksualiteit en het onderscheid tussen goede en slechte gevoelens is vaak niet duidelijk. Bewustzijn van sensuele gevoelens hoeft niet automatisch te leiden tot misbruik.

Een pijnlijke confrontatie met de subjectiviteit van haar eigen moeder kan een moeder tegenhouden om de eigen subjectiviteit toe te staan. De moeder gaat zich realiseren wat haar eigen moeder tegenover haar moet hebben gevoeld.

De triade grootmoeder-moeder-baby is de kern van de ‘motherhood constellation’. De moeder werkt haar eigen relatie met haar moeder uit tijdens haar moederschap. Dit kan een bron zijn waar zij uit putten kan.

Terwijl ouders werken aan de bewustwording van hun eigen subjectieve ervaringen als kind worden ze zich ook meer bewust van de belevingen van hun ouders. Hier zit veel repareer-potentie in voor alle partijen.

Als we niet bang zijn voor ambivalentie, subjectiviteit toe staan en onze complexe en conflictueuze innerlijke wereld accepteren kunnen we heel veel repareren.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Systeemtherapie

Opwarming van de aarde is een systemisch probleem

Milieujournalist Richard Heinberg is op de systeemtheoretische toer net als ik zelf als therapeut. Hij wordt geciteerd in de laatste nieuwsbrief van Jelmer Mommers*, dè milieuman van De Correspondent en beide journalisten bevinden zich in goed gezelschap. Een klein stukje uit Mommers nieuwsbrief:

‘We must restrain ourselves,’ schrijft Heinberg, ‘like an alcoholic foreswearing booze. That requires honesty and soul-searching.’ Op De Correspondent hebben denkers als Naomi Klein en paus Franciscus dat eerder ook bepleit.

Zoals u weet gaat het bij ‘soul-searching’ om een diepe en noodzakelijke beschouwing van onze emoties, motieven en de juistheid van ons handelen. Wij zullen volgens Heinberg net zoals de alcoholist moeten gaan matigen willen we prettig kunnen blijven leven op deze planeet.

Heinberg heeft een manifest geschreven: ‘There is no app for that’. Hij is Senior Fellow van het Post Carbon Institute en wordt in het algemeen beschouwd als een van de voornaamste bepleiters van de noodzaak om af te stappen van fossiele brandstoffen.

Ook Mommers vraagt zich af hoe wij opnieuw kunnen leven binnen de draagkracht van de aarde. Een deel van het antwoord is voor hem onvermijdelijk nl. dat de rijkste consumenten hun impact moeten verkleinen. Maar ook de gemiddelde Nederlander vervuilt en verbruikt alsof er 3,6 aardes zijn, stelt Babette Porcelijn in haar boek: De verborgen impact.

Het probleem is dat we het grootste deel van de impact die we veroorzaken niet zien. En bij het leren waarnemen en het matigen is de ‘soul-searching’ dus nodig.

Ik besloot om eens diep in het artikel van Heinberg te duiken en vooral ook om het filmpje te bekijken dat bij het artikel en het manifest hoort. In 2 minuten krijg je een uitleg over welke rol de technologie heeft gespeeld en in de toekomst nog spelen kan bij het oplossen van problemen. Mooi gemaakt en indrukwekkend!

Wat wij niet zien is dat we voorbij gaan aan onszelf

De kern van het ecologische probleem zit ‘m volgens Heinberg niet in de opwarming van de aarde zelf. Het probleem zit ‘m in de ‘overshoot’, ‘het voorbij gaan aan’, ‘het voorbijstreven van’ waar wij als mensen mee bezig zijn, waarbij de opwarming van de aarde een symptoom is.

Het voorbij gaan aan onze diepere trauma’s, onze werkelijke behoeften en gevoelens is ook in psychologisch opzicht natuurlijk een van de grootste oorzaken van allerlei problemen, denk aan stress, depressie, angst, ‘burn out’, enz. Andere oorzaken van psychische symptomen zitten volgens systeemdenkers o.a. in de manier waarop we met elkaar omgaan. Ook daar staan we vaak niet bij stil en streven we aan voorbij.

‘Overshoot’, het voorbijstreven, is volgens Heinberg een systemisch probleem en dat zit zo: De laatste anderhalve eeuw hebben de enorme hoeveelheden goedkope energie uit de fossiele industrie, de groei, de productie en de consumptie mogelijk gemaakt wat leidde tot overbevolking, vervuiling, verlies van de natuurlijke leefomgeving en verlies van biodiversiteit. Het systeem van de mensheid breidde zich enorm uit en ging ondertussen voorbij aan de lange termijn vermogens van onze aarde. We hebben de ecologische systemen waar we afhankelijk van zijn, van streek gemaakt.

Zolang we deze systemische onbalans niet echt begrijpen en aanpakken zullen symptomatische oplossingen zoals het tegengaan van vervuiling, het redden van bedreigde diersoorten en het voeden van een groeiende bevolking met genetisch gemodificeerde gewassen, niet meer zijn dan een reeks eindeloze pleisters op de wonden die te weinig effect hebben.

De milieubeweging van de jaren ’70 van de vorige eeuw profiteerde nog van het denken in systemen. Deze manier van denken was toen in de mode en de wetenschap die de wisselwerking tussen organismen en hun omgeving bestudeerde, de ecologie, was op zichzelf een systemische wetenschap. Alle vooraanstaande ecologen zagen het milieu, de maatschappij en de mensheid als ten diepste met elkaar verbonden.

Maar naarmate de opwarming van de aarde als onderwerp is gaan domineren, lijken de systemische verbanden te zijn vervaagd. Opwarming en ecologische problemen zoals overbevolking, vervuiling, uitsterven van soorten, verlies van gezonde bouwgrond en schoon drinkwater worden nu veel meer als los van elkaar bekeken. Waarom is dit?

Zijn klimaatwetenschappers gaan denken dat het denken in systemen te moeilijk is voor beleidsmakers? Denken ze dat ze het niet kunnen maken om te zeggen dat ons hele economische systeem moet veranderen? Is het misschien gemakkelijker om te zeggen dat er een probleem is met vervuiling en dat daar technische oplossingen voor zijn? Is het misschien gemakkelijker om de daarmee samenhangende problemen (overbevolking, biodiversiteit, enz.) dan maar op de achtergrond te plaatsen?

Beleidsmakers en industriëlen blijven liever in dezelfde ‘mind-set’

Het antwoord op deze vragen moet wel ‘ja’ zijn. Als klimaatverandering namelijk gezien wordt als een losstaand probleem waar een technische oplossing voor is, dan kunnen beleidsmakers en economen op de voor hen bekende terreinen blijven opereren. Ze hoeven hun ‘mind-set’ niet te veranderen. Technologische oplossingen als zonne-pannelen, windmolens, kernenergie, batterijen, elektrische auto’s, en als alles faalt het beïnvloeden van de kracht van de zon via atmosferische aerosolen, vereisen een zelfde manier van denken als financieel investeren of industrieel produceren. Systemisch denken is daarvoor niet vereist.

Men hoeft dan niet in te zien hoe menselijke systemen werken op het systeem aarde. Het enige waar de beleidsmakers zich dan mee bezig hoeven houden is het transplanteren van investeringen, het geven van bepaalde opdrachten aan andere ingenieurs en beleid maken zodanig dat de nieuwe banen in de groene industrie compenseren voor het verlies van banen in de fossiele industrie.

Deze ‘techno-fix’ strategie veronderstelt dat we op een zeker moment in de toekomst in staat zullen zijn om een systeemverandering te installeren en dat het probleem van de opwarming en alle andere symptomatische crises opgevangen kunnen worden met een of andere techniek. Deze manier van denken komt beleidsmakers en investeerders bekend voor. Iedereen houdt van techniek. Techniek lost bijna alle problemen op: ziektes, voedseltekorten, vervoer, enz. enz. Waarom zou techniek niet ook de opwarming van de aarde kunnen oplossen?

Technologische oplossingen zijn te oppervlakkig en de technocraat is allergisch voor vermindering van groei

Heinberg heeft zich maandenlang samen met wetenschappers beziggehouden met technische oplossingen. Hun conclusie is dat kernenergie te duur en te riskant is en dat zon- en wind energie – als zij een grote hoeveelheid van het totale gebruik aan elektriciteit voor haar rekening wil nemen – drie grote strategische problemen moeten oplossen: de overtollige productie van energie, de opslag van energie en de aanpassing aan de vraag. Tegelijkertijd moeten de industriële landen ten aanzien van het gebruik van energie geheel overstappen op elektriciteit.

Deze energietransitie wordt een enorme onderneming, ongekend in zijn vereisten ten aanzien van het investeren en het vervangen. Als je de grootte van de transitie goed beschouwd dan zie je niet hoe onze huidige energieproductie gehandhaafd kan blijven.

De grootste horde die dus genomen moet worden is de schaal! Alleen als de enorme hoeveelheid energie die de mensheid nu gebruikt, aangepakt wordt is de kans op een weg naar een post-carboon tijdperk geloofwaardig.

Het verminderen van energiegebruik betekent een vermindering van industrie, van fabricage, van transport, van afval, enz. enz. En dàt is een systemische interventie. Een interventie waar de ecologen van de jaren ’70 in de vorige eeuw toe opriepen: “Reduce, re-use and recycle”. Ook de bevolkingsaanwas moet verminderen. En hier raken we aan de kern van het probleem en juist voor de interventie van het verminderen, het matigen, zijn technocraten, industriëlen en investeerders op een kwaadaardige manier allergisch.

Het ecologische betoog is in essentie een moreel betoog

Elke systeemdenker die begrijpt wat ‘voorbij gaan aan en voorbijstreven’ betekent en die ‘consuminderen’ voorschrijft als behandeling, is in feite bezig met de behandeling van verslavingsgedrag. Onze maatschappij is verslaafd aan groei en dat heeft verschrikkelijke gevolgen voor de planeet en als gevolg daar weer van, voor ons zelf. We moeten ons collectieve en ons individuele gedrag veranderen en iets opgeven waar we afhankelijk van zijn: de macht over onze omgeving. We moeten leren matigen net als de alcoholist en daar is eerlijkheid en ‘soul-searching’ voor nodig.

De milieubeweging kwam in de jaren ’70 nog wèl met het morele betoog en het werkte tot op zekere hoogte. De bezorgdheid over de snelle bevolkingsgroei bijvoorbeeld leidde in de hele wereld tot geboortebeperking. Bezorgdheid over biodiversiteit en vervuiling van lucht en water leidde tot regulering.  Maar het was niet genoeg.

Sommige milieu theoretici, de eco-modernisten hebben het morele gevecht laten vallen. Hun rechtvaardiging daarvoor is dat mensen een blijmoedige toekomst-visie willen en niet een die om opoffering vraagt. Alleen de techniek biedt hoop denken zij nu.

Het punt van Heinberg is dat zelfs als een moreel betoog van milieuactivisten faalt, de techniek ons niet gaat redden. Volgens hem zal zèlfs een reusachtige investering in de nieuwe technologie ons niet redden of het nu om kernenergie of om zonne-energie gaat. Techniek biedt geen hoop.

Het goede nieuws

De morele milieubeweging is tekortgeschoten omdat het niet in staat was om het kernprincipe van de industriële maatschappij te veranderen. Dat kernprincipe is: het voluit gaan voor groei ten koste van alles. Het kern-principe is het geloof in ‘groei-isme’. Als we hier niet overheen komen betekent dit niet alleen het falen van de milieubeweging maar ook het falen van de beschaving.

Het goede nieuws is echter dat systemische veranderingsprocessen fractaal van aard zijn. Dit houdt in dat systemische verandering handeling vereist op verschillende niveau’s tegelijk. We kunnen op individueel zowel als op gemeenschappelijk niveau in actie komen. Op individueel niveau kunnen we ons gedrag bijstellen. We hoeven niet te wachten op een catharsis op globaal of nationaal niveau. Zelfs als onze individuele pogingen de consumptiemaatschappij niet redt dan kunnen ze in ieder geval een zaadje planten van een mensheid die waardig is om te overleven.

En het andere goede nieuws is dat als wij mensen er voor kiezen om te minderen zowel in aantal als in consumptie dat dan de technologie ons kan ondersteunen. Techniek kan onze voortgang bij het minderen begeleiden, ook simpele technische middelen kunnen helpen en sommige technologie kan ons zelfs helpen bij het herstel van ecosystemen. Maar het zijn niet de machines die de belangrijkste keuzes zullen maken en ons op een duurzame weg zullen zetten. Dat zal een systemische verandering die geleid wordt door een moreel ontwaken wèl doen. En dat is niet alleen onze enige hoop, het is de enige hoop die we ooit gehad hebben.

Over het matigen van de grote verschillen tussen arm en rijk 

Graag voeg ik aan Heinberg’s artikel en systemische analyse van de milieuproblematiek iets toe. Wat ik mis in zijn pleidooi is dat het vooral de rijken en de rijke landen zijn die reusachtige hoeveelheden fossiele energie gebruiken en dat het vooral de rijke landen zijn die moeten matigen. Jelmer Mommers van De Correspondent benoemt dit wèl expliciet.

Ook in een volgende nieuwsbrief van Mommers* is bijvoorbeeld te lezen dat de Guardian- columnist George Monbiot heel duidelijk het kapitalistische systeem aanwijst. Echt praten over klimaatontwrichting is het hele systeem waarin we leven ter discussie stellen. Monbiot:

‘It is to challenge the very basis of capitalism; to inform us that our lives are dominated by a system that cannot be sustained – a system that is destined, if it is not replaced, to destroy everything.’

Naomi Klein heeft het over het roofkapitalisme dat mens, dier en klimaat vermorzelt en over het ‘ecocidale’ kapitalisme, het kapitalisme dat de natuurlijke omgeving verwoest. Lees vooral haar verslag van het inspirerende verzet tegen de oliepijpleiding bij het indiaanse reservaat Standing Rock in Noord-Amerika: Een jaar na Standing Rock is het verzet tegen Donald Trump springlevend.

Uit de serie Faces of Standing Rock van fotograaf Mico Toledo

Verbetering van de positie van vrouwen, minder armoede en betere verkrijgbaarheid van voorbehoedsmiddelen kunnen veel betekenen bij het afremmen van de overbevolking. Wanneer milieudeskundigen eenzijdig wijzen naar overbevolking in arme landen, wat Heinberg overigens niet doet, dan moeten we op onze hoede zijn want het klimaatprobleem wordt nu juist veroorzaakt door de rijke landen, door bedrijven zoals Shell en ExxonMobile die veel belang hebben bij onze verslaving aan hun producten. Het gaat hier om bedrijven waar arme mensen in arme landen veelal het slachtoffer van zijn.

Heinberg heeft het er over dat milieudeskundigen het niet meer aandurven om te adviseren dat het hele economische systeem moet veranderen maar hij noemt in zijn artikel het systeem niet bij naam. Bij een systemische aanpak hoort denk ik ook dat we man en paard noemen. Het gaat om het kapitalistische systeem dat de grote verschillen tussen arm en rijk veroorzaakt, een systeem waarbij de productiemiddelen in handen zijn van grote bedrijven die winstmaximalisatie als doel hebben. Laat het duidelijk zijn dat vooral dit onder het ‘groei-isme’ valt. In zijn manifest ‘There’s no app for that’ noemt Heinberg de ongelijkheid tussen rijk en arm wel als problematisch maar hij meent dat dit probleem ons afleidt van de ecologische aspecten die daar toe bijdragen. In dit deel van zijn betoog mis ik dus iets.

De milieubeweging moet volgens mij hand in hand gaan met de vredesbeweging en de strijd tegen de ongelijkheid tussen rijk en arm, mannen en vrouwen, wit en zwart om het systeem van het ‘ecocidale’ kapitalisme te veranderen. Dit alles bij elkaar valt volgens mij onder het moreel ontwaken waar Heinberg het over heeft en wat onze enige hoop is.


*Je kunt de nieuwsbrief van Jelmer Mommers ontvangen als je abonnee bent van De Correspondent.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Persoonlijk en politiek, Psychologie en klimaat, Systeemtherapie

De zachte kracht van P.A.C.E.

PLAYFULNESS. ACCEPTATION. CURIOSITY. EMPATHY.

Dit bericht gaat over een therapie die gebaseerd is op de hechtingstheorie, ontwikkeld door Daniel Hughes. Hij was in april 2016 in Nederland om een training te geven. Cathy van Gorp en Nine van Stratum, beiden psycholoog en systeemtherapeut, interviewden hem. Een verslag van het interview stond in het tijdschrift Systeemtherapie, deel 3 in 2016 onder de titel: De zachte kracht van ‘pace’.

De therapie van Hughes heet ‘attachment focused family therapy’ (afft) of ook wel ‘dyadic, developmental psychotherapy’ (ddp) en ‘pace’ is er een belangrijk onderdeel van. In het Nederlands wordt ‘pace’ weleens vertaald met ‘sane’. We gaan speels, accepterend, nieuwsgierig en empathisch onze weg in deze therapie. Vooral in engelstalige landen worden therapeuten opgeleid in ddp maar in het najaar van 2016 ging Hughes ook therapeuten in Kenia en Tanzania opleiden. In het interview zei hij daarover:

Net als in Israël is het in deze omgevingen, waar gevaar zeer reëel is en alomtegenwoordig, een uitdaging om ouders te stimuleren om hun kinderen niet enkel als sterk gewapende individuen op te voeden, te eenzijdig gericht op autonomie, maar om hun ook het belang van een veilige en responsieve basis aan te leren.

Hughes richt zich in zijn boeken en DVD’s tot zowel ouders als therapeuten. Aan het eind van het interview vertelde hij dat zijn kleindochter zijn visie onlangs heel goed samenvatte in de vorm van een verzoek aan haar moeder die haar van school zou komen halen. Haar moeder had kort daarvoor een operatie ondergaan en ze vroeg: “Wil je me op tijd ophalen op school? Ik heb nog veel heftige gevoelens over jouw operatie en daar moet ik over nadenken en dat doe ik het beste thuis.”

Op een veilige manier met trauma aan de slag

Hughes werkt met mensen over de hele wereld die zeer onveilige situaties meegemaakt hebben. Van Gorp en Stratum beschrijven hem als een rustige man op leeftijd die zeer gedreven en doorleefd over zijn model en therapieën vertelt.

Zijn carrière begon met een zoektocht in de tijd dat hij werkte met misbruikte kinderen. Hij vertelt openhartig over zijn eerste ervaringen in de jaren ’80 van de vorige eeuw:

Het was erg moeilijk om de ouders van deze misbruikte kinderen te helpen, ze kwamen niet op de afspraak, of ze kwamen wel maar ontkenden de situatie. Zo kwam het dat ik me meer ging concentreren op de pleegouders aan wie de kinderen waren toegewezen. Mijn doel was toen om de pleegouders te leren om het kind beter te laten communiceren, waarbij ik ook oog had voor het verbeteren van de relatie. Ik merkte opnieuw dat ik daar niet veel succes mee oogstte. Daarenboven zag ik dat de kinderen afhaakten. Zij waren immers, vergeleken met niet-getraumatiseerde leeftijdgenoten, slecht in reflecteren en verbaliseren. In mijn pogingen te begrijpen waarom de behandelingen niet succesvol waren, kwam ik uit bij waardevolle literatuur en onderzoek omtrent hechting. Al heel snel werd duidelijk dat deze kinderen heel slecht in staat waren om een veilige hechtings-band met hun pleegouders op te bouwen. Ik zag dat de meeste kinderen die ik begeleidde in de categorie van gedesorganiseerde hechting onder te brengen waren.

De hechtingstheorie was al ontwikkeld toen Hughes begon als therapeut en de hechtings-stijlen waren bekend maar een hierop gebaseerde therapie was er eigenlijk niet. Hij begon interventies op te zetten en uit te proberen die voor zijn gevoel aansloten en werkt zijn ideeën nu nog steeds verder uit.

Een therapeut kan volgens hem niet stil, achteruit leunend en zogenaamd objectief op zijn/haar stoel blijven zitten. Vooral in zijn interactie met kinderen maar ook met adolescenten en volwassenen wil hij actief en enthousiast zijn. Hij probeerde de pleegouders van de kinderen hierin mee te krijgen en ook op die actieve manier contact te laten maken met hun getraumatiseerde kinderen.

Hughes vindt het concept van de ‘intersubjectiviteit’ eigenlijk belangrijker dan de gehechtheids-stijlen. We worden allemaal geboren met de mogelijkheid tot interactie. Hij vind het erg jammer dat er naar de therapeutische kracht van de speelse, vreugdevolle, actieve interactie nog maar weinig onderzoek is gedaan. Het onderzoek richt zich meer op modellen en te weinig op de relatie. Meer over de therapeutische relatie in het bericht de therapeutische alliantie.

Eerst connectie, dan correctie

Behandelmodellen zijn veelal gebaseerd op de sociale leertheorie maar Hughes richt zich vooral op het opbouwen van een veilige band tussen het kind en de opvoeders en baseert zich op de hechtingstheorie. Technieken die voortkomen uit de sociale leertheorie, zoals straffen en belonen werken alleen als er sprake is van een goede relatie.

Als je misbruikte kinderen helpt om zich veilig te voelen, help je hen om het trauma te overstijgen

De basisaanname van hechting is veiligheid. De fundamentele ondertoon van trauma is het ontbreken van veiligheid. Als je misbruikte kinderen helpt om zich veilig te voelen, help je hen om het trauma te overstijgen. Ouders kunnen geen veiligheid bieden als ze kritisch blijven, op afstand blijven, straffend blijven, zich niet kunnen verbinden, enz. Deze ouders zitten wellicht vast in hun eigen hechtings-geschiedenis.

In sommige gevallen stelt Hughes de gezinsgesprekken uit en wordt er exclusief gewerkt aan de band met de ouders. Een goede afstemming en verhouding met hen is noodzakelijk. Tegelijkertijd krijgt in dat geval het kind individuele therapie. Maar soms is één gesprek al voldoende om draagvlak te creëren en wordt het kind er meteen erbij betrokken.

Omdat de focus van de therapie gericht is op de afstemming en de relatie is deze therapie geschikt voor kinderen maar net zo goed voor adolescenten en volwassenen. Zodra iemand signaleert dat het niet veilig is wordt er vertraagd. Het belang van non-verbale signalen is groot. Hughes geeft in het interview een mooi voorbeeld van een sessie met een meisje waarin hij plotseling voelde dat hij het contact verloor. Hij vroeg haar op een zachte toon:

‘Ik denk dat je aan iets anders denkt op dit moment. Je hebt beslist om over iets leukers dan het onderwerp van zonet na te denken, lijkt me. Misschien herinner je je plots een droom of een plaats die jou een blij gevoel geeft. Zou je me willen vertellen waar je mee bezig bent nu? Misschien praatte ik net over iets dat je niet zo leuk vindt of waar je nu liever niet over praat Als je me liever even wil negeren is dat prima hoor.’

Hier demonstreert Hughes twee belangrijke peilers van zijn model: acceptatie en nieuwsgierigheid. De reactie van het meisje na deze woorden:

‘Ik ben in het land van de dinosauriërs, ik rijd op Diamant, mijn eenhoorn.’ Hughes vraagt haar: ‘Echt? Je rijdt gewoon rond?’ ‘Ja, en als een dinosauriër te dichtbij komt, dan prikt Diamant hem met zijn hoorn.’ ‘Dat is geweldig. Je bent heel veilig daar. Mag ik je daar komen bezoeken?.’ ‘Nee! Het is mijn speciale plek.’ ‘Als je straks terug wil komen op bezoek bij mij, wil je dan eventueel Diamant meebrengen? Zo kan Diamant mij ook prikken als ik te dicht bij jou kom.’ Het meisje lachte, vertelt Hughes. ‘Laat je me weten als je terug bent?’ Ze kijkt hem aan wat voor hem een teken is dat ze terug is. ‘Wil je me waarschuwen als Diamant me gaat prikken?’ ‘Nee!’, roept het meisje. ‘Verdorie’, lacht Hughes, ‘ik kan maar beter oppassen dan’!

Hiermee is aangetoond hoe belangrijk het is om een dissociatie te accepteren. Een van de peilers van zijn model: acceptatie. De dissociatie is een zinvolle, betekenisvolle reactie op gevaar en gebrek aan veiligheid. Het accepteren er van geeft veiligheid en maakt de dissociatie minder hard nodig. Vaak uit angst gaan ouders of minder ervaren therapeuten dissociaties uit de weg. Uit angst gaan ze contact vermijden of de dissociatie bestrijden.

Een belangrijk punt is dus dat de therapeut in verbinding moet zijn met zijn/haar eigen gevoelens en zicht hebben op zijn/haar eigen hechtins-geschiedenis. Als we dat contact kwijt raken gaan we rationaliseren. Een belangrijk citaat uit zijn meest recente boek is: ‘Eerst connectie, dan correctie’. Dit geldt voor zowel de opvoeding als voor de therapie.

Mentaliseren

Als therapeut mag je dus directief zijn en mag je niet teveel in de ontvankelijke rol zitten. Het is essentieel om het belang van de intersubjectiviteit te beseffen en in te zetten in de therapie. Je stuurt als therapeut het proces, je zorgt actief mee voor de beweging.

Het kunnen reflecteren is bij getraumatiseerde mensen zeer beperkt. Zij hebben vaak geen woorden voor hun innerlijke belevingen. Als je hen laat leiden, verzand je. Je zoekt dus samen met hen actief naar woorden en je geeft hen de ruimte om jou te corrigeren. Ook kinderen zullen je corrigeren: ‘Nee ik ben niet verdrietig maar misschien wel in de war’. Het proces van samen zoeken en aftasten maakt mensen sterk en verhoogt hun gevoel van veiligheid. Als een kind ‘nee’ kan zeggen getuigt dit van een basisgevoel van veiligheid.

Speelsheid

Speelsheid is een kernelement voor Hughes die als speltherapeut begon maar speelsheid behelst nu voor hem veel meer dan het spelen met materiaal. Het materiaal haalt hij nog zelden uit de kast. Om je te verbinden met kinderen heb je het echt niet nodig. Onder speelsheid verstaat hij de afwisseling van enthousiasme, lichtheid, hoopvol zijn, gek doen, plagen, opgewonden zijn, enz. Hij is blij dat er veel interesse is voor het enthousiast, veilig en geëngageerd werken met zwaar getraumatiseerde kinderen.

Meer over hechtings-therapie op dit web-log: Mentaliseren en hechting, Hechting tussen client en therapeut, Hoe gehecht bent u?

Meer over trauma therapie op dit web-log: Schrijftherapie bij trauma, Schrijftherapie bij trauma deel 2, Het onderliggende trauma wordt niet behandeld.

 

3 reacties

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Psychotherapie - Trauma, Systeemtherapie