Tagarchief: kwetsbaarheid

Wat de psychologie kan bijdragen aan het tegengaan van de klimaatopwarming

De gevolgen van de opwarming zijn enorm en volgens veel deskundigen niet meer terug te draaien. Integendeel, de gevolgen zoals hittegolven, overstromingen, afname van landbouw en van biodiversiteit, enz. zullen steeds erger worden. Omdat dit alles zijn oorsprong vindt in menselijk gedrag is het niet vreemd om je af te vragen of de psychologie oplossingen heeft.

Een recent artikel van een interdisciplinaire groep professoren uit Nederland, Duitsland en de VS komt met enkele antwoorden.

Klimaatopwarming is volgens de geleerden een sociaal probleem, een conflict tussen het eigen belang op de korte termijn en het collectieve belang op de lange termijn. Professor psychologie Paul van Lange, van de Vrije Universiteit: “In het bestrijden van klimaatopwarming is een perspectief op lange termijn voor een brede groep essentieel waarbij de overtuiging dat de opwarming ècht is, versterkt moet worden.”

Overheden moeten vooral concrete informatie verstrekken, informatie op maat die relevant is voor lokale autoriteiten. Professor marketing en internationale bedrijfskunde Jeff Joireman, van de Washington State University: “Overstromingen zijn concrete problemen voor mensen in laaggelegen landen, terwijl hittegolven meer een probleem zijn voor mensen in warme landen.”

Maar hoe breng je het perspectief van de lange termijn aan de man?

Je kunt benadrukken dat het onze eigen kinderen zijn die de problemen het hoofd moeten bieden. De Duitse emeritus professor evolutie-biologie, Manfred Milinski van het Max Planck Instituut benadrukt het belang van het wijzen op familieverbanden: “Kinderen moeten betrokken worden bij campagnes die het bewustzijn van de betekenis van klimaatopwarming voor de toekomst vergroten. Kinderen zijn kwetsbaar en dit besef brengt de behoefte van volwassenen om te zorgen en te beschermen, in beweging.

Van Lange voegt hier aan toe: “Het is verstandig om relatief minder geïnteresseerde mensen bij de discussie over de opwarming uit te nodigen en om advies en expertise te vragen – speciaal wanneer het gaat om infrastructuur en stadsplanning – omdat gebleken is dat minder geïnteresseerde (emotioneel betrokken) mensen juist meer geneigd zijn om op de lange termijn te denken.”

Een laatste aanbeveling gaat over onze politieke leiders. De verdragen die zij sluiten hebben over het algemeen weinig succes. Hoe komt dat? Van Lange en Milinski: “Politieke leiders hebben een wantrouwende en competitieve manier van denken. Ze staan tegenover elkaar en worden gesteund door hun kiezers. De competitieve manier van denken moet anders gericht worden: politieke leiders moeten gaan wedijveren om de beste reputatie op het gebied van zorg voor de aarde in plaats van dat ze wedijveren om wie de meeste kiezers krijgt. Het instellen van een prijs voor de meest duurzame stad zou bijvoorbeeld burgemeesters kunnen helpen bij een beleid van meer openbaar vervoer en minder auto’s.

Dit alles was te lezen in: Science Daily. ‘Current Directions in Psychological Science, 2018’

Lees hier over ’s werelds groenste gemeente.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie en klimaat

‘Spoken word’

Dit optreden van de ‘spoken word’ kunstenares Babs Gons gaat over verloren vaders. ‘Spoken word’ is een nieuwe kunstvorm, erg in opkomst. Dit is goed nieuws.

Over verloren vaders gesproken, eerdere berichten op dit web-log met dit thema waren ondermeer: ‘Ontmande vaders’ en ‘Vader is een soort aanhangsel geworden’. Het ligt vaak niet alleen aan de vaders als zij geen plaats meer innemen in het leven van hun kinderen. Babs Gons verwoordt het probleem voor de kinderen heel mooi.

Ik vond het filmpje van deze kunstenaar dankzij een artikel in de Correspondent van Marco Martens, schrijver en ‘spoken word’ artiest. Lees vooral het hele artikel. Martens ziet ‘spoken word’ als een oefening in kwetsbaarheid.

De voordracht is in deze stroming minstens zo belangrijk als de tekst. Daarnaast zijn er overeenkomsten te vinden met rap, stand up-comedy en theater; ritme, mimiek en timing zijn belangrijke bouwstenen in een spokenwordvoordracht. Niet voor niets zie je spokenwordartiesten zelden lezen vanaf papier; veelal dragen ze uit het hoofd voor.

1 reactie

Opgeslagen onder Psychologie, proza en poëzie

Narcisme: “Dat maak ik zelf wel uit”

We hebben in Nederland een autoriteit op het gebied van narcisme: Jan Derksen, hoogleraar klinische psychologie en psychotherapeut. Enige tijd geleden werd hij geïnterviewd in het Filmtheater van Hilversum. Derksen had toen net zijn boek ‘Het narcistisch ideaal, opvoeden in een tijd van zelfverheerlijking’,  gepubliceerd.

In dit bericht aandacht voor het narcisme aan de hand van een toespraak van Derksen, die ik op het internet vond en die u hier kunt downloaden. Narcistische eigenschappen gedijen zeer goed in onze individualistische maatschappij.

Een mooi voorbeeld is hoe we steeds vaker iemand (of onszelf) horen zeggen: “Dat maak ik zelf wel uit…”. Of ik voor een rood licht stop, of ik zacht praat in de trein, of ik op mijn beurt wacht… dat maak ik zelf wel uit.

Derksen komt met nog een mooi voorbeeld van narcisme: een werkloze man die daar zichtbaar onder lijdt maar die niet zelf op zoek is naar hulp zegt tegen een hulpverlener: “Motiveer jij mij maar eens om weer aan het werk te gaan”…

Elke persoonlijkheidsstoornis gaat in meer of mindere mate terug naar een stoornis van het zelfgevoel. Narcisme is een oud en vertrouwd psychoanalytisch begrip. Allerlei lichamelijke klachten zoals chronische vermoeidheid, ‘burn-out’ maar ook eetstoornissen en verslavingen kunnen allemaal gebaseerd zijn op een gestoord zelfgevoel en het daarmee gepaard gaande onvermogen om gevoelens en conflicten te beleven, te verwerken, te beheersen en gecontroleerd te uiten.

In zijn toespraak besteed Derksen aandacht aan het ontstaan, de maatschappelijke aspecten en de behandeling van een gestoord zelfgevoel. Hier mijn samenvatting en commentaar.

Hoe het begint

2012-11-03-15-36-55.vallenm1fz60xa47yp

Een kleuter van drie. Hij voelt zich de koning op aarde. Dan struikelt hij op straat en valt. De gigantische schreeuw-partij die volgt komt niet alleen door de pijn maar ook door de boosheid. De ‘koning’ is gekrenkt en ligt op de grond.

Kan zijn vader hem hierbij helpen?

Eén vader geeft de stoeptegel de schuld. Het zelfgevoel, de trots en de almacht van de kleuter blijven intact. Deze vader is misschien zelf ook narcistisch.

Een andere vader roept dat zijn kleuter een stommeling is. Om de kwetsuur en de belediging te repareren denkt de kleuter bij zichzelf: Niemand snapt mij, ze zijn allemaal te stom.

Een derde vader vangt de narcistische krenking op: Hij helpt zijn zoontje overeind, geeft een zoen op de pijnlijke plek en legt hem uit dat zijn beentjes nog kort zijn en zijn ogen nog te veel in de verte gericht. Nu valt hij nog af en toe, maar over een tijdje lukt het hem zijn voeten op te tillen op die momenten dat het voor zo’n stomme tegel noodzakelijk is. Ja, en dit allemaal in begrijpelijke taal voor het kind, opvoeden is niet makkelijk.

Het kunnen voelen van de eigen beperkingen met het uitzicht straks wel te kunnen lopen zonder te vallen mits daaraan gewerkt wordt – de kleuter moet er wel iets voor over hebben – helpt bij het reguleren van de krenking.

Hoe het verder gaat

In de kleuterfase transformeren de narcistische investeringen in een ‘ik-ideaal’: een wensenpakket omtrent wat voor iemand je in de toekomst wil zijn. Als ouders vaak genoeg helpen bij het reguleren van krenkingen van het ik-ideaal dan wordt de afstand tussen het zelf en het ik-ideaal niet te groot en niet te klein.

Een te grote afstand tussen het zelf en het ik-ideaal leidt tot minderwaardigheidsgevoelens en tot perfectionisme. Deze mensen gaan er van uit dat ze over elke tegel struikelen. Zij houden zich schuil, zijn niet assertief, introvert, angstig of somber. Hun frustratie richt zich vooral naar binnen.

Een te kleine of geen afstand tussen het zelf en het ik-ideaal leidt tot gevoelens van grootheid en belangrijkheid, tot overdrijving van eigen talenten en prestaties, het gevoel recht te hebben op een speciale behandeling en weinig belangstelling voor wat er in andere mensen leeft. Deze mensen zijn vooral bezig met eigen macht, succes en rijkdom. De ironie is dat deze narcistische trekken tegenwoordig hogelijk gewaardeerd worden! Thatcher riep niet lang geleden nog: “There is no such thing as society”; de maatschappij, de anderen, bestaan niet!

Narcistische mensen kunnen behoren tot het ‘vergeetachtige’ type; deze spreken niet mèt mensen maar spreken mensen toe, ze zijn uit op bewondering en applaus en zoeken een omgeving die dit biedt. Een variant is het ‘waakzame’ type; deze mijden contacten met anderen waarmee zij beschadiging van hun grootheidsfantasieën proberen te voorkomen.

Er ontstaat een probleem zodra de grootheidsfantasieën botsen op de werkelijkheid; zodra de stoeptegel dwars zit. Frustraties gaan een grote rol spelen. Krenkingen en narcistische woede kunnen depressies in de hand werken.

Therapie

Volgens Derksen moet de therapeut directief te werk gaan. Hij moet niet gaan wachten totdat duidingen en interpretaties bij de cliënt bijna als vanzelf opkomen zoals in de klassieke psychoanalyse. De therapeut gaat ook niet de devaluatie of de idealisering waarop de cliënt hem zal trakteren afwachten en deze laten uitgroeien totdat een structurele verandering mogelijk is en het narcistische tekort van vroeger geheeld kan worden. De ‘narcist van nu’  is dan al lang van therapeut gewisseld. Dus géén klassieke psychoanalyse.

De therapeut vermijdt de fase van de devaluaties en idealiseringen door meteen een krachtige en sterke indruk te maken op de cliënt. Zodra je als therapeut een tactische weerstand voelt bij de cliënt zoals: “ik ben nu eenmaal zo” of: “dit maakt me heus niet jaloers”, doorbreek je deze weerstand door dieper liggende gevoelslagen aan te boren. Je blijft tamelijk bot en ongeïnteresseerd zolang de tactische weerstanden sterk blijven maar je bent heel empathisch zodra de afgeweerde gevoelens van krenking naar boven komen; zodra de cliënt het over zijn pijn heeft.

Tactische weerstanden dienen er toe om de therapeut op afstand te houden. Maar als je als therapeut onmiddellijk over gaat tot spiegeling van deze weerstanden of afweer, kom je sterk over. Het gevolg is dat de emotionele betrokkenheid van de cliënt bij de therapie toeneemt.

Emotionele betrokkenheid op zichzelf is al helend omdat die in de plaats komt van de narcistische afweer. Door de duiding van de afgeweerde gevoelens van gekrenktheid worden ze doorleefd en begrepen. Dit vermindert de noodzaak tot de afweer.

Empathie is van groot belang zodra de gekrenktheid in de gevoelsbeleving van de cliënt naar boven komt drijven. Ook hierin ervaart de cliënt de stevigheid van de therapeut. De therapeut straalt uit dat hij niet bang is voor wat er in de cliënt leeft. De therapeut moet zich ‘goed genoeg’ voelen en niet afgeleid zijn door eigen vermoeidheid of zorgen. Je moet zowel het probleem van de stratenmaker als van de kleine beentjes en de onbekommerdheid overzien. Dit kun je bereiken door heel empathisch te zijn en door tegelijkertijd scherp te luisteren naar de woorden van de cliënt en elke narcistische kleuring vast te stellen.

De therapeut voelt dus mee met iemands gekwetste gevoelens en heeft positieve aandacht voor de kwaliteiten waarmee iemand heeft geprobeerd om zichzelf op de kaart te zetten. Maar tegelijk duidt de therapeut met enige scherpte de grootheidsfantasieën die ten grondslag liggen aan de krenkingen. En duidt hij de minderwaardigheidsgevoelens waarop de grootheidsgevoelens een afweer waren.

In feite is de therapeut de steunende ouder die in het volle licht van de schijnwerper het zelf losmaakt van het ik-ideaal. Tegelijk wijst hij de weg naar een toekomst waarin belangrijke wensen ten dele kunnen worden gerealiseerd maar niet zonder inspanning.

In deze fase wordt het verleden van de cliënt bespreekbaar. Hij is nu pas toe aan het voelen van zijn wortels en aan het voelen van de beperkingen maar ook van de stevigheid die zowel de wortels als de aarde met zich mee brengen.

Narcisme en slachtofferschap

Volgens Derksen is in onze maatschappij het individu naar buiten gericht. De oorzaak van bijvoorbeeld burn-out zoekt het individu volgens hem in de eerste plaats bij de werkomstandigheden. En wanneer posttraumatische stress zich tot een stoornis ontwikkelt (PTSS) wordt er gedaan alsof de dramatische gebeurtenis, de stressvolle werkomgeving, de oorzaak van de stoornis is. Derksen mist het psychologische aspect in deze denkwijze.

Ik denk dat het individu ook teveel naar binnen gericht kan zijn. Werkomstandigheden in onze maatschappij worden soms gekenmerkt door vervreemding, uitbuiting en pesterijen die werkelijk tot een ‘burn-out’ kunnen leiden. Aangemoedigd door de individualisering, het brein-denken en de medicalisering van psychische problemen, zoeken mensen de oorzaak van hun klachten soms juist bij zichzelf i.p.v. bij de omstandigheden. Graag verwijs ik naar een analyse van de oorzaak van veel psychische klachten door Trudy Dehue en Dirk de Wachter, die de meritocratische maatschappij en de ‘rat-race’ maatschappij er bij betrekken.

Toch blijf ik Derksen volgen in zijn analyse waarin hij de psychologische en narcistische oorzaken van klachten en stoornissen belicht. Derksen ziet ook wel dat de individualistische ‘rat-race’ maatschappij het narcisme alle ruimte geeft al is hij ook kritisch op het narcisme in het individu.

Vroeger was een oorlogservaring nodig om de diagnose PTSS te krijgen, nu lijkt volgens Derksen een treinvertraging al voldoende. Het slachtofferschap is de identiteit die wordt aangeroepen om zich van het eigen falen, met het oog op de grootheidsfantasieën, af te keren. Het slachtofferschap is in psychologisch opzicht het reddingsvest dat de persoon moet behoeden voor de narcistische krenkingen. Het aanklagen van de sociale omgeving, de politiek, de werkgever en de maatschappij gebeurt met de souplesse van de gevallen kleuter: “Dit ligt toch niet aan mij, dit kan toch niet”.

Het ‘ik heb borderline’ slachtoffer

De DSM (Diagnostictical and Statistical Manual of Mental Disorders) classificaties helpen mee aan het idee van het slachtofferschap door mensen middels het opplakken van labels passief te maken. De passiviteit heeft met name betrekking op de rol van het zelf, de identiteit. Een van Derksens cliënten draagt haar kruis aldus: “Ik heb borderline”, betoogt zij voor iedereen die het wil horen…

Zij bezoekt de lotgenotengroepen, ze heeft hiermee een ticket voor een woning, een uitkering, het gebruik van drugs, vergoeding van psychologische hulp en indien nodig volledige steun bij het indienen van een klacht aan de broek van de hulpverlener. Natuurlijk lijdt zij ook en is haar psychische ontregeling ernstig, maar hier overheen komt de sociale identiteit als slachtoffer-patiënt die verlammend werkt voor de eigen verantwoordelijkheid in de actieve participatie waardoor een behandeling voor de afgrond van de mislukking kan worden weggesleept. Minder dan een halve eeuw geleden zou ze niet zelfstandig en alleen hebben gewoond, maar zijn ondergebracht in een beschermend sociaal netwerk vormgegeven door familie, gezin of kerk. Nu komt ze naar buiten met haar (valse) identiteit en claimt aandacht voor haar kwetsbare kanten. Ze eist hulp, steun, geld, onderdak en beschuldigt haar omgeving van haar gebrek aan een klachtenvrij bestaan. De psychiatrie en klinische psychologie hebben diagnostische labels ter beschikking gesteld. Behandelmethoden en medicamenten liggen in de internet-etalage. De behandelaars worden afgezet tegen het forum gecreëerd door de patiëntenvereniging en nadat een klacht gegrond is verklaard door de professionele tuchtcommissie, doorgaans niet gehinderd door ervaring met deze patiëntengroep, volgt de schadeclaim via een civiele procedure. De goed bedoelende humanistisch ingestelde, goedgelovige klinisch psycholoog plukt de wrange vruchten van de eigen ideologische dwaling en gaat verbitterd, vervroegd met pensioen.

Om dit scenario te voorkomen pleit Derksen voor het snel spiegelen van de tactische weerstanden waar de DSM labels zoals ‘borderline’ dus toe behoren. Net zoals het: “ik ben nu eenmaal zo”, is ook het: “ik heb borderline”, een tactische weerstand. Leest u vooral ook  “Zo ben ik nu eenmaal!” van hoogleraar klinische psychologie Willem van der Does. De nieuwe editie van dit makkelijk leesbare boek bevat nog meer omgangstips met lastige of moeilijk te doorgronden individuen – ook als u er zelf een bent.

In de behandeling een passieve houding niet omzeilen

Het succes van de behandeling hangt af van hoe de cliënt op de spiegeling reageert. Het omzeilen van de passieve houding, van passief-agressieve uitingen en van de slachtoffer identiteit is geen goed idee want deze brengen elke poging om dingen te veranderen om zeep.

In een naar buiten gerichte cultuur zien we dat het verwerven van een slachtofferidentiteit en compensaties belangrijker gevonden worden dan zèlf veranderen binnen een behandeling. Het aanbieden van een therapeutische uitdaging aan iemand met een gekwetst narcisme kan erg ingewikkeld zijn. De buitenwereld is in de narcistische beleving van een adolescent soms een koude douche in een tot dan toe tropisch paradijs.

Een goede behandeling van trauma introduceert dus niet alleen de werkelijkheid op een passende manier en helpt bij de verwerking van vastzittende gevoelens, maar helpt ook om het zelf en het ik-ideaal uiteen te halen zodat een besef kan ontstaan voor de kwetsbaarheid van het eigen bestaan, het eigen lichaam en de eigen psyche. De neiging om deze kwetsbaarheid te verdringen ligt ten grondslag aan vele psychische klachten.

Bij allerlei typen cliënten moet de psycholoog volgens Derksen de verhouding tussen het zelf en het ik-ideaal onderzoeken. De narcistisch gestoorde cliënt zal de psycholoog niet makkelijk een blik gunnen op die verhouding. De psycholoog moet vooral goed luisteren naar datgene wat niet gezegd wordt, naar de tactische weerstanden en hij zal de cliënt vragen om door te praten waar die juist wilde stoppen, hij zal een komma zetten in plaats van een punt en zal een bijzin tot hoofdzin maken.

In de veel voorkomende stemmingsstoornissen (die de angststoornissen naar de tweede plaats hebben verdrongen) buitelen de narcistische krenkingen over elkaar heen. De onwelwillende werkelijkheid van de depressieve cliënt roept het failliet uit over de samensmelting van het zelf en het ik-ideaal. Bij sommige mensen roept de narcistische krenking en de frustratie woede op die zich naar binnen richt. De psycholoog kan hulp bieden bij de expressie van de woede maar mag niet vergeten om de verhouding tussen het zelf en het ik-ideaal te beïnvloeden want anders leidt de volgende krenking tot dezelfde problemen en kunnen we niet van psychologische groei spreken.

Cliënten die alleen uit zijn op een label en medicatie horen niet thuis bij de psycholoog.

Partnerrelaties

Naast depressie scoren relatieproblemen ook hoog op de agenda van de psycholoog. De keuze voor een partner kan op narcistische motieven gestoeld zijn. Maar een partner kan ook gekozen worden op basis van een van beide ouderfiguren. Dan speelt geschiedenis een rol, wat in deze tijd als ouderwets wordt gezien.

De individualistische jongere die onbewust is raakt gefascineerd door alles dat men in de ander herkent. Of hij kiest voor een wens-beeld dat ontstaan is uit een samensmelting tussen het zelf en het ik-ideaal wat hij projecteert in de ander. Vervolgens identificeert deze jongere zich met dit wens-beeld en zo tracht hij zijn identiteit van buitenaf te verstevigen. Deze narcistische collusie (een term van Laing, 1971)  is kwetsbaar. De partner krijgt een functie in het handhaven van een inadequaat zelfgevoel. Op allerlei momenten leidt dit tot schipbreuk en worden er verwijten op die partner gericht.

In plaats van een depressie zien we dan een op de partner gerichte agressie. De relatietherapeut en tegenwoordig ook de mediator staan klaar maar vaak zonder kennis van narcistische patronen. De hulp blijft dan oppervlakkig en gebrekkig maar wel heel duur.

Hoe het afloopt

Het door fantasie in plaats van traditie en geschiedenis aangeklede zelf, plus het in de relatie ontstane gemeenschappelijke zelf is de basis voor de opvoeding van de kinderen. Deze narcistische constellatie heeft de pedagogiek die gebaseerd is op opvoedingstraditie en ideologie verdrongen. Wederom geen sociale patronen die het gedrag van de opvoedende ouders ondersteunen, men heeft alleen zichzelf.

Een individualistisch impulsieve opvoedingsstijl die niet gebaseerd is op een gedachtengoed ziet er ongeveer zo uit:

Het lege zelf van de ouders geeft de aanzetten tot het lege zelf van de kinderen, overigens rijkelijk ingevuld met hockey, voetbal, zwemles, pianospelen, paardrijden, gameboys, dvd’s, internet, video’s en uitzicht op een nieuw zomerkamp terwijl de ouders overuren maken teneinde de hypotheek op te kunnen brengen. In de narcistische beeldcultuur hebben spelletjes met onkwetsbare helden het overgenomen van de boeken of nog verder terug van de verhalen over het verleden rondom het houtvuur. Al chattend, eventueel ondersteund door een webcam, kan men op het internet in narcistisch opzicht de meest bizarre fantasmatische relaties aller tijden aangaan en snel weer afbreken.

Aan het betoog van Derksen komt een einde met de leegte maar dat is nu eenmaal het gevolg van een narcistisch zelfgevoel dat zich dus kan ontwikkelen na een niet gereguleerde struikel-partij in de kleutertijd. Laten we opvoeden maar flink serieus nemen.


Een fijne website voor slachtoffers van ernstige vormen van narcisme kan die van Iris Koops zijn: Het verdwenen zelf.

21 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, Psychotherapie, Psychotherapie - Trauma, Systeemtherapie