Categorie archief: Psychotherapie – Rouwen

‘Slow therapy’ in de mode

Uit het project ‘Notes from my therapist’ van fotograaf Carrie Thompson.

Net zoals ‘slow food’ blijkt nu ook ‘slow therapy’ in de mode te zijn. Dit wordt geconstateerd door psychoanalytici en was te lezen in een artikel van Marilse Eerkens van de Correspondent: ‘Waarom de psychoanalyse er na 100 jaar nog altijd toe doet‘. Het was een ode aan ‘de moeder van alle therapievormen’, geschreven nu het precies honderd jaar geleden is dat de psychoanalyse werd geïntroduceerd in Nederland.

Psychoanalyse onderzoekt de onderliggende, meestal onbewuste laag die het menselijk gedrag aanstuurt. Deze vorm van therapie werd ingehaald door de cognitieve gedragstherapie waarin het vooral draait om hoe je met negatieve gevoelens omgaat in plaats van om de vraag waar ze vandaan komen en wat die gevoelens in stand houdt. Cognitieve gedragstherapie zou efficiënter zijn: patiënten zouden gemiddeld met zo’n tien sessies geholpen zijn. Psychoanalytische behandelingen duren langer. Dat kan natuurlijk niet in onze ‘ratrace’ tijd waarin de marktwerking de boventoon voert in de gezondheidszorg.

Psychoanalyse is niet de enige vorm van ‘slow therapy’

In de reacties onder het artikel van Eerkens blijkt dat veel lezers, waaronder professionals en ervaringsdeskundigen, vinden dat Freud en de psychoanalyse niet op een voetstuk geplaatst zouden mogen worden en dat er ook andere vormen van therapie zijn die dieper en verder gaan dan de cognitieve gedragstherapie. Hier ben ik het mee eens.

Maar ik vind het idee dat ‘slow therapy’, waaronder de psychoanalyse, in de mode is, een goede zaak. Sommige veranderingsprocessen zijn taai en vragen veel tijd en ‘oefening’.  ‘Slow therapy’ hoeft misschien ook helemaal niet zo duur te zijn. Je zou kunnen denken aan ‘korte, langdurige therapie’. Dan ben je weliswaar lang in therapie maar heb je niet zo vaak een sessie met je therapeut. Misschien maar één sessie per twee of drie weken. In de psychoanalyse is het gebruikelijk om twee à drie sessies per week te hebben. Dat vind ik erg veel en het is de vraag of dat goed is. Een begrijpelijke reactie van een van de lezers van het artikel in de Correspondent luidt:

Toen ik in mijn jonge jaren in psycho-analyse was, voelde de rust, ruimte en aanwezigheid van mijn analyticus als re’parent’ing. Eindelijk iemand die er voor me was en die naar me luisterde. En de structuur van drie keer per week gaf me een veilig gevoel. Het voelde als een draagvlak voor zelfonderzoek en reflectie. Maar ik vond het ook zware luxe en voelde me redelijk a-sociaal dat er iemand, die zoveel geld kostte en bijna niets zelf zei, drie keer per week er voor mij was. Ik bedacht: ‘dat kan ik ook alleen’. Ik ben toen gestopt met de analyse en ben een dagboek gaan bijhouden voor mijzelf en daar had ik veel aan. Ik re’parent’e mijzelf op die manier.

De meeste professionals zijn het er over eens dat eigenlijk alle vormen van therapie een prijs verdienen en dat het resultaat van de therapie eerder bepaald wordt door de werkrelatie dan door de gebruikte methode. Dit idee wordt wel eens het Dodo bird verdict genoemd: ‘All therapies have won, all must have prices’.

Herbeleven

Volgens de ode van Eerkens aan de psychoanalyse verschaft deze meer dan het rationele inzicht van de cognitieve gedragstherapie. Rationeel inzicht is bijvoorbeeld:

‘ik ben boos op mijn baas omdat hij mij nooit eens complimenteert, maar ik weet dat die reactie misplaatst is, want eigenlijk ben ik op zoek naar de complimenten die ik van mijn vader nooit kreeg’.

De psychoanalyse zorgt er naast het rationele inzicht voor dat je met je therapeut de pijn uit het verleden herbeleeft. Nogmaals: Het herbeleven kan ook binnen andere vormen van psychotherapie, binnen de systeemtherapie en zelfs binnen de cognitieve gedragstherapie kan er ruimte voor zijn. Het herbeleven is belangrijk want pas wanneer je in een veilige situatie de pijn van bijvoorbeeld een gebrek aan erkenning echt doorvoelt, komt er ruimte voor rouw en kun je blijvend veranderen. Dat is het idee. De pijn moet verwerkt worden en dat kost tijd.

De theorie van de psychoanalyse komt erop neer dat het gedrag van de mens voor een groot deel wordt aangestuurd door onbewuste driften. De ontwikkeling van het onbewuste vindt voor een belangrijk deel plaats in de baby- en peutertijd. Gevoelens en behoeften zijn dan nog heel ‘rauw’, legt psychoanalytica Fernanda Sampaio de Carvalho uit aan Eerkens.

De manier waarop er tegemoet wordt gekomen aan primaire behoeften– eten bieden bij honger, warmte bieden bij kou, aanraken en praten bij behoefte aan contact – en de manier waarop de relatie met je vader en moeder (of andere vaste verzorger) op latere leeftijd verder vorm krijgt, is heel bepalend voor wat jij op volwassen leeftijd van een relatie – in welke vorm en met wie dan ook – zal gaan verwachten.

In je kindertijd creëer je onbewust een sjabloon van hoe een relatie eruitziet. Dit sjabloon en de bijbehorende verwachtingen zijn weer sterk van invloed op de keuzes die je maakt en je verdere gedrag en verhouding met de buitenwereld.

Door een gebrek aan ‘emotionele beschikbaarheid’ van je ouders krijg je als kind de boodschap dat jij en jouw gevoelens er niet zo toe doen.

Deze terugkerende ervaring, die jouw verwachtingen van het leven onbewust sterk kleurt, kan gevolgen hebben voor de keuzes die je op latere leeftijd maakt. De ervaring uit je jeugd kan er bijvoorbeeld toe leiden dat je – ter compensatie – op zoek gaat naar een partner die de ondankbare taak krijgt om jouw onbeantwoorde behoeften constant te vervullen.

Het kan er ook toe leiden dat je écht en warm contact met vrienden of geliefden gaat mijden, uit angst weer ‘weggeduwd’ te worden (en je dus de hele tijd merkt dat je relaties stuklopen). Of dat je heel erg narcistisch wordt omdat je de hele tijd wilt ervaren dat je er wél toe doet.

‘Slow therapy’ en zorg-verzekeraars

Het zou goed zijn als de Correspondent ook aandacht zou besteden aan de relatie tussen de psychotherapie en de zorg-verzekeraars waarbij dan ook de werkrelatie tussen client en therapeut wordt meegenomen. Ik ben het heel erg eens met deze reactie onder het artikel:

De waarde van een langdurige en/of intensieve therapie onderschrijf ik volledig, al is het maar als regelmatige check-up omdat aangeleerde patronen niet zo makkelijk structureel zijn te doorbreken of te veranderen en je voor nieuwe uitdagingen kan komen te staan. Daarbij kan het ook heel fijn en belangrijk zijn om bij één bepaalde therapeut terecht te kunnen, waar je goede ervaringen mee hebt en met wie je een goede werkrelatie hebt opgebouwd. Dat wordt nu vind ik te weinig gefaciliteerd door het vergoedingssysteem…

Het huidige systeem gaat er toch wel van uit dat je ofwel ziek ofwel genezen bent en dat het altijd gaat om een traject dat je kunt afsluiten en als zodanig kunt declareren bij de zorgverzekeraar. En daarnaast wordt er heel luchtig gedaan over de vraag naar welke therapeut je gaat. Zo was er een paar jaar terug nog het plan om de zelfstandig behandelende psychotherapeuten niet meer te vergoeden. Als mensen naar een behandelkliniek gaan moeten ze maar afwachten welke therapeut hen wordt toegewezen en zelfs in psychologenland is het flexcontracten troef.


Een mooie vorm van psychotherapie waarbij herbeleven een belangrijke rol speelt heb ik beschreven in het bericht: Wie ben ik nou echt.

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie, Psychotherapie - Rouwen, Zorgverzekeringen

Geen droevig verhaal maar een menselijk verhaal

HET VERHAAL VAN DE OPWARMING VAN DE AARDE

Heeft u dat nou ook? Dat u een beetje moedeloos wordt van het verhaal over de opwarming van de aarde? Of bent u over de klimaat veranderingen zelfs in de fase van de ontkenning gaan zitten, de eerste fase van het rouwproces? Als dit zo is dan is dat begrijpelijk. Het dominante verhaal over de opwarming van de aarde is namelijk apocalyptisch en daar kunnen we niets mee.

Het is allemaal te erg. Beelden van een verwoeste aarde worden voorgeschoteld. Dat werkt verlammend. De angst die het oproept maakt minder creatief. Angstige mensen zoeken naar manieren om het onderwerp te vermijden.

Jelmer Hommers van de Correspondent komt met een verhaal over de opwarming van de aarde dat klopt, dat menselijk is en hoopvol.

Hier dit hoop- en inzichtgevende verhaal, een TED talk: Klimaatverandering is niet het einde van de wereld.

Klimaatverandering gaat vooral over ons Westerse mensen; rijke consumenten. Wij veroorzaken de klimaatverandering. Klimaatverandering gaat over geweld. De plekken op aarde waar het meeste geweld is liggen aan de randen van de woestijnen, gebieden waar mensen vechten om olie en water, droge gebieden waar weinig groeit en waar mensen radicaliseren.

Er is hoop want veel mensen zijn begonnen om op te houden met fossiele brandstoffen. Er zijn veel mensen die een einde willen maken aan het geweld en de grote inkomensverschillen. Veel mensen zijn begonnen met het helen van de wereld en het kijken naar de behoeften van de meest kwetsbare mensen op onze planeet. En het zijn niet alleen activisten die deel uit maken van dit enorme netwerk van veranderaars.

Zonne-energie is vrede’s energie. Het stopt het gevecht om olie en gas. Klimaatverandering is een ‘wake-up-call’ om vrede en recht te brengen. De verandering kan snel gaan.

Dus dit is geen droevig verhaal. Het is een menselijk verhaal.

1 reactie

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, Psychotherapie - Rouwen

Liefde, bent u er klaar voor? 4

Er stond een mooi essay van Arnon Grunberg in De Groene Amsterdammer van 13 januari 2016 onder de kop: ‘ZELF MOEDER WORDEN’ . Grunberg zelf noemt zijn essay: ‘De pijn die liefde is’ en het past goed in mijn serie over liefde. Als u klaar bent voor de liefde, bent u waarschijnlijk ook klaar voor de pijn.


Mijn moeder stierf op 9 februari 2015 in de avond in hetzelfde ziekenhuis, de VU in Amsterdam, waar ze in de jaren zeventig enkele weken had gelegen toen ze was aangereden door een auto op de hoek van de Scheldestraat en de Deurloostraat. Ik zat toen op de kleuterschool, een Montessorischool, en wij kleuters moesten op de trap zitten tot een ouder of verzorger was verschenen om ons af te halen.

Grunberg_20moeder_20op_20maat

Illustratie: Dick Tuinder

De dag dat mijn moeder het auto-ongeluk had bleef ik als laatste op de trap zitten, ik had de kleuters één voor één zien verdwijnen. Mijn moeder was nooit de eerste moeder die verscheen, maar zo laat was ongebruikelijk. Na lange tijd zei de juffrouw, Ems Acohen: ‘Ik breng je naar huis.’

Wat er aan de hand was wist ik toen nog niet, maar dat er iets niet klopte was me duidelijk. Dit is mijn eerste bewuste herinnering aan mijn moeder, alle andere herinneringen zijn verhalen die mij later door haar zijn verteld.

Mijn eerste herinnering aan haar is er dus een waarin zijzelf niet voorkomt. Ik herinner me haar afwezigheid, het wachten op haar komst, en de dreiging van het noodlot dat haar komst verhinderde.

Mijn moeder heeft me altijd voorgehouden: ‘Wij hebben zo verschrikkelijk op je gewacht.’ Tussen mijn zus, die in 1963 is geboren, en mij, ik ben in 1971 geboren, zaten acht miskramen. Dat mijn moeder en mijn zus op mij hebben gewacht, en mijn vader ook, hoewel hij in de verhalen nauwelijks voorkwam, alsof hij niet echt op me wachtte, althans minder dan de andere familieleden, wil ik graag geloven, maar het omgekeerde is net zo waar. Ik heb op mijn moeder gewacht, zittend op de trap van de kleuterschool in de Albrecht Dürerstraat. En in zekere zin zou ik moeten zeggen dat ik nog steeds op haar wacht. Nu meer dan ooit.

Als kleuter werd ik naar een kinderpsychiater gestuurd omdat ik slaapproblemen zou hebben. Ik kan me daar zelf niets van herinneren, maar zo is het mij verteld. De kinderpsychiater had mij onderzocht en zou gezegd hebben: ‘Met dat kind is niets aan de hand, laat de ouders maar komen.’

Dat deden mijn ouders en niet lang daarna raakten ze bevriend met de kinderpsychiater. Typisch iets voor mijn ouders. Eens in de zoveel maanden kwam de kinderpsychiater met zijn gezin bij ons eten en eens in de zoveel maanden gingen we naar de psychiatrische inrichting in Santpoort, waar hij woonde, om daar met zijn gezin te eten. Hoe mijn ouders dit voor elkaar hebben gekregen weet ik niet; ik neem aan dat het voor een psychiater nogal ongebruikelijk is om met zijn cliënten, of patiënten zo men wil, bevriend te raken.

Volgens mijn moeder, dit is wederom een herinnering uit tweede hand, zou ik slaapproblemen hebben gekregen omdat ze regelmatig dreigde mij te verlaten aangezien ik onhandelbaar zou zijn. Ik kan me van die dreigementen niets herinneren. Dat ik onhandelbaar was in de ogen van mijn moeder zou waar kunnen zijn, maar ik kan me niet herinneren dat die werkelijke of vermeende onhandelbaarheid tot gebrek aan moederlijke liefde zou hebben geleid, integendeel.

Later, dat staat me nog goed bij, dreigde ze regelmatig haar gezin te verlaten en naar haar tante in Buenos Aires te gaan, maar ze deed het nooit. En ik wist al vrij jong dat die dreigementen loos waren. Buenos Aires werd een mythische plek, de plek waar mijn moeder heen wilde maar waar ze nooit heen zou gaan.

***

Wat ik me wel herinner uit mijn kleutertijd is dat ik het prettig vond dat mijn moeder in mijn kamer sliep en niet bij mijn vader. Daartoe was ze bereid omdat ik zoals gezegd slaapproblemen had. Ik kon alleen slapen, en nogmaals, dit zijn haar woorden, als ik wist dat mijn moeder later in de avond of in de vroege ochtend bij me zou komen liggen. Dat deed ze, ze kwam naast me op de grond liggen op een rode stretcher met bloemetjes. Ik kan me niet echt herinneren dat ik mijn moeder daadwerkelijk op die stretcher heb zien slapen, maar de stretcher zelf kan ik me nog zeer goed herinneren; meer dan wat dan ook is die stretcher symbool voor mijn moeder, of misschien zou ik zelfs moeten zeggen: die stretcher is mijn moeder.

Op één keer na, toen ik midden in de nacht wakker werd om te plassen, toen heb ik haar op de stretcher zien liggen. In haar nachthemd. Ik ging niet naar de wc, want ik was bang voor de wc, maar ik mocht plassen in een oranje emmertje met een wit hengsel. Dat emmertje stond altijd naast mijn bed en het ging ook mee op vakantie. Ik werd wakker, plaste in mijn emmertje, terwijl mijn moeder op haar stretcher lag.

Als ik mij een symbool van veiligheid uit mijn vroegste jeugd voor de geest haal, is het de oranje emmer met het witte hengsel. Poepen deed ik op een wit potje in de woonkamer, tot op hoge leeftijd, misschien wel mijn negende of tiende. Ik was vroeg zindelijk, maar de wc boycotte ik. Mijn zus pestte mij daarmee. Je zou kunnen zeggen dat ik een wc voor mezelf wilde, dat ik het toilet niet wenste te delen met de overige gezinsleden en al helemaal niet met vreemden.

Het valt me op dat in mijn meest levendige, vroegste herinneringen mijn moeder aanwezig was op een afwezige manier. Ik zie de oranje emmer voor me, de stretcher, maar ze ligt er niet op, de trap van de kleuterschool waarop ik zit te wachten, mijn moeder zie ik nergens of uiterst vaag, als een schim. Terwijl ik zeker weet dat mijn moeder, die toen niet meer werkte, in werkelijkheid zeer aanwezig was; ze bekommerde zich fulltime om het gezin, de kinderen en met name om het jongste kind, mij dus. Ik zie de Tupperware-beker die ze bij zich had als ze mij afhaalde van school en waarin uitgeperst sinaasappelsap zat scherp voor me. Ik zie de rode schaal waarin het deeg zat voor cake; mijn moeder was geen goede kok, maar ze kon uitstekend taarten bakken. Zelf blijft ze een droombeeld, haar fiets is scherper te zien dan zij.

***
De uitdrukking ‘met het kind is niets aan de hand, laat de ouders maar komen’ werd een running gag in het gezin en werd door mijn beide ouders met trots herhaald. Waarop zij precies trots waren weet ik niet. Dat er met mij niets aan de hand was of dat er met hen wel iets aan de hand was? Misschien waren ze verrukt dat zij in staat waren een kind voort te brengen met wie volgens deskundigen niets aan de hand was. Een klein wonder.

Voor mij had die zin ook iets bedreigends. Ik was het kind met wie niets aan de hand was, maar wilde ik dat wel zijn? En wat betekende het dat er met mijn ouders wél iets aan de hand zou kunnen zijn? Dat kon er alleen op duiden dat ik fundamenteel anders was dan mijn ouders.

Van het woord ‘niets’ ging, maar dat is interpretatie achteraf, een dreiging uit, een onheilspellende leegte. Als er niets met je aan de hand is moet je zelf ook wel niets zijn.

Toch heb ik gaandeweg deze gevleugelde uitdrukking tot onderdeel van mijn identiteit gemaakt, in positieve zin: met mij is niets aan de hand. Als deze tekst van iets wil getuigen, voorzover ik iets kan en mag zeggen over de intenties daarvan, dan toch wel daarvan, dat er met mij niets aan de hand is.

Van het kind met wie niets aan de hand was, ben ik de man geworden met wie niets aan de hand is en ik ben eigenlijk vast voornemens dat tot het eind van mijn leven te blijven.

Toen ik zo rond mijn vijftiende mijn middelbare school niet af wilde maken ben ik door leraren en ouders wederom naar hulp­verleners gestuurd. Eerst naar een psycholoog. Ik vertelde hem volstrekt verzonnen verhalen over een meisje dat zelfmoord had gepleegd. Het meisje bestond niet en haar zelfmoord dus evenmin, maar ik was erg onder de indruk van mijn eigen verhalen. Of de psycholoog dat ook was weet ik niet, hij zei weinig tot niets. Wat ik me vooral herinner is een doos met tissues die op een kleine tafel stond tussen de psycholoog en mij in. Ik had het gevoel dat er van mij verwacht werd dat ik zou gaan huilen, dat het bij het rollenspel hoorde dat wij beiden opvoerden. Maar huilen ging me te ver, ook aan een rollenspel zitten grenzen.

Omdat de psycholoog niet de gewenste effecten had bereikt, betere resultaten op school, werd ik naar een psychiater gestuurd die meer zei dan de psycholoog en ook wat strenger was. Hij zorgde ervoor dat ik niet in dienst hoefde en na vijf of zes keer met mij gesproken te hebben gaf hij me het dringende advies om bij mijn ouders weg te gaan. Ook hij leek met zoveel woorden te bevestigen wat de kinderpsychiater op mijn derde al had gezegd: met mij is niets aan de hand.

Op een gegeven moment verscheen ik niet op een consult. Ik heb daarna nooit behoorlijk afscheid van hem genomen, iets waar ik me toch schuldig over voelde. Toen ik de psychiater een paar jaar geleden bij toeval ontmoette, leek het me verstandig, zij het wat verlaat, afscheid van hem te nemen. Ik maakte een afspraak om koffie te gaan drinken. Hij was inmiddels geen psychiater meer maar coach – ik weet niet precies wat het verschil was tussen een coach en een psychiater, maar ik had sterk de indruk dat een coach beter verdiende – en toen we dan eindelijk na ruim twintig jaar de behandeling voor beëindigd verklaarden, zei hij: ‘Het verbaasde me niet dat iemand die geen afscheid van zijn moeder kon nemen ook geen afscheid van mij kon nemen.’

Ik kon me niet helemaal in deze analyse vinden. Naar mijn gevoel had ik wel degelijk afscheid van mijn moeder genomen, ik had met haar gevochten, ik was naar New York gegaan, ik had de plannen van mijn ouders – een wetenschapper worden en met een joodse vrouw trouwen – niet verwezenlijkt; nee, het afscheid nemen was een geslaagde operatie geweest. Niet zonder moeite, maar de mooiste operaties zijn de moeizaamste operaties.

***

Op die avond van 9 februari 2015 zat ik te dineren in een Japans restaurant in de Maasstraat in Amsterdam, niet ver van de Dintelstraat, waar ik ben opgegroeid, met een expert op het gebied van cyber security vanwege een artikel dat ik over cyber security zou gaan schrijven. Tijdens het voorgerecht belde mijn zus, zij woont al ruim dertig jaar in Israël, maar ze was op bezoek met haar oudste dochter en twee kleinkinderen; alles was goed met mijn moeder in het ziekenhuis, het zuurstofgehalte in mijn moeders bloed was omhoog aan het gaan. Tijdens het hoofdgerecht werd ik weer gebeld door mijn zus. We moesten onmiddellijk naar het ziekenhuis komen, het ging niet goed met mijn moeder.

Ik wist toen al dat ze dood was.

Ik herinnerde me een zondagavond aan het begin van de jaren negentig. Ik was in dienst van een uitgeverij van theaterboeken, de itfb, en was nog wat gaan werken op kantoor, ik had de sleutel. Omdat ik wachtte op een bericht van een vrouw – ik wachtte altijd op berichten van vrouwen – belde ik mijn antwoordapparaat, het was de tijd van voor de mobiele telefoon, om te horen wie er allemaal hadden ingesproken. Geen vrouw die mij de liefde verklaarde, alleen mijn moeder die kalm zei: ‘Je vader is dood. Je moet naar het ziekenhuis komen.’

Je wacht op liefde en de dood komt. Dat vat het leven samen, de krankzinnige schoonheid ervan, de absurde hoop, de ondoorgrondelijke hartstocht waarmee dit wachten dikwijls gepaard gaat.

Mijn zus rende op 9 februari 2015 de trappen van het VU-ziekenhuis omhoog en ik dacht, wat dwaas, dat hoeft niet meer. Ik had mij al van de situatie gedistantieerd. Toen mijn zus naast mijn dode moeder vreselijk begon te huilen stelde ik in mijn hoofd de column over de dood van mijn moeder samen die ik de volgende dag voor de Volkskrant zou gaan schrijven. Dat mag emotieloos klinken, maar emotieloos zou geen recht doen aan de complexiteit van mijn gevoelens. Als mijn moeder mij iets heeft geleerd is het wel om me razendsnel te hechten en ook razendsnel weer te onthechten. Ik kan me hechten in vijf minuten, maar ik ben in dertig seconden ook weer onthecht.

Slechts in uitzonderlijke gevallen lukt het niet of duurt het jaren, en als ik mijn relatie met mijn moeder en met andere vrouwen zou moeten omschrijven zou ik zeggen: een voortdurend, al dan niet speels proces van extreme hechting en extreme onthechting, tot de extremiteit van de onthechting hernieuwde hechting onmogelijk maakt.

***

De dood is vermoedelijk de extreemste vorm van onthechting die mogelijk is, toch ben ik me van geen rouwproces bewust geweest. Want hoe kun je rouwen om iemand op wie je wacht?

De christenen rouwen niet zozeer om Jezus, ze wachten op zijn terugkeer. De joden rouwen niet om de Messias, ze wachten op zijn komst.

De avond van de negende februari schreef ik op mijn weblog dat ik nu zelf moeder moest worden. Wat zou dat betekenen, zelf moeder worden, is een vraag die ik mij de afgelopen maanden bij tijd en wijle heb gesteld en die nu maar eens beantwoord moet worden.

Je zou kunnen zeggen dat ik tot nu, ik ben een man van 44, op die trap van de kleuterschool in de Albrecht Dürerstraat ben blijven zitten, wachtend op mijn moeder. Af en toe verscheen een juffrouw die zei me naar huis te zullen brengen, maar ik keerde steeds weer terug naar de trappen van de kleuterschool met een hardnekkigheid die misschien niet van waardigheid is te onderscheiden. Men zou ­kunnen beweren dat het tijd wordt die trap te verlaten, maar ik geloof niet dat ik daartoe bereid ben. Het is een ­vruchtbare plek gebleken, ik heb er diverse boeken geschreven, ik heb er gereisd, ik heb er geleefd. Het is mijn thuis geworden.

Alleen nu ik zelf mijn moeder ben geworden kan ik niet meer zeggen dat ik op haar wacht. Ik wacht op mezelf.

Het kan niet onvermeld blijven dat mijn beide ouders de oorlog hebben overleefd. Mijn moeder in diverse kampen, mijn vader op diverse onderduikadressen.

Ik wil mijn moeder niet reduceren tot het kamp, tegelijkertijd kan ik haar niet los zien van het kamp. En misschien zijn drie belangrijke lessen die ik van mijn ouders heb geleerd ook niet geheel daarvan los te zien. Pijn is communicatie. Pijn is intimiteit. Pijn is liefde.

Ik ben bemind en ik heb bemind wil altijd ook zeggen: ik ben gepijnigd en ik heb gepijnigd. Maakt dit van de minnaar een psychopaat? Moeten wij misschien zeggen: met de psychopaat is niets aan de hand?

Ik zal deze vragen onbeantwoord laten.

Mijn moeder bleef tot vlak voor haar dood benadrukken hoe verleidelijk ze was als meisje, en dat deze verleidelijkheid in niet geringe mate heeft bijgedragen aan haar overleven. ‘De moordenaars glimlachten naar me’, zei ze. De laatste jaren herhaalde ze deze zin soms wekelijks, soms ook dagelijks. Alsof ze nog altijd niet kon geloven dat de moordenaars naar haar glimlachten. Alsof ze dacht dat alleen moordenaars naar haar konden glimlachen. Alsof de moordenaars maar naar haar bleven glimlachen.

Zelf moeder worden betekent ook zelf verleider worden. En wie anders dan de lezer moet de schrijver verleiden?

Ik ben de schrijver die in het oor van de lezer fluistert: ‘Als het pijn doet, is het liefde.’


Ik heb begrepen dat Arnon Grunberg zijn moeder enkele malen per dag telefoneerde, waar ter wereld hij ook was. Daarom kon ik de psychiater/coach in het essay wel volgen in zijn analyse dat Grunberg geen afscheid kon nemen van zijn moeder. Grunberg zelf kan zich hier niet in vinden schrijft hij. Zijn regels over hoe hij zijn ouders verliet klinken als passend bij de levensfase. Inderdaad, niets mis met Grunberg. Afscheid nemen kan hij best. Hechten en onthechten kan hij zelfs extreem goed.

… Als mijn moeder mij iets heeft geleerd is het wel om me razendsnel te hechten en ook razendsnel weer te onthechten. Ik kan me hechten in vijf minuten, maar ik ben in dertig seconden ook weer onthecht.

Slechts in uitzonderlijke gevallen lukt het niet of duurt het jaren, en als ik mijn relatie met mijn moeder en met andere vrouwen zou moeten omschrijven zou ik zeggen: een voortdurend, al dan niet speels proces van extreme hechting en extreme onthechting, tot de extremiteit van de onthechting hernieuwde hechting onmogelijk maakt.

De dood is vermoedelijk de extreemste vorm van onthechting die mogelijk is, toch ben ik me van geen rouwproces bewust geweest. Want hoe kun je rouwen om iemand op wie je wacht?

Vanuit de hechtings-theorie zijn deze regels interessant.

Met dat willen blijven wachten op zijn moeder lijkt het alsof Grunberg gewoon in de eerste fase van het rouwproces wil blijven, in de fase van de ontkenning. Zijn moeder is in de verbeelding van het wachten op haar niet ècht dood en het wachten op haar voelde toch al vertrouwd.

Er kleven voor de schrijver Grunberg aardig wat voordelen aan het wachten, zittend op die trap van zijn basisschool. Het levert literatuur op. Daar is hij eerlijk over. In dat ‘blijven wachten’ is hij waarschijnlijk niet de enige kunstenaar die daar inspiratie uit haalt. Hoewel niet elke kunstenaar op zijn moeder aan het wachten is maar dan misschien toch wel op iets of iemand anders.

Had zijn coach/psychiater misschien toch gelijk met zijn analyse dat afscheid nemen voor Grunberg moeilijk is? Afscheid nemen van je moeder iets natuurlijk iets anders dan afscheid nemen van het wachten op je moeder? Het afscheid nemen van het wachten op je moeder, ofwel het afscheid nemen van het wachten op haar liefde, zou je kunnen zien als een vorm van het afscheid nemen van ‘valse hoop’, wat een afweermechanisme is. Zèlf de liefde worden – wachten op jezelf – lijkt de beste oplossing. Zou dat nu echt ten koste gaan van de literatuur?

Ik proef ambivalentie in Grunbergs essay: aan de ene kant zegt hij dat hij zijn moeder nu zelf is en dus niet meer op haar wacht en alleen nog maar kan wachten op zichzelf. Aan de andere kant zegt hij dat hij liever op die trap blijft zitten wachten op haar.

Ja, soms zijn we de liefde zelf en soms wachten we op haar. Twee zijns-vormen die elkaar afwisselen. Voorlopig wacht Grunberg met een ondoorgrondelijke hartstocht en daar kunnen zijn lezers van genieten. En ja, zowel het ‘zelf moeder worden’ als het ‘op moeder wachten’ zullen met zowel pijn als liefde gepaard gaan.

Wat die ‘werkelijke of vermeende onhandelbaarheid’ van Grunberg als kind geweest is kan hij misschien ooit nog eens toelichten. Misschien komt dan de relatie met zijn vader nog aan bod… daar ben ik wel benieuwd naar. Of misschien komt dan de relatie tussen zijn ouders aan bod. Tot tweemaal toe hebben psychiaters tegen hem gezegd dat er met hem zelf ‘niets aan de hand’ was… dan was er misschien iets met zijn ouders aan de hand. Misschien komt ooit nog duidelijker aan bod hoe het trauma uit de Tweede Wereldoorlog een rol speelde in die ‘werkelijke of vermeende onhandelbaarheid’. Het trauma begonnen bij de glimlachende moordenaar.

Ja, pijn en liefde zijn met elkaar verbonden. Helemaal eens. Maar wij mensen zijn ook verbonden. Je kunt samen zoeken om pijn en verdriet een plaats te geven door te verbinden. Dat kan heel mooi zijn. Ergens daar is ook de liefde te vinden. Hierover sprak onlangs de psychiater Dirk de Wachter. Zie mijn blog: De verdriet-dokter over de liefde.

Afscheid nemen vind ik persoonlijk niet zo gemakkelijk. Daarom intrigeerde het essay van Grunberg mij en wilde ik het delen.


NB. Als systeemtherapeut denk ik over het algemeen dat er meer ‘aan de hand is’ met een (gezins-)systeem dan met het individu zelf.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychologie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie - Rouwen, Systeemtherapie

Het geheim van mijn vader

marlieskleiner-650x300

Het geheim van mijn vader is een observerende documentaire waarin Marco’s dochter, Marlies, het gesprek aan gaat met haar vader over zijn incestverleden. Ze reizen samen af naar zijn stacaravan in de bossen in Harfsen. Gedurende hun weekend weg, gaan zij het gesprek met elkaar aan over de grote verschillen die Marlies en haar vader hebben ervaren gedurende hun jeugd. Ondanks Marco’s tragische en onveilige jeugd, heeft hij Marlies veilig en liefdevol grootgebracht.

Terecht schrijft de redacteur van NPO Doc over de filmmakers:

“Knap hoe jullie zo’n moeilijk onderwerp hebben vastgelegd en mooi om te zien hoe vader en dochter dichter bij elkaar komen”.

Ik zag de film op NPO Doc maar hij is hier te zien. Duur: 15 minuten. Heel erg de moeite waard.

http://www.worldvisualsfilm.nl/het-geheim-van-mijn-vader/

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie - Rouwen, Psychotherapie - Trauma

Congres van psychologen in de VS doet medewerking aan marteling in de ban

Het morele kompas van de psychologen in Amerika is opnieuw afgesteld. Mee werken aan martelen, misbruik, vernederen en andere wreedheden mag niet meer van de APA American Psychologists Association)!

Hoe sterk dit onderwerp de Amerikaanse psychologen vele jaren heeft beziggehouden is voelbaar in dit filmpje. Er is 10 jaar voor gevochten om tot deze resolutie te komen.

Een eerder bericht over dit onderwerp was: Psychologen in de VS in een toestand van ontkenning.

De fase van de ontkenning is na dit congres definitief voorbij. Psychologen die bijvoorbeeld in dienst van de CIA weigeren om mee te werken aan wreedheden bij ondervragingen zullen vanaf nu verzekerd zijn van de steun van de APA.


Ik ben benieuwd hoe lang psychologen over de hele wereld nog in een toestand van ontkenning mogen verkeren over de hoeveelheid ellende die aangericht kan worden door een patiënt/cliënt te stigmatiseren met een DSM diagnose, te behandelen met een protocol en medicatie en door het systeem van de patiënt/cliënt niet mee te nemen in de behandeling. Ik ben persoonlijk al enige tijd in de fase van boosheid hierover.

NB. De vijf fasen van een rouwproces zijn kort samengevat: ontkenning, boosheid, onderhandeling, loslaten en acceptatie.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, Psychotherapie - Rouwen

“Opnieuw jong kunnen zijn… maar dat kan ik niet”

Dit zegt de dichter, musicus Rogi Wieg in een interview met Wim Brands op een vraag naar een laatste wens kort voor zijn dood en dan laat hij zijn tranen de vrije loop.

Het in memoriam van de dichter Rogi Wieg (1962-2015) is te zien bij VPRO Boeken.

Als jongeman van 17 al bij de psychiater en aan de medicijnen. Het is dan 1979. Hij publiceert in 1981 zijn eerste dichtbundel.

Vele diagnoses passeren de revue in zijn korte leven; depressie, dwangstoornis, bi-polaire stoornis, ‘borderline’ misschien, het is moeilijk te zeggen. De beste neurologen weten het niet precies. Neuro-transmitters in zijn hersenen die mede door het medicijngebruik niet meer goed functioneren… Wieg is duidelijk op zoek geweest naar hulp.

Als hij iets opbouwde in zijn leven moest het ook meteen weer stuk. “Waarom?”, vraagt Brands in het interview. Wieg denkt dat uiteindelijk een diepe woede tegenover zijn ouders, zijn moeder, hieraan ten grondslag ligt. “Onder andere omstandigheden was ik misschien een seriemoordenaar geworden, steeds weer opnieuw mijn eigen moeder doden”.

Hij noemt zijn moeder een slecht mens met een narcistische persoonlijkheidsstoornis: “Narcisten verkleinen anderen”. Hij laat grootse gedichten achter.

Een laatste gedicht:

I WANT TO TALK ABOUT YOU

God, geef mij nog een laatste
gedicht. In Uw metaforen beveel
ik mijn lichaam en geest.

Laat mijn dood een bloemlezing
zijn van iemand en iets. God,
maak van mijn pijn een bloementrompet
en maak van mij een vuurzee van water.

Zo zal ik niet sterven, maar ga ik
alleen een beetje dood. In mijn
ruggenmerg strooit U confetti
en daaruit zullen vleugels groeien.

Zo zal ik gezelschap voor U zijn
en U vliegensvlug voorlezen uit
oude boeken. Mijn God, ik zal
U niet verlaten.

[Amsterdam, 16 mei 2015]


Bij mij wordt de vraag opgeroepen of Wieg zijn verlichting teveel zocht in de psychiatrische diagnose. Psychische problemen moeten we samen oplossen en het probleem met psychiatrische diagnoses  is dat zij beperkte aanwijzingen geven voor behandeling behalve met psychofarmaca en dat deze diagnoses vaak samengaan met een slechte prognose.

‘Hoe moet ik leven?’ Door verbinding en liefde, zegt de Belgische psychiater Dirk de Wachter in zijn boek: ‘Liefde. Een onmogelijk verlangen?’ . We moeten het samen doen, het leven.

Het verlenen van euthanasie bij Wieg verliep volgens de regels maar is moeilijk te verteren.


 

2 reacties

Opgeslagen onder Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie - Rouwen

De gestorvene

Zeven maal om de aarde te gaan,

als het zou moeten op handen en voeten;

zeven maal, om die éne te groeten

die daar lachend te wachten zou staan.

Zeven maal om de aarde te gaan.

 

Zeven maal over de zeeën te gaan,

schraal in de kleren, wat zou het mij deren,

kon uit de dood ik die éne doen keren.

Zeven maal over de zeeën te gaan –

zeven maal om met zijn tweeën te staan.

 

Ida Gerhardt

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie - Rouwen