Tagarchief: onveilige hechting

Een ode aan de psychotherapie van Griet Op de Beeck

De maakbaarheid van de mens

“Er is een heleboel in de wereld niet in orde maar uw leven is van u, u kunt het zelf bepalen,” roept de Vlaamse schrijfster Griet op de Beeck uit aan het eind van het TV programma Zomergasten van de VPRO. Ze heeft dit aan de hand van allerlei fragmenten uit films en documentaires geprobeerd duidelijk te maken. Namelijk dat het belangrijk is om niet stilletjes in een donker hoekje te gaan zitten afwachten en hopen dat het goed komt met je leven. Ze heeft betoogd dat het leven van de mens maakbaar is.

Maar het leek alsof het niet tot de interviewer Thomas Erdbrink wilde doordringen. Hij leek maar te blijven geloven dat Op de Beeck iets tegen hoop had. Daar had ze niets op tegen maar haar betoog was dat je ook actief aan de slag moet en dat hoop alleen niet genoeg is. Geduldig legt ze het aan het eind nog één keer uit: “Wat ik zeg is ongelooflijk hoopvol maar het is niet passief.” En ze weet ook dat er grenzen zijn aan wat je kunt bereiken met de activiteit die therapie heet: “Je blijft vechten tot aan het eind. Af komt het niet.”

Met haar betoog zit ze niet op dezelfde lijn als Hedy d’Ancona die een uitzending vòòr haar de Zomergast was. Voor d’Ancona is ‘het persoonlijke’ politiek en andersom. Als jij je niet met politiek bemoeit, bemoeit de politiek zich wel met jou. Op de Beeck maakt een ander punt. Veel mensen zijn passiever dan nodig in het maken van hun eigen leven. Haar betoog ligt meer op het gebied van ‘het persoonlijke’.

Griet bleef gedurende het hele interview stralen. Of Erdbrink haar nu wel of niet begreep of naar de bekende weg vroeg of een impertinente vraag stelde zoals de vraag naar haar huwelijkse staat. Misschien verdiende ze met dat stralen wel de handkus van Erdbrink die hij haar aan het eind van de avond gaf…

Het stralende van Op de Beeck komt wellicht door haar dankbaarheid en blijdschap over dat ze van haar oude angsten en anorexia verlost is maar ze laat met het stralen misschien ook een restje zien van de emotionele verwaarlozing uit haar kindertijd. Net zoals geadopteerde kinderen je altijd stralend kunnen blijven aankijken uit angst om ooit opnieuw verlaten te worden.

Ook bleef ze snel en veel praten. De ene volzin na de andere. Ze is een echte taalvirtuoos. Enkele van haar zinnen begon ik te noteren.

Gezien worden

Griet had zelf ouders die haar weliswaar niet verlieten maar ouders die geen oog voor haar hadden. Ze beschrijft haar jeugd als die van een ‘grondeloze eenzaamheid’. Hunkerde ze naar waardering? Nee, ze hunkerde naar gezien worden. En gezien worden betekent dat je ook voorbij jezelf kunt gaan kijken.

Hier legt ze de vinger op het ontstaan van het narcisme dat we allemaal in meer of mindere mate in ons dragen. Ouders die geen oog hebben voor hun kinderen geven het narcisme door; ofwel het ‘niet voorbij jezelf kunnen kijken’. Kinderen die later in therapie gaan kunnen volgens haar genezen. Welke diagnose ze dan ook kregen. Daar is zij zelf een voorbeeld van. Haar eigen ouders waren niet geschikt voor de rol van het ouderschap denkt ze. Daar kwam dan nog bij dat ze hun kinderen tegen elkaar uit speelden.

Niet alleen therapie maar ook de kunst hielp haar: “Kunst dwingt je om stil te vallen.” Als jongedame las ze alles van de grote Vlaamse schrijver Hugo Claus ook al kon ze het niet allemaal begrijpen, ze vond dat het heel erg aan haar besteed was.

Zij had zelf veel moed nodig om schrijfster te worden: “Je moet in evenwicht kunnen blijven als kunstenaar ook als je commentaar krijgt op wat je maakt.” Haar boeken zijn inmiddels bestsellers. 70% van haar lezers komen uit Nederland, 30% komt uit België en de reden daarvan is dat ze van directheid houdt en dat waarderen Nederlanders meer.

Uit een van de eerste fragmenten die we te zien krijgen in deze aflevering van Zomergasten blijkt volgens haar hoe sterk kinderen zijn. Te sterk, denkt ze. Kinderen zullen niet gauw zeggen: “Ik heb een slechte papa of mama”. Integendeel ze gaan proberen te compenseren voor wat er fout gaat in het gezin.

In het fragment zien we hoe wij met zijn allen dat ‘te sterk zijn’ van kinderen aanmoedigen. We zien een jongetje dat een vreselijk ongeluk heeft gehad terwijl hij aan het spelen was. Hij had er brandwonden over zijn hele lichaam aan over gehouden. Hij is aan het revalideren terwijl hij geïnterviewd wordt. Wij vinden dat jongetje allemaal geweldig omdat hij er spijt van heeft dat hij ondeugend is geweest. Hij wil het goed maken door later ambulancebroeder te worden. Dit vinden we mooi. We moedigen dit ‘te sterk zijn’ aan in kinderen. We vinden het mooi dat hij ‘sorry’ zegt terwijl hij in feite onschuldig is.

Op de Beeck vindt dat we kinderen een stem moeten geven: “Kinderen weten alles. Ze kunnen het alleen niet zeggen.” Daar moeten we hen bij helpen i.p.v. dat ‘sterk zijn’ aan te moedigen.

Een volgend fragment is uit een documentaire over zelfmoordenaars die van de Golden Gate Bridge afspringen. Een man die dit overleefde beschrijft hoe hij over de brug liep op zoek naar een goede plek om te springen zonder de brug eerst te raken. Hij begon te huilen. Een voorbijgangster vroeg hem of hij een foto van haar wilde maken. Dat deed hij. De voorbijgangster zag zijn tranen niet. Die was alleen met zichzelf bezig. Hij dacht: Dit is waarom ik spring. Ik loop huilend over een brug en niemand die het ziet.

Op de Beeck die zelf ook zelfmoord heeft willen plegen maakt een onderscheid tussen ‘dood willen’ en ‘willen dat het ophoudt’. Zij wilde dat haar angst ophield, haar angst dat het nooit in orde zou komen met haar leven en met het gevoel afgewezen te zijn. Zij stond zelf ook eens ooit op een brug en het waren voorbijrijdende en met hun licht seinende vrachtwagen chauffeurs die haar tegenhielden. Die gaven haar een gevoel van verbinding, het idee dat het iemand iets kon schelen.

Bevrijding

Griet heeft zichzelf uit allerlei soorten drek getrokken. Je hebt een fantastische ‘shrink’ nodig die je helpt om een goede ‘spot’ te zetten op de oorzaak. Maar dan lukt het. Iedereen moet in therapie. We zijn allemaal meesters in het wegkijken terwijl de beloning als je wèl kijkt zo immens groot is. Het is heftig om te doen maar we hebben maar één leven. Een goede vraag van Erdbrink: “Hoe voelt die bevrijding?” Griet: “Je voelt de bevrijding zelf niet maar je voelt de gevolgen van de bevrijding.” In haar geval was het gevolg dat ze haar eerste boek schreef dat haar alle mogelijke vormen van diep plezier gaf.

We zien vervolgens een fragment uit de documentaire: ‘Gardenia. Before the last curtain falls.’ Het gaat over het bevrijdingsproces van travestieten. Maar het gaat over meer dan dat. Op een toneel staan mannen in pakken die langzaam transformeren in vrouwen op de meeslepende muziek van Ravel’s Bolero. De opvoering op het toneel wordt afgewisseld met verhalen uit de levens van de mannen buiten het theater.

Griet ziet veel relaties die niet kloppen. Mensen kunnen wel zeggen dat ze best gelukkig zijn maar als er geen echte wederkerigheid en verbinding in de relatie is, klopt het niet. Haar eigen ouders waren geen feestje samen. Ze denkt dat haar vader al vroeg opgehouden was met leven. Hij kon nog wel charmeren maar hij had geen echte vrienden. Hij hield mensen op afstand. Hij zweeg behalve als hij dronken was. Ze is blijven zitten met veel vragen over haar vader. Griet heeft geprobeerd om haar ouders gelukkig te maken. Erdbrink vroeg of het haar lukte. Terecht merkt ze op dat dit een onmogelijke opdracht was.

Kinderen zullen blijven verlangen naar onvoorwaardelijke liefde. Alleen ouders kunnen dat aan hun kinderen geven en niet andersom. Dat werkt niet. Zij wil zelf absoluut geen relatie hebben zoals die van haar ouders met hun complete gebrek aan empathie voor elkaar. Daarbij helpt het bij het liefhebben van je partner als je jezelf kent, als je inzicht hebt in je eigen blinde vlekken.

Ze laat een fragment zien uit een documentaire waaruit blijkt hoe gemakkelijk het is om kinderen racisme aan te leren en een waaruit blijkt hoe psychologisch onveilig het is om gevluchte gezinnen met kinderen terug te sturen naar het land van herkomst. De veiligheid waarmee deze kinderen hier zijn opgegroeid wordt hen ontnomen wat een enorme ontreddering tot gevolg heeft. Voor de beschadiging van deze kinderen is dit beleid verantwoordelijk. Erdbrink vraagt: Waarom doen we dit? Griet: “We zijn alleen met onszelf bezig!”

Hard leven

Met de schrijver Jonathan Franzen vindt Griet dat je boeken moet schrijven terwijl het schaamrood je op de kaken staat. Erdbrink vraag waar zij zich voor schaamt. Griet is verbaast dat hij dit vraagt na alles wat ze tot nu toe uit de doeken deed maar ze legt het nog wat duidelijker uit: “Schaamte voor alles, voor het niet waard zijn, voor het niet verdienen van alles wat mooi en goed is.” Franzen betoogt dat Kafka over zijn strijd met zijn familie schreef ook al had hij het over insecten. Het blijft kunst ook al zitten er autobiografische elementen in. Een roman moet een persoonlijke strijd zijn, een schrijver moet een persoonlijk risico nemen. Volgens Griet moet er bij elk boek een nieuwe hindernis genomen worden. Bij haar eerste boek was dit de hindernis van het zichzelf te durven te laten zien: “Hé ik ben er ook nog!” Dat was het eerste risico dat ze nam. Als dramaturg was ze dienstbaar maar als schrijfster toont zij zich.

Hard leven betekent dat je strijd voert tegen de banaliteit. Het betekent dat je diep graaft, verder kijkt, veel voelt, intensiteit opzoekt, durft stil te staan en nog dieper durft te denken. Zelfs van grote trauma’s kun je herstellen. Ook al zal de verpletterende leegte je soms blijven overvallen. Die leegte moet je vullen: “Uw grootste noden zijn uw grootste troeven.”

Een plaats bij uitstek waar mensen niet gezien worden is wel de gevangenis. Als dramaturg heeft Op de Beeck toneel gemaakt met gedetineerden. “Wij gaan zo slecht met hen om terwijl van alle kanten is aangetoond dat opsluiten alleen maar schadelijk is. Er is veel te weinig aanbod van therapie in de gevangenis. Dit is een groot gebrek van onze beschaving. Gedetineerden die elke week een therapeut op bezoek krijgen gaan vooruit. Ook voor deze mensen geldt de maakbaarheid. Wij lijken meer op elkaar dan dat we van elkaar verschillen.”

Ze gelooft in de maakbaarheid van de mens maar de mens moet er wel iets voor doen. Dat moge duidelijk zijn. Hoe gevaarlijk een passieve vorm van hoop is wordt volgens haar mooi duidelijk in de rol van Sonja en het toneelstuk Oom Wanja van Tsjechov hoewel ook de andere personages zichzelf dwars zitten. Sonja is verliefd op de dokter in het stuk maar de dokter ziet haar niet staan. Als een ander personage haar aanbiedt om deze toestand te helpen doorbreken zegt Sonja: “Doe mij maar onzekerheid want dan is er tenminste nog hoop”. Het is een gevaarlijke zin omdat Sonja op deze manier blijft ronddraaien in dezelfde cirkel.

Anorexia gaat niet over eten

Volgens Op de Beeck heeft een eetstoornis vooral te maken met een destructief denksysteem. Het gaat over perfectionisme, over schaamte en jezelf willen straffen. Het perfectionisme waardoor je altijd faalt en blijft denken dat je niet mooi bent, niet goed, niets waard. Ze spreekt uit ervaring. Op een goed moment woog ze nog maar 35 kilo en voelde ze liggend in de zon ineens dat haar lijf op was en besloot ze om een etentje te geven. Ze kan nog steeds in gevecht zijn tegen het basismechanisme dat aan de stoornis ten grondslag ligt maar ze is vastbesloten om dat gevecht te winnen. Na een fragment uit de film: ‘Le tout nouveau testament’, legt ze uit dat zij haar trauma helemaal wil aankijken en dat ze de emotie die dat teweegbrengt wil laten bestaan. Het gaat er volgens haar om dat je het verval durft te zien, dat je het leed durft te laten bestaan.

Als dit geen ode is aan de psychotherapie dan weet ik het niet. Veel dank Griet voor je boeken en voor dit interview.

Advertenties

8 reacties

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie

Het geheim van mijn vader

marlieskleiner-650x300

Het geheim van mijn vader is een observerende documentaire waarin Marco’s dochter, Marlies, het gesprek aan gaat met haar vader over zijn incestverleden. Ze reizen samen af naar zijn stacaravan in de bossen in Harfsen. Gedurende hun weekend weg, gaan zij het gesprek met elkaar aan over de grote verschillen die Marlies en haar vader hebben ervaren gedurende hun jeugd. Ondanks Marco’s tragische en onveilige jeugd, heeft hij Marlies veilig en liefdevol grootgebracht.

Terecht schrijft de redacteur van NPO Doc over de filmmakers:

“Knap hoe jullie zo’n moeilijk onderwerp hebben vastgelegd en mooi om te zien hoe vader en dochter dichter bij elkaar komen”.

Ik zag de film op NPO Doc maar hij is hier te zien. Duur: 15 minuten. Heel erg de moeite waard.

http://www.worldvisualsfilm.nl/het-geheim-van-mijn-vader/

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie - Rouwen, Psychotherapie - Trauma

Therapie is taal; het is samen een rijker verhaal maken

Samen een coherent en flexibel verhaal maken waarin meerdere en tegengestelde perspectieven mogen bestaan is een rijker verhaal en kan gezinsleden helpen bij het geven van betekenis aan pijnlijke ervaringen. Het kan helpen bij het reguleren van emoties, bij het vormen van relaties en bij het ervaren van regie over het eigen leven.

Dit is de narratieve systeemtherapie waarmee ik in aanraking kwam via mijn docent en supervisor Robert van Hennik.

Hieronder een samenvatting van een artikel uit Jaargang 23 nummer 2 van het tijdschrift Systeemtherapie van juni 2011 van Robert van Hennik: ‘Verder vertellen’. Hij komt daarin ondermeer met twee modellen die bij het ‘samen verhaal maken’ voor een therapeut behulpzaam kunnen zijn. 

Beeldtaal

Onder taal valt ook beeldtaal. We leven in een beeldcultuur. We kunnen gevangen worden in een beeld. Volgens de schrijver Gabriel Marquez is het zelfs bijna onmogelijk om niet te worden wie ànderen denken dat je bent, om niet te voldoen het beeld dat anderen van je hebben. Een interessante denkoefening wat betreft ‘het gevangen zitten in een beeld’, biedt het beantwoorden van de volgende vraag: “Zou je een herinnering aan jou in het geheugen van een ander willen verwijderen?” Uit: het Vergeetboek van Draaisma.

Wij vormen beelden en beelden vormen ons. Wij ontlenen onze identiteit aan beelden over ons die in onszelf of bij anderen bestaan. Die identiteit (zelfbeeld) bepaalt voor een groot deel onze kansen in relaties en de erkenning die we van anderen krijgen. Van Hennik wil het hebben over samen ‘beeldvormend’ een verhaal maken. De verteller en de luisteraar scheppen samen beelden die  ervaringen omvatten en tegelijkertijd beïnvloeden.

Vertellen in gezinstherapie

Een man kijkt zijn vrouw verbaasd aan. “Ik wist niet dat je daar nog steeds mee zat”… Wanneer het stilvalt wordt het spannend. Wij wachten op woorden … helpen gezinsleden om tot een verhaal te komen over ervaringen die nog niet in taal uitgedrukt zijn.

“Niet verder vertellen”, zegt een meisje van acht indringend tegen haar moeder in gezinstherapie. Moeder, dochter en therapeut kijken elkaar aan. De uitspraak van het meisje confronteert de therapeut met de vraag of verder vertellen goed is en wie daar op dit ogenblik over gaat. Therapie heeft onbedoeld iets dwingends. Je kunt bijna niet, niet vertellen. Het verhaal gaat…

Het is niet de vraag òf we verder vertellen maar hoe wij samen een verhaal maken dat gezinsleden willen delen en dat hen verder helpt. Hoe voer je een dialoog waarin pijnlijke verhalen gedeeld en gereguleerd worden? Hoe maak je samen een beeldvormend verhaal dat recht doet aan de waarden van de verschillende gezinsleden?

Eerst kijken we naar hoe verhalen in verschillende tradities van systeemtherapie worden gebruikt. Daarna komt aan de orde hoe een gedeeld verhaal een beschermende en helende werking kan hebben. Verder blijkt dat in het proces van samen verhaal maken, vooral het verhalend vermogen, de verteltrant en de vorm van het verhaal centraal staan.

Van Hennik ontwierp twee modellen die kunnen helpen om de aandacht van de therapeut te richten op de verteltrant en vorm van het verhaal.

Verschillende manieren van werken met gezinsverhalen binnen de systeemtherapie

– Minuchin (1983) spreekt van gezinsmythes. Volgens de mythes behoren gezinsleden zich op een bepaalde manier te gedragen binnen dit gezin. Zo’n gezinsmythe zou kunnen zijn ‘iedereen behoort zijn eigen problemen op te kunnen lossen’.

– Byng-Hall (1995) komt met de familiescripts die over generaties heen in verhalen en ervaringen worden doorgegeven. Het script is door de gezinsleden geïnternaliseerd en leidt tot verwachtingen en voorspellingen van elkaars gedrag. In de familieverhalen gaat het niet zozeer om de inhoud maar om de vorm en de verteltrant want die zeggen iets over de manier waarop de gezinsleden gehecht zijn.

Een verhaal waaruit veilige gezinsgehechtheid blijkt, is een overwegend coherent verhaal over gebeurtenissen waarin zowel zintuigelijke als betekenis-gevende responsen te herkennen zijn en waarin soms tegenstrijdige aspecten van een ervaring geïntegreerd zijn tot een geheel.

Bij een onveilige, vermijdende gehechtheid zijn de verhalen incoherent, rigide of onsamenhangend. Gebeurtenissen worden geïdealiseerd of gediskwalificeerd. Betekenis-gevende responsen overheersen. Persoon, gebeurtenis en emotie lijken van elkaar los te staan.

Bij een onveilige, ambivalent-gepreoccupeerde gehechtheid zijn de verhalen eveneens incoherent, rigide of onsamenhangend. Er zijn sterke gevoelens over onrecht, over hoe het eigenlijk zou moeten zijn. Zintuigelijke responsen overheersen. Persoon, gebeurtenis en emotie lijken samen te vallen.

– In meerdere tradities binnen de systeemtherapie bestaat er bijzondere aandacht voor het gebruik van de metafoor als verhaal. De metafoor past zo goed in het systeemdenken omdat het een niet-linaire (niet oorzaak-gevolg) beschrijving betreft, die op meerdere manieren te interpreteren is, waar geen waarheidsclaim op rust. Metaforen geven een compleet beeld waarin verschillende feiten en gebeurtenissen in samenhang tot elkaar gezien kunnen worden.

– De narratieve benadering (White 2007) gaat een stap verder en ziet het verhaal niet als een weergave van de werkelijkheid maar als een creatie van de werkelijkheid. Verhalen scheppen onze werkelijkheid. Wij leven onze verhalen.

De verhalen waarmee wij leven omvatten lang niet al onze levenservaringen. Aan de meeste van onze levenservaringen wordt niet actief betekenis gegeven en er zijn veel niet verhaalde ervaringen.

We identificeren ons met verhalen afhankelijk van de respons die er op volgt. Of een ervaring wel of niet verhaald wordt, wel of niet een respons krijgt hangt af van normerende, maatschappelijk en cultureel bepaalde opvattingen. In het therapeutisch ‘verhalen maken’ gaat het om bewuste beeldvorming binnen een sociale en culturele context. De narratieve therapie is met recht een systeemtherapie; niet alleen het systeem rond de client maar ook het bredere systeem van de maatschappij en haar geschiedenis worden meegenomen in de therapie.

Een narratief therapeut laat in het gesprek ruimte ontstaan voor nog niet vertelde verhalen die recht doen aan levenservaringen die gewaardeerd worden door het cliëntsysteem en die uitdrukking geven aan een identiteit die de voorkeur heeft van de cliënt en helpt om een erkennende sociale respons te organiseren bij degenen die het cliëntsysteem omringen. De therapeut laat ruimte ontstaan voor een voorkeursverhaal waardoor het probleem-verzadigde verhaal naar de achtergrond verdwijnt. Zie ook hier op iets andere wijze hetzelfde verwoord: Van ‘dunne’ verhalen naar ‘dikke’ verhalen.

Gezinsverhalen schrijven iets voor; er liggen verwachtingen in besloten ten aanzien van hoe je met elkaar omgaat, hoe je dingen beleeft en in hoeverre, waarvoor  en voor wie je beschikbaar bent. Gezinsverhalen ontstaan in een dialoog, hebben een inhoud, een vorm en een structuur. Dit alles is van invloed op de mate waarin er met een verhaal uitdrukking gegeven kan worden aan persoonlijke ervaringen.

Beschermende verhalen: narratieve ‘holding’

Het ‘samen verhaal maken’ kan ons helpen terwijl het tegelijkertijd pijn kan doen. Vandaar de aandacht voor narratieve ‘holding’. ‘Holding’ in de betekenis van invoelend opvangen. Een kind wordt invoelend opgevangen door zijn moeder met haar weergave van zijn ervaringen ook al waren die ervaringen gefragmenteerd.

De therapeut die narratieve ‘holding’ beoogt, let op het vertellend vermogen, de verteltrant en de vorm van het verhaal met als doel dat er in samenspraak nieuwe betekenissen worden ontwikkeld.

Een gedeeld, coherent en voldoende flexibel verhaal heeft een beschermende en helende uitwerking wanneer mensen zich geconfronteerd zien door ingrijpende ervaringen. Iemand die meervoudige versies van zichzelf in zichzelf verhaald heeft, beschikt over meer veerkracht in reactie op stress en trauma. Het toegankelijk maken, verrijken en delen van levensverhalen stelt mensen in staat om, ondanks de invloed van trauma’s, eigen regie te herkennen en daarmee te leven.

Voordat iemand kan beschikken over beschermende verhalen moet hij eerst vermogen hebben om over ervaringen te verhalen/vertellen. Om in therapie het verhalend vermogen te bevorderen kan het helpen om te weten hoe ervaringen in het geheugen worden opgeslagen.

Het geheugen

Ervaringen worden afhankelijk van de ontwikkelingsfase van een kind in verschillende geheugensystemen opgeslagen. Onderscheiden worden het impliciete en het expliciete geheugen.

In het impliciete geheugen worden repeterende stimuli  als zintuigelijke (geuren bijvoorbeeld) belevingen voor-bewust en pre-verbaal opgeslagen.

In het expliciete geheugen wordt informatie bewust en verbaal opgeslagen. Het expliciete geheugen wordt ingedeeld in 1. het verhalende geheugensysteem waarin betekenissen toegekend worden; 2. het episodisch geheugensysteem, waarin meerdere betekenissen met elkaar verbonden worden en er een verhaal ontstaat en; 3. het integratieve geheugensysteem waarin er op deze verhalen gereflecteerd kan worden.

Mensen die een ernstig trauma hebben meegemaakt slaan informatie daarover vaak gefragmenteerd op. Bij het vertellen hierover kunnen voor-bewuste zintuigelijke herbelevingen geactiveerd worden (uit het impliciet geheugen) of kunnen juist de betekenis gevende responsen (uit het expliciet geheugen) gaan domineren. Hierdoor ontstaat er geen geïntegreerd verhaal waarin de verteller ervaringen heeft geordend en waarmee hij zich identificeren kan.

Het is voor kinderen een opgave om impliciet opgeslagen informatie te verbinden met betekenissen die in interacties ontstaan en te leren schakelen tussen binnenwereld en buitenwereld. Getraumatiseerde kinderen kunnen dit vaak niet. Er is een tussenruimte denkbaar. Winnicot (1971) spreekt van een bemiddelende tussenruimte met elementen uit de binnen- en buitenwereld die een kind met fantasiespel betreedt. Zo worden groei en ontwikkeling mogelijk.

Een metafoor kan net zoals fantasiespel fungeren als een intermediair tussen de logische taal van het rationale denken en de analoge taal van de emoties en verbeelding. Smith (2005) laat kinderen met oorlogstrauma’s verhalen maken waarin werkelijkheid en fantasie opzettelijk door elkaar lopen. Ze lezen die verhalen voor aan hun ouders. Het actief helpen schakelen tussen fantasie en realiteit en tussen beleving en vertelling is hierbij essentieel.

In dialoog is men bezig om de taal van het innerlijk leven dat door trauma’s onvoldoende is ontwikkeld of gefragmenteerd is geraakt te herstellen.

Twee modellen die hierbij helpen: Het model voor het integrerend (tot een geheel samenvoegend) verhalen/vertellen en het model voor kalme chaos, verbinding en regie.

Model 1:  Integrerend verhalen

integrerend verhalen

Het model heeft de vorm van een trap. We kunnen bij het samen verhaal maken treden op de trap naar boven en beneden nemen. De treden lopen van beleven (onderaan de trap) tot aan begrijpen of reflecteren op afstand (bovenaan de trap). Tussen de onderste drie treden en de bovenste drie treden is er de trede van de fantasie en de metafoor: de trede die de schakel vormt tussen het uitdrukken van de beleving en het geven van betekenis aan de beleving.

Een verhaal waarin de betekenis-gevende responsen overheersen is te verrijken door te bewegen van begrijpen naar beleven, van boven naar beneden op de trap, via de tussenruimte van de fantasie en de metaforen en te vragen naar belevingen en gemoedstoestanden en naar zintuigelijke responsen.

Een samenhangend en flexibel verhaal met zowel zintuigelijke als betekenis-gevende responsen is te verrijken door een stapje naar boven te doen op de trap en uit te nodigen tot reflectie, waarmee bijstelling en meerdere perspectieven mogelijk worden.

 Model 2:  Kalme chaos, verbinding en regie

Van Hennik noemt dit model ‘kalme chaos’ omdat hij een beetje chaos ziet als een voorwaarde voor het kunnen reflecteren op een vertrouwd geworden, probleem verzadigd verhaal. De therapie vraagt aan de verteller om een beetje buiten de orde van het bestaande verhaal te treden. Wanneer mensen stress ervaren, vernauwt de blik, houden ze vast aan zekerheden en neemt het reflectieve vermogen af.

kalme chaos

Aan de uiteinden van de groene lijnen in het model bevinden zich de extreme eigenschappen die verhalen kunnen hebben. Op lijn A (betrokkenheid), van teveel betrokkenheid naar te weinig betrokkenheid in het verhaal. Op lijn B (ordening): van teveel ordening, een rigide verhaal dat domineert naar te weinig ordening, een onsamenhangend chaotisch verhaal. Op lijn C (emotie-regulatie) van teveel emotie naar geen emotie in het verhaal. Op lijn D (regie): van teveel regie, een vervreemdend, objectiverend verhaal waarin mensen of dingen geïsoleerd van de context beschreven worden naar te weinig regie, een verhaal waarin iemand zichzelf beschrijft als willoos overgeleverd aan de omstandigheden, als ‘dust in the wind’. Dit model helpt de therapeut om de verhalen te herkennen waarmee het gezin niet tot samenspraak komt.

Van Hennik spreekt liever niet van interventies maar van uitnodigingen om tot samenspraak te komen. Uitnodigingen kunnen worden afgeslagen en uitnodigen vraagt om afstemming. Hoe kunnen gezinsleden zeggen wat zij willen zeggen zonder het contact te verliezen met elkaar?

Uitnodigingen

Hieronder volgen enkele mogelijke therapeutische uitnodigingen. In het model ‘kalme chaos’: terug te vinden in de oranje gekleurde cirkeltjes.

1. Leden van het gezin uitnodigen om een persoonlijke respons te geven op elkaars verhalen. Uitnodigen om samen een creatieve opdracht te doen om tot samenspraak te komen.

2. Uitnodigen tot bijvoorbeeld ‘outsider witness’ reflecties, een typische narratieve techniek. Hiermee kunnen de grenzen tussen gezinsleden gemarkeerd worden. Bij een teveel aan betrokkenheid en een uniform verhaal kan dit leiden tot hervertellingen waarin er binnen de gezamenlijkheid ook verschillen kunnen bestaan.

In ‘outsider witness’ reflecties wordt een gezinslid door de therapeut geïnterviewd en de anderen wordt gevraagd te luisteren vanuit een getuigen-positie. Daarna wordt aan de getuigen gevraagd om niet oordelend te reageren en vragen te beantwoorden zoals: Welk woord trok jouw aandacht, komt er een metafoor in jou op, raakt het aan een eigen ervaring, hoor je iets nieuws, waartoe zet het je aan?

3. Uitnodigen om verbanden te ontdekken, vragen naar overeenstemming in de verschillende verhalen en helpen met thematiseren.

4. Uitnodigen om de aandacht te richten op andere dan probleem-verzadigde verhalen.

5. Uitnodigen om te kalmeren en te mentaliseren.

6. Uitnodigen om uitdrukking te geven aan gevoelens in geuren en kleuren of door ze uit te beelden.

7. Uitnodigen om de relatie met de context te herstellen door bijvoorbeeld circulaire vragen te stellen. Een circulaire vraag is bijvoorbeeld: Wat zou jouw grootvader zeggen als hij in jouw plaats zou staan? Of uitnodigen om te verhalen over de invloed van algemeen aanvaarde opvattingen: Wat heb je geleerd hierover te denken?

8. Uitnodigen om ik-boodschappen te geven en de aandacht te richten op het effect daarvan.

Tot slot enkele vormen van verhalen

Met de twee modellen in gedachten probeert van Hennik om een context te scheppen waarin het gezin een ander gesprek voert dan ze thuis gewend zijn opdat er in samenspraak betekenis ontwikkeld wordt, in het licht van de vele levenservaringen. Van elke sessie maakt hij een verslag in verhaalvorm dat hij de volgende keer voorleest aan de gezinsleden. Na verloop van tijd worden deze verhalen samengevat.

Van Hennik vindt het belangrijk dat verhalen vastgelegd worden. Woorden op papier of film verdwijnen niet en kunnen zo blijvend getuigen van gewenste ontwikkelingen.

Drie vormen van verhalen zijn: parallelverhalen, voorkeurverhalen en het samen tekenen van een levenslijn.

Parallelverhalen zijn vertellingen waarin een opeenvolging van gebeurtenissen overeenkomt met een werkelijke opeenvolging van gebeurtenissen maar uitgedrukt in een symbolische vorm. De samenhang tussen de ‘werkelijke’ en de gesymboliseerde wereld is voor meerdere interpretaties vatbaar. Binnen het parallelverhaal zoeken de gezinsleden naar voortgang en oplossingen. Het is een speelse manier van werken waarbij de intuïtie en het meegaan in het moment een rol spelen. De kunst van deze therapie is om te spelen zoals kinderen doen wanneer ze zich in een veilige omgeving bevinden.

Voorkeurverhalen  zijn verhalen waarin een gewenst beeld wordt gevormd. In een dergelijk nieuw en verrijkt verhaal ontstaat er een groter repertoire van betekenissen waarmee een diversiteit van ervaringen begrepen kan worden. Unieke uitkomsten, niet verhaalde ervaringen worden aan elkaar geregen tot een nieuw meerstemmig verhaal met nieuwe conclusies over identiteit en relaties.

Bij het tekenen van een levenslijn tekenen ouders en kinderen samen hun familiegeschiedenis. Op de bovenste lijn worden de feitelijke gebeurtenissen chronologisch opgeschreven. Daaronder heeft ieder gezinslid een eigen belevingslijn. Gezinsleden tekenen of schrijven iets waarmee zij uitdrukking geven aan hun gevoel. Zo ontstaat er een verhaal waarin de loop der gebeurtenissen overeenkomen en waarin er differentiatie mag bestaan in de beleving van die gebeurtenissen door verschillende gezinsleden.

Een eerdere blogpost over narratieve therapie hier

7 reacties

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie

Gesprek met een steen

In mijn artikel: Hoe gehecht bent u?, heb ik de twee onveilige vormen van gehecht zijn kort beschreven.

Dit waren de angstig-ambivalente ofwel aanklampende gehechtheid en de angstig-vermijdende of gereserveerde manier van gehecht zijn.

In het gedicht: ‘Gesprek met een steen’ van Wislawa Szymborska vindt een poëtische dialoog plaats tussen deze twee, sterk van elkaar verschillende hechtings-posities.

Wislawa Szymborska

Gesprek met een steen

Ik klop op de deur van een steen.

‘Ik ben het, doe open.

Ik wil in je binnenste gaan,

overal rondkijken,

met jou mijn longen vullen.’

‘Ga weg’ zegt de steen.

‘Ik ben hermetisch gesloten.

Zelfs aan stukken geslagen

zullen we hermetisch gesloten blijven.

Zelfs fijngewreven tot zand

zullen we niemand binnenlaten.’

Ik klop op de deur van de steen.

‘Ik ben het, doe open.

Ik kom uit louter nieuwsgierigheid

die alleen het leven kan bevredigen.

Ik ben van plan door je paleis te wandelen

en daarna nog blad en waterdruppel te bezoeken.

Ik heb niet veel tijd voor al die dingen.

Mijn sterfelijkheid hoort je te ontroeren.’

‘Ik ben van steen,’ zegt de steen,

en moet daarom mijn ernst beslist bewaren.

Ga weg van hier.

Ik heb geen lachspieren.

Ik klop op de deur van de steen.

‘Ik ben het, doe open.

Ik heb gehoord dat binnen grote lege zalen zijn,

onbezichtigd en vruchteloos mooi,

verlaten en zonder echo van enige voetstap.

Geef toe dat je er zelf niet veel van weet.’

‘Ja grote en lege zalen,’ zegt de steen

‘daar is alleen geen plaats.

Mooi, wellicht, maar dat gaat de smaak

van jouw gebrekkige zintuigen te buiten.

Je kunt me leren kennen, maar ervaren nooit.

Mijn hele oppervlak keer ik jou toe,

met mijn hele binnenste lig ik afgewend’.

Ik klop op de deur van de steen.

‘Ik ben het, doe open.

Ik zoek in jou geen toevlucht voor altijd.

Ik ben niet ongelukkig.

Ik ben niet dakloos.

Mijn wereld is een terugkeer waard.

Ik kom en ga met lege handen.

En als bewijs dat ik er werkelijk ben geweest,

kan ik niets anders laten zien dan woorden

die niemand zal geloven.

‘Je komt er niet in,’ zegt de steen.

Je mist de zin om deel te nemen.

En er is niets wat dat vervangen kan.

Zelfs een tot alziendheid aangescherpte blik

zal je zonder deze eigenschap niets baten.

Je komt er niet in, weet niets van de zin om deel te nemen,

bezit daarvan hoogstens een kiem, de verbeelding.’

Ik klop op de deur van de steen.

‘Ik ben het, doe open.

Ik kan niet tweeduizend eeuwen wachten

voor ik in jouw huis mag komen.’

‘Als je mij niet gelooft,’ zegt de steen,

‘vraag dan het blad, je zult hetzelfde horen.

Vraag het de waterdruppel, zijn antwoord luidt net zo.

Vraag het tenslotte een haar op je eigen hoofd.

Een lach zwelt in me aan, een reusachtige lach,

maar ik weet niet hoe ik hem moet lachen.’

Ik klop op de deur van de steen.

‘Ik ben het, doe open.’

‘Ik heb geen deur,’zegt de steen.

Het boek: Hechtingsproblemen in gezinnen van Jean-Marie Govaerts heeft dit gedicht opgenomen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie