Tagarchief: veerkracht

Manier van denken bij het leren: geloven in groei

Een getalenteerde maar bij vlagen erg onzekere internationale student maakte mij onlangs attent op een paar interessante filmpjes. Later vond ik er nog een paar bij.

De student was er achter gekomen dat hij last had van een ‘fixed mindset’. Dit is een manier van denken waarbij je bij het leren en studeren denkt in vastgelegde resultaten, waaronder cijfers en waarbij je je teveel zorgen maakt over hoe je beoordeeld wordt door anderen. Met een vaste ‘mindset’ heb je een idee van jezelf dat je iets kunt of niet kunt – waarbij er weinig ruimte is om te leren en te groeien. Het is ook het idee alsof hetgeen jij presteert een deel van jouw persoonlijkheid is en dat idee – dat we falen als persoon wanneer we een fout maken – veroorzaakt een heel vervelend gevoel.

In het eerste filmpje (11 minuten) legt Stanford professor in de psychologie Carol Dweck zorgvuldig uit hoe nadelig deze manier van denken werkt en komt ze met een alternatief waarvan ze vind dat het tot een van de mensenrechten zou moeten behoren: de ‘growth mindset’.

Met de ‘growth mindset’ is de student geneigd om de strijd aan te binden als hij zich vergist heeft, de fout te verwerken en te corrigeren en met de ‘fixed mindset’ krijgt de student vooral een gevoel dat hij gefaald heeft. Hij zal zich dan eerder voornemen om bij een volgende test te frauderen of hij zal geneigd zijn om neer te kijken op studenten die minder hoog scoorden dan hij. Hij zal zich geobsedeerd gaan bezig houden met cijfers.

Door de ‘growth mindset’ krijgen we naast meer energie om inspanningen te leveren ook meer gelijkheid, meer kansen voor kinderen uit lagere milieus.

The power of yet

Hier nog een geanimeerde versie van Dweck’s uiteenzetting (10 minuten).

Hoe meer we onze kinderen prijzen om hoe goed ze ergens in zijn of om hoe slim ze zijn, hoe onzekerder we hen maken. We denken dat dit prijzen goed is voor hun zelfvertrouwen maar het tegenovergestelde wordt bereikt. Het prijzen zet hen in de ‘fixed mindset’ waardoor ze hun zelfvertrouwen verliezen als dingen moeilijk worden en waardoor ze bang worden voor uitdagingen.

Hier een filmpje waarin dit mooi duidelijk gemaakt wordt.

Een en ander doet me denken aan wat ik leerde tijdens mijn pedagogie studie (jaren ’70) over intrinsieke en extrinsieke motivatie.

‘Mindset affects all of us’

In het volgende filmpje; ‘The power of belief’ wordt verwezen naar de ideeën van professor Dweck. De presentator is Eduardo Briceno, mede oprichter van Mindset Works. Hij haalt in het filmpje (10 minuten) de schaak- en vechtsport kampioen Joshua Waitzkin aan die zegt dat hij zijn succes te danken heeft aan het verliezen van een van zijn eerste wedstrijden. Volgens Waitzkin wordt een mens bijzonder breekbaar zodra hij gelooft dat hij zijn succes te danken heeft aan een soort van aangeboren aanleg. Je moet niet geloven dat je bijzonder bent of slimmer. Je moet er in geloven dat je kunt groeien en dat je dààrdoor kunt slagen.

Het is belangrijk dat het prijzen van kinderen en leerlingen proces-gerelateerd is en niet talent-gerelateerd. Zoals Waitzkin zegt: “Als we winnen omdat we een ‘winner’ zijn dan moeten we wel een ‘loser’ zijn als we verliezen.”

De sleutel voor succes is dus de ‘growth mindset’ die ten grondslag ligt aan de nodige inspanning, focus en veerkracht. Met deze manier van denken kunnen we ons makkelijker richten op wat we nog kunnen leren.

Managers met ‘fixed mindsets’ houden niet van kritiek en zijn minder goede begeleiders van werknemers. Een op groei gerichte manier van denken kan grote sociale problemen oplossen. We kunnen onze ‘fixed ideas’ veranderen. In een onderzoek werden een groep Palestijnen en een groep Israëliërs geleerd dat een manier van denken kan veranderen waarna ze meer bereid waren om te onderhandelen en aan vrede te werken.

The power of belief


Eerder op dit blog schreef ik over positieve en negatieve gevoelens bij het leren.

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Persoonlijk en politiek, Psychologie

Veerkracht, zachte kracht

De laatste film die ik in 2012 zag was ‘Droom en daad’ over een periode uit het leven van de bekende Nederlandse dichteres en socialiste Henriette Roland Holst (1869-1952). De documentaire gaat over de periode tussen haar 22e en 58e levensjaar. Het was in het Filmtheater van Hilversum.

Het was echt een mooie film van Annette Apon, gemaakt aan de hand van oud filmmateriaal en teksten van Roland Holst. Wel vond ik het jammer dat na de film vooral het gevoel van ontgoocheling, dat Roland Holst had na allerlei teleurstellende gebeurtenissen binnen de socialistische beweging, bleef hangen. Dat vond ik jammer want zij had genoeg veerkracht en hield de moed er in.

Het is waar dat Roland Holst, als een van de leiders van de socialistische beweging, tegenslagen zag als een persoonlijk falen. Dat laat Apon goed zien in haar film.

Roland Holst is overleden in mijn geboortejaar, 1952.

Hier de trailer van de film.

Teleurstellende gebeurtenissen waren het mislukken van de spoorwegstaking(1903), het royeren van de linkervleugel uit de SDAP (1909), het uitbreken van de eerste wereldoorlog die de internationale socialistische beweging had willen tegenhouden door middel van een internationale staking (1914), het gewelddadig uiteenschieten van een demonstratie bij een kazerne in Amsterdam (hierbij vielen vier doden, 1918), de resultaten van de revolutie in Rusland (1921), enz. enz.

Maar getuige veel van haar teksten is Roland Holst uiteindelijk iemand die hoopvol blijft. Gelukkig is dit geluid ook te horen in de documentaire. Bijvoorbeeld wanneer Apon de beroemdste regel van Roland Holst laat citeren, tot twee maal toe: ‘De zachte krachten zullen zeker winnen in ’t eind’. En zij schreef deze regel juist na de bloedige episode bij de kazerne in Amsterdam. De regel vormt het begin van het volgende gedicht.

De zachte krachten zullen zeker winnen
in ’t eind — dit hoor ik als een innig fluistren
in mij: zoo ’t zweeg zou alle licht verduistren
alle warmte zou verstarren van binnen.

De machten die de liefde nog omkluistren
zal zij, allengs voortschrijdend, overwinnen,
dan kan de groote zaligheid beginnen
die w’als onze harten aandachtig luistren

in alle teederheden ruischen hooren
als in kleine schelpen de groote zee.
Liefde is de zin van ’t leven der planeten

en mensche’ en diere’. Er is niets wat kan storen
’t stijgen tot haar. Dit is het zeekre weten:
naar volmaakte Liefde stijgt alles mee.

Uit de bundel: Verzonken grenzen (1918)

hrh

Portret getekend door de man van Henriette Roland Holst, Richard Roland Holst

Roland Holst blijkt goed in staat te zijn om teleurstellingen te verwerken en de rode draad in haar leven steeds weer op te pakken. Ze is tot laat in haar leven politiek kritisch en actief gebleven.

Ik vroeg me af hoe een vrouw uit welgestelde kringen zoals zij zo enorm gepassioneerd kon raken voor het socialisme. Hier geeft de documentaire een summier antwoord op.

De schrijver, dichter Herman Gorter heeft een belangrijke rol gespeeld in het leven van haar en haar man. Gorter raadde hen aan om Dante, Plato en Spinoza te lezen. Ook raadde hij aan om ‘Het Kapitaal’ van Karl Marx te lezen want dan zou Henriette beter begrijpen hoe de wereld in elkaar zat en zou ze betere gedichten kunnen schrijven…

Het socialisme zou de verschillende klassen verenigen en dus maakte het niet uit uit welke klasse je kwam. Sommige leden van de SDAP vonden dat je arbeider moest zijn om er bij te horen. Maar hier was Henriette het niet mee eens en dit was ook geen beleid van de partij.

In het Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland vond ik het volgende over haar kindertijd:

Het huispersoneel bestaande uit zes betaalde krachten nam alle arbeid uit handen. Gedurende haar kindertijd kreeg zij privé-les.Daarna plaatsten de ouders haar op het Duitse meisjesinternaat Oosterwolde te Arnhem, waar zij in totaal vier jaar doorbracht. Het onderwijs was er slecht. De leerlingen werd in hoofdzaak vreemde talen en goede manieren bijgebracht. Van der Schalk was een wat eenzelvig, dromerig meisje dat moeite had zich aan te passen. Conflicten met medeleerlingen bleven niet uit. Een zenuwcrisis maakte dat zij tijdelijk terug ging naar het ouderlijk huis. Haar moeder liet haar enige weken opnemen in de Ziekenverpleging te Amsterdam waar de jonge directrice haar meenam op huisbezoek bij minder bevoorrechte medemensen. Terug op Oosterwolde kon zij het leven beter aan.

In Amsterdam heeft Henriette dus kennis kunnen maken met minder bevoorrechtte mensen.

Om haar passie voor het socialisme nog beter te begrijpen zou ik haar autobiografie: ‘Het vuur brandde voort’, kunnen lezen. Of de biografie: ‘Liefde is heel het leven niet’, van Elsbeth Etty.

14_RolandHolst_van_der_Schalk_1869-1952_geheugenvannederland.nlimages   images-1

1 reactie

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, proza en poëzie

Ecologische, verbindende diagnostiek

‘It’s frequently more important to know what kind of patient has the disorder than to know what kind of disorder the patient has’ (Norcross, 2002).

Eerder op dit weblog uitte ik kritiek op hoe het diagnosticeren van DSM-stoornissen teveel domineert binnen de hulpverlening. Ik heb o.a. de Belgische psycholoog Paul Verhaeghe geciteerd die het aandurft om ADHD boerenbedrog te noemen.

Nu neem ik de tijd om een alternatieve, competentie-gerichte  diagnostiek te beschrijven die voor een praktijk zoals de mijne, een praktijk voor ambulante eerstelijns-psychologische hulpverlening, nuttig kan zijn. 

Het grote belang van deze alternatieve diagnostiek is dat het een panoramische blik toevoegt aan de klassieke diagnostiek. Het woord diagnostiek komt uit het Grieks en betekent ‘volledig of door en door kennen’. Het bredere netwerk rond de cliënt wordt in de huidige diagnostiek meestal in beperkte mate in beeld gebracht. 

Dankbaar maak ik gebruik van een artikel uit het laatste nummer (nr3, 2012) van het Tijdschrift: Systeemtherapie van de Nederlandse Vereniging voor Relatie- en Gezinstherapie, waarin de zogenaamde ‘developmental audit’ aan ons wordt voorgesteld door de Belgische schrijvers: Mattias Bouckaert (psycholoog), Ann Ghilain (psycholoog), Hendrik Van Moorter (psychiater) en Kathleen Smeers (maatschappelijk werker en criminoloog).

Het woord ‘audit’ verwijst niet naar een financiële of operationele controle van een bedrijf  maar naar het doorlichten van een gezinssysteem. Het klinkt ‘controleerderig’ maar de (Amerikaanse) hulpverleners gaan in deze ‘audit’ vooral op zoek naar de kracht in en rond het gezinssysteem: Waar zitten de competenties, wat is de de veerkracht van het systeem.

Laat je niet in het zwarte gat zuigen

Een jongere en zijn netwerk hebben er het meeste aan als zij geholpen worden om hun eigen krachten te herontdekken en die vaker in te zetten. Behandelingen van hulpverleners worden effectiever naarmate ze geënt zijn op het levensproject en de competenties van cliënten zelf en hun context. Maar hoe doe je dat, die krachten in beeld brengen? Het zijn meestal de problemen die, net als zwarte gaten, alle aandacht naar zich toe zuigen. Het model van de ‘developmental audit’ kan ons inspireren bij het herontdekken van die krachten. Het model werd ontwikkeld door Reclaiming Youth International. De ‘audits’ vinden in de Verenigde Staten vooral plaats op aanvraag van scholen, rechtbanken en andere voorzieningen.

‘Circle of courage’: cirkel van veerkracht

Het model ambieert een allesomvattend model te zijn en heeft daarom gezocht naar inzichten die vanuit verschillende invalshoeken tegelijkertijd bevestigd worden. De inzichten moesten tegelijkertijd bevestigd worden door (1) de biologie en de neurowetenschappen, (2) door menswetenschappen zoals psychologie, sociologie, antropologie of economie, (3) ervaring van praktijkwerkers en (4) waarden uit verschillende culturen. Hieruit kwamen vier universele behoeften ofwel vier ontwikkelingsdimensies naar voren: De behoefte aan verbondenheid, aan zelf-ontploooiing, aan autonomie en aan altruïsme.

1. Behoefte aan verbondenheid, aan geborgenheid, aan steunende figuren, te merken dat anderen zich om ons welzijn en veiligheid bekommeren, ook in tijden van stress en tegenslagen.

2. Behoefte aan zelfontplooiing, aan het ontwikkelen van kennis, vaardigheden en talenten.

3. Behoefte aan autonomie, aan het ontwikkelen en verdedigen van eigen ideeën, aan het zelf nemen van beslissingen over ons eigen leven.

4. Behoefte aan altruïsme, om ook zelf iets voor anderen te kunnen betekenen.

Een omgeving die oog heeft voor deze vier basisbehoeften laat mensen uitgroeien tot veerkrachtige, weerbare personen. Goede diagnostiek moet zich dus op deze vier domeinen richten.

Een brede waaier van evidentie

Het verfrissende van deze vorm van diagnostiek zit hem in de brede waaier van evidentie: Archeologie, biologie, sociologie en antropologie passeren de revue. Wist u dat archeologen skeletten hebben gevonden van ernstig kreupele voorouders-primaten op volwassen leeftijd, een teken dat er iemand voor hen zorgde (verbondenheid)? Of dat baby’s van tien maanden liever met een lief robot-speelgoedje spelen, dan met een robot-speelgoedje dat andere speelgoedjes omver duwt (altruïsme)? Dat de prairiewoelmuis wel een betrouwbare partner en vader is, en de sterk verwante bergwoelmuis helemaal niet, en dat het belangrijkste verschil tussen beide de hoeveelheid van het hormoon oxytocine is, een hormoon dat ook in menselijke relaties een belangrijke rol speelt (verbondenheid)?

prairie woelmuis

De zijsprongen naar andere menswetenschappen dan de psychologie en de onderbouwing vanuit enerzijds neuro-biologisch onderzoek rond de rol van de amygdala, plasticiteit van het brein en spiegelneuronen, en anderzijds vanuit het werk van pioniers in de jeugdhulpverlening vormen een boeiende combinatie.

Verwijzingen naar culturele evidenties zouden betwist kunnen worden. Niet iedere cultuur hecht bijvoorbeeld evenveel belang aan ‘autonomie’ maar de auteurs achter het model (Brendtro, enz.) argumenteren dat de menselijke ontwikkeling verstoord raakt wanneer culturen een van de dimensies uit de ‘cirkel van veerkracht’ te sterk verwaarlozen of te veel accentueren. Zij laten zich bijvoorbeeld kritisch uit over het feit dat volwassenen in de Amerikaanse samenleving te weinig aanwezig durven zijn in de leefwereld van jongeren, zodat jongeren op zoek gaan naar verbondenheid in virtuele netwerken of bendes.

Met een klein autootje ben je er misschien sneller

Stoornissen zoals ADHD of autisme zijn in deze visie secundair. Belangrijker is of het zogenaamd gestoorde gedrag leidt tot een verstoring van de relatie tussen de jongere en zijn omgeving. “Instead of focussing on the disease in the child, focus should be on the disease in ecology” (Brendtro,2009). Er wordt tijdens een audit uitgebreid contact gezocht met verschillende netwerkfiguren om een beeld te krijgen van de ecologie van het kind.

Het is even wennen: Zijn de differentiaal diagnostische overwegingen waarover hulpverleners graag gewichtig doen minder belangrijk dan de genoemde vier basis dimensies voor de ontwikkeling? Het voelt vreemd, zoals in een klein autootje te gaan zitten terwijl er een fourwheel drive voor de deur staat. Tegelijkertijd heeft het iets verfrissends om deze ogenschijnlijk eenvoudige bril op te zetten. Misschien merk je wel dat je er met een klein autootje sneller bent en vooral dat je minder energie hebt verbruikt.

Welke ouder of opvoeder zou niet tekenen voor een jongere die vertrouwen kan geven aan anderen, investeert in het ontplooien van zijn talenten, eigen ideeën kan ontwikkelen en verdedigen en die zorg toont voor anderen?

De ‘developmental audit’ concreet

Meerdere informanten

De betrouwbaarheid van deze vorm van diagnostiek komt niet van goed gevalideerde vragenlijsten maar van wat er terugkomt in verhalen van meerdere mensen tegelijk. In plaats van steeds meer vragen stellen aan één persoon ga je een verhaal checken bij verschillende bronnen zoals een goede onderzoeksjournalist.

Je begint bij de steunfiguren en vertrouwensfiguren van de jongere. Ouders, familie, ex-leerkrachten worden gebeld of gezien door de onderzoeker. Steeds komen in de gesprekken dezelfde domeinen van de cirkel van veerkracht aan bod. Waar is deze jongere goed in? Waaraan en met wie beleeft hij plezier? Welke vaardigheden moet hij meer onder de knie krijgen (zelfontplooiing)? Wat zijn typische eigenaardigheden, zaken waarin hij zich onderscheidt binnen de familie, van vrienden, van broers en zussen (autonomie)? Waar zit de zorgende kant van deze jongere (altruisme)? Eerdere verslagen en schoolrapporten worden meegenomen.

Op deze manier kom je de krachten van deze jongere op het spoor niet zozeer door zelf te graven maar door contact te maken met mensen die de juiste ingang bij deze jongere hebben gevonden, die het vertrouwen van deze jongere al hebben verdiend en vermoedelijk al een kijkje hebben mogen nemen in diens binnenwereld. Met duplo-poppetjes kunnen de steun- en vertrouwensfiguren rond de jongere in beeld gebracht worden. Het diagnostisch proces op zichzelf  wordt een verbindend gebeuren. Het versterkt de relatie tussen de jongere en de vertrouwens- en steunfiguren uit zijn netwerk. Als hulpverlener bouw je contacten op met mensen uit de hele context. Een win-winsituatie.

Drie stappen

Stap 1. Verbinding maken. Dit begint in de eigen biotoop van de jongere en die kijkt: Is die hulpverlener te vertrouwen? De hulpverlener speelt in op wat zich aandient, op wat de jongere boeit. Een hulpverlener die van zijn cliënt de diagnose: ‘lastig mens’ krijgt, wordt vermoedelijk getrakteerd op een gevecht (“Bemoei je met je eigen zaken, je hebt in mijn leven niets te zoeken”) of op een vlucht (zwijgen) of op camouflage (de cliënt vertelt wat hij denkt dat de hulpverlener graag wil horen).

Stap 2. Ecologische scan. De jongere wordt uitgenodigd om iets te vertellen over vier belangrijke contexten: Gezin, school, leeftijdsgenoten en buurt. Steeds komt de magische vraag: Wie vertrouw je hier? Maar ook de andere domeinen van de cirkel van veerkracht komen voor zover mogelijk aan de orde. Bijvoorbeeld met betrekking tot school: Waarin verschil je van je klasgenoten? Hoe zouden je klasgenoten je omschrijven (autonomie)? Hoe probeer jij op school je vrienden te helpen (altruïsme)?

Stap 3. Tijdslijn. Na deze foto in het hier-en-nu wordt samen met de jongere stil gestaan bij het verleden. Wat zijn gebeurtenissen die voor de jongere zelf van belang zijn geweest in zijn of haar leven? De hulpverlener zoekt niet naar een zo volledig mogelijke anamnese maar naar de analyse van de cliënt zelf. De tijdslijn is ook een uitnodiging om te spreken over de toekomst: Hoe wil je dat je leven er binnen een jaar uitziet? Wie wil je dan nog om je heen hebben? Welke vaardigheden wil je beter onder de knie krijgen?

Als er recent moeilijke gebeurtenissen waren wordt hier uitgebreider bij stil gestaan. Wie was er om je te helpen in die situatie (verbondenheid)? Hoe heb je het aangepakt? Welke vaardigheden zijn je goed van pas gekomen (zelfontplooiing)? Is die gebeurtenis iets typisch voor jou (autonomie)? Wat waren de gevolgen van jouw acties voor anderen (altruïsme)?

Bespreking van het totaalbeeld

Alle informatie wordt geordend volgens de vier domeinen van de cirkel. Er ontstaat een totaalbeeld van de mate waarin de omgeving er in slaagt om de vier basisbehoeften van deze jongere te vervullen. Bijzondere aandacht is er voor welke behoeften de jongere zelf ziet.

Bij het zoeken naar acties wordt in de eerste plaats gekeken naar de uitzonderingen op de problemen. Wat is er nodig om die uitzonderingen vaker te laten gebeuren of minstens te behouden? Welke reeds aanwezige vaardigheden kan de jongere zelf vaker en bewuster inzetten? Wie kan er bij deze acties betrokken worden? Wat moet er eventueel door een hulpverlener toegevoegd worden aan specifieke deskundigheid?

Door de ouders en de jongere vanaf het begin te betrekken vermijd je doodgeboren ideeën die geweldig lijken maar die het gezin zelf niet ziet zitten. De uitnodiging aan het hele netwerk is op zich een compliment: Jullie zijn mensen met ideeën, jullie zijn in staat om beslissingen te nemen. En bovenal is het een teken van verbondenheid voor de jongere dat er mensen om hem heen mee willen denken over zijn toekomst.

Verslag

De hulpverlener schrijft samen met de jongere en leden van het netwerk een verslag. Door de voortdurende interactie, feedback en aanvullingen tijdens het schrijven wordt het schrijven een dynamisch proces.

Casus

De casus bij het artikel over de ‘developmental audit’ in het tijdschrift Systeemtherapie gaat over een Roma meisje van 11 jaar met een veelbewogen levensloop. De steunfiguren rond dit meisje werden met duplo-poppetjes in beeld gebracht.

Met betrekking tot haar vier  basisbehoeften (de vier domeinen van de ‘cirkel van veerkracht’) kwam onder meer het volgende naar voren:

Verbondenheid. Ondanks haar levensloop vol breuken en verlies weet zij mensen aan zich te binden. Hoe ze dat doet wordt kort beschreven. Ook de problemen met verbinden worden beschreven: Gevoelens van benadeeld te zijn of afgewezen worden snel opgeroepen bij dit meisje. Waar ze behoefte aan heeft wat betreft verbinding: Vaste grond onder haar voeten, niet teveel relationeel appel, voorspelbare momenten van individuele aandacht. Contacten met mensen rondom haar moeten gekoesterd worden. Wat is haalbaar en duurzaam: een vaste bel-dag, een bezoekje per maand. Het voortduren van de betrokkenheid en de voorspelbaarheid zijn van groter belang dan hoeveelheid.

Zelfontplooiing. Het is een creatief meisje. Ondanks haar lage intelligentieniveau kan ze goed redeneren en verbanden leggen. Ook op de computer en het internet vind ze goed haar weg. Zij heeft een duidelijk leervermogen. Een belangrijke gemiste vaardigheid die steevast terugkomt in de gesprekken is de vaardigheid ‘tot rust komen’. Een lichamelijke therapievorm lijkt hierbij nodig.

Autonomie. Het meisje worstelt duidelijk met haar Roma identiteit. Ze spreekt de taal niet meer maar is wel nieuwsgierig naar haar cultuur. Tijdens het maken van haar levenslijn blijkt hoezeer ze een levensverhaal mist: Ik heb al veel meegemaakt, zegt ze, maar veel gebeurtenissen lijken haar te overkomen, zonder dat ze het verhaal er achter kent. Het vullen van de lege gaten in haar levensverhaal zijn belangrijke doelen voor de toekomst. Haar oudere zus kan hierbij nog een belangrijke rol spelen omdat die nog wel contact blijkt te hebben met haar moeder en tante.

Altruïsme. Dit domein heeft het meisje tot op heden weinig ontwikkeld. In de strijd om te overleven was er weinig tijd om bezig te zijn met ‘hoe is het met anderen, hoe voelen zij zich door wat ik doe’. Heel af en toe is er een flard ‘morele ontwikkeling’ te zien als zij bijvoorbeeld een reeks lelijke woorden zegt en er dan aan toevoegt: ‘Maar dat was niet tegen u’. Het beeld van zichzelf als iemand die een bron van overlast geeft heeft ze overgenomen. De hulpverleners geloven dat werken met dieren voor het meisje een kans zijn om te ontdekken dat ze kan zorgen, een goede leider kan zijn en dat ze anderzijds ook iets kan leren over de invloed van haar eigen gedrag (dit vindt je paard prettig, dat niet).

Sterktes en zwaktes van het model

Natuurlijk blijft het belangrijk om vast te kunnen stellen of er sprake is van autisme en blijft een intelligentiebepaling belangrijk. De toegevoegde waarde van dit model is dat het diagnostische denken niet stopt bij het vaststellen van de stoornis, maar dat het daar juist begint. Wat is de impact van een stoornis op de ontwikkeling van relaties, op het omgaan met druk, op het opbouwen van een realistisch zelfbeeld?

De meerwaarde  van het model ligt in het uitzoomen, in de bredere kijk die soms verloren dreigt te gaan. Een gedachte die we mooi terugvinden in het vetgedrukte citaat aan het begin van dit artikel. Een pleidooi om bezig te zijn met ‘welke persoon, welk gezin en welke samenleving zitten er achter deze stoornis’ in plaats van met ‘welke stoornis heeft deze persoon’. Het dominante denken in de diagnostiek is teveel gekenmerkt door het inzoomen op de kind-factoren.

De Belgische schrijvers van het artikel in Systeemtherapie missen een uitwerking van hoe het werken aan de relaties aangepakt moet worden. Ze vinden de kapstok van de vier domeinen handig maar vragen zich af: Wat hang je eraan?

Een sterk punt is de ecologische aanpak; het verbreden van de kring van informanten. ‘Contextdiagnostiek’ wordt het genoemd. Voor de interactie tussen de verschillende contexten is echter weinig aandacht in het model. Het model zou meer invulling moeten geven aan de vaardigheden waar gezonde gezinnen, scholen en buurten over moeten beschikken op het gebied van verbondenheid, zelfontplooiing, autonomie en altruïsme. De kracht van diagnostiek zit hem immers in het detail, in de nuance. Welke schappen in de relationele winkel staan leeg, waar is veel aanbod van en wat zijn betrouwbare leveranciers.

De bril van de cirkel van veerkracht met de vier basisbehoeften wordt in het model gebruikt om de jongere door te onderzoeken. Echter ook in het kijken naar de ouders kan het model inspirerend werken. Maar de jongeren waarvoor in de VS de ‘developmental audit’ wordt gebruikt zijn opgenomen. Dit veroorzaakt op zich zelf al veel ambivalente gevoelens bij ouders en brengt spanning in het netwerk. Men denkt: Wat hebben ze nu gedaan (verbondenheid)? Aan een opname kleeft voor ouders, alle goede bedoelingen van hulpverleners ten spijt, vaak een gevoel van falen en tekortschieten (zelfontplooiing). Een opname gaat gepaard met opgeven van autonomie en biedt ouders weinig kansen om ook hun talenten en vaardigheden te tonen (altruïsme).

Het mooiste zou zijn als de context van de jongere wordt betrokken nog vóór een opname. In die fase is de nood om te veranderen hoog. Een opname riskeert het wegvallen van die energie. Het beste is dus om de ‘developmental audit’ te laten plaatsvinden in een ambulant voortraject. Een eventuele opname kan dan starten vanuit een plan dat oog heeft voor de vier basisbehoeften.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie