Tagarchief: partnerrelatietherapie

Hechting tussen cliënt en therapeut

EN… HECHTING KOST TIJD!

In dit filmpje legt de psycholoog en psychotherapeut Jeanette de Waal uit wat het belang van de hechting is voor de mens en de (partnerrelatie) therapie.


Onderstaand bericht is een bewerking van een artikel van de Waal uit het Tijdschrift voor psychotherapie (2002): ‘In den beginne was er hechting…’ Het artikel is anno 2015 nog steeds van belang.

De Waal zocht uit wat de theorieën over hechting betekenen voor de relatie met en de behandeling door de psychotherapeut.

Bij veilige hechting ontstaan positieve innerlijke werkmodellen van zelf en anderen op basis waarvan zowel het eigen functioneren als de buitenwereld zonder belangrijke vertekeningen waargenomen worden. Onveilige hechting leidt tot dysfunctionele copingstrategieën, een beperkt vermogen tot mentaliseren en tot problematisch relationeel functioneren. Neurobiologisch onderzoek toont het belang aan van vroege hechtingservaringen voor de ontwikkeling van de structuur van het brein. In de psychotherapeutische relatie worden de hechtingspatronen gereactiveerd en daardoor ook beinvloedbaar. Langer durende therapieën bieden daar de nodige ruimte voor.

De mate waarin de therapeut en de cliënt samen een relatie creëren waarbij hechting mogelijk is bepaalt volgens De Waal hoe positief de uitkomst van de therapie is. Deze hechtingsrelatie vormt de basis voor de verandering. Bij mensen met complexe trauma’s is het proces van de hechting de eigenlijke therapie!

De druk van de laatste jaren op psychologen om kortdurend en klachtgericht te werken is dus geen goede ontwikkeling. Die druk is na 2002 enorm toegenomen.

Ik ga met het schrijven van dit bericht de tijd nemen voor de relatie en de hechting tussen de therapeut en de cliënt. Ik ga achter de klacht kijken, namelijk naar de persoon met de klacht. En ik doe net alsof op het moment de toekomst van de GGZ niet op scherp staat.

Inleiding

Hechten is een biologische drijfveer, van even groot belang als de zuigreflex. Hechten moet volgens de dwingende wetten van de natuur of opvoeders nu liefdevol of mishandelend zijn.

Ongeveer 70% van de bevolking is veilig gehecht en 30% is onveilig gehecht. Deze percentages werden ook bij transcultureel onderzoek gevonden.

De eerste die onderscheid maakte tussen veilige en onveilige hechting was Bowlby (1969). Zijn theorie wordt door allerlei neurobiologisch onderzoek ondersteund. Hechtingservaringen zijn de basis voor het latere psychisch functioneren. Deze ervaringen leiden er toe dat er ‘innerlijke werkmodellen’ worden gevormd die het kind gaat gebruiken om te anticiperen op en in contact te komen met de buitenwereld. De innerlijke werkmodellen of mentale representaties bepalen hoe het ‘zelf’ in relatie tot anderen beleefd en waargenomen wordt. Is het zelf competent en om van te houden; zijn anderen beschikbaar en veilig – of niet?

De primaire zorgomgeving is dus van cruciaal belang voor de ontwikkeling van het sociaal-emotionele functioneren. Hierbij staat het vermogen tot affectregulatie (het reguleren van emoties die opgeroepen worden) centraal. Maar zonder de stimulatie van een als veilig ervaren ander stagneert de ontwikkeling van functies en structuren in de hersenen op meer gebieden dan alleen de affect-regulatie, nl. ook op het gebied van de waarneming en het geheugen.

Mishandelde of verwaarloosde kinderen zijn chronisch emotioneel ontregeld: zij vertonen een verhoogd angstniveau of apathie. Hun sociale interacties worden gekenmerkt door over- of onderassertiviteit en door een verstoorde impulsregulatie. Aandacht en concentratie zijn problematisch  en cognitieve functies zijn aangetast.

Ontwikkeling vindt dus plaats zowel op het niveau van de hersenen als op het niveau van het emotionele bewustzijn en de betekenis die gegeven worden aan ervaringen.

Veiligheid wordt geboden door ‘containment (opvang) van negatieve emoties die het kind zelf niet kan reguleren en door het kind plezier en positieve emoties te bieden. Ouders die gevoelig zijn voor de toestand van het kind valideren zijn of haar gevoelens. Dit is van essentieel belang om vertrouwen in de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van de hechtingsfiguren en om vertrouwen in zichzelf te ontwikkelen omdat het eigen gedrag als effectief wordt beleefd. Het kind leert zo om te vertrouwen op de eigen waarneming en ontwikkelt het vermogen om zijn affecten te reguleren.

Emoties zijn het immuunsysteem van de geest. positieve of negatieve emoties waarschuwen of de situatie veilig of onveilig is – kan ik dichterbij komen of moet ik me wapenen? Het is belangrijk dat dit immuunsysteem goed werkt. Zo niet, dan wordt ons functioneren bedreigd.

Emotie is een toestand van voelen. Het speelt zich af in ons lijf; het is een autonome reactie waarop wij geen directe invloed hebben. Emoties worden niet op een bewust niveau geregistreerd, terwijl ons gedrag er wel door bepaald wordt. Emoties kunnen door een ander aan onze gezichtsuitdruking herkend worden voordat wij er ons zelf van bewust zijn. ‘Weet hebben van een gevoel’ komt pas tot stand op het moment dat een emotie vertaald wordt naar een gevoel en dus op een hoger bewustzijnsniveau onderkend en benoemd wordt.

We kunnen boosheid voelen en direct in actie omzetten maar we kunnen ook boosheid in onszelf waarnemen om daarna het gevoel in woorden om te zetten.

Vier verschillende basispatronen van hechting voortkomend uit de ‘strange situation test’ en het ‘adult attatchment interview’.

I. Hechting-stijlen bij kinderen: vier patronen

Deze vier patronen kwamen eerst in 1978 naar voren in de zogenaamde ‘strange situation test’ (Ainsworth en anderen). Er werd gekeken naar de reacties van peuters op een kortdurende scheiding van en hereniging met hun moeder of verzorger in een gestandaardiseerde situatie. Het angst-regulerende gedrag van de kinderen werd geregistreerd waarbij vooral het moment van hereniging met de moeder centraal stond. Kon het kind zich herenigen en daarna weer de aandacht op de omgeving richten? Het ging om de zoektocht van het kind tussen afstand en nabijheid in de relatie tot de moeder.

De basispatronen in de wijze waarop de peuters met de stress van deze situatie omgingen waren: de veilige hechting, de angstig vermijdende hechting, de angstig ambivalente hechting. Bij een later onderzoek werd het vierde basispatroon toegevoegd: de gedesorganiseerde hechting.

1. Veilig gehechte kinderen zoeken troost en steun bij hun moeder om daarna opnieuw over te gaan tot zelfstandig exploratiegedrag. De moeder reageert in dit geval sensitief op de stresssignalen van het kind en geeft adequate zorg en aandacht. Gezien vanuit het kind kun je zeggen dat het kind adequate reacties aan het kind weet te ontlokken, waardoor het eigen gedrag als effectief wordt beleefd.

2. Angstig vermijdende kinderen zoeken geen troost en steun bij de moeder en blijven zich richten op hun omgeving. Ze gedragen zich alsof ze niet geraakt worden door de scheiding en zetten, zo lijkt het, onverstoord hun (ongerichte) exploratiegedrag voort. Het hechtingsgedrag is gedeactiveerd. Deze kinderen worden vaak als ‘makkelijk’ bestempeld. Het is echter opmerkelijk dat fysiologische maten van stress, zoals een versnelde hartslag en een hoge cortisolspiegel, bij hen evenveel afwijken als bij peuters die wel openlijk ontregeld zijn. Deze kinderen hebben al vroeg geleerd om uitingen van emotionele afhankelijkheid en ontreddering te onderdrukken om zichzelf te beschermen tegen de pijn die afwijzing door onbereikbare ouders  oproept.

3. Angstig ambivalent gehechte peuters laten een grote mate van ontregeling zien. Zij blijven zich na de hereniging vastklampen aan hun moeder maar ze zijn boos en moeilijk te troosten. Ze blijven lange tijd ontregeld wat ten koste gaat  van hun aandacht voor en exploratie van de omgeving. Het hechtingssyteem is eigenlijk op hol geslagen. Deze kinderen zijn gewend aan de onberekenbaarheid van hun ouders die soms wel en soms niet beschikbaar zijn. Het maximaliseren van emoties geeft deze kinderen de meeste kans om aandacht te krijgen.

Iki Freud heeft in ‘Mannen en moeders’ een interactie beschreven tussen een moeder en haar zoon waarbij de moeder aan de ene kant toegeeft aan zijn behoefte aan troost maar aan de andere kant boos op hem blijft. Die boosheid jaagt de zoon zoveel angst aan dat hij dan steeds meer behoefte aan troost heeft. Dit is een typisch voorbeeld van de angstig ambivalente hechting.

4. Gedesorganiseerd gehechte kinderen vertonen bij stress chaotisch gedrag waarbij ze verschillende coping-strategieën afwisselen. Het bizarre en angstaanjagende gedrag van de hechtingsfiguren stelt het kind voor een onoplosbaar conflict omdat de hechtingsfiguren tegelijkertijd de oorzaak van de angst als de bron van troost zijn. Deze kinderen zijn hyper-alert en voor het gedrag van de moeder en extreem gevoelig voor haar mentale toestand terwijl de eigen innerlijke wereld ontregeld en verbrokkeld blijft. Een samenhangende strategie om met angst om te gaan blijft uit.

II. Hechting-stijlen bij volwassenen: vier patronen

In 1985 werd er een interview ontwikkeld (Main, Kaplan en Cassidy) waardoor het onderzoek naar hechting zich verder ontwikkelde. Volwassenen werden in het semi-gestructureerde interview  (Adult Attachment Interview, AAI) gevraagd om zich hechtingservaringen te herinneren en deze te bespreken. Bij de beoordeling van hun antwoorden stond niet de inhoud van hun verhaal centraal maar de huidige mentale representaties van de vroegere ervaringen: niet wàt er was gebeurd was belangrijk maar hòe er nu over gedacht en gesproken werd. Op deze manier kregen de onderzoekers toegang tot de onbewuste lagen van het mentale functioneren.

Basisschema’s van het zelf en de ander die gebaseerd zijn op vroege hechtingservaringen worden opgeslagen in het zogenaamde ‘procedurele of impliciete geheugen’. Dit geheugen bevat impliciete  relationele kennis die zich gevormd heeft in de eerste levensjaren, nog voor de ontwikkeling van de taal. De automatismen van het dagelijks leven, de reacties die we vertonen zonder dat we er over kunnen of moeten nadenken – onze ‘lijfreacties’ zijn er in opgeslagen.

Het AAI laat zien hoe de volwassene de informatie over de hechtingsfiguren opgeslagen heeft. De kwaliteit, kwantiteit, relevantie en stijl van de antwoorden van de volwassene werden beoordeeld. Kwaliteit wil hier zeggen dat het verhaal berust op waarheid en onderbouwd kan worden. Kwantiteit zegt iets over de beknoptheid en tegelijkertijd volledigheid van het verhaal. Relevantie refereert aan het vermogen om bij het onderwerp te blijven en stijl verwijst naar het vermogen om heldere en begrijpelijke taal te gebruiken.

Gebleken is dat mensen die niet op een coherente wijze kunnen nadenken en vertellen over hun eigen hechtingservaringen, onveilig gehechte kinderen hebben. 70 tot 80% van de hechtingscategorieen van kinderen zijn te voorspellen met de hechtingsstijlen van hun verzorgers zoals gemeten met de AAI. Ook de AAI kwam uit op vier hechtingsstijlen.

1. De autonoom gehechte volwassen  (overeenkomend met het veilig gehechte kind uit de ‘strange situation test’) zijn in staat om te reflecteren op hun ervaringen met hechtingsfiguren waarbij ze toegang hebben tot emotionele informatie over de hechting. Ze kunnen voldoende distantie houden om hun situatie te evalueren, ook wanneer het om pijnlijke ervaringen gaat, zonder de effecten daarvan te bagatelliseren, te ontkennen of in details te blijven steken.

2. Vermijdend gehechte mensen (overeenkomend met het angstig vermijdende kind ) devalueren het belang van hechtingservaringen of idealiseren het gezin van herkomst. Ze ontkennen de impact van vroegere trauma’s en benadrukken eigen mogelijkheden en zelfredzaamheid. Vaak lijken ze zich weinig te herinneren van hun vroege ervaringen en de erbij horende emoties.

3. Gepreoccupeerd gehechte volwassenen (overeenkomend met het angstig ambivalente kind) overwaarderen hun vroegere hechtingservaringen. Zij komen moeilijk los van negatieve emoties over de tekortkomingen van hun ouders. Zij gebruiken een overmaat aan details en het verhaal komt vaak chaotisch over. Hun vertrouwen in de eigen mogelijkheden is gering. Ze zijn hyper-alert op tekenen van steun, acceptatie en goedkeuring dan wel afwijzing en ze zijn geneigd het gedrag van anderen betekenis te geven tegen deze achtergrond.

4. Gedesoriënteerd gehechte volwassenen hebben hun trauma’s niet verwerkt. Hun vermogen om logisch te redeneren lijkt verstoord. In hun rol als ouder worden hun trauma’s zichtbaar in de vorm van plotseling optredende, soms onbegrijpelijke en bizarre emotionele uitingen wat hun gedrag voor hun kinderen grillig en onvoorspelbaar maakt. De onvoorspelbaarheid van de reacties ligt waarschijnlijk ten grondslag aan gedesorganiseerde hechtingsreacties bij hun kinderen. Naast dat deze volwassen tot deze categorie behoren, vallen zij tegelijk onder één van de andere drie classificaties.

Van lineair naar circulair

In eerste instantie lijkt het proces van hechting gekenmerkt te worden door een lineaire ontwikkeling: als de ouders zorgzaam en sensitief zijn, is het kind veilig gehecht. Traditioneel gaan psychoanalytische theorieën er van uit dat het kind een beeld van een verzorger internaliseert die in staat is tot containment van conflicten en angsten. Zo ontwikkelt het kind zelf een structuur waardoor het in staat is tot containment van conflicten en angsten. Schematisch voorgesteld:

emotie van het kind ⟶ zorgzame/ niet zorgzame ouder ⟶ veilig / niet veilig gehecht kind

Maar de theorie over de onderliggende processen van hechting heeft zich verder gevormd. Met de ontwikkeling van de AAI werden de feitelijke gebeurtenissen uit de kindertijd losgelaten en werd de indicator voor veilige of niet veilige gehechtheid, de mate waarin en de manier waarop iemand in staat is te reflecteren op gebeurtenissen en relaties uit het verleden en kan nadenken over de impact daarvan op het huidige functioneren. Hiermee wordt het begrip ‘meta-cognitief vermogen’ geïntroduceerd.

De stap van kijken naar ‘wat er is gebeurd’ naar kijken ‘hoe er op gereflecteerd en gesproken wordt’, is van groot belang. Het betekent dat iemand met een traumatische voorgeschiedenis als ‘veilig gehecht’ gescoord kan worden en het houdt impliciet in dat verandering in beleving mogelijk is. Wàt er is gebeurd kan niet veranderen; hoe er over gevoeld en gedacht wordt kan wèl veranderen en daardoor ook de impact van de gebeurtenis op het latere leven.

“Oude pijn kan zo hevig zijn dat we geloven dat die gevoelens ons nu nog kunnen schaden. We zijn bang dat we er niet tegen kunnen, dat we er aan onderdoor gaan of er gek door worden. We kennen dit allemaal maar het is een goed bewaard geheim: Oude pijn kan ons en zal ons niet schaden.”

Zo zegt de psychotherapeut Ingeborgh Bosch het. Zij ontwikkelde de Past Reality Integration therapie waar ik eerder over berichtte op dit weblog.

Terug naar Jeanette De Waal. Weet hebben van wat wij voelen maakt het mogelijk om affecten en impulsen te reguleren en te beïnvloeden en maakt het mogelijk om ons eigen handelen als effectief te beleven.

De Britse klinisch psycholoog Fonagy (1997) werkte deze theorie verder uit en introduceerde het begrip ‘mentaliseren’. Mentaliseren is een mentale functie die kinderen (en later volwassenen)  in staat stelt om zich een voorstelling te maken van de innerlijke wereld van anderen in termen van mentale toestanden zoals emoties, intenties of attitudes. Mede hierdoor wordt het gedrag van andere mensen als betekenisvol en voorspelbaar beleefd.

Exploratie van de innerlijke wereld van anderen is onlosmakelijk verbonden met de betekenis-geving aan eigen ervaringen en is wellicht ook van groot belang bij het ontstaan van het gevoel van eigen competentie. Het gaat hierbij om het vermogen om aan anderen een ‘mentale toestand’ toe te kennen, los van de eigen psychische realiteit. Fonagy spreekt van een ‘theorie van de psyche’, een ‘theory of mind’ die ons in staat stelt om de intenties en de gemoedstoestanden van anderen te begrijpen.

Fonagy ziet dit als een circulair proces en dus niet als een lineair proces. Niet het gedrag van de moeder als reactie op de emotie van het kind is bepalend, maar haar interpretatie van de betekenis van de emotie van het kind. Het is haar beeld van het kind en van wat het vertegenwoordigt en haar beleving van de emoties van het kind als al dan niet bedreigend, die bepalend zijn. Dit is wat zij door haar eigen reactie aan het kind teruggeeft. Schematisch voorgesteld:

emotie van het kind ⟶ beleving en correcte of niet correcte interpretatie door de ouder ⟶ zorgzame / niet zorgzame reactie op het kind ⟶ veilig / niet veilig gehecht kind ⟶ enz.

De betekenis die aan het gedrag van het kind wordt gegeven is bepalend

De emoties van het kind zijn voor de moeder een bedreiging wanneer zij als ‘trigger’ functioneren voor haar eigen onverwerkte traumatische ervaringen van angst, verlating, woede enz. De moeder verliest dan het vermogen om het kind als een eigen persoontje te zien, los van haar eigen emoties. De betekenis die de moeder geeft aan het gedrag van het kind zal de basis vormen voor de manier waarop het kind zichzelf als persoon waarneemt, dat wil zeggen, voor het zich ontwikkelende ik-gevoel van het kind.

Het vermogen van de moeder om de mentale en de fysieke toestand van het kind correct te interpreteren en aan het kind als betekenisvol terug te geven, maar ook om containment (opvang) te bieden, is bepalend voor de zich bij het kind ontwikkelende mentale representaties van zichzelf en de ander. De moeder leert het kind om uiteindelijk zelf de regie over zijn emoties in handen te nemen door de (non-verbale) communicatie van haar begrip voor zijn mentale toestand.

Een vermijdende moeder die vindt dat haar kind zeurt zonder te zien dat het honger of pijn heeft of bang is, erkent zijn emotionele toestand niet, ook al krijgt het te eten of zalf op zijn billen. Dit kind leert: ik ben een zeur en hij zal zijn emotionele reacties minimaliseren.

Een gepreoccupeerde moeder zal wellicht de emoties van het kind invoelen maar als dit te sterke emoties bij haar zelf oproept zal zij niet in staat zijn het kind te leren om zijn affecten te reguleren. Dit kind leer: wat ik voel is heel erg en het zal moeite hebben om zijn gevoelens te containen (op te vangen).

De reacties van deze moeders komen voort uit hun eigen innerlijke werkmodellen die gebaseerd zijn op de onbewuste belevingen (die in het procedurele geheugen zijn opgeslagen) van de eigen hechtingservaringen.

Hechtingsstrategieën zijn de zichtbare gedragingen die ontwikkeld werden vanuit de noodzaak om stressvolle situaties hanteerbaar te maken. Op zichzelf wijzen ze niet op psychische gezondheid of emotioneel disfunctioneren. Het hechtings-systeem wordt pas geactiveerd in situaties die stressvol of bedreigend zijn. Onder stress worden de oude ‘coping’ strategieën ofwel de niet-reflectieve interne werkmodellen ofwel de ontoereikende metacognitieve vermogens zichtbaar. Psychisch disfunctioneren uit zich in het gevoel van niet meer de regie te hebben over de eigen emoties en gedrag en wordt zichtbaar in verstoorde intermenselijke verhoudingen: er ontstaan conflicten met anderen op het werk of in intieme relaties.

De hechting in de psychotherapeutische relatie: de ‘ideale’ cliënt.

Door als therapeut de stap te maken van de inhoud van de ervaringen van de cliënt naar de manier waarop de ervaringen worden verteld en de structuur van het denken van de cliënt krijgen we als therapeut een beter idee van zijn/haar hechtingsstijl. Hiermee kunnen afweer, introspectieve vaardigheden, motivatie enz. van de cliënt op een nieuwe manier gedefinieerd worden.

Zowel veilige als onveilig gehechte volwassenen kunnen in psychische nood verkeren.

Veilig gehechte cliënten kunnen beter reflecteren op hun innerlijke wereld en daardoor vaak hun hulpvraag beter formuleren. Ze hebben meer inzicht in hun functioneren en leren van nieuwe ervaringen en deze integreren. De ‘ideale’ cliënt is gemotiveerd, introspectief, niet te afhankelijk en ook niet te afwerend in de relatie met de therapeut.

Vermijdend gehechte cliënten communiceren vooral dat zij op eigen krachten vertrouwen. Zij hebben al vroeg geleerd om op eigen benen te staan en zullen aangeboden hulp vanuit een krampachtige behoefte aan autonomie eerder afwijzen dan verwelkomen. Omdat ze emotionele afhankelijkheid vermijden zullen ze een beperkt inzicht hebben in de eigen affectieve behoeften en in die van anderen. Ze presenteren zichzelf als veel minder problematisch dan hun omgeving hen ervaart. Ze minimaliseren problemen.

Pijnlijke ervaringen worden weggehouden omdat er in vroegere situaties van ontreddering toch niemand was om troost en opvang te bieden. Omdat ze hun problemen buiten zichzelf plaatsen en de oorzaak er van bij de omgeving te leggen worden ze vaak beschreven als ‘niet gemotiveerd’ of ‘niet-introspectief’. Als een onveilig gehecht iemand hulp nodig heeft, betekent dat voor hem een aantasting van zijn autonomie, een teken van zwakte en een bewijs dat hij het toch niet alleen redt. De angst voor autonomieverlies leidt tot afweer.

Tegenoverdracht reacties bij de therapeut zijn woede of verveling. De therapeut voelt zich met zijn hulpaanbod en kennis afgewezen en wordt er toe verleid te denken dat de cliënt toch niet te helpen is. Het is belangrijk dat de therapeut beseft dat de afweer van de cliënt gebaseerd kan zijn op angst voor afhankelijkheid en verlies van autonomie dat de boosheid of afwijzing van de cliënt geaccepteerd worden. Zo kan de cliënt geleidelijk aan geholpen worden om diens gevoelens van angst, pijn en verdriet onder ogen te zien en te verdragen.

Gepreoccupeerd gehechte cliënten zullen geneigd zijn hun klachten te maximaliseren en zullen hulpeloosheid en afhankelijkheid communiceren. Zij ervaren constant een angst voor afwijzing en zij houden anderen nauwlettend in de gaten, vooral personen die voor hen emotioneel van belang zijn. Hun gevoel van eigenwaarde is afhankelijk van het oordeel van de ander, wat hen erg kwetsbaar maakt. Zij zijn voortdurend op zoek naar geruststelling, maar zijn tegelijk nauwelijks gerust te stellen. Geruststelling is van korte duur, want een volgende situatie houdt weer een nieuwe mogelijkheid tot afwijzing in. Het gevoel anderen nodig te hebben maakt hen angstig, onzeker en ook boos. Op de voorgrond staat de angst om in de steek gelaten te worden. In de therapeutische relatie zullen ze zich afhankelijk opstellen.

Kenmerkende tegenoverdracht reacties van de therapeut zijn om verantwoordelijkheid over te nemen en probleemoplossend te werk te gaan. Gevoelens van frustratie, onmacht en afwijzing kunnen ontstaan omdat de cliënt zijn onmacht blijft benadrukken en ‘niets doet’ met de aangeboden hulp. De therapeut kan zich overspoeld voelen door de klachten en ervaart het appèl van de cliënt als verstikkend. Kennis van en begrip voor de onderliggende hechtings-problemen helpt om dit gedrag te ‘plaatsen’. Het centrale affect van deze cliënten is angst voor verlating die ontstaan is in de context van een indringende en tegenstrijdige opvoeding. De belangrijkste therapeutische strategie is het bieden van veiligheid door middel van acceptatie en ondersteuning, terwijl tegelijk de overspoelende emoties via containment door de therapeut ontvangen en begrensd worden.

Gedesoriënteerd (‘unresolved’) onveilig gehechte cliënten lijken de meeste kans te hebben op het ontstaan van psychopathologie. Kinderen van ouders die zelf onveilig gehecht zijn en onverwerkte trauma’s hebben worden vaak in deze groep ingedeeld. Trauma’s veroorzaakt door mishandeling, misbruik, geweld en verlies in samenhang met de hechtings-stijl maakt dat volwassen cliënten vaak in deze groep worden ingedeeld.

Oude traumatische ervaringen worden door het gedrag van anderen en dus ook van de eigen kinderen gereactiveerd, zodat het zicht op de actuele realiteit vertroebeld wordt. De waarneming raakt verstoord: men hoort en ziet dreiging waar er geen is.

Ook met gedesoriënteerd onveilige cliënten krijgt de therapeut te maken. Het is essentieel om hier oog voor de hechtings-stijl te hebben. Theorieën over hechtings-stijlen zijn heel goed in simpele bewoordingen uit te leggen en zo kan de therapeut aan cliënten uitleggen wat er bij henzelf gaande is. Het is waardevol dat op deze manier destructieve reacties in het hier-en-nu begrijpelijk worden voor de cliënt. Dit de-pathologiseert en maakt de weg vrij om gevoelens en belevingen te valideren. Begrip en zorg voor het kind dat de cliënt ooit was, worden vanzelfsprekend en maken onderdeel uit van een helend proces.

Betekenis voor de therapie

– Aandacht voor de taal van de cliënt; hoe vertelt de cliënt 

Het concept van de meta-cognitieve vermogens verlegt de aandacht van de inhoud naar de structuur: niet alleen wat er verteld wordt over vroeger maar hoe het verteld wordt is van belang. De therapeut moet alert zijn op incongruenties tussen de taal en de emotie die met de taal uitgedrukt wordt. De taal zelf ontsnapt makkelijk aan de aandacht maar is cruciaal omdat de taal iets zegt over onopgeloste of onbewuste ervaringen of conflictgebieden. De therapeut moet zich niet laten verleiden om zich te gedragen in overeenstemming met de vroege hechtings-ervaringen van de cliënt en bijvoorbeeld mee gaan in een vermijdende of afhankelijke stijl. De therapeut moet een situatie creëeren waarin erkenning geboden kan worden voor vroeger leed en voor de strategieën die toen noodzakelijk waren om te overleven. In de veilige relatie met de therapeut waarin gevoelens en belevingen van de cliënt gevalideerd en opgevangen worden, kan alsnog een vermogen om te mentaliseren tot ontwikkeling komen waarna de cliënt als veilig gehechte volwassene verder kan.

– Aandacht voor lichamelijke reacties 

Het ‘weten’ over vroeger ligt opgeslagen in het procedurele geheugen en wordt voelbaar en zichtbaar in ons lijf. Deze lijfreacties zijn de automatische piloot waarmee we anticiperen en reageren op wat er om ons heen gebeurt. Reactiepatronen worden geactiveerd door complexe hormonale en neurologische systemen. Deze patronen horen bij ons en worden door onszelf niet als disfunctioneel ervaren. Toch hebben we last van de gevolgen er van: emotionele ontregeling, spanningen en conflicten.

Herkenning van ‘lijfreacties’ kan toegang bieden tot gevoelens en herinneringen die in eerste instantie niet toegankelijk zijn. Emotionele reacties zijn vaak te heftig of juist te gecontroleerd en de beheersing van impulsen is ofwel onvoldoende of juist te restrictief. Het begrijpen van de nuances en de betekenis van fysieke ervaringen vormen de basis voor zowel zelfbewustzijn als zelfregulatie.

Volgens Fonagy ontstaat verandering niet zozeer door inzicht maar eerder als gevolg van de ervaring van contact met een veilige ander! Op deze manier kunnen veranderingen ontstaan in het procedurele (onbewuste) geheugen.

Psychopathologie hangt vaak samen met het disfunctioneren van de impuls-beheersing die onvoldoende is of juist te restrictief. Emotionele reacties zijn òf te heftig òf te gecontroleerd.

– Aandacht voor de betekenis van de klacht voor de persoon

Door de hechtings-theorie krijgt de klacht betekenis: het gaat niet om de klacht maar om de persoon met de klacht. De klacht duidt niet alleen de pathologie aan maar is het gevolg van een in oorsprong adaptief mechanisme, van een ‘coping’ mechanisme. De klacht maakt zichtbaar welke strategie het kind in zijn gezin van oorsprong heeft ontwikkeld om te overleven.

De latere reactiepatronen die tot disfunctioneren leiden worden tegen deze achtergrond invoelbaar en begrijpelijk, niet alleen voor de therapeut maar ook voor de cliënt zelf. Door een herwaardering van de huidige situatie van de cliënt worden oude afweerpatronen overbodig en kunnen de klachten verdwijnen. Kennis van de hechtings-theorie wekt begrip voor de persoon achter de klacht en kan er voor zorgen dat men vanaf het begin genuanceerd kijkt naar de situatie van de cliënt, de manier waarop deze zijn verhaal presenteert en de manier waarop de cliënt het contact met de therapeut aangaat.

Tot besluit

De sterke toename van de ‘heraanmeldingen’ in de afgelopen jaren is wellicht het gevolg van een streven binnen de GGZ om vooral kortdurend en klachtgericht in plaats van persoonsgericht. Door te kijken naar de persoon achter de klacht kunnen cliënten een blijvende verandering gaan ervaren en hoeven ze niet ‘rondgepompt’ te worden binnen een systeem van klacht-gerichte, technische en protocollaire behandelingen.

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

5 reacties

Opgeslagen onder Psychologie, Psychotherapie, Systeemtherapie

Collusie en co-evolutie

EEN MODEL VOOR PARTNERRELATIETHERAPIE

Angst voor hechting

Met de begrippen collusie en co-evolutie reikt de Oostenrijkse psychiater en relatie-en gezinstherapeut Jurg Willi enkele wegwijzers aan in een doolhof van conflicten en spanningen. Hij laat zien hoe angst voor hechting bij partners aanleiding kan geven tot verkramping in de relatie.

Willi past de objectrelatie-theorie toe. Volgens deze theorie staan relaties vanaf de geboorte centraal in de ontwikkeling van een individu. In de afstemming tussen ouder en kind komt de psychologische ontwikkeling van het kind op gang. Als de afstemming goed loopt, is er bevrediging en als het fout loopt, is er frustratie bij het kind. Bevrediging en frustratie vormen de motor voor de ontwikkeling.

Binnen de dyade ouder-kind worden objectrelaties opgebouwd die bestaan uit een beeld van de ander (objectrepresentatie), een beeld van zichzelf (zelfrepresentatie) en een bepaald gevoel of affect dat de relatie tussen het beeld van zichzelf en dat van de ander kleurt.

Later in het volwassen leven kunnen in een intieme relatie zoals de partnerrelatie de beelden en het gevoel over de relatie daartussen verder worden bijgesteld.

Collusie als wegwijzer naar een ziekmakend grondthema

Voor Willi zijn partner-relatieconflicten eindeloze variaties op eenzelfde grondthema. Een grondthema thema waarbinnen beide partners overgevoelig en kwetsbaar reageren. De escalerende en verkrampte interacties en de narratieven die ontstaan rond het gevoelige thema duidt Willi aan als het collusiepatroon.

Door oog te hebben voor terugkerende collusie-patronen, los van de inhoudelijk concrete aanleidingen voor het conflict, overbrugt Willi de kloof tussen het interactionele en het intrapsychische model, tussen individuele psychotherapie en systeemtherapie. Collusie betekent dat er rond een gemeenschappelijk gevoelig en kwetsbaar grondthema, gepolariseerde en verkrampte interactiepatronen ontstaan. De partners vinden elkaar in een wisselwerking waarbij de ene de behoefte inbrengt om zijn eigen verlangens te laten vervullen door de ander en de ander de uitdrukkelijke wens heeft om de verlangens van de partner in te willigen. De positie van de eerstgenoemde partner is regressief en die van de andere partner is progressief. Hun complementaire posities berusten op verwante verlangens die ze op tegengestelde manieren proberen te verwezenlijken. Een dergelijk samenspel noemt Willi collusie.

Een gemeenschappelijk grondthema zoals het zorgthema, het orale grondthema, komt in verschillende posities, rollen en narratieven tot uiting. De posities cirkelen rond het thema zorg. Er is een welomschreven interactiepatroon. Rond het zorgthema cirkelen de posities van de actieve zorgdrager (progressieve positie) en de claimende, passieve zorgvrager (regressieve positie).

De zorgdrager die verantwoordelijk is voor de zorg ten aanzien van een hulpeloze zorgvrager illustreert dit in een terugkerend narratief. En er is de zorgvrager die door zijn narratief heen verduidelijkt waarom hij geen verantwoordelijke zorg durft of kan dragen. Door de totaal verschillende posities ontstaat de indruk dat de ene positie het tegendeel is van de andere maar het zijn alleen maar gepolariseerde varianten van hetzelfde gevoelige grondthema, in dit voorbeeld het orale grondthema, waarmee beide partners worstelen vanuit hun kinderlijke voorgeschiedenis.

De centrale rol van projectieve identificatie in de collusies

Projectieve identificatie is het projecteren van afgesplitste delen van de persoonlijkheid op een ander waarbij die ander zich gaat identificeren met wat op hem geprojecteerd wordt. De ander gaat zich in de interactie gedragen zoals van hem wordt verwacht. Iedere positie verantwoord zichzelf met een eigen narratief dat moet illustreren en verklaren waarom iemand die bepaalde rol op zich neemt.

De progressieve zorgpositie (de zorgdrager) externaliseert en delegeert bijvoorbeeld haar regressief verlangen naar vertroeteling en zorg aan de regressieve positie. De zorgdrager wil alleen nog maar zorg geven en heeft daardoor minder of geen voeling meer met haar eigen verlangen naar zorg. Die positie is bang om zorg voor zichzelf te vragen en ontslaat zichzelf door externalisatie van de regressieve positie om nog zorg te moeten vragen en ontvangen. Omgekeerd voelt de regressieve zorgpositie (de zorgvrager) zich zo kwetsbaar en hulpeloos, dat zij het zorg dragen uitbesteedt en de progressieve positie projecteert op de zorgdragende partner. Daardoor ontslaat zij zichzelf van zorg te moeten geven aan de ander, wat zij toch al te moeilijk vindt. In dit voorbeeld zijn de partners beiden van het vrouwelijk geslacht.

Door afsplitsing van een (zorgvragend of zorgdragend) deel van jezelf ontstaan grote spanningen in de relatie!

De grondthema’s die Willi beschrijft zijn te beschouwen als existentiële thema’s die spelen in elk interactiesysteem waar mensen gedurende een langere periode intens samen werken of omgaan met elkaar. Deze thema’s kunnen spelen tussen partners maar ook in gezinnen, vriendschapsrelaties, tussen volwassen broers en zussen en in werk-situaties. Willi ziet het als de opdracht van de coach of de therapeut om het grondthema dat de voedingsbodem is voor terugkerende conflicten naar voren te halen. Als dit gevoelige thema op metaniveau tot onderwerp van gesprek kan worden gemaakt kunnen de sterk verschillende posities die met elkaar in conflict komen weer worden samengebracht als onderdelen van hetzelfde bipolaire thema.

Overzicht van de collusionele grondthema’s

Willi benadrukt dat de thema’s pas na verloop van tijd aanleiding geven tot ernstige conflicten. In het begin van de relatie heeft het voor beide partners gevoelige thema juist een aantrekkingskracht om voor elkaar te kiezen. Aanvankelijk onderscheidde Willi 4 grondthema’s. Later werkte hij een 5e thema uit: het grondthema van de gehechtheid, waar hier het meest uitgebreid bij stilgestaan wordt.

1. Het narcistische grondthema

Hier gaat het om de polariteit tussen almacht en onmacht. De partners worstelen met de volgende fundamentele vragen: ‘Ben ik God in het diepst van mijn gedachten’ (de progressief collusionele pool)? ‘In hoeverre ben ik in feite Niets’ (de regressief collusionele pool)? In hoeverre moet ik mijzelf wegcijferen en opofferen voor anderen? In hoeverre mag ik mijzelf blijven als mens van vlees en bloed met beperkingen en grenzen? In hoeverre kan ik mijzelf afgrenzen of in hoeverre moet ik versmelten met anderen? In hoeverre durf ik stil te staan bij de onmacht van anderen, zonder de angst te verdwijnen of uiteen te vallen? In welke mate heb ik het nodig dat anderen mij ophemelen en bewonderen? In welke mate ben ik alleen maar iemand als ik kan opkijken naar anderen? In hoeverre moet de ander zich hoe dan ook met mij identificeren, alleen voor mij leven en zo mijn wankele gevoel van eigenheid hooghouden?

2. Het orale grondthema

Hier gaat het om de polariteit tussen zorg dragen en zorg vragen en nodig hebben van anderen. Fundamentele vragen waar dit interactiesysteem mee worstelt zijn: In hoeverre moeten we anderen koesteren, verzorgen en helpen (progressieve pool)? In welke mate kan ik er van uit gaan dat de ander mij met zorg zal omringen als ik het nodig heb (regressieve pool)? In hoeverre moet ik mij tot helper en redder van de ander maken en een onuitputtelijke gevende rol op mij nemen? In hoeverre moet ik mijzelf als hulpeloze patiënt definiëren om zorg te kunnen krijgen van anderen?

3. Het anale grondthema

Hier gaat het om de polariteit tussen autonomie en afhankelijkheid. Fundamentele vragen zijn: In hoeverre kan ik de ambitieuze autonome leider zijn aan wie de ander zich dient te onderwerpen (progressieve pool)? In hoeverre mag ik passief afhankelijk zijn van anderen zonder bang te hoeven zijn om misbruikt te worden (regressieve pool)? Beide posities zijn in de ban van het denken in hiërarchie. Het zelfbeeld en het beeld van de ander wordt vanuit dit grondthema ingekleurd in een schema van boven- en onderposities.

4. Het fallisch-oedipale man-vrouw thema

Hier gaat om de worsteling tussen het animus- en animaprincipe, tussen eenzijdig mannelijk en eenzijdig vrouwelijk gedrag. Fundamentele vragen zijn: Ben ik als man of vrouw verplicht om mij ten alle tijde ‘mannelijk’, initiatiefrijk, actiegericht en ondernemend voor te doen (progressieve pool)? Of mag ik als man of vrouw ook ‘vrouwelijke’, sensitieve en kwetsbare posities innemen (regressieve pool)?

5. De nabijheid en afstandscollusie: het grondthema van de gehechtheid

Het onderscheid tussen de progressieve en regressieve positie is niet zo makkelijk te maken in dit thema. Het gaat eerder om een collusie tussen de aanklampende positie die verkrampt nabijheid claimt en de afstandelijke positie die met grote stelligheid het afstandelijke benadrukt, die zichzelf voorhoudt geen nabijheid nodig te hebben en die zich terug trekt.

Binnen de partnerrelatie ontstaan diverse vormen van triangulatie waarbij allerlei soorten derden worden ingeschakeld om de afstand en nabijheid te reguleren en onder controle te houden. De derde kan een buitenechtelijke relatie zijn maar ook de kinderen, een psychosomatische ziekte, enz. Net zoals de beroemde Engelse gezinstherapeut Byng-Hall (1995) heeft Willi oog voor allerlei symbolische derden die ingeschakeld worden om afstand en nabijheid te moduleren.

Mensen met een angstig-vermijdende gehechtheids-stijl nemen in de worsteling rond afstand en nabijheid (intimiteit) een gedistantieerde positie in. Ze doen tegenover zichzelf en anderen alsof ze nabijheid, kwetsbaarheid en verbondenheid niet nodig hebben. Deze positie kan op een extraverte en introverte wijze ingenomen worden. Het lijkt alsof deze gedistantieerde positie de veilige haven van intieme verbondenheid niet nodig heeft.

Mensen met een angstig-gepreoccupeerde hechtings-stijl voelen zich aangetrokken tot de gedistantieerde positie. Vrouwen hebben vaak bij kennismaking het gevoel door een dergelijk gedistantieerde man op een bijzondere wijze begrepen en gerespecteerd te worden. Tegelijk groeit bij haar de ‘bekeringsijver’, waarbij het idee groeit dat zij deze emotioneel gesloten man aan zich moet binden en hem moet vervullen met haar eigen gevoelens. De over-emotionele aanklampende positie denkt dat zij beter weet dan hem wat goed voor hem is. Het gevolg is een achtervolgings-race van afwisselend aantrekken en afstoten, die eindigt in een psychische grensoverschrijding. De aanklampende positie dringt opdringerig en ongevraagd binnen in de psychische ruimte van haar partner. Daardoor ontstaat snel een destructief en escalerend interactiepatroon. Hoe sterker de intrusie en het aanklampen van de ene, hoe meer de gedistantieerde positie zich terugtrekt en omgekeerd.

Beide posities worstelen met ambivalentie ten aanzien van intimiteit, nabijheid en verbondenheid. De gedistantieerde rots-positie verlangt in feite ook naar warmte en nabijheid. Tegelijkertijd vertrouwt hij de nabijheid niet. Ook de aanklampende positie die luid om nabijheid roept is er tegelijkertijd bang voor dat de nabijheid niet zal voortduren en als los zand door haar vingers zal glippen. De gedistantieerde positie voelt zich bestookt door de opdringerige eisen van de aanklampende positie. Sommigen kunnen maar geen besluit nemen of ze de relatie zullen aanhouden of afbreken. Toenadering van de partner kan bruut worden afgeweerd. Kwetsende en beledigende of vernederende opmerkingen zijn te beschouwen als wanhopige pogingen om afstand te houden. De aanklampende positie probeert vervolgens steeds ingenieuzer en dieper tot haar partner door te dringen.

Het lijkt alsof mannen altijd in de afstandelijke positie zitten en vrouwen de aanklampende rol aannemen. Vaak is dit ook zo omdat de culturele gender-rol van mannen meer zakelijke afstandelijkheid vergt, terwijl het emotionele toebedeeld wordt aan de vrouwelijke gender-rol. In een beperkt aantal situaties komen vrouwen in de gedistantieerde positie terecht en mannen in de aanklampende.

Co-evolutie binnen het partnersysteem

In een interactiesysteem waarin sprake is van een gezonde co-evolutie ontplooien mensen hun persoonlijkheid binnen een persoonlijke relatie met anderen. Dit soort gezonde relaties noemt Willi co-relaties. Een vorm van co-relatie is noodzakelijk om menselijke persoonlijkheidsontwikkeling mogelijk te maken en gaande te houden. Ze zijn een wezenlijk onderdeel van onze psycho-ecologische niche waar zich belangrijke anderen bevinden; de partner, de kinderen, persoonlijke vriendschappen enz. In de psycho-ecologische niche zoekt ieder individu naar mogelijkheden om zijn behoeften, verlangens en wensen zo adequaat en doeltreffend mogelijk te realiseren. Het zoeken naar doeltreffende interacties in onze niche staat centraal in de persoonlijke ontwikkeling en de geestelijke gezondheid van een individu.

Het partnersysteem is de relationele niche die een individu tot belangrijke persoonlijkheidsontwikkeling kan stimuleren, maar die eveneens de persoonlijke ontwikkeling kan ontzeggen. Co-evolutie is het proces van gezonde wederzijdse beïnvloeding van de persoonlijke ontwikkeling waarbij partners op duurzame wijze samenleven.

De persoonlijke ontwikkeling van een partner wordt in een bepaalde richting sterk beïnvloed, gestuurd en gestimuleerd en afgeremd in een andere richting. Sommige ontwikkelingsmogelijkheden kunnen braakliggend terrein blijven. Na een scheiding kunnen partners soms verassende nieuwe ontwikkelingen doormaken. Maar een partnerrelatie wordt aangegaan en opgebouwd als een poging tot heelwording en genezing.

In de fase van de verliefdheid is er sprake van aantrekking en fascinatie rond een gemeenschappelijk grondthema dat op de achtergrond blijft. Willi ziet dit als een fase van overeenstemming en ontwikkelingsbereidheid van beide partners. Vaak gaat het om een voor beide partners gevoelig thema waarin zij zich gekwetst of geremd hebben gevoeld tijdens hun opvoeding. De verliefdheid levert de drive tot heelwording binnen de partnerrelatie. Verliefdheid is voor Willi dus meer dan een soort ziekte waarbij partners een geïdealiseerd beeld van elkaar hooghouden. Partners voelen volgens Willi juist heel goed intuïtief aan waar de kwetsbaarheid van de ander ligt. Er is een  fascinatie en aantrekking voor elkaars gemeenschappelijke kwetsbaarheden en met deze drive zoeken de partners vaak onbewust naar genezing.

Collusie en co-evolutie zijn complementaire concepten

Wanneer de interacties binnen het partnersysteem soepel verlopen rond het levensthema is er sprake van gezonde co-evolutie. Soms treden spanningen op door zich opstapelende misverstanden. Betere communicatie en onderhandelen kunnen deze uit de weg ruimen. Maar soms wordt de escalatie tussen de verschillende posities zo destructief dat de partners samen met een relatietherapeut zoeken naar het gevoelige thema dat de partners ‘triggert’ tot extreme posities. Door de collusionele verkramping is alle rationaliteit zoek en worden partners meegezogen in negatieve emoties. Samen met de relatietherapeut kunnen partners uitzoeken wat er aan de hand is.

IMG_0304

co-evolutie: bloemen en bijen zijn samen geëvolueerd

 

Een vorig bericht over dit onderwerp hier. Voor dit bericht is gebruik gemaakt van Hoofdstuk 4, De visie van Willi op hechting, uit het boek Hechtingsproblemen in gezinnen, van Jean-Marie Govaerts.

2 reacties

Opgeslagen onder Psychologie, Psychotherapie, Systeemtherapie

Therapie met poppetjes: het leed is te ‘overzien’

Sanne Wallis de Vries en Paul Haenen bij DWDD

TV kijkers hebben bij ‘De Wereld Draait Door’ kunnen zien met welk een genoegen Sanne Wallis de Vries scènes uit het TV programma ‘Boer Zoekt Vrouw’ met behulp van poppetjes inzichtelijk maakte. Nou ja…poppetjes…ze hadden vrij lange benen die, omdat Sanne ze op een stoeltje neerzette, stijf naar voren uitstaken wat er nogal grappig uitzag.

Met evenveel genoegen als Sanne Wallis de Vries werk ik als therapeut met Duplo poppetjes en dat komt niet alleen omdat het raakt aan een speelse kant in mij maar vooral omdat het in therapie zo goed werkt. Gelukkig gebeurt er in therapie meer dan bij ‘Boer zoekt Vrouw’…

We plaatsen in therapie de poppetjes in allerlei verschillende constellaties voor ons. Soms vliegt er een over tafel als dat poppetje een persoon voorstelt waar de cliënt op dat moment een grote hekel aan heeft…

Soms vliegt er een poppetje over tafel

Verschillende generaties en culturen kunnen op tafel komen te staan en de belevingen van de cliënt kunnen in verschillende scènes en composities worden uitgedrukt. Behalve poppetjes heb ik blokjes en andere voorwerpen waar we uit kunnen kiezen om abstracties zoals grenzen, krachtbronnen, territoriums, persoonlijke gevoeligheden, beschadigingen enz. te symboliseren. De poppetjes kunnen staan, zitten en liggen; hun hoofden, armen en benen zijn beweegbaar. Een voorovergebogen poppetje kan een depressief iemand voorstellen. Een zittend poppetje kan een ontspannen of passief iemand voorstellen, een liggend poppetje een ziek of overleden persoon.

Voorbeelden uit de praktijk van het leven van de cliënt kunnen met de beeldende taal van de poppetjes worden geïllustreerd. Tijdens het therapeutisch proces veranderen en bewegen de beelden mee.

Het effect van het zien en aanraken tegelijk, het parallel op tafel staan van het intrapsychische en het relationele, het samenvallen van het zien, het weten en het voelen maken de poppetjes-taal tot een hefboom in het therapeutisch proces en passen goed bij een therapeut die het systeem en de context wil meenemen in de therapie. En een beeld zegt meer dan duizend woorden.

Zittende poppetjes zou je kunnen zien als passief of ontspannen

Therapie is in wezen het meehelpen scheppen van nieuwe keuzes door bewustwording van innerlijk beleefde realiteiten. Die belevingen kunnen pijnlijk zijn. Het met behulp van poppetjes oproepen en uitbeelden van deze belevingen maakt dat het leed te ‘overzien’ is.

Deze manier van werken wordt wel genoemd: ‘Een taal er bij’ en werd als zodanig ontwikkeld door Marleen Diekmann. Het gebruik maken van poppetjes op zich is niet nieuw. Beeldende technieken worden al heel lang gebruikt in (systeem)therapie.

Diekmann heeft een eigen methodiek ontwikkeld. Een kind-poppetje staat bij haar voor ‘de geschiedenis’ van het individu. Het volwassen poppetje staat voor ‘de coördinator’ van die geschiedenis. Een krijgsmannetje staat voor ‘de schade’ en symboliseert de kwetsuren die zijn opgelopen. Een schatkistje staat voor de krachten, de talenten, vaardigheden die zijn opgebouwd. Allerlei gekleurde blokjes waarop de poppetjes gezet kunnen worden kunnen voor verschillen in macht of dominantie staan. Er zijn symbolen voor geheimen, agressie, parentificatie (als een kind de ouderrol op zich neemt), verslaving, processen, symptomen, problemen en verschillen te bedenken.

Een gebogen poppetje kan een depressief iemand voorstellen

Waarom het zo goed werkt

Diekmann heeft de redenen waarom ‘de taal erbij’  werkt, bijvoorbeeld in een relatietherapie, op een rij gezet.

Door de mogelijkheid om het intrapsychische en het relationele parallel te beleven werkt het. De innerlijke dialoog en de relatie staan tegelijk op tafel. Als je de kleine poppetjes gebruikt als symbool voor de geschiedenis wordt bijna vanzelf de link gelegd naar de invloed van de geschiedenis op de huidige relaties. Je kunt een grote dominante moeder of een strenge benauwende vader tussen twee poppetjes zetten die een echtpaar voorstellen die in relatietherapie zijn. De beleving daarvan staat dan zomaar voor je. Of je ziet een partner niet tegenover de andere partner staan maar tegenover haar depressieve moeder.

Door de ruimte die er is voor andermans belevingen werkt het. De beleving van een ruzie kan van beide kanten worden uitgebeeld. Het letterlijk ruimte maken op tafel voor meerdere belevingen kan een geruststellend effect hebben. Het is belangrijk dat beide opstellingen blijven staan als symbool voor het feit dat anders denken niet gevaarlijk is en dat het denken van de ander waarschijnlijk niet zal veranderen. Paradox is dat juist daardoor de persoonlijke beleving anders wordt.

Door de ruimte die het beeld biedt naast het woord werkt het. De cliënt kan bijvoorbeeld het poppetje dat zijn moeder verbeeldt neerzetten. Hij raakt zijn moeder aan, zet haar neer, kijkt naar haar en de therapeut helpt hem, als het nodig is, om het gevoel erbij onder woorden te brengen of helder te krijgen wat de betekenis van het neerzetten is. Vaak is de manier waarop het poppetje wordt neergezet al genoeg.  Ook een overledene kan door een poppetje worden gesymboliseerd. Het op tafel neerleggen van een overleden moeder kan krachtig zijn omdat het zowel de dood zelf, als de aanwezigheid van de dode moeder in de emoties van de client zichtbaar maakt.

IMG_1436

Overleden ouders zijn neergelegd

Doordat het hart en het hoofd tegelijk aangesproken worden werkt het. De poppetjes-taal geeft de cliënt de kans afstand te nemen van zijn situatie waardoor hij meer kan voelen zonder de controle te verliezen. Een echtpaar wordt stil als zij zien hoe hun zoon, uiteengerukt tussen hen beiden in staat en kunnen hun pijn gaan ervaren en verdragen.

Een abstractie kan uitgebeeld worden – in het midden ligt ‘sacherijn’

Het werkt omdat het bijdraagt aan een gelijkwaardige relatie. Het is niet zo dat de therapeut de cliënt voortdurend bevraagt en behandelt. Het lijkt meer op samen puzzelen. Samen zoeken naar een opstelling die de innerlijke wereld van de cliënt zo exact mogelijk weergeeft.

Door het plaatsen van een poppetje voor de therapeut, worden overdracht en tegenoverdracht zichtbaar en bespreekbaar. Ook daarom werkt therapie met poppetjes. Voorbeeld: Een man voelt zich in de relatietherapie belaagd door zowel zijn vrouw als de vrouwelijke therapeut. Dit wordt op tafel zichtbaar gemaakt. Zijn gevoelens worden hierdoor makkelijker bespreekbaar en te verdragen. De therapeut krijgt hierdoor de ruimte om te bedenken of haar meervoudige partijdigheid in het geding zou kunnen zijn.

Ook zet ik mijzelf als therapeut vaak op tafel. Laatst voelde ik mijzelf op een gegeven moment heel dicht bij een enorm lastige puber dochter staan en plaatste  ik ‘mijn’ poppetje dicht bij het dochter-poppetje dat lijnrecht tegenover ‘haar ouders’ stond. Hierop barstte de moeder in tranen uit omdat haar boosheid op de dochter omsloeg. Ze was plotseling geraakt doordat ze zag hoe geïsoleerd haar dochter was geraakt. Ze zette haar ‘eigen’ poppetje er nu zelf ook naast en ik kon de mijne weghalen en terugzetten op de iets meer gebruikelijke positie aan de rand van de opstelling. Het is beter wanneer de ouders hun kind kunnen helpen dan wanneer ik dat als therapeut doe.

Het ‘lastige dochter poppetje’ bovenop het blokje ‘lastig zijn’, geïsoleerd van de rest van het gezin. Een mentor en een leerplichtambtenaar links en de therapeut rechtsonder.

Doordat onzichtbare loyaliteiten zichtbaar worden werkt het. Poppetjes dicht bij elkaar gezet drukken loyaliteit uit.

Doordat alles op tafel blijft staan tijdens de sessie werkt het. Het is een geruststellende gedachte dat het probleem daar staat en het geeft de zekerheid aan cliënten dat niet vergeten wordt wat ze zojuist gezegd hebben en dat  niets en niemand over het hoofd gezien wordt.

Het werken met poppetjes is ook een manier om een probleem te externaliseren d.w.z. om een positie in te nemen tegenover het probleem. Over externaliseren meer in een artikel op dit blog over narratieve therapie.

Tenslotte werkt het volgens mij doordat de werkwijze tijd geeft om na te denken, tijd om zich te realiseren wat allerlei dingen betekenen en betekend hebben. Door te zoeken naar de beste manier om relaties en gevoelens uit te beelden wordt er tijd en ruimte gecreëerd. In de snelheid waarmee vaak gesproken wordt en waarbij we veronderstellen dat we wel weten wat de ander met zijn woorden bedoelt, zorgt het in beeld brengen met de poppetjes voor vertraging waardoor meer van elkaars gevoelens begrepen wordt. Een beeld zegt soms meer dan duizend woorden.

1 reactie

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie

Angst voor intimiteit

Dit artikel is een vertaling/samenvatting van Chapter 9: Enhancing Intimacy in Relationships uit: Couples in Treatment, van Gerald R. Weeks and Stephan R. Treat.

Wanneer er steeds weer opnieuw gevochten wordt in een relatie of wanneer men zich simpelweg terugtrekt uit de relatie, wordt dit vaak veroorzaakt door een angst voor intimiteit.

Symbolen van intimiteit (CODA, Apeldoorn). Bontcollier van Nora Rochel.

Als de partners meer intimiteit willen moet deze, vaak onbewuste angst voor intimiteit expliciet gemaakt worden in de relatietherapie.

De verschillende soorten angst 

De hieronder staande angsten komen regelmatig voor en zijn meestal ontstaan in het  gezin van herkomst van een van de partners. Het zijn de angst voor afhankelijkheid, de angst voor gevoelens, angst voor boosheid, angst voor het verliezen van de controle of voor het gecontroleerd worden, angst voor openheid en angst voor afwijzing.

Angst voor afhankelijkheid

De partners geloven dat het essentieel is om emotioneel onafhankelijk te zijn. Ze zijn afstandelijk of gereserveerd tegenover elkaar alsof ze tegen elkaar zeggen dat ze de ander helemaal niet nodig hebben.

Soms zoekt de onafhankelijke partner een zeer afhankelijke partner zodat zijn/haar eigen behoefte aan afhankelijkheid door die andere partner gedragen wordt. De onafhankelijke partner kan dan voor de afhankelijke partner zorgen en hoeft niet naar zichzelf te kijken want de afhankelijke partner vraagt zoveel.

Mannen hebben hier het meest last van. Meestal zijn het de vaders in een gezin die de boodschap doorgeven dat het belangrijk is dat je in het leven alleen moet kunnen staan  en niet moet leunen op anderen. De angst voor afhankelijkheid wordt vaak van vader op zoon doorgegeven.

Angst voor gevoelens

Het gaat hier om een algemene angst voor gevoelens. Deze partners verbergen hun gevoelens achter ratio of rationaliseringen, achter ontkenning, projectie of achter een rigide opvatting over wat zij denken dat waar of goed is. Deze partners lijken een beetje op een computer. Computers denken in plaats van te voelen of te handelen. Ze blijven op een afstand van anderen zodat ze niet geraakt kunnen worden. Soms zoeken ze een relatie met een theatrale partner. Ze doen alsof die partner gek of ziek is maar onbewust verkrijgen ze daar enige voldoening van; gevoelens waarbij ze zich ongemakkelijk voelen projecteren ze op hun partner. Op deze manier hoeven ze niet te leren omgaan met die gevoelens.

Personen die uit een gezin komen waar gevoelens ongecontroleerd naar buiten kwamen, kunnen leren om gevoelens te vermijden. Voor deze partners staat voelen gelijk met gekte. Personen die langdurig depressief zijn geweest kunnen ook gaan denken dat het toelaten van gevoelens kan betekenen dat ze weer depressief worden. Personen die in het gezin van herkomst emotioneel verwaarloosd zijn of te horen hebben gekregen wat ze moeten voelen, kunnen als partners gaan denken dat ze er op afgerekend zullen worden als ze een gevoel uiten. Zij leren om hun gevoelens te negeren, te verkleinen of te rationaliseren.

Angst voor boosheid

Deze angst kan zich op twee manieren uiten. Partners kunnen bang zijn voor de boosheid die ze tegenover anderen hebben. Ze weten dat wanneer ze dichtbij een ander komen dat dat ze dan uiteindelijk een keer boos zouden kunnen worden op die ander, dus houden ze afstand.

Geparentificeerde kinderen kunnen deze angst hebben: zij hebben veel te veel verantwoordelijkheid gedragen waarbij ze zich als een pseudo-volwassenen moesten gedragen. Veel partners die als kind geparentificeerd waren dragen diep begraven wrok en boosheid met zich mee, wat ze afschuiven op hun huidige partner.

Angst voor boosheid ontstaat ook wanneer boosheid het hele gezin van herkomst overspoelde. Er was waarschijnlijk sprake van mishandeling. De partner heeft als kind gezien hoeveel pijn de boosheid veroorzaakte. Deze partner gelooft dat boosheid alleen maar destructief kan zijn. Maar een tegenovergesteld gezin, waar nooit boosheid was kan ook angst voor boosheid veroorzaken.

Misschien hebben de partners ook gewoon niet de vaardigheden in huis om met boosheid om te gaan. Boze gevoelens worden dan nooit opgelost en stapelen zich op. Dan kan er op een keer een escalatie komen waar ze zelf en de partner zo van schrikken dat ze zich voornemen om nooit meer boos te zijn. Dit lukt natuurlijk niet maar de angst voor de boosheid blijft bestaan.

Angst voor boosheid kan zich ook manifesteren bij de ontvanger van boosheid. Deze personen zijn enorm bang dat hun partner boos op hen wordt. Misschien groeiden ze op in een gezin waar boosheid te veel of te weinig geuit werd. Vaak werd de boosheid op een explosieve en onvoorspelbare wijze geuit. Kinderen van alcoholici leven in een voortdurende staat van angst voor wat hen nu weer voor slechts kan gebeuren.

Angst om de controle te verliezen of om gecontroleerd te worden

In deze relaties ontbreekt het aan intimiteit vanwege het ‘ouder-kind’ karakter van de relatie.

Als het goed is wordt de macht en de controle in een relatie gedeeld. Als een van de partners bang is om die controle te verliezen kan die zich actief gaan verzetten tegen de ander of juist passief toegeven. Intiem worden met de ander zou kunnen betekenen dat die ander de controle over zijn/haar leven gaat uitoefenen. Alsof je weer een kind bent waarbij de partner de ouderrol heeft ingenomen. Partners met deze angst zijn niet assertief genoeg. De ouders van deze partner waren mogelijk te controlerend waardoor er weinig ruimte was voor competentie en rijping.

Partners die bang zijn om de controle te verliezen laten hun gevoelens aan de ander niet kennen omdat ze bang zijn dat die gevoelens tegen hen gebruikt zouden kunnen worden.

Op een dieper niveau betekent het verlies van controle voor deze partners dat ze bang zijn om overstroomd te worden door de ander en bang zijn om zichzelf in de relatie te verliezen. Deze personen hebben een geen sterk zelfbeeld en hebben moeite zichzelf te onderscheiden van de ander. Ze weten te weinig wie ze zijn en wat ze willen. Ze zoeken een partner die hun zelfbeeld kan aanvullen maar dan trekken ze zich weer terug uit angst om het kleine beetje zelfbeeld wat ze hebben te verliezen.

Deze personen moeten actief aan hun zelfbeeld werken en anderen zoeken die hen daarbij ondersteunen en die persoonlijke grenzen respecteren.

Angst voor blootstelling

In hoeverre je jezelf laat zien in een relatie ontwikkelt zich naarmate het vertrouwen tussen de partners toeneemt. Een partner met weinig gevoel van eigenwaarde kan aan de oppervlakte blijven uit angst dat de blootstelling pijnlijk zou kunnen worden. Deze partner doet alsof hij of zij zich goed voelt over zichzelf.

Het gebrek aan overeenstemming tussen hoe deze partner zich van binnen voelt en hoe die zich naar buiten toe gedraagt, maakt dat hij/zij zichzelf als een bedrieger zien. Meestal komen deze personen uit een gezin waar ze weinig eigenwaarde ontwikkelden. Ze kregen liefde op grond van hun prestaties en niet om wie ze waren. Hun ouders waren veeleisend, kritisch en nooit tevreden. Zo’n kind leert dat het alleen goed is als dingen goed gaan en dat de liefde van de ouders er niet voor hem/haar is maar voor wat hij of zij kan, wat nooit goed genoeg is. Als zij uitdrukking geven aan een onplezierig, negatief gevoel vergeten ze onmiddellijk dat liefde ‘een constante’ is in een relatie. Uit angst om niet geliefd te zijn laten ze hun partner niet weten hoe ze zich voelen als het een onplezierig, negatief gevoel is. Ze verwachten ook van hun partner dat die hetzelfde doet. Ze denken eigenlijk: Als je me echt zou kennen zou je niet van me houden.

Angst voor verlating of afwijzing

Hoe meer een partner emotioneel investeert in een relatie, hoe groter de pijn als de relatie zou eindigen. Wanneer een partner in het verleden afgewezen/verlaten is dan zal hij/zij extra oppassen om emotioneel dichtbij te komen.

In meer ernstige gevallen gaat het om een partner die op een traumatische wijze verlaten is. Kinderen die een ouder verloren hebben en niet bij de verwerking gesteund zijn dragen soms een angst voor verlating bij zich in al hun volgende relaties. Ook kinderen die horen dat ze geadopteerd zijn kunnen deze angst hebben.

Maar deze angst kan ook in het volwassen leven ontstaan zijn. Er zijn gevallen bekend dat een partner plotseling verlaten is vlak voor het huwelijk zonder enige verklaring of verder contact. Of een geval waarbij een partner overleed in een vliegtuigongeluk en waarbij werd ontdekt dat deze partner een affaire had. De achterblijvende partner werd door een dermate diep gevoel van verlies getroffen dat die nooit meer dichtbij een ander is gekomen uit bescherming tegen nog zo’n trauma.

1 reactie

Opgeslagen onder Psychologie, Systeemtherapie