Categorie archief: Psychotherapie

De kunst van het wandelen

Dit bericht is een vertaling en samenvatting van een essay van de eigenzinnige Amerikaanse dichter en filosoof Henry David Thoreau. Het essay heet ‘Walking’ en is gepubliceerd in 1862, een maand na zijn dood. Thoreau bezingt het wandelen, hij is de eerste ware natuurflaneur. Een beroemd boek van hem is ‘Walden’ over het leven in de bossen.

Hij neemt het op voor de natuur, voor de absolute vrijheid en voor de wildheid en wil de mens beschouwen als een onderdeel van de natuur, eerder dan als lid van de maatschappij.

Er werd naar dit essay verwezen door Bregje Hofstede in een bijdrage in De Correspondent over hoe zijzelf uit een burn-out kwam door te wandelen. Hofstede over Thoreau en haar wandeltherapie:

‘Iedere wandeling is een soort kruistocht,’ vindt hij, ‘om dit Heilige Land te heroveren.’ Het Heilige Land dat hij bedoelt, is een heel aards paradijs, nergens te vinden behalve hier en nu; de verlossing bestaat uit landweggetjes en een paar uur voor jezelf.

Wandelen stond centraal in mijn herstel van de burn-out, en is een constante in alle adviezen die ik daar ooit over las. Wandelcoaching is een genre binnen de begeleiding van burn-outpatiënten, daarnaast is er een joggingvariant. Ook om burn-out te voorkomen, lijkt wandelen effectief. Thoreau’s heilsverwachting begeleidt de wandelaar nog steeds. Waarom?

Lees vooral het artikel van Hofstede maar dit bericht is een vertaalde en verkorte versie van Thoreau’s essay. Zijn negentiende eeuwse engels is niet makkelijk te lezen maar hij zegt interessante dingen en neemt interessante dingen waar. Vandaar dat ik er voor ging zitten om het te ontcijferen. Mijn wandelingen zijn er een stuk romantischer op geworden.

Foto’s gemaakt tijdens wandelingen op de Oude Buisse Heide, januari 2019

Wandelen is dwalen

Een Engels woord voor wandelen, voor de kunst van het wandelen, slenteren of kuieren is ‘sauntering’. Dit woord is volgens Thoreau afgeleid van het Franse ‘sainte terrer’ dat gebruikt werd voor de middeleeuwse zwervers die te voet en bedelend door Frankrijk trokken. Deze wandelaars werden als lui en nutteloos gezien, als vagebonden die maar zeiden dat ze op weg waren naar het heilige land. Franse kinderen riepen deze mensen na: ‘sainte terrers’, ‘heilige landers’. Volgens etymologen is het woord ‘sauntering’ verwant aan het Nederlandse woord ‘slenteren’ of het Duitse woord ‘schlendern’. Het heeft dus niet echt iets te maken met het op weg zijn naar het heilige land.

Je zou volgens Thoreau ook kunnen bedenken dat het woord ‘saunterer’ afgeleid is van het Franse ‘sans terre’, zonder aarde, zonder vaste verblijfplaats. De zwerver of de wandelaar die zich overal thuis voelt. Dit is het geheim van de wandelaar; hij voelt zich overal thuis terwijl hij wandelt. Degene die thuis blijft is pas echt lui en nutteloos.

Hoewel ik de betekenis van de ‘saunterer’ als mens zonder vaste verblijfplaats een aantrekkelijke vind gaat Thoreau’s voorkeur uit naar de meer transcendente betekenis; die van de wandelaar die op weg is naar ‘het heilige land’. Thoreau heeft zelf maar weinig mensen ontmoet die op deze manier wandelen en die volgens hem echt begrepen wat de kunst van het wandelen inhield. Een wandelaar is zoals een slingerende beek, die de kortste weg naar de zee zoekt.

De tegenwoordige wandelaar begint zelden meer aan een eindeloze tocht. Meestal keert hij aan het eind van de dag terug naar de haard die hij ’s ochtends verliet. Veel wandelingen hebben we al eens eerder gemaakt. Toch zouden we zelfs de kortste wandelingen kunnen maken in de geest van het eindeloze avontuur, alsof we niet meer zullen terugkeren. Alsof we bereid zijn om familie en vrienden achter ons te laten. Onze schulden afgelost, de erfenis nagelaten, zaken geregeld en dan als vrij mens op pad. Pas als je op deze manier kunt vertrekken, ben je klaar voor het echte wandelen.

Samen met een wandelvriend fantaseerde Thoreau soms alsof zij iets belichaamden van een heldhaftige ridder te paard uit oude tijden, maar dan wel een ridder van een eerbare orde en niet in dienst van de kerk of de staat maar een dolende ridder. Zij meenden dat zij de twee enigen waren die deze edele kunst van het wandelen beoefenden. De vrije tijd, de vrijheid en onafhankelijkheid van deze toestand vonden ze van onschatbare waarde. Zij ontvingen als wandelaars direct toestemming vanuit de hemel. Ze waren geboren om te wandelen.

Volgens Thoreau mijmeren mensen graag over het verdwalen dat zij ooit, jaren geleden een keer op een wandeling meemaakten. Daarna hebben zij zich voor de rest van hun leven gehouden aan de gebaande paden. Zij menen over vrijheid en avontuur te kunnen meepraten omdat ze één keer gedurende een half uur de weg kwijt geweest zijn.

Hij meent dat je alleen gezond blijft als je minstens vier uur per dag door de bossen, velden of heuvels dwaalt, vrij van de wereldlijke beslommeringen. Hij beschrijft winkeliers uit zijn buurt die de hele dag in hun winkel zitten alsof hun benen niet gemaakt zijn om mee te lopen. Volgens Thoreau pleit het voor deze mensen dat ze nog geen eind aan hun leven gemaakt hebben, want hij zou het zitten geen dag vol houden. Hij zou zich vastgeroest voelen. Wanneer hij op een dag pas aan wandelen toekomt om vier uur ’s middags, als het licht het einde van de dag aan kondigt dan voelt het voor hem alsof hij een zonde heeft begaan.

Hij verbaast zich over het uithoudingsvermogen van zittende mensen maar ook over hun morele ongevoeligheid. Hoe kunnen ze het weken en maanden lang zittend in hun kantoren uithouden? Hij verbaast zich ook over hoe vrouwen, die meer aan huis gebonden zijn dan mannen, dit kunnen, hoewel hij denkt dat vrouwen het eigenlijk helemaal niet kunnen. Misschien hebben temperament en leeftijd er wel iets mee te maken bedenkt hij dan. Als je ouder wordt kun je makkelijker stil zitten en heb je genoeg aan een korte wandeling laat in de middag.

Het wandelen zoals Thoreau het beschrijft lijkt desalniettemin in weinig op lichamelijke oefening. Voor hem is een wandeling een avontuur; een zoektocht naar de bron van het leven. De bron die opborrelt in een veld verderop waar je het niet verwacht. Een zoektocht naar het heilige land.

Verblijven in de buitenlucht, in de zon en de wind leidt mogelijk tot een wat ruwere persoonlijkheid zoals ook het doen van veel handarbeid leidt tot ruwe handen, maar van veel binnen blijven zitten kan de huid weer te dun worden en de persoonlijkheid overgevoelig. Het mooist is als er een goede verhouding is tussen een dikke en een dunne huid, net zoals er goede verhoudingen zijn tussen dag en nacht, zomer en winter, tussen denken en ervaren.

Onze gedachten kunnen volgens Thoreau wel wat meer lucht en zonlicht gebruiken. We moeten de bossen en de velden in en dan niet alleen met ons lichaam maar ook met onze geest. Als je gedachten nog bij je werk zijn dan ben je niet waar je lichaam is en je zintuigen zijn. Wat heb je in het bos te zoeken als je er met je gedachten niet bij bent, vraagt Thoreau zich af.

Hij woonde zelf in een omgeving waar vele en verschillende goede wandelingen mogelijk waren. Dat er steeds meer bossen gekapt werden zag hij met lede ogen toe. Maar hij zelf kon nog gemakkelijk vele mijlen lopen vanuit zijn eigen voordeur zelfs zonder eerst langs andere huizen of wegen te moeten gaan. Behalve dan langs de wegen die door een vos of een das gebruikt werden. Mijlen in de omtrek was er geen bebouwing. Hij liep eerst langs een rivier en dan langs een meer, een wei en een houtstapel. Het deed hem goed om te zien hoe weinig plaats de mens en zaken die de mens bezighouden, innamen op zijn wandelingen, zaken zoals kerk, staat, school, handel, fabricage, agricultuur en politiek, wat hij het ergste van alles vindt. Op zijn wandelingen kan hij van dat alles gemakkelijk afstand nemen.

Hij heeft er weinig behoefte aan om een weg te volgen naar een herberg of een winkel. Hij loopt liever de natuur in zoals een dichter en liever niet op de gebaande paden. Er zijn maar weinig wegen waar je als wandelaar iets aan hebt. Een zo’n weg is ‘the Old Marlborough Road’, waar Thoreau een gedicht over geschreven heeft. Elke stad heeft wel een paar van dat soort wegen. ‘The old Marlborouh Road’  is een weg die eigenlijk geld had moeten opleveren, wat niet gebeurde en waarover het reizen nu zoet is. Enkele regels uit het gedicht:

The Old Marlborough Road

When the spring stirs my blood
With the instinct to travel,
I can get enough gravel
On the Old Marlborough Road.

Nobody repairs it,
For nobody wears it;
It is a living way,
As the Christians say.

What is it, what is it
But a direction out there,
And the bare possibility
Of going somewhere?

If with fancy unfurled
You leave your abode
You may go round the world
By the Old Marlborough Road.

De beste stukken land hebben volgens Thoreau geen eigenaar waar de wandelaar vrij kan rondlopen maar op een dag zal ook dit land afgescheiden zijn en een bestemming krijgen waardoor je er minder plezier aan beleeft, land waar hekken geplaatst zijn en andere beperkingen gelden. Wanneer een stuk land iemands eigendom is dan wordt het lopen over God’s aarde als lopen op verboden terrein. Het exclusief hiervan genieten door de eigenaar kan geen ècht genieten zijn volgens Thoreau. Mogelijkheden om vrij te wandelen moeten we vergroten in plaats van verkleinen.

Hij meent dat er in de natuur een soort magnetisme werkzaam is die ons een bepaalde richting op stuurt, die ons iets zal opleveren. Soms is het goed om een richting in te slaan die vreemd voor je is. Als hij zelf zijn instinct volgt dan leidt de richting hem meestal naar het westen of zuidwesten. Daar ligt zijn toekomst, denkt hij. De omtrek van zijn wandeling heeft meestal de vorm van een eclips. Hij vindt het moeilijk om te geloven dat er in oostelijke richting ook mooie en wilde landschappen te vinden zijn en dat er daar ook vrijheid achter de horizon gloort.

De natuur in het wilde westen

In zijn neiging om westwaarts te gaan meent Thoreau niet alleen te staan. Volgens hem trekken mensen oostwaarts voor de kunst en de literatuur maar trekken ze westwaarts op zoek naar de toekomst en het avontuur. Hij is een Amerikaanse filosoof en Amerikanen zijn over de Atlantische Oceaan gekomen, lieten de Oude Wereld achter zich en vòòr hen in het westen lag de Stille Oceaan die nog veel groter was dan de Atlantische. Elke zonsondergang inspireert volgens Thoreau het verlangen om in Westelijke richting te lopen; de zon migreert naar het Westen en verleidt ons om te volgen.

Columbus voelde zich aangetrokken tot het Westen. Thoreau meent dat er nergens op aarde zoveel rijk en vruchtbaar land is als in de Amerika’s. Er zijn bijvoorbeeld veel meer soorten grote bomen dan in Europa. Het Amazonegebied van Zuid Amerika is de grootste wildernis op aarde. Wat dit alles bewijst is Thoreau uiteindelijk niet zo zeker van maar hij ziet de neiging om een bepaalde richting uit te gaan ook in de trek van vogels en andere dieren.

Hij schrijft nog wat verder aan zijn romantische visie op de natuur in de Amerika’s en zijn voorkeur om in westelijke richting te wandelen. Hij noemt zichzelf een echte patriot. Amerika is volgens hem en veel andere ontdekkingsreizigers en tijdgenoten gemaakt voor de mens uit de oude wereld. De oorspronkelijke bewoners, de Indianen, zullen hier wel anders tegen aan gekeken hebben en nog kijken, denk ik.

‘De mens’, vervolgt Thoreau, heeft de rijke aarde van Europa uitgeput en steekt dan de oceaan over richting het Westen, op avontuur om zich verder te ontwikkelen. Hij citeert een Latijnse uitspraak: ‘Oriente lux, ex occidente frux’: Uit het oosten komt het licht en uit het westen de vruchten.

De Engelse reiziger Francis Head, die later gouverneur van Canada werd, beschrijft de natuur in de Nieuwe Wereld als aanwezig op een grotere schaal met meer kostelijke kleuren dan in de Oude Wereld. De hemel is er hoger en blauwer, de lucht is er frisser, de kou intenser, de sterren helderder, de maan lijkt groter, het onweer klinkt luider, de bliksem is levendiger, de wind sterker, de regen zwaarder, de bergen hoger, de rivieren langer, de wouden groter en de vlakten wijder.

Thoreau meent dat dit alles iets zou moeten betekenen voor het niveau van de filosofie, de dichtkunst en de godsdienst die uit Amerika komt. Want een klimaat heeft invloed heeft op de mens. Frisse berglucht kan de geest voeden en inspireren. Of maakt het soms niet uit of je vele dagen van je leven in de mist doorbrengt, vraagt hij. Wij Amerikanen zouden toch tot meer verbeelding in staat moeten zijn en tot helderdere gedachten, frisser en spiritueler en tot een dieper en breder begrip moeten kunnen komen als onze vlakten, bergen, hemel, rivieren, wouden, enz. wijder, hoger, langer en groter zijn? Wat zou anders de zin zijn geweest van het ontdekken van de Amerika’s?

Leven dat de mens nog niet onderworpen heeft, verheft hem

Het westen is eigenlijk het wilde westen en de wildernis ligt ten grondslag van onze wereld. Elke boom is met zijn vezels op zoek naar het wilde. Onze voorouders waren wild. Het verhaal uit de Oudheid van Romulus en Remus die gezoogd werden door een wolvin, is niet zonder betekenis. De bron die ons voedt en levenskracht geeft is een wilde bron. Het lag niet aan de wolf dat het Romeinse Rijk instortte. Thoreau zou het liefst leven op een plek waar nooit eerder iemand zich vestigde. De Schot George Gordon-Cumming, die in Afrika jaagde schreef dat de huid van een elandantilope de meest verrukkelijke geur van bomen en gras verspreidt. Thoreau zou het liefst willen dat je aan mensen ook kunt ruiken op welke plek in de natuur ze de meeste tijd doorbrengen.

Darwin beschreef ooit een blanke man die aan het baden was naast een Tahitiaan en het leek hem alsof hij naar een, door kunstgrepen verbleekte plant keek en daarnaast een fijnere, groene en wilde plant vol met energie zag. Het wilde is het meest levende. Leven dat de mens nog niet onderworpen heeft tilt hem op, verfrist hem. Hoop en toekomst zijn niet te vinden in een gecultiveerd landschap maar wel in de ondoordringbare en van leven trillende moerassen.

Er is niets rijker voor het oog dan een veld met wilde bloemen. Als Thoreau voor de keuze zou worden gesteld om te verblijven in de buurt van de mooiste tuin die ooit door een mens gemaakt is of een of ander rampzalig moeras, dan zou hij beslist voor het moeras kiezen. Voor hem is al het werk van de mens aan zijn tuin ijdelheid.

‘Geef me de oceaan, de woestijn of de wildernis!’, roept hij uit. De zuivere lucht en de eenzaamheid van een woestijn compenseren voor het gebrek aan water. Je moraal verbetert er, je wordt er vriendelijk, hartelijk en gastvrij. Zij die gereisd hebben in de steppen van Tartarije zeggen als ze thuis komen: Terugkomend in het gecultiveerde land zijn het de agitatie, de verwarring en de verstoringen die je bedrukken en verstikken.

Thoreau betreedt een moeras alsof het een heilige plaats is want daar is de kern en de kracht van de natuur te vinden. Wild hout overwoekert er de maagdelijke schimmels en de aarde is er goed voor zowel bomen als mensen. Moerassen en wouden zijn net zo onontbeerlijk voor het leven in de stad als rechtvaardige mensen. Een stad of dorp dat omgeven wordt door wilde natuur geeft zijn bewoners niet alleen aardappelen maar ook dichters en filosofen. Beschavingen overleven zolang de aarde niet uitgeput wordt.

Ook in de literatuur is het wilde het meest aantrekkelijk. Het is het onbeschaafde, vrije en wilde denken in Hamlet en de Ilias en in alle andere verhalen en mythologieën die ons verrukken. Het tamme is saai. Een goed boek is iets natuurlijks, onverwacht zuiver en perfect zoals een wilde bloem in de prairie of de jungle. Genialiteit geeft licht in de duisternis, een bliksemschicht die de tempel van kennis op zijn grondvesten doet schudden.

Waar is de literatuur die uitdrukking geeft aan de Natuur? Waar is de dichter die indruk maakt op de wind en de rivieren, die deze laat spreken, die woorden geeft aan hun zintuigen? Waar is de dichter die woorden op een bladzijde zet waar de aarde nog aan vast zit zoals de aarde vast zit aan de wortels, woorden die zo waar en vers zijn dat het lijkt alsof ze op springen staan zoals de knoppen in de lente, woorden die in bloei staan en elk jaar opnieuw vruchten geven aan de lezer, woorden die houden van de natuur?

Thoreau kent geen gedichten die het verlangen naar de wildernis echt goed uitdrukken. Zelfs de beste poëzie vind hij matig in dit opzicht. De Griekse mythologie komt het meest dichtbij, een mythologie die de oogst was van de antieke wereld voordat deze uitgeput werd en de inbeelding en verbeelding verteerd werden. Een mythologie die nog steeds werkt wanneer haar zuivere zeggingskracht de ruimte krijgt.

Het westen moet zijn verhalen nog toevoegen aan die van het oosten. De valleien van de Ganges en de Nijl wierpen hun literaire vruchten af en het valt te bezien of de Amazone en de Mississippi dit ook zullen doen. Misschien ontstaat er ooit een inspirerende Amerikaanse mythologie. Misschien wordt de Amerikaanse vrijheid ooit een inspirerend verdicht verzinsel uit het verleden.

Hoe dan ook, goede dingen zijn wilde dingen. Een stuk muziek dat klinkt als een zomeravond of als het roepen van een wild dier uit het woud bijvoorbeeld. Thoreau houdt er van als een huisdier nog iets laat zien van zijn oorspronkelijke wildheid zoals een koe in de weide die op een lentedag een rivier inspringt. Er is nog iets van instinct bewaard gebleven. Hij hoopt dat ook de mens iets van zijn wilde trekken bewaart.

Een wild paard moet gebroken worden voordat hij de knecht van een mens kan zijn. De meeste mensen worden tam geboren maar dat betekent niet dat degenen die een beetje wilder zijn gebroken moeten worden. Je hoeft een tijger niet te temmen en ook hoef je niet, andersom, een schaap te laten verwilderen. We moeten ruimte geven aan het kind in ons en niet te snel de aangepaste volwassene willen zijn. We moeten niet elk onderdeel van een mens willen cultiveren zoals we ook niet alle aarde moeten willen cultiveren. Een deel van de aarde kunnen we bebouwen maar het grootste deel moet niet in gebruik zijn zodat de schimmels hun weg weten te vinden.

Voor ons ligt de uitgestrekte, woeste, zwevende moeder natuur, die ons overal omringt, met zo’n schoonheid en genegenheid voor haar kinderen, zoals een luipaard dat heeft; en toch maken we ons los van haar en wenden ons richting de mensen maatschappij die een beschaving produceert die bestemd is om snel te eindigen.

Het mooie van onwetend zijn

Spanjaarden hebben een goed woord voor wilde en schemerige kennis ‘grammatica parda’, een soort van aangeboren gevatheid. Kennis is macht zegt men maar er is volgens Thoreau naast nuttige kennis ook nuttige onwetendheid of schone kennis, een kennis die bruikbaar is in hogere zin. Nuttige kennis maakt ons verwaand, we scheppen op met die kennis maar we zijn beroofd van de voordelen van onwetendheid. We verzamelen een ontelbare hoeveelheid feiten, slaan deze op in ons geheugen maar als er een lente in ons leven komt en we rondstruinen zoals een paard in de wei, dan willen we vers gras en geen hooi. Eet gras, je hebt lang genoeg hooi gegeten!

Met wie heb je liever te maken? Met een mens die over een onderwerp niets weet en die, wat uitzonderlijk is, weet dat hij niets weet òf met de mens die wèl iets van het onderwerp weet en meent dat hij er alles van weet?

Thoreau heeft een onophoudelijk verlangen naar kennis maar baadt zijn hoofd graag in het onbekende. Het hoogste waar we volgens hem naar moeten streven is niet zozeer kennis maar een ingenomen zijn met intelligentie, een ingenomen zijn met momenten waarop de mist plaats maakt voor de zon.

Er zit iets slaafs in het volgen van de regels. We kunnen wetten en regels bestuderen maar er zijn geen regels voor een succesvol leven. Leef vrij, kind van de mist! Want dat zijn we allemaal; kinderen in de mist. De mens die vrij is staat boven de wet, juist op grond van zijn verhouding met de wet. Volgens een oude Indiase tekst is het onze plicht om actief kennis te vergaren die ons bevrijdt. Alle andere plichten zijn vermoeiend; alle andere kennis is niet veel meer dan een handigheid.

Er is te weinig waardering voor de schoonheid van de natuur. We weten dat de oude Grieken de wereld Kosmos noemde, wat schoonheid of orde betekent, maar we begrijpen niet echt waaròm ze de wereld zo noemden. Thoreau ziet de natuur als een enorme en universele persoonlijkheid die wij amper kennen.

In hoeverre laat de natuur zich kennen

Thoreau wandelde veel rond de kleine stad Concord in de staat Massachusetts waar hij woonde. Hij had het gevoel dat hij leefde op de grens van de natuur waar hij af en toe in kon bevinden: “Tot een leven dat ik echt natuurlijk noem, zou ik graag zelfs een dwaallicht volgen door ondenkbare moerassen en slenken, maar geen maan of vuurvlieg heeft me ooit de weg er naartoe laten zien.”

Hij beschrijft een wandeling op het landgoed Spaulding bij hem in de buurt en ziet de ondergaande zon oplichten aan de andere kant van een statig dennenbos. Hij ziet de gouden stralen afsteken op de bospaden en fantaseert dat de paden leiden naar een of andere statige hal van een huis waar een oud en bewonderenswaardig en stralend gezin woont, bij wie de zon de dienstknecht is. Hij zag hun park, hun lusthof en verderop in het bos, hun cranberry weide. Hun huis was niet voor de hand liggend om te zien; de bomen groeiden erdoorheen. Het lijkt alsof er geluiden te horen zijn van een onderdrukte vrolijkheid. De familieleden leunen tegen de zonnestralen. Met de zonen en dochters gaat het redelijk goed. Het karrenpad van de boer loopt rechtstreeks door de hal maar dat stoort hen in het geheel niet, omdat ze in de poeltjes van de modderige bodem soms de weerkaatste lucht zien. Ze hebben nog nooit van Spaulding gehoord en weten niet dat de boer hun buurman is, ondanks dat ze hem kunnen horen fluiten wanneer hij door hun huis rijdt. Niets kan de sereniteit van hun leven evenaren. Hun wapenschild is een eenvoudig korstmos. Die is op de dennen en de eiken geschilderd. Hun zolders liggen in de toppen van de bomen. Ze doen niet aan politiek, maken geen lawaai van arbeid. Hij ziet ze niet weven of draaien. Toch hoorde hij, toen de wind ging liggen, het fijnst denkbare zoete muzikale gebrom – als van een verre bijenkorf in mei – wat waarschijnlijk het geluid van hun denken was. Ze hadden geen ijdele gedachten en niemand zag wat voor werk zij deden.

Thoreau vind het moeilijk om deze denkbeeldige familie uit zijn geheugen op te roepen. Ze vervagen onherroepelijk uit zijn herinnering, zelfs terwijl hij het over hen heeft. Steeds opnieuw probeert hij hen voor de geest te halen en probeert hij ook om zichzelf daar te herinneren. Pas na een lange en serieuze poging lukt het. Als het niet voor zulke families was, besluit hij, zou hij Concord verlaten.

Het is volgens Thoreau een goed idee om eens in een boom te klimmen. Hij heeft het een keer gedaan. Het was een hoge witte pijnboom op de top van een heuvel en door dit te doen ontdekte hij bergen aan de horizon die hij nooit eerder zag. Daarbij ontdekte hij vlak bij zich – het was tegen het einde van juni – aan de uiteinden van de bovenste takken, een paar fijne, rode bloesems. Het is de vruchtbare bloem van een boom die zich naar de hemel uitstrekt. De natuur laat deze bloesems van het woud boven het hoofd van de mensen groeien, en blijven door hen onopgemerkt.

Het is goed om in het heden te leven en geen moment van dat heden te verliezen door je met verleden of toekomst bezig te houden. De mens die zo leeft blijft niet achter; hij is vroeg begonnen en vroeg opgehouden, hij is waar hij is en in het seizoen waarin hij is, hij bevindt zich op de eerste rang van de tijd.

Thoreau zag op een dag in november een opmerkelijke zonsondergang. Hij liep samen met een vriend in een weiland, vlak bij de bron van een klein beekje, toen de zon eindelijk vlak voor het ondergaan, na een koude, grijze dag, een heldere laag aan de horizon bereikte en het zachtste, helderste zonlicht op het droge gras viel en op de stengels van de bomen aan de horizon en op de bladeren van de heesters op de heuvel, terwijl hun eigen schaduwen zich lang over de weide oostwaarts uitstrekten, alsof zij de meeldraden waren. Het was een licht dat zij zich een moment daarvoor niet hadden kunnen voorstellen. Toen bedachten ze dat dit geen op zichzelf staand verschijnsel was, een verschijnsel dat zich nooit meer voor zou doen, maar dat dit steeds opnieuw kon gebeuren, een oneindig aantal avonden en zo werd het moment nog glorieuzer.

De zon ging onder. Ze wandelden in een zo puur en helder licht dat het droge gras en de bladeren er door verguld werden, zo’n  zacht en sereen en helder licht, dat Thoreau het idee kreeg dat hij in een gouden stroom baadde, zonder een rimpeling of geruis te veroorzaken. De westkant van het bos glinsterde en de zon op hun rug voelde als een vriendelijke herder die hen die avond naar huis bracht.

Op deze manier slenteren wandelaars in de richting van ‘het heilige land’, totdat de zon op een dag helderder zal schijnen dan ooit tevoren en misschien ook zal schitteren in onze geest en ons hart en ons hele leven zal oplichten.

Wandelen in een urbane omgeving in de 21e eeuw

Thoreau was een eigenzinnig mens en een verwoed wandelaar met romantische ideeën over de natuur. Hij was de eenzame wandelaar die de natuur beleeft met onbekommerde ontvankelijkheid. Zijn essay gaf mij inspiratie voor mijn eigen wandelingen om alles achter me te laten op het moment dat ik vertrek, om in het hier-en-nu te zijn. Vanuit mijn huis kan ik de wildernis niet in, niet eens een 21e eeuws natuurgebied, maar ik probeer toch afstand te nemen van alles wat te maken heeft met onze beschaving, het haasten, het consumeren, het presteren, enz. Ik ben met mijn aandacht bij wat ik waarneem, zoveel mogelijk bij natuurverschijnselen zoals een lichtval, een rimpeling van het water, een vogelgeluid, enz. Ook neem ik waar wat ik lichamelijk voel en beleef, de ademhaling, de beweging van het lichaam en voel me met elke stap thuis. Ik loop op gebaande paden maar vermijdt zoveel mogelijk de drukte. Ik volg een inval om een ander pad in te slaan en de wandeling uit te breiden. Ik probeer verwonderd te zijn en niets te weten. Misschien ontspringt er een bron een eindje verderop. Het is inderdaad meer dan een lichamelijke oefening.

Henriette Roland Holst

In de tijd dat ik het essay van Thoreau aan het ontcijferen was, wandelde ik in een natuurgebied waar ooit de schilder Vincent van Gogh ronddoolde maar waar ook de Nederlandse dichteres Henriette Roland Holst haar toevlucht zocht en inspiratie vondt: de Oude Buisse Heide. Natuurmonumenten heeft een gedichtenwandeling uitgezet waar je acht van haar gedichten kunt lezen tijdens de wandeling. Of deze gedichten in de ogen van Thoreau de natuur goed genoeg laten spreken weet ik niet. Vermoedelijk had Roland Holst, wellicht via Frederik van Eeden wel kennis van Thoreaus geschriften, vooral van Walden.

Roland Holst gebruikte de natuur vaak als spiegel van haar gemoedstoestand. Zoals blijkt uit deze regels uit het gedicht ‘De vrouw in het woud’:

Er zijn in de duistere dichtheid
van het onzalige woud
plekken gelukkige lichtheid
waar een glazige klaarte blauwt

Tijden van groen-oase
ruischende innigheid
tusschen het heete smart-razen
als dauwdruppels geluk gespreid

Dit sonnet schreef ze na een wandeling op de Buisse Heide.

Wij togen op weg in den stillen morgen;
De glansgedrenkte nevel was nog dicht,
De dingen lagen half in hem verborgen,
Maar toen we kwamen in het volle licht,

Aan ’t einde van het Bosch en haar gezicht
De gouden zon hief uit omsluieringen,
Blonk blauw de luchtzee zonder rimpelingen,
Zuiver stonden de stammen opgericht.

Op het gele gras, langs de smalle paden
Millioenen verwonderlijk fijne draden
Fonkelend lagen in den zwaren dauw;

Soms valt een eikel niet ver van ons neder,
Een kort geluidje; even krast een kauw
Of vliegt een vogel op, dan heerscht de stilte weder.

Een ander gedicht van de gedichtenwandeling: ‘Ik kreeg de stilte weder lief’

Ik heb de stilte weder liefgewonnen:
een korte poos was ik van haar vervreemd
maar nu heb ik opnieuw haar liefgewonnen
ik mag weer drinken aan haar klare bronnen
en zwerven door haar schaduwbeemd.

Weer gaan haar dromenlanden voor mij open
waar bloeit het kruid van de herinnering
door haar zachte geuren omdropen
weet ik nauwelijks hoe de tijd verging.

Het verenigen van wildernis en beschaving

Samen met cultuursocioloog Ruben Jacobs zou ik, ondanks mijn waardering voor het essay van Thoreau en voor de Roland Holst’ gedichten die de natuur bezingen, afstand willen nemen van een al te romantische visie op de natuur.

Veel maatschappijkritische kunstenaars en filosofen zijn in reactie op de industrialisatie, de natuur gaan zien als een toevluchtsoord, een ruimte van spirituele redding en geven de natuur een intrinsieke waarde.  Zo trok onlangs ook de schrijver en ex-milieuactivist Paul Kingsnorth zich met zijn familie terug in een dunbevolkt en bosrijk gebied in West-Ierland. Hij is een beetje gaan leven zoals Thoreau.

Jacobs is het eens met een aantal aspecten die Kingsnorth aankaart en die Thoreau natuurlijk ook wel zag, namelijk dat er ten diepste iets mis is met onze beschaving (obsessie met eindeloze groei en materiële vooruitgang) en dat het leven niet om ons draait (antropocentrisme). Hij meent echter dat we met het ons terugtrekken in ‘de natuur’ terugvallen op een romantische en achterhaalde notie van ‘de natuur’.

Volgens Jacobs kùnnen we niet terug naar ‘de natuur’ want we zijn er nooit uit weg geweest. Het enige wat we gedaan hebben is dat we de natuur hebben bedolven onder een laag beton, gif, plastic en fijnstof. Hij meent dat we de wildernis en de beschaving moeten verbinden met elkaar. Hoe moeilijk dat ook is.

We zijn de natuur teveel gaan zien als een plaats waar we naar toe gaan, als iets dat exotisch, afgelegen, ergens daar verderop is. Het resultaat is zelfs dat we de natuur dichtbij huis gaan zien als ‘gemaakt’ of  ‘nep’. Dit terwijl we juist op de plaatsen waar we leven – onze achtertuin, onze daken, parken en boerderijen – onze relatie met de natuur zullen moeten vormgeven.

In een systeem dat gericht is op economische groei en winst worden zowel mensen als de natuur uitgebuit. De ‘romantische’ Thoreau had het over het uitputten van de natuur, waarna een beschaving tot zijn einde komt. Maar Thoreau had het ook over het wilde, het levende, in ons zelf en dat we dat niet teveel moeten cultiveren:

We moeten niet elk onderdeel van een mens willen cultiveren zoals we ook niet alle aarde moeten willen cultiveren. Een deel van de aarde kunnen we bebouwen maar het grootste deel moet niet in gebruik zijn zodat de schimmels hun weg weten te vinden.

Volgens Jacobs moeten we inzien dat we àltijd in de biosfeer zijn, ook als onze directe leefomgeving bestaat uit fijnstof. We moeten volgens hem af van het idee dat ‘stad’ en ‘natuur’ onverenigbaar zijn. We hoeven niet ‘de wildernis’ in om onszelf te reinigen van het vervuilde urbane leven. De uitdaging is juist om een stedelijke leefwereld te creëren waar de natuur doorheen kruist, overheen buigt en onderdoor kruipt; een stedelijke natuur.


Voorlopig moet ook ik het hebben van de stedelijke natuur. Meer dan af en toe een uitstapje naar een natuurgebied (met hekken en gebaande paden) zit er niet in. De wildernis zie ik niet vaak en dat is misschien maar goed ook gezien de schade die het toerisme daar veroorzaakt. Na lezing van Thoreau draag ik een eigen bedachte romantische wildernis met mij mee.

NB Kort na publicatie van dit bericht ontving ik een email van de Historische Uitgeverij die mij er op attent maakte dat het hele essay van Thoreau in 2018 in het Nederlands vertaald is door Edzard Krol. Een bespreking hier van is te vinden op de site van het Nexus Instituut: Thoreau Wandelen.

De vlaamse filosoof Dirk de Schutter waardeert net zoals ik het positieve van Thoreau’s natuurervaringen, zie: http://www.dirkdeschutter.com/wandelen-henry-david-thoreau/.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie

We hebben genoeg. Wees dankbaar.

Vandaag als abonnee van ‘De Correspondent’ weer een prachtige nieuwsbrief ontvangen van Ernst-Jan Pfauth, die ik graag hier graag, bijna in zijn geheel, overneem.

In de prestatiemaatschappij draait het om wat er beter kan. Daarmee vertellen we onszelf eigenlijk: we hebben nog niet genoeg. Die ontevreden houding staat lijnrecht tegenover wat goed is voor ons geluksgevoel: dankbaar zijn.

Dankbaarheid is erkennen dat de goede dingen in het leven geschenken zijn. Er is een duidelijk verband tussen dankbaarheid en welzijn: we worden er tevredener en optimistischer van. Doordat we ons realiseren hoeveel we te danken hebben aan anderen, worden we ook vriendelijker en empathischer. Verder zijn dankbare mensen minder agressief: uit verschillende experimenten blijkt dat dankbare mensen minder geneigd zijn tot vergelding. Bijvoorbeeld wanneer een deelnemer aan een experiment iets onaardigs tegen ze heeft gezegd. Deze effecten zijn zowel zichtbaar bij mensen die uit zichzelf dankbaarder zijn als bij mensen die vlak voor het experiment een dankbaarheidsoefening moesten doen. Dat betekent dat minder dankbare personen kunnen oefenen in dankbaarder worden.

Die conclusie trekt de Amerikaanse onderzoeker Brené Brown ook. Zij interviewde duizenden mensen over empathie, onzekerheid en geluk en publiceert haar bevindingen in populaire boeken als: ‘De moed van imperfectie’. De gelukkige mensen die ze sprak, schreven hun geluk ‘zonder uitzondering’ toe aan ‘dat ze actief dankbaarheid beoefenden’.

Helaas komt dat besef voor veel mensen te laat. Brown vertelt over de interviews met mensen die iets verschrikkelijks hadden meegemaakt, zoals het verlies van een kind. Allemaal realiseerden ze zich dat de heel alledaagse momenten vóór de traumatische gebeurtenis de mooiste momenten in hun leven waren. Samen de hond uitlaten, het avondeten, dat soort dingen. Daarom heeft Brown het ook over ‘dankbaarheid beoefenen’. Als we niet bewust dankbaar zijn, vergeten we het, omdat we wennen aan wat we al hebben.

Het uiten helpt

Het uiten van je dankbaarheid geeft je meer vertrouwen in je vriendschappen. In een experiment kregen deelnemers verschillende opdrachten. Eén groep moest bedenken waarom ze een bepaalde vriend dankbaar was, een andere groep moest dat ook daadwerkelijk aan die vriend vertellen. Bij de groep die haar dankbaarheid moest betuigen, veranderde de kijk op hun vriendschappen. Na het experiment waren ze er meer van overtuigd dat de vriend hen zou steunen en helpen, zonder daar iets voor terug te verwachten. Bij de groep die de dankbaarheid niet hoefde uit te spreken, was dit effect niet zichtbaar. Dus vertel het vooral als een vriend, geliefde of familielid iets aardigs voor je doet. Hiermee bevestig je wat jullie voor elkaar betekenen en daarmee versterk je jullie relatie.

Een andere manier om dankbaarheid te beoefenen komt van de stoïcijnse filosofen uit de Griekse en Romeinse tijd. Hun filosofie draait om het loslaten van verlangen en daardoor gelukkig te zijn. Volgens de stoïcijnen is het verstandig om af en toe te denken aan onze sterfelijkheid en die van onze dierbaren. Door je voor te stellen dat jij of je dierbaren er niet meer zijn, realiseer je je hoe dankbaar je eigenlijk bent dat jullie leven. Neem de volgende situatie: je hebt net een kind gekregen en bent verbaasd over hoe vaak je baby huilt. Sterker nog, je wordt er gek van. De stoïcijnen wisten hier wel een remedie tegen. Stel je gewoon even voor dat het kind op je arm dood is. Juist, nu kun je er weer tegenaan, want je bent heel dankbaar dat het nog leeft.

Het opschrijven helpt

Wellicht vind je deze methode van ‘negatieve visualisatie’ een tikje te morbide. Gelukkig is er een positiever ritueel dat je kunt uitvoeren: opschrijven waar je dankbaar voor bent.

Uit de studies die naar dit ritueel gedaan zijn, blijkt dat vrijwel iedereen er baat bij heeft. Daarom schreef ik het Dankboek. Daarin kun je een halfjaar elke dag opschrijven waar je dankbaar voor bent én waarom je daar dankbaar voor bent. Waarom? Daarvoor kijken we naar het belangrijkste onderzoek dat er tot nu toe naar dankbaarheidsboeken is gedaan.

Psychologen Robert Emmons en Michael McCullough deelden aan drie willekeurige groepen een opdracht uit die ze tien weekenden achter elkaar moesten uitvoeren. Eén groep moest vijf dingen opschrijven waar ze die week dankbaar voor was. Een tweede groep vijf ongemakken die ze ervaren had. De derde groep moest vijf neutrale gebeurtenissen noteren.

Dit experiment herhaalden de onderzoekers twee keer met iets afwijkende voorwaarden. Bijvoorbeeld met een dagelijkse in plaats van een wekelijkse opdracht. In alle gevallen waren de mensen die een dankboek bijhielden optimistischer over de aankomende week, tevredener met hun leven als geheel en vriendelijker. Bovendien konden ze zich beter inleven in anderen, waardoor ze minder met zichzelf bezig waren en behulpzamer werden.

Wel lastig: als je wilt dat een dankbaarheidsboek effect heeft, moet je écht gemotiveerd zijn om je dankbaar te voelen. Dat klinkt als een open deur, maar het is precies waar het bij mij misging. Ik wilde me na verloop van tijd bij het invullen niet zozeer dankbaar voelen, ik wilde het gewoon zo snel mogelijk achter de rug hebben. Dat kwam doordat ik bij al die dankbaarheidsboeken minstens tien vragen moest beantwoorden. Soms zelfs meerdere keren per dag. En dan werkt het volgens Emmons – de man van het vergelijkende onderzoek uit 2001 – niet meer. ‘Diepgravendheid is belangrijker dan hoeveelheid,’ zegt hij. Als je elke dag tien dingen moet bedenken waar je dankbaar voor bent, neemt de motivatie af en is het moeilijk om de diepte in te gaan. Daarom adviseert Emmons maar één keer per week een bladzijde in te vullen. Dan is het effect op je geluksniveau het grootst. Bij drie keer per week neemt het al af, blijkt uit zijn data.

Veel van zijn collega’s zijn het niet met dat advies eens, omdat bij zo’n lage frequentie de kans groot is dat het invullen geen terugkerende gewoonte wordt. Dat merkte ik ook. Dus schrijf ik nu één keer per dag op waar ik dankbaar voor ben en waarom. En ik noteer dan niet zoals eerst tien dingen, maar slechts drie. Door deze frequentie merk ik dat het weer een bedachtzaam ritueel is geworden.

Je vraagt je misschien af: waarom moet je het allemaal opschrijven? Kun je niet alleen bedenken waar je dankbaar voor bent? Zeker als je het al tegen iemand gezegd hebt? Uiteraard, maar dan mis je het terugbladeren. Ik ben op weinig momenten dankbaarder dan wanneer ik een oud dankboek op een willekeurige bladzijde opensla en lees wat voor mooie momenten ik een paar maanden geleden had. Sommige was ik alweer vergeten en ervaar ik nu opnieuw.

Daarnaast dwingt het opschrijven je goed te verwoorden wat je voelt. Je moet je gedachten interpreteren en die vervolgens logisch opschrijven. Zo ben je veel actiever bezig met waar je dankbaar voor bent. Om diezelfde reden is het belangrijk dat je pen en papier gebruikt. Dat is beter dan bijvoorbeeld in je telefoon noteren waar je dankbaar voor bent. Want als je met de hand schrijft, worden je hersenen meer gestimuleerd. In plaats van het simpelweg aanraken van een toets, voel je het papier, houd je een pen vast, en moet je deze heel precies richting geven. Door die extra stimulansen ben je je bewuster van de tekst. Ook denk je beter na over hoe je iets gaat formuleren: ten eerste schrijf je selectiever omdat je niet onbeperkt de ruimte hebt. Ten tweede moet je de zinnen weloverwogen opschrijven, want er is geen backspace knop. En kijk je op een dag niet al genoeg naar een scherm? Zie het schrijven op papier als een rustmoment. Alleen jij en je gedachten, en geen appjes die om je aandacht vragen.

Zo oefen je in dankbaarheid, en word je een tevredener mens.

Het dankboek van Ernst-Jan Pfauth

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychotherapie

Opnieuw eigenaar worden van je verlangen

‘Rekindling desire’ is de titel van een video waarin Esther Perel spreekt over het seksuele verlangen. ‘Rekindling desire’ betekent: Aanwakkering van verlangen.

Het seksuele verlangen werkt niet veel anders dan het verlangen naar een croissant. Omdat Perel zo’n innemende spreker is krijg je meteen zin. De video duurt nog geen 3 minuten. Kijk hier: Rekindling desire

Door weer eigenaar te worden van wat je wil, wakker je het verlangen aan. Daarbij speelt de verbeelding een rol. Een crisis in het verlangen is eigenlijk een crisis in de verbeelding. Het toeëigenen van je verlangens betekent dat je vind dat je de bevrediging van het verlangen verdient, dat je deze waard bent.

Als je het verlangen kwijt bent ben je de verbinding met jezelf kwijt. Je bent je hoop, je nieuwsgierigheid en je aspiraties kwijt en ook je seksuele verlangen.

Mocht je meer willen weten kun je de online workshop ‘Rekindling desire’ volgen of het boek kopen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie

Esther Perel in Zomergasten

 

Heerlijk om een vakgenoot, systeemtherapeut, zo goed voor de dag te zien komen op TV. Het dagblad Trouw kopte met een recensie: De slotaflevering van Zomergasten was een openbaring. Esther Perel heeft een gave.

Inderdaad. Zo komen haar overwegingen over, als een openbaring! Esther Perel heeft zich het gedachtegoed van de systeemtherapie zo eigen gemaakt dat het overkomt alsof ze het heeft uitgevonden.

Maar Perel was nog lang geen relatietherapeut toen ze in 1981 bij Minuchin mocht meekijken bij zijn gezinstherapieën. Minuchin, de vader van de systeemtherapie. Van hem heeft ze veel geleerd. Dat weet zij ook.

Niet dat ik zou willen zeggen dat Perel geen gave heeft want daar ben ik het van harte met de journalist van Trouw eens. En die gave vindt, denk ik, vooral zijn oorsprong bij de opvoeding door haar ouders, twee getraumatiseerde Joodse mensen uit Polen, die ondanks alles haar een innemende hoeveelheid levendigheid, verbeeldingskracht en zelfvertrouwen hebben weten mee te geven. Daarnaast heeft ze van jongs af aan verschillende talen leren spreken.

Perel zegt: “Problemen leven niet ìn je maar in het ecosysteem”. Dit is een typisch systemische uitspraak. Dat we geneigd zijn om te denken dat problemen ìn ons leven, wordt volgens haar mede veroorzaakt door de psychoanalyse. We gingen diep graven in onze psyche en zijn ons zelf steeds meer gaan identificeren met onze problemen, maar we zijn meer dan dat. We zijn niet ons probleem. Perel: “We zijn elkaar voortdurend aan het maken.” Een andere manier om dit te zeggen is: “Het probleem zit niet tussen de oren maar tussen de neuzen.”

Om het probleem weer buiten je zelf te plaatsen biedt bijvoorbeeld de, uit de systeemtherapie voortgekomen, stroming van de narratieve therapie een stuk gereedschap. Ik doel op het zogenaamde externaliseren van het probleem zodat je het beter van verschillende kanten kunt bekijken. Daar hebben narratief therapeuten vele vragen voor bedacht. Om te beginnen geef je het probleem een naam met een hoofdletter. Stel dat het probleem Onzekerheid heet, dan vraag je bijvoorbeeld naar de bedoelingen, de bondgenoten en de manier van spreken van Onzekerheid.

Minuchin ontwikkelde weer andere gereedschappen. Zijn gezinstherapie valt onder de structurele systeemtherapie. Perel zocht een mooi fragment uit met hem. Minuchin noemt in het fragment ook nog even een belangrijke vertegenwoordiger van de narratieve stroming: Michael White .

Loskomen van je zekerheden

Perel heeft Minuchin zelf aan het werk gezien en herinnert zich dat hij gezinstherapie eens voorstelde als een biljartspel. Je moet strategisch denken. Als je het probleem van het gezin wil oplossen dan wil je bijvoorbeeld dat één van de ballen (één gezinslid) van positie verandert. Om dat voor elkaar te krijgen stoot je een andere bal in zijn richting waardoor de bal in beweging komt. Hoe de ballen na die eerste stoot op het laken liggen zal er heel anders uitzien. Veranderen van rollen en posities om het probleem op te lossen ofwel om verandering te creëren. Zo werkt structurele gezinstherapie.

Voordat Perel bovenstaand fragment van Minuchin liet zien benadrukte ze eerst dat we ons een weg moeten zien te banen uit onze eigen zekerheden, uit de verhalen waarin we vast zijn komen te zitten. Dit naar aanleiding van het eerste fragment van deze Zomergasten-avond, uit de film ‘I, Tonya’ waarin een moeder en dochter de confrontatie aan gaan. Het punt dat Perel wil maken is dat het verzekerd zijn van je eigen waarheid of zekerheid, de vijand van verandering is.

“Welcome to my office”, zegt ze nadat we gezien hebben hoe moeilijk het kan zijn om de waarheid van dochter Tonya te laten samenkomen met de waarheid van haar moeder. Ze willen een relatie met elkaar maar ze willen bij hun eigen waarheid blijven en die liggen ver uit elkaar. Perel zou zeggen: “Het doet me pijn om jullie zo te zien. Jullie moeten een weg zien te vinden uit je eigen waarheid, uit je eigen zekerheid.”

Het idee van het vastzitten in je eigen verhaal, zekerheden of waarheid en de kennis over hoe je daar uit los moet zien te komen en hoe dit helpt bij het opnieuw verbinden met mensen komt voort uit de stroming van de narratieve therapie. Het doel van de therapie is om samen een nieuw verhaal te kunnen maken.

Perel ziet heel veel mensen die ‘op zoek zijn’ naar verbinding met hun ouders. Wie waren/zijn zij nu echt? De moeder in de film gaf Tonya een keiharde opvoeding wat de dochter haar kwalijk neemt. De ‘waarheid’ van de dochter transformeert wanneer ze kan aanhoren dat deze moeder zelfs niet eens gezien werd door hààr moeder en dat zij met haar harde opvoeding vooral wilde voorkomen dat zij Tonya hetzelfde zou aandoen.

Het volgende fragment komt uit de documentaire: ‘My architect’. We zien opnieuw hoe vast we kunnen komen te zitten in onze zekerheden, in onze verhalen. Soms is een zekerheid of een verhaal zelfs een illusie. Een oudere vrouw houdt hier vast aan de illusie, haar waarheid, dat haar partner van haar hield en dat hij naar haar op weg was. Zij wil zich niet uit haar illusie bevrijden maar haar zoon, de maker van de documentaire, wil wel dat zij dit doet. Hij doet zijn best om zijn moeder op andere gedachten te brengen maar zij blijft vast houden aan haar romantische verhaal. Misschien is dit ook wel het beste in dit geval. Zij heeft geen behoefte aan verandering. Haar zoon wel maar hij laat haar uiteindelijk toch maar in haar waarheid.

Deze documentaire is in zijn geheel een mooi verslag van hoe een kind op zoek gaat naar verbinding met een ouder. In dit geval is een zoon op zoek naar zijn vader.

Het ritme van de liefdesrelatie: Harmonie – disharmonie – reparatie

Uit ‘The before trilogy’ die de fasen van een liefdesrelatie in beeld brengt toont Perel een fragment uit het laatste deel ‘Before midnight’. We zien hoe de man uiteindelijk de verbinding met de vrouw probeert te herstellen, hoe hij de disharmonie probeert te repareren. Dit is een herkenbaar ritme in liefdesrelaties: harmonie, disharmonie en reparatie. In dit fragment lijkt de reparatie van de man te gaan werken.

Partners die in therapie gaan komen meestal niet met de vraag: wat doe ìk fout? Meestal willen de partners het hebben over wat er fout is aan de ander. Ze zijn de experts van de fouten van de ander. Perel vraagt graag naar het begin van de relatie. Waarom vielen ze op elkaar? Wat vonden ze zo leuk aan elkaar? En het bijzondere is dat datgene waar we in het begin het meest op vallen, later de bron van het conflict wordt. Het paar zegt: “We waren aan het dromen maar nu voelt het als een desillusie.” Ze krijgen iets teveel van het goede van de ander.

Wat Perel aan de orde wil stellen is de hoeveelheid hoge verwachtingen die paren tegenwoordig van elkaar en de relatie hebben. Waar onze behoeften aan verbinding vroeger vervuld werden door de leden van een hele gemeenschap moet dit nu overgenomen worden door die ene partner.

Wat weten we eigenlijk over waar paren mee worstelen?

Perel heeft podcasts gemaakt van paren in therapie. Ze kwam op het idee om deze podcasts te maken toen ze een keer verbleef in een Italiaans dorp waar iedereen nog van elkaar wist wat voor ruzies er speelden tussen echtparen maar ook wanneer ze elkaar liefhadden. Deze gemeenschappen zijn zo goed als verdwenen. Het dorp is vervangen door Facebook en daar laten we alleen onze mooie kanten zien.

Met de podcasts krijgen we een kijkje in de achterkamer, de huiskamer en de slaapkamer van een paar net zoals in dat Italiaanse dorp. Perel bood de paren in de podcasts gratis relatietherapie aan in ruil voor geluidsopnames van de gesprekken. Natuurlijk blijven deze paren anoniem maar hun stemmen zijn echt. Je kunt ze hier beluisteren: https://estherperel.com/podcast

Waar paren mee worstelen komt ook naar voren in een fragment uit de serie ‘The skin deep’. In deze serie beantwoorden paren vragen die op kaartjes staan. Terwijl ze om de beurt vragen stellen aan elkaar en deze beantwoorden, zitten ze tegen over elkaar en kijken ze elkaar aan.

De kaartjes die voor deze serie werden gebruikt zijn te koop en interviewer Janine Abbring haalde ze te voorschijn en trok een kaart uit de stapel voor Perel. De vraag die er op stond was: ‘If your mum were here, what would she tell me about you?’ Perel’s moeder zou over goede eigenschappen beginnen die ze niet tegen Perel zelf zou hebben verteld en de moeder van Abbring zou gezegd hebben dat ze goed borstplaat kon bereiden en dat ze niet zo stoer is als ze er uit ziet. Een leuk en persoonlijk moment in het interview.

Perel vindt het gebruik maken van deze kaartjes in therapie een goed idee omdat het een spel is. Je komt eigenlijk vanzelf op een meta-niveau.

Naar aanleiding van het ‘Skin Deep’ fragment heeft Perel het ook over de hoge verwachtingen die we tegenwoordig hebben van seksualiteit. Vroeger ging seks over reproductie en was het voor de vrouw een huwelijkse plicht. Nu willen we er van genieten en gaat seks over passie en verbinding. Dit zijn heel grote dingen. Dit verlangen we van seks voor het eerst in de geschiedenis van de mensheid.

In het fragment raapt de man het kaartje: ‘When did you last fake an orgasm?’ en we zien hoe kwetsbaar en machteloos de man is terwijl zijn vrouw hem probeert te antwoorden. Zìj kan een orgasme ‘faken’ maar hij niet. Hij voelt zich volgens Perel afgewezen, incompetent en hij moet er maar op vertrouwen dat zij de waarheid spreekt over het wel of niet hebben van een orgasme.

Emancipatie voor iedereen

Vrouwen kunnen angst hebben voor verkrachting maar mannen kunnen bang zijn om vernederd te worden. Voor mannen geldt nog steeds de rigide code dat ze moeten winnen, dat ze competitief moeten zijn enz. We hebben een grotere diversiteit nodig in dit soort codes, niet alleen voor mannen maar voor iedereen. We moeten allemaal emanciperen.

In het ‘Skin deep’ fragment zien we dat niet alleen de man macht heeft. De machtsdynamiek speelt in elke relatie. Wie heeft de macht en wanneer? Wat is het rollenspel van de macht in de relatie? Dit zijn belangrijke vragen.

Na de Lewinsky-affaire in de VS (1995) is Perel zich gaan afvragen hoe Amerikanen eigenlijk over partnerrelaties en seks denken. Drie keer scheiden vinden de meeste Amerikanen normaal maar ontrouw en overspel zijn taboe. Hoe kan dit? Perel: “Hoe mensen met seksualiteit omgaan geeft een venster op de cultuur.” Het hedonistische (alles kan en mag en we moeten genieten) staat hier tegenover het puriteinse (het mag niet). Het mag niet maar Amerikanen willen wel alle details weten van het overspel…

Bij je partner blijven als je bedrogen bent is de nieuwe schande in de VS. Bedrog is het voornaamste probleem geworden. Amerikanen zouden seksueel intelligenter moeten zijn. In de periode van de Lewinsky affaire is Perel seksuoloog geworden en schreef ze haar eerste boek: Erotische Intelligentie. In het engels: ‘Mating in captivity’.

Lewinsky heeft haar verhaal, haar waarheid getransformeerd. Eerst dacht Lewinsky dat de seks met Clinton gebaseerd was op wederzijdse instemming. Maar later veranderde haar verhaal, haar waarheid, in dat de seks nìet gebaseerd was op wederzijdse instemming. Zij was een jonge stagaire en Clinton was president. Perel: “Hoe komt een jong meisje tot een beslissing in het gezelschap van een president? Dit is Lewinsky zich gaan afvragen. Je ziet welk effect een ander verhaal of een andere waarheid heeft: Een andere blik op de gebeurtenissen verandert de beleving er van.”

#Metoo

Voor Perel is het Lewinsky verhaal geen ‘#metoo’ verhaal. ‘#Metoo’ wil ze met een genuanceerde blik bekijken. Daarom toont ze een fragment met de Franse feministische filosofe en historicus: Elisabeth Badinter.

Badinter, die ook een boek heeft geschreven over het moederschap: ‘De mythe van de moederliefde: geschiedenis van een gevoel’. Badinter, die zegt dat we vroeger vonden dat je iemand niet moest verlinken. Dat deed je niet. En dat lijkt veranderd met ‘#metoo’. Verlinken lijkt prijzenswaardig geworden. Daar heeft Badinter moeite mee. Het moet niet vals worden. Perel merkt op dat zich hier ook de kloof van de generaties toont.

Net als Badinter staat Perel positief tegenover de vrouwen en mannen die eerst in de schaduw stonden en die nu getuigen van de seksuele intimidatie en het misbruik dat hen is overkomen. Getuigen is iets anders dan verlinken.

We moeten een onderscheid maken tussen ‘power over’ en ‘power to’.

Je levendig willen voelen

Het volgende fragment komt uit de 9-urige documentaire van Claude Lanzmann: Shoah. De film bestaat voornamelijk uit interviews met zowel slachtoffers als daders en bezoeken aan plaatsen die van belang waren voor de Holocaust in Polen, waaronder drie vernietigingskampen. Hij geeft getuigenissen van geselecteerde overlevenden, ooggetuigen en Duitse daders, vaak heimelijk gefilmd met een verborgen camera. Perel laat een fragment zien met een kapper die in concentratiekamp Treblinka zat.

Volgens Perel doet deze filmmaker precies wat de kinderen van de concentratiekamp slachtoffers ook hebben moeten doen: vragen stellen. Lanzmann vraagt door, ook als de kapper niet meer verder kan vertellen. Welke vragen stel je? Wat wil je weten als kind? Perel heeft haar moeder ondermeer gevraagd: “Wat maakte dat je wilde blijven leven?” Haar moeder dacht dat er na de verschrikkingen iemand zou zijn die op haar wachtte, dat er iemand was aan wie ze haar belevingen zou moeten vertellen. Ze durfde haar moeder niet te vragen naar de pijn en haar ouders vertelden haar vooral de heroïsche verhalen. Maar ze heeft hieruit goed begrepen dat mensen zich heel graag levendig willen voelen al is het maar voor één minuut. “Sommige mensen komen uit het trauma maar leven niet.” Haar ouders wilden groot en levendig zijn. Ook mensen die in therapie gaan, zoeken naar het levendige.

“Je voelt het geluk als je betekenis hebt”.

We moeten niet zoeken naar geluk maar we moeten zoeken naar betekenis. De choreograaf Ohad Naharin maakte een dans ter gelegenheid van het 50 jarig bestaan van de staat Israël, die betekenis voor hem had. We zien in dit fragment delen van de dans en de protesten er tegen. Perel: “Dit is kunst die een protest is, die tegen de traditie ingaat.” Naharin wilde de dans niet veranderen toen er veel reacties kwamen van mensen die aanstoot namen aan de onderbroeken waarin de dansers gekleed waren. Perel staat achter hem en hecht er aan dat de kunst vernieuwing, transgressie teweeg brengt. Zowel in de kunst als in therapie moeten we kunnen zeggen: “Ik wil een oude orde verlaten, een grens oversteken, ik wil het anders.”

Soms moet je mèt iemand anders zijn om zèlf iemand anders te zijn

Om haar visie over ontrouw is Perel de laatste tijd erg bekend geworden. Ze schrijft er over in haar nieuwe boek: ‘Liefde in verhouding: een nieuw perspectief op trouw en ontrouw’. Haar eerste boek: ‘Erotische intelligentie’ gaat over het verlangen binnen de relatie en dit tweede boek gaat over het verlangen buiten de relatie.

Ontrouw is een taboe maar als Perel aan een publiek van zo’n 900 Italianen vraagt wie er te maken heeft gehad met ontrouw of wie er geboren is uit een buitenechtelijke relatie gaan er bijna 900 vingers de lucht in. We hebben de liefde en de passie binnen de relatie gebracht maar het bestaat zeker ook daar buiten. Misschien kunnen we het taboe aan de kant zetten.

In de ontrouw gaan we volgens Perel op zoek naar een nieuw ‘ik’, naar het levendige in ons en we zoeken het buiten de relatie. We willen iets doen wat we anders niet doen, we willen andere delen van onszelf leren kennen. Soms moet je mèt iemand anders zijn om zèlf iemand anders te zijn.

We weten veel over de bedrogene, het slachtoffer van de ontrouw maar niet over de bedrieger, de dader. Perel houdt zich bezig met de dader. Haar visie op ontrouw leidde begin dit jaar tot een bespreking van haar nieuwe en tweede boek in de NRC met de titel: ‘Je moet bijna wel vreemd gaan’.

“Om moderne ontrouw te begrijpen moet je echt het moderne huwelijk begrijpen. Onze individualistische samenleving veroorzaakt een paradox: de behoefte aan trouw neemt toe, maar de aantrekkingskracht van ontrouw ook.”

Doordat we emotioneel zo sterk afhankelijk zijn van onze partners, hebben buitenechtelijke verhoudingen meer dan ooit een verwoestende lading, stelt ze. “Maar in een cultuur die individuele voldoening eist en ons verleidt met de belofte van meer geluk, worden we meer dan ooit in de verleiding gebracht om af te dwalen.”

Het lijkt wel alsof we in een ‘double bind’ terecht zijn gekomen. Perel bedoelt natuurlijk niet dat we vreemd moeten gaan maar ze plaatst het verschijnsel ontrouw binnen een breder kader: “Overspel als een uitdrukking van de complexiteiten en de dilemma’s van liefde en verlangen in deze tijd”. Dit is denken in systemen.

Liefde in het internet tijdperk

Aan de hand van een fragment uit de film: ‘Newness’ toont Perel hoe jonge mensen romantische consumenten zijn geworden, op zoek naar een ‘soulmate’. We horen de jonge vrouw zeggen dat voor haar alles steeds nieuw moet zijn. We zien hoe we op ‘dating apps’ honderden potentiële partners onder onze vingertoppen hebben. Op zoek naar extase, naar transcendentie, naar vrijheid en nieuwigheid waarbij de ‘fear of missing out’ meespeelt. We zoeken in de relatie naar nieuwigheid maar tegelijk willen we verbinding en veiligheid. We willen in één persoon vinden wat we vroeger in een heel dorp vonden.

In deze film speelt Perel zelf een rol. Alsof ze nog niet beroemd genoeg is!

Ze heeft overigens niet veel op met beroemdheid. Wat ze het belangrijkst vindt is dat ze het in de ogen van haar kinderen als moeder aardig gedaan heeft.


Eerder publiceerde ik een serie van 7 artikelen op dit weblog over Minuchin’s werkwijze. Te beginnen bij: Minuchin’s gezinstherapie I.

Ook publiceerde ik eerder een verslag van een workshop die ik volgde bij Esther Perel: Erotische intelligentie

Meer over samen een nieuw verhaal maken en narratieve therapie op dit blog: Therapie is taal; het is samen een rijker verhaal maken.

1 reactie

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie

Ecologie is overal

‘Het gevoel dat er iets in jou zit, dat jij niet bent’. Dit is Freuds definitie van een depressie lees ik in een artikel van de filosoof Tomothy Morton die weet wat het is om depressief te zijn. Hij weet ook hoe het is om boos te zijn. Hij wil zich er mee verbinden.

In de manier waarop hij met zijn depressie en boosheid heeft leren omgaan ziet hij een manier van hoe we kunnen omgaan met het ecosysteem:

‘Wat is erop tegen om boos te zijn?’, vroeg de psychoanalyticus aan me. Zo had ik het nog nooit bekeken. Ik kwam de woede te boven, niet door het weg te werken, maar door het een plek te geven in een veel breder muziekstuk van menselijke emotie. Je valt niet samen met de woede, weet ik nu. Ik kan die woede daardoor toestaan en wie weet komt er nog iets moois uit. Ik denk dat de manier waarop we met depressie omgaan, leerzaam kan zijn voor de manier waarop we onszelf als ecologische wezens gedragen.’

Niet samenvallen met je woede kun je toepassen op je depressie, op je somberheid. Niet er mee samenvallen ofwel je er niet mee identificeren, het ook niet willen wegwerken maar het waarnemen, het bekijken. Het buiten jezelf plaatsen, het boze en sombere kunnen externaliseren.

Moet iedereen naar de eco-psycholoog om zichzelf en het ecosysteem gezond te maken? Het kan simpeler. Het enige dat we hoeven te doen is ons bewust te worden van de verbinding tussen onszelf en het systeem. Morton:

Stel jezelf voor, buiten een disco. Die disco is de biosfeer. Eigenlijk ben je nog steeds binnen, in die disco, maar op de een of manier heb je jezelf verleid te denken dat je buiten staat. De disco gaat door, vierentwintig uur per dag, zo’n disco is het. Onthoud dat je de disco nooit echt verlaten hebt, je hebt alleen het idee dat dat zo is. Je hoeft niets bijzonders te doen om die verbintenis weer te voelen. Die is er nog steeds, anders zou je allang dood zijn geweest. Ecologie is overal.

De Franse filosoof en socioloog Bruno Latour komt tot eenzelfde conclusie:  “We kunnen niets of niemand meer op afstand plaatsen. De dingen niet, de wereld niet, de natuur niet.” Alles en iedereen is met elkaar verbonden.

In het artikel: Hoe onze beschaving mensen ziek maakt, legt Morton uit dat andere wezens een deel van ons zijn en dat wij ons niet af kunnen scheiden van het ecosysteem dat naar de knoppen gaat. Morton geeft in het artikel ook een mooie definitie van het begrip: ‘gaslighting’ een vorm van manipulatie vanuit een narcistische afweer. Op dit weblog een eerder bericht hierover: De waarheid van Trump. Laat je niet ziek(er) maken!

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychiatrie, Psychologie en klimaat, Psychotherapie, Systeemtherapie

Anti-depressiva werken door het placebo-effect

Podcast van de correspondenten Jesse Frederiks en Rutger Bergman in de Correspondent: Waarom werkt het placebo?

Niet alleen bespreken zij de placebo-werking van anti-depressiva ook die van de psychotherapie en zelfs die van chirurgische ingrepen!

Uiteindelijk blijkt dat de relatie met de therapeut beter werkt tegen depressie dan welke therapie dan ook!

Hier sluit ik bij aan met een aantal regels van collega psychotherapeut Rob Zondag.

WETEN

Ik heb meer dan zeventig jaren levenservaring

Meerdere beroepsopleidingen voltooid

Bijscholingen gevolgd

Tienduizenden gesprekken gevoerd

Honderden boeken gelezen

Duizenden uren lessen en sessies gegeven

 

Maar als ik een nieuwe cliënt krijg

Dan weet ik niets

Dan ben ik blanco

Dan luister ik

En leer dat alles toch weer anders is


Eerder berichtte ik over psychofarmaca in mijn bericht: Een epidemie van mentale stoornissen. Waarom?

En bijvoorbeeld in het bericht Farmagekte.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie, Psychotherapie

Leren met reflecterende teams, deel 2

Voor de tweede keer deed ik mee aan een groepssupervisie waarin gewerkt werd met reflecterende teams. Ook deze keer had psychotherapeut Monique Schirris de leiding.

De vorige keer, ongeveer een jaar geleden, leerde ik dat we ons als hulpverleners in de GGZ niet alleen hoeven te voelen. Zelfs niet wanneer je zoals ik een eigen praktijk en niet dagelijks een team om je heen hebt. We dragen het werk met elkaar en we mogen een collega vragen om mee te kijken.

Therapie gaat ook over jouw eigen geschiedenis

Deze keer werd nog duidelijker dat deze vorm van supervisie ons ook uitnodigt om voorbij de casuïstiek te gaan. Wat roept de casus bij ons op? Dat kan soms vrij heftig zijn. Hierover konden we in alle veiligheid ervaringen en ideeën uitwisselen.

Mijn leervraag voor de dag was: wat kan ik gebruiken om in het contact met cliënten nog transparanter te zijn en wat heb ik nodig om nog meer te kunnen verdragen en op te kunnen vangen dan ik nu doe? Want ik merk dat ik af en toe dicht klap. Dan ga ik druk doen, adviseren of het hebben over iets waar het in de kern niet om gaat. Eigenlijk kijk ik weg. Ik wil meer leren over hoe ik op een therapeutische manier gebruik kan maken van wat er bij mij opgeroepen wordt als ik dichtklap.

Het dichtklappen verbergen kan ik zó goed dat ik het soms zelfs niet eens in de gaten heb! Vele uren later besef ik dat ik ergens blokkeerde. Maar waarom blokkeerde ik eigenlijk? Daar kom ik vaak wel achter en dan neem ik me meestal voor om er iets mee te doen in een volgende sessie. Toch zou ik graag leren hoe ik nog beter gebruik maak van wat er bij mij opgeroepen wordt en het liefst in het hier en nu. Leren om nog echter te zijn en nog meer te kunnen verdragen houdt denk ik nooit op.

Wat voor verhaal maak je er van?

Als ‘warming-up’ keken we enkele minuten in stilte naar een schilderij. Ik zag vier vrouwen en een man en een klein roeibootje. Ze zijn dun gekleed. Het lijkt een zwoele zomeravond. De lucht is zwart. Een van de vrouwen staat naast het bootje tot haar middel naakt in het water. Een ander hangt met haar benen over de rand. Ik vraag me af: Voelt die man dat hij de enige man is? Alle vijf lijken alleen te zijn met hun gedachten. Toch zitten en staan ze dicht bij elkaar. Enkelen lijken in de verte te turen naar de oever. Weten ze nog hoe ze thuis moeten komen?

Dit is het begin van een verhaal. Mijn waarnemingen, mijn verhaal.

Na dit stilstaan deelden we onze waarnemingen en verhalen met elkaar. En wat blijkt? We zien allemaal iets anders en maken een eigen verhaal. Ik meende bijvoorbeeld dat het om een vriendengroep ging en mijn buurvrouw dacht dat de vijf mensen op het schilderij broers en zussen waren. Op mij maakten ze een wat verloren indruk en een ander dacht dat ze aan het mijmeren waren. Er waren verschillen in de verhalen maar ook overeenkomsten. Meerderen zagen bijvoorbeeld dat er weinig verbinding leek te zijn tussen deze mensen op het schilderij.

Uit het delen van de verschillende verhalen leidden we af dat je in het luisteren naar het verhaal van de ander, jouw eigen verhaal even parkeert. Niet altijd makkelijk om je eigen verhaal te parkeren. Ik was blij dat ik als eerste mijn verhaal mocht vertellen. We merkten op dat je je kunt verbazen over hoe anders het verhaal van de ander is. We merkten dat we met een bepaalde bril op kijken. Wanneer je denkt dat het broers en zussen zijn, stel je andere vragen dan wanneer je denkt dat het een groep vrienden is. Het ligt er maar aan wat je bezighoudt. Als de hechtingstheorie je bezig houdt gaat je verhaal over autonomie en relatie en vraag je je misschien af wie in het gezelschap zich eenzaam voelt. Als je net een boek aan het lezen bent over een zoektocht zie je in het schilderij vijf zoekende mensen. We merkten ook dat we elkaar leerden kennen door elkaars verhalen.

Door deze ‘warming-up’ leerden we dat het nogal een verschil kan uitmaken welke therapeut de cliënt voor zich krijgt. Wat ziet jouw therapeut, welke bril heeft h/zij op?


Hierna gaan we aan de slag met de reflecterende teams. De supervisor luistert naar de leervraag van een van ons: de supervisant. Een team daaromheen bespreekt met elkaar over wat hen raakt. Een team daar weer buiten bedenkt waar het verhaal hen aan doet denken en komt met een metafoor. Een laatste team komt luisterend naar dit alles met een advies: wat zou de supervisant kunnen doen.

Een stel dat heel veel praat

De supervisant loopt vast in de behandeling van dit paar. Als ze in haar agenda ziet dat ze weer komen ziet ze er tegen op. Ze heeft onzekerheden en twijfels. Gevoelens worden overstemd. Wat haar raakt is het verdrietige verleden van dit paar. Een van hen is gescheiden en de ander heeft een partner verloren na een langdurige ziekte. Ze hebben beide twee kinderen en vormen een samengesteld gezin. De sessies met dit paar voelen zwaar en de behandelaar komt niet over een drempel, ze komt niet door een deur van woorden. Ze hoopt eigenlijk dat ze deze deur op een kier kan krijgen. Als de supervisor haar vraagt om zich een beeld te vormen van het verhaal van dit stel, maakt zij dan ook een deel uit van dit beeld? Staat zij zelf ook op het schilderij? ‘Nee’, zegt ze; ‘ik ben toeschouwer, ik zie mezelf niet op het schilderij staan.’

Het eerste reflecterende team gaat in op de deur van woorden. Als die open gaat komt er ruimte. Het paar blijft naar therapie toekomen. Wat halen deze mensen bij de therapeut? Misschien vind de supervisant het spannend om zelf ook op het schilderij te staan? Wat het team raakt is dat de behandelaar overspoeld lijkt te worden door het verdrietige verhaal van het overlijden van de vorige partner (een moeder van twee kinderen). Moet ze eerlijk zeggen dat zij het moeilijk aan zou kunnen als dit haar zou overkomen? Een zelfonthulling doen? Open zijn over het parallelproces? Geeft het idee om zich zelf op het schilderij te zien staan haar een machteloos gevoel? Dit alles zou men zich in het reflecterende team goed voor kunnen stellen.

Het tweede reflecterende team ziet in het verhaal rond deze leervraag een bootje dat maar wat voort dobbert. Een lied komt op in iemands hoofd: ‘The answer my friend is blowing in the wind’. In plaats van één enkel schilderij te maken van dit verhaal ziet iemand een drieluik voor zich: Een schilderij over het verdrietige verleden, maar ook een van het heden en een van de toekomst. Misschien durft de therapeut wel in het schilderij te springen met een parachute. Een zachte landing. Misschien kan de therapeut minder bevreesd zijn voor een regenbui van tranen. Laat de regen van tranen maar komen.

Het derde adviserende reflecterende team, waar ik zelf in zat, adviseerde om met een zelfonthulling te komen. Misschien zou die kunnen gaan over dat ze er tegenop ziet als zij het paar weer in de agenda ziet staan. Ze zou misschien kunnen onthullen dat ze zich af vraagt of zij hen kan bieden wat zij nodig hebben. Misschien zou ze kunnen zeggen dat ze het gevoel heeft dat er veel verdriet is. Maar dat het daar meestal niet over gaat.

Wat heeft de supervisant/therapeut hier aan gehad? Zij voelt zowel verdriet over de overleden partner als over de scheiding en is er bang voor. Ze wil dit wel inbrengen maar zegt er dan bij: ‘Het verhaal van het verdriet hoeft niet te lang te duren…’ ‘Maar waarom niet?’, vraagt de supervisor. Het is alsof ze het paar meteen gerust willen stellen. Dat het geen twintig sessies over het verdriet hoeft te gaan…

Misschien is het nodig om zelf eerst eens wat langer stil te staan bij de aarzeling om de zelfonthulling te doen. Wat heeft de behandelaar zelf nodig om met het paar bij het gevoel stil te kunnen staan? Zou ze kunnen vragen: ‘Mag ik bij jullie op het schilderij komen staan?’ Is het een idee om de kinderen er bij uit te nodigen? Kunnen ze als gezin een drieluik schilderen over verleden, heden en toekomst? Zo zou de therapeut weer wat meer leiding in handen krijgen en zou er ruimte kunnen komen voor andere verhalen, bijvoorbeeld die van de kinderen. Ook krijgt ze meer stemmen in de kamer als ze een lege stoel zou neer zetten. Zou ze daar de overleden moeder op durven zetten? Wat zou die zeggen?

We komen tot de conclusie dat het werken aan de casus op deze manier met de reflecterende teams helpt bij het vertragen en bij het onderscheiden van de lagen van het voelen, reflecteren en handelen.

Ik neem er vooral van mee dat we als therapeuten ruimte mogen maken voor de aarzeling om een zelfonthulling te doen. Mijn dichtklappen leidde al tot reflectie over het waarom: wat raakte mij? En nu voeg ik daaraan toe de aarzeling over een mogelijke zelfonthulling? Door de aarzeling serieus te nemen kan ik op zoek gaan naar de juiste woorden om de zelfonthulling te doen. Of niet te doen. In het reflecteren over de aarzeling kan ik tot een weloverwogen plan komen. Mogelijk vraag ik om mandaat om het over de meer pijnlijke kanten van de hulpvraag te hebben.

Dat we voorzichtig zijn en aarzelen met het doen van zelfonthullingen is begrijpelijk. Wij therapeuten nodigen cliënten uit om te voelen maar durven we het zelf? We hebben tijd nodig. Vertragen en verdragen is de kunst.

Mag je het voelen van een heftig verlies moeilijk vinden? Ja! Waar het om gaat is: Hoe ga je er mee om? Kun je er samen bij stil staan?

Dit alles herinnert aan het filmpje van Brené Brown waarin ze het heeft over empathie en het onderscheid maakt met sympathie. Ruimte creëren voor empathie is een kunst.

Zelfonthulling is altijd ten dienste van de therapie en als therapeut blijf je verantwoordelijk en in de leidende positie. Als je niet weet hoe en wat te onthullen dan praat je maar even mee of stuur je het gesprek in een andere richting. Je kunt er altijd later op terugkomen.


Het reddeloze gezin

Deze supervisant valt in herhaling met dit gezin. Steeds helpt zij hen op de kant tot ze opnieuw in een wak stappen. Ze blijft maar adviseren en deelt haar innerlijke dialoog niet met deze mensen. De drie kinderen hebben veel ruzie met elkaar en ze luisteren niet naar de ouders. De meeste zorgen heeft de therapeut over de moeder maar ook over het middelste kind dat dyslexie heeft. Haar innerlijke dialoog gaat ongeveer zo: ‘Zien jullie dan niet dat er met jullie gespeeld wordt en dat ik jullie steeds weer de kant op trek’. Ze voelt zich boos worden op de ouders en ze voelt machteloosheid over dat de ouders het middelste kind de schuld blijven geven.

Het eerste reflecterende team wordt geraakt door het willen redden en de gevoelens van machteloosheid. De therapeut denkt: ‘Zien jullie mij niet?’. Misschien is dat het thema van deze casus: Je wel/niet gezien voelen. Deze therapeut voelt zich niet gezien. Dat is wat hen raakt.

Het tweede reflecterende team komt met de metafoor van een winderige dag waarop een sjaal voor moeders ogen geblazen wordt, wat haar verblindt.

Het derde team komt met het advies om op een dieper niveau naast moeder te gaan staan en het gezien worden of niet gezien worden te bespreken. Ook wordt geadviseerd om naar de unieke uitzondering te vragen. Op welke momenten weet dit gezin zichzelf wel te redden uit een wak?

Wat neemt de supervisant hier van mee? Het verblindt zijn van de moeder en de therapeut wil inderdaad dieper ingaan met de ouders over wat/wie niet gezien wordt. Waar raakt de moeder precies door van de kook? Door wie is zij zelf niet gezien?

Pot met pieren*

Wat we vandaag leerden is om aandacht te hebben voor verschillende waarnemingen en te belichten wat je eerder niet zag. Meerstemmigheid helpt daar bij. Er komt ruimte voor nieuwe perspectieven, voor nieuwe beelden die veel bij kunnen dragen. Het horen van wat een verhaal bij een ander losmaakt, maakt onze eigen gedachten losser.

In plaats van in een pot met pieren te blijven staren en steeds meer pieren te zien gaan we op zoek naar meerstemmigheid, nieuwe vragen en ‘unieke uitkomsten’ (wanneer gaat het anders?). Ook mijn dichtklappen kan via reflectie leiden tot nieuwe vragen en op deze manier heel waardevol blijken.

We leerden om ons af te vragen wat we zelf van onze eigen thema’s in kunnen brengen. We leerden hoe we van een dominant thema kunnen en durven afstappen.

We leerden dat het waardevol is om te aarzelen over een zelfonthulling. We leerden over het tempo in de therapie. We leerden om stil te staan bij hoe we in een gesprek zitten. Een thema zoals ‘je gezien of gehoord voelen’ inbrengen werkt vertragend en het uit elkaar halen van de verschillende lagen van reflectie werkt ook zo.

Ik hoorde iemand zeggen: ‘Waar de breuk is, is ook de bron’. Een hoopgevende one-liner die mij deed denken aan een regel van de Perzische dichter Rumi: ‘In alles zit een barst, zo valt het licht naar binnen.’ Misschien sloegen we vandaag een barst in de pot met pieren. Dan kunnen die alvast terug de aarde in.


* ‘A can of worms’. Uit de Collins Idioms Dictionary:

A can of worms is a situation or subject that is very complicated, difficult or unpleasant to deal with or discuss. ‘Now we have uncovered a can of worms in which there has not only been shameful abuse of power, but a failure of moral authority of the worst kind.’
You can also use the expression ‘to open a can of worms’, meaning to start dealing with or discussing something so complicated, difficult or unpleasant that it would be better not to deal with or discuss it at all. Whenever a company connects its network to the Internet, it opens a can of worms in security terms. Many people worry that by uncovering the cause of their unhappiness they might be opening a can of worms that they can’t then deal with.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie