Tagarchief: natuur en gezondheid

Een wild leven

Ik voel de laatste jaren steeds vaker een verlangen naar een leven dichter bij de natuur. Misschien lijd ik aan ‘solastalgia’. Dit is een nieuw woord, onlangs voor het eerst gehoord op het symposium Psyche en Klimaat van de Stichting Psychiatrie en Filosofie en staat voor een soort van heimwee naar een fysieke omgeving die verdwenen is.

Volgens de maker van dit filmpje, George Monbiot, bioloog en journalist leven we op het moment in een schaduwwereld, in een mat en eentonig overblijfsel van wat er ooit was. Als we meer wild toelaten in het ecosysteem worden we ook zelf een beetje wilder. Zo zouden we een boel ontroering, verwondering en verrukking terug krijgen in ons leven. De olifant terug in Europa!

 

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie en klimaat

De mens die niet langer de maat der dingen is

In de Correspondent stond een serie verhalen over het einde van de mens als maat der dingen. Een van deze verhalen waarin de ideeën van de Kameroense filosoof Achille Mbembe naar voren komen, vatte ik al samen in het  bericht: De mens als object: een dingmens.  Mbembe betoogt dat we zèlf object zijn geworden; ‘Negers’ zijn we geworden, handelswaar.

5735e863de53e4116732096

Foto: Frauke Thielking. Uit de serie ‘Auf die plätze, fertig, los’.

Misschien is de mens wel steeds meer een object geworden juist dòòr het zichzelf zien als de maat der dingen. Je zelf zo zien draagt natuurlijk niet echt bij aan de wederkerigheid en de empathie in het contact met andere mensen.

In de serie verhalen van de twee Correspondenten Lynn Berger en Anouk Nuyens wordt aangetoond hoe het zichzelf centraal stellen gevolgen heeft voor hoe de mens naar de natuur en naar andere dieren kijkt, hoe hij de rol van technologie in zijn leven begrijpt en hoe hij met de aarde omgaat. De vraag die zij aan het eind stellen is wat de mens te doen staat wanneer hij zichzelf niet meer langer zo zou zien.

Hier een samenvatting van hun gehele reeks over het einde van de mens als maat der dingen. Uit de Correspondent:

We zagen onszelf heel lang als een uniek schepsel. Een rationeel, autonoom subject in een wereld van passieve objecten en dieren die er vooral waren om ons te dienen. Maar er zijn er barsten in dat beeld gekomen. Wanneer precies, daar kan je over twisten maar de laatste twee decennia worden de barsten steeds duidelijker.

Of zij zichzelf nu posthumanist, bioloog, advocaat van de aarde of filosoof noemen, overal vind je denkers die ervoor pleiten om het oude mensbeeld bij te stellen of misschien zelfs te vervangen. Van een uniform en breed gedragen alternatief is nog geen sprake, maar het rommelt.

Als psycholoog voel ik er voor om in het ‘zichzelf centraal stellen’ een narcistisch kenmerk te zien. Wanneer hier een einde aan zou komen lijkt het mij heel mooi om te zien hoe de mens dàn met andere mensen om zal gaan. Waarschijnlijk met meer empathie.

De Correspondenten komen voorlopig tot twee belangrijke conclusies.

1. De natuur verarmt, het klimaat verandert

Untitled #5, The Bonsai Project: Typology. © Sjoerd Knibbeler en Rob Wetzer

Untitled #5, The Bonsai Project: Typology. © Sjoerd Knibbeler en Rob Wetzer

Omdat we bomen volledig verkeerd begrijpen zien we niet dat ze sociale wezens zijn die met elkaar communiceren, elkaar helpen en zelfs een lerend vermogen hebben. Dit stelt de Duitse bosbeheerder Peter Wohlleben in zijn boek: Het verborgen leven van bomen. Mensen behandelen bomen op een manier die geen recht doet aan hoe ze in elkaar zitten én we hebben niet door dat eigenschappen waarvan we dachten dat ze uniek menselijk waren ook in het plantenrijk voorkomen. Wohlleben pleit voor een radicale herwaardering van de natuur.

Volgens de filosoof Norbert Peeters had niemand minder dan Charles Darwin al door wat wij nu pas mondjesmaat beginnen te accepteren: ieder wezen evolueert op zijn eigen manier. De mens is niet de kroon op de schepping, maar het verre achterneefje van de sleutelbloem, die zich op zijn eigen manier aan zijn omgeving en zijn biologie heeft aangepast. Het enige dat ons in de weg staat om dit werkelijk te begrijpen, zijn onze eigen vooroordelen.

Zoals Darwin en Wohlleben de natuur bekijken, zo doet de mens dat meestal nog niet: die ziet in fauna, en in de natuur in het algemeen, passieve objecten die naar hartenlust kunnen worden ingezet voor het eigen welzijn. De gevolgen van die houding zijn steeds lastiger te ontkennen: van uitstervende soorten en klimaatverandering tot een menselijke impact op de aarde die zo groot is dat er zelfs sprake lijkt van een nieuw geologisch tijdperk, het Antropoceen.

We hebben het nauwelijks door, zegt de Belgische filosoof Lieven De Cauter, maar het paradijs waarin we nu leven is gebouwd op drijfzand. De mens heeft te lang centraal gestaan, met zijn uitzinnige drang naar groei. We moeten radicaal anders gaan nadenken over de relatie tussen mens en niet-mens en tussen mensen onderling.

2. Wij maken de dingen, maar de dingen maken ook ons

Wat we nauwelijks doorhebben, stelt techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek, is hoezeer de autonomie waarmee wij ons als mensen menen te kunnen onderscheiden, een illusie is. De mens wordt voor een groot deel gevormd en gestuurd door de dingen. Van brillen en auto’s tot hersenimplantaten. Verbeek toont aan hoe de technologie steeds dieper ons leven doordringt en hoe het lastig het is om ons zelf als vrij en autonoom wezen te blijven zien. De dingen beginnen hun plek op te eisen.

We zijn hybride wezens, zegt het posthumanisme, de filosofische stroming waar Verbeek zich onder schaart: deels mens, deels ding. Hybride betekent kruising. Zolang we niet inzien hoe sterk technologie ingrijpt in ons leven, hoezeer we er mee versmelten, begrijpen we ook niet wie we zijn.

Posthumanisten zien de mens niet langer als middelpunt, maar als onderdeel van een complex en alomvattend systeem dat zowel uit mensen, dieren en planten bestaat, maar ook uit materiële werelden (fossiele brandstoffen, drinkwater) en niet-menselijk leven (bits en bytes).

Het posthumanisme is niet tegen de mens, maar probeert te waken voor de blinde vlekken van het humanisme. Want is het niet zo dat de ecologische crisis voortkomt uit het feit dat alles moet wijken voor de behoeften van de mens? De oplossing voor de grote crises ligt misschien wel in een mensbeeld waarin de mens, ten opzichte van mede-mensen, dingen en dieren, een nieuwe rol moet leren spelen.

Volgens de filosoof Achille Mbembe is het niet alleen zo dat objecten de mens vormen maar dat de mens zelf ook steeds meer als object wordt behandeld. Mbembe beschrijft ‘de vernegering’ van de mens. Het menselijke van de mens gaat verloren. Daarvoor in de plaats komt de ‘Neger.’ Een mens die de status krijgt van een ding, iets wat je kunt bezitten en waar je handel mee kunt drijven. Om die objectificatie tegen te gaan, stelt Mbembe, is verbeelding van levensbelang. Voor meer over Mbembe kijk hier.

Wat staat ons te doen als we onze grootheidswaan gaan beteugelen?

Je zou kunnen zeggen dat de mens aan een filosofische grootheidswaan lijdt: hij denkt superieur te zijn over de natuur en de dingen om hem heen. Natuurlijk zijn er genoeg mensen en culturen die hier anders over denken maar het gaat nu over wat in de afgelopen eeuwen in de westerse samenleving de teneur is geweest. Die superioriteit zie je terug in hoe de mens de dieren ziet en behandelt. Lang bestudeerde hij andere dieren zonder oog te hebben voor hun unieke evolutionaire omstandigheden en concludeerde dat hij zelf wel de allerslimste, sociaalste en meest empathische soort van allemaal moest zijn. Maar onderzoek je dieren op hun eigen merites, dan blijft er van die uniciteit weinig over, zegt bioloog Frans de Waal.

Wie al dit soort inzichten bij elkaar optelt komt tot de conclusie dat de scheidslijnen tussen mens, dier en ding aan het verdwijnen zijn – of beter, dat ze nooit hebben bestaan, behalve dan in onze hoofden.

Tot zover de diagnose. Maar hoe moet het dan wel?

De verhouding tussen mens en niet-mens moeten we anders gaan bekijken en anders vormgeven, zegt de Nederlandse filosoof Marli Huijer, Denker des Vaderlands. Dit wordt op verschillende manieren al gedaan. De wetenschappelijke benadering van Frans de Waal, die dieren onderzoekt op een manier die logisch is voor hun habitat en evolutionaire merites, is één voorbeeld en de manier waarop iemand zoals Peter Wohlleben inzichten uit de plantenbiologie vertaalt voor een groter publiek, een ander.

Sommige voorstellen zijn heel concreet: De filosoof Lieven De Cauter pleit ervoor minder vaak het vliegtuig te nemen, juristen als Polly Higgins en, hier in Nederland, Femke Wijdekop willen ecocide strafbaar stellen.

Andere voorstellen zijn abstracter of liggen meer op het terrein van de verbeelding. Zoals het Parlement van de Dingen, waarbij mensen proberen de dingen, van rivieren tot rotsblokken, een stem te geven. De jonge techniekfilosoof Esther Keymolen stelt voor dat we op zoek gaan naar een nieuw vocabulaire dat meer uitgaat van paradoxen en minder van harde tegenstellingen.

Of neem de twee Engelse auteurs die zich in dieren probeerden te verplaatsen door een tijd lang vrij letterlijk door het leven te gaan als das, otter en geit. Het heeft iets dwaas, maar ook iets sympathieks, hun poging om tot een zo groot mogelijke empathie te komen.

In het algemeen valt iets meer bescheidenheid en minder consumeren ook onder de oplossingen zou ik denken.

Kunnen we dingen- en dierenrechten vastleggen?

Een belangrijke denkrichting ligt op het terrein van het recht. Zo trekt het Amerikaanse Nonhuman Rights Project op basis van het werk van De Waal en andere wetenschappers de conclusie dat er geen reden is om dieren voor de wet anders te behandelen dan mensen. Bepaalde dieren, zoals chimpansees en dolfijnen, lijken qua intelligentie en autonomie zodanig op mensen dat ze ook een rechtspersoonlijkheid zouden moeten krijgen, meent deze organisatie. In Amerika lopen nu meerdere rechtszaken waarin deze these wordt getest. Er wordt o.a. campagne gevoerd om vier chimpansees erkend te krijgen als personen, zodat ze hun gevangenschap kunnen aanvechten.

In Nieuw-Zeeland werd de Whanganui-rivier onlangs tot rechtspersoon uitgeroepen. Om de instrumentalistische houding van de mens ten opzichte van die rivier in te dammen, kreeg de rivier een stem in het legale en politieke bestel. De grote paradox is dat de emancipatie van ‘de niet-mens’, de rivier, een menselijk project is.

Het recht is een bij uitstek menselijk instrument. Zowel bij het Nonhuman Rights Project als in het geval van de Whanganui-rivier, zijn het nog steeds mensen zijn die optreden als vertegenwoordigers van deze nieuwe (would-be) rechtspersonen. De rivier heeft er niet om gevraagd rechten te krijgen, de chimpansee al evenmin.

Misschien is die paradox onontkoombaar. Zoekend naar een wereldbeeld waarin de mens minder centraal staat, vertrekt de mens vanuit zichzelf en behandelt niet-mensen al gauw als mensen. Deze zoektocht wordt gemotiveerd door een oprechte betrokkenheid bij het lot van de niet-mens – van dieren in gevangenschap, van bossen die verkeerd worden beheerd, van een klimaat dat verandert en een rivier die daar de gevolgen van ondervindt. En door het verlangen om logische praktische consequenties te verbinden aan nieuwe en minder nieuwe wetenschappelijke en filosofische inzichten.

Experimenteren

Je zou kunnen zeggen dat de voorgestelde oplossingen zoals minder vliegen, meer verbeelding en juridische innovaties nauwelijks opwegen tegen de diagnose van de filosofische grootheidswaan. Maar je zou ook kunnen concluderen dat we nog maar aan het begin staan: dat er geëxperimenteerd wordt op allerlei terreinen en dat een aantal van die experimenten in de toekomst misschien wel echt iets nieuws op gang zullen zetten. Stel dat we echt zouden consuminderen… minder afval en verontreiniging zouden produceren…

Volgens Marli Huijer kunnen de mensen aan de dingen en de dieren geen stem geven. Maar we kunnen wel experimenteren met manieren om de niet-menselijke ander beter te kennen en te begrijpen. Niet alleen door rechten toe te kennen maar misschien in het klein, bijvoorbeeld door eens een tijdje je tafel weg te halen om zo te ervaren hoe bepalend zo’n object eigenlijk is in je leven.

Een kind kan met de was praten. Waarom juichen we dat niet toe?

‘Kleine kinderen maken nauwelijks onderscheid tussen mensen en dingen – of tussen zichzelf en de ander,’ zegt Huijer. Ze praten tegen hun pop, brengen tomaten naar bed, vinden de douche lief en de drempel stout. Pas ergens rond ons vierde of vijfde jaar beginnen we onderscheid aan te brengen tussen mens en ding, mens en dier.

Misschien heeft dit wel te maken met de ontwikkeling van taal – mensen praten immers terug; poppen, tomaten en drempels doen dat niet.

Als de verklaring voor het maken van een onderscheid tussen mensen, dieren en dingen inderdaad met taal te maken heeft dan spiegelt de ontwikkeling in één mensenleven, de ontwikkeling van de mensheid in het algemeen. Zoals de Franse filosoof Michel Foucault schreef, was het vanaf het ontstaan van de taal dat de mens zichzelf ging onderscheiden. Taal kun je zien als iets wat op zichzelf kan bestaan, los van de wereld van de dingen. De mens werd de naamgever van de dingen en kende zichzelf daarmee een buitenstaanderspositie toe.

Volgens Huijer zouden we eens kunnen proberen om ons wat minder talig en wat meer met onze andere zintuigen tot de wereld om ons heen te verhouden. Wie weet helpt dat om tot een nieuw evenwicht komen. Ook zouden we eens kunnen onderzoeken wat er gebeurt wanneer we onze kinderen stimuleren om wat langer in een wereld te blijven leven waarin de grenzen tussen mensen, dingen en dieren minder hard zijn en minder vastliggen dan in die van ons.


Toen Marli Huijer (Amsterdam, 1955) René Gude opvolgde als Denker des Vaderlands, interviewde Lex Bohlmeijer haar voor De Correspondent. Wat ze van Gude wil overnemen is de behoefte om als filosoof tussen de mensen te gaan staan. We denken te leven in het tijdperk van het individu. Maar er lopen draden tussen alle mensen en dieren en planten en dingen en tussen onze acties en door de tijd: we zijn gerelateerd en verbonden.

Vanwege onze onderlinge verbondenheid gaan ze bij De Correspondent een Afhankelijkheidsverklaring maken. Afhankelijkheid wordt volgens vaak gezien als iets zwaks en onaantrekkelijks waar we van af moeten. We gaan ervoor naar de psycholoog of een verslavingskliniek. (Het moge duidelijk zijn dat de systeemtherapie hier een eigen visie over heeft aangezien binnen deze vorm van therapie bij uitstek het probleem van een individu behandeld wordt in samenhang met de context en de mensen om het individu heen.) Lees het essay van Rebekka de Wit over de Afhankelijkheidsverklaring in de Correspondent.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Filosofie, Psychologie

‘Onder de oppervlakte gebeurt er heel veel’

Dit zijn de woorden van Henry Mentink en hij doelt op de vele initiatieven die genomen worden op het gebied van ‘de nieuwe economie’. Ik hoop eigenlijk dat dit ook van toepassing is op het gebied van de psychologie en dat ook daar onder de oppervlakte veel gebeurt wat onder de noemer van ‘de nieuwe psychologie’ valt. Er is wel iets op gang aan het komen in de psychologie maar niet heel veel ben ik bang.

De opmerking van ‘onder de oppervlakte gebeurt er heel veel’, maakte mij nieuwsgierig naar de website van Mentink: Het Veerhuis.Village Trade Centre.

Een slogan die ik daar tegenkwam was: WIJ ZIJN DE ECONOMIE – JIJ BENT JOUW BEDRIJF – EEN EN AL WAARDECREATIE. Luister vooral naar het interview dat Lex Bohlmeier van De Correspondent met Mentink had maar hier volgt een korte weergave van wat ik hoorde en de betekenis ervan voor het runnen van een kleine psychologen praktijk.


Mentink is de eerste die zich namens het ministerie van Infrastructuur ging inzetten voor het delen van auto’s en is de oprichter van MyWheels. Hij begon met zijn eigen auto. Echt snel ging het niet: pas vijf jaar later kwam er nog eentje bij. Inmiddels zijn het er 2500.Het ging hem ook niet om snelle groei, maar om iets te doen wat hij leuk vindt, want dààr zit je talent. Wat hij graag doet is met speelsheid en creativiteit ‘communities’ creëren; samen business genereren.

Hij gebruikt de natuur als model voor de inrichting van bedrijven en organisaties.

Neem een lichaam, waar stoffen doorheen stromen via de bloed- en lymfebanen. Net zoals geld door een bedrijf stroomt. Maar in een bedrijf volgens het model van de oude economie stroomt het geld weg, naar buiten via investeerders en aandeelhouders. De nieuwe economie zoekt naar manieren om een bedrijf of organisatie te structureren als een geheel.

Zo werkt het ook in mijn praktijk, dacht ik. Ik doe ook wat ik leuk vind en bij mij gaat het om ‘samen met de cliënt en het systeem om hem of haar heen gezondheid creëren’. Dat is onze ‘business’. Bij mij stroomt ook al wat ik verdien terug mijn bedrijf in. Ik maak geen winst. Mijn praktijk hoeft niet te groeien. Het enige wat groeit is de kwaliteit van ‘de business’ door meer kennis en ervaring.

Maar hoe verbind ik mijn praktijk beter met andere, vroeg ik mij af. Het voelt wel eens eenzaam. Vooral wanneer er weer eens een regeringsmaatregel wordt afgekondigd die er op gericht is om een klein zelfstandig bedrijf als dat van mij weg te concurreren. Minister Schippers is echt van de oude economie. Alles moet groot en groeien en winst maken.

Alleen al door naar het interview met Mentink te luisteren voelde ik me verbonden. En daar gaat het om. Om verbinding. Om eenheid. Daar gaat het ook om bij de Club van Budapest waar Mentink zich mee verbonden heeft. Dit is een internationale club van mensen die de eenheid op deze planeet wil bevorderen. De grondlegger ervan is de Hongaarse wetenschapsfilosoof Ervin László. Op de recente aanslagen in Parijs reageerde deze club met een verklaring die begon met een gezegde van Mahatma Gandhi: ‘An eye for an eye makes the whole world blind’.

Wellicht is het model van ‘de nieuwe economie’ een idee voor een nieuwe GGZ  die er volgens sommige collega’s moet komen. Ook in de GGZ stroomt het geld weg. Geld verdwijnt in de bureaucratie, het stroomt naar reclame die zorgverzekeraars maken, naar de farmaceutische industrie en door de perverse prikkels die er van het oude economische model uitgaan verdwijnt er ook geld in de zakken van zorg-verleners en directeuren die gezondheidsinstellingen opzetten met winst als doel.

WAARDECREATIE! Daar zou de gehele GGZ van doordrongen moeten zijn!

Bohlmeier kaart in het interview aan dat organisaties juist vaak het beste uit mensen weghalen. Hoe kan dit? Volgens Mentink kent de oude economie wel de namen van de werknemers (de buitenkant) maar niet hun dromen, talenten en persoonlijkheden  (de binnenkant). In meer dan één opzicht moet volgens hem de binnenkant verbonden worden met de buitenkant. Mentink heeft een doosje ontwikkeld, de doos van ondernemerschap, waar zowel de binnen- als de buitenkant bekeken wordt bij het opzetten van een bedrijf. Je kunt een bedrijfsplan maken door voorbij dualiteit en concurrentie te denken, door vanuit het geheel te denken. Als de binnenkant niet goed is valt de buitenkant op een dag uit elkaar. Je moet werken vanuit de relatie dan weet je als bedrijf wat je en hoeveel je moet produceren. Speelsheid en creativiteit zijn nodig om uit de molen van het moeten en de rationaliteit te stappen.

Als je naar het klimaat kijkt en het geldsysteem dan vraag je je af hoe het verder moet. Maar dat  er veel onder de oppervlakte gaande is stemt Mentink optimistisch. Misschien gaan we de aarde toch nog redden. Dat de media aan al die kleine initiatieven weinig aandacht schenken heeft er mee te maken dat ook in de media de principes van de oude economie werkzaam zijn. Het gaat ook in de media om groot en om winst. Maar er worden wereldwijd veel kleine initiatieven genomen. Er gebeurt echt iets.

De slogan van de Triodosbank is: ‘Klein is het nieuwe groot’. Deze bank steunt Mentink met de financiering van zijn werk en zijn Veerhuis. Hij is een praktisch idealist. Hij wil niet de oude economie veranderen want dat stuit op weerstand maar hij wil er iets nieuws naast zetten. Dan komt het oude naar het nieuwe toe. De Nederlandse Bank heeft interesse getoond in het doosje van Mentink.

de-box-5-200x300

Het idee om de natuur als model voor organisaties te gebruiken haalt Mentink ondermeer uit de tijd dat hij een volkstuintje had. Een veldje kool werd helemaal opgegeten door de bladluizen. Hij keek dit een beetje aan en het volgende seizoen waren er veel minder luizen omdat de lieveheersbeestjes zijn veldje kool hadden gevonden. Zo kun je in een bedrijf soms ook eerst eens even iets aanzien. Soms hoef je alleen maar geduld te hebben. De natuur, alles wat er is en is geweest, is heel intelligent.

2 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek

Verbinding met de natuur maakt ons minder narcistisch

… HET HELPT ONS OM ONSZELF OPNIEUW TE BEGRIJPEN

Blijvend op zoek naar oplossingen voor het persoonlijk lijden dat veroorzaakt wordt door het narcisme raakte ik geïnspireerd door een artikel van Sanne Bloemink in De Groene Amsterdammer waarin een alternatief voor ons Westerse superieure mensbeeld wordt geboden. Verbinding met de natuur speelt er een grote rol in. De titel van het artikel : Mieren staan nooit in de file.

‘Als we ons superieure mensbeeld in de wetenschap overboord gooien, gaat er een inspirerende wereld voor ons open.’

Aan het woord hier is hoogleraar natuur, landschap en cultuur Erik de Jong, verbonden aan Artis en de Universiteit van Amsterdam. Hij meent dat er behoefte is aan een meer holistisch beeld van de natuur.

Het superieure mensbeeld in de natuurwetenschap vertoont overeenkomsten met het psychologische concept van het narcisme. Als systeemtherapeut leg ik de nadruk op verandering binnen relaties, posities en interacties bij het oplossen van psychische problemen. In deze vorm van therapie gaat het dus voornamelijk over verbindingen die worden onderzocht en veranderd ook als er sprake is van narcisme. Psychologisch onderzoek bewees al dat verbinding met de natuur helpt tegen depressie. Waarom zou verbinding met de natuur niet helpen tegen het narcisme?

In het psychiatrische handboek, de DSM wordt het gedrag van ‘de’ superieure mens beschreven. Bij de narcistische persoonlijkheidsstoornis spreekt men over een diepgaand patroon van grootheidsgevoelens ofwel een opgeblazen gevoel van eigen belangrijkheid. Maar ook bij andere persoonlijkheidsstoornissen komen superioriteit en gebrek aan verbinding terug: gebrek aan achting voor anderen (anti-sociaal), diepgaande instabiliteit in intermenselijke relaties (borderline), buitensporige emotionaliteit en aandacht vragen (theatraal) of diepgaande geremdheid in gezelschap (ontwijkend).

Hieronder een samenvatting van het artikel in De Groene Amsterdammer met oog voor het belang ervan voor mijn vakgebied.


Het antropoceen

Hoogleraar De Jong vindt dat de geesteswetenschappen zich net zoals de natuurwetenschappen moeten bezighouden met de natuur. De geesteswetenschappen richten zich van oudsher op de mens. Maar in het antropoceen (het tijdperk waarin we nu leven en waarin het aardse klimaat en de atmosfeer grote gevolgen ondervinden van menselijke activiteit) gaat het juist over de mens èn over zijn optreden op de aarde. Je kunt daarom het onderzoek naar de natuur en de aarde niet meer alleen vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief bezien.

De Jong citeert de beroemde bioloog Edward Wilson die in 1984 de hypothese ontwikkelde dat de liefde voor natuur in alle lagen van de samenleving voor komt en dat we deze liefde allemaal voelen. Maar het is een complexe liefde want we zijn ook bang voor de natuur. Hoe krijgt de liefde voor de natuur vorm in het antropoceen? Het is belangrijk dat dit soort vragen worden gesteld.

We hebben de ziel uit de natuur gehaald

In het Westen menen wij dat de natuur buiten onszelf staat. De natuur is onttoverd, ontzield. Het is ons decor, waarin wij ons spel spelen. Het is ons onderzoeksobject dat we kunnen meten en bestuderen. We kunnen van de natuur genieten als het past in ons ideaalbeeld van ongereptheid. Maar we kunnen de natuur ook kapot­maken als we denken dat we meer ruimte nodig hebben. Juridisch gezien hebben we de natuur ‘in bezit’. De mens is de baas. Of dénkt de baas te zijn.

Hoewel we wel weten dat in inheemse culturen heel anders wordt gedacht over de natuur en dat er daarin wèl sprake is van bezielde natuur, wordt dit door ons Westerlingen meestal weggezet als onderontwikkeld, achtergebleven en niet-wetenschappelijk.

Het bestuderen van de inheemse blik op natuur biedt ons echter een verruiming van onze blik en daar is behoefte aan. We hebben zorgen over de klimaatcrisis, we zijn bang voor de in razend tempo dalende biodiversiteit en we voelen onmacht over de verzuring van oceanen. Deze nood­toestand levert een vruchtbare voedingsbodem op voor nieuw gedachtegoed en dat begint bij een nieuw mensbegrip. Een mens die niet boven de natuur staat maar verbonden is met de natuur.

Antropologie voorbij de mens

In ‘How Forests Think’ (2013) stelt de antropoloog Eduardo Kohn de uitgangspunten van ons mensbegrip ter discussie. Hij deed onderzoek bij een inheems volk in het Amazonegebied van Ecuador en onderzocht niet alleen de manier waarop deze mensen betekenis geven aan de wereld om hen heen, hij probeerde ook te begrijpen hoe de omgeving zèlf betekenis verleent aan de mens. Hoe het oerwoud denkt, hoe honden dromen, hoe de jaguar naar ons kijkt. Hoe andere organismen ons zien doet ertoe. Dàt andere organismen ons zien verandert ons!

De mens ìs niet dat exceptionele wezen, verheven boven alle andere vormen van leven. Als we onszelf zo bekijken sluiten we onszelf af van de wereld om ons heen. We bestuderen de wereld vanuit onze menselijke betekenis-geving, vanuit onze taal, cultuur en geschiedenis. Zodoende zien we niet hoe we op talloze manieren verbonden zijn met een bredere wereld. We moeten leren denken voorbij onze menselijke taal en cultuur.

Wie denken wij mensen wel dat we zijn?

Gedragsbioloog Frans de Waal spreekt over de beperkingen van ons mensen als wezens die van alles menen te kunnen overbrengen met onze taal terwijl in feite een groot deel van onze communicatie verloopt via het lichaam. Sanne Bloemink in De Groene Amsterdammer:

Als geen ander weet De Waal de nieuwste onderzoeken naar intelligentie van dieren met elkaar in verband te brengen en samen te voegen in een coherent verhaal met als rode draad: wie denken wij mensen wel dat we zijn? Zijn boek lezend krijg je bijna te doen met die zielige mens: zichzelf op de borst kloppend blijven die narcistische wezens naarstig op zoek naar het ultieme bewijs dat ze beter zijn dan alle andere levende wezens. De enige met gevoel, met verstand, met wapens, met werktuigen.

Maar de wetenschap komt telkens met voorbeelden van dieren die dat ook blijken te kunnen. Apen gebruiken óók werktuigen, dolfijnen noemen elkaar óók bij de naam, olifanten hèbben een fenomenaal geheugen. En het wordt pas echt interessant als we kijken naar de dingen die dieren kunnen en die mensen níet kunnen. De Waal: ‘We moeten veel breder kijken, naar àlle vormen van cognitie.’ De titel van zijn boek is: Zijn we slim genoeg om te begrijpen hoe slim dieren zijn?

Het is niet eerlijk om van een eekhoorn te vragen het alfabet op te zeggen, want zo is die eekhoorn nu eenmaal niet geëvolueerd. Net zo goed als het oneerlijk zou zijn om van mensen te vragen te onthouden waar meer dan honderd verschillende nootjes verstopt liggen. De Waal zoekt naar een alternatief voor de overdreven cerebrale benadering in de wetenschap. Cognitie begint volgens hem bij perspectiefname en is waarschijnlijk gebonden aan het lichaam. Cognitie komt het als het ware voort uit empathie.

‘Neem de olifant: die beschikt over een heel ander lichaam en andere neurale vermogens om een hoge cognitie te bereiken. Zijn slurf heeft aan het uiteinde twee gevoelige ‘vingers’, waarmee voorwerpen zo klein als een grassprietje kunnen worden opgepakt, maar met die slurf kan het dier ook acht liter water opzuigen of een vervelend nijlpaard omvergooien. De olifant heeft misschien een ander soort cognitie. Zoals de mens een ‘handige’ cognitie heeft, zo heeft een olifant mogelijk een ‘slurvige’ cognitie.’

Onder invloed van de religie denken we nog steeds dat wij beter zijn, hoger geplaatst dan dieren. In de psychologie zie je dat dit idee onder invloed van de neurowetenschap aan het veranderen is. Neuro-wetenschappelijk onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat ratten net zoals wij mensen angst kennen.

Elephant kiss

‘Slurvige’ cognitie. Getty Images: Elephant kiss

Collectieve intelligentie

Het onderzoek naar intelligentie van minder aaibare dieren zoals insecten, krijgt steeds meer aandacht. Daarbij gaat het vooral om collectieve vormen van intelligentie. Hoe kan het dat termieten heuvels bouwen die honderden malen groter zijn dan zijzelf, zonder dat er een leider is die instructies geeft? Hoe komt het dat mieren nooit in de file staan? Hoe weten bijen welke baan ze hebben gekregen?

Nicholas Ouellette geeft aan de universiteit van Stanford leiding aan een lab dat onderzoek doet naar zelforganisatie in complexe systemen. Allerlei verschillende soorten dieren, zoals vogels, vissen en insecten, vertonen relatief uniform groepsgedrag. Die groepssystemen zijn robuust, want het maakt voor een zwerm niet uit of er een individu wegvalt. Het zijn zelforganiserende, leiderloze systemen, die foutjes van een individu kunnen opvangen.

Ouellette ontdekte dat mannetjesmuggen bij het horen van het geluid van een vrouwtjesmug allemaal op het geluid af gaan, maar dat ze bij het geluid van een mannetjesmug juist een bepaalde afstand hielden. Niet te dichtbij en niet te ver weg, er ontstond precies dezelfde afstand tussen alle mannetjesmuggen. Zo vormde zich de zwerm. Eenvoudige regels tussen individuele muggen, zoals de afstand die moet worden gehouden tot het andere individu, bepalen hier dus wat er uiteindelijk in het collectief gebeurt.

Onderzoek naar dit soort collectief gedrag heeft nu echt een vlucht genomen. In het bijzonder ingenieurs zijn uitermate geïnteresseerd in de uitkomsten want allerlei toepassingen waarbij collectieve zelforganisatie een rol speelt zijn denkbaar.

In haar TED-talk legt Radhika Nagpal, hoogleraar computerwetenschap in Harvard uit hoe termieten als groep een heuvel bouwen. Ze praten niet met elkaar en ze hebben geen leider, maar ze gebruiken de omgeving om te weten wat ze gaan bouwen en hoe. Er zijn robots gebouwd die door middel van allerlei sensoren de zintuigen van de termiet nabootsen en daarmee kunnen reageren op hun omgeving. Deze kunstmatige systemen kennen dezelfde regels van zelforganisatie als de termieten en bieden een oneindig aantal toepassingen. Voordat Nagpal dit kon doen moest ze zich openstellen voor de specifieke situatie van de individuele termiet en voor de cognitie die ontstaat in het collectief als gevolg van de regels tussen die individuen. Ze moest het perspectief innemen van de bouwende termiet.

Cognitie van planten, bomen en bossen

Boswachter Peter Wohlleben legt uit hoe bomen met elkaar communiceren, hoe bomen voor elkaar zorgen en met elkaar een gezond bos vormen. Er wordt door wetenschappers gesproken van het ‘wood wide web’. Wohlleben spreekt in antropomorfe termen over bomen om zijn punt te maken. Zo hebben bomen ‘kinderen’ die ze ‘voeden’, ze vormen ‘vriendschappen’ en hebben een ‘sociaal vangnet’.

Tegelijk baseert Wohlleben zich wel degelijk op allerlei natuurwetenschappelijk onderzoek. Hij probeert met zijn terminologie ons denken om te keren en ons een ander perspectief in te laten nemen. Net zoals insecten een vorm van collectieve intelligentie ontwikkelen, kan een bos worden gezien als een netwerk met een vorm van collectieve intelligentie.

Suzanne Simard, hoogleraar bos-ecologie aan de Universiteit van British Columbia, doet onderzoek naar de stroom van voedingsstoffen en chemische signalen via het ‘wood wide web’ onder de grond. Haar onderzoeksgroep injecteerde sparren met radioactieve koolstof-isotopen om die vervolgens met een geigerteller onder de grond te volgen. Binnen een paar dagen waren alle bomen binnen een gebied van dertig vierkante meter met elkaar verbonden, waarbij de oudere bomen als een spil fungeerden met soms wel meer dan 47 connecties. Het voordeel voor het bos als geheel is een betere gezondheid, meer fotosynthese en een grotere veerkracht.

Ook over planten worden onder fyto-biologen en botanisten verhitte debatten gevoerd. Hoogleraar Stefano Mancuso neemt het op voor het perspectief van planten. Hij is directeur van het Internationaal Instituut voor de Neurobiologie van Planten aan de Universiteit van Florence. Hoewel het instituut officieel niet meer zo mag heten omdat het begrip ‘neuro’ is voorbehouden aan organismen met met hersenen, blijft Mancuso deze naam gebruiken om zijn punt te maken.

Volgens Mancuso waarderen mensen te weinig wat planten allemaal kunnen. Omdat planten niet weg kunnen rennen en regelmatig gedeeltelijk worden opgegeten, komt hun vorm en manier van leven hun perfect van pas. Hun intelligentie is een reflectie van hun ‘lichaam’ en omgeving, van hun evolutie. Vergelijk deze plant-intelligentie maar met de slurvige intelligentie van olifanten.

Een plant kan negentig procent van zijn lichaam verliezen zonder dood te gaan. Een plant moet zichzelf verdedigen en alles vinden wat hij nodig heeft terwijl hij vastgegroeid zit op één plek. Deze leefstijl heeft ervoor gezorgd dat planten tussen de vijftien en twintig soorten zintuigen hebben ontwikkeld. Naast de zintuigen die wij ook kennen, zoals gehoor en tastzin, heeft een plant zintuigen voor vochtigheid, volume, fosfor, gifstoffen en voor chemische en elektrische signalen van de planten om hem heen.

Planten communiceren met elkaar in een biochemische taal die wij niet zomaar kunnen verstaan. Mancuso werkt daarom in zijn laboratorium aan een ‘woordenboek’ van het chemisch vocabulaire van elke plantensoort. Bovendien leven planten in een andere tijdsdimensie. Mancuso laat dit zien door filmpjes van planten versneld af te spelen. Plotseling komen de planten tot leven. Een wortel vindt zijn weg onder de grond, jonge plantenscheuten ‘spelen’ met elkaar, ’s nachts zien we de activiteit afnemen als ze gaan ‘slapen’.

Mancuso definieert intelligentie als manieren om problemen op te lossen en wijst op collectieve vormen van intelligentie in planten, vergelijkbaar met die van insecten, waarvoor hersenen niet noodzakelijk zijn. De verschillende wortel­uiteinden die onder de grond een netwerk vormen kunnen gezien worden als de veroorzaker van een vorm van collectieve intelligentie net zoals dit bij zwermen vliegen gebeurt en bij mensen in de hersenen. Bij een plant zouden de ‘hersenen’ in de vorm van het wortelnetwerk dan onder de grond liggen en de geslachtsorganen boven de grond.

Mancuso is ervan overtuigd dat planten een bepaalde vorm van bewustzijn hebben en zelfs pijn kunnen voelen. Daarom zouden we respect voor ze moeten hebben, maar het zou ons er niet van moeten weerhouden om ze op te eten. Planten hebben zich geëvolueerd om te worden opgegeten. Daarnaast kunnen we ons door planten laten inspireren. Planten kunnen leven van licht en ontwikkelen in een wortelnetwerk onder de grond een robuuste vorm van collectieve intelligentie.

Wat mij inspireert

Als we ons steeds meer bewust worden van het feit dat andere organismen ons waarnemen en ervaren en dat wij iets betekenen voor al dat andere buiten onszelf dan kunnen wij als mensen onze superioriteit en narcisme makkelijker loslaten. Dan kunnen we het kinderlijke van Narcissus uit de Griekse mythe, die niet door had dat hij naar zijn eigen reflectie keek, achter ons laten en kunnen we onszelf opnieuw begrijpen in een gelijkwaardige relatie tot àlles wat ons omgeeft. Jezelf kunnen bekijken door de ogen van anderen is voor de systeemtherapeut een belangrijk middel dat nu ook door natuurwetenschappelijk onderzoek wordt gezien als iets wat van groot belang is voor ons voortbestaan als soort.

Eerder berichtte ik over hoe in de psychologie de mens in relatie tot de natuur onderzocht wordt. Door ‘natuur’ in te tikken in het zoekvenster op de startpagina van mijn weblog kunt u deze berichten vinden. Psychologen van de Universiteit van Leiden kwamen zeer recent nog met bewijs voor het belang van de natuur voor herstel bij stress. Het gaat bij deze onderzoeken vooral om de therapeutische betekenis die onze relatie met de natuur kan hebben.

Misschien zullen we het superieure beeld van onszelf en onze angst voor de natuur overwinnen als we de natuur beter begrijpen. Veel van de genoemde natuurwetenschappelijke kennis uit dit bericht voegt iets toe aan de systeemtheorie. Een beter begrip van het grotere systeem van de natuur kan ons als individu en als soort van een toekomst verzekeren.


De Vlaamse dichteres Ruth Lasters was misschien geïnspireerd door het idee van de collectieve intelligentie toen ze het volgende gedicht schreef:

 

SOORT

 

Waarom wij niet bij wanhoop, eender wiens, formaties vormen

zoals eenden eensklaps tegen luchtwerveling

 

een v. Misschien een visgraatvloer van wij

honderd dichtsbijzijnden, voeten geschrankt tegen kruinen

 

zodra een gong weerklinkt waarmee die ene aanvraagt een

tijdelijke bevrijding, evacuatie uit zichzelf naar

 

‘de soort’. Of haalbaarder: die ene radeloze die zich wurmt

acrobatisch in een reiskoffer die wij dan door-en doorgeven door

 

straten, met als bestemming slechts zijn onvoorwaardelijke

blijven. Tot hij de koffer openstampt, zichzelf weer aandurft, aan-

 

vat.


Lees ook: Narcissus was niet narcistisch

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie, Psychologie, proza en poëzie

Werken in de natuur heelt depressie

EN DIT GELDT OOK VOOR ASIELZOEKERS

Tweederde van de asielzoekers kampt met depressie.

Menzis, de zorg-verzekeraar die verantwoordelijk is voor de gezondheidszorg van asielzoekers (wist ik niet), het COA (Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers) en GGZ instellingen zoals Pharos hebben de handen ineengeslagen. Op verschillende plekken in Nederland zijn er projecten waarbij asielzoekers kunnen meedoen met activiteiten in de natuur.

Dit is nu eens echt goed nieuws! Van de NOS nota bene! Asielzoeker leeft op van vrijwilligerswerk. En eindelijk is er iets positiefs te melden over een zorg-verzekeraar.

Eén kanttekening: Hopelijk is het niet zo dat de asielzoekers alleen het zware werk hoeven te doen en hopelijk worden de biologen, natuurbeschermers, bosbouwers enz. onder de asielzoekers ook betrokken bij het werk, eventueel na enige bijscholing.

Eerdere berichten over dit onderwerp: natuurbeleving heelt depressiede natuur als therapie, de natuur doet wonderen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie, Zorgverzekeringen

Lofdicht op de natuur

Misschien kan het kroongedicht en lofdicht op de natuur van Ivo de Wijs inspireren om de natuur in te gaan en te ervaren dat de natuur therapeutisch werkt. Onder het motto; dit is óók uw land.

Een nieuwe koningin, een nieuwe koning

een hoogtijdag voor de Oranjeklant

een Josti-band, een haringhap vertoning

dit, Willem-Alexander is uw land

met tulpen, klompen en folklore sfeer

ach, kom op zeg, er is zoveel meer.

De vogels die het open veld bevolken

de meeuwen en plevieren aan het strand

de acrobaten in hun spreeuwen-wolken

de rosse grutto’s, dat is òòk uw land!

De paarse heide en de groene bossen

de stoere wilgen aan de waterrand

de bloemen en de nederige mossen

de paddestoelen, dat is ook uw land.

De schapen en de herten en de hazen

van Zwin tot Wad, van Rottum tot Cadzand

wat groeit en bloeit en eeuwig blijft verbazen

dàt Majesteit, is ook uw land.

Vergeet vandaag maar,

geef morgen vroeg uw Maxima de hand

en zoek de das, de fuut, de salamander,

vergéét het hossen van de Nederlander

schuif even het Oranje aan de kant

en zoek het Groen

want dat is ook ùw land!

stoere wilgen

Hier kunt u zien hoe dit gedicht door Ivo de Wijs voorgedragen, in het TV programma Vroege Vogels in beeld gebracht werd.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie, proza en poëzie

De natuur doet wonderen

Een goed humeur, een betere concentratie en minder stress – de natuur kan wonderen doen voor onze geestelijke gezondheid. En daarvoor hoeven we niet eens per se naar buiten. Dat blijkt uit onderzoek van aanstaand hoogleraar Agnes van den Berg.

Alleen al het kijken naar de natuur door een raam of door het zien van een afbeelding heeft een positief effect op de gezondheid. In haar onderzoek heeft ze amper verschil ontdekt ten opzichte van wanneer mensen zelf de natuur ingaan.

vanmiddag in de Hortus van Leiden

Eerder dit jaar werd Agnes van den Berg benoemd tot bijzonder hoogleraar Beleving en waardering van natuur en landschap aan de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen van de Rijksuniversiteit Groningen. Zo kreeg Nederland er een actief pleitbezorger bij om meer wetenschappelijk onderzoek te doen naar de gevolgen van het beleven van de natuur voor de gezondheid en het welzijn van mensen.

Iets noordelijker dan de universiteit van Groningen ligt het waddeneiland Rottum. Staatsbosbeheer heeft het initiatief genomen om de natuur van Rottum naar binnen te brengen in het ziekenhuis van Groningen. Zo kunnen mensen die tijdelijk niet buiten van de natuur kunnen genieten, daar binnen wel een indruk krijgen. Ze hebben er een reuzengrote foto van het uitzicht van het eiland opgehangen.

Toevallig ben ik afgelopen najaar op een tjalk naar Rottum gevaren en heb ik er buiten van de natuur kunnen genieten. Ik heb er gefotografeerd en een filmpje gemaakt.

IMG_1213

Rottum najaar 2012

Binnen het NWO-project ‘Vitamine G’ (waarin G staat voor groen) werkte Agnes van den Berg mee aan de wetenschappelijke onderbouwing van de relatie tussen groen in de leefomgeving en gezondheid. Daarnaast is zij actief in het vertalen van wetenschappelijke kennis over natuurbeleving en gezondheid in praktische adviezen en richtlijnen. Geregeld geeft zij presentaties en interviews over thema’s als het belang van natuur voor de ontwikkeling van kinderen, de bijdrage van tuinieren aan gezond ouder worden en ontwerpen met belevingskennis.

Over de therapeutische invloed van tuinieren  heb ik eerder geschreven op dit weblog.

De natuurvideo hieronder van de BBC lijkt me heel goed voor de geestelijke gezondheid. Het gaat over de wonderlijke prieelvogel.

5 reacties

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie