Tagarchief: verbinding

Psychiater Glenn Helberg danst in Zomergasten

“JEZELF KUNNEN ZIJN IN EEN MENSELIJKE RELATIE IS HET MOOISTE WAT ER IS”

Dit waren de woorden van Glenn Helberg, psychiater en lid van de Raad van Advies van het College voor de Rechten van de Mens, aan het eind van het VPRO televisie programma Zomergasten. Volgens mij waren zowel Helberg als de interviewster Janine Abbring er aardig in geslaagd om tijdens de uitzending zichzelf te blijven. En ze vierden dit aan het eind door te dansen op de muziek van Louis Armstrong. In elkaars armen, een zwart mens en een wit mens, een man en een vrouw, een homo en een hetero uit verschillende generaties. Ze hadden het tijdens het interview ook over hun relatie tot elkaar gehad, in het hier en nu, ook al was het ongemakkelijk. Ik bleef geboeid kijken en luisteren.

Helberg wilde met zijn gekozen film en documentaire fragmenten en optredens van artiesten de fundamenteel relationele kant van de mens tonen. Ze zouden gaan over de verbinding tussen mensen of over het gebrek er aan. Het ging om te beginnen over de verbinding tussen zwarte en witte mensen. De zwarte mens kan nu tegen de witte zeggen: “Jij hebt mijn zwart zijn niet meer nodig”. En de witte kan misschien hetzelfde zeggen. Wit en zwart kunnen elkaar een hand geven. Zoals bezongen wordt door Louis Armstrong in ‘What a wonderful world’: “I see men shaking hands, how do you do…” Want wit en zwart zijn fundamenteel gelijkwaardig. Zoals James Baldwin het zegt in de film ‘I am not Your Negro’ en in een interview voor de Nederlandse televisie: “Alle mensen zijn broeders, daar gaat het om”.

Ook homo’s en hetero’s zijn verbonden. Niemand hoeft buitengesloten te worden. ‘Civil rights’ en ‘gay rights’ moeten samen werken. Alle minderheden moeten elkaar steunen. Helberg heeft het over ‘inclusie’: Iedereen moet het gevoel kunnen hebben dat hij zichzelf kan zijn en er bij hoort. Dit hebben we nog lang niet bereikt. ‘It takes a village to raise a child’, maar de ‘village’ moet nog ‘geraised’ worden denkt Helberg.

We denken in Nederland dat we niet zo racistisch zijn als in Amerika maar dat klopt niet. Wij zijn het racisme in Nederland aan het ontkennen. Dat is een sterke afweer die ontkenning. We moeten juist onze vooroordelen aan elkaar vertellen zodat we elkaar gaan begrijpen. Hier is een psychiater aan het woord die psychische gezondheid bekijkt binnen de context en de systemen die daar een voorwaarde voor zijn.

Verbinding met jezelf

Het eerste fragment dat Helberg de kijkers liet zien ging over een Braziliaanse vrouwelijke psychiater die in de jaren ’40 van de vorige eeuw zocht naar een alternatief voor de toen gebruikte lobotomie behandelingen (een chirurgische ingreep die verbindingen in de hersenen verbreekt). Zij wil aandacht genereren voor het verhaal van de patiënten. Zij wil de patiënten verbinden met hun eigen verhaal, hoe moeilijk hun toestand ook is.

Helberg: “Als je een verhaal vertelt aan de ander vertel je het eigenlijk ook aan jezelf. En dan maak je contact en gaat het vlammetje in jezelf weer aan.” Als deze verbinding tot stand komt dan voel je het lichamelijk. Soms hebben mensen hier hulp bij nodig. Die hulp wil Helberg geven.

Als je mensen vertelt dat ze geestelijk ziek zijn, zoals bijvoorbeeld homo’s verteld werd tot aan 1973, verliezen ze hun trots. Daar gaat Gay Pride over. Kunnen zeggen: ‘Hier ben ik’. Martin Luther King had het daar ook over: ‘We don’t want to be a nobody, we want to be a somebody’. De psychiatrische patiënten uit het fragment waren ook ‘nobodies’ geworden.

Aan het schrappen van homoseksualiteit uit de DSM, het stoornissen classificatiesysteem in de psychiatrie, ging een belangrijke opstand vooraf. Namelijk die bij de homobar The Stonewall Inn in Greenwich Village in New York in 1969. Uit een documentaire hierover kwam het volgende fragment. Ook hetero’s deden mee aan die opstand want ook zij willen natuurlijk zichzelf kunnen zijn. Deze samenwerking tussen homo’s en hetero’s deed me denken aan de film Pride waar Engelse mijnwerkers in hun staking gesteund worden door homo activisten. Mensen die onderdrukt worden herkennen elkaar ook al komen ze uit verschillende hoeken van de samenleving.

Helberg: “Mensen moeten snappen dat iedereen die zich niet met zichzelf mag verbinden, die dus niet zichzelf mag zijn, hetzelfde probleem heeft.” Iedereen mag er zijn, ook de niet-man en de niet-vrouw. Het lukt echter de een nog steeds om tegen de ander te zeggen: “Jij hoort er niet bij.” En het lukt de een nog steeds om misbruik te maken van de ander, de ander te onderdrukken. Het gaat hier om mensenrechten die nog steeds geschonden worden.

Helbergs ouders kwamen uit Suriname maar hij groeide op in Curaçao. Hij merkte als jongeman dat hij jongens spannender vond dan meisjes. Bij het masturberen dacht hij aan jongens en op het hoogtepunt dacht hij snel even aan een meisje want dan zou God hem zijn afwijking vergeven… Later bedacht hij dat hij niet gek wilde worden. Hij zei tegen zijn toenmalige vriendin: “Jij vrijt met een man, maar ik niet…” Hij vertelde zijn vader dat hij homo was, waarna de vader 5 dagen niet at en zei: ” Laat mijn zoon komen, want hij is mijn zoon.” En tegen zijn zoon zei hij: “Als je met een jongen thuis komt, breng dan een goede jongen mee”. Helbergs verhaal lijkt op het Bijbelse verhaal van de verloren zoon. Dat de vader van Helberg hem toen niet afwees, was het grootste geschenk dat hij ooit kreeg. Het kan hem nu nog ontroeren.

Zijn moeder overleed toen hij 13 jaar was. Zij had hem goed op haar overlijden voorbereid en Helberg kreeg al vroeg belangrijke levenslessen mee. Je kon merken dat de verbinding met zijn moeder nog levend was want Helberg zei dat de groene jurk die Abbring droeg tijdens het interview, hem aan zijn moeder deed denken en hem vertrouwen gaf. Zijn moeder zei altijd als ze nieuwe kleren ging kopen: “Nou heb ik weer een groene jurk gekocht!”.

Gelijkwaardigheid genereert eigenwaarde

Een volgend fragment kwam uit een Polygoonjournaal van 1969 over een opstand tegen Shell op Curaçao. Volgens het journaal was automatisering de diepere oorzaak van de opstand maar dat klopt niet, zei Helberg. De opstand had te maken met de ongelijkheid; zwarten verdienden een derde van wat blanken verdienden. De opstand ging over gelijke rechten!

Als we een inclusieve samenleving willen dan moeten we goed geïnformeerd zijn. Educatie speelt een belangrijke rol. Ook blanke Nederlanders moeten weten waarom 30 juni een belangrijke dag is: de dag van de herdenking van de afschaffing van de slavernij. We kennen onze geschiedenis niet en de geschiedenis moet belicht worden vanuit verschillende kanten. Pas dan weet je welk onrecht gedaan is.

Helberg vindt dat de emancipatie van de zwarte mens nog steeds niet goed op gang is gekomen. Hoe diep de discriminatie gaat en hoe diep die in persoonlijke levens doordringt wordt mede duidelijk in een fragment waarin blanke docenten een klasje met zwarte werknemers van een of ander bedrijf onderwijzen over hoe ze sterker kunnen staan in hun functie. Als ze dat aankijken van klanten zouden kunnen, dan zouden ze assertiever overkomen. De blanke docenten hadden goede bedoelingen maar eigenlijk werden de zwarte werknemers geschoffeerd. Abbring had met het schaamrood op de kaken naar het fragment gekeken.

Helberg legde uit dat ‘het niet aankijken’ door zwarte mensen een gevolg is van de slavernij. In de slavernij leer je dat je de ander tot ding kunt maken als je ze niet aankijkt. Het was volgens Helberg beter geweest als deze docenten hadden geprobeerd om de zwarte medewerkers te begrijpen in plaats van hen te onderwijzen. Op basis van gelijkwaardigheid met elkaar bezig zijn genereert eigenwaarde. Als de een ergens rijker van wordt, dan de ander ook. Dàt genereert eigenwaarde en dan hoef je niemand te ‘empoweren’. Baldwin zegt: “Ik ben hier nu en ik ben niet van jou. Ik ben niet minder waard.”

Het onderwijs kan een positieve rol spelen. Louis Armstrong zingt er over dat onze kinderen meer zullen leren dan wij ooit zullen weten. Universiteiten maken hun onderwijs inclusiever. Het gaat de goede kant op. We kunnen gaan onderzoeken wat racisme is, in plaats van het te ontkennen, zodat we er mee op kunnen houden.

De partij Artikel 1, die inmiddels na een rechtszaak niet meer zo mag heten en waarvan Helberg de lijstduwer was, wil radicale gelijkwaardigheid. Er kan wel gezegd worden dat de economie vooruit gaat maar dat betekent zeker niet dat iedereen vooruit gaat.

Vaders

In het fragment ‘Boys of Summer’ (2008) krijgen we te zien hoe een zwarte vader zijn zoon coacht met honkballen. We zien een zwarte vader zijn die wèl aanwezig is in het leven van zijn kind. Het verhaal dat zwarte vaders er niet zijn voor hun kinderen wordt steeds herhaald maar we moeten deze vaders een helpende hand bieden. Ook hier blijkt hoe diep de slavernij in de psyche is doorgedrongen. Het zwarte vaderschap is verarmd door de slavernij, door de reis van Afrikanen naar Amerika. Hele familieverbanden zijn uit elkaar gerukt. Dàt moeten we begrijpen. Daar komt bij dat de slaveneigenaars die kinderen hadden verwekt bij slavinnen meestal afwezig waren als vader. Zwarten hebben nog steeds meer wantrouwen binnen hun relaties dan witten.

In het fragment uit de documentaire over de Oekraïense danser Sergei Polunin zegt de (witte) vader: “Als ik het over zou kunnen doen, zou ik meer aandacht aan mijn gezin hebben besteed.” Toen ouders van deze jonge danser gingen scheiden viel zijn wereld uitelkaar. Hij wist niet meer waarvoor hij danste maar de machine die geld verdiende aan zijn talent draaide door. Hij raakte aan de drugs en kreeg de naam dat hij niet te vertrouwen was, terwijl hij gewoon hulp nodig had. Het dansen had geen betekenis meer voor hem. Hij was de verbinding met zichzelf kwijt. Pas toen hij weer heel was kon hij weer dansen.

Helberg wilde zelf ook danser worden maar zijn moeder wilde dat hij dokter werd. Na een gebroken knie was het besluit niet meer zo moeilijk. Hij ging medicijnen studeren. Nu vind hij het prettig dat hij mensen kan helpen om weer heel te worden.

Relatietherapie

We krijgen een fragment te zien uit ‘Scenes uit een huwelijk’ (1974) van Ingmar Bergman. We zien twee mensen die van elkaar houden maar niet samen kunnen zijn. We moeten volgens Helberg de liefde leren. Wij kunnen onze liefde aan die ander geven maar als die ander zijn of haar liefde niet meer aan ons kan geven dan is het klaar. De liefde is wel voor de ander maar niet van de ander. In een relatie geven beiden 50% maar je blijft altijd 100% verantwoordelijk voor jouw 50%. Ook voor je eigen boosheid ben je voor 100% zelf verantwoordelijk. Relatietherapie blijft van waarde, ook als de partners toch gaan scheiden. Het kan de partners leren elkaar beter te verstaan en dat blijft fijn ook als ze uit elkaar gaan.

We krijgen nog een mooi fragment te zien uit de film ‘Moonlight’ uit 2016. We zien twee zwarte jongemannen die in hun kindertijd een relatie met elkaar hadden en elkaar na vele jaren opnieuw ontmoeten. Het fragment eindigt er mee dat ze tegen elkaar aan zitten, de een met zijn hoofd op de schouder van de ander, de ander streelt zijn schedel. We mogen die intimiteit zien en dat is heel bijzonder. Het gaat eens een keer niet om de coïtus, het gaat om de aanraking van de huid, ons grootste orgaan, zegt Helberg. Door de aanraking van de huid weten we ons geborgen. Zelf mist hij het dat hij al lang niet meer aangeraakt is… Jezelf kunnen zijn in een menselijke relatie is het mooiste wat er is.

Ook aan deze televisie zomeravond komt een einde. Helberg en Abbring staan op en dansen.


Ga vooral deze film zien: I am not your Negro.

En ook de keuze film van Helberg is een aanrader: Selma.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Systeemtherapie

Dit filmpje over verslaving gaat over verbinding

Een aanrader! Je ontwikkelen van een ongezonde verbinding naar gezonde verbindingen.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie

Begrijpen van terreurdaden

‘Het gevaar komt eerder van binnen dan van buiten en daar moet toch iets aan te doen zijn’, dacht ik toen ik las dat de aanvaller in Nice, Mohamed Lahouaiej Bouhlel, persoonlijke problemen had.

Ik las dat Bouhlel werkte als bezorger-chauffeur en drie kinderen had. Zijn buren omschreven hem tegenover de Franse krant Le Parisien als een stille en eenzame man. Hij zag er niet uit als een gelovig persoon.

In het NOS bericht stond:

Een andere buurman heeft tegen de zender France 3 gezegd dat hij ervan overtuigd is dat de aanslag niets te maken heeft met de islam. “Hij heeft niets met religie, hij bidt niet, hij doet niet aan de ramadan. Hij is een depressieve man die in scheiding ligt. Hij woont alleen en hij heeft financiële problemen.”

Crimineel

Bouhlel was volgens Franse media een bekende van de politie. Hij zou meerdere keren zijn veroordeeld, onder meer voor geweld en wapenbezit. De veiligheidsdiensten hadden hem niet in het vizier.

De chauffeur zou in maart voor het laatst zijn veroordeeld, vanwege een uit de hand gelopen verkeersruzie.

De zus van Bouhlel beschreef haar broer als psychisch labiel. Verder verklaarde de openbare aanklager François Molins dat Bouhlel veroordeeld was voor lichamelijk geweld en beschuldigd van huiselijk geweld.

Het begon er steeds meer op te lijken dat financiële en sociaal emotionele problemen deze man uit Nice tot zijn brute wanhoopsdaad hadden gedreven. Of alcohol, medicatie of drugs een rol speelden werd niet bekend.

Sociaal-psychologische factoren, de context, maken de aanslag minder geschikt voor de ‘oorlog tegen terreur’ propaganda en minder interessant voor de op sensatie beluste media dan wanneer er islamitisch terrorisme achter zou zitten. Karel Smouter in zijn column in De Correspondent spreekt van een wijdverbreid fenomeen wat tot dit soort aanslagen kan leiden: een geradicaliseerde existentiële verwarring.

Ondanks de mededelingen van de buren en de zus van Bouhlel en ondanks het feit dat de Franse justitie denkt dat de aanslag waarschijnlijk niet het werk is van een islamitische terreurorganisatie, bleef de Franse premier Valls beweren dat Bouhlel waarschijnlijk banden had met radicaal-islamitische groepen. Niet alleen van Valls maar ook van andere politieke leiders tot Clinton en Trump aan toe, kwamen dit soort beweringen.

Veel politici lijken graag te wijzen naar het gevaar dat van buiten komt. Angst voor de buitenwereld en de ‘vreemde’ godsdienst maakt het gemakkelijk om de aandacht af te leiden van de problemen in het eigen land.

Het gevaarlijkst is misschien wel de politicus die niet met verklaringen kan komen die hoop bieden na gruwelijke gebeurtenissen zoals die in Nice, die geen verklaringen kan bieden met aanknopingspunten om zèlf iets te veranderen. Een regering die de oorlog verklaart aan een andere regering kan althans in theorie die oorlog winnen. Maar wie de oorlog verklaart aan een handelwijze als ‘het terrorisme’ begint een oorlog zonder eind. Politici die niets beters weten te verzinnen zijn gevaarlijk.

Van dat soort politici lijken er steeds meer te zijn, net zoals het lijkt alsof er steeds meer wanhopige mensen rondlopen. We moeten politici kiezen die hoop kunnen bieden in dit soort situaties. Politici die oorlog na oorlog beginnen moeten we links (of rechts) laten liggen.


Met een essay in De Groene Amsterdammer probeerde Joost de Vries eerder dit jaar uit te zoeken wat de literatuur kan bijdragen aan het begrijpen van terreurdaden. Hiertoe had namelijk hoogleraar internationale betrekkingen en terrorisme Beatrice de Graaf kort na de aanslagen in Parijs van eind 2015, uitgenodigd toen ze over terroristen opmerkte: ‘Ze zijn niet altijd ongelukkig, ze zijn niet altijd arm, ze komen niet altijd uit dezelfde regio. Ze zijn wel vaak crimineel en hebben wel vaak broertjes of zusjes die terrorist zijn. Om een individuele terrorist echt te begrijpen, kun je misschien beter bij een romanschrijver dan bij een wetenschapper aankloppen.’

De Vries komt o.a. met twee regels uit Menno Wigmans nieuwe dicht bundel ‘Slordig met geluk’, een gedicht waarin iemand een aanslag op Koningsdag lijkt te overwegen:

‘Nog voor het eind van het festijn

zal ik de grootste zoekterm zijn.’

In de volgende veronderstelling van de Vries kan ik mij met mijn analyse over de wanhoop van de terreurdader vinden:

Misschien lijken terroristen meer op de high school shooters die om de haverklap opduiken in de VS, die niet vanuit een politieke of religieuze overtuiging handelen, maar vanuit een existentiële wanhoop. Hun geweld is geen middel, het dient nergens toe, het veroorzaakt geen betere wereld. Het kan niet anders dan dat de aanslagplegers in Parijs dat ook wisten. Het is een laatste, groteske poging tot zingeving.

De Vries begint zijn essay met het vergelijken van terroristen van nu met die van eind 19e eeuw, begin 20e eeuw. Toen waren het anarchistische terroristen die de wereld steeds deden opschudden.

Verander in de geschriften van de anarchisten ‘bourgeois’ in ‘heidenen’ en ze lijken volkomen actueel. Terrorisme als breekijzer, een kalasjnikov als gereedschap om in één keer superieur te worden aan de krachten om je heen.

De sociologische voedingsbodem lijkt voor beide soorten terrorisme evident: een uitzichtloze sociale achterstand, de behoefte gehoord en gezien te worden, het gemis van een politieke garde die voor de rechten van de minder bedeelden opkomt. Armoede, angst, honger, druk.

Maar wat is dat irrationele waar geen sociologie tegenop kan boksen, vraagt de Vries zich af; wat is

… het moment dat de maatschappelijke realiteit en persoonlijke moraliteit worden opgegeven voor het blinde verlangen van jezelf een bom te maken, om je leven te geven en zo veel mogelijk andere levens mee te sleuren het ravijn in. Dat moment is uniek, want voor elke geradicaliseerde moslim in de banlieues die naar een bomgordel grijpt, zijn er tienduizenden in exact dezelfde sociale situatie die dat niet doen.

Joseph Conrad schrijft naar aanleiding van zo’n anarchistische aanslag uit een vorig tijdperk een roman genaamd ‘The secret agent’ (1907). De Vries merkt over de hoofdpersoon Verloc in deze roman op:

… we leren wel één essentieel ding van Conrads personage kennen, misschien wel het meest essentiële wat romanschrijvers kunnen laten zien en wetenschappers niet – via de verhaallijn van zijn huwelijk. Het lukt Verloc niet zijn vrouw als een mens te zien, met eigen emoties en behoeften – hij ziet haar alleen als een instrument voor zijn eigen wensen. ‘Every time he passed by the door, Mr Verloc glanced at his wife uneasily. It was not that he was afraid of her. Mr Verloc imagined himself loved by that woman. But she had not accustomed him to make confidences.’ Mooi is dat ‘that woman’. Dat ‘that’ schetst een onoverbrugbare afstand. De volkomen egocentrische Verloc kan niet bij haar gevoelens komen, zoals hij eigenlijk aan niemand anders gevoelens denkt – als je die eigenschap koppelt aan zijn roeping als bommenlegger snap je ineens veel beter hoe hij kan doen wat hij doet. Hij is niet alleen het maatschappelijke voorbij, ook het menselijke.

In ‘The secret agent’ zit ook een bijfiguur, de Professor. Hij is de bommenmaker. Over deze figuur en verder over de roman schrijft de Vries:

Coherent wordt zijn ideologie nooit. Dat is ook het schrikbeeld van de roman: het irratio­nele, het ongrijpbare. De roman eindigt met de Professor, die doelloos door de straten van Londen loopt, oogcontact mijdend, met zijn eeuwige bomgordel om, die hij elk moment kan laten ontploffen. Slotzinnen: ‘He had no future. He disdained it. He was a force. His thoughts caressed the images of ruin and destruction. (…) He passed on unsuspected and deadly, like a pest in a street full of men.’

Volgens de Vries is de kracht van dit personage en dat van de terrorist niet een middel tot een betere wereld maar is zijn kracht een doel op zich.

De reactie op de aanslagen in Parijs van de Nederlandse schrijver, dichter Ilja Leonard Pfeiffer die ook in het artikel van De Vries wordt genoemd geeft volgens mij perspectief. Hier zijn verhaal dat uit de NRC van 16 januari 2015 komt:

Dit is een poging de daders in Parijs te begrijpen.

Keihard heeft de veroordeling geklonken van de aanslagen in Frankrijk. Lost dit iets op? Nee, zegt Ilja Leonard Pfeijffer. Wat helpt? Empathie tonen.

Dit stuk gaat over ongemak. Want na de aanvankelijke verontwaardiging over de aanslag in Parijs voelde ik mij de afgelopen week in toenemende mate ongemakkelijk bij de wijze waarop de aanslag in het publieke domein werd geannexeerd.

Het idee begon bij mij post te vatten om een stuk voor deze krant te schrijven over het ongemak dat ik voel voor de overweldigend unanieme en hartverwarmend eenzijdige steun voor die rebelse kwajongens, die met hun dekselse tekeningetjes toch maar mooi de profeet te kakken hebben gezet en daarmee helden zijn geworden van het vrije woord en martelaren in de heilige oorlog van het glorieus verlichte Westen tegen de achterlijke en verachtelijke islam. Het leek mij nodig ook de andere kant van het verhaal te belichten en een stuk te schrijven waarin ik begrip opbreng voor de daders. Die worden nu zonder enig voorbehoud verketterd als monsters die nog erger zijn dan misdadigers, als vijanden van onze vrijheid en als de verpersoonlijking van het kwaad dat met wortel en tak dient te worden uitgerukt, verdelgd, platgebrand en verbannen naar de diepste kringen van de hel.

We zeggen dat we zo verlicht zijn en dat we haat nimmer zullen tolereren, maar haat is het enige antwoord dat wij op haat weten te geven. En dat heeft nog nooit tot iets geleid. Het enige juiste antwoord is empathie en een poging om de daders te begrijpen. Zo’n stuk wilde ik schrijven en ik had ‘Je suis Kouachi’ als provocerende titel bedacht.

Maar met het voornemen om mijn ongemak onder woorden te brengen, werd ik overvallen door een ander gevoel van ongemak. Want uiteraard besefte ik maar al te goed dat ik uiterst gevoelige, om niet te zeggen explosieve materie zou aanroeren. Misschien was zo’n stuk eigenlijk geen goed idee.

Twee dagen geleden mailde ik de redactie van deze krant, om te vragen of het verstandig zou zijn zo’n stuk te schrijven. Dat deed ik natuurlijk niet voor niets. Dat doe ik anders nooit. Het antwoord bevatte wijze woorden. ‘Waarom niet? Je weet hoe het werkt: hoe gevoeliger het onderwerp, hoe beter de argumentatie van de auteur moet zijn. Immers, als de lezer het a priori met je eens is, is die in het algemeen wat luier in z’n denken en neemt dan genoegen met halve waarheden. Als de lezer het a priori met je oneens is, of heel sterk oneens, dan slaat hij bij je eerste argument al op tilt.’

Misschien is ongemak in dit geval wel een eufemisme voor hypocrisie. Want we staan nu allemaal schouder aan schouder met een potlood in de lucht, pal voor de vrijheid van meningsuiting, maar die vrijheid geldt alleen voor ons en niet voor de ander. Je mag je mening vrijelijk uiten op voorwaarde dat je de juiste mening hebt. Iedereen mag alles zeggen wat hij wil, behalve dat hij begrip heeft voor de daders die nog een paar appeltjes te schillen hadden met dat zogenaamde vrije Westen van ons.

Vrijheid van meningsuiting is sinds vorige week ons grootste goed en ons hoogste recht, zeker in Frankrijk, maar eergisteren is de Franse komiek Dieudonné opgepakt omdat hij op Facebook had gezegd dat hij begrip heeft voor de terroristen. En er lopen nog 54 vergelijkbare zaken in Frankrijk. Vijf mensen zijn al veroordeeld. Twee mannen kregen een jaar cel, omdat ze op straat hadden geroepen: ‘Ik ben er trots op een moslim te zijn. Ik houd niet van Charlie. Ze hadden het recht dat te doen.’

Ik wil de aanslag in Parijs niet goedpraten, begrijp me niet verkeerd. Natuurlijk is het fout om mensen neer te schieten omdat hun gevoel van humor het jouwe niet is. Sterker nog, dat is bij wet verboden. Evenmin wil ik mezelf opwerpen als verdediger van een geloof dat de doodstraf uitvaardigt jegens iedereen die spot met zijn profeet of van welk ander geloof dan ook. Het liefste zou ik ook elke vorm van religie bij wet verbieden, maar dat is nu even niet het punt. Ik zou wel graag de kanttekening willen maken dat de humor van Charlie Hebdo niet de mijne is. Ik kan niet lachen om die tekeningetjes. Ik vind ze grof en onnodig kwetsend. Hier begeef ik mij al op glad ijs, dus haast ik mij eraan toe te voegen dat iedereen uiteraard het volste recht moet hebben om onleuke en onnodig kwetsende plaatjes te tekenen. Die vrijheid zal ik tot mijn laatste snik verdedigen, maar ik zal diegenen die van die vrijheid gebruikmaken daar niet om bewonderen, laat staan dat ik ze zal vereren als helden van de vrijheid.

Maar mijn grootste gevoel van ongemak betreft onze hypocrisie. Het trof mij als een bliksemschicht toen ik een van de honderden cartoons voorbij zag komen die naar aanleiding van de aanslag zijn gemaakt. Er waren twee moslims getekend. Die kon je herkennen aan het feit dat ze bivakmutsen droegen en kalasjnikovs in hun handen hadden. Vol ontzetting keken ze naar de hemel van waaruit een bombardement van potloden op hen neerdaalde.

Precies zo zien wij het graag. De moslims zaaien dood en verderf met hun achterlijke geloof en hun automatische wapens en wij, verlichte westerlingen die wij zijn, slaan terug met onze universele waarden en vrijheid van meningsuiting, die zijn gesymboliseerd door die regen van potloden.

Maar zo is het natuurlijk niet. En die cartoon laat dat pijnlijk duidelijk zien. Want in werkelijkheid staan die moslims zonder bivakmuts en kalasjnikov op hun schamele akkers in Irak, Afghanistan, Syrië of in de Gazastrook – en wat op hen uit de hemel neerdaalt, is geen bombardement van potloden, maar een bombardement van bommen. Met de vriendelijke groeten uit het vrije, verlichte Westen. Ik kan mij voorstellen dat je als moslim wel een paar bedenkingen hebt om onze universele westerse waarden onvoorwaardelijk te omarmen, zoals wij van hen eisen.

De aanslag in Parijs wordt door velen beschouwd als een oorlogsdaad. Dat zou je zo kunnen zien, maar dan moet je je wel afvragen wie die oorlog is begonnen. In zijn stuk in deze krant van gisteren citeerde Arend Jan Boekestijn Leon Trotski: ‘Wij kiezen niet voor een oorlog, maar de oorlog kiest ons.’ Hij citeerde het om duidelijk te maken dat we ernst moeten beginnen te maken met het bestrijden van de islam. Maar je zou het evengoed kunnen omdraaien. Het citaat zou ook uit de mond kunnen komen van de terroristen.

Als het oorlog is, hebben wij het daar zelf naar gemaakt. Dan moet je niet raar opkijken als de vijand begint terug te schieten. Als het oorlog is, mag de vijand ook meedoen, anders is het niet eerlijk. Die vijand moet je dan bestrijden, maar je moet niet opeens heel hypocriet in een protestmars gaan lopen roepen dat de vijand niet mag bestaan en dat hij een smet is op onze vredelievendheid.

Mijn gevoel van ongemak betreft het algeheel gedeelde gevoel dat het nu oorlog is. Want met een oorlogsverklaring creëer je niets anders dan vijanden. In NRC Handelsblad van zaterdag schrijft Tom-Jan Meeus over verschillende Amerikaanse veiligheidsadviseurs die er achteraf spijt van hebben dat de VS in antwoord op de aanslag op de Twin Towers de ‘War on Terror’ hebben uitgeroepen. Dat heeft volgens hen averechts gewerkt. Een van hen, Mark Fallon, de special agent die meteen na 9/11 was belast met de opsporing van Osama Bin Laden, zei dat je terroristen pas aan je zijde krijgt als je je in hen verdiept. „Alles draait om empathie”, zei hij. En toen Meeus hem vol ongeloof vroeg of hij bedoelde dat we een kopje thee moeten gaan drinken met de terroristen, antwoordde hij: „Absoluut. Want dát verwachten ze niet.

Empathie en verbinding leiden tot het verminderen van het gevaar. Daar kunnen we allemaal elke dag opnieuw mee aan de slag.

Een mooie suggestie voor het probleem van de wanhoop of de existentiële verwarring binnen in de terreurdader doet ook Karel Smouter in zijn column in De Correspondent; hij houdt een pleidooi voor meer sereniteit en haalt daarbij een aantal regels aan uit het ‘Serenity Prayer’ van de theoloog Reinhold Niebuhr:

‘Grant us the serenity to accept the things we cannot change,
the courage to change the things we can,
and the wisdom to know the difference.’

We hebben volgens Smouter meer begrip nodig voor elkaars verwarde toestand. En we hebben hulp nodig om daar uit te geraken voor de verwarring escaleert. Dit begrip begint met het besef dat elke verwarde man die het nieuws haalt, uiteindelijk een geradicaliseerde versie van onszelf is.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, proza en poëzie

Liefde, bent u er klaar voor? 3

Herman Gorter had het over het mysterie van de liefde in een van zijn brieven.

“Je kunt de liefde niet kennen, alleen maar voelen”, zegt de psychiater Dirk de Wachter, “zodra we er een hand op leggen is het weg”.

De hierna volgende citaten doen een poging om misschien nog ‘hogere’ gevoelens dan die van de liefde te beschrijven: de zogenaamde numineuze (bovennatuurlijke) gevoelens of ervaringen. Enkele beschrijvingen waarin deze gevoelens of ervaringen spontaan opkomen, vaak in de kindertijd, zijn te vinden in de bijlage bij het boek: Religie als genade, van de godsdienstfilosoof Paul Neff.

Over numineuze ervaringen heb ik eerder geschreven in een bericht over de herstelbeweging: Herstel is een uniek proces. Vooral de laatste paragraaf gaat er over: Bezielde openheid en geworteld zijn in je eigen element.

Het gaat bij numineuze gevoelens om wel heel bijzondere gevoelens. Toch heb ik het idee dat ik iets in de beschrijvingen hieronder herken. Misschien gaat het bijdeze ervaringen net als bij de liefde om een gevoel van verbinding en eenwording met een ander of met iets buiten je zelf zoals de natuur.

Om de liefde te voelen kunnen we misschien nog het best reiken naar het kind in onszelf. Iemand beschrijft hier een dergelijke ervaring: ‘Ontmoeting met mijzelf’. Het gaat om een meisje en ze is op vakantie.

‘Toen de allerlaatste dag aanbrak, zat ik rillend van de kou in de vochtige nevelige lucht aan het strand. Ik had een schip gebouwd van zand, hout en stenen, een schip, mooier en groter dan ik ooit gebouwd had. Het meer lag er stil bij alsof ze de winter in Antlitz al ervoer. De lucht droeg geen enkel geluid. Ik keek om me heen, omhoog naar ons vertrouwde huisje dat hoog aan de tuinrand stond. Het was er niet meer. Een muur van mist omringde mij zo, dat ik nog net het gele, natte loof van de onderste oeverbosjes kon zien. Ik was alleen met mijn schip, met de kleine inham van het onbeweeglijke meer. Toen drong het naar binnen. Als warme gestaag vallende vonken zonken de beelden die ik maandenlang begerig had geabsorbeerd vliegensvlug en piepklein in mijn innerlijk. Ze daalden af in mijn gemoed. Steeds sneller, talrijker en steeds dieper – allemaal, zonder er één over te slaan. En ze bleven daar liggen als onuitputtelijke voedingsbodem van mijn wezen, als een onverwoestbare schakel tussen de natuur en mij. Ik had mezelf een ogenblik lang temidden van de natuur, als onderdeel van de natuur zelf, gezien. Ik was mezelf in haar tegengekomen. De gedachte die mij toen uit de diepste regionen van mijn wezen vervulde was: Dit is de mooiste tijd van mijn leven, zo mooi kan het nooit meer worden. Dit wijze inzicht van een kind heeft tot op de dag van vandaag gelijk gehad.’

NB. Antlitz is mogelijk een fantasieplaats want ik kan nergens de plaats Antlitz vinden. Antlitz betekent ook ‘gelaat’.


Strandkasteel

Dit is weliswaar geen schip maar mijn mooiste strandkasteel. Op Schouwen-Duiveland toen ik een jaar of 10 was. Het was geen numineuze ervaring maar ik was er in mijn element.


De Engelse dichter Alfred Tennyson probeert ook een numineuze ervaring te beschrijven in zijn memoires.

‘Als ik helemaal alleen ben, dan ben ik vaak in een soort zwakke conditie. Dit overvalt mij doordat ik stilletjes mijn eigen naam herhaal, tot alles plotseling, zo lijkt het, wegspringt uit de intensiteit van het persoonlijke bewustzijn. De persoonlijkheid zelf lijkt zich op te lossen en langzaam te vervagen tot een ongebonden staat. Het is geen verwarrende maar de meest heldere en veiligste staat die absoluut niet in woorden te vatten is. Een conditie waarin de dood een bijna lachwekkende onmogelijkheid was – het verlies van persoonlijkheid (als die er al geweest zou zijn) leek geen opheffing maar het enige ware leven – ik voel me beschaamd om mijn ontoereikende beschrijving. Maar heb ik het niet gezegd: mijn staat was onbeschrijflijk?’

En wat te denken van een jeugdervaring van de Indiase dichter, schrijver Rabindranath Tagore:

‘Heel lang geleden, toen ik nog één was met de aarde en het groene gras me overdekte en ik overgoten werd door het herfstlicht, toen mijn weidse, groenschemerige lichaam in de zonneschijn de jeugdige geuren en warmte uit elke porie wasemde, toen ik het land en het water van verre landen en streken besloeg, lag ik stilzwijgend onder de heldere hemel. Ik voelde hoe in het herfstige zonlicht het wezen van de verrukking, een vitale levenskracht, zich in een intense, onuitgesproken, halfbewuste vorm in mijn uitgestrekte lichaam roerde met een acute, huiverende, uitgelezen golving – ik scheen me daar op dat moment iets van te herinneren! Het gevoel van de oeraarde, uitbottend, bloeiend en blij met haar beschermer, de zon. Het is alsof de bewustzijnsstroom in mij onmerkbaar en lang­zaam elke grasspriet, elke boomwortel, elke ader doordrenkt, in de golvende beweging die door de korenvelden trekt, pulserend in elk blad van de kokos­palm, dat trilt van levenslust.’

Ook de Engelse criticus, schrijver, dichter John Ruskin vertelde over bijzondere jeugdbelevenissen die regelmatig bij hem terugkeren.

‘Ten slotte: hoewel er geen welomlijnde religieuze gevoelens bij betrokken waren, toch was er een voortdurend beeld van heiligheid in de hele natuur. Van het kleinste voorwerp tot het meest immense – een instinctief ontzag, vermengd met verrukking; een onbestemde huivering zoals we die ons soms voorstellen om de nabijheid van een onstoffelijke geest aan te duiden. (Vergelijk Zinzendorf: ‘zoals iemand ’s avonds huiverig wordt op het land’.) Ik kon het alleen maar door en door aanvoelen als ik alleen was. Dan deed het vaak mijn hele lijf huiveren van vreugde en ontzag. Het overkomt me als ik enige tijd niet in de heuvels was geweest en ik allereerst naar de oever van een bergrivier ging waar het bruine water rond de steentjes cirkelde, of wanneer ik voor het eerst de toppen van ver land tegen zonsondergang zag, of de eerste lage gebrokkelde muur bedekt met bergmos.
Ik kan amper het gevoel beschrijven, maar denk niet dat dit aan mij ligt of aan de Engelse taal. Ik ben bang dat geen enkel gevoel goed te beschrijven is. Als we het gevoel van lichamelijke honger zouden moeten uitleggen tegenover iemand die nooit honger heeft gehad, zouden we moeite hebben het onder woorden te brengen. Het lijkt alsof de vreugde voor de natuur mij overkomt als een soort hartstochtelijk verlangen, gestild door de nabijheid van een grote en heilige Geest.
Dit gevoel bleef in zijn volle heftigheid bij me tot mijn achttiende of twintigste jaar. Toen mijn bedachtzaamheid en praktische kracht toenamen, en de ‘zorg van deze wereld’ op mijn schouders rustte, ebde het langzaam weg zoals Wordsworth beschreef in zijn Intimations of Immortality.’

Al dit soort beschrijvingen zouden wellicht kunnen inspireren bij het vinden van de liefde of om er klaar voor te zijn als de liefde langskomt. Verbinding en eenwording lijken me centrale begrippen.

Een voorbeeldweergave van het boek van Paul Neff staat op het internet: hier.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychologie, proza en poëzie

Lezing Else-Marie van den Eerenbeemt

Deze lezing vond plaats in de kapel van de vrijzinnige geloofsgemeenschap aan de ’s Gravelandse weg in Hilversum op de dag van de nationale herdenking van de vliegramp met de MH17. Zij had er op televisie naar gekeken en het meest indrukwekkende er aan was het één voor een opnoemen van de 298 namen van de slachtoffers.

“Een naam is het eerste wat je van je ouders krijgt”… en zo komt van den Eerenbeemt op haar onderwerp; familierelaties. “Of je een naam krijgt waarmee je naar een voorouder vernoemd bent of een vreemde naam uit een ander land daar zitten al heel verschillende sferen achter”.

De boodschap van van den Eerenbeemt (afgekort: EM) moet wel zijn hoe belangrijk relaties voor ons mensen zijn en hoe we in die relaties moeten investeren. Wellicht een bekende boodschap, wij zijn immers sociale wezens, maar in deze individualistische maatschappij kan het niet vaak genoeg verteld worden. Een mens is geen mens zonder relaties. En het begint meteen bij de geboorte.

EM werkte vroeger in een huis waar baby’s van ongehuwde moeders geboren werden. Op één zaal lagen 30 baby’s. Je kon aan de gezichtjes zien welke baby’s de ‘afstandjes’ waren; de baby’s van wie de moeders afstand gedaan hadden en die het zonder de geur en de stem van hun moeder moesten doen.

Vaders hebben bij de geboorte een achterstand op moeders. Tegenwoordig proberen moderne vaders die achterstand al vroeg in te halen. Aanstaande vaders hebben het over: “Wij zijn zwanger”. Een vader had zelfs naar de huisarts gebeld met: “Onze vliezen zijn gebroken”. Deze vaders lukt het inhalen van de achterstand misschien wel.

Het woord vader betekent letterlijk: omheining! Een man had in therapie tegen EM gezegd: “Mijn vader was een los hek…” EM zei: “Hij heeft het in ieder geval geprobeerd”. “Ja”, zei de man: “Hij heeft het geprobeerd”. En zo werkt EM in haar therapieëen aan verbinding.

Ze ziet kinderen als grote verbinders. Zij sprak een moeder die gebroken had met haar moeder. Op een dag vroeg een van haar kinderen als cadeau voor haar verjaardag dat opa en oma op bezoek zouden komen want die had zij nog nooit gezien.

Een kind wil zijn ouders gelukkig maken. Kinderen proberen ouders te troosten. Maar hoe doe je dat als de ouders vechten? Kinderen blijven altijd trouw aan beide ouders en ze verdedigen hun beide ouders. Dit noemt EM het beginsel van de zijns-loyaliteit. Een kleuterjuf zei tegen een kind: “Jouw moeder kan geen klok kijken daarom kom je te laat”, en het kind zei: “Mijn moeder kan heel goed klokkijken”. De trouw van kinderen wordt in duizenden dossiers aangetoond. Een pleegkind die alles aan zijn pleegouders te danken had brak uiteindelijk toch met hen omdat hij de vernederende blik in hun ogen als het over zijn echte ouders ging had gezien.

EM spreekt over relationele ethiek: de ethiek van wat er tussen mensen gebeurt. Het geven en nemen. De liefde tussen mensen. En het allerergste is wanneer je geen betekenis hebt. Dan kun je depressief worden. Depressie ziet ze als een zwakke plek in de liefde. Die zwakke plekken zijn te vinden in relaties.

De partnerkeuze is iets magisch. Er valt een heleboel af te dingen op de tegenwoordige relatieadvertenties. Wat die ander allemaal wel niet moet kunnen! Wil die ander ook mee helpen zorgen voor een gehandicapt kind? Of voor een demente vader? Helaas zijn er tussen ouders met gehandicapte kinderen meer scheidingen. Kunnen we bij elkaar blijven als de ander kwetsbaar is? Als we dit kunnen hebben we het geheim van de langdurige liefde gevonden. Het gaat om diepte-investeringen in de liefde.

De loyaliteit van kinderen aan de ouders gaat het diepst maar ook de loyaliteit tussen broers en zussen is sterk. Een bekende uitspraak van EM is: “Broers en zussen zijn het merg van mijn bot”.

Binnenkort zal het weer Kerstmis zijn. En de Kerst ziet EM als één groot loyaliteitsconflikt. Ouders gaan op vakantie in het buitenland want ze willen de kinderen met Kerst niet tot last zijn. De Waddeneilanden zitten vol met kinderen met loyaliteitsconflikten. Het spannende aan tafel met Kerst is juist om te zien waar nou de trouw tussen mensen zit. Kunnen we dat niet meer verdragen?

Een bekende typering is die van de Martha en de Maria van de familie. De Martha is degene die na het eten de afwas doet en de Maria is degene die bij vader op schoot zit. Wie zijn de favoriete kinderen van de familie? Ouders hebben hun voorkeuren maar zijn bang om dit toe te geven. EM noemt dit: familiefaalangst.

Kinderen blijven hun ouders verdedigen tegenover opmerkingen van buitenstaanders. Onze ouders hadden ons wel lief maar ze konden ons niet troosten. Onze ouders hadden ons wel lief maar ze konden ons grote gezin niet aan. De dood van ouders is ook op latere leeftijd een aardverschuiving voor kinderen. En als de ouder overlijdt is het heel belangrijk hoe de partner daarop reageert. EM vroeg aan een gescheiden vrouw wat nou het moeilijkste was in haar huwelijk. De vrouw zei: “Dat hij niet terugkwam van zijn golfvakantie toen mijn moeder begraven werd”. De kracht van de liefde zit hem in de zorg.

Er zijn witte en zwarte schapen in families. De zondebok uit de familie moet alle kwaad meenemen. Maar de uitgestoten kinderen of de kinderen die minder betekenis hebben in families komen vaak terug aan het ziekbed van een ouder, om alsnog betekenis te hebben.

Volgens EM zijn alle waarheden over ouders waar. Een moeder van zeven kinderen is zeven moeders.

“Ik heb papa het meeste liefde gegeven, dat weet ik zeker, en nu krijg ik niets,” en deze dochter huilt. Erkenning is wezenlijk, ook bij het verdelen van de erfenis. Een zus zegt tegen een andere zus: “Jij krijgt die armband want jij was altijd zo lief voor moeder”. Dat iemand ziet wat je betekent hebt is het belangrijkst. Mensen zijn niet hebberig, het gaat om de erkenning.

“Waarom trouwen die kinderen in een luchtballon”, vroeg een moeder; “waarom niet gewoon bij ons in de achtertuin…”. Maar de moderne rituelen moeten speciaal en bijzonder zijn. Zijn de relaties dit ook? Dat valt te bezien.


Na de lezing werden vragen beantwoord die de toehoorders op een velletje papier schreven en overhandigden.

Een vraag ging over een kind dat onterfd werd door de ouders. Onterven is een kind afstraffen. Wat doen de andere erfgenamen? Het kan goed gemaakt worden bij de rechter maar dan worden de kinderen schuldeiser van hun ouders in plaats van erfgenamen. Volgens EM is er in iedere familie tenminste één rechtvaardige!

Er was een vraag over het helen van breuken in families. Volgens EM is definitief breken onmogelijk. Ze nodigt eerst iedereen apart uit om ieders verhaal te horen. In therapie zoekt ze naar verbinding en rechtvaardigheid. Hoe dieper de kloof hoe sterker de brug. Ze gaat op zoek naar extra peilers voor de brug. Wie kan er verbindend werken? Een oom of tante, neef of nicht. Die nodigt ze erbij uit.

Een vraag over grootouders die hun kleinkinderen niet meer zien. Als die weggestreept worden uit het leven van een kind, wie kun je dan nog vertrouwen, vraagt EM zich af. Grootouders kunnen helend zijn als ouders gescheiden zijn. Kinderen van gescheiden ouders die contact hebben met hun grootouders zijn beter af heeft onderzoek uitgewezen.

Ze kwam nog even terug op de gespleten loyaliteit bij scheidingen. Het vervreemden van het kind van één van de ouders geeft veel ziektes. Eigenlijk is het kind dat een van de ouders moet afwijzen beide ouders kwijt. Het is een fundamenteel existentieel recht: het recht op beide ouders.

Er was een vraag (van ondergetekende) over favoriete kinderen. Ja het is zo: ouders hebben hun oogappeltjes. Dit gaat in tegen het idee van gelijke monniken, gelijke kappen maar volgens EM is het nu eenmaal zo dat liefde van elastiek is. Wij kinderen hebben twee verschillende ouders maar onze ouders hebben verschillende kinderen. We mogen onze favorieten hebben als het maar rechtvaardig blijft heb ik begrepen.

We lopen allemaal kwetsuren op maar we krijgen ook (veer)kracht mee. Die kracht en kwetsuren gaan inderdaad samen. Dat ouders het beter willen voor hun kinderen dan zij het zelf gehad hebben, daarin zit de kracht van generaties. En kracht krijg je door erkenning. Het ergste is wanneer je ontkent wordt in wat je te geven hebt.

Een vraag over ‘het lege nest syndroom’. Dit bestaat nauwelijks meer. Kinderen blijven nog lang thuis. Het probleem is nu eerder: Hoe krijgen we de kinderen de deur uit. We zijn van een bevels-huishouding naar een onderhandelings-huishouding gegaan. Begrenzingen tussen ouders en kinderen zijn vager geworden. Vooral kinderen van gescheiden ouders blijven rond hun ouders cirkelen. Laatst was EM bij iemand thuis voor een vergadering en hoorde ze een zoon van boven roepen: “Mam, mam, mijn condoom is gesprongen!”


Een zeer inspirerende lezing over een serieus onderwerp waarbij af en toe enorm gelachen kon worden. Als toegift liet EM nog de Grand Partita van Mozart horen. Dit is een compositie waarin verschillende familieleden vertolkt door verschillende muziekinstrumenten en melodieën te horen zijn. Mozart had grote problemen in de relatie met zijn vader. Hulde aan EM en aan Mozart.

 

 

1 reactie

Opgeslagen onder Systeemtherapie

‘Survival of the kindest’

Dit is de titel van een interessante ‘TED talk’. Emma Seppala legt uit hoe verbondenheid met anderen leidt tot meer gezondheid, minder depressie en minder agressie en hoe verbondenheid in ons mensen is ingebouwd.

In plaats van ‘survival of the fittest’ geeft ‘survival of the kindest’ beter de ideeën van Darwin weer. Het concept ‘survival of the fittest’ werd aan Darwin toegeschreven maar is in werkelijkheid bedacht door de conservatieve filosoof Herbert Spencer.

Seppala begint haar ‘talk’ met het verzoek aan het publiek om zich eens te bedenken hoeveel mensen zij kennen aan wie zij een persoonlijk probleem zouden toevertrouwen. In de VS zou een kwart van de mensen zeggen dat ze nul mensen vertrouwen…

Haar ‘talk’ raakt ook aan eerdere artikelen op dit blog bijvoorbeeld een artikel over empathie.

2 reacties

Opgeslagen onder Psychologie

Wat heb jij te geven?

LannooCampus, Leuven, 2005.
Meervoudig gekwetsten. Contextuele hulpverlening aan maatschappelijk kwetsbare mensen.
Paul Hendrickx, Ief Barbier, Hilde Driesen, Monique Van Ongevalle & Koen Vansevenant.

Dit boek is geschreven voor hulpverleners aan kansarme mensen die de aansluiting in de welvaartsstaat gemist hebben. De schrijvers tonen aan hoe structurele problemen in de maatschappij herleid worden tot individuele problemen. “Wat je hebt bereikt heb je aan jezelf te danken”, is een zienswijze die heel sterk leeft bij de gemiddelde burger.

Ik vond het boek o.a. inspirerend voor mijn werk als studie- en beroepskeuze adviseur. De jong volwassenen die zich melden met een studie- en beroepskeuze vraag voelen zich vaak op dat moment maatschappelijk kwetsbaar. Een moeizame studie en beroepskeuze kan leiden tot depressieve klachten en tot conflicten in het gezin. Ook ouders maken zich zorgen over hoe hun jong volwassen kinderen de aansluiting met de maatschappij moeten maken. Ze zien hen vastlopen in hun studies en soms ook in hun sociale contacten.

Ook mensen in de middenklasse ondervinden steeds meer moeilijkheden bij het vinden van de aansluiting in de maatschappij. Je verbinden aan een risicosamenleving kan een risicovolle bezigheid zijn en wordt vaak ervaren als een in de wereld geworpen zijn, menen de schrijvers en juist dit herken ik soms bij de jongeren. Als het je niet lukt om aansluiting te vinden, voel je je soms een ‘loser’.

Het gaat in mijn praktijk dus niet zozeer om kansarme mensen maar wel om mensen die bang zijn dat ze als kansarm zullen eindigen. Ik zie jongeren die bijvoorbeeld na drie jaar studeren een propedeuse nog niet gehaald hebben.

Volgens de schrijvers van het boek gaat het verbinding kunnen maken met de maatschappij hand in hand met het verbinding kunnen maken met jezelf.

Verbinding maken met jezelf

Als uitgangspunt bij de beantwoording van deze vraag wordt gebruik gemaakt van de contextuele therapie van de Hongaarse psychiater Nagy. Relationele ethiek speelt een belangrijke rol in deze therapie. De balans van geven en nemen en het recht om met het zorgen voor anderen, zelfwaardering en vrijheid te verdienen. Nagy stelt dat in het geven en ontvangen tussen mensen de gevende partij degene is die er het meeste bij wint. Hoewel kunnen ontvangen ook een manier van geven kan zijn. In de contextuele manier van hulpverlenen is men er vooral op gericht mogelijkheden te scheppen waarin mensen kunnen geven. Het adequaat kunnen geven is precies datgene wat helend werkt. Hier ben je als psycholoog naar op zoek in het studie en beroepskeuze onderzoek. Wat heb jij te geven, te bieden?

Jouw kracht

Naast het verbindend hulpverlenen speelt ‘empowerment’ een belangrijke rol in het vinden van aansluiting met de maatschappij. ‘Empowerment’ is een proces waarbij je grip krijgt op je eigen situatie en je omgeving. ‘Empowerment’ heeft drie kanten;
1. Het krijgen van controle over je leven heeft te maken met een besef van invloed. Een besef van door iemand in iets begrepen te worden, een besef van erbij te horen, een besef van inzet die gezien wordt, een besef van greep op de dingen en een besef van toekomst.
2. Individuele ervaringen worden in een context geplaatst zodat je zicht krijgt op de impact van eigen keuzes en acties, op positieve keerpunten en op wat jou onderuithaalt. Door een kritisch bewustzijn krijg je zicht op jouw onderliggende drijfveren, loyaliteiten en overtuigingen die je gedrag mede bepalen. Zo zoek je naar de samenhang van je levenslijn.
3. Participatie is het beschikken over de mogelijkheid en het recht om je eigen weg uit te stippelen en mee te beslissen in de organisatie van de samenleving.

Empowerment is een geloof in de krachten en de mogelijkheden van iedereen. Het gaat uit van het recht om erkent te worden als een autonoom en uniek wezen, een volwaardig persoon met een eigen levensgeschiedenis en cultuur. Dit veronderstelt een zekere vrijheid om het eigen leven vorm te geven, kansen op zelfontplooiing en respect daarvoor van de zijde van je omgeving.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Studie en beroepskeuze