Tagarchief: natuur

Idealen voor de opvoeding anno 2017

Volgens Marilse Eerkens van De Correspondent voeden Nederlandse ouders van nu vooral op met het doel voor ogen dat hun kind als individu slaagt en een plezierig leven leidt. In dit doel ontbreekt elke vorm van idealisme. De link tussen opvoeding en maatschappij wordt niet gelegd. Lees vooral haar artikel: Tot wat voeden we eigenlijk op?

Hier samengevat enkele idealen voor de opvoeding:

  1. Weten wat het betekent om in een democratische samenleving te leven. Democratie is niet meer vanzelfsprekend door het toenemend accent op eigenbelang, calculerend burgerschap, oprukkend fundamentalisme en politieke desinteresse. Veel Nederlandse scholieren blijken het beginsel van gelijke rechten af te wijzen.
  2. Een goed ontwikkeld empathisch vermogen. Het empathisch vermogen is weliswaar aangeboren maar het moet wél gevoed en ontwikkeld worden. Het empathische gehalte van een maatschappij wordt in belangrijke mate bepaald door de opvoeders.
  3. Liefde voor de natuur en kennis van milieuproblemen. Vijftienjarige kinderen in Nederland weten het minst over milieuproblemen vergeleken met bijna alle andere industriële landen in de wereld.
  4. Het vermogen om kritisch te denken en op te komen voor wat je belangrijk vindt. Opvoeders en bestuurders handelen vaak vanuit de opvatting dat mensen alleen in beweging komen om een straf te ontlopen of een beloning te krijgen. Maar handelen vanuit dit principe ondermijnt de intrinsieke motivatie van mensen en daarmee het zélf nadenken. In een samenleving waarin duurzaamheid het vaak aflegt tegen kortetermijnwinsten en waarin het moeilijk navigeren is in een zee van informatie is het belangrijk is om je voor dit doel in te zetten.

Een mooie toevoeging  aan deze idealen is misschien:

Opvoeden om dankbaar te kunnen zijn en opvoeden tot fouten mogen maken.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Persoonlijk en politiek

De mens die niet langer de maat der dingen is

In de Correspondent stond een serie verhalen over het einde van de mens als maat der dingen. Een van deze verhalen waarin de ideeën van de Kameroense filosoof Achille Mbembe naar voren komen, vatte ik al samen in het  bericht: De mens als object: een dingmens.  Mbembe betoogt dat we zèlf object zijn geworden; ‘Negers’ zijn we geworden, handelswaar.

5735e863de53e4116732096

Foto: Frauke Thielking. Uit de serie ‘Auf die plätze, fertig, los’.

Misschien is de mens wel steeds meer een object geworden juist dòòr het zichzelf zien als de maat der dingen. Je zelf zo zien draagt natuurlijk niet echt bij aan de wederkerigheid en de empathie in het contact met andere mensen.

In de serie verhalen van de twee Correspondenten Lynn Berger en Anouk Nuyens wordt aangetoond hoe het zichzelf centraal stellen gevolgen heeft voor hoe de mens naar de natuur en naar andere dieren kijkt, hoe hij de rol van technologie in zijn leven begrijpt en hoe hij met de aarde omgaat. De vraag die zij aan het eind stellen is wat de mens te doen staat wanneer hij zichzelf niet meer langer zo zou zien.

Hier een samenvatting van hun gehele reeks over het einde van de mens als maat der dingen. Uit de Correspondent:

We zagen onszelf heel lang als een uniek schepsel. Een rationeel, autonoom subject in een wereld van passieve objecten en dieren die er vooral waren om ons te dienen. Maar er zijn er barsten in dat beeld gekomen. Wanneer precies, daar kan je over twisten maar de laatste twee decennia worden de barsten steeds duidelijker.

Of zij zichzelf nu posthumanist, bioloog, advocaat van de aarde of filosoof noemen, overal vind je denkers die ervoor pleiten om het oude mensbeeld bij te stellen of misschien zelfs te vervangen. Van een uniform en breed gedragen alternatief is nog geen sprake, maar het rommelt.

Als psycholoog voel ik er voor om in het ‘zichzelf centraal stellen’ een narcistisch kenmerk te zien. Wanneer hier een einde aan zou komen lijkt het mij heel mooi om te zien hoe de mens dàn met andere mensen om zal gaan. Waarschijnlijk met meer empathie.

De Correspondenten komen voorlopig tot twee belangrijke conclusies.

1. De natuur verarmt, het klimaat verandert

Untitled #5, The Bonsai Project: Typology. © Sjoerd Knibbeler en Rob Wetzer

Untitled #5, The Bonsai Project: Typology. © Sjoerd Knibbeler en Rob Wetzer

Omdat we bomen volledig verkeerd begrijpen zien we niet dat ze sociale wezens zijn die met elkaar communiceren, elkaar helpen en zelfs een lerend vermogen hebben. Dit stelt de Duitse bosbeheerder Peter Wohlleben in zijn boek: Het verborgen leven van bomen. Mensen behandelen bomen op een manier die geen recht doet aan hoe ze in elkaar zitten én we hebben niet door dat eigenschappen waarvan we dachten dat ze uniek menselijk waren ook in het plantenrijk voorkomen. Wohlleben pleit voor een radicale herwaardering van de natuur.

Volgens de filosoof Norbert Peeters had niemand minder dan Charles Darwin al door wat wij nu pas mondjesmaat beginnen te accepteren: ieder wezen evolueert op zijn eigen manier. De mens is niet de kroon op de schepping, maar het verre achterneefje van de sleutelbloem, die zich op zijn eigen manier aan zijn omgeving en zijn biologie heeft aangepast. Het enige dat ons in de weg staat om dit werkelijk te begrijpen, zijn onze eigen vooroordelen.

Zoals Darwin en Wohlleben de natuur bekijken, zo doet de mens dat meestal nog niet: die ziet in fauna, en in de natuur in het algemeen, passieve objecten die naar hartenlust kunnen worden ingezet voor het eigen welzijn. De gevolgen van die houding zijn steeds lastiger te ontkennen: van uitstervende soorten en klimaatverandering tot een menselijke impact op de aarde die zo groot is dat er zelfs sprake lijkt van een nieuw geologisch tijdperk, het Antropoceen.

We hebben het nauwelijks door, zegt de Belgische filosoof Lieven De Cauter, maar het paradijs waarin we nu leven is gebouwd op drijfzand. De mens heeft te lang centraal gestaan, met zijn uitzinnige drang naar groei. We moeten radicaal anders gaan nadenken over de relatie tussen mens en niet-mens en tussen mensen onderling.

2. Wij maken de dingen, maar de dingen maken ook ons

Wat we nauwelijks doorhebben, stelt techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek, is hoezeer de autonomie waarmee wij ons als mensen menen te kunnen onderscheiden, een illusie is. De mens wordt voor een groot deel gevormd en gestuurd door de dingen. Van brillen en auto’s tot hersenimplantaten. Verbeek toont aan hoe de technologie steeds dieper ons leven doordringt en hoe het lastig het is om ons zelf als vrij en autonoom wezen te blijven zien. De dingen beginnen hun plek op te eisen.

We zijn hybride wezens, zegt het posthumanisme, de filosofische stroming waar Verbeek zich onder schaart: deels mens, deels ding. Hybride betekent kruising. Zolang we niet inzien hoe sterk technologie ingrijpt in ons leven, hoezeer we er mee versmelten, begrijpen we ook niet wie we zijn.

Posthumanisten zien de mens niet langer als middelpunt, maar als onderdeel van een complex en alomvattend systeem dat zowel uit mensen, dieren en planten bestaat, maar ook uit materiële werelden (fossiele brandstoffen, drinkwater) en niet-menselijk leven (bits en bytes).

Het posthumanisme is niet tegen de mens, maar probeert te waken voor de blinde vlekken van het humanisme. Want is het niet zo dat de ecologische crisis voortkomt uit het feit dat alles moet wijken voor de behoeften van de mens? De oplossing voor de grote crises ligt misschien wel in een mensbeeld waarin de mens, ten opzichte van mede-mensen, dingen en dieren, een nieuwe rol moet leren spelen.

Volgens de filosoof Achille Mbembe is het niet alleen zo dat objecten de mens vormen maar dat de mens zelf ook steeds meer als object wordt behandeld. Mbembe beschrijft ‘de vernegering’ van de mens. Het menselijke van de mens gaat verloren. Daarvoor in de plaats komt de ‘Neger.’ Een mens die de status krijgt van een ding, iets wat je kunt bezitten en waar je handel mee kunt drijven. Om die objectificatie tegen te gaan, stelt Mbembe, is verbeelding van levensbelang. Voor meer over Mbembe kijk hier.

Wat staat ons te doen als we onze grootheidswaan gaan beteugelen?

Je zou kunnen zeggen dat de mens aan een filosofische grootheidswaan lijdt: hij denkt superieur te zijn over de natuur en de dingen om hem heen. Natuurlijk zijn er genoeg mensen en culturen die hier anders over denken maar het gaat nu over wat in de afgelopen eeuwen in de westerse samenleving de teneur is geweest. Die superioriteit zie je terug in hoe de mens de dieren ziet en behandelt. Lang bestudeerde hij andere dieren zonder oog te hebben voor hun unieke evolutionaire omstandigheden en concludeerde dat hij zelf wel de allerslimste, sociaalste en meest empathische soort van allemaal moest zijn. Maar onderzoek je dieren op hun eigen merites, dan blijft er van die uniciteit weinig over, zegt bioloog Frans de Waal.

Wie al dit soort inzichten bij elkaar optelt komt tot de conclusie dat de scheidslijnen tussen mens, dier en ding aan het verdwijnen zijn – of beter, dat ze nooit hebben bestaan, behalve dan in onze hoofden.

Tot zover de diagnose. Maar hoe moet het dan wel?

De verhouding tussen mens en niet-mens moeten we anders gaan bekijken en anders vormgeven, zegt de Nederlandse filosoof Marli Huijer, Denker des Vaderlands. Dit wordt op verschillende manieren al gedaan. De wetenschappelijke benadering van Frans de Waal, die dieren onderzoekt op een manier die logisch is voor hun habitat en evolutionaire merites, is één voorbeeld en de manier waarop iemand zoals Peter Wohlleben inzichten uit de plantenbiologie vertaalt voor een groter publiek, een ander.

Sommige voorstellen zijn heel concreet: De filosoof Lieven De Cauter pleit ervoor minder vaak het vliegtuig te nemen, juristen als Polly Higgins en, hier in Nederland, Femke Wijdekop willen ecocide strafbaar stellen.

Andere voorstellen zijn abstracter of liggen meer op het terrein van de verbeelding. Zoals het Parlement van de Dingen, waarbij mensen proberen de dingen, van rivieren tot rotsblokken, een stem te geven. De jonge techniekfilosoof Esther Keymolen stelt voor dat we op zoek gaan naar een nieuw vocabulaire dat meer uitgaat van paradoxen en minder van harde tegenstellingen.

Of neem de twee Engelse auteurs die zich in dieren probeerden te verplaatsen door een tijd lang vrij letterlijk door het leven te gaan als das, otter en geit. Het heeft iets dwaas, maar ook iets sympathieks, hun poging om tot een zo groot mogelijke empathie te komen.

In het algemeen valt iets meer bescheidenheid en minder consumeren ook onder de oplossingen zou ik denken.

Kunnen we dingen- en dierenrechten vastleggen?

Een belangrijke denkrichting ligt op het terrein van het recht. Zo trekt het Amerikaanse Nonhuman Rights Project op basis van het werk van De Waal en andere wetenschappers de conclusie dat er geen reden is om dieren voor de wet anders te behandelen dan mensen. Bepaalde dieren, zoals chimpansees en dolfijnen, lijken qua intelligentie en autonomie zodanig op mensen dat ze ook een rechtspersoonlijkheid zouden moeten krijgen, meent deze organisatie. In Amerika lopen nu meerdere rechtszaken waarin deze these wordt getest. Er wordt o.a. campagne gevoerd om vier chimpansees erkend te krijgen als personen, zodat ze hun gevangenschap kunnen aanvechten.

In Nieuw-Zeeland werd de Whanganui-rivier onlangs tot rechtspersoon uitgeroepen. Om de instrumentalistische houding van de mens ten opzichte van die rivier in te dammen, kreeg de rivier een stem in het legale en politieke bestel. De grote paradox is dat de emancipatie van ‘de niet-mens’, de rivier, een menselijk project is.

Het recht is een bij uitstek menselijk instrument. Zowel bij het Nonhuman Rights Project als in het geval van de Whanganui-rivier, zijn het nog steeds mensen zijn die optreden als vertegenwoordigers van deze nieuwe (would-be) rechtspersonen. De rivier heeft er niet om gevraagd rechten te krijgen, de chimpansee al evenmin.

Misschien is die paradox onontkoombaar. Zoekend naar een wereldbeeld waarin de mens minder centraal staat, vertrekt de mens vanuit zichzelf en behandelt niet-mensen al gauw als mensen. Deze zoektocht wordt gemotiveerd door een oprechte betrokkenheid bij het lot van de niet-mens – van dieren in gevangenschap, van bossen die verkeerd worden beheerd, van een klimaat dat verandert en een rivier die daar de gevolgen van ondervindt. En door het verlangen om logische praktische consequenties te verbinden aan nieuwe en minder nieuwe wetenschappelijke en filosofische inzichten.

Experimenteren

Je zou kunnen zeggen dat de voorgestelde oplossingen zoals minder vliegen, meer verbeelding en juridische innovaties nauwelijks opwegen tegen de diagnose van de filosofische grootheidswaan. Maar je zou ook kunnen concluderen dat we nog maar aan het begin staan: dat er geëxperimenteerd wordt op allerlei terreinen en dat een aantal van die experimenten in de toekomst misschien wel echt iets nieuws op gang zullen zetten. Stel dat we echt zouden consuminderen… minder afval en verontreiniging zouden produceren…

Volgens Marli Huijer kunnen de mensen aan de dingen en de dieren geen stem geven. Maar we kunnen wel experimenteren met manieren om de niet-menselijke ander beter te kennen en te begrijpen. Niet alleen door rechten toe te kennen maar misschien in het klein, bijvoorbeeld door eens een tijdje je tafel weg te halen om zo te ervaren hoe bepalend zo’n object eigenlijk is in je leven.

Een kind kan met de was praten. Waarom juichen we dat niet toe?

‘Kleine kinderen maken nauwelijks onderscheid tussen mensen en dingen – of tussen zichzelf en de ander,’ zegt Huijer. Ze praten tegen hun pop, brengen tomaten naar bed, vinden de douche lief en de drempel stout. Pas ergens rond ons vierde of vijfde jaar beginnen we onderscheid aan te brengen tussen mens en ding, mens en dier.

Misschien heeft dit wel te maken met de ontwikkeling van taal – mensen praten immers terug; poppen, tomaten en drempels doen dat niet.

Als de verklaring voor het maken van een onderscheid tussen mensen, dieren en dingen inderdaad met taal te maken heeft dan spiegelt de ontwikkeling in één mensenleven, de ontwikkeling van de mensheid in het algemeen. Zoals de Franse filosoof Michel Foucault schreef, was het vanaf het ontstaan van de taal dat de mens zichzelf ging onderscheiden. Taal kun je zien als iets wat op zichzelf kan bestaan, los van de wereld van de dingen. De mens werd de naamgever van de dingen en kende zichzelf daarmee een buitenstaanderspositie toe.

Volgens Huijer zouden we eens kunnen proberen om ons wat minder talig en wat meer met onze andere zintuigen tot de wereld om ons heen te verhouden. Wie weet helpt dat om tot een nieuw evenwicht komen. Ook zouden we eens kunnen onderzoeken wat er gebeurt wanneer we onze kinderen stimuleren om wat langer in een wereld te blijven leven waarin de grenzen tussen mensen, dingen en dieren minder hard zijn en minder vastliggen dan in die van ons.


Toen Marli Huijer (Amsterdam, 1955) René Gude opvolgde als Denker des Vaderlands, interviewde Lex Bohlmeijer haar voor De Correspondent. Wat ze van Gude wil overnemen is de behoefte om als filosoof tussen de mensen te gaan staan. We denken te leven in het tijdperk van het individu. Maar er lopen draden tussen alle mensen en dieren en planten en dingen en tussen onze acties en door de tijd: we zijn gerelateerd en verbonden.

Vanwege onze onderlinge verbondenheid gaan ze bij De Correspondent een Afhankelijkheidsverklaring maken. Afhankelijkheid wordt volgens vaak gezien als iets zwaks en onaantrekkelijks waar we van af moeten. We gaan ervoor naar de psycholoog of een verslavingskliniek. (Het moge duidelijk zijn dat de systeemtherapie hier een eigen visie over heeft aangezien binnen deze vorm van therapie bij uitstek het probleem van een individu behandeld wordt in samenhang met de context en de mensen om het individu heen.) Lees het essay van Rebekka de Wit over de Afhankelijkheidsverklaring in de Correspondent.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Filosofie, Psychologie

Liefde, bent u er klaar voor? 3

Herman Gorter had het over het mysterie van de liefde in een van zijn brieven.

“Je kunt de liefde niet kennen, alleen maar voelen”, zegt de psychiater Dirk de Wachter, “zodra we er een hand op leggen is het weg”.

De hierna volgende citaten doen een poging om misschien nog ‘hogere’ gevoelens dan die van de liefde te beschrijven: de zogenaamde numineuze (bovennatuurlijke) gevoelens of ervaringen. Enkele beschrijvingen waarin deze gevoelens of ervaringen spontaan opkomen, vaak in de kindertijd, zijn te vinden in de bijlage bij het boek: Religie als genade, van de godsdienstfilosoof Paul Neff.

Over numineuze ervaringen heb ik eerder geschreven in een bericht over de herstelbeweging: Herstel is een uniek proces. Vooral de laatste paragraaf gaat er over: Bezielde openheid en geworteld zijn in je eigen element.

Het gaat bij numineuze gevoelens om wel heel bijzondere gevoelens. Toch heb ik het idee dat ik iets in de beschrijvingen hieronder herken. Misschien gaat het bijdeze ervaringen net als bij de liefde om een gevoel van verbinding en eenwording met een ander of met iets buiten je zelf zoals de natuur.

Om de liefde te voelen kunnen we misschien nog het best reiken naar het kind in onszelf. Iemand beschrijft hier een dergelijke ervaring: ‘Ontmoeting met mijzelf’. Het gaat om een meisje en ze is op vakantie.

‘Toen de allerlaatste dag aanbrak, zat ik rillend van de kou in de vochtige nevelige lucht aan het strand. Ik had een schip gebouwd van zand, hout en stenen, een schip, mooier en groter dan ik ooit gebouwd had. Het meer lag er stil bij alsof ze de winter in Antlitz al ervoer. De lucht droeg geen enkel geluid. Ik keek om me heen, omhoog naar ons vertrouwde huisje dat hoog aan de tuinrand stond. Het was er niet meer. Een muur van mist omringde mij zo, dat ik nog net het gele, natte loof van de onderste oeverbosjes kon zien. Ik was alleen met mijn schip, met de kleine inham van het onbeweeglijke meer. Toen drong het naar binnen. Als warme gestaag vallende vonken zonken de beelden die ik maandenlang begerig had geabsorbeerd vliegensvlug en piepklein in mijn innerlijk. Ze daalden af in mijn gemoed. Steeds sneller, talrijker en steeds dieper – allemaal, zonder er één over te slaan. En ze bleven daar liggen als onuitputtelijke voedingsbodem van mijn wezen, als een onverwoestbare schakel tussen de natuur en mij. Ik had mezelf een ogenblik lang temidden van de natuur, als onderdeel van de natuur zelf, gezien. Ik was mezelf in haar tegengekomen. De gedachte die mij toen uit de diepste regionen van mijn wezen vervulde was: Dit is de mooiste tijd van mijn leven, zo mooi kan het nooit meer worden. Dit wijze inzicht van een kind heeft tot op de dag van vandaag gelijk gehad.’

NB. Antlitz is mogelijk een fantasieplaats want ik kan nergens de plaats Antlitz vinden. Antlitz betekent ook ‘gelaat’.


Strandkasteel

Dit is weliswaar geen schip maar mijn mooiste strandkasteel. Op Schouwen-Duiveland toen ik een jaar of 10 was. Het was geen numineuze ervaring maar ik was er in mijn element.


De Engelse dichter Alfred Tennyson probeert ook een numineuze ervaring te beschrijven in zijn memoires.

‘Als ik helemaal alleen ben, dan ben ik vaak in een soort zwakke conditie. Dit overvalt mij doordat ik stilletjes mijn eigen naam herhaal, tot alles plotseling, zo lijkt het, wegspringt uit de intensiteit van het persoonlijke bewustzijn. De persoonlijkheid zelf lijkt zich op te lossen en langzaam te vervagen tot een ongebonden staat. Het is geen verwarrende maar de meest heldere en veiligste staat die absoluut niet in woorden te vatten is. Een conditie waarin de dood een bijna lachwekkende onmogelijkheid was – het verlies van persoonlijkheid (als die er al geweest zou zijn) leek geen opheffing maar het enige ware leven – ik voel me beschaamd om mijn ontoereikende beschrijving. Maar heb ik het niet gezegd: mijn staat was onbeschrijflijk?’

En wat te denken van een jeugdervaring van de Indiase dichter, schrijver Rabindranath Tagore:

‘Heel lang geleden, toen ik nog één was met de aarde en het groene gras me overdekte en ik overgoten werd door het herfstlicht, toen mijn weidse, groenschemerige lichaam in de zonneschijn de jeugdige geuren en warmte uit elke porie wasemde, toen ik het land en het water van verre landen en streken besloeg, lag ik stilzwijgend onder de heldere hemel. Ik voelde hoe in het herfstige zonlicht het wezen van de verrukking, een vitale levenskracht, zich in een intense, onuitgesproken, halfbewuste vorm in mijn uitgestrekte lichaam roerde met een acute, huiverende, uitgelezen golving – ik scheen me daar op dat moment iets van te herinneren! Het gevoel van de oeraarde, uitbottend, bloeiend en blij met haar beschermer, de zon. Het is alsof de bewustzijnsstroom in mij onmerkbaar en lang­zaam elke grasspriet, elke boomwortel, elke ader doordrenkt, in de golvende beweging die door de korenvelden trekt, pulserend in elk blad van de kokos­palm, dat trilt van levenslust.’

Ook de Engelse criticus, schrijver, dichter John Ruskin vertelde over bijzondere jeugdbelevenissen die regelmatig bij hem terugkeren.

‘Ten slotte: hoewel er geen welomlijnde religieuze gevoelens bij betrokken waren, toch was er een voortdurend beeld van heiligheid in de hele natuur. Van het kleinste voorwerp tot het meest immense – een instinctief ontzag, vermengd met verrukking; een onbestemde huivering zoals we die ons soms voorstellen om de nabijheid van een onstoffelijke geest aan te duiden. (Vergelijk Zinzendorf: ‘zoals iemand ’s avonds huiverig wordt op het land’.) Ik kon het alleen maar door en door aanvoelen als ik alleen was. Dan deed het vaak mijn hele lijf huiveren van vreugde en ontzag. Het overkomt me als ik enige tijd niet in de heuvels was geweest en ik allereerst naar de oever van een bergrivier ging waar het bruine water rond de steentjes cirkelde, of wanneer ik voor het eerst de toppen van ver land tegen zonsondergang zag, of de eerste lage gebrokkelde muur bedekt met bergmos.
Ik kan amper het gevoel beschrijven, maar denk niet dat dit aan mij ligt of aan de Engelse taal. Ik ben bang dat geen enkel gevoel goed te beschrijven is. Als we het gevoel van lichamelijke honger zouden moeten uitleggen tegenover iemand die nooit honger heeft gehad, zouden we moeite hebben het onder woorden te brengen. Het lijkt alsof de vreugde voor de natuur mij overkomt als een soort hartstochtelijk verlangen, gestild door de nabijheid van een grote en heilige Geest.
Dit gevoel bleef in zijn volle heftigheid bij me tot mijn achttiende of twintigste jaar. Toen mijn bedachtzaamheid en praktische kracht toenamen, en de ‘zorg van deze wereld’ op mijn schouders rustte, ebde het langzaam weg zoals Wordsworth beschreef in zijn Intimations of Immortality.’

Al dit soort beschrijvingen zouden wellicht kunnen inspireren bij het vinden van de liefde of om er klaar voor te zijn als de liefde langskomt. Verbinding en eenwording lijken me centrale begrippen.

Een voorbeeldweergave van het boek van Paul Neff staat op het internet: hier.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychologie, proza en poëzie

Liefde, bent u er klaar voor?

Bent u er klaar voor anno 2016? Het is zo hard nodig met al die aanslagen op de mens en de natuur… in deze tijd van genocide en ecocide…

Ik heb eerder geciteerd uit het brievenboek van Herman Gorter (1864-1927), Geheime geliefden. Hier weer een aantal pareltjes. Over liefde.

Uit brief 176.

Aan Jenne, 8 april 1914

…Wat is een mensch die zichzelf liefheeft? Veel. Wat een die ook een ander liefheeft? Meer. Maar wat is iemand die ook de menschheid en de wereld liefheeft? Die is wat een mensch zijn moet, een compleet mensch.

Wie dat niet heeft is niet compleet. Vroeger zei men dat God de wereld en de menschheid liefhad. Dat kwam omdat men dat als ideaal, als het ware doel voelde, dat men de menschheid en de wereld liefhebben moet. Maar omdat men dat ideaal zelf niet bereiken kon, door slavernij, tirannie, strijd om het bezit, schreef men het toe aan een verbeeld wezen, God.

Maar de wereld zal eens zoover zijn dat men niet alleen met het woord, maar ook met de daad de Menschheid en de wereld liefhebben kan.

Ik tracht er naar. Treurig weinig en afgebroken en zwak. Tracht er ook naar, daar ligt het grootste, heerlijkste geluk. Dat is de schoonheid, of is de grondslag er van, staat op de rand er van.

Brief 281.

Aan Jenne, Bergen aan Zee, 30 april 1923

Welk een dag hadden wij gisteren! O kon zoo het leven zijn, niets dan zacht licht en liefde.

Ik ga proberen even flink te blijven. En om goed te beginnen ga ik vandaag een wandeling maken langs het strand, wat ik in geen tijden deed. Mij zat zien aan het water. En de lucht. En de duinen. Mij er geheel in doen opgaan, zooals gisteren in jou. Mij geheel er in mengelen, zoodat ik en de natuur, de zee en alles één wordt.

Dat ga ik vandaag doen en dan zoo nu en dan denken aan de menschheid die een deel van die natuur is, en van wie ik een deel ben. En in het gevoel van die natuurlijke eenheid ga ik gelukkig zijn.

De natuur is doorzichtig – maar wij weten niet wat zij is. Dat zei ik gisteren tegen je, weet je nog, en dat is het heerlijkste, het allerheerlijkste.

Zoo is het ook in de liefde, mijn Vrouw. Wij zien elkaar en wij zijn doorzichtig en zuiver en klaar voor elkander. Maar toch weten wij niet wat de ander is. Noch wat wij zelve zijn.

En zoo is het ook met de liefde. Wij voelen ze zo helder en klaar als kristal. En toch weten wij niet wat ze is. Het is alles te samen het mysterie der liefde. En dat alles maakt de wereld zoo aanbiddelijk schoon.

IMG_3523 - versie 2

4 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, proza en poëzie

Herstel is een uniek proces

Op het symposium Crisis en Kritiek in psychiatrie en filosofie sprak de taalkundige Dienke Boertien, van het kenniscentrum Phrenos. Zij hield een pleidooi voor een ruimte en een taal van vrijheid en spiritualiteit buiten de psychiatrische diagnostiek om. Psychiatrische diagnostiek kan helpend zijn maar wordt ook vaak als beknellend ervaren. Hier heeft de herstelbeweging die plaatsvindt binnen de GGZ, een antwoord op.

Net als de andere lezingen op dit symposium had ook de lezing van Boertien een hoog abstractie niveau. Al luisterend kreeg ik desalniettemin het gevoel dat haar lezing aan iets dieps en belangrijks raakte en vroeg ik haar om mij de lezing op te sturen. Zo geschiedde. Hier een samenvatting van dat diepe en belangrijke.


Herstel is een uniek proces

Volgens Boertien bedoelen cliënten in de geestelijke gezondheidszorg met het begrip herstel iets anders dan genezing van een psychiatrische aandoening. Psychiatrische instellingen willen herstel wel ondersteunen en hebben meer oog voor ervaringskennis gekregen, maar blijven nog teveel vast zitten in de medisch psychiatrische kennis. Er heerst verwarring over wat het vernieuwende en onderscheidende van herstel nu eigenlijk is.

Herstel is een omvattend geheel van een uniek proces maar de psychiatrie blijft hangen in analyse en classificaties. Het gaat om herstel van rollen, van identiteit of variaties hierop en de rol van de psychiatrie hierbij blijft onduidelijk. De essentie van herstel kan zich niet manifesteren binnen de rationele kaders van de reguliere opvattingen over vrijheid en kennis.

Bezinning op begrippen zoals vrijheid, kennis en ervaring kan volgens Boertien helpen om de essentie van het begrip herstel te vatten. Boertien haalt voor die bezinning veel uit het werk van de Nederlandse filosoof Gerard Visser (Oorsprong en vrijheid, 2015).

Vrijheid

Er zijn momenteel drie verschillende debatten over het begrip vrijheid gaande: het maatschappelijke debat over politieke vrijheid en mensenrechten, het academische debat over determinisme (wij zijn ons brein) en de vrije wil en het debat over innerlijke vrijheid (spiritueel of existentieel). Er is een parallel te trekken met het debat over het begrip herstel.

Is er bijvoorbeeld bij herstel sprake van een samenleving waarin mensen met een psychiatrische achtergrond gelijke rechten hebben? Dan is herstel ook een herstel van de vrijheid om de maatschappelijke rol te kiezen die jij wilt. Als je hierin gelooft dan zoek je de oorzaak van een psychiatrische aandoening eerder in de omgeving dan in biologische factoren.

Is er bij herstel van een psychiatrische aandoening sprake van een vrije wil of ‘zijn wij ons brein’ en heerst de natuur over onze vrije wil? Als je in het laatste gelooft zul je herstel vooral zoeken in het beïnvloeden van biologische processen.

Vanuit zowel de biologie (‘nature’) als vanuit de mensenrechten (‘nurture’) kan een bijdrage geleverd worden aan herstel. Beide overtuigingen zijn heel verschillend maar hebben ook veel gemeen als je het bekijkt vanuit het begrip vrijheid. Want in beide overtuigingen wordt herstel gekoppeld aan de 18e eeuwse definitie van vrijheid, een definitie van de filosoof David Hume: Vrijheid is de macht om een daad te stellen of niet te stellen overeenkomstig een beslissing van de wil.

Als de biologie domineert in de benadering van herstel dan dan ben je eigenlijk niet vrij want het zijn je hersenen die je sturen. Er is alleen een illusie van vrijheid. Als de omgeving domineert dan kun je proberen die omgeving aan te passen zodat je een bewuste keuze kunt maken maar dan moet je die keuze wel hebben. In beide gevallen bestaat vrijheid bij de gratie van de vrije wil. De kern van vrijheid is dat je een keuze hebt en dat je die bewust kunt initiëren. Deze opvatting van vrijheid gaat over ‘vrij zijn van’ en is volgens Boertien rationeel van aard.

Is ‘vrij zijn van’ genoeg?

Stel dat je vrij bent van alle hinder van ontbrekende of disfunctionele hersenprocessen en vrij van hinder door omgevingsfactoren, VOEL je je dan ook vrij? VOEL je je dan ook vrij om te kiezen uit alles wat mogelijk is?

De discussie over vrijheid is al van oudsher verbonden met de wil maar de wil stond in een kosmisch of goddelijk verband. Bij Aristoteles is ieder wezen op weg naar zijn eigen voltooiing binnen een natuurlijk verband. Bij de Christenen is het een goddelijk verband. Deze gegeven verbanden hebben nu plaatsgemaakt voor een louter werk-oorzakelijk verband. Als je weet hoe iets werkt wordt je vrij om te kiezen.

Om willekeur van de vrije wil te voorkomen bedenkt een filosoof zoals Kant de achting die ieder mens als persoon verdient en bedenkt Hegel de rechtstaat als garantie tegen het tegendeel van vrijheid. Vrijheid was voor Hegel synoniem met de rechtstaat.

Achting (moraal) en recht spelen ook een rol in de discussie over herstel en ervaringskennis. Wat ons bij elkaar houdt is het algemeen geldende van de wet die als enige nog richting geeft in ons vermogen om vrij en rationeel mijn leven te kunnen kiezen. Maar kan een mens hiermee herstellen van ontwrichting. Hoe verhoudt zich de algemene moraal en het algemene recht tot mijn unieke herstelproces?

Het lijkt alsof er een fundamentele dimensie van vrijheid buiten beschouwing blijft.

Een wezen is vrij als het in zijn element is

Met deze definitie van vrijheid stelt de Nederlandse filosoof Gerard Visser zich op tegenover de definitie van Hume. We kunnen het makkelijk beamen maar wat is dat eigenlijk: ‘je element’? Meestal kun je achteraf wel een reden bedenken waarom je in je element was. Ik was in mijn element omdat het zo heerlijk was met mijn kinderen een dag in de duinen door te brengen. Je zou het zo als doel kunnen opnemen in een behandelplan. Maar zou ik gegarandeerd  iedere keer enorm in mijn element komen in de duinen? Of blijft hier iets buiten beschouwing? Is er een deel van mijn vrijheid, van mijn ‘element’ weggeredeneerd? Namelijk wat er allemaal nog om heen lag: de spontaniteit van het uitje, het magische licht in de duinen, de zon, het levend zijn van mijzelf en de kinderen, het afgestemd zijn op de natuur, het open staan voor de ervaring, enz.

Dat meer dan het rationeel bepaalde van het vrijheidsgevoel zit ook in het begrip herstel, zegt Boertien. Wanneer mensen het hebben over hun eigen ervaring van herstel gaat het over een opnieuw ervaren van een samenhang – een unieke levenssamenhang die alleen jij ervaart en waarin je soms op mysterieuze wijze weer een heelheid in jezelf voelt – al is het maar voor even.

Dat ‘meer’ en die samenhang zijn ook in het geding als mensen die waanzin hebben ervaren en er over vertellen. Wanneer die ervaringen uitsluitend als ziektesymptomen worden gelabeld kunnen die mensen woedend worden. De Nieuw-Zeelandse psychiater Patte Randal verklaart haar eigen ervaringen van waanzin als een spirituele noodkreet. Het gemis aan spiritueel geworteld zijn dreef haar in die momenten al was het niet gebalanceerd en geforceerd. De Nederlandse psychiater en filosoof Wouter Kusters heeft ervaringen van waanzin gebundeld (in: Filosofie van de waanzin) die ook het ‘in je element’ zijn laten zien van die ervaringen. Je zou kunnen spreken van een geforceerd ‘in je element’ komen. Daarin en daarna zijn er ook het leed, de verwarring, de angst, de afwijzing en het weer ‘uit je element’ raken omdat de behoefte aan existentiële vrijheid en heelheid niet blijvend bevredigd werden.

Herstel is dus – ook – het hervinden van die innerlijke vrijheid en het domein van de innerlijke vrijheid is dus niet puur rationeel van aard zoals het gangbare vrijheidsbegrip. Op dat gangbare vrijheidsbegrip kunnen we volgens Boertien niet blijven varen als we tot herstel willen komen. Maar ook het begrip ervaring moet volgens haar ontdaan worden van het rationele kader waarin het gevangen zit.

Ervaring, beleving

Met de dominantie van het rationele, het bewuste en het algemene ging er iets verloren. Dat besef leidde tot een omwenteling in de 19e eeuwse filosofie. Bij het zoeken naar de waarheid had de waarneming en het verstand centraal gestaan. Maar filosofen zoals Nietzsche en Dilthey breken daarmee. Filosofen hadden eeuwenlang gezocht naar het ene, het algemene in het vele van alle ervaringen. Maar in het algemene gaat mijn ervaring niet op. Er blijft altijd een heleboel achter. Dilthey schrijft:

De grondgedachte van mijn filosofie is dat tot nog toe aan het filosoferen nooit de totale volle onverminkte ervaring ten grondslag heeft gelegen, nog nooit de totale en volle werkelijkheid.

Niet de vraag naar het ‘wat’ van de wereld maar de vraag naar het ‘wie’ van de mens kwam centraal te staan. Om het ruime van de volle, individuele en unieke van de levende ervaring aan te geven kwam de filosofie met het begrip beleving. De beleving werd de toegang tot de werkelijkheid. Nietzsche roept op om te worden wie je bent door goed naar de eigen begeerten te luisteren. In de beleving opent zich het speelveld van de begeerten. Bij Dilthey gaat het om de beleving van een verbinding, een eenheid van het zelf en de wereld.

De beleving wordt gezien als een ingang tot innerlijke vrijheid om weer ‘in je element’ te komen. De beleving is de dragende grond in onszelf.

Een kritische kanttekening is dat het begrip beleving ook toegepast wordt binnen een structuur van de rationele zelfbepaling: ‘beleef je leven, haal er uit wat er in zit, manipuleer de omstandigheden zo dat het leven je bevalt’, staat overal en ook in de GGZ hoog in het vaandel. Maar zo hebben deze filosofen het begrip beleving niet ingevuld.

Bezielde openheid en geworteld zijn in je eigen element

Als je levenssamenhang verstoord is en je je niet meer in je element voelt, hoe herstel je dan? Wat heb je dan aan het begrip beleving? In haar zoektocht naar woorden voor het ervaren van herstel – je ook weer VRIJ VOELEN – komt Boertien terug bij de Nederlandse filosoof Gerard Visser. De openheid van ons in de wereld geworpen zijn ziet hij als een bezielde openheid die ons zijn laat. Dit is het hart van het levend zijn.

Het geheim en de ondoorgrondelijkheid van het leven is dat wij allemaal zolang we ademen toegang hebben tot een bezielde leegte die ons zijn laat – open naar de wereld en open naar onszelf. In die openheid kan ik iets vernemen dat mij raakt en terugroept naar mijzelf. De bezielde leegte is meer dan een openheid naar de wereld. Als het alleen die openheid was dan werd die al gauw bepaald door de verschillende mogelijkheden die ik al dan niet realiseer. Dan word ik al gauw een speelbal van de mogelijkheden. Het is juist de bezielde leegte in mijzelf die weer de ruimte geeft om de dingen in perspectief te plaatsen, mijn verhaal te maken, mijn eigen betekenis te vinden en keuzes te maken. Het bestaan van die bezielde leegte maakt dat ik er op kan vertrouwen als mijn eigen bron. En dat geeft hoop.

Wanneer je weer in contact kunt komen met die bezielde leegte die jou zijn laat, komt er niet alleen weer ademruimte maar ook ruimte in je hoofd, dat hoofd waar we zo gemakkelijk in opgesloten kunnen raken. Dan kan ik de ademruimte vinden voor mijn verhaal en de levenssamenhang herstellen van waaruit ik het leven weer aan kan. Dan kan ik dat vanuit een innerlijke vrijheid telkens opnieuw doen en hoef ik nooit vast te komen zitten in welk verhaal dan ook. Dan ben ik geworteld in mijn eigen element.

Er zijn vele toegangswegen tot die bezielde openheid. Een centrale term is gelatenheid. De oefening in het laten staat niet voor niets in zo veel mystieke en spirituele tradities centraal. Soms is het ook pure genade. Dan overvalt het je. Zo’n ervaring werd door de theoloog Rudolf Otto in 1917 benoemd met een nieuw woord: ‘numineus’. Dit beschrijft het ervaren van een groot en onzegbaar geheim. Per definitie is deze ervaring niet rationeel. Maar een dergelijke ervaring kan een leven lang meegaan als de dragende kracht voor de eenheid van dat leven.

Een zo’n ervaring wordt geciteerd door de theoloog Tjeu van den Berk in het boek ‘Echt zijn’ van Rita Beintema.

In 1942 toen ik tien jaar was logeerde ik in de grote vakantie op een boerderij van vrienden van mijn ouders. Deze vrienden hadden een groot gezin met alleen maar zonen. Hoe klein mijn handen ook waren, er moest wel geholpen worden. Zo leerde ik in korte tijd koeien melken, wat ik fijn vond om te doen. Het was maaitijd en iedereen die kon helpen stond bij zonsopgang op. Zo gebeurde het dat ik op zekere ochtend – in het bijna donker – met emmer en kruk naar een koe liep, me installeerde en met de rechter zijkant van mijn hoofd tegen het warme koeienlijf gedrukt, ging melken. Zo zag ik de zon opkomen. Toen gebeurde het wonder; alles loste op in één lichtend zijn.

Hoe lang ik zo gezeten heb weet ik niet maar dat moment werd in mijn hele leven geëtst. Naar mate ik ouder werd brandde die plek van heimwee steeds dieper in mijn hart. Bij alle moeilijkheden in het leven heeft dat moment mij – als een lichtend iets – nooit verlaten en me het uithoudingsvermogen gegeven om te zoeken naar wat ik toen dacht dat het iets met de zin van het leven te maken moest hebben.

Alle vormen van meditatie zijn een mogelijke toegang tot de bezielde leegte. De sterke opkomst van ‘mindfullness’ in de GGZ inclusief het groeiend aantal onderzoeken naar de effecten, getuigt van de helende kracht er van. Het lezen van filosofische teksten en de religieuze praktijk kunnen een toegang zijn. De eerder genoemde Patte Randal vond gehoor bij christelijke tradities en metaforen. Het lezen van het Johannes-evangelie gaf haar niet alleen woorden voor haar ervaring van waanzin maar gaf een uitgebalanceerde invulling aan haar spirituele behoefte om haar leven in samenhang met een groter geheel te kunnen zien. Haar opleiding tot psychiater had haar die ruimte niet gegeven.

Ervaringen in de natuur kunnen een ingang vormen die vrijheid, ademruimte en inspiratie bieden om weer tot jezelf te komen en een verbinding te voelen tot het grotere geheel van jezelf en je omgeving. Op dit blog meer over de helende kracht van de natuur hier en hier en hier, enz.

Kunst, muziek en poëzie kunnen iemand in zijn element roepen. Veel poëzie getuigt van die ervaringen van heelheid en verbondenheid en kan bij de lezer een vergelijkbaar ervaren doen opkomen.

Boertien sloot haar lezing af met het tonen van een fragment uit een interview van tv en radio presentator Annemiek Schrijver met de theoloog Gilles Quispel. Quispel wijdde zijn leven aan het ontsluiten van de teksten van de Gnosis, de kennis van het hart. Waar kwam zijn gedrevenheid – zijn richting – vandaan? In het interview benoemt Quispel een eigen cruciale ervaring (in minuut 19-22).

3 reacties

Opgeslagen onder Filosofie, Psychiatrie

Natuur bevrijdt

In de natuur is er niets dat over je oordeelt en kun je ervaren dat bomen, meren, bergen of de zee onverschillig zijn over ons bestaan. Dit helpt te beseffen dat alledaagse zorgen niet van levensbelang zijn. Statusangst, kantoorpolitiek en de kringetjes van het eigen gepieker doen er gewoon minder toe. Dit werkt bevrijdend.

Hierover meer hier en hier en hier maar kijk eerst eens 20 minuten naar dit filmpje. Knap je helemaal van op.

 

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie

Cognitieve therapie, focus op gezond leven maar vooral: geen uitsluiting

Cognitieve therapie kan een alternatief zijn voor mensen met schizofrenie die geen antipsychotica willen gebruiken. Dit schrijven Engelse onderzoekers in the Lancet. En dat komt goed uit, want antipsychotica worden vaak te lang en in te hoge dosis voorgeschreven, zegt psychiater Jim van Os.

Zo luidt de inleiding van een artikel, gepubliceerd in GGZ Nieuws.nl met de titel: Psychosezorg rijp voor verschuiving.

The Lancet is een leidend medisch tijdschrift dat binnenkort een nieuw tijdschrift start speciaal over geestelijke gezondheid: Lancet Psychiatry. Het volledige artikel staat hier.

Van Os is niet verbaasd: ‘Patiënten zeggen al zo lang dat er veel meer manieren bestaan om beter te worden dan alleen antipsychotica.’

Hij waarschuwt dat dit goede nieuws ons niet te optimistisch moet stemmen omdat uitsluiting van het normale leven voor deze mensen een veel groter probleem is dan hun psychose en dat dat probleem nog lang niet opgelost is.

Dus de cliënt zelf, het directe ‘systeem’ rondom de cliënt maar ook de wijdere context, de gemeenschap, moet betrokken moeten worden bij de behandeling. Mensen met hun psychoses houden de maatschappij een spiegel voor. Verder uit GGZNieuws.nl:

Het beeld bestaat dat dit een levenslange, progressieve hersenziekte is, waardoor mensen geen baan krijgen, geen relatie. Patiënten internaliseren die negatieve verwachtingen, waardoor het nog slechter gaat. We moeten af van die focus op de ziekte behandelen, we moeten ons richten op gezond leven. Zorgen dat mensen weer deel uit gaan maken van de maatschappij. Dat is moeilijker, en misschien ook duurder dan wat we nu doen. Maar het levert ook veel meer op.

Kortom; systeemtherapie gericht op een wijdere context is geboden. Systeemtherapie naast cognitieve therapie. Wat mij niet onbelangrijk lijkt bij deze problemen is nog om jezelf te leren kalmeren of je omgeving te vragen om jou daarbij te helpen. En dat het liefst zonder (zelf)medicatie. Laten we ons inderdaad bij het behandelen van problemen richten op gezond leven.

Eerder werd in The Guardian geschreven over de kwalijke kant van de psychofarmaca hier en over hoe psychiatrische en psychologische hulpverlening mensen disciplineert met de hulp van psychofarmaca hier.

Jim van Os is bezig met het opzetten van een online netwerk gericht op een paradigmashift in de begeleiding van mensen die ooit een psychotische stoornis hebben doorgemaakt of nog hebben. Op de website zal informatie te vinden zijn over de aandoening, maar een ander belangrijk doel is het opstellen van een zorgstandaard. Op psychosenet.nl vindt u meer informatie.

Hij schreef al in 2010 over de rol van omgevingsfactoren bij de diagnose schizofrenie.

Over gezond leven gesproken: natuurbeleving heelt depressie en nog meer over de natuur en geestelijke gezondheid hier en hier.

Misschien is zelfs een retraite in de natuur op Terschelling iets voor u.

IMG_0722

Kalmeren in de natuur

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Psychologie, Systeemtherapie