Categorie archief: Systeemtherapie

Kernimpasse in partnerrelaties

De kwetsbaarheidscirkel van Michele Scheinkman en Mona Fishbane

Deze cirkel geeft de kernimpasse van een paar weer. Met de woorden van de beroemde relatietherapeut Susan Johnson zou je deze afbeelding kunnen zien als een grafische weergave van een destructieve dans die de relatie heeft overgenomen; een dans waar beide partners onder lijden.

Er zijn zes belangrijke stappen om uit de kernimpasse te komen ofwel om uit de destructieve dans te stappen. Deze stappen zijn bedacht door de Amerikaanse psychotherapeut Michele Scheinkman en de klinisch psycholoog Mona Fishbane.  Ze helpen om te komen van reactiviteit naar intimiteit. Reactieve patronen zijn destructief en staan intimiteit in de weg.

1. Herkenning van de overlevingspositie/strategie: Het moment leren herkennen waarop je je bedreigd gaat voelen in de relatie en je de overlevingspositie inneemt. Nodig is het om bewust te worden van de kwetsbaarheden en behoeften waardoor je die positie in neemt en in de verdediging of de aanval schiet. 

2. Leren te praten òver je overlevingspositie in plaats van automatisch vanuit die positie te reageren en te handelen. Leren praten òver je kwetsbaarheden en leren uiten van behoeften (hechtingsbehoeften) in plaats van defensief of agressief (reactief) te reageren.

3. Empathisch leren zijn voor de kwetsbaarheden, gevoelens en behoeften van de ander. Soms wordt empathisch zijn geblokkeerd door de sekserol. 

Als een vrouw geleerd heeft om zich in anderen in te leven ten koste van zichzelf kan ze bang zijn om zichzelf te verliezen op momenten dat ze zich inleeft in haar partner. Of ze kan zich te sterk inleven, zich teveel identificeren of zich juist terugtrekken om haar grenzen te beschermen. En zo kan ze niet empathisch zijn. 

Mannen hebben vaak als jongen geleerd om actief problemen op te lossen. Ze benaderen dan de pijn of de zorgen van hun partner misschien eerder met adviezen of relativeringen dan met empathie of louter luisteren. Als hun adviezen niet in goede aarde vallen, zoals vaak gebeurt, dan kan een man zich schuldig of boos voelen over het feit dat hij zijn partner niet gelukkig kan maken. En als hij daarover gefrustreerd is, is hij nòg minder in staat om empathie op te brengen.

Het opbreken van de kwetsbaarheidscirkel houdt meestal in dat sekserollen en verwachtingen, die de empathie en de openheid van de partners tegenover elkaar beperken, worden vastgesteld en aangepakt.

4. Onderzoeken wat de overlap is tussen de huidige impasse in de relatie en soortgelijke ervaringen in het verleden. Heeft iemand zich al eens eerder zo gevoeld? Misschien in het gezin van afkomst of in eerdere relaties? Doet het gedrag van je partner denken aan anderen? Aan het gedrag van je vader, moeder, broer of zus? Bij onthullingen over het verleden is het belangrijk dat er respect is voor elkaars kwetsbaarheid.

5. Beseffen dat, al lijkt de huidige situatie op het verleden, de overlevingsstrategie niet past bij de huidige situatie. Inzien dat de overlevingsstrategie of het defensieve/agressieve gedrag het probleem alleen maar in stand houdt. De kernimpasse van het paar gaat met dit inzicht niet langer alleen over de partners zelf. Het is complexer en de impasse wordt een verhaal over verschillende generaties. Het paar krijgt een ruimere visie op basis van een bredere context.

6. Nieuwe technieken leren om te voorkomen dat verhitte momenten tot een impasse leiden. Zoals:

– Bewustwording van het ‘hier en nu’ en met de gewoonlijke reactie enkele minuten te wachten zodat je zelf de baas wordt over je verdediging in plaats van andersom. Dit is een keuzemoment: een tweesprong. Beide partners bedenken zelf een paar concrete alternatieve reacties die zij op momenten van onderlinge spanning kunnen inzetten.

– Het trekken van nieuwe ‘zenuwbanen’: Het paar gaat nieuwe ‘neurologische’ kabels trekken want ze banen nieuwe wegen van reacties en keuzes. De nieuwe reacties doen aanvankelijk aan als kunstmatig, als een techniek maar uiteindelijk zal het nieuwe gedrag geïntegreerd raken in de identiteit van de partners en hun relatie.


Het vermogen van het paar om de oude dans te herkennen en eruit te stappen maakt het mogelijk om snel in te grijpen en beter gefundeerde keuzes te maken die overeenstemmen met een breder relationeel repertoire. Susan Johnson spreekt over het herdefiniëren van de relatie als een bron van veiligheid en troost.

De kwetsbaarheidscirkel kan ook gebruikt worden bij relatieproblemen tussen ouders en hun adolescente kinderen. Volgens Johnson moeten adolescente kinderen soms eerst nog de band met de ouder aangaan voordat ze daadwerkelijk de ouder kunnen los laten en hun eigen weg kunnen gaan.

Scheinkman wijst ook op het belang van een ‘meer lagen’ aanpak in het werken met paren. Er zijn 5 lagen waar de relatietherapeut aandacht voor kan hebben. De lagen van de interactie, die van de cultuur, de organisatie, de laag van het intrapsychische en die van het intergenerationele. Het bewustzijn van deze lagen kan dienen als een soort ‘landkaart’, een houvast voor de therapeut.

Veel voorkomende hechtings-angsten en -behoeften

Behoefte om geaccepteerd te worden, aan nabijheid, om belangrijk gevonden te worden, om je geliefd te voelen, behoefte dat jouw partner jouw goede eigenschappen benoemt en waardeert en de behoefte aan waardering in het algemeen.

Angst om genegeerd te worden, om verlaten te worden, om een mislukkeling te zijn, om niet geaccepteerd of niet gewaardeerd te worden, om je niet geliefd te weten of te voelen en de angst om gecontroleerd te worden.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Systeemtherapie

Leren met reflecterende teams, deel 2

Voor de tweede keer deed ik mee aan een groepssupervisie waarin gewerkt werd met reflecterende teams. Ook deze keer had psychotherapeut Monique Schirris de leiding.

De vorige keer, ongeveer een jaar geleden, leerde ik dat we ons als hulpverleners in de GGZ niet alleen hoeven te voelen. Zelfs niet wanneer je zoals ik een eigen praktijk en niet dagelijks een team om je heen hebt. We dragen het werk met elkaar en we mogen een collega vragen om mee te kijken.

Therapie gaat ook over jouw eigen geschiedenis

Deze keer werd nog duidelijker dat deze vorm van supervisie ons ook uitnodigt om voorbij de casuïstiek te gaan. Wat roept de casus bij ons op? Dat kan soms vrij heftig zijn. Hierover konden we in alle veiligheid ervaringen en ideeën uitwisselen.

Mijn leervraag voor de dag was: wat kan ik gebruiken om in het contact met cliënten nog transparanter te zijn en wat heb ik nodig om nog meer te kunnen verdragen en op te kunnen vangen dan ik nu doe? Want ik merk dat ik af en toe dicht klap. Dan ga ik druk doen, adviseren of het hebben over iets waar het in de kern niet om gaat. Eigenlijk kijk ik weg. Ik wil meer leren over hoe ik op een therapeutische manier gebruik kan maken van wat er bij mij opgeroepen wordt als ik dichtklap.

Het dichtklappen verbergen kan ik zó goed dat ik het soms zelfs niet eens in de gaten heb! Vele uren later besef ik dat ik ergens blokkeerde. Maar waarom blokkeerde ik eigenlijk? Daar kom ik vaak wel achter en dan neem ik me meestal voor om er iets mee te doen in een volgende sessie. Toch zou ik graag leren hoe ik nog beter gebruik maak van wat er bij mij opgeroepen wordt en het liefst in het hier en nu. Leren om nog echter te zijn en nog meer te kunnen verdragen houdt denk ik nooit op.

Wat voor verhaal maak je er van?

Als ‘warming-up’ keken we enkele minuten in stilte naar een schilderij. Ik zag vier vrouwen en een man en een klein roeibootje. Ze zijn dun gekleed. Het lijkt een zwoele zomeravond. De lucht is zwart. Een van de vrouwen staat naast het bootje tot haar middel naakt in het water. Een ander hangt met haar benen over de rand. Ik vraag me af: Voelt die man dat hij de enige man is? Alle vijf lijken alleen te zijn met hun gedachten. Toch zitten en staan ze dicht bij elkaar. Enkelen lijken in de verte te turen naar de oever. Weten ze nog hoe ze thuis moeten komen?

Dit is het begin van een verhaal. Mijn waarnemingen, mijn verhaal.

Na dit stilstaan deelden we onze waarnemingen en verhalen met elkaar. En wat blijkt? We zien allemaal iets anders en maken een eigen verhaal. Ik meende bijvoorbeeld dat het om een vriendengroep ging en mijn buurvrouw dacht dat de vijf mensen op het schilderij broers en zussen waren. Op mij maakten ze een wat verloren indruk en een ander dacht dat ze aan het mijmeren waren. Er waren verschillen in de verhalen maar ook overeenkomsten. Meerderen zagen bijvoorbeeld dat er weinig verbinding leek te zijn tussen deze mensen op het schilderij.

Uit het delen van de verschillende verhalen leidden we af dat je in het luisteren naar het verhaal van de ander, jouw eigen verhaal even parkeert. Niet altijd makkelijk om je eigen verhaal te parkeren. Ik was blij dat ik als eerste mijn verhaal mocht vertellen. We merkten op dat je je kunt verbazen over hoe anders het verhaal van de ander is. We merkten dat we met een bepaalde bril op kijken. Wanneer je denkt dat het broers en zussen zijn, stel je andere vragen dan wanneer je denkt dat het een groep vrienden is. Het ligt er maar aan wat je bezighoudt. Als de hechtingstheorie je bezig houdt gaat je verhaal over autonomie en relatie en vraag je je misschien af wie in het gezelschap zich eenzaam voelt. Als je net een boek aan het lezen bent over een zoektocht zie je in het schilderij vijf zoekende mensen. We merkten ook dat we elkaar leerden kennen door elkaars verhalen.

Door deze ‘warming-up’ leerden we dat het nogal een verschil kan uitmaken welke therapeut de cliënt voor zich krijgt. Wat ziet jouw therapeut, welke bril heeft h/zij op?


Hierna gaan we aan de slag met de reflecterende teams. De supervisor luistert naar de leervraag van een van ons: de supervisant. Een team daaromheen bespreekt met elkaar over wat hen raakt. Een team daar weer buiten bedenkt waar het verhaal hen aan doet denken en komt met een metafoor. Een laatste team komt luisterend naar dit alles met een advies: wat zou de supervisant kunnen doen.

Een stel dat heel veel praat

De supervisant loopt vast in de behandeling van dit paar. Als ze in haar agenda ziet dat ze weer komen ziet ze er tegen op. Ze heeft onzekerheden en twijfels. Gevoelens worden overstemd. Wat haar raakt is het verdrietige verleden van dit paar. Een van hen is gescheiden en de ander heeft een partner verloren na een langdurige ziekte. Ze hebben beide twee kinderen en vormen een samengesteld gezin. De sessies met dit paar voelen zwaar en de behandelaar komt niet over een drempel, ze komt niet door een deur van woorden. Ze hoopt eigenlijk dat ze deze deur op een kier kan krijgen. Als de supervisor haar vraagt om zich een beeld te vormen van het verhaal van dit stel, maakt zij dan ook een deel uit van dit beeld? Staat zij zelf ook op het schilderij? ‘Nee’, zegt ze; ‘ik ben toeschouwer, ik zie mezelf niet op het schilderij staan.’

Het eerste reflecterende team gaat in op de deur van woorden. Als die open gaat komt er ruimte. Het paar blijft naar therapie toekomen. Wat halen deze mensen bij de therapeut? Misschien vind de supervisant het spannend om zelf ook op het schilderij te staan? Wat het team raakt is dat de behandelaar overspoeld lijkt te worden door het verdrietige verhaal van het overlijden van de vorige partner (een moeder van twee kinderen). Moet ze eerlijk zeggen dat zij het moeilijk aan zou kunnen als dit haar zou overkomen? Een zelfonthulling doen? Open zijn over het parallelproces? Geeft het idee om zich zelf op het schilderij te zien staan haar een machteloos gevoel? Dit alles zou men zich in het reflecterende team goed voor kunnen stellen.

Het tweede reflecterende team ziet in het verhaal rond deze leervraag een bootje dat maar wat voort dobbert. Een lied komt op in iemands hoofd: ‘The answer my friend is blowing in the wind’. In plaats van één enkel schilderij te maken van dit verhaal ziet iemand een drieluik voor zich: Een schilderij over het verdrietige verleden, maar ook een van het heden en een van de toekomst. Misschien durft de therapeut wel in het schilderij te springen met een parachute. Een zachte landing. Misschien kan de therapeut minder bevreesd zijn voor een regenbui van tranen. Laat de regen van tranen maar komen.

Het derde adviserende reflecterende team, waar ik zelf in zat, adviseerde om met een zelfonthulling te komen. Misschien zou die kunnen gaan over dat ze er tegenop ziet als zij het paar weer in de agenda ziet staan. Ze zou misschien kunnen onthullen dat ze zich af vraagt of zij hen kan bieden wat zij nodig hebben. Misschien zou ze kunnen zeggen dat ze het gevoel heeft dat er veel verdriet is. Maar dat het daar meestal niet over gaat.

Wat heeft de supervisant/therapeut hier aan gehad? Zij voelt zowel verdriet over de overleden partner als over de scheiding en is er bang voor. Ze wil dit wel inbrengen maar zegt er dan bij: ‘Het verhaal van het verdriet hoeft niet te lang te duren…’ ‘Maar waarom niet?’, vraagt de supervisor. Het is alsof ze het paar meteen gerust willen stellen. Dat het geen twintig sessies over het verdriet hoeft te gaan…

Misschien is het nodig om zelf eerst eens wat langer stil te staan bij de aarzeling om de zelfonthulling te doen. Wat heeft de behandelaar zelf nodig om met het paar bij het gevoel stil te kunnen staan? Zou ze kunnen vragen: ‘Mag ik bij jullie op het schilderij komen staan?’ Is het een idee om de kinderen er bij uit te nodigen? Kunnen ze als gezin een drieluik schilderen over verleden, heden en toekomst? Zo zou de therapeut weer wat meer leiding in handen krijgen en zou er ruimte kunnen komen voor andere verhalen, bijvoorbeeld die van de kinderen. Ook krijgt ze meer stemmen in de kamer als ze een lege stoel zou neer zetten. Zou ze daar de overleden moeder op durven zetten? Wat zou die zeggen?

We komen tot de conclusie dat het werken aan de casus op deze manier met de reflecterende teams helpt bij het vertragen en bij het onderscheiden van de lagen van het voelen, reflecteren en handelen.

Ik neem er vooral van mee dat we als therapeuten ruimte mogen maken voor de aarzeling om een zelfonthulling te doen. Mijn dichtklappen leidde al tot reflectie over het waarom: wat raakte mij? En nu voeg ik daaraan toe de aarzeling over een mogelijke zelfonthulling? Door de aarzeling serieus te nemen kan ik op zoek gaan naar de juiste woorden om de zelfonthulling te doen. Of niet te doen. In het reflecteren over de aarzeling kan ik tot een weloverwogen plan komen. Mogelijk vraag ik om mandaat om het over de meer pijnlijke kanten van de hulpvraag te hebben.

Dat we voorzichtig zijn en aarzelen met het doen van zelfonthullingen is begrijpelijk. Wij therapeuten nodigen cliënten uit om te voelen maar durven we het zelf? We hebben tijd nodig. Vertragen en verdragen is de kunst.

Mag je het voelen van een heftig verlies moeilijk vinden? Ja! Waar het om gaat is: Hoe ga je er mee om? Kun je er samen bij stil staan?

Dit alles herinnert aan het filmpje van Brené Brown waarin ze het heeft over empathie en het onderscheid maakt met sympathie. Ruimte creëren voor empathie is een kunst.

Zelfonthulling is altijd ten dienste van de therapie en als therapeut blijf je verantwoordelijk en in de leidende positie. Als je niet weet hoe en wat te onthullen dan praat je maar even mee of stuur je het gesprek in een andere richting. Je kunt er altijd later op terugkomen.


Het reddeloze gezin

Deze supervisant valt in herhaling met dit gezin. Steeds helpt zij hen op de kant tot ze opnieuw in een wak stappen. Ze blijft maar adviseren en deelt haar innerlijke dialoog niet met deze mensen. De drie kinderen hebben veel ruzie met elkaar en ze luisteren niet naar de ouders. De meeste zorgen heeft de therapeut over de moeder maar ook over het middelste kind dat dyslexie heeft. Haar innerlijke dialoog gaat ongeveer zo: ‘Zien jullie dan niet dat er met jullie gespeeld wordt en dat ik jullie steeds weer de kant op trek’. Ze voelt zich boos worden op de ouders en ze voelt machteloosheid over dat de ouders het middelste kind de schuld blijven geven.

Het eerste reflecterende team wordt geraakt door het willen redden en de gevoelens van machteloosheid. De therapeut denkt: ‘Zien jullie mij niet?’. Misschien is dat het thema van deze casus: Je wel/niet gezien voelen. Deze therapeut voelt zich niet gezien. Dat is wat hen raakt.

Het tweede reflecterende team komt met de metafoor van een winderige dag waarop een sjaal voor moeders ogen geblazen wordt, wat haar verblindt.

Het derde team komt met het advies om op een dieper niveau naast moeder te gaan staan en het gezien worden of niet gezien worden te bespreken. Ook wordt geadviseerd om naar de unieke uitzondering te vragen. Op welke momenten weet dit gezin zichzelf wel te redden uit een wak?

Wat neemt de supervisant hier van mee? Het verblindt zijn van de moeder en de therapeut wil inderdaad dieper ingaan met de ouders over wat/wie niet gezien wordt. Waar raakt de moeder precies door van de kook? Door wie is zij zelf niet gezien?

Pot met pieren*

Wat we vandaag leerden is om aandacht te hebben voor verschillende waarnemingen en te belichten wat je eerder niet zag. Meerstemmigheid helpt daar bij. Er komt ruimte voor nieuwe perspectieven, voor nieuwe beelden die veel bij kunnen dragen. Het horen van wat een verhaal bij een ander losmaakt, maakt onze eigen gedachten losser.

In plaats van in een pot met pieren te blijven staren en steeds meer pieren te zien gaan we op zoek naar meerstemmigheid, nieuwe vragen en ‘unieke uitkomsten’ (wanneer gaat het anders?). Ook mijn dichtklappen kan via reflectie leiden tot nieuwe vragen en op deze manier heel waardevol blijken.

We leerden om ons af te vragen wat we zelf van onze eigen thema’s in kunnen brengen. We leerden hoe we van een dominant thema kunnen en durven afstappen.

We leerden dat het waardevol is om te aarzelen over een zelfonthulling. We leerden over het tempo in de therapie. We leerden om stil te staan bij hoe we in een gesprek zitten. Een thema zoals ‘je gezien of gehoord voelen’ inbrengen werkt vertragend en het uit elkaar halen van de verschillende lagen van reflectie werkt ook zo.

Ik hoorde iemand zeggen: ‘Waar de breuk is, is ook de bron’. Een hoopgevende one-liner die mij deed denken aan een regel van de Perzische dichter Rumi: ‘In alles zit een barst, zo valt het licht naar binnen.’ Misschien sloegen we vandaag een barst in de pot met pieren. Dan kunnen die alvast terug de aarde in.


* ‘A can of worms’. Uit de Collins Idioms Dictionary:

A can of worms is a situation or subject that is very complicated, difficult or unpleasant to deal with or discuss. ‘Now we have uncovered a can of worms in which there has not only been shameful abuse of power, but a failure of moral authority of the worst kind.’
You can also use the expression ‘to open a can of worms’, meaning to start dealing with or discussing something so complicated, difficult or unpleasant that it would be better not to deal with or discuss it at all. Whenever a company connects its network to the Internet, it opens a can of worms in security terms. Many people worry that by uncovering the cause of their unhappiness they might be opening a can of worms that they can’t then deal with.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie

Relatietherapie in de Correspondent

Enkele jaren geleden bezocht ik een workshop van de Belgisch-Amerikaanse relatietherapeut Esther Perel en schreef er over in dit bericht: Erotische intelligentie. Nu een artikel over Perel’s therapieën in De Correspondent van Nina Polak met illustraties van Kent Rogowski onder de titel: Niets is slechter voor je relatie dan dat je elkaar kent.

Perel houdt een pleidooi voor de systeemtherapie: de therapie waarin problemen niet verklaard worden vanuit het individu maar vanuit het systeem van interactiepatronen waarin het individu leeft en is opgegroeid. Een mooie regel uit het interview dat Polak heeft met Perel: “Wie met een erectiestoornis aankomt, loopt zo de kans dat het binnen afzienbare tijd over zijn moeder gaat.” Nina Polak:

Het moderne idee van een goede relatie is dat je partner je anker, je beste vriend én je vurige geliefde is. Maar je moet juist niet alles van elkaar weten, vindt de wereldberoemde relatietherapeut Esther Perel. Hij of zij moet je nog kunnen verrassen, desnoods door vreemd te gaan.

‘Speak to me in French…’

Helemaal aan het einde van een aflevering van de relatietherapiepodcast Where Should We Begin horen we het een vrouw fluisteren tegen haar man, Scott. Het is het teken waarop de geremde Scott zijn zwoele en onverschrokken Franse alterego Jean Claude mag laten verschijnen.

Jean Claude hoeft maar een paar Franse woorden uit te spreken of zijn vrouw (haar naam wordt niet genoemd) begint opgewonden te giechelen. In het dagelijks leven moet ze niets hebben van de onzekere avances van Scott, maar zodra hij in Jean Claude verandert…

Het stel zit op de bank bij de Belgisch-Amerikaanse relatietherapeut Esther Perel. Ze zijn gelukkig met elkaar, er is liefde te over, maar seks hebben ze zelden. ‘Het is alsof ik mijn broer kus,’ zo vat Scotts vrouw de problematiek samen.

Perel (1958), met haar decennialange ervaring als relatietherapeut, voelt onmiddellijk aan dat er iets moet worden doorbroken in deze dynamiek. Ze nodigt de vrouw uit om haar ogen gesloten te houden gedurende de sessie en ze moedigde Scott aan om Frans te praten – comme Jean Claude.

Als het verlangen verdwenen is

Het is de bedoeling dat de vrouw haar man op een nieuwe manier ziet, legt Perel de luisteraar uit. We hebben de neiging te blijven hangen in de rollen die we spelen, in de manier waarop we onszelf en elkaar zien. Een stel dat al zo lang bij elkaar is, kan elkaars teksten dromen. Rollenspel kan helpen om uit dat nauwe perspectief te stappen.

Perel ziet veel stellen zoals Scott en zijn vrouw, mensen in langdurige relaties die van elkaar houden, maar niet (meer) naar elkaar verlangen. Het is haar expertise om dat verlangen nieuw leven in te blazen.

Daarbij draait het niet om speeltjes, lingerie en ingeplande dates. Goede seks is ook geen kwestie van vaker. Seks is überhaupt een te nauwe definitie als het gaat om een bevredigend liefdesleven, schrijft Perel in haar eerste boek, Mating in Captivity: Unlocking Erotic Intelligence.

Seks is een te nauwe definitie als het gaat om een bevredigend liefdesleven, schrijft Perel. Veel meer draait het om wat ze ‘erotische intelligentie’ noemt – het vermogen om seksualiteit te cultiveren in onze verbeelding – die alles te maken heeft met de wezenlijk menselijke behoefte aan autonomie en avontuur, vernieuwing en speelsheid.

Behoeftes die onlosmakelijk verbonden zijn met onze bredere ontwikkeling als mens en die in moderne relaties vaak op gespannen voet staan met die andere wezenlijke verlangens: verbondenheid, veiligheid, huiselijkheid.

Die tegenstelling tussen huiselijkheid en erotische energie staat centraal in al het werk van Esther Perel.

In haar nieuwe boek The State of Affairs: Rethinking Infidelity neemt ze het controversiële standpunt in dat vreemdgaan niet altijd een kwestie is van zwakte en verraad. Het hoeft ook niet altijd het einde van een relatie te betekenen. Integendeel, een affaire kan een uitgebluste relatie een nieuwe impuls geven.

Liefde is rommelig

Perels TED-talk The Secret to Desire in Long-term Relationships, is 11 miljoen keer bekeken, haar boeken zijn internationale bestsellers en haar podcast wordt in 180 landen beluisterd. Ze spreekt negen talen en werkt over de hele wereld met stellen uit verschillende culturen. ‘Een culturele hybride’ noemt ze zichzelf.

Engels spreekt ze met een Frans accent, dat onmiskenbaar deel uitmaakt van haar allure. Als ze halverwege de sessie met Scott en zijn vrouw Non, Je Ne Regrette Rien van Edith Piaf begint te zingen, is het ijs definitief gesmolten.

Tegen mij spreekt ze Nederlands, met een even onweerstaanbare Vlaamse tongval – moeiteloos, niet bang om fouten te maken. Ze zit tegenover me in de lobby van het Ambassade Hotel, klein, gewikkeld in een grote sjaal, die ze halverwege het gesprek zal hebben afgegooid om op het puntje van haar stoel te gaan zitten, wijdbeens, geestdriftig gebarend en met twinkelende ogen.

Ze houdt van concrete antwoorden, zegt ze. Tegelijkertijd wantrouwt ze de Amerikaanse hang naar simplificatie, efficiënte oplossingen en snelle oordelen – liefde is rommelig. Hoor je haar aan het werk (in haar podcast, bijvoorbeeld), dan zoekt ze zo snel mogelijk de nuance op.

Wat je gezin met je seksleven te maken heeft

Wie met een erectiestoornis aankomt, loopt zo de kans dat het binnen afzienbare tijd over zijn moeder gaat. De eerste plaats waar je over liefde en relaties leert, is immers je oorspronkelijke gezin.

Perels eigen ouders hebben haar visie onmiskenbaar gevormd, schrijft ze in Mating in Captivity. Ze groeide op in Antwerpen in een Joods gezin. Haar ouders overleefden de concentratiekampen en hielden daar een enorme levenslust en een ijzeren wil aan over om van elke dag het beste te maken. Ze cultiveerden vreugde.

Perel voelde aan dat ze een diep begrip hadden van erotiek in de breedste zin van het woord, zoals ze die in haar boek gebruikt: levenslust, een weg naar vrijheid.

‘Als je een partner kiest, kies je een verhaal. Een nieuw verhaal geeft hoop en een gevoel van nieuwe mogelijkheden. ’Uit wat voor familie je komt is cruciaal voor de verhalen die je jezelf vertelt, denkt Perel. Zoals Scott, die, zo blijkt tijdens de sessie, zichzelf als kind van een claimende moeder een leven lang heeft verteld dat hij geen seksueel persoon is.

Om zulke ingesleten verhalen draait het in Perels therapie – herkennen wat ze zijn en proberen ze te veranderen. ‘We leven in verhalen,’ zegt ze, ‘verhalen bepalen in hoge mate onze ervaring. Als je een partner kiest, kies je een verhaal. Een nieuw verhaal geeft hoop en een gevoel van nieuwe mogelijkheden.’

Zijn er verhalen die ze steeds ziet terugkeren? ‘Ik zal altijd verlaten worden,’ somt ze op, ‘men gaat nooit van me houden, ik ben niet waardevol… de meeste verhalen hebben te maken met zelfwaardering, onze behoefte om te hechten en onze angst om verlaten te worden.’

Hoe een ideaalbeeld in de weg kan zitten

Maar het zijn niet alleen onze ouders aan wie we verhalen overhouden. Wat de maatschappij en de cultuur voorschrijven speelt ook een rol. ‘Als het over relaties gaat,’ zegt Perel, ‘is een veelgehoord verhaal dat iemand zich eenzaam voelt in een relatie, terwijl het moderne ideaalbeeld van een relatie is dat je je nooit eenzaam zal voelen.’

‘Ook rond seks bestaan allerlei actuele verhalen. Vroeger had je seks om acht kinderen te krijgen, inmiddels draait het om genieten en je verbonden voelen en dat moet dus ook zo zijn. ‘Ik hou van je, maar ik verlang niet meer naar je’ behoort nu dan ook tot de meest gehoorde probleemverhalen.’

Beloftes, verwachtingen. De moderne ‘ideologie van liefde’, schrijft voor dat een partner tegelijkertijd je anker, je beste vriend én je vurige geliefde moet zijn. Dat is een enorme last voor één persoon, vindt Perel – bovendien zijn het vaak tegenstrijdige verlangens.

We hebben tegenwoordig haast religieuze verwachtingen van de liefde; teleurstelling is bijna onvermijdelijk.

‘Ik hou van je, maar ik verlang niet meer naar je’ behoort nu dan ook tot de meest gehoorde probleemverhalen. ’‘Vorig jaar heb ik een aantal huwelijken bezocht om de geloften te registreren,’ zegt Perel. ‘Het is ongelooflijk wat mensen elkaar beloven!’

‘Ik beloof je trouw, respect en zelfontplooiing,’ citeert ze in haar boek een bruid. ‘Ik zal niet alleen je successen vieren, maar zal des te meer van je houden vanwege je mislukkingen.’

‘Wat een opgave,’ verzucht de therapeut, ‘hoe meer ze opsommen, hoe meer ik me afvraag of die lijst hun huwelijksreis zal overleven.’ Ze is dan ook begonnen met het coachen van jonge stellen in het opstellen van hun huwelijksgeloften.

‘Begin gewoon maar eens met zeggen: ik ga je heel vaak teleurstellen, en soms ga ik daar zelfs verantwoordelijkheid voor nemen.’

Kun je verlangen naar wat je al kent?

De veeleisende, hedendaagse mens wil in één relatie dus zowel veiligheid en intimiteit als spanning en avontuur, zowel een partner die braaf de afwas doet, als een hete Jean Claude.

Perels analyse van die tegenstrijdigheid laat zich behalve als zelfhulp ook goed lezen als culturele geschiedenis en cultuurkritiek.

Ze citeert even soepel de Franse filosoof Michel Foucault als Marge Simpson – ‘passie is voor buitenlanders en tieners’ – en ze schetst een breed, erudiet kader om onze huidige, westerse omgang met de liefde historisch in te plaatsen.

Zo wijst ze erop dat intimiteit, zoals we dat vandaag kennen – praten, praten, praten – pas een vereiste werd toen het schaarser begon te worden door maatschappelijke verschuivingen. ‘Intimiteit,’ schrijft Perel, ‘is het tegengif bij uitstek geworden voor levens die steeds geïsoleerder zijn.’

We streven er in relaties naar om emotioneel zo dicht mogelijk bij onze geliefden te zijn, ze door en door te kennen en de afstand die er bestaat te overbruggen.

Perel gelooft erin dat veel koppels, in die zucht naar intimiteit en zekerheid, liefde verwarren met samensmelten. Dat is een slecht voorteken voor je seksleven.

Wat als je de ander te goed kent?

Zo spreken Scott en zijn vrouw vloeiend het typisch Amerikaanse therapiejargon, waarin ze elkaar haarfijn kunnen uitleggen wat ze voelen en wat hun trauma’s zijn, maar in die diepe nabijheid schuilt geen erotiek.

Pas als zijn vrouw ontdekt dat Scott ook nog een andere, onbekende kant heeft – in de vorm van een potige, mysterieuze Fransman – is haar interesse gewekt.

‘Om je hartstocht voor een ander te behouden,’ schrijft Perel, ‘moet er wel nog iets te overbruggen zijn. Erotiek vereist twee partijen. Het bloeit in de ruimte tussen jezelf en de ander. Om echt met iemand samen te kunnen zijn, moet je die ruimte en de bijbehorende onzekerheid kunnen tolereren.’

‘Een van de problemen van een langdurige relatie,’ legt Perel mij uit, ‘is dat je het idee kunt krijgen dat je alles van de ander al weet. En heel dikwijls is ontrouw de eerste keer dat je je realiseert dat je je partner toch niet zo goed kent als je dacht.’

Wat overspel voor je relatie kan doen

Dat overspel kan vernietigend zijn en zeer traumatisch, maar Perels nieuwe boek The State of Affairs moet aantonen dat het ook mogelijkheden biedt – zonder het overigens goed te keuren.

‘Ik heb gemerkt,’ zei ze eerder al in een TED-talk over ontrouw, ‘dat veel koppels na een affaire een nieuwe orde vinden en gesprekken hebben met een diepgang en een openheid die ze al jaren niet meer kenden. Partners die hun lust verloren hadden, merkten ineens dat ze weer begonnen te verlangen naar hun geliefde.’

Vooral de realisatie die uit een affaire kan voortkomen dat er altijd een deel van je partner zal zijn dat een mysterie voor je blijft, is waardevol – niet in de minste plaats voor je seksleven.

Wars van dogmatisme

Mysterie, ‘de actieve omgang met het onbekende’ is dus belangrijk. ‘Wat me het meest motiveert,’ antwoordt Perel wanneer ik haar vraag of ze iets wil veranderen aan de wereld, ‘is het bestrijden van rigiditeit, van gevestigde ideeën en vooroordelen. Boven alles ben ik anti-dogmatisch, ik loop rood aan als mensen beweren dat zij de enige waarheid kennen.’

Neem #MeToo: in de VS wil iedereen van haar weten wat haar standpunt is. Het vermoeit haar dat je, voordat je er überhaupt iets over mag zeggen, éérst een volledige disclaimer moet geven met waar je allemaal voor en tegen bent. ‘Ik ben meer geïnteresseerd in wat we kunnen doen aan de status quo die #MeToo heeft blootgelegd,’ zegt ze.

Wat kunnen we eraan doen? ‘Een nieuw gesprek tussen mannen en vrouwen, dat wil ik faciliteren. Momenteel organiseer ik workshops waarbij mannen aan het woord komen.’

‘Vrouwen zijn er ook, maar die luisteren. Waarover denk je dat die mannen spreken? Niet over hun macht, maar over hun onzekerheid. Dat is het gesprek wat nodig is: de vraag waarom de man zijn onzekerheid probeert op te lossen door op ongepaste manieren zijn macht te laten gelden.’

Haar werk is feministisch, zeker, maar ze is er niet expliciet over. Perel: ’Ik ben een van de weinige relatietherapeuten die ook door veel mannen gelezen en beluisterd worden. Omdat ik niet oordeel, waarschijnlijk, compassie heb voor hun situatie en bovendien niet denk dat het leven van vrouwen in het Westen per se altijd slechter is dan dat van mannen.’

Waarom geen school voor relaties?

Dat betekent niet dat mannen in Perels praktijk niet aangepakt worden met de haar typerende combinatie van scherpzinnigheid, humor en tough love. ‘Ik vraag het aan bijna alle mannen: tell me something, wanneer is de laatste keer dat je iets leerde over hoe je een goede minnaar kunt zijn? Was het iets anders dan porno?’

‘En vertel me, als je een huis koopt, een nieuwe auto, een aandelenpakket, doe je dan niet eerst uitgebreid onderzoek? Hoe denk je dat je zo zonder onderzoek een relatie kunt overleven? En dan zeg ik: ik zie je over twee weken en dan wil ik dat je minstens drie dingen hebt geleerd over hoe je in een relatie wil zijn.’

Perel: ‘We leren onszelf alles, maar het is nooit bij iemand opgekomen om een school voor relaties te beginnen. Dat heeft er onder meer mee te maken dat relaties eeuwenlang gedefinieerd werden door plicht en regels. Je deed wat je moest doen en niemand vroeg of je dat graag deed.’

Daartoe in verhouding kenmerkt onze tijd zich door grote verwarring. ‘We hebben zo veel vrijheid, keuzes en onzekerheid dat we ons voortdurend moeten afvragen: wat geloof ik, wat wil ik, wat moet ik doen, wat is belangrijk, wie ben ik? Als je geen regels hebt en relaties zo instabiel zijn, heb je alleen gesprekken. Mijn rol is om mensen die gesprekken te helpen voeren.’

Perel heeft naast haar therapiepraktijk, haar boeken en haar podcast sinds kort ook een trainingsplatform voor relatietherapeuten, Sessions. ‘Maar denk niet dat ik daar de “methode Perel” onderwijs,’ zegt ze, haar antidogmatisme nogmaals benadrukkend. ‘Ik pretendeer niet dat ik de enige juiste manier heb.’

‘Sessions is meer een gecureerde salon waar mensen met elkaar in discussie kunnen. Elke maand interview ik iemand van wie ik veel geleerd heb. Dat zijn mensen die verschillende scholen binnen de psychologie aanhangen. Als ik dus al een model hanteer, dan is het een nieuw model: inclusief, multicultureel en multidisciplinair.’

Meer kunst dan harde wetenschap

Kritiek op haar werk komt dan ook vooral van minder vrijzinnige collega’s die wel degelijk één school aanhangen. Vooral in de hoek van de behoorlijk dominante hechtingstheorie heeft ze in het verleden veel weerstand opgeroepen.

Beroemde relatietherapeuten uit die traditie, zoals de Amerikaanse Sue Johnson, bestrijden bijvoorbeeld Perels claim dat ook mensen in gezonde, hechte relaties soms vreemdgaan.

Daarmee is niet gezegd dat de hechtingstheorie geen rol speelt in het werk van Perel. Ze gebruikt wat ze bruikbaar vindt. Maar het probleem, zegt ze, is dat de hechtingstheorie, die gaat over veiligheid en geborgenheid, tekortschiet op het gebied van seks. ‘Ik werk dikwijls met mensen die perfect gehecht zijn, en toch geen seks hebben.’

Andere critici, vooral uit de hoek van de even alomtegenwoordige neurowetenschappen, menen dat er bar weinig klinisch bewijs bestaat voor wat Perel beweert. De therapeut antwoordt daarop laconiek dat er momenteel verschillende mensen promoveren op haar werk. Maar het lijkt haar er vooral niet zo veel toe te doen.

Wanneer ik Perel dan ook vraag hoe ze bijvoorbeeld zo snel besluit dat ze iemand als Scott simpelweg Frans moet laten praten, zegt ze: ‘meisje, het is gewoon intuïtie, gevoel, ervaring. Wat ik doe lijkt meer op pottenbakken dan op harde wetenschap. Het is een ambacht, een kunst.’

2 reacties

Opgeslagen onder Systeemtherapie

Ouders die ‘sorry’ kunnen zeggen tegen hun ‘lastige’ puber

‘Sorry’ zeggen is voor sommige mensen een hele opgave. Anderen zeggen het misschien te gemakkelijk.

Hoe dan ook, de band tussen de ouders en een ‘lastige’ puber kan van een ‘sorry’ op het juiste moment, zodanig opknappen dat de ‘gedragsproblemen’ van de puber zonder al te veel moeite opgelost worden.

Ouders die geen ‘sorry’ kunnen zeggen worden indien gewenst over de brug geholpen binnen een hechtingsgerichte gezinstherapie. Hoe dit in zijn werk gaat leerde ik op dag 4 van de cursus: Systeemtherapie Kinderen en Jeugd  van Elien Oostendorp. Het gaat hier om Attachment Focussed Family Therapy (AFFT) en afstemmen op de eigen emoties door de ouders bleek van cruciaal belang.

Ouders motiveren om naar zichzelf te kijken

Het is niet gemakkelijk wat een hechtingsgerichte therapeut van de ouders vraagt, want het kan een pijnlijke stap zijn om eerst naar jezelf te kijken. Het is niet makkelijk om je af te vragen of het opvoeden wel goed gegaan is. Ouders vragen de therapeut vaak: “Waarom nodigt u mij uit?” “Het is mijn kind dat zich niet weet te gedragen!” Het voelt voor hen alsof zij op het matje geroepen zijn, terwijl het hun puber is die de problemen veroorzaakt.

Misschien zit ‘m daar juist het probleem. In het oorzaak-gevolg denken, in het lineaire denken, in het begin van het probleem leggen op een gefixeerd punt en wel bij het gedrag van de puber.

De therapeut zou op de vragen van de ouders kunnen antwoorden: “Het lijkt inderdaad onlogisch dat u hier zit maar ik heb het nodig dat ik u leer kennen want ik geloof dat jullie van elkaar houden en dat er een andere dialoog kan komen en dat alleen daarna het probleem opgelost kan worden.” Dat je met deze woorden kunt reageren, leerde ik op deze dag.

De AFFT therapeut zal de ouders vragen om dieper in te gaan op de emoties die het gedrag van de puber oproept, om zich zo doende een weg te banen uit het eigen gevoel van machteloosheid over het opvoeden. Het gereedschap waarmee ze het gedrag van hun puber kunnen aanpakken blijkt diep in hen zelf verscholen te liggen.

Oudergesprekken vormen de beginfase van de therapie. De AFFT therapeut geeft de ouders wat zij zelf in een latere fase aan hun puber zullen doorgeven. Dit is kort samengevat: het emotioneel afstemmen met PACE (Playfullness, Acceptance, Curiosity en Empathy). Over het algemeen hebben ouders dit niet voldoende meegekregen waardoor ze het niet kunnen doorgeven. Tijdens het oefenen van PACE in rollenspellen was de feedback dat mijn nieuwsgierige vragen (Curiosity) vervuld waren van empathie (Empathy). Twee vliegen in een klap.

Bij het opvoeden wordt ouders dus vaak gevraagd om iets te geven aan hun puber wat ze zelf niet gekregen hebben. Een onmogelijke vraag. Vaak blijken ze zich in het geheim te schamen voor het falen in de ouderrol.

Als de AFFT therapeut het idee krijgt dat de ouders kunnen accepteren dat onderliggende emoties en motieven een rol spelen in de interactie met de puber, dan kunnen ouder-kind gesprekken plaatsvinden maar er kan altijd weer teruggegaan worden naar oudergesprekken. Uiteindelijk zullen ouders en puber tot een emotioneel, affectieve en reflectieve dialoog komen.

In een dergelijke dialoog speelt intersubjectiviteit een belangrijke rol.

Intersubjectiviteit

Hechting en intersubjectiviteit vormen samen de onlosmakelijke spiraal van de psychologische geboorte en de ontwikkeling van de mens. In het dagelijks leven van het jonge kind is dit heel duidelijk waarneembaar.

Niets op deze aarde vond ik nog belangrijk, slechts de wijze waarop haar gelaat zich naar het mijne boog, waarbij onze neuzen elkaar net raakten, hoe vol en betoverend ze naar me glimlachte, terwijl er vonkjes van haar gezicht leken te schieten. Ze had me met een kleine lepel gevoerd. Ze had haar neus tegen die van mij gewreven en haar licht over mijn gezicht laten schijnen… Er werd van mij gehouden.

Sue Monk Kidd, ‘Ver van huis’

Een dag van een kind wordt doordrenkt met hechting en intersubjectiviteit. Bij veilige hechting is de ouder de veilige haven waardoor het kind kan ontdekken hoe het zijn angsten kan reguleren zodat het in vrijheid kan leren van nieuwe objecten en gebeurtenissen. Met intersubjectief wordt bedoeld dat ouder en kind op elkaar afgestemd zijn, dat ze samen hun emotie reguleren en samen betekenis geven aan objecten of gebeurtenissen.

Een baby heeft de bereidheid en het vermogen om de aandacht van de volwassene te vragen. Elk huiltje is anders omdat zijn ongemak steeds weer anders is. De ouders gaan de huiltjes herkennen. Hoe beter de baby en de verzorgers kunnen communiceren, hoe veiliger. Ze bereiken samen een toestand van intersubjectiviteit waarbij hun emoties op elkaar worden afgestemd. Ze zijn op elkaar gericht en delen dezelfde intenties om te communiceren en te genieten van elkaar en om meer te ontdekken en te genieten van de gebeurtenissen en objecten in de wereld, of deze juist te vermijden.

Geluidjes die de baby maakt worden door de ouder herhaald. Ook gezichtsuitdrukkingen evenaart de ouder. Dit herhalen en evenaren is belangrijk voor de ontwikkeling van de communicatie. Het gaat hier niet om het imiteren. De ouder helpt de baby op deze manier om zich bewust te worden dat hij een innerlijke toestand heeft. De ouder toont daarmee empathie. De innerlijke toestand wordt opgemerkt, gewaardeerd, geaccepteerd en er wordt betekenis aan gegeven. Via deze intersubjectieve ervaring wordt de baby zich bewust van de eigen ervaring, die hij anders niet zou kunnen identificeren en als belangrijk zou kunnen waarderen. Dit vormt het fundament van een coherent zelfbewustzijn.

Door intersubjectieve ervaringen kan het innerlijk leven van anderen een centraal onderdeel worden van ons eigen innerlijk leven. Door het delen van innerlijke levens worden we vitaler en interessanter. De gedachtenwereld wordt vanaf het begin beïnvloed door anderen. De uitwisseling met anderen wordt mogelijk door een uitzonderlijk uitgebreide reeks speciale expressieve bewegingen (houding, gebaren, stem, gezichtsuitdrukking, enz.) die motieven weerspiegelen.

De verschillende kenmerken van de intersubjectiviteit tussen ouder en kind zijn relevant voor de psychotherapie. In gezinnen die niet worden gekenmerkt door veilige hechtingsrelaties wordt de aarzeling om intersubjectieve ervaringen te initiëren steeds groter. Hun wensen om te delen en samen te werken falen. Intersubjectieve ervaringen worden verdacht, gaan gepaard met schaamte of negatieve gevoelens. Het is niet langer wenselijk om emotie, aandacht en intentie te delen. Intersubjectiviteit, de wieg voor wederzijdse vreugde en intimiteit binnen een gezin, wordt een bedreiging.

Na herstel kan een relatie juist sterker worden

Ouders die een veilige hechtingsbasis bieden zijn gewoonlijk beschikbaar, intuïtief en responsief. Ouders zijn er onvoorwaardelijk maar soms is er een storing in de relatie; de een wacht dan tot de ander weer ‘op adem is gekomen’. Breuken zijn minder makkelijk te repareren als de ouder weigert, boos of geïrriteerd is. Een ouder kan in beslag genomen zijn door andere zorgen en/of zelf in een ontregelde toestand zijn.

Een tijdelijke crisis in de relatie moet worden herkend, geaccepteerd en hersteld. Na het herstel kan de relatie juist sterker worden. Vaak begint de ouder met het herstel en laat bijvoorbeeld merken dat de boosheid van het kind geen bedreiging is voor de relatie. De gereguleerde emotie, de gerichte aandacht en de intentie om te herstellen nodigen het kind uit en beiden keren terug naar de intersubjectieve toestand die de emotie die gepaard ging met de breuk, reguleert. Als de ouder het kind niet uitnodigt of andersom dan vormt een breuk een bedreiging en wordt het kind angstig of wanhopig.

Hechtingspatronen worden van generatie op generatie doorgegeven. Verstoringen in de ouder-kind relatie vormen een probleem als ze lijken op verstoringen in de eigen hechtingsrelatie van de ouder die niet werden opgelost. Alleen dan kunnen breuken een bedreiging worden. Er is een verhoogd risico als de breuken intens zijn, frequent en onopgelost blijven. Zowel ouders als kind ervaren schaamte in combinatie met het ervaren van de bedreiging van de relatie. Dat is het moment dat ze in gezinstherapie gaan, met een defensieve en afwijzende houding om te beginnen.

Hechtingsgerichte therapie brengt de intersubjectieve ervaringen weer op gang. De ouder kan het kind opnieuw gaan ervaren als de moeite waard en om van te houden.

Primaire en secundaire intersubjectiviteit

De ouder omarmt de vaak ontregelde, de permanent veranderende lichamelijke toestand van de baby. Afstemmen van ouder en baby is het intersubjectief delen van emotie. Door deze tweevoudige regulatie van de emotie ofwel veilige hechting nemen wederzijds plezier, blijmoedigheid en opgetogenheid toe.

De ouders ontdekken wie hun baby is en wie zij zelf zijn als ouder. De baby ontdekt wie hij is en wie zijn ouders zijn. De baby weet dat de expressieve ogen van zijn ouder ook een reactie zijn op hem. Zijn expressies zijn een weerspiegeling van zijn zich ontwikkelende innerlijke toestanden en de hiervan afhankelijke reacties van de ouder zorgen er op hun beurt weer voor dat het kind zich bewust is dat de moeder deze toestanden opmerkt en hierop met plezier, belangstelling en acceptatie reageert. De aard van de reactie van de ouder geeft het kind een eerste definitie van zichzelf. De baby ervaart zijn eigen kracht. Hij ontdekt steeds weer dat hij beschikt over prachtige kwaliteiten die zijn ouders diep raken. En ouders ontdekken zichzelf als ouder in de ogen van de baby. Dit is de primaire intersubjectiviteit.

Secundaire intersubjectiviteit vindt plaats in de tweede helft van het eerste levensjaar. De ouders geven voortdurend betekenis aan objecten en gebeurtenissen om de baby heen. Wat de ouders opmerken en waarderen, merkt de baby op en waardeert de baby. De ouder ervaart het object maar ervaart ook de ervaring van de baby met het object, waarna de ouder uitdrukking geeft aan zowel de eigen ervaring als aan die van de baby. Ouder en baby creëren samen de betekenis van het object of de gebeurtenis. Omdat ze het samen doen kan het kind vanuit meer perspectieven het object ervaren, met minder angst of schaamte. De baby kan hierdoor de diepere betekenis van het object beter doorgronden wat meer controle geeft.

Het samen betekenis geven gaat na de babytijd door. Het kind zal steeds vaker in contact komen met anderen waarmee het graag betekenis gevende activiteiten onderneemt. Kinderen gaan zich identificeren met anderen maar de ouders blijven vooraan staan. Ze willen zijn zoals hun ouders, met hun interessen, wensen, gedachten en gevoelens. Identificatie met hechtingsfiguren geeft richting aan de organisatie van ervaringen, aan betekenisgeving en aan het vermogen om interacties met de wereld te leren beheersen.

De puber en de adolescent onderscheiden hun betekenis gevende activiteiten steeds beter van die van hun ouders. Ze kunnen zich gaan afvragen of ze het perspectief van hun ouders accepteren. Als verschillen kunnen worden herkend en geaccepteerd wordt het vermogen van kinderen om de behoefte aan intimiteit en aan autonomie te integreren, mogelijk. Een eigen levensverhaal en veilige gehechtheid kunnen samengaan.

Gezinnen gaan in therapie als het accepteren van verschillen niet lukt. De verschillen worden dan gezien als bedreigend, ongepast, fout of als een gebrek aan respect. Er wordt een negatieve betekenis gegeven aan de motieven van de ander. Inspanningen om het innerlijk leven van de ander te begrijpen worden ondergeschikt gemaakt aan oordelen die geveld worden over het gedrag van de ander. Intersubjectieve ervaringen doen zich steeds minder voor en individuen raken geïsoleerd en voelen zich onveilig.

Een coherent ik-gevoel en herstel van de interactie

Dankzij de primaire en secundaire intersubjectiviteit vormt zich in toenemende mate een coherent ik-gevoel. Dit is geen rigide entiteit maar een open, flexibele, actief integrerende en unieke schepper van ervaringen via betrokkenheid met anderen en met objecten en gebeurtenissen in de wereld. Een veilig gehechte volwassene  heeft een coherent levensverhaal en staat open voor elk object of elke gebeurtenis en de emotie die hiermee gepaard gaat kan hij of zij individueel of samen reguleren. Aan elk object of gebeurtenis wordt individueel of samen betekenis gegeven waarna het geïntegreerd wordt in het levensverhaal. Gebeurtenissen hoeven niet te worden ontkend of vervormd. Het ik-gevoel wordt er niet door bedreigd. Het ‘zelf’ is in staat om op een samenhangende wijze continue,allesomvattend en georganiseerd te zijn.

Gebeurtenissen kunnen objectief zijn maar de betekenis die er aan gegeven wordt is altijd uniek, subjectief en wordt op intersubjectieve wijze gecreëerd. Als ouders deze psychologische waarheid kunnen erkennen en de uniciteit van de ervaringen van hun kind kunnen waarderen dan bieden ze intersubjectieve ervaringen aan die acceptatie en nieuwsgierigheid laten zien met betrekking tot betekenis gevende activiteiten van hun kind. Deze ouders ontmoedigen hun kind niet bij het hebben van een subjectieve ervaring die verschilt van hun eigen ervaring.

Het ik-gevoel van de ouder kan aangetast zijn. Het doel van de therapie is het herstel van een plezierige dialogische kameraadschap die waarschijnlijk in de vroege ouder-kind relatie aanwezig was. Het doel is om samen te ontdekken wat de belangrijkste wederzijdse intenties zijn die onder de problemen verscholen liggen, deze intenties te accepteren en met elkaar te bespreken op een wijze die herstel van de interactie mogelijk maakt.


Om dit bericht te maken is o.a. gebruik gemaakt van het boek ‘Hechtingsgerichte gezinstherapie’ van Daniel A Hughes. Hoofdstuk 1: Hechting en intersubjectiviteit.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie

Afstemmen creëert een band

NIET AFSTEMMEN MAAKT ZIEK

Belangrijke dingen geleerd op de cursusdag ‘Hechtingsgerichte gezinstherapie met pubers’ van Elien van Oostendorp. De dag was een onderdeel van de cursus Verdieping Systeemtherapie.

Zelfs hartslagen kunnen op elkaar afgestemd raken!

Eigenlijk moet ik zeggen dat ik aan belangrijke dingen herinnerd werd door de cursusdag want wat ik leerde was me ten diepste wel bekend. Toch was het een dag van nascholen en oefenen.

Want wat betekent afstemmen eigenlijk? Om goed tot je door te laten dringen wat afstemmen is en hoe het voelt als er wel of niet op je afgestemd wordt, deden we twee korte oefeningen.

Oefening 1: Er wordt niet afgestemd

Probeer je een rot moment te herinneren waarin je geen hulp kreeg. Wat deed de ander waardoor je je niet welkom of veilig voelde? En wat deed jij vervolgens?

De ander zweeg, ging over mijn grens, had geen aandacht, was afwezig, was niet nieuwsgierig of kwam met zijn eigen probleem.

En wat deden wij vervolgens? Wij vluchtten, werden wanhopig, gaven op, huilden, werden boos en volhardden, schreeuwden, verstilden, trokken ons terug of maakten ons onzichtbaar.

Oefening 2: Er wordt wel afgestemd

Herinner je een situatie waarin je je gezien voelde. Wat deed de ander om dit aan jou te laten merken?

De ander luisterde zonder oordeel, had oogcontact met je, erkende jouw gevoel, maakte je niet kleiner, maakte ruimte, moedigde je aan om meer over jouw gevoelens te vertellen, benoemde jouw gevoel, raakte je aan, nam de tijd en stemde je hoopvol.

Wat deed dit met ons?

Wij voelden dat er ruimte was voor ons verdriet, we voelden ons getroost, gekalmeerd, niet meer alleen, veiliger. Het gaf ons vertrouwen en onze relatie verdiepte zich.

Afgestemd zijn doet denken aan het spreekwoord: Gedeelde smart is halve smart.


Over hechtingsgerichte gezinstherapie valt natuurlijk veel meer te vertellen maar afstemmen op diepere emoties en soms ver weg verstopte pijn is de kern van deze therapie. Afgekort heet het AFFT: Attachment Focused Family Therapy en de bedenker is Daniel Hughes. Hij noemt de methode zelf: Dyadic Developmental Psychotherapy, DDP. Hij werkt veel in de dyade met het kind of in de dyade met de ouder(s).  Wij lazen voor deze cursusdag enkele hoofdstukken uit de vertaling van het boek van Hughes: Hechtingsgerichte gezinstherapie. En we zagen hem op een video opname aan het werk met een geadopteerd meisje en haar moeder. Het meisje sprak niet of nauwelijks en toch slaagde Hughes er in om af te stemmen. Dit is natuurlijk de kunst. Afstemmen op emoties die nog niet het licht gezien hebben, die nog niet verteld zijn, waarvoor nog geen woorden gevonden zijn. Maar die er wel degelijk zijn.

Ik heb eerder over Hughes geschreven op dit blog: De zachte kracht van P.A.C.E.

P staat voor ‘Playfull’, A voor ‘Acceptance’, C voor ‘Curiosity’ en E voor ‘Empathy’.

Over empathie een leerzaam en leuk filmpje van Brené Brown:

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie

De persoon is het probleem niet

HET PROBLEEM IS HET PROBLEEM

Door het probleem te externaliseren kunnen de persoon en het probleem uit elkaar gehaald worden. De persoon komt los van het probleem en kan er naar kijken. H/zij zal zichzelf niet langer als het probleem ervaren en meer mogelijkheden krijgen om het probleem aan te pakken.

Deze manier van werken hoort bij de narratieve therapie, waarin het gaat om het creëren van verhalen die werken. De verschillen tussen internaliserende en externaliserende gesprekken staan hieronder op een rij.

INTERNALISERENDE GESPREKKEN…

1. zien de persoon als het probleem,

2. lokaliseren het probleem binnen de persoon,

3. zoeken naar wat er mankeert aan de persoon,

4. zien handelingen als uitingen van de kern van iemand als persoon,

5. maken gebruik van de meningen van anderen om het gedrag of het probleem te verklaren,

6. beschrijven van het probleem valt samen met het beschrijven van de identiteit waardoor er weinig ruimte is voor andere aspecten van de persoon,

7. sociale gewoonten die het probleem voeden, steunen en promoten blijven onzichtbaar,

8. leiden tot ‘dunne’ conclusies over iemands leven, identiteit en relaties,

9. onderzoeken de innerlijke invloeden bij mensen die hulp vragen,

10. leiden tot het categoriseren van mensen in termen van hoe ze verschillen ten opzichte van de norm. Er worden labels bedacht voor ervaringen,

11. zien problemen als een onderdeel van de identiteit. De gesprekken gaan over hoe je leeft met een diagnose,

12. zien de professional als de expert,

13. beschouwen strategieën van anderen als de veroorzaker van de oplossing,

14. maken gebruik van woorden zoals:’ ik ben…’

15. en veel woorden gaan over details van het probleem

EXTERNALISERENDE GESPREKKEN…

1. zien het probleem als het probleem,

2. bespreken het probleem alsof het zich buiten de persoon bevindt zodat er ruimte is om zich tot het probleem te verhouden,

3. lokaliseren het probleem in een context buiten de persoon,

4. zien handelingen als achtereenvolgende gebeurtenissen die plaatsvinden in een bepaalde tijd volgens een bepaald plot,

5. nodigen de persoon uit om hun eigen betekenissen te geven voor wat er aan de hand is,

6. geven ruimte aan een meervoudige identiteit,

7. sociale gewoonten die het probleem voeden, steunen en promoten worden zichtbaar,

8. leiden tot rijke beschrijvingen van levens en relaties,

9. onderzoeken de culturele en sociaal-politieke verhalen die het leven van mensen beïnvloeden,

10. vieren de verscheidenheid en dagen de normen uit en omarmen verschillen en dagen discriminerende praktijken uit,

11. raadplegen de persoon en betrokkenen zelf over verandering en her-onderhandelen de verhouding tot het probleem,

12. laten mensen zelf de expert zijn over hun leven,

13. zien verandering als gemeenschappelijk tot stand gekomen en maken gebruik van al voorhanden zijnde kennis en vaardigheden,

14. gebruiken woorden zoals: ‘het is…’

15. en veel woorden gaan over gebeurtenissen die buiten het probleem staan.

De bovenstaande twee rijtjes van 15 vragen komen uit het boek van A. Morgan: ‘What is narrative therapy? An easy-to- read introduction’ (2000).

Goeie vragen stellen is een kunst

Eigenlijk kun je van alles externaliseren; gevoelens zoals angst, anorexia, stemmen, zelftwijfel enz. maar ook processen, patronen en conflicten tussen mensen en allerlei sociale en culturele praktijken zoals racisme en discriminatie kunnen geëxternaliseerd worden. Ook metaforen zoals: een muur van verwijten of een golf van wanhoop kunnen geëxternaliseerd worden.

Je begint met het probleem een naam te geven en je gebruikt daarbij een zelfstandig naamwoord. Met de naam maak je als het ware van het probleem ook een persoon. Je bent het probleem aan het personaliseren en dan stel je vragen om het probleem goed te leren kennen. Stel dat het probleem Onzekerheid heet.

Wat zijn de trucjes van Onzekerheid?

Wat zijn de tactieken, de manier van handelen, de manier van spreken en wat het zegt, de bedoelingen, de ideeën en het geloof van Onzekerheid?

Wat zijn zijn plannen, zijn voor-en afkeuren, regels, verlangens, motieven, technieken, dromen, bondgenoten?

Wie steunt Onzekerheid?

Tegen welke krachten moet Onzekerheid het opnemen?

Wat zijn de leugens of het bedrog van Onzekerheid?

Morgan licht toe dat je niet van alles zomaar kunt gaan externaliseren. Je luistert eerst naar iemands verhaal en probeert vast te stellen welk probleem prioriteit heeft. Problemen kunnen samenvallen zoals Zelftwijfel en Zelfkritiek. Welk van de twee ga je externaliseren? Ga je Uitschelden of Verdriet externaliseren? Dan vraag je bijvoorbeeld: Veroorzaakt het Uitschelden het Verdriet of andersom? Ook de bredere context is belangrijk. Is er misbruik, armoede, een migratie? Je gaat het probleem Angst niet externaliseren als er misbruik is. Dus eerst goed luisteren!


Deze manier van vragen stellen vereist oefening. Wij, een groep van 12 systeemtherapeuten, oefenden op de derde cursusdag van de specialistische cursus Systeemtherapie Kinderen en Jeugd met deze vragen en met het personaliseren van een probleem.

We kregen van gastdocent en psychotherapeut Tineke Haks een lijstje vragen waarvan sommigen erg kunstig in elkaar gezet waren en daar gingen we mee aan de slag. We gaven een naam aan een probleem dat ons zelf in de weg stond. Ik noemde mijn probleem: Oordeel.

Hoe is Oordeel in mijn leven terecht gekomen?

Hoe lukt het Oordeel om invloed uit te oefenen op mij?

Wat is het doel van Oordeel? Waar is het op uit? Waarom eigenlijk?

Met welke trucs lukt het Oordeel om macht te krijgen over mij?

Is het mij wel eens gelukt om macht te krijgen over Oordeel?

Hoe lukt het Gerie om Oordeel weg te jagen?

Wat is de zwakke plek van Oordeel?

Lukt het wel eens om Oordeel te slim af te zijn?

Wat gebeurt er met Oordeel als het Gerie steeds beter lukt om Oordeel weg te jagen?

Hoe zou het voor haar zijn als jij Oordeel bij haar bent weg gegaan?

Tineke voegde nog enkele  ‘advocaat van de duivel’ vragen toe: Wat zijn de goede intenties van Oordeel? Het probleem kan dus ook goede bedoelingen hebben! Heeft Gerie Oordeel ook wel eens niet nodig? En waar kwam ik achter bij het beantwoorden van deze vragen: Als ik mag dwalen en struinen door de natuur dan heb ik Oordeel niet nodig:) Dit had ik niet verwacht als uitkomst toen ik begon aan deze oefening. Ik krijg meer grip op Oordeel. En ik krijg zicht op een moment waarop mijn probleem niet speelt.

Morgan schrijft over de effecten van een probleem. Wat voor een effect heeft het op je zelf als persoon, hoe je over jezelf denkt, hoe je jezelf ziet als ouder, als partner, als broer, zus, , werknemer, enz. Wat voor effect heeft het op je hoop voor de toekomst, op je dromen, op je werk, je sociale leven, je gedachten, je gezondheid, je gemoed, je dagelijks leven. Zo krijg je een idee van wat iemand met het probleem ervaart, waarom iemand zich bezwaard voelt door het probleem.

Maar ook kom je er achter in welke unieke situaties of tijden het probleem weinig of geen effect heeft. Je komt er achter dat iemand manieren heeft ontwikkeld om niet zo geraakt te worden door het probleem. Je komt achter hun competenties.

Een probleem wil vaak graag het effect dat het heeft op mensen verbergen. Problemen vinden het niet leuk als mensen ze door hebben want dat zou hun kracht kunnen verzwakken. Na het gesprek over de effecten van het probleem kan de therapeut vragen of de cliënt vindt dat deze effecten bij zijn leven passen en of die er blij mee is. En dan zegt de client bijvoorbeeld iets als: “Nee het past niet bij me want ik was altijd zo’n vrolijk meisje…” Er komt ruimte voor een ander verhaal, een verhaal van voordat het probleem iemands leven overschaduwde. Iemand kan een standpunt gaan innemen tegenover het probleemverhaal.


We kunnen verschillende verhalen vertellen over ons leven. Dit tekenfilmpje maakt dit goed duidelijk.

‘Kracht oren’ opzetten

Een probleemverhaal herbergt waarden en kwaliteiten. Een van ons kreeg deze cursusdag de opdracht om een zeur-verhaal te houden en de ander moest daar naar luisteren met zijn ‘kracht oren’ op. Uit het zeur-verhaal van een collega kon ik opmaken dat zij er goed in was om allerlei wensen te genereren en zo kon ik reageren met: “Ik hoor dat je veel wensen hebt. Dus ik hoor hoop in je verhaal. Maar ik hoor ook vasthoudendheid want ik denk niet dat je wil dat ik het zeuren van je af pak. En ik hoor ook dat je liever zelf op zoek gaat naar oplossingen in plaats van dat je adviezen krijgt van anderen.”

Deze oefening was de opmaat voor het leren over de Unieke Uitkomst of de Unieke Uitzondering, een ander belangrijk ingrediënt van narratieve therapie. De Unieke Uitzondering doet zich voor op een moment dat Het Probleem niet speelt. Morgan schrijft dat het probleem het niet leuk vindt als de persoon unieke uitkomsten ontdekt. Het zijn sprankelende gebeurtenissen die niet zouden kunnen voorkomen in het probleemverhaal. Het zijn momenten dat het probleem geen grip heeft op de persoon. Ze gaan vaak aan de persoon voorbij maar ze zijn belangrijk. Deze unieke gebeurtenissen kunnen we met elkaar verbinden en zo vormen een alternatief op het probleemverhaal: het Voorkeursverhaal.

Belangrijk is de ‘timing’ van het gesprek over de unieke uitzondering of de ‘voorkeursverhalen’. Je neemt eerst de tijd voor het probleemverhaal en externaliseert het probleem. Als de cliënt er aan toe is kun je een speciale afspraak maken voor het Unieke Uitzonderingsgesprek, waarmee je een context voor dit gesprek creëert. Morgan schrijft ook dat alleen naar het positieve wijzen niet volstaat. Het gaat om het begrijpen van de unieke uitkomst, om het linken met andere gebeurtenissen en betekenissen. Zo wordt een context gecreëerd waarin een relatief klein en uniek voorval significant wordt. De unieke uitkomst hoeft op zich niets spectaculairs te zijn. Eventueel kun je deze vragen van Morgan gebruiken om de unieke uitkomst boven water te krijgen.

Hoe krijg je het voor elkaar om het probleem niet nog groter te laten worden?

Zijn er momenten waarop het probleem niet zo aanwezig is?

Is er wel eens een moment waarop het probleem op zou kunnen komen maar het niet gebeurde?

Heb je wel eens weerstand kunnen bieden tegen het probleem en je niet tegen laten houden?

Probleemverhalen kunnen zuigen 

Probleemverhalen kunnen zuigen maar je kunt steeds opnieuw verbinding zoeken met het voorkeursverhaal. Daarmee biedt je weerstand tegen de zuigende werking. De Unieke Uitzondering is meer dan een moment. Er zijn meerdere Unieke Uitzonderingen en als therapeut ben je op zoek naar de lijn hier in. Je vraagt naar wat mensen dan doen, naar hun handelingen en je vraagt naar wat deze acties zeggen over iemands identiteit. Onze identiteit is gemaakt van vele stemmen. Het gesprek gaat heen en weer tussen deze ‘landscapes of action’ en ‘landscapes of identity’.

In de zogenaamde ‘re-authoring’ gesprekken worden de unieke uitzonderingen vergroot. Het voorkeursverhaal wordt dikker. Momenten waar de persoon tevreden of blij mee is worden beschreven. ‘Re-authoring’ vragen zijn bijvoorbeeld:

Wat leidde er toe dat dit unieke voorval mogelijk werd?

Wat deed de persoon toen dat h/zij interessant vond?

Wat was waardevol aan dit moment?

Wanneer heb je zoiets eerder gedaan?

Kan er iets beschreven worden dat eerder in het leven van deze persoon gebeurde en raakt aan deze waarde of interesse?

Wat was er destijds dat er achter deze actie zat wat belangrijk was en wat de persoon beïnvloedde om het zo te doen?

Kan de persoon een moment beschrijven van nog langer geleden, wat ook raakt aan deze interesse of waarde?

Wat zou iemand die in die tijd goed naar jou keek, zeggen over wat dat over jou liet zien?

Als je naar de toekomst kijkt hoe zou dan die waarde of interesse van jou zichtbaar kunnen worden in toekomstige acties?

‘Re-membering’

In de eindfase van de therapie worden ‘re-membering’ gesprekken gevoerd. Daar horen weer andere vragen bij. ‘Re-membering’ heeft hier niet alleen de betekenis van herinneren, het heeft ook de betekenis van opnieuw lid (‘member’) worden. Je wordt opnieuw lid van de club van mensen die samen met jou voeding geven aan jouw voorkeursverhaal.

De ‘timing’ is belangrijk. Je gaat pas ‘re-memberen’ als iemand er klaar voor is. Vragen om het ‘re-memberen’ op gang te brengen zijn:

Kun je een relatie bedenken waar je tevreden over bent? Stel die persoon eens voor.

Wat is het in deze relatie waar je blij mee bent?

Past dit nog bij iets wat in jouw leven belangrijk voor je is?

Wat doet of zegt deze persoon dat hieraan bijdraagt?

Kun je daar een voorbeeld van geven?

Wat zegt dit over wat van waarde is voor deze persoon?

Als we naar jou zouden kijken door de ogen van deze persoon, wat denk je dat ze in jou waarderen?

Als deze versie van jezelf belangrijker wordt in de manier waarop je jezelf ziet, hoe zou dit dan helpend kunnen zijn voor jou in moeilijke tijden?

Wat zou het voor deze persoon betekenen om te weten dat ze een dergelijke bijdrage leveren aan jouw leven?

Hoe zou dit passen met jouw idee over waar zij voor staan en wat voor identiteit zij graag willen hebben?

Hoe draagt dit gesprek bij aan verdere ontwikkelingen in je leven?

Uiteindelijk kwam ik door deze oefening te doen met een collega uit op het besef dat veel mensen om mij heen, net zoals ik zelf, ervaren dat leren en ontwikkelen het leukste is wat er is. Het leuke van ‘re-memberen’ is dat we beseffen dat we niet alleen zijn. Daarom is het genieten. “Relaties creëren ons in plaats van dat wij relaties creëren”, zegt de psycholoog Kenneth Gergen. De Zuid-Afrikaanse ant-apartheidsstrijder Desmond Tutu zegt ook zo iets: “People become people through other people’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie

Infant Mental Health

GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG VOOR JONGE KINDEREN

Wat een belangrijk en relatief jong vakgebied is dit, waar ik dankzij de specialistische cursus Systeemtherapie Kinderen en Jeugd mee kennismaakte! Eigenlijk moet ik zeggen dat het vooral de cliëntenpopulatie van jonge ouders is, die relatief nieuw is in de GGZ. En ook al werk ik zelf niet direct met met heel jonge gezinnen met een baby, ben ik toch dankbaar. Ook voor de toelichting op de literatuur van de klinisch psychologe Phineke Kruythoff van Infant IJburg die de zachtaardigheid en rust uitstraalde, die ik me voorstel bij een Infant Mental Health werker en die meer dan genoeg aandacht had voor de persoonlijke bijdragen van ons als cursisten. Ze wist dat dit vakgebied mensen gemakkelijk persoonlijk raakt.

We bekeken met haar de film: ‘Help me love my baby’.


Deze cursusdag maakte mij opnieuw bewust van het belang van de vroegkinderlijke ontwikkeling en relaties voor onze gezondheid, lichamelijk en mentaal. Het inspireerde me om ook in mijn houding tegenover (jong)volwassen cliënten nooit te vergeten dat we allemaal net zo kwetsbaar, zo exploratief en van het begin af aan zo relationeel geweest zijn als een baby.

Hoe het lichamelijke en het mentale samenhangen speelt binnen dit vakgebied vanzelfsprekend een belangrijke rol. Moeder en kind hebben in de zwangerschap natuurlijk al een zeer lichamelijke maar ook al mentale relatie met elkaar. Vaders blijven in deze fase vaak een beetje buiten beeld maar er zijn vaders die zeer betrokken zijn, ondanks alle vooroordelen en tegenwerking en ondanks het feit dat zij zelf niet fysiek zwanger zijn. Er zijn toch vaders met zwangerschapskwaaltjes en ook met postnatale depressie! Het mannelijke en het vrouwelijke zijn met elkaar verbonden. We hebben alle chromosomen. Er zijn volkeren in Afrika waar primair de vaders zorgen voor de kinderen en ook in de dierenwereld zijn hier voorbeelden van te vinden. Denk aan de penguins!

Hoe iets mentaals omgezet wordt in iets lichamelijks en vice versa begrijpen we steeds beter mede dankzij neurologisch onderzoek. Neem alleen al het onderzoek naar de invloed van stress op het lichaam.

Het Handboek ‘Infant Mental Health’

Kennis over zwangerschap, geboorte en vroegkinderlijke ontwikkeling is natuurlijk zo oud als de mensheid. Maar ‘Infant Mental Health’ (IMH) als vakgebied onder deze naam is relatief nieuw. In het hoofdstuk ‘Algemene en specifieke aspecten van de ouder-kindbehandeling’, uit het Handboek ‘Infant Mental Health’ van Nicole Vliegen en Marja Rexwinkel staat dat in 1965 voor het eerst de affectieve communicatie op jonge leeftijd werd beschreven. De Oostenrijkse psychoanalyticus René Spitz ontwikkelde toen de term ‘anaclitische depressie’ bij baby’s. Dit is de reactie van baby’s op het tijdelijk verlies van hun belangrijkste verzorgers. Spitz kwam deze vorm van depressie tegen in de naoorlogse kindertehuizen. Baby’s hadden daar geen vaste verzorger en sommigen gingen hier dood aan. Als een baby niet goed groeit kan dit samenhangen met problemen met de hechting.

De Oostenrijkse psychoanalytica Melanie Klein (1964) beschreef baby’s waarbij angst overheerst. Voor deze baby’s is het later moeilijk te bevatten dat ambivalentie in de relatie tot de moeder mogelijk is. Je kunt van je moeder houden maar soms ook erg kwaad op haar zijn zonder dat de continuïteit van de relatie onder druk komt te staan. Een veilig gehechte baby kan die ambivalentie ontwikkelen.

In de psychoanalyse zijn observaties uit de werkelijkheid meestal niet zo belangrijk omdat het onbewuste centraal staat maar na de oorlog, geconfronteerd met het lijden van ouderloze kinderen raakten psychoanalytici steeds meer overtuigd dat relaties in het hier-en-nu belangrijk waren om te bestuderen. De Britse psychoanalyticus en psychiater John Bowlby kwam met de gehechtheidsontwikkeling in 1969. De Britse psychoanalyticus en kinderarts Donald Winnicot kwam in die tijd met de drie functies van de vroege moeder-kind eenheid. Deze ‘holding’ is belangrijk voor:

1. de integratie van de senso-motorische ontwikkeling,

2. het faciliteren van autonomie en

3. het oefenen en experimenteren met relationele principes, met afstand en nabijheid.

‘His majesty the baby’

Kort na de geboorte is de moeder primair bezig met de baby en krijgt deze de illusie dat die één is met de moeder. Deze ‘magische omnipotentie’ van de baby moet volgens Winnicot gefrustreerd worden. Het is belangrijk dat de moeder de boze aanvallen van de baby overleeft. Bijvoorbeeld als de baby even moet wachten op een flesje. Zo kan de baby de moeder leren ervaren als gescheiden en beschikbaar voor een realistische relatie. De moeder moet ‘goed genoeg’ zijn en gewoon kunnen doorgaan met zichzelf te zijn.

Zonder ruimte in de relatie kan de baby niet groeien en geen zelfgevoel ontwikkelen. Het zelfgevoel  is mede gebaseerd op het internaliseren van de weerspiegeling in zijn moeders ogen. Als in die weerspiegeling de afweer van de moeder zit, dan zal de baby deze afweer internaliseren en ontstaat er een vals zelfgevoel. Een ècht zelfgevoel ontwikkelt zich alleen in de aanwezigheid van een sensitieve en niet opdringerige moeder. Als de moeder opdringerig, ‘intrusive’ is kan het kind niet exploreren. Ook spel en speelsheid zijn van vitaal belang om te ontwikkelen tot een actief en responsief individu.

De relatie met een knuffel of een doekje is een belangrijk tussenstadium in het loskomen van de moeder. De knuffel is een overgangs object tussen moeder en niet-moeder, tussen binnenwereld en buitenwereld.

Liefde en haatgevoelens gedurende de vroege ontwikkeling wisselen zich af en worden langzamerhand geïntegreerd waardoor bij het jonge kind een tolerantie voor ambivalentie instaat; ambivalentie over of moeder er wel of niet voor je is.

Ouder-kind behandeling

In de fase van de vroeg-kinderlijke ontwikkeling is er veel flexibiliteit. Behandelen gebeurt alleen als problemen hardnekkig zijn. En dan behandel je zowel het ouderschap als de gehechtheidsontwikkeling.

Herhalingen van ervaringen en gevoelens uit het verleden bij de ouder worden onderzocht om de relatie met het kind in het hier-en-nu te bevrijden van oude spoken. Omdat de ouder en het kind samen in therapie zijn is het proces van de intergenerationele overdracht minder geheimzinnig. Je ziet de overdracht in de interacties in het hier-en-nu gebeuren. Hierbij is een specifieke therapeutische houding vereist. Het opvangen (‘containment’) van de gevoelens speelt een grote rol.

Je moet goed oog en oor hebben; oor voor wat er gezegd wordt en oog voor de non-verbale communicatie. Goed observeren helpt om de emotionele impact van de geboorte en de moeilijke opdracht van het ouderschap te ervaren. Goed oog hebben voor de baby biedt tegelijk toegang tot de eigen vroegkinderlijke ervaringen van de ouder.

Je moet ècht praten, hoe jong de kinderen ook zijn. De baby is een volwaardig persoon in wording. Het is een talig wezen en een verlangend subject dat praat met zijn lichaam. Ècht praten betekent ook dat je de waarheid vertelt of herstelt waar die ontbreekt. In de film ‘Help me love my baby’ zien we hoe de therapeut dit doet. Met haar hand op het lichaam van de baby en de moeder naast haar in gesprek over de premature geboorte vertelt de therapeut met een zachte stem aan de baby dat haar moeder in het begin niet een baby zag maar een vreemd soort monster, waarna we zien dat de baby de moeder even aankijkt… De gevoelens van de moeder mogen er zijn. Waarheid is dat wat er gezegd wordt overeenkomt met dat wat er (onbewust) gevoeld wordt.

Contact kunnen maken met je eigen levensgeschiedenis en je inschrijven in het intergenerationele verhaal is van groot belang voor de opbouw van de identiteit.

Voortdurend beweeg je als behandelaar heen en weer tussen baby/peuter en ouders, tussen individuele en relationele perspectieven, binnen- en buitenwereld,, verleden en heden, tussen het gezin en de bredere context. Zoekend naar een verandering die de diepere lagen bereikt. Dat is niet bij ieder ouder-kind paar mogelijk. Maar er zijn verschillende niveau’s en therapeutische houdingen mogelijk binnen de IMH therapie.

De houding is iets meer lichamelijk en actief dan in een therapie met volwassenen en vindt soms ook thuis plaats. Er is niet direct aandacht voor de conflicten van de moeder. Er is eerder aandacht voor de co-constructies tussen ouder en kind. De therapeut is flexibel; soms gericht op de ouder, soms op het kind en soms op de interactie. Er wordt veel met video-opname’s gewerkt. Met elkaar worden de opname’s bekeken en vragen gesteld zoals: ‘Wat wilde je bereiken?’ Hoe voelde het?’ ‘Wat gebeurde er?’ Het niveau van de hulp kan variëren van hulp bij voeding tot hulp bij heftige scheidingsperikelen tot hulp bij specifieke ouder/kind interacties.

Het is de bedoeling dat ‘de kwade geesten’ uit de kinderkamer verjaagd worden. Psychoanalytica en maatschappelijk werkster Selma Fraiberg beschrijft in ‘Ghosts in the nursery’ (1975) hoe de baby een overdrachtsobject kan zijn voor de ouder. Door nuttige links te leggen tussen heden en verleden kun je ouder en kind bevrijden. Een moeder raakt bijvoorbeeld steeds in paniek als haar baby huilt. Ze blijkt zelf te zijn misbruikt en wanneer zij als klein meisje huilde was er niemand die haar troostte… Centraal staat wat er in het hier-en-nu gebeurt en het verleden alleen voor zover het opgeroepen wordt door het heden. Naast de ‘ghosts’ zijn er ook de ‘angels’ in de kinderkamer… en we mogen niet vergeten om die op te merken en te ontdekken. Positieve ervaringen waarin je je als ouder begrepen en geliefd hebt gevoeld helpen net zo goed als het behandelen van de traumatische representaties.

De zwangerschap zelf heeft ook een plaats binnen IMH behandeling. Een belangrijke vraag is bijvoorbeeld: ‘Is de interne wereld van de aanstaande ouders voldoende flexibel zodat de gedroomde, denkbeeldige baby geleidelijk plaats kan maken voor de echte baby met zijn eigen persoontje. Als de aanstaande ouders niet beschikken over een min of meer stabiele ‘coping’ strategie kan dit een symptoom zijn van onopgelost trauma die op de baby overgedragen kan worden. Ouders kunnen veranderen als ze open kunnen staan voor de echte baby. De echte baby los koppelen van de gefantaseerde baby of de gevreesde baby. Ouders leren kijken naar de baby in relationele termen. Een authentieke relatie draagt bij aan de gezondheid.

Niet alleen de ouders kunnen oude ervaringen overdragen op de baby, de therapeut zelf heeft ook representaties, herinneringen aan de eigen kindertijd die opgeroepen worden door de ouder die bij haar in behandeling komt. De therapeut moet gevoelig zijn voor deze overdrachtsprocessen, er niet over oordelen maar er over na denken.

De geboorte van het ouderschap

Het is de meest intens beleefde levensfase; het verandert de identiteit en de leefstijl en het ouderschap is levenslang. Zeker bij het eerste kind is de ommekeer immens. Het leven wordt doorgegeven en er is geen weg terug. Praktische ondersteuning is er vaak wel maar op emotioneel gebied is er weinig aanbod ten aanzien van de voorbereiding op het ouderschap.

Een goede voorbereiding helpt. Voor de moeder: Een gecompliceerde of pijnlijke bevallig kan haar kwetsen en kan ongunstig zijn voor de moeder/kind relatie. Het is alsof het zelf baby zijn en bemoederd worden in het onbewuste zijn opgeslagen en opgewekt worden. De Amerikaanse psychiater en psychoanalyticus Daniël Stern noemt dit de ‘motherhood constellation’. Vier centrale thema’s spelen een rol:

1. Kan ik dit nieuwe leven in stand houden?

2. Kan ik mij emotioneel verbinden met de baby?

3. Zal er genoeg steun zijn voor mij en mijn kind?

4. Kan ik mijn identiteit aanpassen om het ouderschap te realiseren?

Voor de vader: De intensiteit van de gevoelens in deze fase kan ook voor de vader overweldigend zijn. De zwangerschap is meestal voor de vader onwerkelijk. Het volle besef dat er een baby op komst is, komt vaak pas bij de bevalling. De relatie met de eigen vader komt in beeld maar deze is zelden een rolmodel. Mannen schijnen weinig uit te wisselen over hun emotionele betrokkenheid. Maar ook voor vaders is van belang of zij als kind voldoende tederheid en veiligheid hebben ervaren.

De baby is vanaf het begin sociaal en ordent zijn ervaringen volgens het lust/onlust principe. De vroege ouder-kind interactie is een co-constructie, een perfecte dans met timing en ritme, met pauzes, regelen van afstand en nabijheid, de beurt nemen in de interactie, uitdrukkingen in het gezicht of vocaal, enz. Tijdens het reguleren van lichamelijke processen dichten ouders hun baby allerlei intenties toe. Zij zien de baby enerzijds als hulpeloos en anderzijds als zich ontwikkelende mensjes met subjectieve ervaringen en een groeiend gevoel van een eigen zelf. De baby probeert te weten te komen wat hij van zijn ouders kan verwachten. De ouders bieden ‘holding’; een omgeving gekenmerkt door regelmaat, continuïteit, stabiliteit en afstemming. De ouder die ‘goed genoeg’ is slaagt er in om de onvermijdelijke tekorten in de interactie  constructief te hanteren en te overstijgen. In de balans tussen verstoringen en reparaties leert het kind dat spanningen te verdragen zijn.

Ouderschap en migratie

Migratie brengt een breuk teweeg zowel inter-generationeel als in de familiebanden in het hier-en-nu. Door de migratie is de identiteit van de ouders aan het schommelen naast de veranderende identiteit door deze intense levensfase overgang. De ouders missen hun eigen cultuur als ‘containment’. Ook zij hebben naar de baby uitgekeken en nu voelt het ouderschap ineens als zwaar. De Spaanse kinderpsychiater Marie Rose Moro zette ontmoetingsgroepen op voor deze ouders. Groepen die als het ware een baarmoeder zijn voor pas bevallen geëmigreerde ouders. Het spreken met elkaar herstelt de verwevenheid van culturen en brengt een nieuwe multiculturele identiteit tot stand. Bij de verwevenheid gaat het om op de toekomst gerichte nieuwe representaties en gedragingen van ouderschap. In de ontmoetingsgroepen ontstaat een lappendeken van fragmenten van identiteit die tot beschermjas of een omhullende enveloppe wordt. Sommige delen van de lappendeken zijn strijdig met elkaar, stoten elkaar af, zien er niet uit, laten een kloof tussen het zelf en het andere vermoeden. De onzekerheid van ouders in een snel veranderende wereld is soms ondenkbaar. Men verbergt de onzekerheid uit schaamte voor gezichtsverlies.

                                Illustratie: Lappendeken van Cynthia Borst

Volgens Moro kunnen we van migranten-ouders leren hoe je moet zoeken naar werkbare fragmenten tussen oude en nieuwe identiteiten. Hier krijgen alle ouders mee te maken in een snel veranderende wereld.

In het begin van het ouderschap moet je op een gezonde manier de vroegkinderlijke positie jegens je eigen ouders op kunnen geven. Dit veronderstelt de afwezigheid van een narcistische kwetsuur en een gezonde identificatie met het ouderlijke imago. Dit is een complexe opdracht die in bijzondere omstandigheden extra belast kan zijn.

De bijzondere omstandigheid van adoptie- en pleegouders

In ‘Spel in Psychotherapie‘ (2009) schreef klinisch psycholoog en psychotherapeut Eliane de Beer Hoefnagels hier een hoofdstuk over.

Ervaringen van verlies en ontreddering slaan kinderen op in een non-verbaal gebied van innerlijke ervaringen. Het kind geeft meestal geen signalen van angst en onzekerheid terwijl ze dit in spel vaak wèl laten zien.

Moeilijk gedrag van deze kinderen kan soms zo sterk en onwrikbaar overkomen dat pleeg- en adoptie ouders gauw denken aan erfelijke psychiatrische diagnoses bij de biologische ouders maar deze zeggen weinig over de mogelijkheden om contact te maken met het kind. Vaak liggen de problemen op het gebied van de emotie-regulatie maar er zijn ook problemen op het gebied van het leren en sociale problemen.

Een ‘life event’ zoals de geboorte van een halfzusje roept bij een pleeg-of adoptie kind belevingen op uit het vroegere kerngezin die niet meer gedeeld kunnen worden met de betrokkenen. Dat kerngezin bestaat niet meer in de huidige werkelijkheid. Moeilijk gedrag kan het gevolg zijn.

Pleeg- en adoptie ouders zijn soms bang om opdringerig te zijn bij deze kwetsbare kinderen of voelen zich afgewezen of buitengesloten door de houding van het kind. Maar ook het kind voelt zich alleen, niet begrepen, niet aangevoeld. Dat is de kernervaring. Het kind geeft negatieve signalen af maar heeft behoefte aan contact. De ouders moeten leren om op een subtiele manier nadrukkelijk aanwezig te zijn.

Er kan toe gewerkt worden naar een narratief waarin de geboortegeschiedenis een plek krijgt naast de ‘wedergeboorte’ in het nieuwe gezin. De houding van de therapeut is er een van meervoudige partijdigheid naar ouders, adoptie- en pleegouders, het kind, enz. Bij deze nieuw samengestelde gezinnen gaat het wat betreft de relatie tussen de stiefouder en het kind vaak om het acceptabel maken van ambivalente en ambigue gevoelens over en weer. Het gaat over het ‘gewoon maken’ van de verschillen tussen het oorspronkelijke en het nieuwe gezin.

Kunnen de ouders nadenken en praten over het verleden ook al is het pijnlijk? De therapeut moet een inschatting maken van de hechtings-stijl en de veerkracht van het systeem. Het begrip ‘goed genoeg’ ouderschap moet meteen geïntroduceerd worden.

Kinderen die om wat voor reden dan ook niet meer bij hun biologische ouders wonen betrekken deze toestand meestal negatief op zichzelf. Het gaat om de beleving van niet gewenst zijn, leidend tot een gevoel van niemand zijn of nergens echt bijhoren. Een algemeen gevoel van niet goed genoeg zijn. Kinderen met een kwetsbare gehechtheid, met trauma’s of ervaringen van afgewezen zijn of in de steek gelaten en die te maken krijgen met meerdere ouderfiguren, hebben problemen met het integreren van alle verschillende invloeden. Dat kunnen ze in de beginfase van de therapie vaak al laten zien.

Tegenoverdracht creatief inzetten

Graag bericht ik nog over een artikel dat speciaal ging over de ambivalentie in het ouderschap. Het was geschreven door psycholoog en psychotherapeut Katie-Lee Weille: ‘Ambivalence in parenthood: on creativity and destruction’.

Winnicot schrijft over de haat, de woede en de frustratie die ouders kunnen voelen in de relatie met hun kinderen en hoe hen dat kan destabiliseren. Ouders zijn gewoon net als iedereen subjectieve wezens met een innerlijke wereld, een temperament en een geschiedenis. Datgene waar je van houdt kun je ook haten. Deze ambivalentie en de algehele subjectieve ervaring van het ouderschap is een weinig onderzocht verschijnsel. De meeste literatuur gaat over de ontwikkeling van kinderen en hoe ouders hierin kunnen opvoeden. Alice van der Pas heeft het in Nederland als eerste over de psychologie van het ouderschap.

De reacties van een therapeut kunnen intens zijn en kan het werken met ouders bemoeilijken. Therapeuten kunnen als redder van het kind gaan optreden waardoor er een dynamiek ontstaat tussen de ouders en de therapeut. Therapeuten moeten iets willen doen met die dynamiek van de tegenoverdracht.

De psychologie van de ouder kan niet begrepen worden louter door de lens van een kindertherapeut. De kwaliteit van de ouderbegeleiding hangt af van de mate waarin de therapeut de ouder begrijpt en daar speelt het begrijpen van de ambivalentie een belangrijke rol in.

Ambivalentie is een conflict tussen tegenovergestelde wensen. Voor de ouder tussen liefde en haat; tussen het verlangen om vast te houden en van je af te duwen. Tederheid kan weggevaagd worden in één seconde en plaats maken voor woede. Moederlijke ambivalenties worden het strengst beoordeeld door de omgeving. Maar wat over moederlijke ambivalenties geschreven is geldt ook voor vaders.

Ambivalentie gaat gepaard met een ‘mismatch’ van subjectieve behoeften tussen ouders en kinderen. Als niets de kinderen tevreden kan stellen voelt de ouder zich beroofd, gefrustreerd en hulpeloos. De ouder is zowel subject als object in de relatie tot het kind.

In de strijd om dingen goed voor elkaar te krijgen als ouder kan deze wanhopig en boos worden op de baby en tegelijk denken dat zij/hij niet goed genoeg is. De weigering van het kind wordt haar/zijn fout. Ambivalentie komt gemakkelijk op als gevolg van allerlei pogingen om het kind te sussen en te bevredigen.

Een moeder die haar kind voor het eerst alleen naar school laat gaan kan tegelijk trots zijn op het kind maar het ook haten omdat ze door een enorme angst heen gaat over een mogelijk ongeluk.

Complementariteit als illusie

Begrijpen van ambivalenties werpt licht licht op de blokkades om over ouderlijke subjectiviteit na te denken. Waarom zouden we ons als therapeuten afsluiten van de ouder’s woede? Is dat omdat we het ouderschap bekijken in het licht van de ‘complementaire relatie’? De een zorgt, de ander wordt verzorgt? De een staat op de achtergrond, de ander op de voorgrond? De een is object, de ander subject? Als we blijven kijken naar de relatie als een complementaire relatie dan kunnen we de ouders niet meer zien als subject. Deze beperkte blik komt veel voor in de wetenschap.

Natuurlijk is de baby afhankelijk en heeft het recht op verzorging en toch kan moeder’s subject zijn niet ontkend worden. Moeder is meer dan alleen object. Het is een illusie dat de ouderlijke subjectiviteit bijna altijd complementair is aan de subjectiviteit van het kind. Winnicot suggereert dat de woede van de moeder – ofwel haar behoefte aan eigen ruimte en subjectiviteit – op een of andere manier wel afgestemd zal raken op de behoefte van de baby om onafhankelijk te worden en de behoefte om zijn ‘magische omnipotentie’ los te laten. Winnicot zegt: ‘the baby needs her hate’. Maar zo blijft de complementaire relatie in stand.

Winnicot heeft het niet over het ongemak van deze ‘haat’ voor de moeder en het conflict dat zij kan voelen over het voor laten gaan van haar eigen behoeften en haar subjectiviteit. Iedere ouder hoopt dat de eigen behoeften zullen samen vallen met die van hun kind. Ouders willen goede ouders zijn. Ze willen zich competent voelen. Dat laadt de emotionele batterijen op, is motiverend en geeft zelfvertrouwen. Het probleem zit hem er echter in dat het de ouder iets doet als deze zich niet intuïtief voelt afgestemd op het kind.

Als ouders hun zorgen hierover uiten bijvoorbeeld als de baby niet wil drinken, dan worden ze vaak afgescheept met dat de natuur zijn werk wel zal doen. Maar natuurlijke instincten kunnen ook falen. Conflicterende gevoelens bestaan. Wat als de moeder niet op kan tegen haar eigen behoefte om zelf afhankelijk te zijn of tegen het verlies van haar empathie. Wat als ze de wens heeft om de huilende baby te laten vallen? Wat dan?

Niet bang zijn voor ambivalentie

De moeder als ‘container’ is allesbehalve statisch. Een moeder kan zich verrijkt of leeg voelen, vervuld of overvol, krachtig of gecommandeerd, uitnodigend of afwijzend, enz. Ze staat steeds weer voor de spanning tussen macht en machteloosheid, tussen subjectief en objectief, tussen keuze of zonder keuze. We moeten het idee dat de moeder weigert, wraak neemt of instort confronteren. Zelfs een ‘goed genoeg’ moeder kan haar kind gaan gebruiken als ‘container’ voor haar eigen gevoelens en behoeften. Hier ligt het probleem waar ambivalentie toe kan leiden. Een ouder kan op een of andere onacceptabele manier een kind gebruiken, emotioneel of fysiek.

Van ouderlijke goedheid gaan we dan over in ouderlijk misbruik. Misschien is het omdat we hier bang voor zijn dat het moeilijk is om na te denken over de mogelijkheden die er liggen tussen goedheid en misbruik. Er is een spectrum van acceptabele en niet acceptabele ouderlijke vormen en momenten van subjectiviteit. Een rits ruw dicht ritsen of andere korte momenten van agressie zullen de liefste moeders wel kennen. Er is ook een spectrum aan goede en slechte gevoelens op het gebied van de sensualiteit. Intimiteit kan overspoeld raken door erotiek of seksualiteit en het onderscheid tussen goede en slechte gevoelens is vaak niet duidelijk. Bewustzijn van sensuele gevoelens hoeft niet automatisch te leiden tot misbruik.

Een pijnlijke confrontatie met de subjectiviteit van haar eigen moeder kan een moeder tegenhouden om de eigen subjectiviteit toe te staan. De moeder gaat zich realiseren wat haar eigen moeder tegenover haar moet hebben gevoeld.

De triade grootmoeder-moeder-baby is de kern van de ‘motherhood constellation’. De moeder werkt haar eigen relatie met haar moeder uit tijdens haar moederschap. Dit kan een bron zijn waar zij uit putten kan.

Terwijl ouders werken aan de bewustwording van hun eigen subjectieve ervaringen als kind worden ze zich ook meer bewust van de belevingen van hun ouders. Hier zit veel repareer-potentie in voor alle partijen.

Als we niet bang zijn voor ambivalentie, subjectiviteit toe staan en onze complexe en conflictueuze innerlijke wereld accepteren kunnen we heel veel repareren.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Systeemtherapie

%d bloggers liken dit: