Tagarchief: pubers

Ouders die ‘sorry’ kunnen zeggen tegen hun ‘lastige’ puber

‘Sorry’ zeggen is voor sommige mensen een hele opgave. Anderen zeggen het misschien te gemakkelijk.

Hoe dan ook, de band tussen de ouders en een ‘lastige’ puber kan van een ‘sorry’ op het juiste moment, zodanig opknappen dat de ‘gedragsproblemen’ van de puber zonder al te veel moeite opgelost worden.

Ouders die geen ‘sorry’ kunnen zeggen worden indien gewenst over de brug geholpen binnen een hechtingsgerichte gezinstherapie. Hoe dit in zijn werk gaat leerde ik op dag 4 van de cursus: Systeemtherapie Kinderen en Jeugd  van Elien Oostendorp. Het gaat hier om Attachment Focussed Family Therapy (AFFT) en afstemmen op de eigen emoties door de ouders bleek van cruciaal belang.

Ouders motiveren om naar zichzelf te kijken

Het is niet gemakkelijk wat een hechtingsgerichte therapeut van de ouders vraagt, want het kan een pijnlijke stap zijn om eerst naar jezelf te kijken. Het is niet makkelijk om je af te vragen of het opvoeden wel goed gegaan is. Ouders vragen de therapeut vaak: “Waarom nodigt u mij uit?” “Het is mijn kind dat zich niet weet te gedragen!” Het voelt voor hen alsof zij op het matje geroepen zijn, terwijl het hun puber is die de problemen veroorzaakt.

Misschien zit ‘m daar juist het probleem. In het oorzaak-gevolg denken, in het lineaire denken, in het begin van het probleem leggen op een gefixeerd punt en wel bij het gedrag van de puber.

De therapeut zou op de vragen van de ouders kunnen antwoorden: “Het lijkt inderdaad onlogisch dat u hier zit maar ik heb het nodig dat ik u leer kennen want ik geloof dat jullie van elkaar houden en dat er een andere dialoog kan komen en dat alleen daarna het probleem opgelost kan worden.” Dat je met deze woorden kunt reageren, leerde ik op deze dag.

De AFFT therapeut zal de ouders vragen om dieper in te gaan op de emoties die het gedrag van de puber oproept, om zich zo doende een weg te banen uit het eigen gevoel van machteloosheid over het opvoeden. Het gereedschap waarmee ze het gedrag van hun puber kunnen aanpakken blijkt diep in hen zelf verscholen te liggen.

Oudergesprekken vormen de beginfase van de therapie. De AFFT therapeut geeft de ouders wat zij zelf in een latere fase aan hun puber zullen doorgeven. Dit is kort samengevat: het emotioneel afstemmen met PACE (Playfullness, Acceptance, Curiosity en Empathy). Over het algemeen hebben ouders dit niet voldoende meegekregen waardoor ze het niet kunnen doorgeven. Tijdens het oefenen van PACE in rollenspellen was de feedback dat mijn nieuwsgierige vragen (Curiosity) vervuld waren van empathie (Empathy). Twee vliegen in een klap.

Bij het opvoeden wordt ouders dus vaak gevraagd om iets te geven aan hun puber wat ze zelf niet gekregen hebben. Een onmogelijke vraag. Vaak blijken ze zich in het geheim te schamen voor het falen in de ouderrol.

Als de AFFT therapeut het idee krijgt dat de ouders kunnen accepteren dat onderliggende emoties en motieven een rol spelen in de interactie met de puber, dan kunnen ouder-kind gesprekken plaatsvinden maar er kan altijd weer teruggegaan worden naar oudergesprekken. Uiteindelijk zullen ouders en puber tot een emotioneel, affectieve en reflectieve dialoog komen.

In een dergelijke dialoog speelt intersubjectiviteit een belangrijke rol.

Intersubjectiviteit

Hechting en intersubjectiviteit vormen samen de onlosmakelijke spiraal van de psychologische geboorte en de ontwikkeling van de mens. In het dagelijks leven van het jonge kind is dit heel duidelijk waarneembaar.

Niets op deze aarde vond ik nog belangrijk, slechts de wijze waarop haar gelaat zich naar het mijne boog, waarbij onze neuzen elkaar net raakten, hoe vol en betoverend ze naar me glimlachte, terwijl er vonkjes van haar gezicht leken te schieten. Ze had me met een kleine lepel gevoerd. Ze had haar neus tegen die van mij gewreven en haar licht over mijn gezicht laten schijnen… Er werd van mij gehouden.

Sue Monk Kidd, ‘Ver van huis’

Een dag van een kind wordt doordrenkt met hechting en intersubjectiviteit. Bij veilige hechting is de ouder de veilige haven waardoor het kind kan ontdekken hoe het zijn angsten kan reguleren zodat het in vrijheid kan leren van nieuwe objecten en gebeurtenissen. Met intersubjectief wordt bedoeld dat ouder en kind op elkaar afgestemd zijn, dat ze samen hun emotie reguleren en samen betekenis geven aan objecten of gebeurtenissen.

Een baby heeft de bereidheid en het vermogen om de aandacht van de volwassene te vragen. Elk huiltje is anders omdat zijn ongemak steeds weer anders is. De ouders gaan de huiltjes herkennen. Hoe beter de baby en de verzorgers kunnen communiceren, hoe veiliger. Ze bereiken samen een toestand van intersubjectiviteit waarbij hun emoties op elkaar worden afgestemd. Ze zijn op elkaar gericht en delen dezelfde intenties om te communiceren en te genieten van elkaar en om meer te ontdekken en te genieten van de gebeurtenissen en objecten in de wereld, of deze juist te vermijden.

Geluidjes die de baby maakt worden door de ouder herhaald. Ook gezichtsuitdrukkingen evenaart de ouder. Dit herhalen en evenaren is belangrijk voor de ontwikkeling van de communicatie. Het gaat hier niet om het imiteren. De ouder helpt de baby op deze manier om zich bewust te worden dat hij een innerlijke toestand heeft. De ouder toont daarmee empathie. De innerlijke toestand wordt opgemerkt, gewaardeerd, geaccepteerd en er wordt betekenis aan gegeven. Via deze intersubjectieve ervaring wordt de baby zich bewust van de eigen ervaring, die hij anders niet zou kunnen identificeren en als belangrijk zou kunnen waarderen. Dit vormt het fundament van een coherent zelfbewustzijn.

Door intersubjectieve ervaringen kan het innerlijk leven van anderen een centraal onderdeel worden van ons eigen innerlijk leven. Door het delen van innerlijke levens worden we vitaler en interessanter. De gedachtenwereld wordt vanaf het begin beïnvloed door anderen. De uitwisseling met anderen wordt mogelijk door een uitzonderlijk uitgebreide reeks speciale expressieve bewegingen (houding, gebaren, stem, gezichtsuitdrukking, enz.) die motieven weerspiegelen.

De verschillende kenmerken van de intersubjectiviteit tussen ouder en kind zijn relevant voor de psychotherapie. In gezinnen die niet worden gekenmerkt door veilige hechtingsrelaties wordt de aarzeling om intersubjectieve ervaringen te initiëren steeds groter. Hun wensen om te delen en samen te werken falen. Intersubjectieve ervaringen worden verdacht, gaan gepaard met schaamte of negatieve gevoelens. Het is niet langer wenselijk om emotie, aandacht en intentie te delen. Intersubjectiviteit, de wieg voor wederzijdse vreugde en intimiteit binnen een gezin, wordt een bedreiging.

Na herstel kan een relatie juist sterker worden

Ouders die een veilige hechtingsbasis bieden zijn gewoonlijk beschikbaar, intuïtief en responsief. Ouders zijn er onvoorwaardelijk maar soms is er een storing in de relatie; de een wacht dan tot de ander weer ‘op adem is gekomen’. Breuken zijn minder makkelijk te repareren als de ouder weigert, boos of geïrriteerd is. Een ouder kan in beslag genomen zijn door andere zorgen en/of zelf in een ontregelde toestand zijn.

Een tijdelijke crisis in de relatie moet worden herkend, geaccepteerd en hersteld. Na het herstel kan de relatie juist sterker worden. Vaak begint de ouder met het herstel en laat bijvoorbeeld merken dat de boosheid van het kind geen bedreiging is voor de relatie. De gereguleerde emotie, de gerichte aandacht en de intentie om te herstellen nodigen het kind uit en beiden keren terug naar de intersubjectieve toestand die de emotie die gepaard ging met de breuk, reguleert. Als de ouder het kind niet uitnodigt of andersom dan vormt een breuk een bedreiging en wordt het kind angstig of wanhopig.

Hechtingspatronen worden van generatie op generatie doorgegeven. Verstoringen in de ouder-kind relatie vormen een probleem als ze lijken op verstoringen in de eigen hechtingsrelatie van de ouder die niet werden opgelost. Alleen dan kunnen breuken een bedreiging worden. Er is een verhoogd risico als de breuken intens zijn, frequent en onopgelost blijven. Zowel ouders als kind ervaren schaamte in combinatie met het ervaren van de bedreiging van de relatie. Dat is het moment dat ze in gezinstherapie gaan, met een defensieve en afwijzende houding om te beginnen.

Hechtingsgerichte therapie brengt de intersubjectieve ervaringen weer op gang. De ouder kan het kind opnieuw gaan ervaren als de moeite waard en om van te houden.

Primaire en secundaire intersubjectiviteit

De ouder omarmt de vaak ontregelde, de permanent veranderende lichamelijke toestand van de baby. Afstemmen van ouder en baby is het intersubjectief delen van emotie. Door deze tweevoudige regulatie van de emotie ofwel veilige hechting nemen wederzijds plezier, blijmoedigheid en opgetogenheid toe.

De ouders ontdekken wie hun baby is en wie zij zelf zijn als ouder. De baby ontdekt wie hij is en wie zijn ouders zijn. De baby weet dat de expressieve ogen van zijn ouder ook een reactie zijn op hem. Zijn expressies zijn een weerspiegeling van zijn zich ontwikkelende innerlijke toestanden en de hiervan afhankelijke reacties van de ouder zorgen er op hun beurt weer voor dat het kind zich bewust is dat de moeder deze toestanden opmerkt en hierop met plezier, belangstelling en acceptatie reageert. De aard van de reactie van de ouder geeft het kind een eerste definitie van zichzelf. De baby ervaart zijn eigen kracht. Hij ontdekt steeds weer dat hij beschikt over prachtige kwaliteiten die zijn ouders diep raken. En ouders ontdekken zichzelf als ouder in de ogen van de baby. Dit is de primaire intersubjectiviteit.

Secundaire intersubjectiviteit vindt plaats in de tweede helft van het eerste levensjaar. De ouders geven voortdurend betekenis aan objecten en gebeurtenissen om de baby heen. Wat de ouders opmerken en waarderen, merkt de baby op en waardeert de baby. De ouder ervaart het object maar ervaart ook de ervaring van de baby met het object, waarna de ouder uitdrukking geeft aan zowel de eigen ervaring als aan die van de baby. Ouder en baby creëren samen de betekenis van het object of de gebeurtenis. Omdat ze het samen doen kan het kind vanuit meer perspectieven het object ervaren, met minder angst of schaamte. De baby kan hierdoor de diepere betekenis van het object beter doorgronden wat meer controle geeft.

Het samen betekenis geven gaat na de babytijd door. Het kind zal steeds vaker in contact komen met anderen waarmee het graag betekenis gevende activiteiten onderneemt. Kinderen gaan zich identificeren met anderen maar de ouders blijven vooraan staan. Ze willen zijn zoals hun ouders, met hun interessen, wensen, gedachten en gevoelens. Identificatie met hechtingsfiguren geeft richting aan de organisatie van ervaringen, aan betekenisgeving en aan het vermogen om interacties met de wereld te leren beheersen.

De puber en de adolescent onderscheiden hun betekenis gevende activiteiten steeds beter van die van hun ouders. Ze kunnen zich gaan afvragen of ze het perspectief van hun ouders accepteren. Als verschillen kunnen worden herkend en geaccepteerd wordt het vermogen van kinderen om de behoefte aan intimiteit en aan autonomie te integreren, mogelijk. Een eigen levensverhaal en veilige gehechtheid kunnen samengaan.

Gezinnen gaan in therapie als het accepteren van verschillen niet lukt. De verschillen worden dan gezien als bedreigend, ongepast, fout of als een gebrek aan respect. Er wordt een negatieve betekenis gegeven aan de motieven van de ander. Inspanningen om het innerlijk leven van de ander te begrijpen worden ondergeschikt gemaakt aan oordelen die geveld worden over het gedrag van de ander. Intersubjectieve ervaringen doen zich steeds minder voor en individuen raken geïsoleerd en voelen zich onveilig.

Een coherent ik-gevoel en herstel van de interactie

Dankzij de primaire en secundaire intersubjectiviteit vormt zich in toenemende mate een coherent ik-gevoel. Dit is geen rigide entiteit maar een open, flexibele, actief integrerende en unieke schepper van ervaringen via betrokkenheid met anderen en met objecten en gebeurtenissen in de wereld. Een veilig gehechte volwassene  heeft een coherent levensverhaal en staat open voor elk object of elke gebeurtenis en de emotie die hiermee gepaard gaat kan hij of zij individueel of samen reguleren. Aan elk object of gebeurtenis wordt individueel of samen betekenis gegeven waarna het geïntegreerd wordt in het levensverhaal. Gebeurtenissen hoeven niet te worden ontkend of vervormd. Het ik-gevoel wordt er niet door bedreigd. Het ‘zelf’ is in staat om op een samenhangende wijze continue,allesomvattend en georganiseerd te zijn.

Gebeurtenissen kunnen objectief zijn maar de betekenis die er aan gegeven wordt is altijd uniek, subjectief en wordt op intersubjectieve wijze gecreëerd. Als ouders deze psychologische waarheid kunnen erkennen en de uniciteit van de ervaringen van hun kind kunnen waarderen dan bieden ze intersubjectieve ervaringen aan die acceptatie en nieuwsgierigheid laten zien met betrekking tot betekenis gevende activiteiten van hun kind. Deze ouders ontmoedigen hun kind niet bij het hebben van een subjectieve ervaring die verschilt van hun eigen ervaring.

Het ik-gevoel van de ouder kan aangetast zijn. Het doel van de therapie is het herstel van een plezierige dialogische kameraadschap die waarschijnlijk in de vroege ouder-kind relatie aanwezig was. Het doel is om samen te ontdekken wat de belangrijkste wederzijdse intenties zijn die onder de problemen verscholen liggen, deze intenties te accepteren en met elkaar te bespreken op een wijze die herstel van de interactie mogelijk maakt.


Om dit bericht te maken is o.a. gebruik gemaakt van het boek ‘Hechtingsgerichte gezinstherapie’ van Daniel A Hughes. Hoofdstuk 1: Hechting en intersubjectiviteit.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie

Systeemtherapie bij zelfverwonding

Zelfverwonding is een term waarover veel onduidelijkheid bestaat. Dit bericht gaat uit van de volgende definitie: Zelfverwonding is sociaal onacceptabel gedrag waarbij iemand zichzelf opzettelijk en op een directe manier fysiek letsel toebrengt, zonder de bedoeling te hebben zichzelf van het leven te benemen.

De laatste jaren zijn er steeds meer jongeren tussen de 12 en 18 jaar die zichzelf verwonden. Ongeveer 18% van de jongeren heeft ooit aan zelfverwonding gedaan. Voor jongeren met een psychiatrische diagnose ligt dit percentage veel hoger.

Enkele kanttekeningen bij bovengenoemde definitie zijn ten eerste dat tatoeages en piercings in de Westerse cultuur niet vallen onder zelfverwonding en geaccepteerd zijn, ten tweede dat het gaat om een directe manier van letsel toebrengen, zoals het in zichzelf snijden, krassen of zichzelf branden of slaan. Indirecte zelfbeschadigingen zoals roken, alcoholmisbruik of gestoord met eten omgaan vallen niet onder zelfverwonding. Zoals eerder gezegd; de persoon die aan zelfverwonding doet heeft niet de bedoeling zich van het leven te beroven. De zelfverwonding kan mild, matig of ernstig zijn afhankelijk van de frequentie en de ernst van de verwondingen.

‘…alcoholmisbruik valt onder indirecte zelfverwonding…’

Functies

Het jezelf verwonden heeft verschillende functies waarbij twee dimensies worden onderscheiden. Ten eerste de dimensie van positieve versus negatieve bekrachtiging. Bij positieve bekrachtiging wordt de zelfverwonding gevolgd door aangename emoties. Bij negatieve bekrachtiging wordt het gevolgd door een vermindering van negatieve emoties. De tweede dimensie is die van de automatische versus de sociale bekrachtiging. De automatische bekrachtiging betekent dat de zelfverwonding een intrapsychische (persoonlijke) functie heeft en de sociale bekrachtiging betekent dat het een interpersoonlijke functie heeft.

Zo bezien heeft zelfverwonding vier soorten functies. Bij een automatische positieve bekrachtiging veroorzaakt de zelfverwonding een persoonlijk gevoel van ontspanning of opluchting. Bij een automatische negatieve bekrachtiging heeft de zelfverwonding de functie dat negatieve emoties vermeden worden. Bij een sociale negatieve bekrachtiging veroorzaakt de zelfverwonding dat een reactie van anderen vermeden wordt en bij een sociale positieve bekrachtiging zorgt de zelfverwonding voor het ontlokken van een reactie bij anderen.

Andere functies van zelfverwonding kunnen zijn dat de adolescent niet over genoeg verbale vermogens beschikt en/of veel moeite heeft om emoties met woorden te uiten en dat de zelfverwonding een manier van expressie is. Persoonlijke eigenschappen (temperament) in samenhang met de persoonlijke geschiedenis (trauma) en sociale factoren kunnen het optreden van zelfverwonding beïnvloeden. Sociale factoren zijn bijvoorbeeld het observeren en imiteren (‘modeling’) van anderen uit je omgeving of horen van anderen dat je door zelfverwonding positieve gevolgen kunt ervaren zoals meer aandacht van anderen. Maar ook het wel of niet hebben van steun van een sociaal netwerk speelt een rol. Contextuele factoren (relaties met gezinsleden) en gedragsfactoren zoals hoe emoties gereguleerd worden (binnen het gezin) hebben invloed.

Behandeling

Er is weinig bekend over effectieve behandelingen. Bij de meeste therapieën ligt de focus eerder op het behandelen van de symptomen dan op het verhaal van de cliënt. Eerst de tijd en de ruimte nemen voor dat verhaal zal bijdragen aan het vertrouwen, de openheid en eerlijkheid bij de cliënt. Symptomatische behandeling van zelfverwonding lijkt onvoldoende en kan leiden tot symptoomverschuiving; een eetstoornis of suïcidaal gedrag komen er dan voor in de plaats.

De meerwaarde van gezinstherapie bij de behandeling van zelfverwonding kan nog niet voldoende wetenschappelijk worden aangetoond. Toch wordt het gezien als een goede behandeling omdat er een verband blijkt te zijn tussen de zelfverwonding en het functioneren van het systeem. Een autoritaire opvoedingsstijl, waarbij het kind weinig steun en veel controle van de ouders ervaart, blijkt bijvoorbeeld een significante risicofactor. Systeemtherapie heeft zich wel al bewezen in de behandeling van depressie en suïcidaliteit. Uit een studie uit 2010 (ABFT; Diamond et al., 2010) blijkt al dat een therapie bij zelfverwonding gebaseerd op de hechtingstheorie, superieur is aan de gebruikelijke symptoom behandelingen. Ook een multi-systeem therapie waarbij niet alleen het gezin maar ook andere systemen betrokken worden blijkt superieur (MST; King et al., 2006). Met systeemtherapie kan toegang verkregen worden tot de primaire emoties die samenhangen met de zelfverwonding.


Dit bericht is een samenvatting van een artikel uit het tijdschrift voor systeemtheoretische psychotherapie: Systeemtherapie, 2, 2017. Titel van het artikel: Gezinstherapeutische interventies bij jongeren die zichzelf verwonden – een literatuurstudie. Schrijvers: Lisa Waels, Imke Baetens, Laurence Claes, Eva Wolfs, Eveline Goethals en Peter Rober.


In de systematische literatuurstudie van deze Belgische wetenschappers (orthopedagogen en klinisch psychologen) werd gezocht naar thema’s die gezins-therapeutische interventies met elkaar gemeen hadden. Deze thema’s bleken te zijn; het vergroten van sociale steun voor de adolescent, het ondersteunen van de ouders, het aanleren van communicatieve en interpersoonlijke vaardigheden bij ouders en adolescenten, psycho-educatie omtrent zelfverwonding en het vermeerderen en versterken van positieve interacties tussen de gezinsleden.

Alle gezins-therapeutische interventies hadden als doel om de emotionele nabijheid tussen de ouders en het kind te vergroten. Daarnaast hebben de interventies aandacht voor de specifieke ontwikkelingstaken van een adolescent zoals het vinden van een evenwicht in het gezin tussen de vrijheid en de autonomie van het kind en de controle en het toezicht door de ouders met als doel de adolescent te steunen en te motiveren om zichzelf te ontwikkelen en zijn of haar leven in handen te nemen.

De centrale boodschap is dat de angst en de stress bij het kind erkend worden en dat de gezinsleden samen op zoek gaan om hier op een gezonde manier mee om te gaan.

‘…piercings en tatoeages vallen niet onder zelfverwonding…’ Foto gevonden op een ander wordpress blog.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Systeemtherapie

Impact van uitsluiting of acceptatie op netwerken in de hersenen

Recent wetenschappelijk onderzoek bij pubers toont aan dat er een duidelijk verschil is in de werking van een bepaald netwerksysteem in de hersenen bij pubers die wèl en die niet gepest zijn.

Loesje Elk uiterlijk is mooier dan een pestkop (jpg)

Een bepaald ‘alarmsysteem’ in de hersenen gaat bij pubers die in de kindertijd gepest zijn, extra hard af vergeleken bij pubers die als kind niet gepest zijn of populair waren als kind. Gepeste pubers zijn dus extra gevoelig voor nare sociale ervaringen zoals uitsluiting. Het betreffende netwerk in de hersenen is betrokken bij negatieve gevoelens maar ook bij aandacht. Het komt in werking als er iets in onze omgeving gebeurt waaraan we direct aandacht moeten besteden.

Pubers die populair waren kost het minder moeite om zich sociaal op te stellen na een negatieve sociale ervaring. Het is voor hen makkelijker om daarna weer aansluiting te vinden.

 

Fokke & Sukke zijn echt veranderd (over pesten)

Hier meer over dit onderzoek aan de Universiteit van Leiden van promovendus Geert-Jan Will.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie

Internet verslaving

Uit zijn ‘Ode aan het off line zijn’ van David van Reybrouck in de Correspondent knip en plak ik het volgende stukje:

Als je de Belgische neuropsychiater en publicist Theo Compernolle mag geloven, heeft iedereen er last van, ook de allerjongsten. In zijn belangrijke boek ‘Ontketen je brein’ ontmaskerde hij de mythe van het moeiteloos multitaskende kind. Laat de ene helft van een klas sms’en tijdens de les en de andere helft niet. Verhoor dan de leerstof: de sms’ers doen het beduidend slechter.

Hij citeert spectaculair onderzoek bij 3.500 meisjes tussen acht en twaalf jaar in de VS. De kinderen voelden zich significant ongelukkiger en onzekerder naarmate hun gebruik van sociale media toenam. Gaan minder gelukkige meisjes vaker online of maakt het vele online zijn hen minder gelukkig? ‘De gedachte dat online communicatie een rijke sociale ruimte zou scheppen die de sociale en emotionele ontwikkeling van jonge meisjes ten goede komt, wordt gelogenstraft door onze bevindingen,’ concludeerden de onderzoekers.

Theo Compernolle bundelde de resultaten van meer dan 600 zulke wetenschappelijke publicaties, een beetje zoals Al Gore de resultaten van het klimaatonderzoek samenbalde. Zijn conclusie is een al even ongemakkelijke waarheid: we zijn niet goed bezig, met die permanente connectiviteit. Ja, we kunnen razendsnel informatie opsporen en meerdere kanalen tegelijkertijd bedienen, prachtig! Maar onze concentratie, ons welbevinden en onze creativiteit gaan erop achteruit.

Meer Compernolle hier.

Meer over internet-verslaving, i-disorder, hier.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Psychologie

Jongeren hoeven het niet eens te zijn met de dubbele moraal over seksuele intimidatie

Gelezen in De Correspondent van Vera Mulder. Onder de titel:

Een opgewonden juf is de natte droom van elke puber-jongen. Toch?

Het is vanzelfsprekend dat een meisje zich geïntimideerd voelt als een volwassen man haar seksueel getinte berichten stuurt. Waarom is het moeilijker voor te stellen dat een puberjongen zich ongemakkelijk voelt als zijn docente avances maakt?

Illustratie: Lennart Verhoeff (voor De Correspondent)

Illustratie: Lennart Verhoeff (voor De Correspondent)

‘Ik trek je shirt uit en kus langzaam van je nek via je borstkas naar beneden. Als je het vervolg wilt weten, moet je zondag maar komen… Ik zal wel alvast verklappen dat ik steeds verder naar beneden blijf kussen…’ Een paar weken geleden werd op mijn oude middelbare school, het ds. Pierson College in Den Bosch, een lerares geschiedenis ontslagen. Ze had een van haar leerlingen, een jongen van zestien jaar, seksberichten gestuurd via WhatsApp. De directie vond het ontoelaatbaar en stuurde de vrouw de laan uit. De reacties buiten de schoolmuren waren anders. ‘Die jongen weet gewoon niet wat lekker is’ en: ‘Had ik vroeger maar zo’n geil leraresje gehad’ zijn enkele voorbeelden van reacties die verschenen onder het nieuws op krantensites, Facebook en Twitter. In mijn omgeving ging het er ook over. In de kroeg, op verjaardagen, in de supermarkt. Vrijwel alle mannen die ik erover sprak, zowel jong als oud, leken niet aan te kunnen nemen dat de jongen de berichten van zijn docente als onprettig had ervaren. Weer anderen twijfelden of het bericht überhaupt echt was. Elke gezonde jongen zou immers op haar avances zijn ingegaan. Hij zou het verhaal wel gewoon verzonnen hebben om de docente in de problemen te brengen.

Een paar maanden eerder stond er een soortgelijk bericht in de krant. Daarin ging het om een mannelijke docent van het Ichtus College in Kampen. Ook hij had ongepaste berichten gestuurd naar een leerling, een meisje in dit geval. Ik las het bericht op verschillende websites en zocht op Twitter en fora naar reacties. Geen enkele vrouw die hier reageerde dat ze vroeger ook wel zo’n geil leraartje had gewild. Niemand die repte over natte dromen of gemiste kansen. De algemene reactie was: ‘Die viezerik is terecht ontslagen.’

Man is dader én slachtoffer

Cijfers op het gebied van seksuele grensoverschrijding laten zien dat mannen minder vaak dan vrouwen te maken krijgen met seksuele intimidatie of geweld. Maar die cijfers zijn slechts gebaseerd op de gevallen die bekend zijn: veel seksuele intimidatie en seksueel geweld wordt nooit gemeld. In het voorwoord van een rapport van Movisie, dat gegevens verzamelde over het aantal gevallen van seksueel grensoverschrijdend gedrag, staat dan ook: ‘Cijfers over seksueel geweld zijn niet zo betrouwbaar, omdat er altijd sprake is van onderrapportage. Cijfers zijn hoe dan ook schattingen.’Uit het onderzoek van Movisie blijkt dat ongeveer drie op de tien mannen één of meerdere vormen van niet-fysieke seksuele grensoverschrijding (intimidatie) hebben meegemaakt. Bij vrouwen is dat vijf op de tien. Bij niet-fysieke grensoverschrijding kun je denken aan het ongewenst ontvangen van seksuele berichten, maar ook aan ‘uitgekleed worden met de ogen’ of het aanhoudend ontvangen van nare seksueel getinte opmerkingen.

Wanneer het gaat om fysieke grensoverschrijding, dus seksueel geweld zoals aanranding en verkrachting, heeft respectievelijk één tiende van alle mannen en één derde van alle vrouwen tussen de 15 en 25 jaar dit ooit meegemaakt. Bij mannen en vrouwen tussen de 25 en 71 jaar is dit 13 en 42 procent. Het overgrote deel van de plegers is man.

Uit informatie die verstrekt is door slachtoffers, kwam naar voren dat de dader bij 98 procent van de vrouwelijke en bij 58 procent van de mannelijke slachtoffers, een man was. Seksueel geïntimideerd of misbruikt worden door iemand van het andere geslacht komt bij mannen dus relatief veel minder vaak voor dan bij vrouwen.

Dit zou er aan bij kunnen dragen dat voor zo’n jongen minder snel begrip wordt opgebracht. Maar ook gevestigde denkbeelden over man-vrouwverhoudingen, de manier waarop sommige media relaties tussen oudere vrouwen en jongere jongens presenteren en de openbare veroordeling bij het tonen van kwetsbaarheid kunnen het voor jongens knap lastig maken om toe te geven dat ze zich geïntimideerd, bedreigd of misbruikt voelen door een vrouw.

De schreeuwende onderbuik

Ondanks alle emancipatie en seksuele voorlichting bestaat er nog steeds een dubbele moraal tussen wat op seksueel gebied van een jongen verwacht wordt, en wat van een meisje. ‘Het heersende beeld is nog steeds dat meisjes kwetsbaar zijn en jongens stoer en hard,’  zegt Maaike Meijer, hoogleraar genderstudies aan de Universiteit van Maastricht. ‘Dat zijn denkbeelden die stammen uit een tijd waarin mannen de dienst uitmaakten. Hoewel dat tegenwoordig niet meer per definitie zo is, blijven sommige aannames onbewust heel lang hangen. Daardoor zegt het gevoel bij veel mensen, zowel mannen als vrouwen, nog steeds: ‘Je laat je als man toch niet misbruiken door een vróuw?’’

Dat onderbuikgevoel is volgens Meijer ook de reden dat sommige mensen, in dit geval hoofdzakelijk mannen, zo fel kunnen reageren op een bericht waarin een jongen het kwetsbare onderwerp is. Meijer: ‘Maar zou je die heftig reagerende mannen één-op-één vragen of een jongen zich ook bedreigd mag voelen door een vrouw, dan zou diegene waarschijnlijk bevestigend antwoorden. Als je zo’n vraag stelt, dan spreek je namelijk de ratio aan, die zegt dat mannen en vrouwen gelijk zijn.’Tijdens de seksuele voorlichting op middelbare scholen wordt aandacht besteed aan het bestaan van deze dubbele moraal. Willy van Berlo van Rutgers WPF,  seksueel kenniscentrum, is nationaal programmacoördinator met een specialisatie in seksueel geweld. Ze erkent dat het voor jongens moeilijker kan zijn om uit te komen voor intimidatie of misbruik, ‘omdat van puberjongens wordt verwacht dat ze alles maar tof en stoer vinden.’ Toch geeft ze op het gebied van het herkennen en melden van seksueel grensoverschrijdend gedrag dezelfde voorlichting aan jongens als aan meisjes. ‘De intimidatie of het misbruik van een jongen of van een meisje, gepleegd door een man of door een vrouw, is even ernstig.’ Door jongens en meisjes daar apart over voor te lichten, vindt van Berlo, zou je een onderscheid maken dat er niet hoort te zijn. ‘Ons hoofddoel is om kinderen zover voor te lichten dat ze hun mond open durven trekken wanneer ze iets vervelends meemaken, ongeacht hun geslacht.’Wat op seksueel gebied voor een jongen als normaal wordt gezien, en wat voor een meisje, ligt volgens van Berlo vaak ver uit elkaar. ‘Naast het feit dat meisjes worden beschouwd als kwetsbaarder, heerst onder pubers nog steeds het idee dat een jongen die veel seks heeft stoer is, maar een meisje die datzelfde doet een slet. In de documentaire ‘Sletvrees’ van Sunny Bergman wordt dieper ingegaan op deze dubbele moraal. Pas wanneer kinderen weten van die dubbele moraal en zich bewust zijn van het feit dat ze het daar niet mee eens hóeven te zijn, kunnen ze voor zichzelf gaan bepalen wat zij normaal en gezond seksueel gedrag vinden.’

Barrières doorbreken

Een geïntimideerde of misbruikte man is in een bepaald opzicht ook dubbel slachtoffer van deze dubbele moraal. ‘Hij is eerst slachtoffer van de intimidatie of het misbruik en daarna nog een keer slachtoffer van heersende ideeën over wat een “echte” man wel of niet zou moeten zijn,’ zegt Rikki Holtmaat, jurist en hoogleraar International Non-Discrimination Law aan de Universiteit Leiden die onder meer onderzoek doet naar seksuele intimidatie en gelijke behandeling. ‘In dit opzicht ben je als vrouw in het voordeel als je wordt gezien als het zwakkere geslacht; dan is de stap om jezelf kwetsbaar op te stellen misschien iets kleiner.’ Voor de wet zijn mannen en vrouwen gelijk, maar volgens Holtmaat zijn er psychologisch en maatschappelijk gezien voor een man meer barrières te doorbreken voordat hij aangifte zal durven doen van seksuele intimidatie.

Het verschil in het publieke oordeel over een seksueel geïntimideerde man, versus dat oordeel over een geïntimideerde vrouw, heeft volgens Holtmaat ook alles te maken met diepgewortelde ideeën over de rol van mannen en vrouwen binnen een seksuele relatie. ‘De maagdelijkheid en de onschuld van meisjes worden van oudsher beschermd, en dat levert het idee op dat seksualiteit voor meisjes gevaarlijker zou zijn dan voor jongens. Dat zijn erg archaïsche denkbeelden die het moeilijk maken om er als man voor uit te komen dat ook jij bescherming nodig hebt. Hoe je dat kunt doorbreken? Een recent voorbeeld is het uitkomen van het seksueel misbruik binnen de katholieke kerk. Doordat er een paar mannelijke slachtoffers waren die, weliswaar tientallen jaren na het misbruik, wél naar buiten durfden te treden met hun verhaal, werd het voor anderen makkelijker om ook over hun trauma te praten.’

De populariteit van milfs

Ga naar pornhub.com, een van de grootste pornosites ter wereld, en de zoekopdracht ‘teacher’ levert je tienduizenden hits op. Een blik op de eerste paar pagina’s laat zien dat veruit de meeste filmpjes over een vrouwelijke docent gaan, die haar mannelijke leerlingen verleidt. Op pornosites zijn categorieën als ‘milf’ en ‘mature’ ook razend populair, zegt Jochen Peter, onderzoeker van het CcaM (Center for research on Children, Adolescents and the Media), een onderdeel van de Universiteit van Amsterdam. Zou de online populariteit van milfs kunnen verklaren waarom sommige mannen het in het echte leven onbegrijpelijk vinden dat een puberjongen seks met zijn lerares af zou slaan?

Peter: ‘Er is nog geen wetenschappelijk onderzoek verricht naar de invloed die porno heeft op de ideeën over relaties tussen jonge mannen en oudere vrouwen. Wel is er veel onderzoek geweest naar de invloed van porno op ideeën over de man-vrouwverhouding, waaruit blijkt dat pubers die veel porno kijken de objectificatie van vrouwen soms minder bezwaarlijk vinden, en dat ze ontevreden en onzeker kunnen worden over hun eigen seksleven. Daar moet wel bij gezegd worden dat die invloeden bij de ene persoon sterker zijn dan bij de ander, en dat ze altijd samenhangen met andere factoren: druk vanuit vrienden, opvoeding, onzekerheid, et cetera.’

Ook in reclames wordt seks met een oudere, machtiger vrouw soms gepresenteerd als stoer. Deodorantmerk Axe heeft een lijn die Mature heet. Axe, vooral gebruikt door puberjongens, adverteert voor het product in een reclamefilmpje waarin een aantal volwassen vrouwen achter een rood filter uitdagend in de camera kermt. ‘Je wilt straks toch niet hoeven zeggen dat je nog nooit een échte vrouw hebt gehad?’ en: ‘Denk eraan, morgen in de klas noem je me gewoon weer mevrouw Murphy.’ Aan het einde van het spotje kijkt een jongen grijnzend in de spiegel. Hij spuit nog maar eens wat op.De jongen in de reclame is duidelijk meerderjarig, en de bedoelingen van Axe zijn uiteraard niet kwaad. Maar de reclame illustreert wel hoe er wordt gekeken naar een jonge jongen met een oudere vrouw, versus een jong meisje met een oudere man. Stel je namelijk dezelfde reclame eens voor, maar dan voor een deodorantmerk dat zich richt op pubermeisjes, met achter een rode waas een stel volwassen mannen dat ze uitdaagt eens een “echte man” te nemen.

Niet mans genoeg

Onderbewuste druk om je stoer te gedragen, media die een vertekend beeld schetsen van seks tussen oudere vrouwen en jongere mannen – het is niet zo gek dat er jongens zijn die het moeilijk vinden om toe te geven dat ze het vervelend vinden wanneer ze benaderd worden door een oudere vrouw. Maar waarom reageren ándere mannen zo fel wanneer een jongen daar wel voor uitkomt? Waarom is die jongen dan een pussy, of een sukkel die iets lekkers aan zich voorbij heeft laten gaan?

Volgens hoogleraar genderstudies Meijer kan deze houding van andere mannen te maken hebben met het feit dat hun zelfbeeld onder druk staat. ‘Vroeger had de man een soort natuurlijke voorrangspositie, simpelweg omdat hij een man was, dat is nu niet meer zo. Uiteindelijk hebben de mannelijke slachtoffers van seksuele intimidatie veel gemeen met de mannen die hen veroordelen: de angst om niet mans genoeg te zijn.’

Oproep van Vera Mulder

Volgende week ga ik in gesprek met een jeugdpsycholoog over experimenteel gedrag en seksuele grenzen en daarna met jongeren zelf om te zien wat hun gedachten hierover zijn. Ook ben ben ik in gesprek met een stichting waar mannen seksueel misbruik aan kunnen geven en zoek ik naar mannelijke slachtoffers van seksuele intimidatie of seksueel geweld, om van hen te horen hoe zij het verbergen of juist aangeven daarvan beleven of beleefd hebben. Dat kan uiteraard anoniem. Contact opnemen kan via vera@decorrespondent.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Psychologie

Het SOCIALE brein van de puber

Vlak nadat ik het artikel: ‘Wij zijn ons SOCIALE brein‘ op dit weblog zette kwam  het nieuwe boek van hoogleraar neurocognitieve ontwikkelingspsychologie Eveline Crone uit.

Vier jaar geleden kwam Crone met ‘Het puberende brein’ en nu met ‘Het sociale brein van de puber’.

Crone wordt wel genoemd de ‘ambassadeur’ voor de jeugd. Zij vindt dat jongeren de tijd en de ruimte moeten krijgen om op te groeien tot volwassene. Hierbij zijn het aangaan van sociale uitdagingen cruciaal.

Crone laat zien welke gebieden in de hersenen actief zijn bij acceptatie, afwijzing en aantrekkingskracht.

Het gaat om gebieden die een rol spelen bij:

  • het aflezen van sociale signalen – het herkennen van emoties die gezichtsuitdrukkingen en lichaamshoudingen laten zien;
  • het voelen van zulke signalen – zoals acceptatie en uitsluiting, maar ook sociale beïnvloeding;
  • het omgaan met sociale signalen – zoals met mensen kunnen meevoelen en het perspectief van een ander kunnen innemen.

Deze gebieden functioneren bij adolescenten anders dan bij volwassenen, omdat hersenen van adolescenten nog volop in ontwikkeling zijn.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie

Ouders zijn een van de grootste bronnen van stress bij tieners

De universiteit van Californië kwam vandaag naar buiten met een artikel op LifeScience over de verschillen in stress bij jongeren en volwassenen. Hun nieuwe onderzoek wil aantonen welke invloed dagelijkse stress (en niet chronische of traumatische stress) heeft op cognitieve processen bij adolescenten.

Bij volwassenen wordt stress meestal veroorzaakt door werk. Bij tieners wordt stress meer veroorzaakt door ouders.

Wat ouders precies doen om de stress te veroorzaken wordt in het artikel niet vermeld. Het is niet ondenkbaar dat ouders die zelf niet stevig in de schoenen staan of stress ervaren in hun werk, stress veroorzaken bij hun kinderen. Of dat heel strenge ouders stress veroorzaken.

Volgens de nieuwe gegevens zijn volwassenen meer gespannen in de ochtend en tieners meer gespannen vroeg in de avond.

Tieners worden in cognitief opzicht meer gehinderd door stress dan volwassenen.

Het nieuwe is dat dit neuro-wetenschappelijke onderzoek niet plaatsvond in een laboratorium setting en dat de stress niveau’s bij de proefpersonen vier keer peer dag gemeten werden.

De onderzoekers verwachten dat de nieuwe gegevens grote sociale invloed zullen hebben.

Overigens zien de onderzoekers in dat een goede hoeveelheid stress positief werkt.

Voor meer informatie: Zie hier. In het artikel wordt o.a.nog gelinkt naar een leuke site over 10 dingen die je niet wist over de hersenen.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde