Psychologenpraktijk Gerie Hermans

Gerie Hermans is een volgens de wet BIG (Beroepen Individuele Gezondheidszorg) geregistreerde GZ – psycholoog (Gezondheid Zorg – psycholoog), Orthopedagoog en erkend Systeemtherapeut. Als verzekerde hulp valt haar praktijk onder de wettelijke basis geestelijke gezondheidszorg (basis-GGZ). Zij wil desondanks zoveel mogelijk vrij blijven van de gezondheidsindustrie en bureaucratie zoals die door de overheid en de zorgverzekeraars opgelegd worden.

Voor wie

Voor jongeren, volwassenen, partners en gezinnen die psychologische en systeem-therapeutische behandeling zoeken bij problemen met de opvoeding, de relatie of de persoonlijke ontwikkeling. Voor mensen die graag te maken hebben met een psycholoog die een voorloper is in het behouden van beroepseer, gelijkwaardigheid en privacy.

You can also have therapy in English. I worked and lived in an English speaking country for twelve years.

Waar

Bereikbaar op telefoonnummer: 035-6210745

Per e-mail: geriehermans@planet.nl

Werkzaam in praktijk aan huis gevestigd in het centrum van Hilversum: Ruitersweg 49B

Wachttijd is 4 à 5 weken. Afspraken in 2021 worden zoveel mogelijk op dinsdagen en donderdagen gepland.

Momenteel vinden de meeste gesprekken plaats via de beeldbel faciliteit van Therapieland.nl.  Tevens kunnen telefonische en ‘face-time’ afspraken gemaakt worden.

Visie

Psychische klachten staan niet op zichzelf. Dikwijls hebben de klachten of problemen te maken met de situatie waarin iemand leeft. Een goede therapeut kan inzoomen maar heeft ook een flinke groothoeklens. Door psychische klachten in een bredere context te plaatsen kan men zelfs een dieper begrip van de klacht krijgen.

Individuen, relaties, gezin en verdere omgeving vormen een systeem en mensen komen sneller uit de problemen met hulp die daar aandacht voor heeft. Het (gezins-)systeem kan een stelsel zijn voor genezing en groei van al zijn leden. Systeemtherapie gaat over interacties en relaties, over context en levensfasen. Anders gezegd: ‘Het probleem zit niet tussen de oren maar tussen de neuzen’.

Ook in individuele therapie wordt gewerkt met ‘open deuren en ramen’. De cliënt reflecteert samen met de therapeut over zijn relaties en interacties met anderen in de verschillende contexten waarin hij leeft. Meerdere standpunten en perspectieven worden gezocht en meerstemmigheid wordt aangemoedigd.

Over deze manier van werken staat meer op de website van mijn beroepsvereniging: de Nederlandse Vereniging voor Relatie- en Gezinstherapie, de NVRG.

Benadering van de hulp

– Hoogwaardige en duurzame psychologische zorg. We gaan in op dieperliggende, structurele en contextuele achtergronden van de problematiek waardoor u een echte positieve en blijvende verandering gaat ervaren zodat u minder beroep hoeft te doen op de gezondheidszorg.

– Geen bureaucratische ‘zorg-producten’ of ‘behandel-protocollen’ maar hulp specifiek op u, uw situatie, uw geschiedenis maar vooral op uw toekomst toegesneden. Zorg op maat.

– Psycholoog en cliënt zijn gelijkwaardige gesprekspartners. Er is geen medisch-lineaire, klinische of gezagsrelatie. Problemen worden niet ingekaderd als een ziekte of stoornis waar de dokter of de psycholoog over gaat. We werken toe naar een beter gevoel voor eigen vragen, eigen kracht en eigen oplossingen. U blijft de eigenaar van uw veranderingsproces. De therapeut is deskundig maar niet de expert over uw leven.

– Soms zijn de tijden tussen de consulten langer zodat u op uw eigen tempo naar verandering toe kunt werken: Langdurige korte therapie.

– Korte communicatielijnen. Doorverbinden is er niet bij. U wordt niet behandeld door een lager (hbo) opgeleid iemand die onder een geregistreerd iemand werkt tegen een lager loon, zoals bij veel GGZ instellingen en huisartsenpraktijken het geval is.

– Mijn eigen functioneren krijgt voortdurend aandacht en verdieping via intervisie met collega’s in de regio en daarbuiten, via supervisie, leertherapie, na- en bijscholing.

Diagnostiek en behandeling

Een deel van het diagnostisch proces bestaat uit het verruimen van het denken over wat het probleem is. In tegenstelling tot een DSM-classificatie is een diagnose die uit een kennismaking voortvloeit persoonlijk, uniek en gedetailleerd voortvloeiend uit het eigen levensverhaal. Een goede persoonlijke diagnose geeft antwoord op vragen zoals: waar heb je last van, wat is er met je gebeurd, wat heb je nodig en wat kun je verwachten van de behandeling. De behandeling bestaat uit systeemtherapeutische technieken uit de contextuele, structurele, emotie-gerichte, oplossings-gerichte en narratieve therapie worden toegepast. Verschillende perspectieven op de kern van het probleem worden onderzocht waardoor blijkt dat er vele ingangen mogelijk zijn. Duidelijk wordt hoe het probleem in stand gehouden wordt door huidige posities, relaties en interacties. Er wordt gewerkt aan het horen van iedereen door iedereen. Wat kunt u leren van het probleem? Unieke situaties wanneer het probleem niet speelt worden onderzocht. Door te oefenen met nieuwe posities, relaties en interacties komt verandering op gang en zo wordt het probleem opgelost.

Individuele psychotherapie en cognitieve gedragstherapie. Therapie met expressieve middelen zoals schrijven, tekenen, poppetjes, rollen-spelen, enz.

IMG_2174

Werkplek

Contract-vrij

De praktijk sluit bewust en uit principe geen contracten af met zorgverzekeraars (voor meer info: de contract-vrije psycholoog en zorg voor kwaliteit). Voornaamste punt van kritiek op de contracten met zorgverzekeraars is dat het verplicht tot medewerking aan een zorgstelsel waarin de zorg-verzekeraars steeds meer macht krijgen en de vrije keuze in de zorg onder druk staat. Het contract tussen zorg-verlener en cliënt raakt steeds meer op de achtergrond.

Het zorgstelsel is een op winst gericht, bureaucratisch en geldverslindend systeem geworden waarin de regie over de zorg steeds meer bij de professional wordt weggehaald. Zorgverzekeraars exploiteren zorg-verleners en belasten zorg-verleners met tijdrovende administratie. Geld is een doel geworden.

Het voordeel van contract-vrij werken is dat de facturering via de cliënt verloopt zodat de cliënt niet alleen de controle behoudt over privacy-gevoelige informatie maar ook over datgene wat in rekening wordt gebracht. Het nadeel is dat de cliënt een deel van de behandeling zelf moet betalen (wanneer deze een natura-polis heeft) maar daardoor raakt de cliënt ook meer verbonden bij de behandeling. De cliënt zal er sterker op gericht zijn om er uit te halen wat er in zit. Dit staat in dienst van een scherpe en dynamische werkrelatie.

Vrije keuze

Zorgverzekeraars zijn ondanks het contract-vrij werken van mijn praktijk nog steeds wettelijk verplicht om de kosten van de psychologische hulpverlening van een BIG geregistreerde GZ psycholoog te vergoeden. De beroepsregistratie en kwaliteit is bij contract-vrij werkenden dezelfde als bij gecontracteerde psychologen. De politiek doet de laatste jaren zijn best om aan de vergoeding van een onafhankelijke manier van werken en om aan de vrije keuze in de zorg een eind te maken maar dit is nog niet helemaal gelukt. Het is afwachten wat er in de komende jaren gaat gebeuren.

Met name in de geestelijke gezondheidszorg is de vrije keuze belangrijk omdat het contact tussen hulpverlener en cliënt cruciaal is voor het slagen van de behandeling. Met een restitutie-polis heeft u altijd vrije keuze en krijgt u alles vergoed. Houdt er rekening mee dat de zorgverzekeraar altijd eerst uw eigen risico zal aanspreken.

Wilt u meer weten over het contract-vrij werken en de vrije keuze in de zorg? Luister naar een uitzending op BNR Radio van 27 november 2017.

Privacy

Mijn werk als hoofdbehandelaar in een zelfstandige praktijk valt onder de Basis GGZ. Dit is een ingewikkelde regeling waar veel bureaucratie bij komt kijken en die de privacy nagenoeg onmogelijk maakt. Daarom werk ik met een privacy-verklaring die al mijn cliënten kunnen ondertekenen. Er zal bij de intake ook gevraagd worden of u de ROM privacy verklaring wil ondertekenen.

Geheimhouding is een recht van de cliënt. Dientengevolge is het mijn plicht om dit recht niet te schenden. Leveren van informatie zonder toestemming van de cliënt is strafbaar.

Zie ook Privacy.

Kosten en vergoeding door de zorgverzekeraar

Gerie Hermans is een BIG geregistreerde GZ (gezondheidszorg) psycholoog. De praktijk is in het bezit van een goedgekeurd kwaliteitsstatuut GGZ. Op aanvraag mag u deze inzien. Het uurtarief is € 94,- (een uur bestaat uit ¾ contact en ¼ voorbereiding).

Per maand ontvangt u een voorschot-factuur die u zelf betaalt. Na afloop van de behandeling volgt er een eindfactuur met alle informatie die nodig is voor een vergoeding van de kosten door uw zorgverzekeraar. Wanneer u een restitutiepolis heeft, wordt het volledige bedrag vergoed. Druk voor meer informatie op de knop Kosten bovenaan de homepage van dit weblog

‘Flip the system’

Psychologenpraktijk Gerie Hermans heeft de missieverklaring van de Stichting Beroepseer ondertekend. Het alternatief voor het marktdenken in de zorg en het onderwijs wordt door deze stichting benoemd als ‘flip the system’ en houdt in: kleinschalige, platte organisaties waar professionals met beroepseer werken die zelf hoge kwaliteit nastreven in het belang van hun patiënten, studenten en leerlingen omdat ze daar plezier in hebben. Docenten, artsen en verpleegkundigen zijn de afgelopen decennia gedegradeerd tot uitvoerders van beleid en management (in hiërarchische organisaties). Dat moet veranderen: ze moeten weer eigenaar worden van de kwaliteit van hun werk.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologenpraktijk Gerie Hermans, Zorgverzekeringen

Het gevoel er alleen voor te staan

Zo definieert psychoanalyticus Paul Verhaeghe eenzaamheid op de site van Brainwash in zijn bijdrage: Eenzaamheid is een structureel probleem.

‘Je moet eenzaamheid beschouwen als een structureel veroorzaakt probleem in onze verhouding tegenover de ander. We hebben een maatschappij gecreëerd waarin die ander in eerste instantie een concurrent is, iemand aan wie je je moet afmeten, professioneel en ook relationeel. In zo’n samenleving valt het normale, aangeboren, sociale vertrouwen weg en ben je voortdurend bezig met jezelf, met excelleren, of met de ander, die je niet vertrouwt. Dat leidt tot gepieker over oneindig veel, vaak hele banale zaken. Het kan gaan over je uiterlijk, hoe je daar iets aan moet doen, over je studie, over een gemiste promotie op werk, of het feit dat iemand anders wél een promotie heeft gekregen.’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek

Therapie: “Dat wat buiten je is geraakt weer onderdeel maken van je binnenkant”

Maar hoe doe je dat als dat wat buiten je is geraakt ver weg en/of verdwenen is?

Dit bericht gaat over over identiteit en onveilige hechting bij adoptiekinderen. In dagblad Trouw vond ik een interessant interview met psychotherapeut Daksha van Dijck die zelf als baby onder onduidelijke omstandigheden werd geadopteerd uit India. Het gaat naast haar eigen zoektocht, over hechting en identiteit bij adoptiekinderen.

Hier volgt een stukje uit het interview dat journalist Rianne Oosterom had met haar: Geadopteerden ervaren een rouw die onaf is. “De rouw die wij voelen past bij vermissing.”

“Identiteit is, simpel gezegd, een optelsom van genen en omgeving”, legt Van Dijck uit. “Als jij als Rotterdammer in Limburg komt wonen, dan is Limburg niet gelijk een onderdeel van jezelf – maar dat wordt het misschien na een tijdje wel.” De insteek van psychotherapie is daarom altijd om dat wat buiten je geraakt is, stapje voor stapje weer onderdeel te maken van je binnenkant. “Dit concept noemen we een geïntegreerde identiteit.” Maar India is zo anders en zo ver weg, dat het nooit echt onderdeel van je binnenwereld kan worden. In India zeggen ze tegen mij op straat: ‘You look like an Indian, but you’re not. How come?’ Dat lijkt een kleine zin, maar dat is een heel grote zin.”

Je leert dat mensen niet voor altijd in je leven zullen blijven

Identiteit is niet het enige. Er wordt, zegt Van Dijck, soms makkelijk gedaan over de scheiding tussen moeder en kind, want: je was toch zo jong, of je maakte er nog niets van mee. Maar dat gaat niet op, legt ze uit. “Als baby begrijp je het ‘concept moeder’ misschien nog niet, maar in de buik hoor je wel steeds dezelfde stem. Als die er ineens niet meer is, creëert dat enorme onveiligheid. Je leert dat je er niet vanuit kunt gaan dat mensen altijd in je leven zullen blijven.”

Ze is even stil, als ze denkt aan wat deze traumatische ervaring voor effect heeft gehad op haarzelf. “Stel”, zegt ze dan, “je krijgt een sieraad van je ouders en dat verlies je. Dan is er een schok. Paniek. Je hartslag gaat omhoog. Je gaat gauw zoeken, en als je het vindt, word je rustiger. Dit gebeurt bij adoptiekinderen ook. Je verliest je moeder, en daardoor schrik je. Ik zou dat niet omschrijven als angst, maar als onveiligheid, als een gevoel van heel erg alleen zijn. Anders dan het sieraad, vind je je moeder niet terug. Dat zoekende gevoel blijft en dat geeft onrust. ‘The body keeps the score’, als het gaat om preverbaal trauma, zo zeggen ze dat in de traumaliteratuur.”

Daarom vindt Van Dijck dat het van enorm belang is dat adoptiekinderen herenigd worden met hun biologische ouders. Het doet haar pijn dat zij in haar zoektocht nooit steun heeft gekregen van de Nederlandse overheid, dat ze haar rechten niet vertegenwoordigd zag. In het Haagse adoptieverdrag staat dat Nederland handelt op basis van vertrouwen in de landen van herkomst. Een naïef vertrouwen, zo is maandag met de presentatie van het rapport wel gebleken. Iets wat Van Dijck al lang wist.

Het rapport waarnaar Van Dijck verwijst is van de commissie Joustra over adoptie misstanden.

Natuurlijk zit aan deze misstanden een politieke kant: De internationale adoptie-markt wordt door financiële prikkels gedreven en op die markt komen sociaaleconomische ongelijkheid, armoede en het tot verhandelbaar goed maken van kinderen samen. Zolang dat het geval is, blijven misstanden op de loer liggen.

Aangrijpend vond ik het stukje in het interview waarin Daksha vertelt over haar zoektocht in India en in een kindertehuis naast de bedjes tot een belangrijk besef komt.

De vragen over haar afkomst zwellen aan als ze zelf overweegt om moeder te worden. Voordat ze die keuze maakt, wil ze haar biologische moeder leren kennen. Met dat verlangen reist ze een aantal keer naar India, waar ze op een gegeven moment ook terecht komt in een kindertehuis dat vergelijkbaar is met het tehuis waar zelf verbleef.

Haar wereld keert om als ze bij de babybedjes staat. “Ze waren klein, alleen en eenzaam. Ik dacht: dit hebben die kindjes niet verdiend. Ik vond het verdrietig en pijnlijk. Ik realiseerde mij toen pas dat ik dit als baby ook niet verdiend had.”

Niet verdiend

Net zoals kinderen zichzelf de schuld geven als ouders gaan scheiden, denkt Daksha al jaren, zonder dat ze het echt doorheeft, dat zij op één of andere manier ‘niet oké’ is omdat ze is afgestaan. Daar bij die bedjes, realiseert ze zich dat ze er zelf niets aan kan doen. Dat ze zo’n start van het leven niet verdiend heeft. En dat ze zelf oké genoeg is om moeder te worden.

Kinderen in een weeshuis in Wuhu, Oost-China in 2009. Beeld ANP

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Persoonlijk en politiek, Psychotherapie, Psychotherapie - Rouwen, Psychotherapie - Trauma

Omarm verandering

De nieuwsbrief van klimaat correspondent Jelmer Mommers sprak mij als psycholoog, als begeleider van veranderingsprocessen in individuen en kleinere systemen, bijzonder aan. Veranderen vinden de meesten mensen niet zo prettig maar als we vast zitten of in een crisis dan zien we meestal dat verandering nodig is en goed en dan zijn we er achteraf blij mee. Keer op keer heb ik dit meegemaakt. Hopelijk worden de komende jaren voor iedereen ‘transitie jaren’ en gaan we daar met zijn allen veel plezier aan beleven. Op weg naar een nieuw leven en een nieuwe economie.

Hier een stuk uit de nieuwsbrief van Jelmer.

NB De ‘links’ in de brief zullen waarschijnlijk niet werken als ze verbinden met De Correspondent en u daar geen lid van bent.

Beste Gerie

‘Ik wil onze normale levens terug.’

Met die verzuchting opende Roy Scranton, auteur van het lezenswaardige boekje Learning to Die in the Anthropocene (heftige titel, heftige inhoud)deze week een scherp opiniestuk in The New York Times.

Scranton ging eten afhalen in een pub die normaal bruist van de gezelligheid, maar nu spookachtig leeg was. Het deed hem inzien hoezeer hij ‘normaal’ mist.

Afgezien van gefrustreerde jongeren die de afgelopen dagen naar vandalisme en plundering grijpen, ondergaan de meeste mensen datzelfde gemis gelaten. We verlangen terug naar feesten, etentjes, cultuur; we verlangen terug naar normaal. Maar de vraag is, schrijft Scranton: ‘what does normal even mean anymore?’

Waarna hij een opsomming geeft van de klimaatdieptepunten van 2020. Die zijn een beetje over het hoofd gezien door corona, maar het waren er nogal wat. 2020 was het op één na warmste jaar ooit gemeten. Het was het op een één na poverste jaar qua hoeveelheid zee-ijs op de Noordpool. Het was het jaar met het drukste Atlantische orkaanseizoen ooit gemeten.

Dus wat betekent teruggaan naar ‘normaal’ nu? Scranton:

‘Teruggaan naar normaal betekent terugkeren op een pad dat de voorwaarden voor menselijk leven overal op aarde ondermijnt. Normaal betekent meer branden, meer orkanen, meer overstromingen, meer droogte, miljoenen meer migranten op de vlucht voor honger en burgeroorlog, meer misoogsten, meer stormen, meer uitstervingen, meer hitterecords. Normaal betekent de groeiende kans op maatschappelijke onrust en ineenstorting van staten, wijdverspreide achteruitgang in de landbouw en de visserij, miljoen mensen die sterven van dorst en honger, nieuwe ziektes, oude ziektes die zich verspreiden naar nieuwe plekken, en de ravage van oorlog. Normaal zou weleens het einde kunnen betekenen van de wereldwijde beschaving zoals we die kennen.’

Scranton is het type schrijver dat je wakker kan schudden, en dat doet hij hier. De komende decennia worden sowieso onrustig, onstabiel en onzeker, schrijft hij. De keuze die we hebben, is hoe we daarop reageren.

Gaan we de ‘roaring twenties’ tegemoet, een decennium van feesten aan de rand van de vulkaan, om te vieren dat corona – nog niet, maar uiteindelijk – achter ons ligt?

Worden het de ‘trembling twenties’(een term van sciencefictionschrijver Kim Stanley Robinson, over wie binnenkort meer); jaren van angst voor verandering, vasthouden aan wat er was?

Of worden het de ‘transition twentiesjaren waarin we verandering omarmen en een serieus antwoord beginnen te geven op de milieu- en klimaatcrises?

WAAR KLIMAATBELEID FAALT STAAN BURGERS OP

Dat brengt me op een gesprek dat ik onlangs voerde met transitie-onderzoeker Derk Loorbach en dat vandaag verschijnt op De Correspondent.

Loorbach heeft een duidelijke boodschap: ja, we zitten in een existentiële crisis. Maar als je alleen daarop inzoomt, mis je de miljoenen ondernemers, activisten, burgers, ambtenaren en onderzoekers die tegen de stroom ingaan om de basis te leggen voor een betere, duurzame samenleving.

Het ondernemerschap van al die burgers is een vorm van directe democratie, vindt Loorbach. En, durft hij voorzichtig te concluderen, het lijkt het er steeds meer op dat al die losse inspanningen samen een ‘revolutionair karakter krijgen op de lange termijn’. We zitten aan het begin van een revolutie in stapjes dus, die goed kan aflopen, ‘als mensen zich daarvoor inzetten’.

Voor wie schrikt van het woord ‘revolutie’: de veranderingen die Loorbach beschrijft, betekenen níét dat iedereen z’n hele leven moet omgooien. ‘Waarschijnlijk zullen de meeste Nederlanders in de toekomst gewoon tussen zes en zeven uur ’s avonds hun warme maaltijd blijven genieten. Alleen verandert de samenstelling op je bord, en dus ook wat je in de supermarkt in je mandje stopt en hoe je kookt.’

De noodzakelijke verandering gaat deels vanzelf, omdat groene alternatieven zoveel aantrekkelijker worden dat het vanzelfsprekend en totaal niet bezwaarlijk wordt om je gedrag aan te passen. Lees hier het hele verhaal:

De democratie is springlevend. Want waar klimaatbeleid faalt, staan burgers op

GEFRUSTREERDE JONGEREN

Natuurlijk maak ook ik mij zorgen over de ‘gefrustreerde jongeren’ die na het afkondigen van de avondklok aan het rellen slaan. Gefrustreerd waren ze misschien al vòòr de avondklok. Wie zijn deze jongeren? Zijn zij degenen die in het huidige economische systeem tussen wal en schip vallen? Een leven aan de rand van de maatschappij, in armoede. Voelen zij zich aangemoedigd door de Trump aanhangers die het Capitool in Washington aanvielen? Onder het mom van: ‘Dan ben ik tenminste iemand’! Of voeren die jongeren uit waartoe Trump, Bolsonoro, Baudet, Wilders, Willem Engel, de homeopatische arts die op TV beweerde dat in de ziekenhuizen niemand met corona zou liggen, hen aanzetten?

Vera Mulder, die getuige was van de rellen in Den Bosch, zoekt ook naar verklaringen in haar heel mooie bijdrage op De Correspondent met de titel ‘Iemand die ik niet ken: Schorre honden (of: als je stad wordt overgenomen door relschoppers)’. Zij wil haar beschrijving van wat er in haar stad Den Bosch gebeurde, besluiten met een beschouwing, precies op de juiste toon, vol compassie met de getroffenen maar ook met erkenning van de relschoppers, en dan het liefst ook met een oplossing aan het einde. Ze schrijft…

Over de uitzichtloosheid in kansarme wijken, bijvoorbeeld. Over de moedeloosheid, de verveling en het gebrek aan opties, in de lockdown nog letterlijker aan veel Bosschenaren opgedrongen dan anders al het geval is.

Over hoe de rellen hier en in andere Nederlandse steden giftige uitwerpselen zijn van een regering die al tien jaar onmogelijk blind inzet op zelfredzaamheid, op voor elkaar zorgen en vooral niet te veel naar de overheid kijken. En dat juist die overheid dan nu, in onmogelijke tijden, een onmogelijk beroep doet op precies die mensen waartegen ze al jaren zegt: ‘Jongens, zoek het onderling maar uit.’

En dan bam, eindigen met een soepele alinea over hoe je als overheid niet met hamer en beitel de sociale zekerheid kunt bewerken zonder een keer uit te schieten, iets af te breken dat niet meer te repareren is.


Interessant is nog dat de overgrote meerderheid van de relschoppers mannen zijn. Oud-hoogleraar genderstudies Maaike Meijer kwam eens tot de conclusie dat mannen lijden aan de illusie dat mannelijkheid hen zou kunnen beschermen tegen verlies. Tja, het voelt waarschijnlijk heel stoer en mannelijk om mee te doen met het rellen.

1 reactie

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie en klimaat

Speciaal voor Kerst…

schreef Marieke Lucas Rijneveld onderstaand gedicht voor de kersteditie van Tijdgeest, het weekendmagazine van Trouw. In augustus won zij – samen met vertaalster ­Michele Hutchison – de ­International Booker Prize, als ­eerste ­Nederlandse schrijver ooit, met haar debuutroman, ‘De avond is ongemak’, in het Engels ‘The Discomfort of Evening’. Onlangs verscheen haar roman, ‘Mijn lieve gunsteling’.

De troostzoekers

Zoals geluk gevaarlijk is voor wie er spaarzaam mee omgaat,
voor wie niet-leven een koud kunstje werd, voor wie hier binnenkomt
en twijfelt aan alles wat mooi is, twijfelt aan zijn plek in de wereld,
voor wie eindeloos teert op het verlangen naar beterschap,

voor wie niet breekbaar wil zijn net zo min als populierensterk
en wie mij raakt geef ik de wind, voor wie met een bevel tot
omhakken in de hand rillerig plaatsneemt of juist wil opbloeien
en zie me, voor wie alleen wil zijn maar het niet langer meer kan.

Zoals geluk gevaarlijk is voor hen die het niet kunnen delen,
voor wie wel glimlacht maar de snik onzichtbaar en hoog in
de keel heeft, voor wie alles verloor waar hij van hield, voor hen die
de koek uit de mond sparen en altijd andermans honger stillen,

voor wie weerloos omgaat met de dingen, voor wie iedere
avond zichzelf het donker van zijn kop injaagt, voor wie de hoop
heeft opgegeven als een zieke kameraad, voor wie van alles denkt
maar te weinig uitspreekt, voor wie moe is maar niet meer

in slaap komt en eeuwig ligt te woelen, voor hen die willen leunen,
voor wie onder de mensen wil zijn als onder een warme deken,
voor wie niet weet wie hij is en altijd onzeker, we zijn de leegte,
zeggen we, we zijn de leegte en weten niet hoe ons te vullen.

Zoals geluk gevaarlijk is voor de roekeloze, voor wie verstrikt zit
in eigen-ik, voor wie de weerloosheid weg-eet, koopt, slikt, voor wie
zichzelf bezeert omdat een ander het niet meer doet, voor wie
stemmen hoort maar zelden een lief woord, voor wie bang is om

verlaten te worden en in een leeg huis thuis te komen, voor wie zélf
uit voorzorg iedereen verlaat, voor wie weet dat het hart op vele
manieren kan breken en vergeet dat het ook op vele manieren
weer kan helen, voor wie en voor iedereen is hier de plek.


Wat kunst vermag.

1 reactie

Opgeslagen onder Psychologie, proza en poëzie

Vergeving als antigif tegen angst

VERGEVING ALS BUFFER IN DE RELATIE EN DAT NIET ALLEEN IN DE PARTNERRELATIE

Belangrijk interview van Stevo Akkerman in Trouw met psychiater Jim van Os.

Zijn dit bange tijden? Volgens angstexpert Jim van Os ligt het vooral aan onszelf.

Het zijn bange tijden, zeggen we, maar zijn het de tijden of zijn wij het? En wat is angst eigenlijk? ‘Ik denk dat er niets ergers is dan de angst dat jouw bestaan zinloos is’, zegt psychiater Jim van Os.

Persoonlijk ben ik niet gelukkig met de titel van het interview omdat ik denk dat ‘de bange tijden’ ofwel; het systeem waarin we leven en de eigen individuele angsten een relatie hebben met elkaar en dat er dus eerder sprake is van een eenheid dan van een dualiteit. De ‘tijden’ en ‘wij’ zijn één. Net zoals lichaam en geest één zijn.

Van Os weet hoe angst bij ons onstaat …. de moeder geeft aan het kind aan dat de ander of het andere veilig is of niet … zo kunnen we ons verder ontwikkelen … maar wat als die moeder dat niet doet of kan? We kunnen ‘ons’ niet los zien van ‘de tijden’. En ik denk eigenlijk dat Van Os zelf dit ook niet doet. Het is de journalist die de titel verzint.

Desalniettemin; een belangrijk interview.

Jim van Os is hoogleraar psychiatrie, voorzitter van de Divisie Hersenen van het Universitair Medisch Centrum Utrecht, en een expert op het gebied van de psychiatrische diagnostiek. Maar ga met hem over angst praten en de medicus komt uiteindelijk te spreken over vriendschap, liefde en vergeving, zelfs bij het mysterie achter de sterrenhemel. “Niet alles is te reduceren tot moleculaire processen”, zal hij zeggen, maar eerst verkent hij wat we wel en niet weten over angst.

“Angst is ontwikkeld als een overlevingsstrategie. Nu we niet meer op de prairie rondlopen of in de bossen leven, heeft het gevaar andere vormen gekregen, maar het roept nog steeds dezelfde fysieke reacties op. Het is ons lichaam waarmee wij voelen, opmerken, actie ondernemen. Ook als het gaat om de angst de volgende dag geen werk meer te hebben, of uit de de Whatsapp groep van je klasgenoten te worden gegooid.”

Bestaat er verschil tussen angst en vrees? Vrees als het concrete verschijnsel, angst als de diepere laag?

“Angst die gebonden is aan tijd en plaats, aan situaties, kunnen we inderdaad vrees noemen. Vrees voor hoogtes, pleinen, duiven, muizen, slangen, spinnen. Soms is dat heel individueel, maar we hebben ook collectief bepaalde plekken en dingen die we associëren met angst. Men vermoedt dat die evolutionair een plek hebben gekregen in ons collectieve bewustzijn – ze zijn een metafoor van gevaar geworden.”

“Nog voor ons eerste levensjaar leren wij heel langzaam ons te verwijderen van onze zorggever, letterlijk stapje voor stapje. Komen we dan andere mensen tegen, dan geeft dat angstreacties: we willen van onze moeder weten of het veilig is, of we verder kunnen gaan. Ben je in je jeugd verwaarloosd of misbruikt of heb je allerlei conflicten meegemaakt, dan zal dat invloed hebben op hoe je andere mensen ziet. Onze blik is voor een groot deel gebaseerd op eerdere ervaringen, wat we hebben meegemaakt, voorspelt wat wij denken te gaan waarnemen over 1, 5 en 30 seconden.”

Weten we eigenlijk wel wat angst is? Of zien we alleen de lichamelijke verschijnselen waardoor we iets kunnen vermoeden?

“Ieder mens weet wat angst is, maar het is een complexe emotie. Angst is eigenlijk een manier van gewaarwording, een bewust zijn van jezelf. En dat doet iedereen op zijn eigen manier, al weten we dat schuld en schaamte sterk verbonden zijn met angst, net als somberheid. Maar ook opwinding kan erbij horen, omdat angst een manier is om iets te voelen.”

Weet men welk hersengebied geactiveerd wordt bij angst?

“Vroeger dachten we inderdaad dat dingen op die manier lokaliseerbaar waren. Dat lijkt heel mooi, maar het blijkt niet zo te werken, want alles is met elkaar verbonden. En alles is tegelijk actief en niet actief. Je kunt wel zeggen dat bepaalde kernen in de hersenen vaker de neiging hebben om op te lichten. En je kunt via neurochirurgische ingrepen angstreacties teweegbrengen in dat ingewikkelde netwerk.”

Kun je dan ook dáár ingrijpen en iemand van zijn angst af helpen?

“Nee, dat kan niet. Je kunt pillen geven en dan zullen mensen zeggen: Ik voel me anders. Voor de kortdurende symptomatische begeleiding kun je een beetje valium geven, zodat mensen rustiger worden en weer kunnen nadenken. Dat is prima. Maar het gaat niks genezen.”

De oorzaak van de angst ligt in de persoon, niet in de fysieke hersenen?

“Vergelijk het met verliefdheid, er zijn maar weinig mensen die geloven dat je dat terug kunt brengen tot wat moleculen die met elkaar communiceerden in de hersenen. Ook de meeste neurowetenschappers denken dat dat niet is hoe het werkt tussen gevoel en brein. Daar zit een gat, dat kunnen we niet helemaal invullen. Het feit dat ons bewustzijn niet te meten is onder een microscoop, wil niet zeggen dat het er niet is. Het toont eerder aan dat het een aparte wetenschap vraagt, een aparte taal.”

We leven als het gaat om welvaart en gezondheidszorg misschien wel in de beste tijd ooit, is het dan niet raar dat we tegelijkertijd de angst zien exploderen, afgaande op de vraag die terecht komt bij de geestelijke gezondheidszorg?

“Er is de epidemiologie, die vraagt: bent u angstig, bent u depressief, bent u somber? Daarin verandert eigenlijk heel weinig. Het blijkt dat ongeveer een vijfde van de populatie het afgelopen jaar significante psychische problemen heeft gehad, en dat was dertig jaar geleden ook al zo. Maar we zijn het meer gaan zien als ziek zijn. Terwijl het misschien wel betekent dat we de samenleving te veel aan het vermarkten zijn, dat dingen te snel gaan in onze jacht op succes, schoonheid, maakbaarheid en meetbaarheid. De kwetsbare kant van de mens, waar angst bij hoort, hebben we in het vuilnisbakje gedaan dat ‘ziekte’ heet. Waarmee ik natuurlijk niet wil zeggen dat het niet kan gebeuren dat je hulp nodig hebt.”

U hebt eens gesproken over een cliënt die een zware drinker was, maar in feite leed aan ‘existentiële angst’. Wat verstaat u daaronder?

“Wij zijn zo geëquipeerd dat we iets kunnen vinden van ons eigen bestaan en moeten leven met de eindigheid daarvan, met de dood. Dan kom je te spreken over eenzaamheid of verbondenheid, en nog belangrijker: over zin of zinloosheid. Ik denk dat er geen ergere angst is dan de angst dat jouw bestaan zinloos is, dat je doodgaat en je leven totaal zinloos en onverbonden is geweest. In onze samenleving is te weinig ruimte voor reflectie op deze thema’s.”

“Vraagstukken rond de dood en de existentie deden er meer toe. Tot men in de jaren vijftig/zestig verklaarde dat God passé was. Maar wij hebben de natuurlijke behoefte om ons bestaan te plaatsen in een kader van betekenis. De mens is een homo religiosus, zegt de psychiater Viktor Frankl. Als je je bestaan niet van betekenis kunt voorzien, kun je ook niet sterven en ga je gillend van angst het leven uit, dat is iets wat we moeten voorkomen.”

Frankl, die Auschwitz overleefde, vroeg zijn cliënten altijd, een beetje bruusk: waarom pleeg je geen zelfmoord? En het antwoord wat dan volgde, duidde op wat het leven toch zin gaf.

“Dat is voor velen contra-intuïtief, maar het is wel de ultieme vraag om mensen te helpen. Te kijken wat er in het leven is, welke aanknopingspunten er zijn rond zingeving en betekenisgeving waar je je niet direct van bewust bent. En ik vind het ook interessant dat hij zich als niet-gelovige afvroeg hoe om te gaan met de angst voor de eindigheid. Daar is niet één antwoord op, maar zijn conclusie was: als ik er niet meer ben, heb ik ook geen bewustzijn meer, dat was voor hem een troostende gedachte. Je kunt natuurlijk ook zeggen dat de dood slechts een overgang is. Maar dan komen er allerlei voorwaarden in het spel, en de vraag of je daaraan kunt voldoen.”

Als het noodzakelijk is om de angst onder ogen te zien, hoe breng je daar dan de moed voor op?

“Ik denk dat heel belangrijk is of je hebt ondervonden dat je een positieve respons kreeg als je stappen zette. Dat het niet beschaamd werd als je iets van je kwetsbaarheid liet zien. We komen met een basaal vertrouwen de wereld in, sterker zelfs, sommige auteurs zeggen dat wij echt pathologisch optimistisch worden geboren; volledig naïef in een krankzinnige wereld, maar met vertrouwen in andere mensen. Dat ontstaat nog voor er taal is, in de lichamelijke aanraking en het contact met de vader en de moeder. Maar je kunt het afleren door wat je meemaakt, met name vroeg in de jeugd.”

Over doodsangst hebben we het gehad, maar er bestaat ook levensangst.

“Jazeker, het kan bijvoorbeeld zijn dat je door sociale angst niet toekomt aan het leggen van relaties. Dat is zo fundamenteel voor het welzijn van jezelf en hoe je naar de dood toegroeit, dat het levensangst wordt die het hele bestaan betreft en bedreigt.”

Is dat de paradox, door niet naar de dood toe te groeien, krijg je levensangst?

“De uitspraak is van Heidegger: ons bestaan is een zijn naar de dood. De eindigheid zit in ons. En dat beseffen we. Ik denk daarom dat leven ook betekent: bezig zijn met een afscheid. Maar dat kan pas beginnen als je het leven kunt afsluiten. Als je terugkijkt op je leven en je ziet niks van betekenis, dan kun je ook niet groeien naar het niet-zijn. Dan verkeer je in een soort premature dood, en het kan heel moeilijk zijn om uit die vicieuze cirkel te ontsnappen.”

Je hoort mensen ook wel zeggen, soms met een zekere moed, dat niets zin heeft. Een mens is heel even op deze wereld, een van miljarden anderen, onzin om daar een of andere betekenis aan te gaan geven.

“Natuurlijk, op het geheel der dingen is het niks. Maar dat wil niet zeggen dat je in je leven geen belangrijke ontmoetingen hebt gehad en dat je niet tot tranen geroerd kunt zijn als ik je vraag naar iets dat je hebt meegemaakt toen je zeven was. Die dingen hadden voor jou wel degelijk betekenis.”

En als je zou zeggen: ja, maar het is allemaal mislukt?

“Dat is echt de nachtmerrie, de mensen waar W.F. Hermans over schrijft, met zinloze levens die nergens naartoe gaan. Om elke dag op te staan en ons ding te doen hebben wij verhalen nodig, want wij zijn gelovende mensen. In religieuze zin, maar ook veel breder, in het onderscheiden van wat voor ons meer of minder belangrijk is. Als wij religie zien als collectief bezig zijn met betekenis geven, dan is dat fantastisch. Ik denk dat veel mensen bereid zijn God ook als een metafoor te zien van het niet-weten. Als iets dat wij niet begrijpen en dat het toch goed met ons voor heeft. Dat is geen onredelijke gedachte. Je hoeft maar naar boven te kijken ’s nachts en je krijgt een wonder te zien. In dat mysterie zit iets waar we het goede uit kunnen halen, denk ik vanuit mijn amateur-agnosticisme.”

Er is ook nog de angst voor ons eigen tekortschieten, en voor het oordeel van onszelf of van anderen.

“Op dat vlak is wel wat huiswerk te doen, want we zijn geneigd onze imperfecties weg te moffelen, of ze – als het uit de hand loopt – te zien als gevolg van een psychisch ziektebeeld. Maar onze kwetsbaarheid en onze misstappen, die daaruit voortkomen, vormen juist onze essentie. Via onze fouten en de reflectie daarop maken wij ook contact met andere mensen en hebben wij vriendschappen.”

Om dat te kunnen, heb je onderling vertrouwen nodig. Dat je niet alleen succesvol hoeft te zijn.

“We weten, daar is bewijs voor, dat vriendschap op grond van wederzijds succes niet werkt. Wat werkt is herkenning in je kwetsbare mens-zijn. En dat je daarin niet beschaamd wordt, want dan blijft er van je vertrouwen niets meer over, dat is soms letterlijk dodelijk. We weten ook: hoe intiemer de relatie, hoe meer je elkaar aan kunt doen met steeds kleinere dingen en hoe belangrijker wederzijdse vergeving is. Er zijn natuurlijk verschillende vormen van liefde, maar in al die vormen doen mensen elkaar dingen aan. Daarom is vergeving deel van de liefde. De buffer van een relatie – niet alleen tussen partners – maakt het lijden draaglijk. Omdat vertrouwen daarin de norm is. Dat is antigif tegen alle negatieve emoties, maar de angst in het bijzonder.”

Jim van Os (Utrecht 1960) is hoogleraar psychiatrie aan de Universiteit van Utrecht en gasthoogleraar aan het King’s College in Londen. Hij studeerde onder meer in Jakarta, Casablanca en Bordeaux. In 2013 baarde hij internationaal opzien met kritiek op de DSM, het wereldwijde classificatiesysteem van psychiatrische aandoeningen. Van Os is een van de initiatiefnemers van de beweging ‘De Nieuwe GGZ’.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Psychologie

Therapie van Johan Sebastiaan Bach

Al in de tijd van Bach bestond de overtuiging dat muziek een grote helende werking bezat, mits die aansloot op de gevoelstoestand van de luisteraar. Met Bach Kliniek laat Sounding Bodies zien hoe belangrijk akoestische klanken ook nu nog kunnen zijn voor het welzijn en welbevinden van mensen. Iedere muziekliefhebber weet dat muziek diep kan raken, maar de retorische kracht van het werk van Bach toont nog een bijzondere kwaliteit: het beroert, het overtuigt de luisteraar op gevoelsniveau.

Bachkliniek is een initiatief van Jackeline Hamelink en Sounding Bodies is het muziekgezelschap dat zij heeft opgericht. Muziek gaat voor Jackeline over emotie. In Bachkliniek krijg je een één-op-één-concert in een besloten behandelkamer.

Een toonsoort stààt voor iets

De musicus speelt na een kort kennismakingsgesprek een werk van Bach dat tegemoet komt aan de stemming of emotie van de luisteraar van dat moment. Het gaat uit van het gegeven dat in de tijd van Bach een algemeen aanvaard principe was: een toonsoort stáát voor iets. Zo was de toonsoort G-groot gewoon vrolijk en liefdevol, en as-klein was mat en somber maar wel edel. Met dat gegeven kiest de musicus, de Bach-specialist dus iets wat past bij de stemming op dat moment van de luisteraar.

De keuze voor het juiste muziekstuk wordt dus niet lichtzinnig gemaakt. Iedere cellosuite van Bach en ieder deel daarbinnen staat voor een specifiek spectrum aan emoties. Na afloop krijg je de mogelijkheid om op je ervaring te reflecteren, al dan niet in de vorm van een gesprek. De totale sessie duurt 50 tot 60 minuten.

Geweldig en gratis is de Bachkliniek Online!

Hier kun je online met de muziek van Bach gevoelens van eenzaamheid doen overgaan in gevoelens van geborgenheid.

Van neerslachtig naar opgewekt, van verwarring naar helderheid, van stress naar ontspanning, van angst naar vertrouwen en van verdriet naar troost.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Muziektherapie, Psychotherapie

“Met mondkapje op achter de feiten aan”

Erik Ex (1978) schrijft in Trouw leuke columns over hoe het er op het moment aan toe gaat in het voortgezet onderwijs. Je krijgt een inkijkje: “… leerlingen die elkaar knuffelen ….. samen uit een zak chips eten” en verderop: “Als een deel van de leerlingen thuis werkt, dan kan de rest afstand bewaren”.

Deze column heeft als titel: Met mondkapje op achter de feiten aan.

Erik is leraar geschiedenis op het Cygnus Gymnasium in Amsterdam en werkt voor Schoolinfo, dat zich bezighoudt met onderwijsinnovatie.

Mocht de link hierboven niet werken dan is hier de column ook te lezen.

Gaan we corona-uitbraken stoppen door het invoeren van mondkapjes bij leerlingen? Nee, natuurlijk niet: ze zetten in de lessen die dingen weer af. De vorige week plotseling ingevoerde maatregel komt op mij een beetje bizar over. Leerlingen die elkaar knuffelen, handen geven, dicht tegen elkaar aanzitten, samen uit een zak chips eten: wat heeft het voor zin om ze mondkapjes op te laten doen?

Onder leerlingen heerst nog steeds het gevoel dat het virus niet een echt probleem is. In iedere les zit ook een ‘verborgen les’, dat weet elke leraar. Door leerlingen vlak naast elkaar te laten zitten in de klas vertellen we ze in feite: jullie hoeven niet aan viruspreventie te doen.

Alle beetjes helpen zou je kunnen denken. Maar als een beetje niet genoeg is, is het schijnveiligheid. Ironisch genoeg was op een van de scholen met het grootste aantal besmettingen, het Griftland College in Soest, het dragen van een mondkapje al verplicht. 23 leerlingen en 8 leraren bleken het virus te hebben. Naar verluidt was een slaapfeestje in vwo 6 het spread event.

Hoe komen we tot een oplossing zonder dat leerlingen weer achterstanden gaan oplopen? Daarbij hebben we enorme voordelen ten opzichte van maart. We weten inmiddels welke leerlingen ‘kwijt’ waren toen de scholen dichtgingen, en wie thuis niet hebben doorgewerkt. Ook hebben we nu ervaring met lesgeven vanuit huis. Al mijn leerlingen hebben inmiddels MS Teams geïnstalleerd, de meesten zijn gewend zelf de stof door te nemen en bij veel vakken kunnen ze dat prima. Als een gedeelte van de leerlingen thuis werkt, kan de rest afstand bewaren.

Verder weten we sinds het begin van de pandemie dat het virus gevaarlijker is voor ouderen dan jongeren. Oudere leraren kunnen vanuit huis werken, jongere leraren op school. Dat scheelt gelijk aan drukte in de lerarenkamer, waar het ook moeilijk afstand houden is. Als jongere leraar zou ik best wat extra uren op school kunnen geven wanneer ik minder nakijkwerk, minder leerlingen per klas heb en minder voorbereidingswerk hoef te doen.

Deze manier van werken is radicaler dan het lijkt. Thuiswerkende leraren nemen taken over van collega’s die op school werken. Je verdiept je in elkaars programma’s. Er zal nagedacht moeten worden welke leerlingen welke lessen volgen. Dit vergt een flinke voorbereiding. Voorbereidingen waar we nu de kinderen nog niet allemaal in quarantaine zitten, tijd voor hebben.

Het onderwijs heeft zich tijdens de lockdown van zijn beste kant laten zien, door snel over te gaan op afstandsonderwijs. Maar dit mondkapjesbesluit voelt alsof we achter de feiten aanrennen. Net als bij het ontzettend late onderzoek rond de ventilatie in scholen. We sprinten van de ene maatregel naar de andere terwijl we ons, het is al vaak gezegd, moeten voorbereiden op een marathon.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Onderwijs

De zin van het leven…

… ligt daarin dat anderen het met je willen delen.” Dit zegt emeritus hoogleraar geestelijke verzorging Martin Walton in een interview met Lex Bohlmeijer en Nina Polak voor De Correspondent. Dit interview met Walton vormt de slotaflevering van een podcast serie; De Zingevers. Je kunt de interviews lezen en beluisteren. Zoek in je favoriete podcast app naar De Zingevers.

Volgens Walton zijn in de geestelijke verzorging twee vragen belangrijk: De vraag naar wat een ervaring voor iemand betekent en wat voor iemand van waarde is. Van groot belang is dat het verborgene, het trage, het onopgemerkte in het licht komt. Geestelijke verzorging is een wetenschap; een menswetenschap. Geestelijke verzorgers kennen hun bronnen.

Zoals in de tango de man de vrouw laat schitteren, zo laat de geestelijk verzorger zijn of haar gesprekspartner schitteren.


Mocht de link naar het interview met Walton niet werken dan is het ook hieronder te lezen. Het is opgeschreven door Nina Polak.


Ongeveer een jaar geleden ontmoetten Lex Bohlmeijer en ik (Nina Polak) elkaar in een lunchcafé. Het begon kouder te worden, herinner ik me, de herfst diende zich aan, en ons gespreksonderwerp was al even stemmig: zingeving. We stelden vast dat het werk dat we de laatste tijd maakten om dat pompeuze begrip heen draaide, zonder het echt te adresseren.

We hadden zo onze aannames erover. Dat de moderne mens zingeving verlangt, bijvoorbeeld, maar niet weet waar hij het zoeken moet. Dat, om met collega Arjen van Veelen te spreken, ‘de hunkering naar betekenisvolle momenten tegenwoordig veel groter [is] dan het aanbod’. Dat er, god sta ons bij, misschien wel sprake is van een zingevingscrisis.

Boude beweringen, bij een broodje gerookte zalm. Het onderwerp fascineerde ons, zachte zielen, zodanig dat we besloten er werk van te maken. We zouden onverschrokken op zoek gaan naar de zin van het leven. Dat wil zeggen, we zouden het als keurige journalisten vragen aan de mensen die er verstand van hadden.

Geestelijk verzorgers, had iemand me al eens getipt, vormen een onderbelichte beroepsgroep in de zorg en ggz, waar Lex en ik rondliepen. En dat terwijl ze een cruciale functie vervullen. Ze voorzien in datgene wat je, wanneer je als individu door een grote organisatie wordt opgezogen, al te makkelijk verliest. Ze zijn vrije vogels binnen logge instituten en hun bijdrage is vaak even onopzienbarend als groots. Ze zijn de professionals van de zingeving.

Een jaar later zijn we niet alleen in ggz-instellingen en ziekenhuizen geweest, maar ook in de gevangenis, op een militaire kazerne, bij het Leger des Heils en in een stiltecafé. We spraken geestelijk verzorgers van allerlei pluimage: humanist, boeddhist, katholiek, protestant en moslim. Allemaal hielden ze zich op hun eigen manier bezig met zingeving. Er waren raakvlakken, maar er was vooral ook veel variatie.

In deze laatste aflevering doen we een poging onze belangrijkste inzichten onder woorden te brengen. Daarbij worden we bijgestaan door emeritus hoogleraar geestelijke verzorging Martin Walton, die het allemaal veel beter weet te formuleren dan wij. Jarenlang werkte Walton als geestelijk verzorger in de ggz, maar nu doet hij voornamelijk onderzoek naar het vak aan de Protestantse Theologische Universiteit in Groningen. Bekijk zijn profiel op de site van de instelling. Daarbij vraagt hij zich af wat wij ook steeds wilden weten: wat doet een geestelijk verzorger nu eigenlijk, en waarom werkt het.

Hoe verhoud je je?

Walton gaf ons, naast een hoop wijsheid en een verrukkelijk stuk zelfgebakken taart, voorlopig het definitieve antwoord op de vraag wat zijn werk nu eigenlijk inhoudt. Geestelijke verzorging, zei hij, is eigenlijk verhoudingskunde. ‘We helpen mensen zich te verhouden, bijvoorbeeld tot hun ziekte, tot de rollen die ze spelen of juist niet meer kunnen spelen en tot de zorg, die weliswaar heel goed is in Nederland, maar ook veel eigen leed met zich meebrengt.’

We bezochten Walton in zijn huis in Culemborg, waar het venster volhing met ontelbare gevouwen kraanvogeltjes aan touwtjes. De hoogleraar was de perfecte kandidaat voor het afsluitende gesprek van deze serie. Hij heeft er lang en breed over nagedacht, zoveel is duidelijk. Op de onvermijdelijke vraag van Lex wat de zin van het leven is, had hij dan ook een antwoord waarmee hij de interviewer wist te ontroeren.

Wat vond jij van alle eerdere gesprekken? 

‘Prachtig, het is een ontzettend mooi palet. Het zijn mensen die met een grote betrokkenheid en een kritische blik werken. Het geeft een goed beeld van het veld. De enige die ontbreken zijn de vrijgevestigden. En er zijn een paar geestelijk verzorgers in het aardbevingsgebied in Groningen actief.’

Wat ons heeft getroffen is dat geestelijk verzorgers zich binnen organisaties klein of niet gezien kunnen voelen. Marc Rietveld noemt dat het calimero-effect. Is dat typerend? Hier de link naar het interview met Marc Rietveld.

‘Dat beeld bestaat, maar het is aan het kantelen doordat geestelijk verzorgers steeds vaker een structurele positie krijgen. Geestelijk verzorgers hebben een vrij marginale positie, ze zitten niet bij de core business van een organisatie. Ze zijn excentrische gesprekspartners; daar ligt hun kracht. Maar dat betekent dat ze vaak niet goed geïntegreerd zijn in de organisatie. En soms zijn ze maar alleen. Ik heb wel het idee dat het beeld aan het kantelen is; steeds meer organisaties geven de gv’s een structurele positie, via interdisciplinair overleg, of een moreel beraad bijvoorbeeld. En ik ben benieuwd naar het effect van corona.’

‘Door de corona-uitbraak ontdekten geestelijk verzorgers ineens welke positie ze hebben in een organisatie. Sommigen mochten niet komen, anderen werden juist dicht betrokken op de zorg. Ook de zorg voor medewerkers. Eerst was geestelijke verzorging geen vitaal beroep, later werd het dat wel.’

Hoe is dat zo gelopen? 

‘Ze hebben in eerste instantie gekeken naar de beroepen die BIG-geregistreerd zijn. Dat is geestelijke verzorging niet. We willen dat wel, maar het is een lange weg.’

‘Geestelijk verzorgers hebben duidelijk gemaakt wat ze kunnen betekenen in de coronacrisis, als mensen sterven zonder familie; en verpleegkundigen het gevoel hebben dat ze niet de zorg kunnen geven die ze willen. Toen is besloten dat geestelijk verzorgers erbij moeten zijn.’

Waarom zijn sommigen buitengehouden? 

‘Vanwege besmettingsgevaar; het aantal mensen dat toegang had tot de cliënten werd beperkt. Dat is een verstandig besluit, maar hoever ga je daarin? Dit is een beroepsgroep die wat kan betekenen op het gebied van beleving.’

Dit is precies de spanning. Als het echt waardevol is, op intermenselijk vlak, moet je het dan toch niet gewoon doen? 

‘Daar ben ik het mee eens. Maar ze hebben een kleine positie die niet altijd als essentieel wordt gezien. Er is verschil tussen zorgorganisaties in hoeveel ruimte de geestelijk verzorger krijgt. In hoeveel samenwerking er is. Soms ligt dat aan de geestelijk verzorgers zelf. Als ze met dat calimerogevoel door de gangen lopen dan komt er niks van. De nieuwe generatie geestelijk verzorgers is daar zelfbewuster in. Zij gaan de afdeling op en laten zien wat ze te bieden hebben. Ze maken afspraken over wat ze gaan doen en hoe de communicatie zal lopen. Dan gebeuren er andere dingen.’

De overheid heeft miljoenen vrijgemaakt voor eerstelijns geestelijke verzorging. Het besef dat het belangrijk is groeit dus wel? 

‘Lange tijd was geestelijke verzorging gebaseerd op het feit dat mensen er recht op hebben als ze vierentwintig uur per dag door een organisatie in beslag zijn genomen; denk aan defensie of justitie. Inmiddels wordt gedacht: waar is geestelijke verzorging geïndiceerd? Als zinvol aspect van zorg. Het blijkt zinvol in de eenzaamheidsproblematiek en bij vragen rondom het levenseinde. Door Kamervragen heeft minister Hugo de Jonge besloten om geld vrij te maken voor een project van ongeveer vier jaar. Allerlei centra die samenwerken met geestelijk verzorgers komen in aanmerking voor betaling. Het heeft een deuk gehad door corona, maar nu komt het langzamerhand op gang. Ze kunnen mensen ontvangen of thuis bezoeken. Ze kunnen samenwerken met huisartsen.’

Er is meer geld vrijgekomen dan jullie kunnen behappen. 

‘Ja, het is niet met een pilot begonnen. Men beseft de urgentie ervan. Het geld is er en we gaan het doen. En er is meteen gezegd, we gaan onderzoek doen. ZonMw – de organisatie die van overheidswege onderzoek in de zorg financiert – heeft geld vrijgemaakt waar verschillende opleidingsinstellingen die onderzoek doen naar geestelijke verzorging op hebben ingetekend. De voorstellen hebben veelal het karakter van actieonderzoek; we gaan het doen, en we onderzoeken wat we doen. En we stellen bij.’

Wat is voor jou de belangrijkste onderzoeksvraag?

‘Mijn eigen onderzoek loopt nog. Dat is een casestudy’s-project; we laten nauwkeurig beschrijven wat geestelijk verzorgers precies doen. Als je op de vierkante centimeter kijkt, wat gebeurt er dan? Wat doet het als een gv een schilderij meeneemt voor een eenzame mevrouw met een kunstzinnige achtergrond? Waarom worden bepaalde woorden gekozen voor een gebed? Welke tekst kiest iemand, en wat is de motivatie? Welke werking had dat? We proberen dat concreet en gedetailleerd te beschrijven.’

En als we jou vragen om te beschrijven wat ze doen? Of is het altijd anders? 

‘Het is inderdaad altijd anders. Ik heb vijftien jaar in de ggz gewerkt als geestelijk verzorger. Geestelijk verzorgers doen ontzettend veel. Als ik het een naam moest geven zou ik het “verhoudingskunde” noemen. Hoe verhouden mensen zich tot de dingen die hen overkomen? Hoe verhouden ze zich tot hun ziekte en alles wat dat met zich meebrengt? Hoe verhouden ze zich tot de rollen die ze spelen? Of de rollen die ze niet meer kunnen spelen; als voetballer, musicus, vader, moeder, tante. Hoe verhouden ze zich tot die ervaring van verlies? We weten dat zorg in Nederland ook leed toevoegt. Je bent onderworpen aan mensen die beter weten dan jij wat goed voor je is; en dat weet je ook. Dus hoe verhoud je je tot het feit dat je zorg nodig hebt. Hoe denk je over god en je eigen innerlijkheid? Voel je je als mens nog waardevol in deze situatie? Met al die vragen gaan geestelijk verzorgers met mensen in gesprek.’

Is het noodzakelijk dat er een antwoord op komt? Of is proberen iets onder woorden te brengen eigenlijk al het resultaat? Zijn die antwoorden er wel? 

‘Ja, soms wel. Ik zag deze week op televisie een mevrouw die als psychiatrisch patiënt lange tijd niet meer wilde leven. Toen ze tante werd vond ze dat zo leuk dat ze toch wel wilde leven. Dat is een prachtig antwoord. Het hoeft geen cognitief antwoord te zijn. Een gevoel kan ook een antwoord zijn. Iemand kan een rol vinden; iets betekenen, ergens van genieten of spelen. Daar hoeft niet altijd een geestelijk verzorger aan te pas te komen. Zij worden daar ingeschakeld waar anderen er niet uit komen.’

‘Ze zijn gespecialiseerd om – vaak verborgen – vragen los te krijgen. Er kwam ooit een mevrouw bij me met de vraag: “Wat betekent ‘eer uw vader en moeder?’” Het bleek dat haar vader haar had misbruikt. Dus hoe kon ze daarmee voor de dag komen zonder dat gebed te overtreden? Deze vrouw was al jaren opgenomen, zonder vooruitgang. Toen kwam ze met deze verborgen vraag en was er aanleiding dat ik het met haar kon bespreken; en vanaf toen kon die misbruikervaring in behandeling komen.’

‘De verborgen vraag is een soort schakel. Die vragen heet je welkom. Daarna ga je kijken wat je daarin kan betekenen. Dat kan van alles zijn. Je kan zeggen dat je erover mag praten. Als iemand iets gedaan heeft, dan kan een ritueel een gevoel van vergeving geven. Het kan iemand weer verbinding met god geven. Het kan ook een tekst, gedicht of schilderij zijn. Iemand moet zich erkend voelen, en door die erkenning kan iemand een nieuwe stap maken.’

Het gaat om het zichtbaar of hoorbaar maken van dat wat mensen van zich af houden? 

‘Het is wandelen in het licht. Eerst moeten de dingen aan het licht komen. Dan kijk je of er een ander licht op te werpen is, en daarna kijk je of er niet een lichtend perspectief is. Soms leert iemand ermee leven. Je laat mensen weten dat ze iets betekenen, en een waarde hebben, ondanks hun aandoening. Misschien kan iemand door een aandoening geen moeder worden, maar ze zijn wel iemand. Je zoekt naar dingen die hun leven de moeite waard maken.’

‘In de ggz kunnen mensen zich waardeloos voelen en dan is geestelijke verzorging ook een soort maatschappijkritiek. Mensen met een handicap, of dementie, of een psychische aandoening staan bijvoorbeeld bij de kassa; ze zijn langzaam en krijgen een snauw. Ze kunnen geen werk krijgen. Dat geldt niet voor allemaal maar voor velen wel. Ze hebben het gevoel dat de maatschappij tegen hun zegt: jij doet niet mee, jij kost teveel. We moeten niet vergeten hoe vaak dat als eerste wordt gezegd. Wat kost dit? Hoeveel is een leven waard? Dat is iets wat je neerdrukt.’

Ik sprak een mevrouw met PTSS, en een van haar grootste angsten was geworden dat mensen haar zouden confronteren met die vraag: waarom kun jij niet werken? Dat was een deel van de stoornis geworden. Dat is veelzeggend. 

‘Dat zijn dingen die je klemzetten. Maar hoe kan je dan toch een gevoel van vrijheid en van waardigheid hebben?’

Hoe moet je als geestelijk verzorger maatschappijkritiek beoefenen? Je kunt niet zeggen, het is een klotemaatschappij …

‘Ik werkte in de ggz in de negentiger jaren en toen hebben we veel over deze vragen gesproken. Het ging over de vermaatschappelijking van de ggz destijds. Mensen die er nog niet aan toe waren werden eruit geduwd. Ik noemde dat verplaatsschappelijking. Die mensen gingen allemaal in kleine woningen ergens in de stad wonen, en ze zochten elkaar weer op in een dagactiviteitencentrum. Hun wereld was niet echt groter geworden. Dat nam niet weg dat ze trots waren op hun eigen woning. Toen hebben we veel gesproken over wat het betekent om een plek in de maatschappij te hebben. Wat bepaalt je waarde?’

‘Waarom wordt nog alleen maar werktherapie gegeven? Waarom wordt op kunstzinnige therapie bezuinigd terwijl mensen dat waardevol vinden?’

Er zit een aanname in van wat waardevol is en wat niet? 

‘Er was al onderzoek waaruit blijkt dat mensen met werk beter integreren en zich gezonder voelen. Dat onderzoek was er niet op het gebied van kunstzinnige therapie. Intussen is dat er wel. Wat gaan de instellingen daarmee doen?’

‘Iemand komt met het idee om niet meer over bewoners te spreken. Want ze wonen niet in een instelling, het zijn patiënten. Dan heb je opeens 230 daklozen op het terrein! Taal doet iets met mensen.’

‘En ten slotte, laatste punt van maatschappijkritiek: geestelijk verzorgers spreken met kerkelijke organisaties, met buurthuizen. Ze kijken wat ze kunnen betekenen.’

Vind jij dat de ethiek van een organisatie tot het werkterrein van de geestelijk verzorger behoort? Dat is toch iets anders dan de persoon die je tegenover je hebt. 

‘Die persoon tegenover je heeft alles te maken met de ethiek! Met de regels rondom dwang en drang. Toen ik in de ggz werkte was er om de twee, drie jaar een symposium over intimiteit en seksualiteit bij patiënten. Er veranderde niks. En als het gebeurde dan was het restrictief; dit mag niet, dat mag niet. Er waren geen richtlijnen om patiënten hun lichaam en hun seksualiteit positief te laten beleven. Terwijl het ontzettend belangrijk is.’

‘Het is een verborgen thema als het over zingeving gaat. Wat is de beleving van mijn eigen lichaam, rondom seksuele identiteit? Je ziet dat dat in beweging komt; geestelijk verzorger Non van Driel is daar mee bezig. Wat je van je eigen lichaam vindt is belangrijk voor hoe je in het leven staat.’

Lees of luister ons gesprek met Non van Driel hier terug.

En dat is dus iets wat je in een organisatie aanhangig moet maken?

‘Er zijn ook anderen die dat doen, maar als gv’er kan je het in beweging brengen, ja. Geestelijke verzorging heeft met existentiële vragen te maken. Wat je overkomt in het leven. Het gaat meestal over negatieve dingen maar er kunnen je ook leuke dingen overkomen. Verliefd zijn, of een lot winnen. Spirituele vragen zijn van belang. Voel je je gestraft in het leven? Heb ik een verbinding met iets dat groter is dan mijzelf? Heb ik een verbinding met de natuur? Ook ethische vragen. Wat is voor mij waardevol in het leven? Voel ik me mens in deze situatie? Geestelijke verzorging gaat ook over esthetica: wat vind ik mooi in het leven? Wat betekent lelijkheid voor mensen? Waar wordt iemand blij van?’

‘Ik had een patiënt die nieuwe gouden schoenen had gekocht. Het waren dansschoenen maar ze had geen gelegenheid om te dansen. Ik nam haar mee naar de kapel en zei: “Ik ga niet kijken maar ik zet wat muziek op en dan kan jij dansen.” Voor haar was dat een moment van vrijheid.’

Wat vind jij, heeft de ontkerkelijking een zekere verschraling met zich meegebracht? Heeft de mens met het leeglopen van de kerken ingeboet aan zin?

‘Bij alles gaat wel iets verloren en wordt wel iets gewonnen. De verzakelijking van de zorg betekende vooruitgang op het gebied van medische technologie, en het ging het paternalisme wat soms aanwezig was in de zorg tegen. Patiëntenrechten zijn een winst op het gebied van zingeving en humaniteit. Maar je ziet ook dat zorginstellingen efficiënt moet zijn. Het moet kort, snel en niet teveel kosten. Daar komt de menselijkheid soms in het gedrang. Tegelijkertijd is er een tegenbeweging in de zorg rondom moreel beraad. Dat gaat niet alleen over ethische principes, maar ook om de communicatie daaromtrent. Geestelijk verzorgers zijn goed in luisteren; wat wordt er gezegd en wie komt aan het woord? Dat brengt verrijking.’

‘In Nederland is er veel aandacht voor zorgethiek. Zorgen hoort bij menszijn; het is het eerste en het belangrijkste wat we doen. Het beginpunt is niet autonomie en rechten, het is de vraag wat zorg is. En hoe geven we zorg vorm?’

‘Voor de samenleving in z’n geheel betekent de economisering van alles dat er minder aandacht is voor zingeving. Dat is een verschraling. Maar er zijn ook tegenbewegingen.’

‘Volgens de filosoof Charles Taylor ontwikkelen we doordat we geconfronteerd worden met pluraliteit ook meer authenticiteit. Er valt wat te kiezen, en je kan in vrijheid je leven vorm geven. Je kan gemeenschappen zoeken die bij je passen. Ook binnen onze beroepsgroep hebben we die pluraliteit, en we hebben dat vrij vroeg vormgegeven.’

Kunnen mensen tegenwoordig zonder een uitgesproken waardestelsel? Geestelijk verzorgers zitten vaak met hun poten in de stront, om het plat te zeggen. Als mens tegenover een mens die lijdt. Machteloos. Hoe doe je dat als mens? Kan dat zonder zo’n waardestelsel?  

‘Ten eerste zit er altijd een waardestelsel achter. Dat de persoon die tegenover je zit het waard is om de tijd voor te nemen. Als er één waarde is die alle geestelijk verzorgers delen, dan is het dat ieder mens waardevol is. Ieder mens verdient tijd en aandacht, en ieder mens heeft dat ook nodig. Ieder leven kan waardevol zijn als je daarvoor de middelen krijgt. Rondom voltooid leven blijkt dat de vraag vaak ingegeven was door eenzaamheid of het gevoel een last te zijn; daar valt wat aan te doen.’

‘Er leven genoeg mensen zonder uitgesproken gearticuleerd waardestelsel. Hun waarden zitten belichaamd in hun dagelijks doen en laten. Het is van alle tijden dat sommige mensen er niet over nadenken of inconsequent zijn. Een geestelijk verzorger is verplicht om erover nagedacht te hebben. En van daaruit te werken. Dat kunnen boeddhistische, christelijke of samengestelde waarden zijn… Als je het maar kan articuleren en je bronnen kent. Er zijn veel mensen actief op het gebied van zingeving. Iedereen heeft een ethische mening, iedereen weet wat zorg is en iedereen weet wat zingeving is. Geestelijk verzorgers zijn daarin gespecialiseerd. Ze werken met levensbeschouwelijke bronnen, teksten, rituelen, kunstobjecten.’

‘Je kunt geestelijke verzorging terugbrengen tot twee vragen. Wat betekent dit voor iemand, en wat is voor iemand van waarde? En dan kom je al heel ver. De enige manier om uit een crisis te komen is door de levenskunst. Hoe geef je nu vorm aan je leven, je gedachten, je handelen en je gedrag? Hoe geef je dat vorm zodat je je goed kan verhouden tot het leven? Als jij dat niet kan omdat je dementerend bent, hoe kunnen wij daar dan vorm aan geven?’

Heeft het zin om de vraag te stellen wat de zin van het leven is? 

‘Al jaren hanteer ik het antwoord: de zin van mijn leven ligt daarin dat anderen het met mij willen delen.’

Dat is ontroerend. Omdat het echt een ander perspectief opent.

‘Dit is geïnspireerd door Hans Reinders die heeft geschreven over de manier waarop mensen met een verstandelijke beperking een plaats krijgen in de maatschappij. Hun leven krijgt mede zin door wat anderen met hun delen. De vraag naar de zin van het leven gaat ook over wat voor mensbeeld je hebt. Kan iedereen daarin meekomen? Dan is de volgende vraag: Wat is het leven? Het leven is ten eerste zorgen, maar het is ook maken, spelen, werken, leren, je ontwikkelen, musiceren, dansen, schrijven, interviewen… Je kan “dé zin van hét leven” niet reduceren tot één aspect van het leven. Het leven is een pluraliteit.’

‘We delen en ervaren wat goed is om te delen, en wat minder goed is. De een heeft daar zijn talent in, en de ander haalt zijn waarde ergens anders vandaan. Zo zoeken we samen naar de volheid van het leven.’

‘Dus ik kan niet tegen een patiënt zeggen wat de zin van het leven is, want ik weet zijn weg niet. Maar ik kan vragen wat iemand met anderen kan delen. Wat zou zinvol zijn? Is dat tante-zijn, of toch weer gitaar gaan spelen? Het kan van alles zijn. Maar je neemt deel aan een geheel. We zoeken met mensen naar hoe ze zich verhouden tot dat leven; wat hun plek daarin is en waar ze zich goed bij voelen. Waar zij eventueel ook kunnen delen met anderen.’

Is het ritueel belangrijk op het terrein van de geestelijk verzorger? 

‘Absoluut. De universiteit van humanistiek heeft een opleiding rituele bekwaamheid opgezet. Het is niet alleen eigen aan het religieuze leven. Een ritueel bestaat meestal uit woorden, een handeling en een zorgvuldige opbouw. Voor vergeving kunnen mensen bijvoorbeeld een brief schrijven of een tekst lezen.’

Waarom kan het ritueel zo’n werking hebben? 

‘Omdat een mens niet alleen een cognitief wezen is, maar ook een belichaamd wezen. Er zijn dingen die woorden alleen niet kunnen bereiken. Een ritueel doet iets met je lichaam, je gevoel en je willen. Het spreekt je in je totaliteit aan. Er zijn prachtige casestudy’s over. Bijvoorbeeld over iemand die brieven schrijft die worden verbrand. Er wordt daarbij iets gezongen. Dat geeft een dementerende vrouw verlichting. Er blijkt ook dat het ritueel na enige tijd weer herhaald kan worden.’

Er hangen honderden kraanvogels voor de ramen. Gevouwen van papier, volgens de regels van het Japanse origami. Dat is toch ook een ritueel?

‘Het is een oud verhaal, een Japanse mythe. Een meisje (Sadako Sasaki) kreeg tien jaar na de bomaanval op Hiroshima leukemie. Ze dacht: als ik duizend kraanvogels vouw dan word ik misschien beter. Ze heeft er meer dan duizend gehaald, maar ze is toch gestorven. De kracht van haar ritueel bleef echter.’

‘Mijn vrouw is predikant in Driebergen en heeft begin dit jaar een chronische aandoening gekregen waardoor ze op dit moment niet kan werken. Ze wist niet wat ze moest bidden in die tijd. Met het verhaal van de kraanvogels in gedachten is ze gebeden gaan vouwen.’

‘Het zijn er tegen de tweeduizend geworden intussen. Ze heeft veel weggegeven aan zieke of stervende mensen. Of aan nabestaanden. Het kreeg een rituele betekenis voor mensen. Een troostende betekenis. Voor haar was het een manier om bij mensen in gedachten te zijn, maar tegelijkertijd iets tastbaars om te geven.’

Het is ook een opening naar het oude. Daar zit troost in. 

‘Het is een levensbeschouwelijk-culturele bron die je opent om met een bepaalde situatie om te gaan. Verhoudingskunde. Het is ook een soort rouw. Mensen hebben de neiging om vast te lopen in hun rouw. Rouw moet vloeibaar blijven zodat je je ertoe kunt verhouden. Door te vouwen, door muziek te luisteren of wat dan ook blijft het vloeibaar. Dan kan je er iets tegenover zetten en ermee omgaan.’

Jij hebt het terrein verlegd. Je was geestelijk verzorger en je bent wetenschapper geworden. Heb je daar spijt van gehad? 

‘Ik heb spijt gehad dat ik de wereld van de ggz moest verlaten. Dat is een prachtige wereld waarin mensen soms over hun aandoening heen komen, en soms niet.’

‘Mijn vader is predikant, ik ben predikant, mijn vrouw is predikant, haar vader was predikant. Ik ken de kerkelijke wereld van binnenuit. Ik wilde een keer buiten gaan spelen en daarom ben ik daar gaan werken. Met mensen die vaak gemarginaliseerd worden. Ik heb redelijk wat gereisd in mijn leven, maar dit was reizen in de binnenwereld van mensen. Het was een goede leerschool.’

‘Het kwam op mijn pad. Ik werd gevraagd om te solliciteren als hoogleraar. Ik wilde graag de verwetenschappelijking van het beroep helpen. Kijken wat er precies gebeurt, en of je daarvan een verhaal kan maken waardoor je dat naar anderen disciplines kan communiceren. Men zat middenin allerlei onderzoek naar de effecten van geestelijke verzorging. Of bepaalde interventies wel of niet werken? Naar precieze beschrijvingen van wat ze teweegbrengen. Het is maar een kleine gemeenschap in Nederland die ermee bezig is, dus het duurt nog wel even voordat we dat goed in kaart hebben gebracht.’

Terwijl het zo waardevol is. 

‘Neem de ethiek binnen een organisatie. Je kunt niet met harde resultaten bewijzen dat een ziekenhuis met een goed functionerende ethische commissie betere zorg levert dan eentje waar zoiets nog op gang moet komen. Maar we weten allemaal dat het belangrijk is. Zo is het ook voor geestelijke verzorging. We zien wel dat geestelijke verzorging meestal boven de negentig procent tevreden scoort.’

‘We weten ook dat als mensen op een intensive care met een geestelijk verzorger spreken over of ze willen doorbehandelen of niet, dat ze soms eerder geneigd zijn om niet tot het einde toe door te behandelen. Dan is de betekenis van geestelijke verzorging dat ze eerder dood gaan, en er kosten bespaard worden. Maar het betekent ook iets fundamenteels voor de familie. Ontspanning, ze kunnen de dood toelaten.’

Je hebt alle namen genoteerd van de mensen die wij gesproken hebben. Dat zijn je aantekeningen!

‘Namen zijn belangrijk en de dingen moeten ook een naam hebben. Ik weet niet of je dingen een plek moet geven; je moet ze vooral een naam geven. Als je ze een naam geeft, dan kan je je ertoe verhouden en kan iets aan het licht komen. Dat is een kracht van geestelijke verzorging. Geestelijk verzorgers halen het verzwegene, het onopgemerkte boven tafel. Ze brengen verborgen vragen, taboes, mensen die anders tussen wal en schip raken in het licht. Het klassieke beeld van het zoeken naar het verlorene, wat een religieus beeld is.’

In die zin lijkt het meer op wetenschap dan we hadden aangenomen?

‘Het is een menswetenschap, in de volle betekenis van mens. Woorden als contact leggen en aanwezig zijn zijn ideële woorden, maar het is de basis van alles. De wetenschap zit in hoe je dat doet. Welke denkkaders heb je over mensbeelden? Hoe denk je na over sterven? Hoe zitten mensen in hun relaties? Je kent je bronnen. Daarin ben je geschoold, en daardoor kan je mensen verder helpen.’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek

Meer tijd om buiten te spelen: pleidooi voor een nieuwe economie

In De Correspondent gelezen van correspondent Modern Leven: Nina Polak

Psycholoog Paul Verhaeghe weet het al jaren: stress is funest voor geest én lichaam (die je eigenlijk niet los van elkaar kunt zien). De lockdown droeg de oplossing in zich: meer tijd nemen. Maar dat vergt een systeemverandering.

Waarom worden sommige mensen ziek en anderen niet? Onderschat de rol van stress niet, zegt psycholoog Paul Verhaeghe

Afgezien van enkele kleine aanpassingen volgt hier het artikel van Nina Polak.

Paul Verhaeghe heeft veel kunnen nadenken de afgelopen tijd. Zo veel dat de Vlaamse psycholoog in een paar maanden een essay heeft geproduceerd over de existentiële vragen waarmee de coronacrisis ons confronteert. Houd afstand, raak me aan, dat 16 juli verscheen, is een pleidooi om deze angstige tijden aan te grijpen om andere keuzes te maken. Ongebreidelde groei is niet houdbaar: we hebben een nieuwe economie nodig als we ons duurzaam tot elkaar en de natuur willen verhouden.

Grote stellingen, waarmee Verhaeghe voortborduurt op zijn vorige boeken Identiteit, Autoriteit en Intimiteit. In die trilogie brengt hij het psychisch (on)welzijn van het individu in verband met de marktgedreven maatschappij, waarin de dwang om succes te hebben alomvattend is. De psychiatrie, zijn eigen gebied, bepaalt daarbinnen wie normaal is en wie niet, en verklaart degenen die niet mee kunnen komen ziek.

In 2018 verscheen Intimiteit, waarin een speciale rol is weggelegd voor trauma. Dat thema houdt mij de laatste tijd bezig, dus ben ik naar Gent afgereisd om Verhaeghe te spreken. Intimiteit gaat over de relatie die we hebben met ons lichaam en de vele vormen waarin de geest het lichaam kan beïnvloeden en andersom.

Nadat je het boek gelezen hebt, beklijft het gevoel dat het hele onderscheid tussen lichaam en geest volkomen achterhaald is. Trauma en posttraumatisch-stresssyndroom (PTSS), waarbij herinneringen zich vaak vertalen in lichamelijke klachten, zijn daar een ultiem voorbeeld van. Er zou meer aandacht moeten zijn, denkt Verhaeghe, voor de enorme ziektelast die zij veroorzaken – zowel voor de ggz als de reguliere zorg.

Verhaeghe haalt me op in de spookachtig lege kantine van de Universiteit Gent, waar hij hoogleraar klinische psychologie is. Hij heeft me gevraagd om van te voren zijn opgenomen college’s over trauma te bekijken, zodat we dit enorme onderwerp met een gedeeld referentiekader te lijf kunnen.

Maar dat referentiekader is breed. In de video’s zie ik een klassieke hoogleraar aan het woord: erudiet, tikje streng, nogal ehm… Vlaams. (‘Het gaat er hier anders aan toe dan bij jullie’, waarschuwt hij me van tevoren.) Zijn verhaal voert van Freud en de geschiedenis van de psychiatrie, via de Vietnamoorlog en de vrouwenbeweging van de jaren zeventig naar de DSM en de huidige diagnostische praktijk. Iets ongrijpbaars als trauma kun je vanuit talloze hoeken aanvliegen. Juist dat maakt het een geknipt onderwerp voor Verhaeghe, die de dingen graag in grote gebaren met elkaar verbindt.

Waarom was de tijd rijp om het in Intimiteit te hebben over trauma?

‘Intimiteit gaat erover dat de basis voor intimiteit tussen mensen een goede verhouding tot het eigen lichaam is. Bij getraumatiseerde mensen is die relatie bij uitstek ontregeld. Trauma is een raadsel, dat ons psychologen wijst op de beperking van ons begrip. Het is altijd prominent aanwezig geweest in mijn werk, maar ik realiseer me pas relatief kort dat er een groot verband is tussen trauma en allerlei lichamelijke aandoeningen. Ik wist natuurlijk dat mensen met PTSS vaak lichamelijke klachten hadden naast hun psychische problemen, maar dat er ook een sterke correlatie is tussen trauma en zogenaamd puur fysieke ziekten, was nieuw voor me.’

Hoe kwam je tot die ontdekking?

‘Al een jaar of tien krijg ik steeds meer onderzoek onder ogen waaruit blijkt dat psychologische en sociale factoren zeer doorslaggevend zijn voor de gezondheid. Het meest baanbrekend is een studie uit 1998, waarin acht Amerikaanse onderzoekers 17.000 volwassenen ondervroegen om na te gaan welke factoren bijdroegen aan hun gezondheid. Ze vroegen daarbij onder meer naar jeugdtrauma’s.

‘De resultaten waren schokkend. Van deze gezonde, goed functionerende Amerikanen zei 28 procent fysiek mishandeld en 21 procent seksueel misbruikt te zijn. Op zich al verrassend veel, maar nog opmerkelijker was het later ontdekte verband met ziekte. De groep werd vijftien jaar lang gevolgd, om verbanden te vinden tussen hun voorgeschiedenis en hun gezondheid. De conclusie: hoe meer traumatische situaties iemand had meegemaakt, des te slechter was de gezondheid. Het verband tussen psychosociale trauma’s en lichamelijke ziekten was onmiskenbaar.

‘Nu maakt zo’n statistisch verband natuurlijk niet duidelijk hoe het in zijn werk gaat. Waarom worden sommige getraumatiseerde mensen wel ziek, en anderen niet? En waarom kan een traumatische voorgeschiedenis aan de basis van zoveel verschillende aandoeningen liggen? Ziekten zijn het complexe resultaat van een biopsychosociaal samenspel. De lichamelijke kant kennen we vrij goed, want daar ging decennialang de meeste aandacht naar uit. Maar ook over de impact van de psychosociale omgeving op de gezondheid wordt steeds meer bekend.’

De maatschappelijke aandacht voor trauma komt historisch gezien in golven, leg je in een college uit aan je studenten psychologie. Waarom is die geschiedenis belangrijk?

‘Psychologen en psychiaters kennen hun geschiedenis nog maar nauwelijks. Ik onderwijs het om aan te tonen dat processen zich herhalen. Daar kun je belangrijke lessen uit trekken. Zeker met trauma zie je die golfbeweging van interesse door de geschiedenis heen, al blijft de erkenning ervan gelukkig wel groeien.

‘Aan het einde van de negentiende eeuw beginnen artsen – onder wie Freud en zijn tijdgenoten Breuer en Janet – voor het eerst bij hun patiënten te ontdekken dat een voorgeschiedenis van seksueel misbruik effecten kan hebben op het huidige functioneren. Ze lopen aan tegen wat we tegenwoordig PTSS noemen. Wat deze artsen zien bij hun patiënten zijn zogenoemde ‘conversiesymptomen’: onbewuste herinneringen die een ingrijpend effect hebben op het lichaam.

‘Vergelijkbare symptomen worden later aangetroffen bij veteranen die teruggekeerd zijn uit de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog: shellshock. Maar maatschappelijk is er nauwelijks begrip voor hun trauma. Deserteurs en watjes worden ze genoemd. Een groep psychiaters stapt naar de rechter om te eisen dat deze soldaten serieus genomen worden, maar tevergeefs. En dat terwijl verschillende verslagen die we hebben van de loopgravenoorlog – zoals de sterke romans van Pat Barker – misschien wel de beste klinische omschrijving van PTSS bieden.

‘Het is pas ruim na de Tweede Wereldoorlog, in de jaren zeventig, ten tijde van de protestbeweging tegen de Vietnamoorlog en de verschillende emancipatiebewegingen dat er echte aandacht komt voor de gevolgen van trauma. De aandacht voor PTSS is een gevolg geweest van de verenigingen voor Vietnamveteranen (vooral de zwarte ex–militairen, die dubbel gediscrimineerd werden), die aandacht opeisten voor hun niet erkende psychische problemen.

Emancipatiebewegingen… die zie je nu weer aan alle kanten opkomen…

‘Ja, daar hangt die golfbeweging mee samen. Sinds het begin van deze eeuw zijn een aantal dingen samengekomen: seksueel misbruik binnen de kerk, #MeToo en de dekolonisatiebeweging. Het gemeenschappelijke kenmerk van deze tendensen is dat ze de de aandacht vestigen op trauma en vragen om erkenning daarvan.

‘Dat wordt overigens vaak verkeerd begrepen door de veroorzakers van trauma’s. In het geval van de kerk, bijvoorbeeld, zijn de aanstichters weliswaar bereid om schadevergoedingen te betalen, maar zelden om schuld te bekennen. En juist dat is zo belangrijk, omdat een slachtoffer zich vaak schuldig voelt. Dat is een van de vele grote mysteries rond trauma: waarom voelt iemand die overduidelijk slachtoffer is zich zo dikwijls schuldig?’

Heeft dat ermee te maken dat slachtoffers vaak op ongeloof stuiten?

‘Het is geen afdoende verklaring, maar het speelt wel een rol. Het probleem is ook dat de noodzakelijke maatschappelijke aandacht voor trauma makkelijk doorschiet in een banalisering van het begrip. Zodat alles ineens een trauma mag heten. Als een blik, een uitspraak, een beeld al traumatisch genoemd wordt, dan komt dat de geloofwaardigheid niet ten goede.’

Bestaat er volgens jou zoiets als intergenerationeel trauma, waarbij een kind het trauma van zijn ouders of zelfs grootouders overneemt?

‘Zeker. In de psychoanalyse bestaat dat begrip al heel lang. Na Freud zijn er een aantal analytici geweest die ontdekten dat het trauma van grootouders doorwerkte bij kinderen. Er is inmiddels voldoende klinisch bewijs voor, zonder dat men het precies begrijpt. Maar ik vermoed dat stressonderzoek en epigenetica nog wel eens een sleutel zouden kunnen opleveren.’

Stress, het woord komt niet voor niets voor in posttraumatisch-stresssyndroom: het speelt een belangrijke rol bij trauma. Maar ook in het algemeen is stressregulatie een cruciale factor voor de gezondheid, denk je?

‘Hoewel ook dat het risico in zich draagt een modewoord te worden, is stress een sleutelbegrip om het verband aan te tonen tussen het sociale, het psychische en het lichamelijke, dat voor mij zo belangrijk is. Ook dat houdt de psychiatrie al bezig sinds Freud. Die beschrijft de impact van trauma als het vernietigen van de ‘prikkelschilden’, die ons moeten beschermen tegen prikkels van buitenaf. Dat is zo hedendaags: je vindt perfect vergelijkbare ideeën over stress en overprikkeling in moderne concepten als hoogsensitiviteit en burn-out.

‘Veel populaire behandelingen hebben ook daarmee te maken. Yoga, mindfulness, zelfs EMDR: ze gaan allemaal over het hanteren en afvoeren van spanning. Dat dit zo werkt, weten we al eeuwen, maar hoe het precies werkt begrijpen we nog steeds niet. De woorden en concepten die we eromheen bedenken zijn metaforen, waarmee we het proberen te vatten.

‘EMDR-therapeuten horen dit absoluut niet graag, maar in mijn optiek bestond er al zoiets in de negentiende eeuw. Toen probeerde de arts Josef Breuer grip te krijgen op de vreemde, lichamelijke symptomen van een aantal vrouwelijke patiënten. Pratend kwam hij nergens, de patiënten bleven maar zeggen dat ze het niet wisten. Pas toen hij ze onder hypnose bracht, in de hoop dat ze hem zo zouden antwoorden, volgde na een reeks associaties vaak een fysieke en emotionele ontlading, waarna de symptomen verdwenen. De diagnostische methode werd de behandeling.

Ontlading dus, wat gebeurt er dan?

‘Nogmaals, het zijn concepten, en we kunnen alleen maar veronderstellen. Maar wat je ziet bij een techniek als EMDR is dat er een emotionele reactie plaatsvindt, die met praten niet kan worden bewerkstelligd. De ontlading is gekoppeld aan de emotie. Fysiek dus, want inmiddels is wel duidelijk dat het op een misvatting berust dat emoties puur psychische processen zijn, ze zijn sociaal en lichamelijk. Bij een geslaagde EMDR-sessie zijn mensen nadien ook serieus moe – er is een pak energie ‘ontladen’.

Ook emotie, suggereer je, verdient meer aandacht van de wetenschap. Je refereert vaak aan het werk van primatoloog Frans de Waal, die emoties bestudeert bij dieren.

‘In de wereld van de neurologie is het nog niet zo lang geleden dat het bestuderen van emoties werd afgedaan als nonsens. Idem bij de studie van dieren. De eerste onderzoeken van Frans de Waal op dat vlak werden nauwelijks serieus genomen – zeker niet door psychologen.’

‘Mede dankzij zijn inspanningen begint dat nu wat te kantelen, maar hier in de opleiding psychologie is nog geen enkel vak waarin emotie centraal staat. Het is allemaal cognitief, of neurowetenschappelijk. Endocrinologie ontbreekt vaak, en dat is geen toeval. Als studie van klieren en hormonen wordt het geassocieerd met emoties, ‘lagere’ functies, ooit zelfs typisch ‘vrouwelijke’ functies – wetenschap is nog steeds doordrongen van een mannelijke blik.’

‘Die beperkte aandacht is historisch gezien ook begrijpelijk, we zijn in het westen al sinds de Grieken gebrand op de ratio, en daar kwam nog de Verlichting overheen. Het affectieve is de onderbuik, het irrationele, daar willen we traditioneel weinig mee te maken hebben. Maar er gaan steeds meer stemmen op voor een nieuwe discipline, de psycho-neuro-endocrino-immunologie, afgekort als Psychoneuro-immunologie (PNI), is de studie naar de wisselwerking tussen de psyche, het zenuwstelsel en het immuunsysteem. Het is interdisciplinair en put uit de psychologie, de neurowetenschappen, de immunologie, de endocrinologie en de klinische geneeskunde. Het bestudeert onder meer de functie van het neuro-endocriene immuunsysteem. Dit systeem zorgt voor de aansturing van de afgifte van hormonen binnen het lichaam. Daarom wordt PNI ook wel psycho-endocrino-neuro-immunologie genoemd (PENI/PNEI).

Uit onderzoek komt steeds weer naar voren dat verschillende regelsystemen binnen het lichaam en de sociale omgeving als één groot geheel functioneren.’

Je besteedt in je boeken veel aandacht aan de oorzaken en gevolgen van stress, maar wat de oplossing betreft, blijf je summier. Wat moeten we in de toekomst met deze inzichten?

‘Daarover, onder meer, gaat het essay dat ik schreef tijdens de coronacrisis. Vermindering van stress heeft vaak simpelweg te maken met met meer tijd nemen. Dat hebben we ondervonden tijdens de lockdown. Veel mensen durfden het niet te zeggen, maar vonden het eigenlijk wel fijn. Er was meer tijd.

‘Daarop heb ik ook de nadruk gelegd. Meer tijd nemen, vooral waar het de opvoeding en scholing van onze kinderen betreft. Alle psychologen zijn het erover eens dat de kindertijd het allerbelangrijkste is voor de ontwikkeling. We beseffen als ouders te weinig dat we onze eigen stress doorgeven aan kinderen. Een vader die ‘s ochtends vol stress zit, geeft dat door aan zijn baby, een baby neemt dat over. Zo kweken we mensen die onder invloed van chronische stress potentiële ziektes in zich dragen.

‘Het is gezond verstand en makkelijk gezegd, maar het vergt een systeemverandering om hier echt iets aan te doen. Je moet een maatschappij zo organiseren dat ouders echt de tijd hebben om zich met hun kinderen bezig te houden.

‘De goede voorbeelden zijn altijd dezelfde, maar in de Scandinavische landen heb je, behalve hoogstaande kinderopvang, langdurig ouderschapsverlof dat verplicht door beide ouders moet worden opgenomen. Dat betekent niet dat iedereen verplicht thuis hoeft te zitten, een deel ligt ook bij het onderwijs. Ik hoor van onderwijskundigen dat de stof die we op basisscholen in zes jaar leren, prima in drie jaar past. Daaruit kun je wat mij betreft concluderen dat je kinderen de helft van de tijd kunt laten buitenspelen, sporten, andere dingen laten doen dan stilzitten, zoals dat van mijn generatie werd afgedwongen. We zijn allang niet meer dezelfde patriarchaal-autoritaire samenleving en toch wordt nog hetzelfde verwacht van onze schoolgaande kinderen. Als je wilt dat een tienjarige stilzit, moet je een bullebak worden. Dat willen we niet, dus plakken we er een labeltje op en gebruiken medicijnen tegen drukte. Dat is toch knettergek?’

Is het tijd om kinderen, zoals veel mensen suggereren, massaal ‘mindfulness’, psychologie of yoga te geven op school?

‘Ik zou het zo ver allemaal niet zoeken. Laat ze gewoon langer buiten spelen.’


De college’s van Paul Verhaeghe zijn hier online te bekijken.

De Canadese arts Gabor Maté heeft ook veel geschreven over het samenspel tussen emoties en fysieke ziekten.

Over schrijftherapie bij trauma hier en hier. Naast hypnose en EMDR zorgt ook schrijftherapie voor een fysieke en emotionele ontlading van stress door trauma.


Zelf speel ik graag buiten in het bos met mijn camera:)

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, Psychotherapie, Psychotherapie - Trauma, Systeemtherapie

Corona is een probleem van een systeem

WERELDWIJDE SYSTEEMTHERAPIE IS GEBODEN

Mensen en dieren en hun omgeving staan nauw met elkaar in verband. Hoe dat verband werkt daar zijn we ons te weinig van bewust.

Uit de Groene: Het is niet de schuld van de vleermuis

Het is de mens die de balans tussen mens, dier en de omgeving op zijn kop zet.

Wim van der Poel, hoogleraar in Wageningen, is coördinator van het investeringsthema ‘One Health’, een concept dat ervan uitgaat dat de gezondheid van mensen, dieren en hun omgeving in nauw verband met elkaar staan. Hij wijst erop dat we de volksgezondheid niet langer kunnen loskoppelen van de gezondheid van dieren en landschappen; we moeten gebruikmaken van een ‘geïntegreerde systeembenadering’.

Hetzelfde geldt voor het racisme dat onlosmakelijk verbonden is met het kapitalistische systeem. Blanken in de lagere klassen hebben net zoveel belang bij de Black Lives Matter beweging als de zwarten.

Zelfs een VVD premier als Rutte noemt racisme een systemisch probleem. Er is behoefte aan wereldwijde systeemtherapie.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologie en klimaat, Systeemtherapie