Categorie archief: Systeemtherapie

Ouders van ‘lastige’ pubers zouden ‘sorry’ kunnen zeggen…

‘Sorry’ zeggen is voor sommige mensen een hele opgave. Anderen zeggen het misschien te gemakkelijk.

Hoe dan ook, de band tussen de ouders en een ‘lastige’ puber kan van een ‘sorry’ op het juiste moment, zodanig opknappen dat de ‘gedragsproblemen’ zonder al te veel moeite opgelost kunnen worden.

Ouders die geen ‘sorry’ kunnen zeggen tegen de puber worden indien gewenst over de brug geholpen binnen een hechtingsgerichte gezinstherapie. Hoe dit in zijn werk gaat leerde ik op dag 4 van de cursus: Systeemtherapie Kinderen en Jeugd  van Elien Oostendorp. Het gaat hier om Attachment Focussed Family Therapy (AFFT) en afstemmen op de eigen emoties door de ouders bleek van cruciaal belang.

Ouders motiveren om naar zichzelf te kijken

Het is niet gemakkelijk wat een hechtingsgerichte therapeut van de ouders vraagt, want het kan een pijnlijke stap zijn om eerst naar jezelf te kijken. Het is niet makkelijk om je af te vragen of het opvoeden wel goed gegaan is. Ouders vragen de therapeut vaak: “Waarom nodigt u mij uit?” “Het is mijn kind dat zich niet weet te gedragen!” Het voelt voor hen alsof zij op het matje geroepen zijn, terwijl het hun puber is die de problemen veroorzaakt.

Misschien zit ‘m daar juist het probleem. In het oorzaak-gevolg denken, in het lineaire denken, in het begin van het probleem leggen op een gefixeerd punt en wel bij het gedrag van de puber.

De therapeut zou op de vragen van de ouders kunnen antwoorden: “Het lijkt inderdaad onlogisch dat u hier zit maar ik heb het nodig dat ik u leer kennen want ik geloof dat jullie van elkaar houden en dat er een andere dialoog kan komen en dat alleen daarna het probleem opgelost kan worden.” Dat je met deze woorden kunt reageren, leerde ik op deze dag.

De AFFT therapeut zal de ouders vragen om dieper in te gaan op de emoties die het gedrag van de puber oproept, om zich zo doende een weg te banen uit het eigen gevoel van machteloosheid over het opvoeden. Het gereedschap waarmee ze het gedrag van hun puber kunnen aanpakken blijkt diep in hen zelf verscholen te liggen.

Oudergesprekken vormen de beginfase van de therapie. De AFFT therapeut geeft de ouders wat zij zelf in een latere fase aan hun puber zullen doorgeven. Dit is kort samengevat: het emotioneel afstemmen met PACE (Playfullness, Acceptance, Curiosity en Empathy). Over het algemeen hebben ouders dit niet voldoende meegekregen waardoor ze het niet kunnen doorgeven. Tijdens het oefenen van PACE in rollenspellen was de feedback dat mijn nieuwsgierige vragen (Curiosity) vervuld waren van empathie (Empathy). Twee vliegen in een klap.

Bij het opvoeden wordt ouders dus vaak gevraagd om iets te geven aan hun puber wat ze zelf niet gekregen hebben. Een onmogelijke vraag. Vaak blijken ze zich in het geheim te schamen voor het falen in de ouderrol.

Als de AFFT therapeut het idee krijgt dat de ouders kunnen accepteren dat onderliggende emoties en motieven een rol spelen in de interactie met de puber, dan kunnen ouder-kind gesprekken plaatsvinden maar er kan altijd weer teruggegaan worden naar oudergesprekken. Uiteindelijk zullen ouders en puber tot een emotioneel, affectieve en reflectieve dialoog komen.

In een dergelijke dialoog speelt intersubjectiviteit een belangrijke rol.

Intersubjectiviteit

Hechting en intersubjectiviteit vormen samen de onlosmakelijke spiraal van de psychologische geboorte en de ontwikkeling van de mens. In het dagelijks leven van het jonge kind is dit heel duidelijk waarneembaar.

Niets op deze aarde vond ik nog belangrijk, slechts de wijze waarop haar gelaat zich naar het mijne boog, waarbij onze neuzen elkaar net raakten, hoe vol en betoverend ze naar me glimlachte, terwijl er vonkjes van haar gezicht leken te schieten. Ze had me met een kleine lepel gevoerd. Ze had haar neus tegen die van mij gewreven en haar licht over mijn gezicht laten schijnen… Er werd van mij gehouden.

Sue Monk Kidd, ‘Ver van huis’

Een dag van een kind wordt doordrenkt met hechting en intersubjectiviteit. Bij veilige hechting is de ouder de veilige haven waardoor het kind kan ontdekken hoe het zijn angsten kan reguleren zodat het in vrijheid kan leren van nieuwe objecten en gebeurtenissen. Met intersubjectief wordt bedoeld dat ouder en kind op elkaar afgestemd zijn, dat ze samen hun emotie reguleren en samen betekenis geven aan objecten of gebeurtenissen.

Een baby heeft de bereidheid en het vermogen om de aandacht van de volwassene te vragen. Elk huiltje is anders omdat zijn ongemak steeds weer anders is. De ouders gaan de huiltjes herkennen. Hoe beter de baby en de verzorgers kunnen communiceren, hoe veiliger. Ze bereiken samen een toestand van intersubjectiviteit waarbij hun emoties op elkaar worden afgestemd. Ze zijn op elkaar gericht en delen dezelfde intenties om te communiceren en te genieten van elkaar en om meer te ontdekken en te genieten van de gebeurtenissen en objecten in de wereld, of deze juist te vermijden.

Geluidjes die de baby maakt worden door de ouder herhaald. Ook gezichtsuitdrukkingen evenaart de ouder. Dit herhalen en evenaren is belangrijk voor de ontwikkeling van de communicatie. Het gaat hier niet om het imiteren. De ouder helpt de baby op deze manier om zich bewust te worden dat hij een innerlijke toestand heeft. De ouder toont daarmee empathie. De innerlijke toestand wordt opgemerkt, gewaardeerd, geaccepteerd en er wordt betekenis aan gegeven. Via deze intersubjectieve ervaring wordt de baby zich bewust van de eigen ervaring, die hij anders niet zou kunnen identificeren en als belangrijk zou kunnen waarderen. Dit vormt het fundament van een coherent zelfbewustzijn.

Door intersubjectieve ervaringen kan het innerlijk leven van anderen een centraal onderdeel worden van ons eigen innerlijk leven. Door het delen van innerlijke levens worden we vitaler en interessanter. De gedachtenwereld wordt vanaf het begin beïnvloed door anderen. De uitwisseling met anderen wordt mogelijk door een uitzonderlijk uitgebreide reeks speciale expressieve bewegingen (houding, gebaren, stem, gezichtsuitdrukking, enz.) die motieven weerspiegelen.

De verschillende kenmerken van de intersubjectiviteit tussen ouder en kind zijn relevant voor de psychotherapie. In gezinnen die niet worden gekenmerkt door veilige hechtingsrelaties wordt de aarzeling om intersubjectieve ervaringen te initiëren steeds groter. Hun wensen om te delen en samen te werken falen. Intersubjectieve ervaringen worden verdacht, gaan gepaard met schaamte of negatieve gevoelens. Het is niet langer wenselijk om emotie, aandacht en intentie te delen. Intersubjectiviteit, de wieg voor wederzijdse vreugde en intimiteit binnen een gezin, wordt een bedreiging.

Na herstel kan een relatie juist sterker worden

Ouders die een veilige hechtingsbasis bieden zijn gewoonlijk beschikbaar, intuïtief en responsief. Ouders zijn er onvoorwaardelijk maar soms is er een storing in de relatie; de een wacht dan tot de ander weer ‘op adem is gekomen’. Breuken zijn minder makkelijk te repareren als de ouder weigert, boos of geïrriteerd is. Een ouder kan in beslag genomen zijn door andere zorgen en/of zelf in een ontregelde toestand zijn.

Een tijdelijke crisis in de relatie moet worden herkend, geaccepteerd en hersteld. Na het herstel kan de relatie juist sterker worden. Vaak begint de ouder met het herstel en laat bijvoorbeeld merken dat de boosheid van het kind geen bedreiging is voor de relatie. De gereguleerde emotie, de gerichte aandacht en de intentie om te herstellen nodigen het kind uit en beiden keren terug naar de intersubjectieve toestand die de emotie die gepaard ging met de breuk, reguleert. Als de ouder het kind niet uitnodigt of andersom dan vormt een breuk een bedreiging en wordt het kind angstig of wanhopig.

Hechtingspatronen worden van generatie op generatie doorgegeven. Verstoringen in de ouder-kind relatie vormen een probleem als ze lijken op verstoringen in de eigen hechtingsrelatie van de ouder die niet werden opgelost. Alleen dan kunnen breuken een bedreiging worden. Er is een verhoogd risico als de breuken intens zijn, frequent en onopgelost blijven. Zowel ouders als kind ervaren schaamte in combinatie met het ervaren van de bedreiging van de relatie. Dat is het moment dat ze in gezinstherapie gaan, met een defensieve en afwijzende houding om te beginnen.

Hechtingsgerichte therapie brengt de intersubjectieve ervaringen weer op gang. De ouder kan het kind opnieuw gaan ervaren als de moeite waard en om van te houden.

Primaire en secundaire intersubjectiviteit

De ouder omarmt de vaak ontregelde, de permanent veranderende lichamelijke toestand van de baby. Afstemmen van ouder en baby is het intersubjectief delen van emotie. Door deze tweevoudige regulatie van de emotie ofwel veilige hechting nemen wederzijds plezier, blijmoedigheid en opgetogenheid toe.

De ouders ontdekken wie hun baby is en wie zij zelf zijn als ouder. De baby ontdekt wie hij is en wie zijn ouders zijn. De baby weet dat de expressieve ogen van zijn ouder ook een reactie zijn op hem. Zijn expressies zijn een weerspiegeling van zijn zich ontwikkelende innerlijke toestanden en de hiervan afhankelijke reacties van de ouder zorgen er op hun beurt weer voor dat het kind zich bewust is dat de moeder deze toestanden opmerkt en hierop met plezier, belangstelling en acceptatie reageert. De aard van de reactie van de ouder geeft het kind een eerste definitie van zichzelf. De baby ervaart zijn eigen kracht. Hij ontdekt steeds weer dat hij beschikt over prachtige kwaliteiten die zijn ouders diep raken. En ouders ontdekken zichzelf als ouder in de ogen van de baby. Dit is de primaire intersubjectiviteit.

Secundaire intersubjectiviteit vindt plaats in de tweede helft van het eerste levensjaar. De ouders geven voortdurend betekenis aan objecten en gebeurtenissen om de baby heen. Wat de ouders opmerken en waarderen, merkt de baby op en waardeert de baby. De ouder ervaart het object maar ervaart ook de ervaring van de baby met het object, waarna de ouder uitdrukking geeft aan zowel de eigen ervaring als aan die van de baby. Ouder en baby creëren samen de betekenis van het object of de gebeurtenis. Omdat ze het samen doen kan het kind vanuit meer perspectieven het object ervaren, met minder angst of schaamte. De baby kan hierdoor de diepere betekenis van het object beter doorgronden wat meer controle geeft.

Het samen betekenis geven gaat na de babytijd door. Het kind zal steeds vaker in contact komen met anderen waarmee het graag betekenis gevende activiteiten onderneemt. Kinderen gaan zich identificeren met anderen maar de ouders blijven vooraan staan. Ze willen zijn zoals hun ouders, met hun interessen, wensen, gedachten en gevoelens. Identificatie met hechtingsfiguren geeft richting aan de organisatie van ervaringen, aan betekenisgeving en aan het vermogen om interacties met de wereld te leren beheersen.

De puber en de adolescent onderscheiden hun betekenis gevende activiteiten steeds beter van die van hun ouders. Ze kunnen zich gaan afvragen of ze het perspectief van hun ouders accepteren. Als verschillen kunnen worden herkend en geaccepteerd wordt het vermogen van kinderen om de behoefte aan intimiteit en aan autonomie te integreren, mogelijk. Een eigen levensverhaal en veilige gehechtheid kunnen samengaan.

Gezinnen gaan in therapie als het accepteren van verschillen niet lukt. De verschillen worden dan gezien als bedreigend, ongepast, fout of als een gebrek aan respect. Er wordt een negatieve betekenis gegeven aan de motieven van de ander. Inspanningen om het innerlijk leven van de ander te begrijpen worden ondergeschikt gemaakt aan oordelen die geveld worden over het gedrag van de ander. Intersubjectieve ervaringen doen zich steeds minder voor en individuen raken geïsoleerd en voelen zich onveilig.

Een coherent ik-gevoel en herstel van de interactie

Dankzij de primaire en secundaire intersubjectiviteit vormt zich in toenemende mate een coherent ik-gevoel. Dit is geen rigide entiteit maar een open, flexibele, actief integrerende en unieke schepper van ervaringen via betrokkenheid met anderen en met objecten en gebeurtenissen in de wereld. Een veilig gehechte volwassene  heeft een coherent levensverhaal en staat open voor elk object of elke gebeurtenis en de emotie die hiermee gepaard gaat kan hij of zij individueel of samen reguleren. Aan elk object of gebeurtenis wordt individueel of samen betekenis gegeven waarna het geïntegreerd wordt in het levensverhaal. Gebeurtenissen hoeven niet te worden ontkend of vervormd. Het ik-gevoel wordt er niet door bedreigd. Het ‘zelf’ is in staat om op een samenhangende wijze continue,allesomvattend en georganiseerd te zijn.

Gebeurtenissen kunnen objectief zijn maar de betekenis die er aan gegeven wordt is altijd uniek, subjectief en wordt op intersubjectieve wijze gecreëerd. Als ouders deze psychologische waarheid kunnen erkennen en de uniciteit van de ervaringen van hun kind kunnen waarderen dan bieden ze intersubjectieve ervaringen aan die acceptatie en nieuwsgierigheid laten zien met betrekking tot betekenis gevende activiteiten van hun kind. Deze ouders ontmoedigen hun kind niet bij het hebben van een subjectieve ervaring die verschilt van hun eigen ervaring.

Het ik-gevoel van de ouder kan aangetast zijn. Het doel van de therapie is het herstel van een plezierige dialogische kameraadschap die waarschijnlijk in de vroege ouder-kind relatie aanwezig was. Het doel is om samen te ontdekken wat de belangrijkste wederzijdse intenties zijn die onder de problemen verscholen liggen, deze intenties te accepteren en met elkaar te bespreken op een wijze die herstel van de interactie mogelijk maakt.


Om dit bericht te maken is o.a. gebruik gemaakt van het boek ‘Hechtingsgerichte gezinstherapie’ van Daniel A Hughes. Hoofdstuk 1: Hechting en intersubjectiviteit.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie

Afstemmen creëert een band

NIET AFSTEMMEN MAAKT ZIEK

Belangrijke dingen geleerd op de cursusdag ‘Hechtingsgerichte gezinstherapie met pubers’ van Elien van Oostendorp. De dag was een onderdeel van de cursus Verdieping Systeemtherapie.

Zelfs hartslagen kunnen op elkaar afgestemd raken!

Eigenlijk moet ik zeggen dat ik aan belangrijke dingen herinnerd werd door de cursusdag want wat ik leerde was me ten diepste wel bekend. Toch was het een dag van nascholen en oefenen.

Want wat betekent afstemmen eigenlijk? Om goed tot je door te laten dringen wat afstemmen is en hoe het voelt als er wel of niet op je afgestemd wordt, deden we twee korte oefeningen.

Oefening 1: Er wordt niet afgestemd

Probeer je een rot moment te herinneren waarin je geen hulp kreeg. Wat deed de ander waardoor je je niet welkom of veilig voelde? En wat deed jij vervolgens?

De ander zweeg, ging over mijn grens, had geen aandacht, was afwezig, was niet nieuwsgierig of kwam met zijn eigen probleem.

En wat deden wij vervolgens? Wij vluchtten, werden wanhopig, gaven op, huilden, werden boos en volhardden, schreeuwden, verstilden, trokken ons terug of maakten ons onzichtbaar.

Oefening 2: Er wordt wel afgestemd

Herinner je een situatie waarin je je gezien voelde. Wat deed de ander om dit aan jou te laten merken?

De ander luisterde zonder oordeel, had oogcontact met je, erkende jouw gevoel, maakte je niet kleiner, maakte ruimte, moedigde je aan om meer over jouw gevoelens te vertellen, benoemde jouw gevoel, raakte je aan, nam de tijd en stemde je hoopvol.

Wat deed dit met ons?

Wij voelden dat er ruimte was voor ons verdriet, we voelden ons getroost, gekalmeerd, niet meer alleen, veiliger. Het gaf ons vertrouwen en onze relatie verdiepte zich.

Afgestemd zijn doet denken aan het spreekwoord: Gedeelde smart is halve smart.


Over hechtingsgerichte gezinstherapie valt natuurlijk veel meer te vertellen maar afstemmen op diepere emoties en soms ver weg verstopte pijn is de kern van deze therapie. Afgekort heet het AFFT: Attachment Focused Family Therapy en de bedenker is Daniel Hughes. Hij noemt de methode zelf: Dyadic Developmental Psychotherapy, DDP. Hij werkt veel in de dyade met het kind of in de dyade met de ouder(s).  Wij lazen voor deze cursusdag enkele hoofdstukken uit de vertaling van het boek van Hughes: Hechtingsgerichte gezinstherapie. En we zagen hem op een video opname aan het werk met een geadopteerd meisje en haar moeder. Het meisje sprak niet of nauwelijks en toch slaagde Hughes er in om af te stemmen. Dit is natuurlijk de kunst. Afstemmen op emoties die nog niet het licht gezien hebben, die nog niet verteld zijn, waarvoor nog geen woorden gevonden zijn. Maar die er wel degelijk zijn.

Ik heb eerder over Hughes geschreven op dit blog: De zachte kracht van P.A.C.E.

P staat voor ‘Playfull’, A voor ‘Acceptance’, C voor ‘Curiosity’ en E voor ‘Empathy’.

Over empathie een leerzaam en leuk filmpje van Brené Brown:

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie

De persoon is het probleem niet

HET PROBLEEM IS HET PROBLEEM

Door het probleem te externaliseren kunnen de persoon en het probleem uit elkaar gehaald worden. De persoon komt los van het probleem en kan er naar kijken. H/zij zal zichzelf niet langer als het probleem ervaren en meer mogelijkheden krijgen om het probleem aan te pakken.

Deze manier van werken hoort bij de narratieve therapie, waarin het gaat om het creëren van verhalen die werken. De verschillen tussen internaliserende en externaliserende gesprekken staan hieronder op een rij.

INTERNALISERENDE GESPREKKEN…

1. zien de persoon als het probleem,

2. lokaliseren het probleem binnen de persoon,

3. zoeken naar wat er mankeert aan de persoon,

4. zien handelingen als uitingen van de kern van iemand als persoon,

5. maken gebruik van de meningen van anderen om het gedrag of het probleem te verklaren,

6. beschrijven van het probleem valt samen met het beschrijven van de identiteit waardoor er weinig ruimte is voor andere aspecten van de persoon,

7. sociale gewoonten die het probleem voeden, steunen en promoten blijven onzichtbaar,

8. leiden tot ‘dunne’ conclusies over iemands leven, identiteit en relaties,

9. onderzoeken de innerlijke invloeden bij mensen die hulp vragen,

10. leiden tot het categoriseren van mensen in termen van hoe ze verschillen ten opzichte van de norm. Er worden labels bedacht voor ervaringen,

11. zien problemen als een onderdeel van de identiteit. De gesprekken gaan over hoe je leeft met een diagnose,

12. zien de professional als de expert,

13. beschouwen strategieën van anderen als de veroorzaker van de oplossing,

14. maken gebruik van woorden zoals:’ ik ben…’

15. en veel woorden gaan over details van het probleem

EXTERNALISERENDE GESPREKKEN…

1. zien het probleem als het probleem,

2. bespreken het probleem alsof het zich buiten de persoon bevindt zodat er ruimte is om zich tot het probleem te verhouden,

3. lokaliseren het probleem in een context buiten de persoon,

4. zien handelingen als achtereenvolgende gebeurtenissen die plaatsvinden in een bepaalde tijd volgens een bepaald plot,

5. nodigen de persoon uit om hun eigen betekenissen te geven voor wat er aan de hand is,

6. geven ruimte aan een meervoudige identiteit,

7. sociale gewoonten die het probleem voeden, steunen en promoten worden zichtbaar,

8. leiden tot rijke beschrijvingen van levens en relaties,

9. onderzoeken de culturele en sociaal-politieke verhalen die het leven van mensen beïnvloeden,

10. vieren de verscheidenheid en dagen de normen uit en omarmen verschillen en dagen discriminerende praktijken uit,

11. raadplegen de persoon en betrokkenen zelf over verandering en her-onderhandelen de verhouding tot het probleem,

12. laten mensen zelf de expert zijn over hun leven,

13. zien verandering als gemeenschappelijk tot stand gekomen en maken gebruik van al voorhanden zijnde kennis en vaardigheden,

14. gebruiken woorden zoals: ‘het is…’

15. en veel woorden gaan over gebeurtenissen die buiten het probleem staan.

De bovenstaande twee rijtjes van 15 vragen komen uit het boek van A. Morgan: ‘What is narrative therapy? An easy-to- read introduction’ (2000).

Goeie vragen stellen is een kunst

Eigenlijk kun je van alles externaliseren; gevoelens zoals angst, anorexia, stemmen, zelftwijfel enz. maar ook processen, patronen en conflicten tussen mensen en allerlei sociale en culturele praktijken zoals racisme en discriminatie kunnen geëxternaliseerd worden. Ook metaforen zoals: een muur van verwijten of een golf van wanhoop kunnen geëxternaliseerd worden.

Je begint met het probleem een naam te geven en je gebruikt daarbij een zelfstandig naamwoord. Met de naam maak je als het ware van het probleem ook een persoon. Je bent het probleem aan het personaliseren en dan stel je vragen om het probleem goed te leren kennen. Stel dat het probleem Onzekerheid heet.

Wat zijn de trucjes van Onzekerheid?

Wat zijn de tactieken, de manier van handelen, de manier van spreken en wat het zegt, de bedoelingen, de ideeën en het geloof van Onzekerheid?

Wat zijn zijn plannen, zijn voor-en afkeuren, regels, verlangens, motieven, technieken, dromen, bondgenoten?

Wie steunt Onzekerheid?

Tegen welke krachten moet Onzekerheid het opnemen?

Wat zijn de leugens of het bedrog van Onzekerheid?

Morgan licht toe dat je niet van alles zomaar kunt gaan externaliseren. Je luistert eerst naar iemands verhaal en probeert vast te stellen welk probleem prioriteit heeft. Problemen kunnen samenvallen zoals Zelftwijfel en Zelfkritiek. Welk van de twee ga je externaliseren? Ga je Uitschelden of Verdriet externaliseren? Dan vraag je bijvoorbeeld: Veroorzaakt het Uitschelden het Verdriet of andersom? Ook de bredere context is belangrijk. Is er misbruik, armoede, een migratie? Je gaat het probleem Angst niet externaliseren als er misbruik is. Dus eerst goed luisteren!


Deze manier van vragen stellen vereist oefening. Wij, een groep van 12 systeemtherapeuten, oefenden op de derde cursusdag van de specialistische cursus Systeemtherapie Kinderen en Jeugd met deze vragen en met het personaliseren van een probleem.

We kregen van gastdocent en psychotherapeut Tineke Haks een lijstje vragen waarvan sommigen erg kunstig in elkaar gezet waren en daar gingen we mee aan de slag. We gaven een naam aan een probleem dat ons zelf in de weg stond. Ik noemde mijn probleem: Oordeel.

Hoe is Oordeel in mijn leven terecht gekomen?

Hoe lukt het Oordeel om invloed uit te oefenen op mij?

Wat is het doel van Oordeel? Waar is het op uit? Waarom eigenlijk?

Met welke trucs lukt het Oordeel om macht te krijgen over mij?

Is het mij wel eens gelukt om macht te krijgen over Oordeel?

Hoe lukt het Gerie om Oordeel weg te jagen?

Wat is de zwakke plek van Oordeel?

Lukt het wel eens om Oordeel te slim af te zijn?

Wat gebeurt er met Oordeel als het Gerie steeds beter lukt om Oordeel weg te jagen?

Hoe zou het voor haar zijn als jij Oordeel bij haar bent weg gegaan?

Tineke voegde nog enkele  ‘advocaat van de duivel’ vragen toe: Wat zijn de goede intenties van Oordeel? Het probleem kan dus ook goede bedoelingen hebben! Heeft Gerie Oordeel ook wel eens niet nodig? En waar kwam ik achter bij het beantwoorden van deze vragen: Als ik mag dwalen en struinen door de natuur dan heb ik Oordeel niet nodig:) Dit had ik niet verwacht als uitkomst toen ik begon aan deze oefening. Ik krijg meer grip op Oordeel. En ik krijg zicht op een moment waarop mijn probleem niet speelt.

Morgan schrijft over de effecten van een probleem. Wat voor een effect heeft het op je zelf als persoon, hoe je over jezelf denkt, hoe je jezelf ziet als ouder, als partner, als broer, zus, , werknemer, enz. Wat voor effect heeft het op je hoop voor de toekomst, op je dromen, op je werk, je sociale leven, je gedachten, je gezondheid, je gemoed, je dagelijks leven. Zo krijg je een idee van wat iemand met het probleem ervaart, waarom iemand zich bezwaard voelt door het probleem.

Maar ook kom je er achter in welke unieke situaties of tijden het probleem weinig of geen effect heeft. Je komt er achter dat iemand manieren heeft ontwikkeld om niet zo geraakt te worden door het probleem. Je komt achter hun competenties.

Een probleem wil vaak graag het effect dat het heeft op mensen verbergen. Problemen vinden het niet leuk als mensen ze door hebben want dat zou hun kracht kunnen verzwakken. Na het gesprek over de effecten van het probleem kan de therapeut vragen of de cliënt vindt dat deze effecten bij zijn leven passen en of die er blij mee is. En dan zegt de client bijvoorbeeld iets als: “Nee het past niet bij me want ik was altijd zo’n vrolijk meisje…” Er komt ruimte voor een ander verhaal, een verhaal van voordat het probleem iemands leven overschaduwde. Iemand kan een standpunt gaan innemen tegenover het probleemverhaal.


We kunnen verschillende verhalen vertellen over ons leven. Dit tekenfilmpje maakt dit goed duidelijk.

‘Kracht oren’ opzetten

Een probleemverhaal herbergt waarden en kwaliteiten. Een van ons kreeg deze cursusdag de opdracht om een zeur-verhaal te houden en de ander moest daar naar luisteren met zijn ‘kracht oren’ op. Uit het zeur-verhaal van een collega kon ik opmaken dat zij er goed in was om allerlei wensen te genereren en zo kon ik reageren met: “Ik hoor dat je veel wensen hebt. Dus ik hoor hoop in je verhaal. Maar ik hoor ook vasthoudendheid want ik denk niet dat je wil dat ik het zeuren van je af pak. En ik hoor ook dat je liever zelf op zoek gaat naar oplossingen in plaats van dat je adviezen krijgt van anderen.”

Deze oefening was de opmaat voor het leren over de Unieke Uitkomst of de Unieke Uitzondering, een ander belangrijk ingrediënt van narratieve therapie. De Unieke Uitzondering doet zich voor op een moment dat Het Probleem niet speelt. Morgan schrijft dat het probleem het niet leuk vindt als de persoon unieke uitkomsten ontdekt. Het zijn sprankelende gebeurtenissen die niet zouden kunnen voorkomen in het probleemverhaal. Het zijn momenten dat het probleem geen grip heeft op de persoon. Ze gaan vaak aan de persoon voorbij maar ze zijn belangrijk. Deze unieke gebeurtenissen kunnen we met elkaar verbinden en zo vormen een alternatief op het probleemverhaal: het Voorkeursverhaal.

Belangrijk is de ‘timing’ van het gesprek over de unieke uitzondering of de ‘voorkeursverhalen’. Je neemt eerst de tijd voor het probleemverhaal en externaliseert het probleem. Als de cliënt er aan toe is kun je een speciale afspraak maken voor het Unieke Uitzonderingsgesprek, waarmee je een context voor dit gesprek creëert. Morgan schrijft ook dat alleen naar het positieve wijzen niet volstaat. Het gaat om het begrijpen van de unieke uitkomst, om het linken met andere gebeurtenissen en betekenissen. Zo wordt een context gecreëerd waarin een relatief klein en uniek voorval significant wordt. De unieke uitkomst hoeft op zich niets spectaculairs te zijn. Eventueel kun je deze vragen van Morgan gebruiken om de unieke uitkomst boven water te krijgen.

Hoe krijg je het voor elkaar om het probleem niet nog groter te laten worden?

Zijn er momenten waarop het probleem niet zo aanwezig is?

Is er wel eens een moment waarop het probleem op zou kunnen komen maar het niet gebeurde?

Heb je wel eens weerstand kunnen bieden tegen het probleem en je niet tegen laten houden?

Probleemverhalen kunnen zuigen 

Probleemverhalen kunnen zuigen maar je kunt steeds opnieuw verbinding zoeken met het voorkeursverhaal. Daarmee biedt je weerstand tegen de zuigende werking. De Unieke Uitzondering is meer dan een moment. Er zijn meerdere Unieke Uitzonderingen en als therapeut ben je op zoek naar de lijn hier in. Je vraagt naar wat mensen dan doen, naar hun handelingen en je vraagt naar wat deze acties zeggen over iemands identiteit. Onze identiteit is gemaakt van vele stemmen. Het gesprek gaat heen en weer tussen deze ‘landscapes of action’ en ‘landscapes of identity’.

In de zogenaamde ‘re-authoring’ gesprekken worden de unieke uitzonderingen vergroot. Het voorkeursverhaal wordt dikker. Momenten waar de persoon tevreden of blij mee is worden beschreven. ‘Re-authoring’ vragen zijn bijvoorbeeld:

Wat leidde er toe dat dit unieke voorval mogelijk werd?

Wat deed de persoon toen dat h/zij interessant vond?

Wat was waardevol aan dit moment?

Wanneer heb je zoiets eerder gedaan?

Kan er iets beschreven worden dat eerder in het leven van deze persoon gebeurde en raakt aan deze waarde of interesse?

Wat was er destijds dat er achter deze actie zat wat belangrijk was en wat de persoon beïnvloedde om het zo te doen?

Kan de persoon een moment beschrijven van nog langer geleden, wat ook raakt aan deze interesse of waarde?

Wat zou iemand die in die tijd goed naar jou keek, zeggen over wat dat over jou liet zien?

Als je naar de toekomst kijkt hoe zou dan die waarde of interesse van jou zichtbaar kunnen worden in toekomstige acties?

‘Re-membering’

In de eindfase van de therapie worden ‘re-membering’ gesprekken gevoerd. Daar horen weer andere vragen bij. ‘Re-membering’ heeft hier niet alleen de betekenis van herinneren, het heeft ook de betekenis van opnieuw lid (‘member’) worden. Je wordt opnieuw lid van de club van mensen die samen met jou voeding geven aan jouw voorkeursverhaal.

De ‘timing’ is belangrijk. Je gaat pas ‘re-memberen’ als iemand er klaar voor is. Vragen om het ‘re-memberen’ op gang te brengen zijn:

Kun je een relatie bedenken waar je tevreden over bent? Stel die persoon eens voor.

Wat is het in deze relatie waar je blij mee bent?

Past dit nog bij iets wat in jouw leven belangrijk voor je is?

Wat doet of zegt deze persoon dat hieraan bijdraagt?

Kun je daar een voorbeeld van geven?

Wat zegt dit over wat van waarde is voor deze persoon?

Als we naar jou zouden kijken door de ogen van deze persoon, wat denk je dat ze in jou waarderen?

Als deze versie van jezelf belangrijker wordt in de manier waarop je jezelf ziet, hoe zou dit dan helpend kunnen zijn voor jou in moeilijke tijden?

Wat zou het voor deze persoon betekenen om te weten dat ze een dergelijke bijdrage leveren aan jouw leven?

Hoe zou dit passen met jouw idee over waar zij voor staan en wat voor identiteit zij graag willen hebben?

Hoe draagt dit gesprek bij aan verdere ontwikkelingen in je leven?

Uiteindelijk kwam ik door deze oefening te doen met een collega uit op het besef dat veel mensen om mij heen, net zoals ik zelf, ervaren dat leren en ontwikkelen het leukste is wat er is. Het leuke van ‘re-memberen’ is dat we beseffen dat we niet alleen zijn. Daarom is het genieten. “Relaties creëren ons in plaats van dat wij relaties creëren”, zegt de psycholoog Kenneth Gergen. De Zuid-Afrikaanse ant-apartheidsstrijder Desmond Tutu zegt ook zo iets: “People become people through other people’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie

Infant Mental Health

GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG VOOR JONGE KINDEREN

Wat een belangrijk en relatief jong vakgebied is dit, waar ik dankzij de specialistische cursus Systeemtherapie Kinderen en Jeugd mee kennismaakte! Eigenlijk moet ik zeggen dat het vooral de cliëntenpopulatie van jonge ouders is, die relatief nieuw is in de GGZ. En ook al werk ik zelf niet direct met met heel jonge gezinnen met een baby, ben ik toch dankbaar. Ook voor de toelichting op de literatuur van de klinisch psychologe Phineke Kruythoff van Infant IJburg die de zachtaardigheid en rust uitstraalde, die ik me voorstel bij een Infant Mental Health werker en die meer dan genoeg aandacht had voor de persoonlijke bijdragen van ons als cursisten. Ze wist dat dit vakgebied mensen gemakkelijk persoonlijk raakt.

We bekeken met haar de film: ‘Help me love my baby’.


Deze cursusdag maakte mij opnieuw bewust van het belang van de vroegkinderlijke ontwikkeling en relaties voor onze gezondheid, lichamelijk en mentaal. Het inspireerde me om ook in mijn houding tegenover (jong)volwassen cliënten nooit te vergeten dat we allemaal net zo kwetsbaar, zo exploratief en van het begin af aan zo relationeel geweest zijn als een baby.

Hoe het lichamelijke en het mentale samenhangen speelt binnen dit vakgebied vanzelfsprekend een belangrijke rol. Moeder en kind hebben in de zwangerschap natuurlijk al een zeer lichamelijke maar ook al mentale relatie met elkaar. Vaders blijven in deze fase vaak een beetje buiten beeld maar er zijn vaders die zeer betrokken zijn, ondanks alle vooroordelen en tegenwerking en ondanks het feit dat zij zelf niet fysiek zwanger zijn. Er zijn toch vaders met zwangerschapskwaaltjes en ook met postnatale depressie! Het mannelijke en het vrouwelijke zijn met elkaar verbonden. We hebben alle chromosomen. Er zijn volkeren in Afrika waar primair de vaders zorgen voor de kinderen en ook in de dierenwereld zijn hier voorbeelden van te vinden. Denk aan de penguins!

Hoe iets mentaals omgezet wordt in iets lichamelijks en vice versa begrijpen we steeds beter mede dankzij neurologisch onderzoek. Neem alleen al het onderzoek naar de invloed van stress op het lichaam.

Het Handboek ‘Infant Mental Health’

Kennis over zwangerschap, geboorte en vroegkinderlijke ontwikkeling is natuurlijk zo oud als de mensheid. Maar ‘Infant Mental Health’ (IMH) als vakgebied onder deze naam is relatief nieuw. In het hoofdstuk ‘Algemene en specifieke aspecten van de ouder-kindbehandeling’, uit het Handboek ‘Infant Mental Health’ van Nicole Vliegen en Marja Rexwinkel staat dat in 1965 voor het eerst de affectieve communicatie op jonge leeftijd werd beschreven. De Oostenrijkse psychoanalyticus René Spitz ontwikkelde toen de term ‘anaclitische depressie’ bij baby’s. Dit is de reactie van baby’s op het tijdelijk verlies van hun belangrijkste verzorgers. Spitz kwam deze vorm van depressie tegen in de naoorlogse kindertehuizen. Baby’s hadden daar geen vaste verzorger en sommigen gingen hier dood aan. Als een baby niet goed groeit kan dit samenhangen met problemen met de hechting.

De Oostenrijkse psychoanalytica Melanie Klein (1964) beschreef baby’s waarbij angst overheerst. Voor deze baby’s is het later moeilijk te bevatten dat ambivalentie in de relatie tot de moeder mogelijk is. Je kunt van je moeder houden maar soms ook erg kwaad op haar zijn zonder dat de continuïteit van de relatie onder druk komt te staan. Een veilig gehechte baby kan die ambivalentie ontwikkelen.

In de psychoanalyse zijn observaties uit de werkelijkheid meestal niet zo belangrijk omdat het onbewuste centraal staat maar na de oorlog, geconfronteerd met het lijden van ouderloze kinderen raakten psychoanalytici steeds meer overtuigd dat relaties in het hier-en-nu belangrijk waren om te bestuderen. De Britse psychoanalyticus en psychiater John Bowlby kwam met de gehechtheidsontwikkeling in 1969. De Britse psychoanalyticus en kinderarts Donald Winnicot kwam in die tijd met de drie functies van de vroege moeder-kind eenheid. Deze ‘holding’ is belangrijk voor:

1. de integratie van de senso-motorische ontwikkeling,

2. het faciliteren van autonomie en

3. het oefenen en experimenteren met relationele principes, met afstand en nabijheid.

‘His majesty the baby’

Kort na de geboorte is de moeder primair bezig met de baby en krijgt deze de illusie dat die één is met de moeder. Deze ‘magische omnipotentie’ van de baby moet volgens Winnicot gefrustreerd worden. Het is belangrijk dat de moeder de boze aanvallen van de baby overleeft. Bijvoorbeeld als de baby even moet wachten op een flesje. Zo kan de baby de moeder leren ervaren als gescheiden en beschikbaar voor een realistische relatie. De moeder moet ‘goed genoeg’ zijn en gewoon kunnen doorgaan met zichzelf te zijn.

Zonder ruimte in de relatie kan de baby niet groeien en geen zelfgevoel ontwikkelen. Het zelfgevoel  is mede gebaseerd op het internaliseren van de weerspiegeling in zijn moeders ogen. Als in die weerspiegeling de afweer van de moeder zit, dan zal de baby deze afweer internaliseren en ontstaat er een vals zelfgevoel. Een ècht zelfgevoel ontwikkelt zich alleen in de aanwezigheid van een sensitieve en niet opdringerige moeder. Als de moeder opdringerig, ‘intrusive’ is kan het kind niet exploreren. Ook spel en speelsheid zijn van vitaal belang om te ontwikkelen tot een actief en responsief individu.

De relatie met een knuffel of een doekje is een belangrijk tussenstadium in het loskomen van de moeder. De knuffel is een overgangs object tussen moeder en niet-moeder, tussen binnenwereld en buitenwereld.

Liefde en haatgevoelens gedurende de vroege ontwikkeling wisselen zich af en worden langzamerhand geïntegreerd waardoor bij het jonge kind een tolerantie voor ambivalentie instaat; ambivalentie over of moeder er wel of niet voor je is.

Ouder-kind behandeling

In de fase van de vroeg-kinderlijke ontwikkeling is er veel flexibiliteit. Behandelen gebeurt alleen als problemen hardnekkig zijn. En dan behandel je zowel het ouderschap als de gehechtheidsontwikkeling.

Herhalingen van ervaringen en gevoelens uit het verleden bij de ouder worden onderzocht om de relatie met het kind in het hier-en-nu te bevrijden van oude spoken. Omdat de ouder en het kind samen in therapie zijn is het proces van de intergenerationele overdracht minder geheimzinnig. Je ziet de overdracht in de interacties in het hier-en-nu gebeuren. Hierbij is een specifieke therapeutische houding vereist. Het opvangen (‘containment’) van de gevoelens speelt een grote rol.

Je moet goed oog en oor hebben; oor voor wat er gezegd wordt en oog voor de non-verbale communicatie. Goed observeren helpt om de emotionele impact van de geboorte en de moeilijke opdracht van het ouderschap te ervaren. Goed oog hebben voor de baby biedt tegelijk toegang tot de eigen vroegkinderlijke ervaringen van de ouder.

Je moet ècht praten, hoe jong de kinderen ook zijn. De baby is een volwaardig persoon in wording. Het is een talig wezen en een verlangend subject dat praat met zijn lichaam. Ècht praten betekent ook dat je de waarheid vertelt of herstelt waar die ontbreekt. In de film ‘Help me love my baby’ zien we hoe de therapeut dit doet. Met haar hand op het lichaam van de baby en de moeder naast haar in gesprek over de premature geboorte vertelt de therapeut met een zachte stem aan de baby dat haar moeder in het begin niet een baby zag maar een vreemd soort monster, waarna we zien dat de baby de moeder even aankijkt… De gevoelens van de moeder mogen er zijn. Waarheid is dat wat er gezegd wordt overeenkomt met dat wat er (onbewust) gevoeld wordt.

Contact kunnen maken met je eigen levensgeschiedenis en je inschrijven in het intergenerationele verhaal is van groot belang voor de opbouw van de identiteit.

Voortdurend beweeg je als behandelaar heen en weer tussen baby/peuter en ouders, tussen individuele en relationele perspectieven, binnen- en buitenwereld,, verleden en heden, tussen het gezin en de bredere context. Zoekend naar een verandering die de diepere lagen bereikt. Dat is niet bij ieder ouder-kind paar mogelijk. Maar er zijn verschillende niveau’s en therapeutische houdingen mogelijk binnen de IMH therapie.

De houding is iets meer lichamelijk en actief dan in een therapie met volwassenen en vindt soms ook thuis plaats. Er is niet direct aandacht voor de conflicten van de moeder. Er is eerder aandacht voor de co-constructies tussen ouder en kind. De therapeut is flexibel; soms gericht op de ouder, soms op het kind en soms op de interactie. Er wordt veel met video-opname’s gewerkt. Met elkaar worden de opname’s bekeken en vragen gesteld zoals: ‘Wat wilde je bereiken?’ Hoe voelde het?’ ‘Wat gebeurde er?’ Het niveau van de hulp kan variëren van hulp bij voeding tot hulp bij heftige scheidingsperikelen tot hulp bij specifieke ouder/kind interacties.

Het is de bedoeling dat ‘de kwade geesten’ uit de kinderkamer verjaagd worden. Psychoanalytica en maatschappelijk werkster Selma Fraiberg beschrijft in ‘Ghosts in the nursery’ (1975) hoe de baby een overdrachtsobject kan zijn voor de ouder. Door nuttige links te leggen tussen heden en verleden kun je ouder en kind bevrijden. Een moeder raakt bijvoorbeeld steeds in paniek als haar baby huilt. Ze blijkt zelf te zijn misbruikt en wanneer zij als klein meisje huilde was er niemand die haar troostte… Centraal staat wat er in het hier-en-nu gebeurt en het verleden alleen voor zover het opgeroepen wordt door het heden. Naast de ‘ghosts’ zijn er ook de ‘angels’ in de kinderkamer… en we mogen niet vergeten om die op te merken en te ontdekken. Positieve ervaringen waarin je je als ouder begrepen en geliefd hebt gevoeld helpen net zo goed als het behandelen van de traumatische representaties.

De zwangerschap zelf heeft ook een plaats binnen IMH behandeling. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld: ‘Is de interne wereld van de aanstaande ouders voldoende flexibel zodat de gedroomde, denkbeeldige baby geleidelijk plaats kan maken voor de echte baby met zijn eigen persoontje. Als de aanstaande ouders niet beschikken over een min of meer stabiele ‘coping’ strategie kan dit een symptoom zijn van onopgelost trauma die op de baby overgedragen kan worden. Ouders kunnen veranderen als ze open kunnen staan voor de echte baby. De echte baby los koppelen van de gefantaseerde baby of de gevreesde baby. Ouders leren kijken naar de baby in relationele termen. Een authentieke relatie draagt bij aan de gezondheid.

Niet alleen de ouders kunnen oude ervaringen overdragen op de baby, de therapeut zelf heeft ook representaties, herinneringen aan de eigen kindertijd die opgeroepen worden door de ouder die bij haar in behandeling komt. De therapeut moet gevoelig zijn voor deze overdrachtsprocessen, er niet over oordelen maar er over na denken.

De geboorte van het ouderschap

Het is de meest intens beleefde levensfase; het verandert de identiteit en de leefstijl en het ouderschap is levenslang. Zeker bij het eerste kind is de ommekeer immens. Het leven wordt doorgegeven en er is geen weg terug. Praktische ondersteuning is er vaak wel maar op emotioneel gebied is er weinig aanbod ten aanzien van de voorbereiding op het ouderschap.

Een goede voorbereiding helpt. Voor de moeder: Een gecompliceerde of pijnlijke bevallig kan haar kwetsen en kan ongunstig zijn voor de moeder/kind relatie. Het is alsof het zelf baby zijn en bemoederd worden in het onbewuste zijn opgeslagen en opgewekt worden. De Amerikaanse psychiater en psychoanalyticus Daniël Stern noemt dit de ‘motherhood constellation’. Vier centrale thema’s spelen een rol:

1. Kan ik dit nieuwe leven in stand houden?

2. Kan ik mij emotioneel verbinden met de baby?

3. Zal er genoeg steun zijn voor mij en mijn kind?

4. Kan ik mijn identiteit aanpassen om het ouderschap te realiseren?

Voor de vader: De intensiteit van de gevoelens in deze fase kan ook voor de vader overweldigend zijn. De zwangerschap is meestal voor de vader onwerkelijk. Het volle besef dat er een baby op komst is, komt vaak pas bij de bevalling. De relatie met de eigen vader komt in beeld maar deze is zelden een rolmodel. Mannen schijnen weinig uit te wisselen over hun emotionele betrokkenheid. Maar ook voor vaders is van belang of zij als kind voldoende tederheid en veiligheid hebben ervaren.

De baby is vanaf het begin sociaal en ordent zijn ervaringen volgens het lust/onlust principe. De vroege ouder-kind interactie is een co-constructie, een perfecte dans met timing en ritme, met pauzes, regelen van afstand en nabijheid, de beurt nemen in de interactie, uitdrukkingen in het gezicht of vocaal, enz. Tijdens het reguleren van lichamelijke processen dichten ouders hun baby allerlei intenties toe. Zij zien de baby enerzijds als hulpeloos en anderzijds als zich ontwikkelende mensjes met subjectieve ervaringen en een groeiend gevoel van een eigen zelf. De baby probeert te weten te komen wat hij van zijn ouders kan verwachten. De ouders bieden ‘holding’; een omgeving gekenmerkt door regelmaat, continuïteit, stabiliteit en afstemming. De ouder die ‘goed genoeg’ is slaagt er in om de onvermijdelijke tekorten in de interactie  constructief te hanteren en te overstijgen. In de balans tussen verstoringen en reparaties leert het kind dat spanningen te verdragen zijn.

Ouderschap en migratie

Migratie brengt een breuk teweeg zowel inter-generationeel als in de familiebanden in het hier-en-nu. Door de migratie is de identiteit van de ouders aan het schommelen naast de veranderende identiteit door deze intense levensfase overgang. De ouders missen hun eigen cultuur als ‘containment’. Ook zij hebben naar de baby uitgekeken en nu voelt het ouderschap ineens als zwaar. De Spaanse kinderpsychiater Marie Rose Moro zette ontmoetingsgroepen op voor deze ouders. Groepen die als het ware een baarmoeder zijn voor pas bevallen geëmigreerde ouders. Het spreken met elkaar herstelt de verwevenheid van culturen en brengt een nieuwe multiculturele identiteit tot stand. Bij de verwevenheid gaat het om op de toekomst gerichte nieuwe representaties en gedragingen van ouderschap. In de ontmoetingsgroepen ontstaat een lappendeken van fragmenten van identiteit die tot beschermjas of een omhullende enveloppe wordt. Sommige delen van de lappendeken zijn strijdig met elkaar, stoten elkaar af, zien er niet uit, laten een kloof tussen het zelf en het andere vermoeden. De onzekerheid van ouders in een snel veranderende wereld is soms ondenkbaar. Men verbergt de onzekerheid uit schaamte voor gezichtsverlies.

                                Illustratie: Lappendeken van Cynthia Borst

Volgens Moro kunnen we van migranten-ouders leren hoe je moet zoeken naar werkbare fragmenten tussen oude en nieuwe identiteiten. Hier krijgen alle ouders mee te maken in een snel veranderende wereld.

In het begin van het ouderschap moet je op een gezonde manier de vroegkinderlijke positie jegens je eigen ouders op kunnen geven. Dit veronderstelt de afwezigheid van een narcistische kwetsuur en een gezonde identificatie met het ouderlijke imago. Dit is een complexe opdracht die in bijzondere omstandigheden extra belast kan zijn.

De bijzondere omstandigheid van adoptie- en pleegouders

In ‘Spel in Psychotherapie‘ (2009) schreef klinisch psycholoog en psychotherapeut Eliane de Beer Hoefnagels hier een hoofdstuk over.

Ervaringen van verlies en ontreddering slaan kinderen op in een non-verbaal gebied van innerlijke ervaringen. Het kind geeft meestal geen signalen van angst en onzekerheid terwijl ze dit in spel vaak wèl laten zien.

Moeilijk gedrag van deze kinderen kan soms zo sterk en onwrikbaar overkomen dat pleeg- en adoptie ouders gauw denken aan erfelijke psychiatrische diagnoses bij de biologische ouders maar deze zeggen weinig over de mogelijkheden om contact te maken met het kind. Vaak liggen de problemen op het gebied van de emotie-regulatie maar er zijn ook problemen op het gebied van het leren en sociale problemen.

Een ‘life event’ zoals de geboorte van een halfzusje roept bij een pleeg-of adoptie kind belevingen op uit het vroegere kerngezin die niet meer gedeeld kunnen worden met de betrokkenen. Dat kerngezin bestaat niet meer in de huidige werkelijkheid. Moeilijk gedrag kan het gevolg zijn.

Pleeg- en adoptie ouders zijn soms bang om opdringerig te zijn bij deze kwetsbare kinderen of voelen zich afgewezen of buitengesloten door de houding van het kind. Maar ook het kind voelt zich alleen, niet begrepen, niet aangevoeld. Dat is de kernervaring. Het kind geeft negatieve signalen af maar heeft behoefte aan contact. De ouders moeten leren om op een subtiele manier nadrukkelijk aanwezig te zijn.

Er kan toe gewerkt worden naar een narratief waarin de geboortegeschiedenis een plek krijgt naast de ‘wedergeboorte’ in het nieuwe gezin. De houding van de therapeut is er een van meervoudige partijdigheid naar ouders, adoptie- en pleegouders, het kind, enz. Bij deze nieuw samengestelde gezinnen gaat het wat betreft de relatie tussen de stiefouder en het kind vaak om het acceptabel maken van ambivalente en ambigue gevoelens over en weer. Het gaat over het ‘gewoon maken’ van de verschillen tussen het oorspronkelijke en het nieuwe gezin.

Kunnen de ouders nadenken en praten over het verleden ook al is het pijnlijk? De therapeut moet een inschatting maken van de hechtings-stijl en de veerkracht van het systeem. Het begrip ‘goed genoeg’ ouderschap moet meteen geïntroduceerd worden.

Kinderen die om wat voor reden dan ook niet meer bij hun biologische ouders wonen betrekken deze toestand meestal negatief op zichzelf. Het gaat om de beleving van niet gewenst zijn, leidend tot een gevoel van niemand zijn of nergens echt bijhoren. Een algemeen gevoel van niet goed genoeg zijn. Kinderen met een kwetsbare gehechtheid, met trauma’s of ervaringen van afgewezen zijn of in de steek gelaten en die te maken krijgen met meerdere ouderfiguren, hebben problemen met het integreren van alle verschillende invloeden. Dat kunnen ze in de beginfase van de therapie vaak al laten zien.

Tegenoverdracht creatief inzetten

Graag bericht ik nog over een artikel dat speciaal ging over de ambivalentie in het ouderschap. Het was geschreven door psycholoog en psychotherapeut Katie-Lee Weille: ‘Ambivalence in parenthood: on creativity and destruction’.

Winnicot schrijft over de haat, de woede en de frustratie die ouders kunnen voelen in de relatie met hun kinderen en hoe hen dat kan destabiliseren. Ouders zijn gewoon net als iedereen subjectieve wezens met een innerlijke wereld, een temperament en een geschiedenis. Datgene waar je van houdt kun je ook haten. Deze ambivalentie en de algehele subjectieve ervaring van het ouderschap is een weinig onderzocht verschijnsel. De meeste literatuur gaat over de ontwikkeling van kinderen en hoe ouders hierin kunnen opvoeden. Alice van der Pas heeft het in Nederland als eerste over de psychologie van het ouderschap.

De reacties van een therapeut kunnen intens zijn en kan het werken met ouders bemoeilijken. Therapeuten kunnen als redder van het kind gaan optreden waardoor er een dynamiek ontstaat tussen de ouders en de therapeut. Therapeuten moeten iets willen doen met die dynamiek van de tegenoverdracht.

De psychologie van de ouder kan niet begrepen worden louter door de lens van een kindertherapeut. De kwaliteit van de ouderbegeleiding hangt af van de mate waarin de therapeut de ouder begrijpt en daar speelt het begrijpen van de ambivalentie een belangrijke rol in.

Ambivalentie is een conflict tussen tegenovergestelde wensen. Voor de ouder tussen liefde en haat; tussen het verlangen om vast te houden en van je af te duwen. Tederheid kan weggevaagd worden in één seconde en plaats maken voor woede. Moederlijke ambivalenties worden het strengst beoordeeld door de omgeving. Maar wat over moederlijke ambivalenties geschreven is geldt ook voor vaders.

Ambivalentie gaat gepaard met een ‘mismatch’ van subjectieve behoeften tussen ouders en kinderen. Als niets de kinderen tevreden kan stellen voelt de ouder zich beroofd, gefrustreerd en hulpeloos. De ouder is zowel subject als object in de relatie tot het kind.

In de strijd om dingen goed voor elkaar te krijgen als ouder kan deze wanhopig en boos worden op de baby en tegelijk denken dat zij/hij niet goed genoeg is. De weigering van het kind wordt haar/zijn fout. Ambivalentie komt gemakkelijk op als gevolg van allerlei pogingen om het kind te sussen en te bevredigen.

Een moeder die haar kind voor het eerst alleen naar school laat gaan kan tegelijk trots zijn op het kind maar het ook haten omdat ze door een enorme angst heen gaat over een mogelijk ongeluk.

Complementariteit als illusie

Begrijpen van ambivalenties werpt licht licht op de blokkades om over ouderlijke subjectiviteit na te denken. Waarom zouden we ons als therapeuten afsluiten van de ouder’s woede? Is dat omdat we het ouderschap bekijken in het licht van de ‘complementaire relatie’? De een zorgt, de ander wordt verzorgt? De een staat op de achtergrond, de ander op de voorgrond? De een is object, de ander subject? Als we blijven kijken naar de relatie als een complementaire relatie dan kunnen we de ouders niet meer zien als subject. Deze beperkte blik komt veel voor in de wetenschap.

Natuurlijk is de baby afhankelijk en heeft het recht op verzorging en toch kan moeder’s subject zijn niet ontkend worden. Moeder is meer dan alleen object. Het is een illusie dat de ouderlijke subjectiviteit bijna altijd complementair is aan de subjectiviteit van het kind. Winnicot suggereert dat de woede van de moeder – ofwel haar behoefte aan eigen ruimte en subjectiviteit – op een of andere manier wel afgestemd zal raken op de behoefte van de baby om onafhankelijk te worden en de behoefte om zijn ‘magische omnipotentie’ los te laten. Winnicot zegt: ‘the baby needs her hate’. Maar zo blijft de complementaire relatie in stand.

Winnicot heeft het niet over het ongemak van deze ‘haat’ voor de moeder en het conflict dat zij kan voelen over het voor laten gaan van haar eigen behoeften en haar subjectiviteit. Iedere ouder hoopt dat de eigen behoeften zullen samen vallen met die van hun kind. Ouders willen goede ouders zijn. Ze willen zich competent voelen. Dat laadt de emotionele batterijen op, is motiverend en geeft zelfvertrouwen. Het probleem zit hem er echter in dat het de ouder iets doet als deze zich niet intuïtief voelt afgestemd op het kind.

Als ouders hun zorgen hierover uiten bijvoorbeeld als de baby niet wil drinken, dan worden ze vaak afgescheept met dat de natuur zijn werk wel zal doen. Maar natuurlijke instincten kunnen ook falen. Conflicterende gevoelens bestaan. Wat als de moeder niet op kan tegen haar eigen behoefte om zelf afhankelijk te zijn of tegen het verlies van haar empathie. Wat als ze de wens heeft om de huilende baby te laten vallen? Wat dan?

Niet bang zijn voor ambivalentie

De moeder als ‘container’ is allesbehalve statisch. Een moeder kan zich verrijkt of leeg voelen, vervuld of overvol, krachtig of gecommandeerd, uitnodigend of afwijzend, enz. Ze staat steeds weer voor de spanning tussen macht en machteloosheid, tussen subjectief en objectief, tussen keuze of zonder keuze. We moeten het idee dat de moeder weigert, wraak neemt of instort confronteren. Zelfs een ‘goed genoeg’ moeder kan haar kind gaan gebruiken als ‘container’ voor haar eigen gevoelens en behoeften. Hier ligt het probleem waar ambivalentie toe kan leiden. Een ouder kan op een of andere onacceptabele manier een kind gebruiken, emotioneel of fysiek.

Van ouderlijke goedheid gaan we dan over in ouderlijk misbruik. Misschien is het omdat we hier bang voor zijn dat het moeilijk is om na te denken over de mogelijkheden die er liggen tussen goedheid en misbruik. Er is een spectrum van acceptabele en niet acceptabele ouderlijke vormen en momenten van subjectiviteit. Een rits ruw dicht ritsen of andere korte momenten van agressie zullen de liefste moeders wel kennen. Er is ook een spectrum aan goede en slechte gevoelens op het gebied van de sensualiteit. Intimiteit kan overspoeld raken door erotiek of seksualiteit en het onderscheid tussen goede en slechte gevoelens is vaak niet duidelijk. Bewustzijn van sensuele gevoelens hoeft niet automatisch te leiden tot misbruik.

Een pijnlijke confrontatie met de subjectiviteit van haar eigen moeder kan een moeder tegenhouden om de eigen subjectiviteit toe te staan. De moeder gaat zich realiseren wat haar eigen moeder tegenover haar moet hebben gevoeld.

De triade grootmoeder-moeder-baby is de kern van de ‘motherhood constellation’. De moeder werkt haar eigen relatie met haar moeder uit tijdens haar moederschap. Dit kan een bron zijn waar zij uit putten kan.

Terwijl ouders werken aan de bewustwording van hun eigen subjectieve ervaringen als kind worden ze zich ook meer bewust van de belevingen van hun ouders. Hier zit veel repareer-potentie in voor alle partijen.

Als we niet bang zijn voor ambivalentie, subjectiviteit toe staan en onze complexe en conflictueuze innerlijke wereld accepteren kunnen we heel veel repareren.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Systeemtherapie

Het kind in de systeemtherapie

Dit is het thema van de eerste dag van een cursus die ik momenteel doe. We moeten er aardig wat vakliteratuur voor lezen. Gelukkig had ik er meteen iets aan voor de dagelijkse praktijk. Alleen al het voorwoord van John Burnham bij het boek van Jim Wilson: ‘Child-focused practice. A Collaborative Systemic Approach’ was inspirerend.

Burnham belooft in zijn voorwoord namelijk dat Wilson verder zal gaan dan het beschrijven van verschillende therapeutische technieken. Hij zal ook schrijven over wat je als therapeut achteraf leert van een sessie, hij zal het hebben over het stoppen van een sessie als je die niet productief vindt, over hoe je je eigen tekortkomingen kunt toegeven zonder het vertrouwen van de cliënt kwijt te raken, over hoe je eigen ervaringen kunt delen, enz. Al deze niet zozeer technische zaken houden me inderdaad bezig.

Maar Wilson zal wel degelijk therapeutisch gereedschap aanreiken vooral om op een zodanige manier met kinderen te werken dat hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen op hun eigen leven bevorderd worden en ook om op een manier met volwassenen te werken dat hun vaardigheden om voor kinderen te zorgen nieuw leven krijgen ingeblazen en natuurlijk zal hij het hebben over hoe je ruimte kunt scheppen voor een betere communicatie tussen kinderen en volwassenen.

Ik pluk een aantal dingen uit de eerste hoofdstukken die een gezinstherapeut verder op weg kunnen helpen.

  • Hoe je over een gezin nadenkt wordt niet alleen bepaald door wat de ouders jou er over vertellen.
  • Het verhaal van de ouder moet niet de enige waarheid worden.
  • Welk woord geeft het kind aan het probleem?
  • Niet alles wat je tijdens een sessie opmerkt hoef je meteen naar voren te brengen.
  • Probeer een algemeen beeld van het leven van het kind te krijgen.
  • Probeer het verlangen van de ouder om de problemen van het kind te beschrijven uit te stellen.
  • Praat over hun leven binnen en buiten het gezin.
  • Hoe vinden ze het om hier te zijn?
  • Probeer een beeld te krijgen van de sterke punten van het gezin.
  • Verwacht niet dat kinderen het over hun gevoelens zullen hebben.
  • Vraag het kind eerst of je het kunt hebben over een pijnlijk onderwerp.
  • De eigen beschrijving van de zorgen die het kind heeft kun je verweven met die van de andere gezinsleden.

Een mooie beschrijving van een stukje gesprek:

One reluctant young teenage boy was brought to therapy by his mother but refused to be drawn into ‘problem talk’, despite his mothers prompting. I quickly turned my attention to non-problem areas of his life. I asked if I could hear more about his life “to help me get a bigger picture”. He reluctantly agreed and after some prompting he told me that one of his pastimes was playing the guitar. I secretly lit up inside because playing the guitar is one of my personal passions and asked him more about his interest in music. He described a number of musicians from an era well before he was born. When I asked him how he became so interested in music, he explained that his father had given him many records which he still listened to. This allowed the beginnings of a discussion about the importance of his father: he had committed suicide eighteen months earlier, and since then the boy had not talked to anyone about his relationship with his father.

Wilson neemt nogal wat gesprekken op en legt uit aan de gezinnen dat de opnames hem helpen om te kijken naar hoe hij met hen praat. Eerst vraagt hij hier natuurlijk toestemming voor. Enkele grondregels zijn voor hem dat iedereen het recht heeft om mee te praten maar ook om te zwijgen. Het is maar goed ook dat de meeste mensen goed nadenken over aan wie ze hun zorgen vertellen!

Je mag als therapeut niet in de ‘expert’ positie gaan zitten die de kinderen wel eens aan het praten zal krijgen omdat je de ouders niet teleur wil stellen. Therapie moet niet een krenkende of tenenkrommende ervaring worden. Je kunt wel zoeken naar andere woorden die achter de verwijten liggen. Want verwijten zijn er vaak.

Basisregels

Als er veel verwijten zijn kun je familieleden een keer apart uitnodigen. Wilson wil eventueel wel de scheidsrechter zijn maar als de regels van de scheidsrechter worden overtreden en er aan de verwijten geen einde komt dan stopt hij de sessie. Je hoeft als therapeut geen held te zijn.

Je onderzoekt hoe de verschillen of conflicten geuit kunnen worden en hoe deze nuttig kunnen worden. Waar je op moet letten is dat sommige manieren van praten vernederend kunnen zijn of een gezinslid ernstig in verlegenheid kunnen brengen en hier ligt dan ook een grens of grondregel waaraan je iedereen moet houden. Mochten deze basisregels zijn overtreden dan kun je daarvoor je verontschuldiging aanbieden. Je hoeft hierbij andere gezinsleden niet te beschuldigen; je kunt gewoon toegeven dat jij een therapeutische vergissing maakte zonder daarin jezelf weer te vernederen. Vergissen is menselijk.

Als de gemoederen hoog oplopen en je jezelf ‘niet meer kunt horen denken’ maak je enkele kalmerende gebaren of opmerkingen, ga je zachter praten en herinner je iedereen nog even aan de basisregels zoals dat er zo weinig mogelijk door elkaar gepraat wordt en dat jij als therapeut niet naar iedereen tegelijk kunt luisteren en niet alle details kan onthouden.

Vragen die je aan kinderen kunt stellen

Open vragen zijn voor kinderen moeilijker dan meer-keuze vragen. Een leuke meerkeuze vraag van Wilson aan een 11 jarig meisje:

Clare, do you think that being brought here was more like being brought to see the headmaster for doing something wrong… or the dentist because you had a toothache… or would be a little bit worrying but sort of OK… or something else?

Als je toestemming hebt om over pijnlijke dingen te vragen kun je nog vragen of je vraag OK is of stom. Je kunt vragen hoe het kind er over praat met zijn vrienden. Je moet niet gaan interpreteren maar je mag wel raden naar emoties of gedachten. Over de vader die zelfmoord pleegde (zie hierboven) vroeg Wilson:

“I imagine your dad must have been very unhappy with himself to decide he would take the pills.”

“I imagine he locked himself in the bathroom so nobody would be able to stop him from swallowing them. He must have been sure he wanted to take them.”

Je kunt wel raden naar emoties maar je mag niet dramatiseren. Eventueel kun je gevoelens opschrijven in een wolk boven een tekening van de familieleden. Zo worden de gevoelens los gezien van het individuele gezinslid en worden ze een systemisch fenomeen. Een wolk is een mooie metafoor want een wolk kan ook weer overwaaien, leeg regenen of opgelost worden door zonneschijn. Je kunt het over gevoelens hebben met werkwoorden en vragen naar wat het kind doet als het verdrietig of boos is. Geef kinderen altijd de mogelijkheid om niet te antwoorden op een vraag.

Vertalen in kindertaal

Er is een verschil tussen de taal van volwassenen en kinderen. De betekenis van volwassen woorden kan zelfs duidelijker worden in kindertaal. Bijvoorbeeld:

Appropriate                                       ‘right thing to do’

Appointment                                     ‘when we meet again’

Boundary                                            ‘not giving in, saying ‘yes’ or ‘no’

Anxious                                               ‘worried, nervous’

Depression                                         ‘sad, down’

Confusion                                           ‘just don’t know what to think’

Communication                                ‘talk’

Relationship to                                  ‘how you get on with’

Reflecting Team                                ‘our listeners’

Speculation                                         ‘guess’

Acting out                                            ‘what you do when you have a problem’

Reflection                                            ‘what i think, feel’

Context                                                 ‘all the things and people important to us’

Genogram                                            ‘family tree’

Interaction                                           ‘what he or she does and what you do back’

Outcome                                               ‘what happened at the end’

Help mensen als therapeut om te bedenken dat je kunt verschillen van de anderen in het gezin zonder dat men daarom niet meer van je houdt. Vraag: Hoe kun je verschillen en toch om elkaar geven?

Je kunt raden naar de reactie van een ander, hoe een soortgelijk probleem in de toekomst opgelost gaat worden, raden naar wat er moet gebeuren zodat het probleem verdwijnt, raden naar wat het gezin gaat doen als het probleem is opgelost, raden naar hoe er met een probleem zou zijn omgegaan in de tijd dat de ouders zelf jong waren. ‘Wat als’ vragen tillen gezinsleden op naar een ander tijdsbestek.

Je kunt vragen naar de sterkte van een probleem op een schaal van 1 tot 10. Je kunt gebruik maken van metaforen in je vragen. Een jongen van 12 had schuldgevoelens die bij elkaar wel een ton wogen. De volgende sessie vroeg Wilson of de jongen nog wat had kunnen wegbikken van het gewicht. In een gezin waar de vader ergens anders is gaan wonen brengt Wilson in dat in die situaties gezinsleden zich vaak voelen alsof ze in het diepe gegooid zijn. Aan een van de kinderen vraagt hij: “Hoe diep denk je dat iedereen zich erin gegooid voelt?” “Is je vader aan het rond spartelen, naar adem happend of zwemt hij ver vooruit je?” “Heb je het gevoel dat je bijna verdrinkt of ben je bezig naar het ondiepe te zwemmen?”

Wilson gebruikt de metafoor van twee eilanden: ‘Lost Island’ en ‘Found Island’, en hij tekent twee grote cirkels op een vel papier. Iedereen kan potloden pakken. Nadat ze hebben getekend wat er op die eilanden te vinden is begint hij samen met het gezin een brug te tekenen tussen de twee eilanden… Hoe ziet die brug er uit? Hoe groter de verschillen hoe mooier de brug?


 

We kregen een artikel van Peter Rober te lezen: ‘Kindertekeningen in de gezins-therapeutische sessie’ uit het Tijdschrift voor Systeemtherapie, 2006, jaargang 16, nr 4.  Rober biedt een dialogische benadering van het onderwerp. Gezinstherapie is volgens hem een dialoog over dingen die moeilijk zijn. Hij wil ruimte maken voor dingen die nog niet gezegd zijn.

Dialogisch in dit geval is dat niet zozeer de achterliggende betekenis die de expert heeft van de kindertekening van belang is, maar dat de dialoog tussen alle betrokkenen over de betekenis van de tekening van belang is. De therapeut probeert een gesprek op gang te krijgen waarbij zoveel mogelijk betekenissen ruimte krijgen. Je bent nieuwsgierig en wil graag over de tekening praten. Je geeft je associaties bij de tekening en het kind kan afwachten of reageren. Dit is veiliger dan een ondervraging over de tekening. Welke associaties hebben de anderen? Dan vraag je naar de relevantie voor de therapie.

Rober heeft ook een dialogische visie op communicatie. Taal is een instrument om ons samenleven te structureren en onze handelingen te coördineren. De therapeut gaat niet in op de inhoud maar bouwt het verhaal van het gezin uit. Begrijpen is praktisch verder kunnen uitwisselen. Is een emotie bespreekbaar? Je ontwikkelt samen met het gezin een context van veiligheid waarin onzekerheid verdragen kan worden en exploratie mogelijk is.

De therapeut nodigt uit om samen betekenissen te onderzoeken maar er is ruimte en aandacht voor aarzelingen.


Ook lazen we van Diane Gehart: ‘Creating Space for Children’s Voices: A Collaborative and Playful Approach to Working with Children and Families’. Gehart maakt er net als Wilson een punt van dat we ruimte moeten maken voor de kinderstem in plaats van dat we ouders laten vertellen hoe lastig hun kind is.

Kinderen hechten andere betekenissen aan gebeurtenissen dan volwassenen en kinderen willen niet praten maar iets doen, iets meemaken. Naast woorden hebben ook handelingen betekenis. Kinderen leren wat OK is en leren sociaal te navigeren door acties en reacties.

Door acties en reacties, over en weer, creëren mensen, meestal zonder dit te beseffen, een voortdurende zee aan mogelijkheden en beperkingen, aan privileges en aanspraken, aan feedback, enz. In de kindertijd leren we dit door acties en later meer door woorden. Gezinstherapeuten zouden minder afhankelijk van woorden moeten worden.

Kinderen zijn het ‘gezonde verstand’ nog aan het ontwikkelen. Het gebrek aan ‘gezond verstand’ moet gezien worden als een bron van verandering. De therapieruimte moet kindvriendelijk zijn. We moeten de tijd nemen om naar het kind te luisteren. De therapeut moet echt nieuwsgierig zijn naar het wereldbeeld en het perspectief van het kind en niet in de expert positie gaan zitten. Hoe geeft het kind betekenis aan zijn ervaringen, zowel binnen als buiten het gezin?

De therapeut mag komen met gepaste maar ongewone reacties want die kunnen leiden tot reflectie of tot nieuwe zienswijzen. Die ongewone reacties hoeven niet verbaal te zijn, soms teken je iets, of schrijf je een woord op een bord of zeg je iets tegen een pop of maak je gebaren. Als je met een kind of een puber het gevoel hebt de plank mis te slaan vraag dan of het wel gaat over waar het over moet gaan.

Unieke wijzen van vertellen vinden plaats in een zandbak, een tekening of een poppenhuis. Soms wordt daar de interne dialoog zichtbaar. Gehart maakt gebruik van samen gemaakte bordspelen waarbij gezinsleden zelf gemaakte opdrachten krijgen of vragen moeten beantwoorden als ze op een bepaald vakje komen met hun pion. Opdrachten kunnen zijn: Vertel een leuke familieherinnering, deel iets van wat je waardeert in een ander familielid. Vragen kunnen zijn: Wat hoop je ten aanzien van…? Wat is je grootste zorg over…? Je kunt gebruik maken van poppen en rollenspelen.

Als gezinsleden elkaar niet laten uitspreken kun je een bal gebruiken. Wie de bal heeft mag spreken.

Expressie in tekeningen of klei resulteren in beelden die meer zeggen dan 1000 woorden. Eindeloze en wonderlijke mogelijkheden komen voort uit de kinderstem.

1 reactie

Opgeslagen onder Systeemtherapie

Opwarming van de aarde is een systemisch probleem

Milieujournalist Richard Heinberg is op de systeemtheoretische toer net als ik zelf als therapeut. Hij wordt geciteerd in de laatste nieuwsbrief van Jelmer Mommers*, dè milieuman van De Correspondent en beide journalisten bevinden zich in goed gezelschap. Een klein stukje uit Mommers nieuwsbrief:

‘We must restrain ourselves,’ schrijft Heinberg, ‘like an alcoholic foreswearing booze. That requires honesty and soul-searching.’ Op De Correspondent hebben denkers als Naomi Klein en paus Franciscus dat eerder ook bepleit.

Zoals u weet gaat het bij ‘soul-searching’ om een diepe en noodzakelijke beschouwing van onze emoties, motieven en de juistheid van ons handelen. Wij zullen volgens Heinberg net zoals de alcoholist moeten gaan matigen willen we prettig kunnen blijven leven op deze planeet.

Heinberg heeft een manifest geschreven: ‘There is no app for that’. Hij is Senior Fellow van het Post Carbon Institute en wordt in het algemeen beschouwd als een van de voornaamste bepleiters van de noodzaak om af te stappen van fossiele brandstoffen.

Ook Mommers vraagt zich af hoe wij opnieuw kunnen leven binnen de draagkracht van de aarde. Een deel van het antwoord is voor hem onvermijdelijk nl. dat de rijkste consumenten hun impact moeten verkleinen. Maar ook de gemiddelde Nederlander vervuilt en verbruikt alsof er 3,6 aardes zijn, stelt Babette Porcelijn in haar boek: De verborgen impact.

Het probleem is dat we het grootste deel van de impact die we veroorzaken niet zien. En bij het leren waarnemen en het matigen is de ‘soul-searching’ dus nodig.

Ik besloot om eens diep in het artikel van Heinberg te duiken en vooral ook om het filmpje te bekijken dat bij het artikel en het manifest hoort. In 2 minuten krijg je een uitleg over welke rol de technologie heeft gespeeld en in de toekomst nog spelen kan bij het oplossen van problemen. Mooi gemaakt en indrukwekkend!

Wat wij niet zien is dat we voorbij gaan aan onszelf

De kern van het ecologische probleem zit ‘m volgens Heinberg niet in de opwarming van de aarde zelf. Het probleem zit ‘m in de ‘overshoot’, ‘het voorbij gaan aan’, ‘het voorbijstreven van’ waar wij als mensen mee bezig zijn, waarbij de opwarming van de aarde een symptoom is.

Het voorbij gaan aan onze diepere trauma’s, onze werkelijke behoeften en gevoelens is ook in psychologisch opzicht natuurlijk een van de grootste oorzaken van allerlei problemen, denk aan stress, depressie, angst, ‘burn out’, enz. Andere oorzaken van psychische symptomen zitten volgens systeemdenkers o.a. in de manier waarop we met elkaar omgaan. Ook daar staan we vaak niet bij stil en streven we aan voorbij.

‘Overshoot’, het voorbijstreven, is volgens Heinberg een systemisch probleem en dat zit zo: De laatste anderhalve eeuw hebben de enorme hoeveelheden goedkope energie uit de fossiele industrie, de groei, de productie en de consumptie mogelijk gemaakt wat leidde tot overbevolking, vervuiling, verlies van de natuurlijke leefomgeving en verlies van biodiversiteit. Het systeem van de mensheid breidde zich enorm uit en ging ondertussen voorbij aan de lange termijn vermogens van onze aarde. We hebben de ecologische systemen waar we afhankelijk van zijn, van streek gemaakt.

Zolang we deze systemische onbalans niet echt begrijpen en aanpakken zullen symptomatische oplossingen zoals het tegengaan van vervuiling, het redden van bedreigde diersoorten en het voeden van een groeiende bevolking met genetisch gemodificeerde gewassen, niet meer zijn dan een reeks eindeloze pleisters op de wonden die te weinig effect hebben.

De milieubeweging van de jaren ’70 van de vorige eeuw profiteerde nog van het denken in systemen. Deze manier van denken was toen in de mode en de wetenschap die de wisselwerking tussen organismen en hun omgeving bestudeerde, de ecologie, was op zichzelf een systemische wetenschap. Alle vooraanstaande ecologen zagen het milieu, de maatschappij en de mensheid als ten diepste met elkaar verbonden.

Maar naarmate de opwarming van de aarde als onderwerp is gaan domineren, lijken de systemische verbanden te zijn vervaagd. Opwarming en ecologische problemen zoals overbevolking, vervuiling, uitsterven van soorten, verlies van gezonde bouwgrond en schoon drinkwater worden nu veel meer als los van elkaar bekeken. Waarom is dit?

Zijn klimaatwetenschappers gaan denken dat het denken in systemen te moeilijk is voor beleidsmakers? Denken ze dat ze het niet kunnen maken om te zeggen dat ons hele economische systeem moet veranderen? Is het misschien gemakkelijker om te zeggen dat er een probleem is met vervuiling en dat daar technische oplossingen voor zijn? Is het misschien gemakkelijker om de daarmee samenhangende problemen (overbevolking, biodiversiteit, enz.) dan maar op de achtergrond te plaatsen?

Beleidsmakers en industriëlen blijven liever in dezelfde ‘mind-set’

Het antwoord op deze vragen moet wel ‘ja’ zijn. Als klimaatverandering namelijk gezien wordt als een losstaand probleem waar een technische oplossing voor is, dan kunnen beleidsmakers en economen op de voor hen bekende terreinen blijven opereren. Ze hoeven hun ‘mind-set’ niet te veranderen. Technologische oplossingen als zonne-pannelen, windmolens, kernenergie, batterijen, elektrische auto’s, en als alles faalt het beïnvloeden van de kracht van de zon via atmosferische aerosolen, vereisen een zelfde manier van denken als financieel investeren of industrieel produceren. Systemisch denken is daarvoor niet vereist.

Men hoeft dan niet in te zien hoe menselijke systemen werken op het systeem aarde. Het enige waar de beleidsmakers zich dan mee bezig hoeven houden is het transplanteren van investeringen, het geven van bepaalde opdrachten aan andere ingenieurs en beleid maken zodanig dat de nieuwe banen in de groene industrie compenseren voor het verlies van banen in de fossiele industrie.

Deze ‘techno-fix’ strategie veronderstelt dat we op een zeker moment in de toekomst in staat zullen zijn om een systeemverandering te installeren en dat het probleem van de opwarming en alle andere symptomatische crises opgevangen kunnen worden met een of andere techniek. Deze manier van denken komt beleidsmakers en investeerders bekend voor. Iedereen houdt van techniek. Techniek lost bijna alle problemen op: ziektes, voedseltekorten, vervoer, enz. enz. Waarom zou techniek niet ook de opwarming van de aarde kunnen oplossen?

Technologische oplossingen zijn te oppervlakkig en de technocraat is allergisch voor vermindering van groei

Heinberg heeft zich maandenlang samen met wetenschappers beziggehouden met technische oplossingen. Hun conclusie is dat kernenergie te duur en te riskant is en dat zon- en wind energie – als zij een grote hoeveelheid van het totale gebruik aan elektriciteit voor haar rekening wil nemen – drie grote strategische problemen moeten oplossen: de overtollige productie van energie, de opslag van energie en de aanpassing aan de vraag. Tegelijkertijd moeten de industriële landen ten aanzien van het gebruik van energie geheel overstappen op elektriciteit.

Deze energietransitie wordt een enorme onderneming, ongekend in zijn vereisten ten aanzien van het investeren en het vervangen. Als je de grootte van de transitie goed beschouwd dan zie je niet hoe onze huidige energieproductie gehandhaafd kan blijven.

De grootste horde die dus genomen moet worden is de schaal! Alleen als de enorme hoeveelheid energie die de mensheid nu gebruikt, aangepakt wordt is de kans op een weg naar een post-carboon tijdperk geloofwaardig.

Het verminderen van energiegebruik betekent een vermindering van industrie, van fabricage, van transport, van afval, enz. enz. En dàt is een systemische interventie. Een interventie waar de ecologen van de jaren ’70 in de vorige eeuw toe opriepen: “Reduce, re-use and recycle”. Ook de bevolkingsaanwas moet verminderen. En hier raken we aan de kern van het probleem en juist voor de interventie van het verminderen, het matigen, zijn technocraten, industriëlen en investeerders op een kwaadaardige manier allergisch.

Het ecologische betoog is in essentie een moreel betoog

Elke systeemdenker die begrijpt wat ‘voorbij gaan aan en voorbijstreven’ betekent en die ‘consuminderen’ voorschrijft als behandeling, is in feite bezig met de behandeling van verslavingsgedrag. Onze maatschappij is verslaafd aan groei en dat heeft verschrikkelijke gevolgen voor de planeet en als gevolg daar weer van, voor ons zelf. We moeten ons collectieve en ons individuele gedrag veranderen en iets opgeven waar we afhankelijk van zijn: de macht over onze omgeving. We moeten leren matigen net als de alcoholist en daar is eerlijkheid en ‘soul-searching’ voor nodig.

De milieubeweging kwam in de jaren ’70 nog wèl met het morele betoog en het werkte tot op zekere hoogte. De bezorgdheid over de snelle bevolkingsgroei bijvoorbeeld leidde in de hele wereld tot geboortebeperking. Bezorgdheid over biodiversiteit en vervuiling van lucht en water leidde tot regulering.  Maar het was niet genoeg.

Sommige milieu theoretici, de eco-modernisten hebben het morele gevecht laten vallen. Hun rechtvaardiging daarvoor is dat mensen een blijmoedige toekomst-visie willen en niet een die om opoffering vraagt. Alleen de techniek biedt hoop denken zij nu.

Het punt van Heinberg is dat zelfs als een moreel betoog van milieuactivisten faalt, de techniek ons niet gaat redden. Volgens hem zal zèlfs een reusachtige investering in de nieuwe technologie ons niet redden of het nu om kernenergie of om zonne-energie gaat. Techniek biedt geen hoop.

Het goede nieuws

De morele milieubeweging is tekortgeschoten omdat het niet in staat was om het kernprincipe van de industriële maatschappij te veranderen. Dat kernprincipe is: het voluit gaan voor groei ten koste van alles. Het kern-principe is het geloof in ‘groei-isme’. Als we hier niet overheen komen betekent dit niet alleen het falen van de milieubeweging maar ook het falen van de beschaving.

Het goede nieuws is echter dat systemische veranderingsprocessen fractaal van aard zijn. Dit houdt in dat systemische verandering handeling vereist op verschillende niveau’s tegelijk. We kunnen op individueel zowel als op gemeenschappelijk niveau in actie komen. Op individueel niveau kunnen we ons gedrag bijstellen. We hoeven niet te wachten op een catharsis op globaal of nationaal niveau. Zelfs als onze individuele pogingen de consumptiemaatschappij niet redt dan kunnen ze in ieder geval een zaadje planten van een mensheid die waardig is om te overleven.

En het andere goede nieuws is dat als wij mensen er voor kiezen om te minderen zowel in aantal als in consumptie dat dan de technologie ons kan ondersteunen. Techniek kan onze voortgang bij het minderen begeleiden, ook simpele technische middelen kunnen helpen en sommige technologie kan ons zelfs helpen bij het herstel van ecosystemen. Maar het zijn niet de machines die de belangrijkste keuzes zullen maken en ons op een duurzame weg zullen zetten. Dat zal een systemische verandering die geleid wordt door een moreel ontwaken wèl doen. En dat is niet alleen onze enige hoop, het is de enige hoop die we ooit gehad hebben.

Over het matigen van de grote verschillen tussen arm en rijk 

Graag voeg ik aan Heinberg’s artikel en systemische analyse van de milieuproblematiek iets toe. Wat ik mis in zijn pleidooi is dat het vooral de rijken en de rijke landen zijn die reusachtige hoeveelheden fossiele energie gebruiken en dat het vooral de rijke landen zijn die moeten matigen. Jelmer Mommers van De Correspondent benoemt dit wèl expliciet.

Ook in een volgende nieuwsbrief van Mommers* is bijvoorbeeld te lezen dat de Guardian- columnist George Monbiot heel duidelijk het kapitalistische systeem aanwijst. Echt praten over klimaatontwrichting is het hele systeem waarin we leven ter discussie stellen. Monbiot:

‘It is to challenge the very basis of capitalism; to inform us that our lives are dominated by a system that cannot be sustained – a system that is destined, if it is not replaced, to destroy everything.’

Naomi Klein heeft het over het roofkapitalisme dat mens, dier en klimaat vermorzelt en over het ‘ecocidale’ kapitalisme, het kapitalisme dat de natuurlijke omgeving verwoest. Lees vooral haar verslag van het inspirerende verzet tegen de oliepijpleiding bij het indiaanse reservaat Standing Rock in Noord-Amerika: Een jaar na Standing Rock is het verzet tegen Donald Trump springlevend.

Uit de serie Faces of Standing Rock van fotograaf Mico Toledo

Verbetering van de positie van vrouwen, minder armoede en betere verkrijgbaarheid van voorbehoedsmiddelen kunnen veel betekenen bij het afremmen van de overbevolking. Wanneer milieudeskundigen eenzijdig wijzen naar overbevolking in arme landen, wat Heinberg overigens niet doet, dan moeten we op onze hoede zijn want het klimaatprobleem wordt nu juist veroorzaakt door de rijke landen, door bedrijven zoals Shell en ExxonMobile die veel belang hebben bij onze verslaving aan hun producten. Het gaat hier om bedrijven waar arme mensen in arme landen veelal het slachtoffer van zijn.

Heinberg heeft het er over dat milieudeskundigen het niet meer aandurven om te adviseren dat het hele economische systeem moet veranderen maar hij noemt in zijn artikel het systeem niet bij naam. Bij een systemische aanpak hoort denk ik ook dat we man en paard noemen. Het gaat om het kapitalistische systeem dat de grote verschillen tussen arm en rijk veroorzaakt, een systeem waarbij de productiemiddelen in handen zijn van grote bedrijven die winstmaximalisatie als doel hebben. Laat het duidelijk zijn dat vooral dit onder het ‘groei-isme’ valt. In zijn manifest ‘There’s no app for that’ noemt Heinberg de ongelijkheid tussen rijk en arm wel als problematisch maar hij meent dat dit probleem ons afleidt van de ecologische aspecten die daar toe bijdragen. In dit deel van zijn betoog mis ik dus iets.

De milieubeweging moet volgens mij hand in hand gaan met de vredesbeweging en de strijd tegen de ongelijkheid tussen rijk en arm, mannen en vrouwen, wit en zwart om het systeem van het ‘ecocidale’ kapitalisme te veranderen. Dit alles bij elkaar valt volgens mij onder het moreel ontwaken waar Heinberg het over heeft en wat onze enige hoop is.


*Je kunt de nieuwsbrief van Jelmer Mommers ontvangen als je abonnee bent van De Correspondent.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Persoonlijk en politiek, Psychologie en klimaat, Systeemtherapie

Psychiater Glenn Helberg danst in Zomergasten

“JEZELF KUNNEN ZIJN IN EEN MENSELIJKE RELATIE IS HET MOOISTE WAT ER IS”

Dit waren de woorden van Glenn Helberg, psychiater en lid van de Raad van Advies van het College voor de Rechten van de Mens, aan het eind van het VPRO televisie programma Zomergasten. Volgens mij waren zowel Helberg als de interviewster Janine Abbring er aardig in geslaagd om tijdens de uitzending zichzelf te blijven. En ze vierden dit aan het eind door te dansen op de muziek van Louis Armstrong. In elkaars armen, een zwart mens en een wit mens, een man en een vrouw, een homo en een hetero uit verschillende generaties. Ze hadden het tijdens het interview ook over hun relatie tot elkaar gehad, in het hier en nu, ook al was het ongemakkelijk. Ik bleef geboeid kijken en luisteren.

Helberg wilde met zijn gekozen film en documentaire fragmenten en optredens van artiesten de fundamenteel relationele kant van de mens tonen. Ze zouden gaan over de verbinding tussen mensen of over het gebrek er aan. Het ging om te beginnen over de verbinding tussen zwarte en witte mensen. De zwarte mens kan nu tegen de witte zeggen: “Jij hebt mijn zwart zijn niet meer nodig”. En de witte kan misschien hetzelfde zeggen. Wit en zwart kunnen elkaar een hand geven. Zoals bezongen wordt door Louis Armstrong in ‘What a wonderful world’: “I see men shaking hands, how do you do…” Want wit en zwart zijn fundamenteel gelijkwaardig. Zoals James Baldwin het zegt in de film ‘I am not Your Negro’ en in een interview voor de Nederlandse televisie: “Alle mensen zijn broeders, daar gaat het om”.

Ook homo’s en hetero’s zijn verbonden. Niemand hoeft buitengesloten te worden. ‘Civil rights’ en ‘gay rights’ moeten samen werken. Alle minderheden moeten elkaar steunen. Helberg heeft het over ‘inclusie’: Iedereen moet het gevoel kunnen hebben dat hij zichzelf kan zijn en er bij hoort. Dit hebben we nog lang niet bereikt. ‘It takes a village to raise a child’, maar de ‘village’ moet nog ‘geraised’ worden denkt Helberg.

We denken in Nederland dat we niet zo racistisch zijn als in Amerika maar dat klopt niet. Wij zijn het racisme in Nederland aan het ontkennen. Dat is een sterke afweer die ontkenning. We moeten juist onze vooroordelen aan elkaar vertellen zodat we elkaar gaan begrijpen. Hier is een psychiater aan het woord die psychische gezondheid bekijkt binnen de context en de systemen die daar een voorwaarde voor zijn.

Verbinding met jezelf

Het eerste fragment dat Helberg de kijkers liet zien ging over een Braziliaanse vrouwelijke psychiater die in de jaren ’40 van de vorige eeuw zocht naar een alternatief voor de toen gebruikte lobotomie behandelingen (een chirurgische ingreep die verbindingen in de hersenen verbreekt). Zij wil aandacht genereren voor het verhaal van de patiënten. Zij wil de patiënten verbinden met hun eigen verhaal, hoe moeilijk hun toestand ook is.

Helberg: “Als je een verhaal vertelt aan de ander vertel je het eigenlijk ook aan jezelf. En dan maak je contact en gaat het vlammetje in jezelf weer aan.” Als deze verbinding tot stand komt dan voel je het lichamelijk. Soms hebben mensen hier hulp bij nodig. Die hulp wil Helberg geven.

Als je mensen vertelt dat ze geestelijk ziek zijn, zoals bijvoorbeeld homo’s verteld werd tot aan 1973, verliezen ze hun trots. Daar gaat Gay Pride over. Kunnen zeggen: ‘Hier ben ik’. Martin Luther King had het daar ook over: ‘We don’t want to be a nobody, we want to be a somebody’. De psychiatrische patiënten uit het fragment waren ook ‘nobodies’ geworden.

Aan het schrappen van homoseksualiteit uit de DSM, het stoornissen classificatiesysteem in de psychiatrie, ging een belangrijke opstand vooraf. Namelijk die bij de homobar The Stonewall Inn in Greenwich Village in New York in 1969. Uit een documentaire hierover kwam het volgende fragment. Ook hetero’s deden mee aan die opstand want ook zij willen natuurlijk zichzelf kunnen zijn. Deze samenwerking tussen homo’s en hetero’s deed me denken aan de film Pride waar Engelse mijnwerkers in hun staking gesteund worden door homo activisten. Mensen die onderdrukt worden herkennen elkaar ook al komen ze uit verschillende hoeken van de samenleving.

Helberg: “Mensen moeten snappen dat iedereen die zich niet met zichzelf mag verbinden, die dus niet zichzelf mag zijn, hetzelfde probleem heeft.” Iedereen mag er zijn, ook de niet-man en de niet-vrouw. Het lukt echter de een nog steeds om tegen de ander te zeggen: “Jij hoort er niet bij.” En het lukt de een nog steeds om misbruik te maken van de ander, de ander te onderdrukken. Het gaat hier om mensenrechten die nog steeds geschonden worden.

Helbergs ouders kwamen uit Suriname maar hij groeide op in Curaçao. Hij merkte als jongeman dat hij jongens spannender vond dan meisjes. Bij het masturberen dacht hij aan jongens en op het hoogtepunt dacht hij snel even aan een meisje want dan zou God hem zijn afwijking vergeven… Later bedacht hij dat hij niet gek wilde worden. Hij zei tegen zijn toenmalige vriendin: “Jij vrijt met een man, maar ik niet…” Hij vertelde zijn vader dat hij homo was, waarna de vader 5 dagen niet at en zei: ” Laat mijn zoon komen, want hij is mijn zoon.” En tegen zijn zoon zei hij: “Als je met een jongen thuis komt, breng dan een goede jongen mee”. Helbergs verhaal lijkt op het Bijbelse verhaal van de verloren zoon. Dat de vader van Helberg hem toen niet afwees, was het grootste geschenk dat hij ooit kreeg. Het kan hem nu nog ontroeren.

Zijn moeder overleed toen hij 13 jaar was. Zij had hem goed op haar overlijden voorbereid en Helberg kreeg al vroeg belangrijke levenslessen mee. Je kon merken dat de verbinding met zijn moeder nog levend was want Helberg zei dat de groene jurk die Abbring droeg tijdens het interview, hem aan zijn moeder deed denken en hem vertrouwen gaf. Zijn moeder zei altijd als ze nieuwe kleren ging kopen: “Nou heb ik weer een groene jurk gekocht!”.

Gelijkwaardigheid genereert eigenwaarde

Een volgend fragment kwam uit een Polygoonjournaal van 1969 over een opstand tegen Shell op Curaçao. Volgens het journaal was automatisering de diepere oorzaak van de opstand maar dat klopt niet, zei Helberg. De opstand had te maken met de ongelijkheid; zwarten verdienden een derde van wat blanken verdienden. De opstand ging over gelijke rechten!

Als we een inclusieve samenleving willen dan moeten we goed geïnformeerd zijn. Educatie speelt een belangrijke rol. Ook blanke Nederlanders moeten weten waarom 30 juni een belangrijke dag is: de dag van de herdenking van de afschaffing van de slavernij. We kennen onze geschiedenis niet en de geschiedenis moet belicht worden vanuit verschillende kanten. Pas dan weet je welk onrecht gedaan is.

Helberg vindt dat de emancipatie van de zwarte mens nog steeds niet goed op gang is gekomen. Hoe diep de discriminatie gaat en hoe diep die in persoonlijke levens doordringt wordt mede duidelijk in een fragment waarin blanke docenten een klasje met zwarte werknemers van een of ander bedrijf onderwijzen over hoe ze sterker kunnen staan in hun functie. Als ze dat aankijken van klanten zouden kunnen, dan zouden ze assertiever overkomen. De blanke docenten hadden goede bedoelingen maar eigenlijk werden de zwarte werknemers geschoffeerd. Abbring had met het schaamrood op de kaken naar het fragment gekeken.

Helberg legde uit dat ‘het niet aankijken’ door zwarte mensen een gevolg is van de slavernij. In de slavernij leer je dat je de ander tot ding kunt maken als je ze niet aankijkt. Het was volgens Helberg beter geweest als deze docenten hadden geprobeerd om de zwarte medewerkers te begrijpen in plaats van hen te onderwijzen. Op basis van gelijkwaardigheid met elkaar bezig zijn genereert eigenwaarde. Als de een ergens rijker van wordt, dan de ander ook. Dàt genereert eigenwaarde en dan hoef je niemand te ‘empoweren’. Baldwin zegt: “Ik ben hier nu en ik ben niet van jou. Ik ben niet minder waard.”

Het onderwijs kan een positieve rol spelen. Louis Armstrong zingt er over dat onze kinderen meer zullen leren dan wij ooit zullen weten. Universiteiten maken hun onderwijs inclusiever. Het gaat de goede kant op. We kunnen gaan onderzoeken wat racisme is, in plaats van het te ontkennen, zodat we er mee op kunnen houden.

De partij Artikel 1, die inmiddels na een rechtszaak niet meer zo mag heten en waarvan Helberg de lijstduwer was, wil radicale gelijkwaardigheid. Er kan wel gezegd worden dat de economie vooruit gaat maar dat betekent zeker niet dat iedereen vooruit gaat.

Vaders

In het fragment ‘Boys of Summer’ (2008) krijgen we te zien hoe een zwarte vader zijn zoon coacht met honkballen. We zien een zwarte vader zijn die wèl aanwezig is in het leven van zijn kind. Het verhaal dat zwarte vaders er niet zijn voor hun kinderen wordt steeds herhaald maar we moeten deze vaders een helpende hand bieden. Ook hier blijkt hoe diep de slavernij in de psyche is doorgedrongen. Het zwarte vaderschap is verarmd door de slavernij, door de reis van Afrikanen naar Amerika. Hele familieverbanden zijn uit elkaar gerukt. Dàt moeten we begrijpen. Daar komt bij dat de slaveneigenaars die kinderen hadden verwekt bij slavinnen meestal afwezig waren als vader. Zwarten hebben nog steeds meer wantrouwen binnen hun relaties dan witten.

In het fragment uit de documentaire over de Oekraïense danser Sergei Polunin zegt de (witte) vader: “Als ik het over zou kunnen doen, zou ik meer aandacht aan mijn gezin hebben besteed.” Toen ouders van deze jonge danser gingen scheiden viel zijn wereld uitelkaar. Hij wist niet meer waarvoor hij danste maar de machine die geld verdiende aan zijn talent draaide door. Hij raakte aan de drugs en kreeg de naam dat hij niet te vertrouwen was, terwijl hij gewoon hulp nodig had. Het dansen had geen betekenis meer voor hem. Hij was de verbinding met zichzelf kwijt. Pas toen hij weer heel was kon hij weer dansen.

Helberg wilde zelf ook danser worden maar zijn moeder wilde dat hij dokter werd. Na een gebroken knie was het besluit niet meer zo moeilijk. Hij ging medicijnen studeren. Nu vind hij het prettig dat hij mensen kan helpen om weer heel te worden.

Relatietherapie

We krijgen een fragment te zien uit ‘Scenes uit een huwelijk’ (1974) van Ingmar Bergman. We zien twee mensen die van elkaar houden maar niet samen kunnen zijn. We moeten volgens Helberg de liefde leren. Wij kunnen onze liefde aan die ander geven maar als die ander zijn of haar liefde niet meer aan ons kan geven dan is het klaar. De liefde is wel voor de ander maar niet van de ander. In een relatie geven beiden 50% maar je blijft altijd 100% verantwoordelijk voor jouw 50%. Ook voor je eigen boosheid ben je voor 100% zelf verantwoordelijk. Relatietherapie blijft van waarde, ook als de partners toch gaan scheiden. Het kan de partners leren elkaar beter te verstaan en dat blijft fijn ook als ze uit elkaar gaan.

We krijgen nog een mooi fragment te zien uit de film ‘Moonlight’ uit 2016. We zien twee zwarte jongemannen die in hun kindertijd een relatie met elkaar hadden en elkaar na vele jaren opnieuw ontmoeten. Het fragment eindigt er mee dat ze tegen elkaar aan zitten, de een met zijn hoofd op de schouder van de ander, de ander streelt zijn schedel. We mogen die intimiteit zien en dat is heel bijzonder. Het gaat eens een keer niet om de coïtus, het gaat om de aanraking van de huid, ons grootste orgaan, zegt Helberg. Door de aanraking van de huid weten we ons geborgen. Zelf mist hij het dat hij al lang niet meer aangeraakt is… Jezelf kunnen zijn in een menselijke relatie is het mooiste wat er is.

Ook aan deze televisie zomeravond komt een einde. Helberg en Abbring staan op en dansen.


Ga vooral deze film zien: I am not your Negro.

En ook de keuze film van Helberg is een aanrader: Selma.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Systeemtherapie