De kunst van het wandelen

Dit bericht is een vertaling en samenvatting van een essay van de eigenzinnige Amerikaanse dichter en filosoof Henry David Thoreau. Het essay heet ‘Walking’ en is gepubliceerd in 1862, een maand na zijn dood. Thoreau bezingt het wandelen. Een beroemd boek van hem is ‘Walden’ over het leven in de bossen.

Hij neemt het op voor de natuur, voor de absolute vrijheid en voor de wildheid en wil de mens beschouwen als een onderdeel van de natuur, eerder dan als lid van de maatschappij.

Er werd naar dit essay verwezen door Bregje Hofstede in een bijdrage in De Correspondent over hoe zijzelf uit een burn-out kwam door te wandelen. Hofstede over Thoreau en haar wandeltherapie:

‘Iedere wandeling is een soort kruistocht,’ vindt hij, ‘om dit Heilige Land te heroveren.’ Het Heilige Land dat hij bedoelt, is een heel aards paradijs, nergens te vinden behalve hier en nu; de verlossing bestaat uit landweggetjes en een paar uur voor jezelf.

Wandelen stond centraal in mijn herstel van de burn-out, en is een constante in alle adviezen die ik daar ooit over las. Wandelcoaching is een genre binnen de begeleiding van burn-outpatiënten, daarnaast is er een joggingvariant. Ook om burn-out te voorkomen, lijkt wandelen effectief. Thoreau’s heilsverwachting begeleidt de wandelaar nog steeds. Waarom?

Lees vooral het artikel van Hofstede maar dit bericht is een vertaalde en verkorte versie van Thoreau’s essay. Zijn negentiende eeuwse engels is niet makkelijk te lezen maar hij zegt interessante dingen en neemt interessante dingen waar. Vandaar dat ik er voor ging zitten om het te ontcijferen. Mijn wandelingen zijn er een stuk romantischer op geworden.

Foto’s gemaakt tijdens wandelingen op de Oude Buisse Heide, januari 2019

Wandelen is dwalen

Een Engels woord voor wandelen, voor de kunst van het wandelen, slenteren of kuieren is ‘sauntering’. Dit woord is volgens Thoreau afgeleid van het Franse ‘sainte terrer’ dat gebruikt werd voor de middeleeuwse zwervers die te voet en bedelend door Frankrijk trokken. Deze wandelaars werden als lui en nutteloos gezien, als vagebonden die maar zeiden dat ze op weg waren naar het heilige land. Franse kinderen riepen deze mensen na: ‘sainte terrers’, ‘heilige landers’. Volgens etymologen is het woord ‘sauntering’ verwant aan het Nederlandse woord ‘slenteren’ of het Duitse woord ‘schlendern’. Het heeft dus niet echt iets te maken met het op weg zijn naar het heilige land.

Je zou volgens Thoreau ook kunnen bedenken dat het woord ‘saunterer’ afgeleid is van het Franse ‘sans terre’, zonder aarde, zonder vaste verblijfplaats. De zwerver of de wandelaar die zich overal thuis voelt. Dit is het geheim van de wandelaar; hij voelt zich overal thuis terwijl hij wandelt. Degene die thuis blijft is pas echt lui en nutteloos.

Hoewel ik de betekenis van de ‘saunterer’ als mens zonder vaste verblijfplaats een aantrekkelijke vind gaat Thoreau’s voorkeur uit naar de meer transcendente betekenis van ‘saunterer’; die van de wandelaar die op weg is naar het heilige land. Een wandelaar is zoals een slingerende beek, die de kortste weg naar de zee zoekt. Thoreau heeft zelf maar weinig mensen ontmoet die op deze manier wandelden en die volgens hem echt begrepen wat de kunst van het wandelen inhield.

De tegenwoordige wandelaar begint zelden meer aan een eindeloze tocht. Meestal keert hij aan het eind van de dag terug naar de haard die hij ’s ochtends verliet. Veel wandelingen hebben we al eens eerder gemaakt. Toch zouden we zelfs de kortste wandelingen kunnen maken in de geest van het eindeloze avontuur, alsof we niet meer zullen terugkeren. Alsof we bereid zijn om familie en vrienden achter ons te laten. Onze schulden afgelost, de erfenis nagelaten, zaken geregeld en dan als vrij mens op pad. Pas als je op deze manier kunt vertrekken, ben je klaar voor het echte wandelen.

Samen met een wandelvriend fantaseerde Thoreau soms alsof zij iets belichaamden van een heldhaftige ridder te paard uit oude tijden, maar dan wel een ridder van een zeer eerbare orde en niet in dienst van de kerk of de staat maar een dolende ridder. Zij meenden dat zij de twee enigen waren die deze edele kunst van het wandelen beoefenden. De vrije tijd, de vrijheid en onafhankelijkheid van deze toestand vonden ze van onschatbare waarde. Zij ontvingen als wandelaars direct toestemming vanuit de hemel. Ze waren geboren om te wandelen.

Volgens Thoreau mijmeren mensen graag over het verdwalen dat zij ooit, jaren geleden een keer op een wandeling meemaakten. Daarna hebben zij zich voor de rest van hun leven gehouden aan de gebaande paden. Zij menen over vrijheid en avontuur te kunnen meepraten omdat ze één keer gedurende een half uur de weg kwijt geweest zijn.

Hij meent dat je alleen gezond blijft als je minstens vier uur per dag door de bossen, velden of heuvels dwaalt, vrij van de wereldlijke beslommeringen. Hij beschrijft winkeliers uit zijn buurt die de hele dag in hun winkel zitten alsof hun benen niet gemaakt zijn om mee te lopen. Volgens Thoreau pleit het voor deze mensen dat ze nog geen eind aan hun leven gemaakt hebben, want hij zou het zitten geen dag vol houden. Hij zou zich vastgeroest voelen. Wanneer hij op een dag pas aan wandelen toekomt om vier uur ’s middags, als het licht het einde van de dag aan kondigt dan voelt het voor hem alsof hij een zonde heeft begaan.

Hij verbaast zich over het uithoudingsvermogen van zittende mensen maar ook over hun morele ongevoeligheid. Hoe kunnen ze het weken en maanden lang zittend in hun kantoren uithouden? Hij verbaast zich ook over hoe vrouwen, die meer aan huis gebonden zijn dan mannen, dit kunnen, hoewel hij denkt dat vrouwen het eigenlijk helemaal niet kunnen. Misschien hebben temperament en leeftijd er wel iets mee te maken bedenkt hij dan. Als je ouder wordt kun je makkelijker stil zitten en heb je genoeg aan een korte wandeling laat in de middag.

Het wandelen zoals Thoreau het beschrijft lijkt desalniettemin in weinig op lichamelijke oefening. Voor hem is een wandeling een avontuur; een zoektocht naar de bron van het leven. De bron die opborrelt in een veld verderop waar je het niet verwacht. Een zoektocht naar het heilige land.

Verblijven in de buitenlucht, in de zon en de wind leidt mogelijk tot een wat ruwere persoonlijkheid zoals ook het doen van veel handarbeid leidt tot ruwe handen, maar van veel binnen blijven zitten kan de huid weer te dun worden en de persoonlijkheid overgevoelig. Het mooist is als er een goede verhouding is tussen een dikke en een dunne huid, net zoals er goede verhoudingen zijn tussen dag en nacht, zomer en winter, tussen denken en ervaren.

Onze gedachten kunnen volgens Thoreau wel wat meer lucht en zonlicht gebruiken. We moeten de bossen en de velden in en dan niet alleen met ons lichaam maar ook met onze geest. Als je gedachten nog bij je werk zijn dan ben je niet waar je lichaam is en je zintuigen zijn. Wat heb je in het bos te zoeken als je er met je gedachten niet bij bent, vraagt Thoreau zich af.

Hij woonde zelf in een omgeving waar vele en verschillende goede wandelingen mogelijk waren. Dat er steeds meer bossen gekapt werden zag hij met lede ogen toe. Maar hij zelf kon nog gemakkelijk vele mijlen lopen vanuit zijn eigen voordeur zelfs zonder eerst langs andere huizen of wegen te moeten gaan. Behalve dan langs de wegen die door een vos of een das gebruikt werden. Mijlen in de omtrek was er geen bebouwing. Hij liep eerst langs een rivier en dan langs een meer, een wei en een houtstapel. Het deed hem goed om te zien hoe weinig plaats de mens en zaken die de mens bezighouden, innamen op zijn wandelingen, zaken zoals kerk, staat, school, handel, fabricage, agricultuur en politiek, wat hij het ergste van alles vindt. Op zijn wandelingen kan hij van dat alles gemakkelijk afstand nemen.

Hij heeft er weinig behoefte aan om een weg te volgen naar een herberg of een winkel. Hij loopt liever de natuur in zoals een dichter en liever niet op de gebaande paden. Er zijn maar weinig wegen waar je als wandelaar iets aan hebt. Een zo’n weg is ‘the Old Marlborough Road’, waar Thoreau een gedicht over geschreven heeft. Elke stad heeft wel een paar van dat soort wegen. ‘The old Marlborouh Road’  is een weg die eigenlijk geld had moeten opleveren, wat niet gebeurde en waarover het reizen nu zoet is. Enkele regels uit het gedicht:

The Old Marlborough Road

When the spring stirs my blood
With the instinct to travel,
I can get enough gravel
On the Old Marlborough Road.

Nobody repairs it,
For nobody wears it;
It is a living way,
As the Christians say.

What is it, what is it
But a direction out there,
And the bare possibility
Of going somewhere?

If with fancy unfurled
You leave your abode
You may go round the world
By the Old Marlborough Road.

De beste stukken land hebben volgens Thoreau geen eigenaar waar de wandelaar vrij kan rondlopen maar op een dag zal ook dit land afgescheiden zijn en een bestemming krijgen waardoor je er minder plezier aan beleeft, land waar hekken geplaatst zijn en andere beperkingen gelden. Wanneer een stuk land iemands eigendom is dan is het lopen over God’s aarde als lopen op verboden terrein. Het exclusief hiervan genieten door de eigenaar kan geen ècht genieten zijn volgens Thoreau. Mogelijkheden om vrij te wandelen moeten we vergroten in plaats van verkleinen.

Hij meent dat er in de natuur een soort magnetisme werkzaam is die ons een bepaalde richting op stuurt, die ons iets zal opleveren. Soms is het goed om een richting in te slaan die vreemd voor je is. Als hij zelf zijn instinct volgt dan leidt de richting hem meestal naar het westen of zuidwesten. Daar ligt zijn toekomst, denkt hij. De omtrek van zijn wandeling heeft meestal de vorm van een eclips. Hij vindt het moeilijk om te geloven dat er in oostelijke richting ook mooie en wilde landschappen te vinden zijn en dat er daar ook vrijheid achter de horizon gloort.

De natuur in het wilde westen

In zijn neiging om westwaarts te gaan meent Thoreau niet alleen te staan. Volgens hem trekken mensen oostwaarts voor de kunst en de literatuur maar trekken ze westwaarts op zoek naar de toekomst en het avontuur. Hij is een Amerikaanse filosoof en Amerikanen zijn over de Atlantische Oceaan gekomen, lieten de Oude Wereld achter zich en vòòr hen in het westen lag de Stille Oceaan die nog veel groter was dan de Atlantische. Elke zonsondergang inspireert volgens Thoreau het verlangen om in Westelijke richting te lopen; de zon migreert naar het Westen en verleidt ons om te volgen.

Columbus voelde zich aangetrokken tot het Westen. Thoreau meent dat er nergens op aarde zoveel rijk en vruchtbaar land is als in de Amerika’s. Er zijn bijvoorbeeld veel meer soorten grote bomen dan in Europa. Het Amazonegebied van Zuid Amerika is de grootste wildernis op aarde. Wat dit alles bewijst is Thoreau uiteindelijk niet zo zeker van maar hij ziet de neiging om een bepaalde richting uit te gaan ook in de trek van vogels en andere dieren.

Hij schrijft nog wat verder aan zijn romantische visie op de natuur in de Amerika’s en zijn voorkeur om in westelijke richting te wandelen. Hij noemt zichzelf een echte patriot. Amerika is volgens hem en veel andere ontdekkingsreizigers en tijdgenoten gemaakt voor de mens uit de oude wereld. De oorspronkelijke bewoners, de Indianen, zullen hier wel anders tegen aan gekeken hebben en nog kijken, denk ik.

‘De mens’, vervolgt Thoreau, heeft de rijke aarde van Europa uitgeput en steekt dan de oceaan over richting het Westen, op avontuur om zich verder te ontwikkelen. Hij citeert een Latijnse uitspraak: ‘Oriente lux, ex occidente frux’: Uit het oosten komt het licht en uit het westen de vruchten.

De Engelse reiziger Francis Head, die later gouverneur van Canada werd, beschrijft de natuur in de Nieuwe Wereld als aanwezig op een grotere schaal met meer kostelijke kleuren dan in de Oude Wereld. De hemel is er hoger en blauwer, de lucht is er frisser, de kou intenser, de sterren helderder, de maan lijkt groter, het onweer klinkt luider, de bliksem is levendiger, de wind sterker, de regen zwaarder, de bergen hoger, de rivieren langer, de wouden groter en de vlakten wijder.

Thoreau meent dat dit alles iets zou moeten betekenen voor het niveau van de filosofie, de dichtkunst en de godsdienst die uit Amerika komt. Want een klimaat heeft invloed heeft op de mens. Frisse berglucht kan de geest voeden en inspireren. Of maakt het soms niet uit of je vele dagen van je leven in de mist doorbrengt, vraagt hij. Wij Amerikanen zouden toch tot meer verbeelding in staat moeten zijn en tot helderdere gedachten, frisser en spiritueler en tot een dieper en breder begrip moeten kunnen komen als onze vlakten, bergen, hemel, rivieren, wouden, enz. wijder, hoger, langer en groter zijn? Wat zou anders de zin zijn geweest van het ontdekken van de Amerika’s?

Leven dat de mens nog niet onderworpen heeft, verheft hem

Het westen is eigenlijk het wilde westen en de wildernis ligt ten grondslag van onze wereld. Elke boom is met zijn vezels op zoek naar het wilde. Onze voorouders waren wild. Het verhaal uit de Oudheid van Romulus en Remus die gezoogd werden door een wolvin, is niet zonder betekenis. De bron die ons voedt en levenskracht geeft is een wilde bron. Het lag niet aan de wolf dat het Romeinse Rijk instortte. Thoreau zou het liefst leven op een plek waar nooit eerder iemand zich vestigde. De Schot George Gordon-Cumming, die in Afrika jaagde schreef dat de huid van een elandantilope de meest verrukkelijke geur van bomen en gras verspreidt. Thoreau zou het liefst willen dat je aan mensen ook kunt ruiken op welke plek in de natuur ze de meeste tijd doorbrengen.

Darwin beschreef ooit een blanke man die aan het baden was naast een Tahitiaan en het leek hem alsof hij naar een, door kunstgrepen verbleekte plant keek en daarnaast een fijnere, groene en wilde plant vol met energie zag. Het wilde is het meest levende. Leven dat de mens nog niet onderworpen heeft tilt hem op, verfrist hem. Hoop en toekomst zijn niet te vinden in een gecultiveerd landschap maar wel in de ondoordringbare en van leven trillende moerassen.

Er is niets rijker voor het oog dan een veld met wilde bloemen. Als Thoreau voor de keuze zou worden gesteld om te verblijven in de buurt van de mooiste tuin die ooit door een mens gemaakt is of een of ander rampzalig moeras, dan zou hij beslist voor het moeras kiezen. Voor hem is al het werk van de mens aan zijn tuin ijdelheid.

‘Geef me de oceaan, de woestijn of de wildernis!’, roept hij uit. De zuivere lucht en de eenzaamheid van een woestijn compenseren voor het gebrek aan water. Je moraal verbetert er, je wordt er vriendelijk, hartelijk en gastvrij. Zij die gereisd hebben in de steppen van Tartarije zeggen als ze thuis komen: Terugkomend in het gecultiveerde land zijn het de agitatie, de verwarring en de verstoringen die je bedrukken en verstikken.

Thoreau betreedt een moeras alsof het een heilige plaats is want daar is de kern en de kracht van de natuur te vinden. Wild hout overwoekert er de maagdelijke schimmels en de aarde is er goed voor zowel bomen als mensen. Moerassen en wouden zijn net zo onontbeerlijk voor het leven in de stad als rechtvaardige mensen. Een stad of dorp dat omgeven wordt door wilde natuur geeft zijn bewoners niet alleen aardappelen maar ook dichters en filosofen. Beschavingen overleven zolang de aarde niet uitgeput wordt.

Ook in de literatuur is het wilde het meest aantrekkelijk. Het is het onbeschaafde, vrije en wilde denken in Hamlet en de Ilias en in alle andere verhalen en mythologieën die ons verrukken. Het tamme is saai. Een goed boek is iets natuurlijks, onverwacht zuiver en perfect zoals een wilde bloem in de prairie of de jungle. Genialiteit geeft licht in de duisternis, een bliksemschicht die de tempel van kennis op zijn grondvesten doet schudden.

Waar is de literatuur die uitdrukking geeft aan de Natuur? Waar is de dichter die indruk maakt op de wind en de rivieren, die deze laat spreken, die woorden geeft aan hun zintuigen? Waar is de dichter die woorden op een bladzijde zet waar de aarde nog aan vast zit zoals de aarde vast zit aan de wortels, woorden die zo waar en vers zijn dat het lijkt alsof ze op springen staan zoals de knoppen in de lente, woorden die in bloei staan en elk jaar opnieuw vruchten geven aan de lezer, woorden die houden van de natuur?

Thoreau kent geen gedichten die het verlangen naar de wildernis echt goed uitdrukken. Zelfs de beste poëzie vind hij matig in dit opzicht. De Griekse mythologie komt het meest dichtbij, een mythologie die de oogst was van de antieke wereld voordat deze uitgeput werd en de inbeelding en verbeelding verteerd werden. Een mythologie die nog steeds werkt wanneer haar zuivere zeggingskracht de ruimte krijgt.

Het westen moet zijn verhalen nog toevoegen aan die van het oosten. De valleien van de Ganges en de Nijl wierpen hun literaire vruchten af en het valt te bezien of de Amazone en de Mississippi dit ook zullen doen. Misschien ontstaat er ooit een inspirerende Amerikaanse mythologie. Misschien wordt de Amerikaanse vrijheid ooit een inspirerend verdicht verzinsel uit het verleden.

Hoe dan ook, goede dingen zijn wilde dingen. Een stuk muziek dat klinkt als een zomeravond of als het roepen van een wild dier uit het woud bijvoorbeeld. Thoreau houdt er van als een huisdier nog iets laat zien van zijn oorspronkelijke wildheid zoals een koe in de weide die op een lentedag een rivier inspringt. Er is nog iets van instinct bewaard gebleven. Hij hoopt dat ook de mens iets van zijn wilde trekken bewaart.

Een wild paard moet gebroken worden voordat hij de knecht van een mens kan zijn. De meeste mensen worden tam geboren maar dat betekent niet dat degenen die een beetje wilder zijn gebroken moeten worden. Je hoeft een tijger niet te temmen en ook hoef je niet, andersom, een schaap te laten verwilderen. We moeten ruimte geven aan het kind in ons en niet te snel de aangepaste volwassene willen zijn. We moeten niet elk onderdeel van een mens willen cultiveren zoals we ook niet alle aarde moeten willen cultiveren. Een deel van de aarde kunnen we bebouwen maar het grootste deel moet niet in gebruik zijn zodat de schimmels hun weg weten te vinden.

Voor ons ligt de uitgestrekte, woeste, zwevende moeder natuur, die ons overal omringt, met zo’n schoonheid en genegenheid voor haar kinderen, zoals een luipaard dat heeft; en toch maken we ons los van haar en wenden ons richting de mensen maatschappij die een beschaving produceert die bestemd is om snel te eindigen.

Het mooie van onwetend zijn

Spanjaarden hebben een goed woord voor wilde en schemerige kennis ‘grammatica parda’, een soort van aangeboren gevatheid. Kennis is macht zegt men maar er is volgens Thoreau naast nuttige kennis ook nuttige onwetendheid of schone kennis, een kennis die bruikbaar is in hogere zin. Nuttige kennis maakt ons verwaand, we scheppen op met die kennis maar we zijn beroofd van de voordelen van onwetendheid. We verzamelen een ontelbare hoeveelheid feiten, slaan deze op in ons geheugen maar als er een lente in ons leven komt en we rondstruinen zoals een paard in de wei, dan willen we vers gras en geen hooi. Eet gras, je hebt lang genoeg hooi gegeten!

Met wie heb je liever te maken? Met een mens die over een onderwerp niets weet en die, wat uitzonderlijk is, weet dat hij niets weet òf met de mens die wèl iets van het onderwerp weet en meent dat hij er alles van weet?

Thoreau heeft een onophoudelijk verlangen naar kennis maar baadt zijn hoofd graag in het onbekende. Het hoogste waar we volgens hem naar moeten streven is niet zozeer kennis maar een ingenomen zijn met intelligentie, een ingenomen zijn met momenten waarop de mist plaats maakt voor de zon.

Er zit iets slaafs in het volgen van de regels. We kunnen wetten en regels bestuderen maar er zijn geen regels voor een succesvol leven. Leef vrij, kind van de mist! Want dat zijn we allemaal; kinderen in de mist. De mens die vrij is staat boven de wet, juist op grond van zijn verhouding met de wet. Volgens een oude Indiase tekst is het onze plicht om actief kennis te vergaren die ons bevrijdt. Alle andere plichten zijn vermoeiend; alle andere kennis is niet veel meer dan een handigheid.

Er is te weinig waardering voor de schoonheid van de natuur. We weten dat de oude Grieken de wereld Kosmos noemde, wat schoonheid of orde betekent, maar we begrijpen niet echt waaròm ze de wereld zo noemden. Thoreau ziet de natuur als een enorme en universele persoonlijkheid die wij amper kennen.

In hoeverre laat de natuur zich kennen

Thoreau wandelde veel rond de kleine stad Concord in de staat Massachusetts waar hij woonde. Hij had het gevoel dat hij leefde op de grens van de natuur waar hij af en toe in kon bevinden. ‘Tot een leven dat ik echt natuurlijk noem, zou ik graag zelfs een dwaallicht volgen door ondenkbare moerassen en slenken, maar geen maan of vuurvlieg heeft me ooit de weg er naartoe laten zien.’

Hij beschrijft een wandeling op het landgoed Spaulding bij hem in de buurt en ziet de ondergaande zon oplichten aan de andere kant van een statig dennenbos. Hij ziet de gouden stralen afsteken op de bospaden en fantaseert dat de paden leiden naar een of andere statige hal van een huis waar een oud en bewonderenswaardig en stralend gezin woont, bij wie de zon de dienstknecht is. Hij zag hun park, hun lusthof en verderop in het bos, hun cranberry weide. Hun huis was niet voor de hand liggend om te zien; de bomen groeiden erdoorheen. Het lijkt alsof er geluiden te horen zijn van een onderdrukte vrolijkheid. De familieleden leunen tegen de zonnestralen. Met de zonen en dochters gaat het redelijk goed. Het karrenpad van de boer loopt rechtstreeks door de hal maar dat stoort hen in het geheel niet, omdat ze in de poeltjes van de modderige bodem soms de weerkaatste lucht zien. Ze hebben nog nooit van Spaulding gehoord en weten niet dat de boer hun buurman is, ondanks dat ze hem kunnen horen fluiten wanneer hij door hun huis rijdt. Niets kan de sereniteit van hun leven evenaren. Hun wapenschild is een eenvoudig korstmos. Die is op de dennen en de eiken geschilderd. Hun zolders liggen in de toppen van de bomen. Ze doen niet aan politiek, maken geen lawaai van arbeid. Hij ziet ze niet weven of draaien. Toch hoorde hij, toen de wind ging liggen, het fijnst denkbare zoete muzikale gebrom – als van een verre bijenkorf in mei – wat waarschijnlijk het geluid van hun denken was. Ze hadden geen ijdele gedachten en niemand zag wat voor werk zij deden.

Thoreau vind het moeilijk om deze denkbeeldige familie uit zijn geheugen op te roepen. Ze vervagen onherroepelijk uit zijn herinnering, zelfs terwijl hij het over hen heeft. Steeds opnieuw probeert hij hen voor de geest te halen en probeert hij ook om zichzelf daar te herinneren. Pas na een lange en serieuze poging lukt het. Als het niet voor zulke families was, besluit hij, zou hij Concord verlaten.

Het is volgens Thoreau een goed idee om eens in een boom te klimmen. Hij heeft het een keer gedaan. Het was een hoge witte pijnboom op de top van een heuvel en door dit te doen ontdekte hij bergen aan de horizon die hij nooit eerder zag. Daarbij ontdekte hij vlak bij zich – het was tegen het einde van juni – aan de uiteinden van de bovenste takken, een paar fijne, rode bloesems. Het is de vruchtbare bloem van een boom die zich naar de hemel uitstrekt. De natuur laat deze bloesems van het woud boven het hoofd van de mensen groeien, en blijven door hen onopgemerkt.

Het is goed om in het heden te leven en geen moment van dat heden te verliezen door je met verleden of toekomst bezig te houden. De mens die zo leeft blijft niet achter; hij is vroeg begonnen en vroeg opgehouden, hij is waar hij is en in het seizoen waarin hij is, hij bevindt zich op de eerste rang van de tijd.

Thoreau zag op een dag in november een opmerkelijke zonsondergang. Hij liep samen met een vriend in een weiland, vlak bij de bron van een klein beekje, toen de zon eindelijk vlak voor het ondergaan, na een koude, grijze dag, een heldere laag aan de horizon bereikte en het zachtste, helderste zonlicht op het droge gras viel en op de stengels van de bomen aan de horizon en op de bladeren van de heesters op de heuvel, terwijl hun eigen schaduwen zich lang over de weide oostwaarts uitstrekten, alsof zij de meeldraden in de stralen waren. Het was een licht dat zij zich een moment daarvoor niet hadden kunnen voorstellen. Toen bedachten ze dat dit geen op zichzelf staand verschijnsel was, een verschijnsel dat zich nooit meer voor zou doen, maar dat dit steeds opnieuw kon gebeuren, een oneindig aantal avonden en zo werd het moment nog glorieuzer.

De zon ging onder. Ze wandelden in een zo puur en helder licht dat het droge gras en de bladeren er door verguld werden, zo’n  zacht en sereen en helder licht, dat Thoreau het idee kreeg dat hij in een gouden stroom baadde, zonder een rimpeling of geruis te veroorzaken. De westkant van het bos glinsterde en de zon op hun rug voelde als een vriendelijke herder die hen die avond naar huis bracht.

Op deze manier slenteren wandelaars in de richting van het heilige land, totdat de zon op een dag helderder zal schijnen dan ooit tevoren en misschien ook zal schitteren in onze geest en ons hart en ons hele leven zal oplichten.

Wandelen in een urbane omgeving in de 21e eeuw

Thoreau was een eigenzinnig mens en een verwoed wandelaar met romantische ideeën over de natuur. Zijn essay gaf mij inspiratie voor mijn eigen wandelingen en om alles achter me te laten op het moment dat ik vertrek, om in het hier-en-nu te zijn. Vanuit mijn huis kan ik de wildernis niet in, niet eens een 21e eeuws natuurgebied, maar ik probeer toch afstand te nemen van alles wat te maken heeft met onze beschaving, het haasten, het consumeren, het presteren, enz. Ik ben met mijn aandacht bij wat ik waarneem, zoveel mogelijk bij natuurverschijnselen zoals een lichtval op een blad, een rimpeling op het water, een vogelgeluid, enz. Ook neem ik waar wat ik lichamelijk voel en beleef, de ademhaling, de beweging van het lichaam en voel me met elke stap thuis. Ik loop op gebaande paden maar vermijdt zoveel mogelijk de drukte. Ik volg een inval om een ander pad in te slaan en de wandeling uit te breiden. Ik probeer verwonderd te zijn en niets te weten. Misschien ontspringt er een bron een eindje verderop. Het is inderdaad meer dan een lichamelijke oefening.

Henriette Roland Holst

In de tijd dat ik het essay van Thoreau aan het ontcijferen was, wandelde ik in een natuurgebied waar ooit de schilder Vincent van Gogh ronddoolde maar waar ook de Nederlandse dichteres Henriette Roland Holst haar toevlucht zocht en inspiratie vondt: de Oude Buisse Heide. Natuurmonumenten heeft een gedichtenwandeling uitgezet waar je acht van haar gedichten kunt lezen tijdens de wandeling. Of deze gedichten in de ogen van Thoreau de natuur goed genoeg laten spreken weet ik niet. Roland Holst gebruikte de natuur vaak als spiegel van haar gemoedstoestand. Zoals deze regels uit ‘De vrouw in het woud’:

Er zijn in de duistere dichtheid
van het onzalige woud
plekken gelukkige lichtheid
waar een glazige klaarte blauwt

Tijden van groen-oase
ruischende innigheid
tusschen het heete smart-razen
als dauwdruppels geluk gespreid

Dit sonnet schreef ze na een wandeling op de Buisse Heide.

Wij togen op weg in den stillen morgen;
De glansgedrenkte nevel was nog dicht,
De dingen lagen half in hem verborgen,
Maar toen we kwamen in het volle licht,

Aan ’t einde van het Bosch en haar gezicht
De gouden zon hief uit omsluieringen,
Blonk blauw de luchtzee zonder rimpelingen,
Zuiver stonden de stammen opgericht.

Op het gele gras, langs de smalle paden
Millioenen verwonderlijk fijne draden
Fonkelend lagen in den zwaren dauw;

Soms valt een eikel niet ver van ons neder,
Een kort geluidje; even krast een kauw
Of vliegt een vogel op, dan heerscht de stilte weder.

Een ander gedicht van de gedichtenwandeling: ‘Ik kreeg de stilte weder lief’

Ik heb de stilte weder liefgewonnen:
een korte poos was ik van haar vervreemd
maar nu heb ik opnieuw haar liefgewonnen
ik mag weer drinken aan haar klare bronnen
en zwerven door haar schaduwbeemd.

Weer gaan haar dromenlanden voor mij open
waar bloeit het kruid van de herinnering
door haar zachte geuren omdropen
weet ik nauwelijks hoe de tijd verging.

Het verenigen van wildernis en beschaving

Samen met cultuursocioloog Ruben Jacobs zou ik, ondanks mijn waardering voor het essay van Thoreau en voor de Roland Holst’ gedichten die de natuur bezingen, afstand willen nemen van een al te romantische visie op de natuur.

Veel maatschappijkritische kunstenaars en filosofen zijn in reactie op de industrialisatie, de natuur gaan zien als een toevluchtsoord, een ruimte van spirituele redding en geven de natuur een intrinsieke waarde.  Zo trok onlangs de hedendaagse schrijver en ex-milieuactivist Paul Kingsnorth zich met zijn familie terug in een dunbevolkt en bosrijk gebied in West-Ierland. Hij is een beetje gaan leven zoals Thoreau.

Jacobs is het eens met een aantal aspecten die Kingsnorth aankaart en die Thoreau natuurlijk ook wel zag, namelijk dat er ten diepste iets mis is met onze beschaving (obsessie met eindeloze groei en materiële vooruitgang) en dat het leven niet om ons draait (antropocentrisme). Hij meent echter dat we met het ons terugtrekken in ‘de natuur’ terugvallen op een romantische en achterhaalde notie van ‘de natuur’.

Volgens Jacobs kùnnen we niet terug naar ‘de natuur’ want we zijn er nooit uit weg geweest. Het enige wat we gedaan hebben is dat we de natuur hebben bedolven onder een laag beton, gif, plastic en fijnstof. Hij meent dat we de wildernis en de beschaving moeten verbinden met elkaar. Hoe moeilijk dat ook is.

We zijn de natuur teveel gaan zien als een plaats waar we naartoe gaan, als iets dat exotisch, afgelegen, ergens daar verderop is. Het resultaat is zelfs dat we de natuur dichtbij huis gaan zien als ‘gemaakt’ of  ‘nep’. Dit terwijl we juist op de plaatsen waar we leven – onze achtertuin, onze daken, parken en boerderijen – onze relatie met de natuur zullen moeten vormgeven.

In een systeem dat gericht is op economische groei en winst worden zowel mensen als de natuur uitgebuit. De ‘romantische’ Thoreau had het over het uitputten van de natuur, waarna een beschaving tot zijn einde komt. Maar Thoreau had het ook over het wilde, het levende, in ons zelf en dat we dat niet teveel moeten cultiveren:

We moeten niet elk onderdeel van een mens willen cultiveren zoals we ook niet alle aarde moeten willen cultiveren. Een deel van de aarde kunnen we bebouwen maar het grootste deel moet niet in gebruik zijn zodat de schimmels hun weg weten te vinden.

Volgens Jacobs moeten we inzien dat we àltijd in de biosfeer zijn, ook als onze directe leefomgeving bestaat uit fijnstof. We moeten volgens hem af van het idee dat ‘stad’ en ‘natuur’ onverenigbaar zijn. We hoeven niet ‘de wildernis’ in  – als vermeende oase van schoonheid en puurheid – om onszelf te reinigen van het vervuilde urbane leven. De uitdaging is om een stedelijke leefwereld te creëren waar de biosfeer overal dwars doorheen kruist, overheen buigt en onderdoor kruipt; een stedelijke natuur.


Voorlopig moet ook ik het hebben van de stedelijke natuur. Meer dan af en toe een uitstapje naar een natuurgebied (met hekken en gebaande paden) zit er niet in. De wildernis zie ik niet vaak en dat is misschien maar goed ook gezien de schade die het toerisme daar nar toe veroorzaakt. Na lezing van Thoreau draag ik een eigen bedachte romantische wildernis met mij mee.

NB Kort na publicatie van dit bericht ontving ik een email van de historische uitgeverij van het Nexus Instituut die mij er op attent maakte dat het hele essay van Thoreau in 2018 voor het eerst is vertaald door Edzard Krol. Zie: Thoreau Wandelen.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.