Psychologenpraktijk Gerie Hermans

Gerie Hermans is een volgens de wet BIG (Beroepen Individuele Gezondheidszorg) geregistreerde GZ – psycholoog (Gezondheid Zorg – psycholoog) en Orthopedagoog. Als verzekerde hulp valt deze onder de wettelijke basis geestelijke gezondheidszorg (basis-GGZ). De praktijk wil desondanks zoveel mogelijk vrij blijven van de gezondheidsindustrie zoals die door de overheid en de zorgverzekeraars opgelegd worden.

Voor wie

Voor jongeren, volwassenen, partners en gezinnen die psychologische behandeling zoeken bij problemen met de opvoeding, de relatie of de persoonlijke ontwikkeling. Tevens bij problemen met de studie- of beroepskeuze. Voor mensen die graag te maken hebben met een psycholoog die een voorloper is in het behouden van beroepseer, gelijkwaardigheid en vrijheid.

You can also have therapy in English.

Waar

Bereikbaar op telefoonnummer: 035-6210745

Per e-mail: geriehermans@planet.nl

Werkzaam in praktijk aan huis gevestigd in het centrum van Hilversum: Ruitersweg 49B

Wachttijd is 2 à 3 weken.

Visie

Psychische klachten staan niet op zichzelf. Dikwijls hebben de klachten of problemen te maken met de situatie waarin iemand leeft. Een goede therapeut kan inzoomen maar heeft ook een flinke groothoeklens. Door psychische klachten in een bredere context te plaatsen kan men zelfs een dieper begrip van de klacht krijgen.

Systeemtherapie gaat over interacties en relaties, over context en levensfasen. Het functioneren van mensen krijgt betekenis en kan begrepen worden door wat zich tussen mensen afspeelt. En wat zich tussen mensen afspeelt, krijgt slechts betekenis in een context. Anders gezegd: ‘Het zit niet tussen de oren maar tussen de neuzen…’

Relaties, gezin en verdere omgeving vormen een systeem en mensen komen sneller uit de problemen met hulp die aandacht heeft voor dat systeem. Het systeem kan een stelsel zijn voor genezing en groei van al zijn leden. Meer over deze visie hier.

Mijn benadering van de hulp

– Hoogwaardige en duurzame psychologische zorg. We gaan in op dieperliggende, structurele en contextuele achtergronden van de problematiek waardoor u een echte positieve en blijvende verandering gaat ervaren zodat u minder beroep hoeft te doen op de gezondheidszorg.

– Geen bureaucratische ‘zorg-producten’ of ‘behandel-protocollen’ maar hulp specifiek op u, uw situatie en uw geschiedenis toegesneden. Zorg op maat.

– Psycholoog en cliënt zijn gelijkwaardige gesprekspartners. Er is geen medisch-lineaire, klinische of gezagsrelatie. Problemen worden niet ingekaderd als een ziekte of stoornis waar de dokter of de psycholoog over gaat. We werken toe naar een beter gevoel voor eigen vragen, eigen kracht en eigen oplossingen. De therapeut is deskundig maar niet de expert over uw leven.

– Soms zijn de tijden tussen de consulten langer zodat u op uw eigen tempo naar verandering toe kunt werken: Langdurige korte therapie.

– Korte communicatielijnen. Doorverbinden is er niet bij. U wordt niet behandeld door een lager (hbo) opgeleid iemand die onder een geregistreerd iemand werkt tegen een lager loon, zoals bij veel GGZ instellingen en huisartsenpraktijken het geval is.

– Mijn eigen functioneren krijgt voortdurend aandacht en verdieping via intervisie met collega’s in de regio en daarbuiten, via supervisie, leertherapie, na- en bijscholing.

Methoden

Systeemtherapie; technieken uit de inter-generationele contextuele, structurele, emotie-gerichte, oplossings-gerichte en narratieve therapie worden toegepast. Verschillende perspectieven op de kern van het probleem worden onderzocht waardoor blijkt dat er vele ingangen mogelijk zijn. Duidelijk wordt hoe het probleem in stand gehouden wordt door huidige posities, relaties en interacties. Er wordt gewerkt aan het horen van iedereen door iedereen. De unieke situaties wanneer het probleem niet speelt worden onderzocht. Door te oefenen met nieuwe posities, relaties en interacties komt verandering op gang en zo wordt het probleem opgelost.

Individuele psychotherapie en cognitieve gedragstherapie. Therapie met expressieve middelen zoals schrijven, tekenen, poppetjes, rollen-spelen, enz.

Diagnostische hulpmiddelen

– Gesprekken. Een deel van het diagnostisch proces bestaat uit het verruimen van het denken over wat het probleem is.

– Intelligentieonderzoek

– Persoonlijkheidsonderzoek

– Studie- en beroepskeuze onderzoek

IMG_2174

werkplek

Contract-vrij

De praktijk sluit bewust en uit principe geen contracten af met zorgverzekeraars (voor meer info: de contract-vrije psycholoog en zorg voor kwaliteit en patiëntencontractvrij). Voornaamste punt van kritiek op de contracten met zorgverzekeraars is dat het verplicht tot medewerking aan het huidige zorgstelsel waarin de zorgverzekeraars steeds meer macht krijgen. Het contract tussen zorg-verlener en cliënt raakt steeds meer op de achtergrond. Als zorgverlener heb ik primair een contract met mijn cliënt(systeem)!

Het zorgstelsel is momenteel een op winst gericht, geldverslindend systeem waarin de regie over de zorg steeds meer bij de professional wordt weggehaald. Zorg-cowboys adviseren instellingen hoe ze op zijn ‘slimst’ kunnen declareren. Zorgverzekeraars exploiteren zorg-verleners en belasten zorg-verleners met tijdrovende administratie. Geld is teveel een doel geworden.

Het voordeel van contract-vrij werken is dat de facturering via de cliënt verloopt zodat de cliënt niet alleen de controle behoudt over privacy-gevoelige informatie maar ook over datgene wat in rekening wordt gebracht. Het nadeel is dat de cliënt een deel van de behandeling zelf moet betalen (als er sprake is van een natura-polis) maar daardoor raakt de cliënt ook meer verbonden bij de behandeling. De cliënt zal er sterker op gericht zijn om er uit te halen wat er in zit. Dit zorgt voor een meer dynamische werkrelatie.

Vrije keuze

Zorgverzekeraars zijn ondanks het contract-vrij werken van deze praktijk nog steeds wettelijk verplicht om de kosten van de psychologische hulpverlening van een BIG geregistreerde GZ psycholoog te vergoeden. De beroepsregistratie en kwaliteit is bij contract-vrij werkenden dezelfde als bij gecontracteerde psychologen. Minister Schippers doet erg haar best om aan de vergoeding van deze onafhankelijke manier van werken en de vrije keuze in de zorg een eind te maken maar dit is haar nog niet gelukt.

Met name in de geestelijke gezondheidszorg is de vrije keuze belangrijk omdat het contact tussen hulpverlener en cliënt cruciaal is voor het slagen van de behandeling. Met een restitutie-polis heeft u altijd vrije keuze en krijgt u alles vergoed. Hier een lijst van echte restitutie polissen in 2016.

Privacy

Privacy 2016

Mijn werk als hoofdbehandelaar in een zelfstandige praktijk valt onder de basis GGZ. Dit is een nieuwe, ingewikkelde regeling waar veel bureaucratie bij komt kijken en die de privacy nagenoeg onmogelijk maakt. In mijn praktijk wordt daarom gewerkt met een privacy-verklaring die al mijn cliënten kunnen ondertekenen.

Klik op deze link om de privacy verklaring te downloaden: NZa PRIVACY VERKLARING generalistische basis GGZ

Geheimhouding is een recht van de cliënt. Dientengevolge is het mijn plicht om dit recht niet te schenden. Leveren van informatie zonder toestemming van de cliënt is strafbaar. Zie voor meer informatie de Koepel voor DBC vrije praktijken (DBC = Diagnose Behandel Combinatie).

Tarief en vergoeding door de zorgverzekeraar

Gerie Hermans is een BIG geregistreerde GZ (gezondheidszorg) psycholoog. Het uurtarief voor 2016 is € 94,- (een uur bestaat uit ¾ contact en ¼ voorbereiding).

Per maand ontvangt u een voorschotnota die u zelf voldoet (zie aanmeldformulier). Na afloop van de behandeling volgt er een eindfactuur met alle informatie die nodig is voor een vergoeding van de kosten door uw zorgverzekeraar. Wanneer u een restitutiepolis heeft, wordt het volledige bedrag vergoed. Hier een overzicht van zuivere restitutie-verzekeringen.

Met een naturapolis is de vergoeding ongeveer 75%. Kijkt u voor de exacte hoogte van de vergoeding uw polisvoorwaarden na.Uw zorgverzekeraar zal in alle gevallen uw eigen risico aanspreken.

Vergoeding van Jeugdzorg door de Gemeente Gooi en Vechtstreek in 2016

Is de aangemelde cliënt onder de 18 jaar en woonachtig in de Regio Gooi en Vechtstreek dan bestaat de mogelijkheid dat de praktijk de kosten voor de behandeling declareert bij de Regio. Hieronder vallen de volgende gemeenten: Blaricum, Bussum, Eemnes, Hilversum, Huizen, Laren, Muiden, Naarden, Weesp en Wijdemeren. Gebruik in dit geval het speciale aanmeld-formulier Jeugdzorg.

De praktijk is aangesloten bij de groep vrijgevestigde Kinder en Jeugdpsychologen in het Gooi.

banner-rug-steunt-stern-600

‘Flip the system’

Psychologenpraktijk Gerie Hermans heeft de missieverklaring van de Stichting Beroepseer ondertekend. Het alternatief voor het marktdenken in de zorg en het onderwijs wordt door deze stichting benoemd als ‘flip the system’ en houdt in: kleinschalige, platte organisaties waar professionals met beroepseer werken die zelf hoge kwaliteit nastreven in het belang van hun patiënten, studenten en leerlingen omdat ze daar plezier in hebben. Docenten, artsen en verpleegkundigen zijn de afgelopen decennia gedegradeerd tot uitvoerders van beleid en management (in hiërarchische organisaties). Dat moet veranderen: ze moeten weer eigenaar worden van de kwaliteit van hun werk.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologenpraktijk Gerie Hermans, Zorgverzekeringen

Congres: Insluiten en uitsluiten

CONGRES VAN MIJN BEROEPSVERENIGING: DE NVRG (De Nederlandse Vereniging van Relatie en Gezinstherapeuten).

Insluiten en uitsluiten was het thema 

Een belangrijk thema in een tijd waarin veel vluchtelingen naar Europa komen die zoeken naar insluiting of aansluiting om hun leven opnieuw op te bouwen. Een belangrijk thema in een tijd waarin steeds meer mensen, ook die niet gevlucht zijn voor oorlog en onderdrukking, buiten de ‘speedboat’ vallen zoals de bekende Belgische psychiater Dirk de Wachter het formuleerde op een vorig congres:

Voorop staan knappe jonge kerels, glinsterend in de zon, met rondborstige blon­dines aan hun gespierde armen. Ze lachen, drinken champagne. De boot racet steeds sneller maar zij kijken niet achterom, naar de mensen die uit de boot vallen: degenen die terecht­komen in de geestelijke gezondheidszorg of zeggen: ik kan niet meer, ik doe niet meer mee.

Een van de sprekers op dit congres was de psychiater Aram Hasan, zelf een vluchteling uit Syrië die vele jaren geleden moest vluchten vanwege zijn mensenrechten-activiteiten en die sinds eind jaren ’90 in Nederland woont. Voor hem is de cirkel van uitsluiting/insluiting rond: hij heeft zich van ‘de ene kant van de tafel’ (die van hulpzoekende) naar ‘de andere kant’ (die van hulpverlener) verplaatst en helpt nu de vluchtelingen die na hem gekomen zijn.

Eigenwaarde en context

Toen Hasan naar Nederland kwam riep Pim Fortuijn nog dat je vluchtelingen ‘streng maar rechtvaardig’ moest behandelen. Het lijkt alsof Hasan het hier mee eens kan zijn. Of de uitsluit/insluit cirkel afgelegd wordt en of je slaagt in het nieuwe land hangt volgens hem voor een groot deel af van je gevoel van eigenwaarde. Je moet er dus zelf iets voor doen om dat ingesloten gevoel te krijgen.

Zijn opmerking over eigenwaarde deed mij denken aan mijn emigratie naar Australië in 1984 als jonge vrouw van 32. Na 12 jaar kwam ik terug naar Nederland. Dat was opnieuw een emigratie.

Emigreren is natuurlijk niet hetzelfde als vluchten maar in de eerste jaren in Australië had ik wel degelijk insluit problemen omdat ik een vreemdeling was. Mijn opleiding als pedagoog werd bijvoorbeeld niet erkend. Op zoek naar insluiting kocht ik in die tijd een komisch boekje met de titel: ‘How to be normal in Australia’, maar ik belandde uiteindelijk na enige omzwervingen aan ‘de ene kant van de tafel’ en wel bij een psychiater. De goede man was toevallig Joods en hij vertelde dat veel psychiaters Joods zijn omdat Joden een geschiedenis van vervolging kennen (een ernstige vorm van uitsluiting). Met dit verhaal hielp hij mij niet direct maar het werd in onze gesprekken wel steeds duidelijker dat ik was geëmigreerd in een fase van mijn leven waarin ik nog niet veel zelfvertrouwen had ontwikkeld als professional.

Zelfvertrouwen is niet hetzelfde als eigenwaarde maar de twee begrippen zijn natuurlijk verwant. Het voelde voor mij als een confrontatie toen de psychiater over mijn zelfvertrouwen begon. Deze confrontatie was ‘hard maar rechtvaardig’. Het was waar; mijn pijn over het uitgesloten zijn van de arbeidsmarkt hadden niet alleen te maken met mijn status als vreemdeling maar ook met mijn gebrek aan zelfvertrouwen. Ik was namelijk nog maar twee en een half jaar vòòr de emigratie afgestudeerd en had in Nederland nog maar twee jaar werkervaring als professional achter de rug. Om mij duidelijk te kunnen presenteren op deze specifieke arbeidsmarkt in een vreemd land was dat niet voldoende.

Toen ik mij dit bewust werd viel er een ‘slachtoffer’ gevoel van mij af, werd ik sterker en namen de mogelijkheden om mij meer ingesloten te voelen uiteindelijk toe. Een gevoel van eigenwaarde is inderdaad een belangrijk ingrediënt om als vreemdeling het gevoel te krijgen dat je erbij hoort. Daar kan ik over meepraten. En om die eigenwaarde te ontwikkelen moet je zelf iets doen maar heb je ook je omgeving nodig.

Helaas worden vluchtelingen nu in Nederland ernstig tegengewerkt waardoor ze te lang buiten de maatschappij blijven staan. Dit alleen al werkt traumatiserend. De NOS berichtte recent nog over het langdurige wachten waar de vluchteling mee geconfronteerd wordt. Hoe moeilijk het is om ingesloten te raken in in Nederland wordt door een vluchteling onder woorden gebracht:

Je moet eerst wachten op een verblijfsvergunning. Dan moet je wachten op een huis. Daarna mag je pas de taalcursus doen. Wil je dan gaan studeren, moet je eerst nog een schakeljaar doen en na al die jaren wachten kan je dan eindelijk aan je studie beginnen. Dat maakt het zo moeilijk om weer onderdeel te worden van de maatschappij.

Terug naar de presentatie van Hasan op het congres.

Ook de context is belangrijk voor het uitsluit/insluit-gevoel. Een moeder met een ‘boerkini’ aan, kan gemakkelijk met haar kinderen mee de zee in om met hen te spelen. Dan is zij ingesloten in haar gezin in de situatie. Maar in gezelschap van een meerderheid van Nederlandse vrouwen die bikini’s dragen zal zij uitgesloten zijn. De context-afhankelijkheid van de begrippen uitsluiten en insluiten worden tijdens de gehele dag op het congres door verschillende sprekers naar voren gebracht.

d1089a0dd1e3f634e034e063dc7a08be1

Eigenwaarde en doorzettingsvermogen heb je nodig om je ingesloten te voelen maar je hebt net zo goed mensen om je heen nodig die je helpen.

Hasan richtte de stichting Psychiaters Zonder Grenzen op.

Behandelen van getraumatiseerde vluchtelingen: vertrouwen en psycho-educatie

Obstakels in therapie met getraumatiseerde vluchtelingen kunnen te maken hebben met vertrouwen, taal, vermijding, schaamte (gezichtsverlies), doelen en verwachtingen van de therapie, de geestelijke en sociale toestand waarin de client zich bevindt, het gebruik van medicatie, bijgeloof, verborgen discriminatie enz. Sommige vluchtelingen denken dat wanneer de hulpverlener/dokter/psychiater geen pillen geeft dat het dan geen goede dokter is.

Aan de hand van een casus illustreert Hassan hoe belangrijk het vertrouwen in de therapeut is en hoe dit voor een doorbraak zorgde. Het ging om een 51-jarige man die uit Irak was gevlucht met zijn vrouw en kinderen en die in Nederland gescheiden was. Deze man kon erg agressief worden en dreigde om zijn ex-vrouw te vermoorden. Het vertrouwen en de doorbraak in de behandeling betekende dat de man zijn levensverhaal begon te vertellen aan de therapeut. De relaties met zijn dochters werden hersteld en hij kreeg begrip voor zijn ex-vrouw.

Volgens Hasan is ook psycho-educatie van groot belang. Je moet uitleggen wat het nut van de behandeling is. Je moet duidelijk uitleggen wat het voor de cliënt kan betekenen als deze over zijn post- traumatische stress heen zal zijn. Hasan heeft hiervoor zelf een filmpje gemaakt. Een van zijn cliënten zei na het zien van dit filmpje dat het zien er van meer invloed op hem had dan een jaar behandeling! Dit maakte mij erg nieuwsgierig maar we kregen het filmpje helaas niet te zien en het is niet te vinden op het internet.

Na vele jaren werken met vluchtelingen komt Hasan tot de conclusie dat diagnostiek en behandeling bij het grootste deel van cliënten uit Oosterse culturen om veel geduld, durf en flexibiliteit vraagt. Het systeem rond de cliënt moet er zoveel mogelijk bij betrokken worden, er moeten duidelijke en haalbare behandeldoelen gesteld worden en de therapie moet begrijpelijk gemaakt worden met psycho-educatie. Emoties, gevoelens en angsten moeten zoveel mogelijk benoemd worden.

Welke methode de therapeut ook gebruikt maakt niet zoveel uit. EMDR, BEPP of NET, ‘Narrrative Exposure Therapy’, waarbij het levensverhaal van de cliënt centraal staat, het maakt niet uit als zowel de cliënt als de therapeut er maar vertrouwen in hebben. Over EMDR denken veel vluchtelingen dat het een soort hypnose is. In de ‘Narrative Exposure Therapy’ heb ik persoonlijk het meest vertrouwen. Eerder schreef ik hier over op dit weblog, al maak ik gebruik van de term schrijftherapie. Tekenen of andere beeldende middelen kunnen ook ingezet worden binnen deze therapie.


Andere sprekers over insluiten en uitsluiten op dit congres: Trudy Dehue en Bill Madsen, en de uitstekende workshop van Monique Hof van Systeemwijs over pesten, komen in een volgend bericht aan de orde. Trudy Dehue sprak over: wat sluit je in en wat sluit je uit als je een wetenschappelijke definitie formuleert. Bill Madsen sprak over ‘mattering’ (er toe doen, ingesloten zijn) en ‘marginalization’ (uitgesloten worden) in gezinnen. Dus; ‘stay tuned!’

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Gezins- en relatietherapie, Persoonlijk en politiek, Psychiatrie, Psychotherapie - Trauma

Dialoog in tijden van wantrouwen

IN SOMMIGE GEZINNEN IS WANTROUWEN DE LUCHT DIE MEN INADEMT

Gezinnen die zo erg vastlopen dat elk gesprek een risico vormt om een slagveld te worden, kloppen soms aan bij de hulpverlening. Dit doen ze in de hoop dat ze opnieuw met elkaar kunnen praten zonder steeds opnieuw gekwetst te worden. Maar dit is geen eenvoudige opdracht voor de hulpverlener.

Het klimaat van wantrouwen maakt namelijk dat elk gesprek een gelegenheid is om opnieuw uit te halen naar elkaar, om opnieuw gekwetst te worden en elkaar zodoende nog meer te verliezen. Het spreken is zowel het doel als de valkuil van de behandeling.

Hoe kun je gezinsleden weer met elkaar laten spreken zonder een herhaling van de strijd en zonder te verzanden in het toedekken van de moeilijkheden?

In een goede  dialoog reikt men uit naar de ander, maar niet ten koste van zichzelf. In zo’n dialoog ben je aanwezig maar niet ten koste van de ander. We maken onze behoeften kenbaar, onze lasten en inzet terwijl we rekening houden met de behoeften, lasten en inzet van de ander. Jezelf tonen en contact maken met de eigenheid van de ander vraagt om kwetsbaarheid.

Hoeveel kwetsbaarheid kun je verwachten wanneer er stevige barsten zitten in de relatie? Hoe veilig is het om kenbaar te maken wat je nodig hebt als je er niet langer op kunt vertrouwen dat de ander jou graag ziet?

In sommige gezinnen of relaties kan onbetrouwbaarheid de lucht zijn die men inademt. De weg hieruit loopt langs de ontmoeting. Het helpen van cliënten om weer met elkaar te spreken houdt echter een risico in op nieuwe schade. Hierin zit de evenwichtsoefening voor de hulpverlener.

Ruimte maken voor het nog-niet-gezegde

Het doel is niet het spreken op zich. Het heeft geen zin om cliënten opnieuw te laten vertellen wat ze elkaar gisteren verweten. Het doel is om ruimte te maken voor het nog-niet-gezegde. Hoe krijg je het voor elkaar dat de cliënten in een nieuw verhaal kunnen stappen waarin ze de moeilijkheden niet uit de weg gaan en elkaar toch kunnen verdragen?

Cruciaal hierbij is volgens Linne de Loof (klinisch psycholoog en contextueel systeemtherapeut) dat de hulpverlener de leiding over het gesprek neemt en aan de cliënten garandeert dat de gespreksruimte veilig is. Hoe de hulpverlener dit kan doen laat zij zien aan de hand van een casus waarin de moeder en de dochter in een gezin heel moeilijk tot een dialoog komen. Dit beschreef zij in het vaktijdschrift Systeemtherapie deel 3 2016. Ik vat het hier samen.

De hulpverlener waakt over de veiligheid en vraagt: ‘Wat gebeurt er nou tussen jullie?’

Het wantrouwen ligt op de loer in elk gesprek. Bij elke uitspraak van de ander verwachten de gezinsleden een verwijt. Ze hebben het verwijt al zo vaak ervaren dat ze niets anders meer kunnen horen. Ze gaan voortdurend in de verdediging. Intenties van zorg en begrip zijn verloren gegaan. Kwetsbaarheid tonen hebben de gezinsleden afgeleerd, terwijl ze er zo naar verlangen. Ze snakken naar een dialoog. En de dialoog is ook de enige manier om de strijd te stoppen. Hoe kunnen zij weer in contact staan zonder elkaar te kwetsen?

De hulpverlener moet heen en weer lopen op het strijdtoneel om deze en gene uit te nodigen om de wapens en de schilden neer te leggen. Om op te houden elkaar af te slachten en/of in de verdediging te gaan.

De hulpverlener nodigt steeds opnieuw uit om iets vertellen over je behoeften, over je lasten en inzet maar vaak kennen de gezinsleden deze niet. Toch ligt in elke snauw, in elk weglopen een diepere emotie, een onderliggende behoefte. De hulpverlener daalt elke keer weer af samen met de cliënten van de secundaire emoties naar de primaire emoties. Daarin neemt h/zij de leiding.

Van de inhoud naar de verhouding

De kunst is dat je als hulpverlener niet verdwaalt in de inhouden die de cliënten naar voren brengen maar dat je je richt op het proces. Je nodigt de cliënten steeds weer opnieuw uit om het te hebben over wat er tussen hen gebeurt.  Je nodigt hen steeds weer opnieuw uit om over te stappen van het inhoudelijke niveau naar hoe zij zich tot elkaar verhouden.

Je laat een moeder niet steeds herhalen dat ze het beu is dat haar dochter wederom te laat was of dat haar man niet streng genoeg is tegen de kinderen. Je laat haar vertellen dat ze het gevoel heeft dat ze niets meer te betekenen heeft als moeder of dat ze met het idee rondloopt dat zij en haar man geen team meer vormen als ouders. Dat kan de diepere laag zijn van haar ervaring en als deze moeder daar contact mee maakt in aanwezigheid van de anderen is er een aanzet tot dialoog gecreëerd.

De cliënten overstijgen het dagelijkse conflict wanneer ze spreken vanuit zichzelf (de ik-boodschap), vanuit wat zij ervaren en nodig hebben. Als ze spreken vanuit die ervaring en die behoefte dan verschilt dat enorm van het spreken over wat de ander zou moeten doen en waarin die tekortschiet (de jij-boodschap). Met het spreken vanuit de eigen ervaring en behoeften valideren zij zichzelf: ‘dit ben ik, hier verlang ik naar.’ Ze bakenen zichzelf af: ‘Ik wil dat jij luistert naar mijn verhaal en ik verwacht dat jij er rekening mee houdt. Àls de ander dit kan horen kan er een ontmoeting, een dialoog ontstaan.

Het is de taak van de hulpverlener om een klimaat te creëren waarin de andere gezinsleden iets kunnen horen van de uitgesproken noden van de ander.

Een scene uit de casus

Hier een aantal fragmenten uit het gesprek van de casus van Linne de Loof. De moeder heet Veerle, de dochter Elena. De hulpverlener zegt:

‘Ik ga jullie nogmaals onderbreken. Ik heb mij blijkbaar niet zo goed uitgedrukt, Veerle. Vertel eens waarom het belangrijk is voor jou dat Elena zelf naar school gaat en jij alleen naar jouw werk rijdt. Waarom jij dit wil, los van wat Elena moet doen.’

De hulpverlener gaat tussen de twee strijders staan, zij blokkeert de aanval van de dochter zodat de moeder terug kan spreken over datgene wat haar werkelijk raakt. De moeder zegt terwijl de tranen in haar ogen springen:

‘Het is het enige moment van de dag dat van mij is. Het is ’s ochtends altijd zo’n stress en dan stap ik in mijn auto en hoef ik even niets te regelen voor niemand. Gewoon rijden.’

De uitputting staat op haar gezicht te lezen. De dochter (die wil dat haar moeder haar een lift geeft naar school):

‘Wat is dat nu?! Tien minuutjes in de auto?!

De puber in de aanval. Meteen ziet de hulpverlener dat de moeder haar wapens weer naar boven haalt. Ze wacht hier niet op en brengt moeder en dochter terug naar de boodschap onder de strijd:

‘Elena, jouw moeder probeert iets te zeggen over wat zij nodig heeft. Ik vind het belangrijk dat je daar naar luistert. Gaat dat lukken?’ ‘Oké.’

De hulpverlener richt zich tot de moeder:

‘Je vertelt me dat die ochtendrit jouw moment is. Voor even niet beschikbaar zijn’.

De moeder:

‘Het is zoveel stress. Ik weet het soms niet meer. En dan heb ik echt nodig dat ik voor ik op mijn werk kom even op adem kan komen.’

Er is een vraagteken te zien op het gezicht van Elena. De hulpverlener:

‘Snap je wat je moeder hier vertelt?’

‘Nee, echt niet. Het is toch maar tien minuutjes rijden?’

Haar stem klinkt wat zachter. De hulpverlener ziet hierin een aarzelende stap richting de dialoog. Moeder en dochter komen voorzichtig boven hun schild uit en kijken of het veilig genoeg is. Nu mag de hulpverlener niet loslaten omdat dan de kans dat de strijd weer oplaait groot is. Ze probeert het een en ander voor Elena te vertalen:

‘Weet je nog dat we het vorige keer hadden over jouw emotionele sneltrein? Die trein racet rond en je ouders rennen er achteraan. Je moeder vertelde dat ze weet dat jij dan extra aandacht nodig hebt. Maar om die aandacht te kunnen geven heeft zij momenten nodig voor zichzelf. Die tien minuten in de auto zijn nodig om er voor jou te kunnen zijn als je haar echt nodig hebt.’

Elena vraagt vol ongeloof:

‘Maar dat kan toch niet helpen?’

Haar moeder is snel met haar antwoord:

‘Jawel Elena, dat helpt mij.’

Haar beschuldigende wijsvinger is nergens te bespeuren. Een broze ontmoeting komt tot stand. De hulpverlener zoekt nog naar een verbinding, naar een reden om de schilden en de wapens op de grond te leggen:

Je hebt vorige keer gezegd dat jouw ouders jou niet snappen als je het moeilijk hebt en dat je dan rust nodig hebt. Zij kunnen op dat moment niet weten wat jij nodig hebt. En niemand, ook jij niet , kan beslissen wat jouw moeder nodig heeft als zij stress heeft.’

Twee mensen die elkaar aankijken

Dit is een moment van dialoog. Twee mensen die elkaar aankijken. Vaak schrikken ze van wat ze dan zien. De dochter vindt het niet leuk dat haar moeder tien minuten in de auto nodig heeft, omdat ze anders uitgeput raakt van al het zorgen voor haar. Ze zou haar moeder liever minder kosten. Toch kiest ze niet opnieuw voor de aanval. Haar moeder toont zich aan haar. Het vertrouwen dat het zichzelf tonen veilig kan zijn en dat je dan kunt krijgen wat je nodig hebt, begint te groeien. Zo kun je beginnen te ervaren dat je gezien wordt en dat je er mag zijn zoals je bent.

De leiding nemen en ‘de kogels opvangen’

Toen dit gezin aanklopte bij de hulpverlening waren ze niet meer gewend om hun kwetsbaarheden te verwoorden. Het voelde vertrouwd om zich af te sluiten, kwaad te worden, weg te lopen of elkaar te kwetsen. Om van de langs elkaar heen lopende monologen te komen tot een dialoog, had het gezin leiding nodig. De gezinsleden hadden het nodig dat er aan de verwijten een halt toegeroepen werd en hadden de uitnodiging nodig om vragen te stellen en te luisteren naar elkaar. Telkens wanneer zij de weg van het wantrouwen insloegen moesten zij uitgenodigd worden om te kiezen voor de dialoog

De hulpverlener kan veiligheid bieden door de scherpe kanten van het wantrouwen op te vangen. ‘Catching the bullet’, noemt de Amerikaanse systeemtherapeut Sue Johnson dit. De kogel opvangen. Het gezinslid dat eindelijk iets durft te tonen van zijn worstelingen kan namelijk gemakkelijk als beloning een honende uitspraak van een ander gezinslid terugkrijgen. Die aanval moet de hulpverlener opvangen.

Als de hulpverlener deze kogels laat rondvliegen zegt hij eigenlijk dat het goed is om zo met elkaar om te gaan en voedt hij op die manier de destructieve interacties.

Wanneer een moeder in het bijzijn van haar zoon zijn vader bekritiseert zonder dat de hulpverlener haar hier een halt toeroept, geeft die hulpverlener aan dat de gespreksruimte een plaats is waar je elkaar kan en mag schaden. Het is lastig om cliënten hierop te wijzen maar zonder die begrenzingen krijgen de cliënten niet de garantie dat de gespreksruimte veilig is en zal het gezin niet in een dialoog komen.

Als de dialoog op gang gekomen is rest er alleen nog het vertrouwen in het proces. Als ieder gezinslid woorden kan vinden en uitspreken over wat hem raakt en waar hij naar verlangt en als h/zij merkt dat er momenten zijn dat de anderen dit horen en zijn eenzaamheid zien dan doet de dialoog de rest. Dan komt het gezin in een verhaal waarin ze voor elkaar beschikbaar zijn.

tightrope_walker_by_august_macke_poster-rb25d049dac07409c9b88802e066bd06d_wvc_8byvr_324

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Gezins- en relatietherapie

Gratis zelfhulp van De Correspondent

Onderscheidt goede van slechte zelfhulp en doe aan ‘otherhelp’ was het advies in mijn kritische bericht over de zelfhulpindustrie. De hulp in dit bericht is gratis. Ik denk niet dat er iemand winst mee maakt. Behalve jijzelf: immateriële winst.

Klik op deze link als je nieuwsgierig bent: Zelfverbetering – Gelukkig zijn in de prestatiemaatschappij.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek

Je mag het hebben… open brief aan minister Schippers van collega psycholoog

Gelukkig komt er steeds meer beweging: veel meer contractvrij werkende collega’s, een NVVP (Nederlandse Vereniging Voor Psychiatrie) die er nu zelfs uitleg over geeft en natuurlijk ‘het roer moet om‘. Steeds meer cliënten weten van de gekkigheden van verzekeraars.

Mij geeft het moed.

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Zorgverzekeringen

Zelfhulpindustrie is opium voor het volk

WE VOELEN ONS NIET GEZIEN EN DAT KOMT OMDAT WE TEVEEL MET ONS ZELF BEZIG ZIJN… Dit was volgens mij het thema van de Zomergasten uitzending van de VPRO met Griet op de Beeck. Haar boodschap was: Als het niet goed met je gaat en je het leven niet ziet zitten ga dan in therapie. Het helpt! Je kunt er iets aan doen! Ga niet stil in een hoekje zitten hopen tot het beter wordt. Zoek een goede ‘shrink’ zegt Griet.

Als het niet goed met je gaat kan dit te herleiden zijn tot het ‘niet gezien zijn’ in de kindertijd. In ieder geval gold dit voor Griet zelf. En ze betoogde dat volwassenen meer naar hun kinderen moeten kijken. Hun eigen kinderen maar ook die van anderen. Dan zouden die kinderen zich tenminste wèl gezien voelen en dan konden ze ook voorbij zichzelf gaan zien. Griet legde nog uit dat kinderen àlles zien maar het niet kunnen vertellen. Volwassenen moeten kinderen daarbij helpen.

Het gaat hier om een positief circulair proces van het zien van de een, je gezien voelen door de ander, dus meetellen en dus voorbij jezelf kunnen zien en dus sociaal en empathisch kunnen zijn. Voilà! Het recept voor creatief explorerend gedrag èn voor de liefde. Een contextueel en individueel proces van veilige hechting.

Maar wat is nu eigenlijk dat ‘teveel met onszelf bezig zijn’? Er zijn kennelijk verschillende manieren waarop je met jezelf bezig kunt zijn.

Zelfontplooiing moet niet het hoogste ideaal zijn

Te veel met onszelf bezig zijn blijkt bijvoorbeeld uit de extreme focus op zelfontplooiing die tot een reusachtige zelfhulpindustrie leidde. Hierover gaat een artikel in De Groene Amsterdammer van Jop de Vrieze. Sommige critici zien zelfhulpboeken als ‘opium voor de massa’ of zelfs als ‘ritalin voor de massa’.

Zelfhulpboeken maken narcistisch zegt de Deense filosoof Svend Brinkmann:

‘Ze geven ons de indruk dat we al onze problemen kunnen oplossen door in onszelf te kijken en dat zelfontplooiing het hoogste ideaal is. Terwijl wat de meeste boeken doen niets meer is dan symptoom­bestrijding.’

Hier wordt inderdaad niemand gelukkig van en de maatschappij niet beter. Wat Griet op de Beek bedoelde met haar geloof in de maakbaarheid van het individu is dat we vooral niet passief moeten gaan zitten hopen totdat het beter gaat met ons. Daar maakt ze een belangrijk punt maar de zelfhulpindustrie maakt hier misbruik van. Die belooft het individu teveel of leidt het individu om de tuin. Die stimuleert ons mensen om te veel of op een verkeerde manier met onszelf bezig te zijn.

Er wordt in het artikel in De Groene Amsterdammer gesproken over een zelfhulpindustrie waar niet alleen goeroes en pseudo wetenschappers maar nu ook serieuze journalisten en vooraanstaande wetenschappers in bezig zijn. Naast de zelfhulpboeken zijn er natuurlijk nog de meer autoritaire groepen zoals Scientology en Landmark die tot de zelfhulpindustrie gerekend kunnen worden. Het zijn kapitalistische op winst gerichte multinationale bedrijven. Landmark erkent dat ze een onderneming zijn. Scientology niet, die zeggen dat ze een kerk zijn, om geen belasting te hoeven betalen. Dit soort groepen noemt het artikel in De Groene niet.

Dat de reguliere zorg en de reguliere psychologische hulpverlening sinds de marktwerking ook een beetje een industrie is geworden, met o.a. winst voor zorg-verzekeraars, komt ook niet aan de orde. Maar de historische context van de zelfhulpindustrie komt wèl aan de orde in het artikel.

De godsdienst is steeds minder belangrijk geworden in het Westen maar de Westerling bleek niet zonder zingeving te kunnen. Citaat uit de Groene Amsterdammer:

‘Zelfhulp voorziet in een gigantische behoefte’, verzucht filosoof René ten Bos van de Radboud Universiteit Nijmegen. ‘De opkomst ervan kun je niet los zien van zwakke regeringen, die het lot meer in de hand van de burger hebben gelegd. Zo kwam de ‘self made man’ op die zichzelf moest zien te redden. Niet voor niets is deze trend opgekomen in de Angelsaksische wereld, hand in hand met de zelfhulpindustrie.’

De ethiek trok zich terug in een ivoren toren

We hebben in het Westen veel vrijheid, maar weinig houvast.

Hoe moeten we leven? Wat is goed? Waar worden we gelukkig van? Op al die vragen poogt zelfhulp een antwoord te bieden. Volgens Ten Bos draait het daarbij steeds weer om een nieuwe hype, waar grote groepen mensen achteraan lopen. ‘Het geldt eigenlijk voor alles wat met mode, met trends en hypes te maken heeft: daar ben je alleen gevoelig voor als je niet goed weet waar je zelf voor staat.’

De Britse filosoof Alain de Botton die de School of Life oprichtte heeft een meer genuanceerde blik op de zelfhulp boeken. Hij richtte de School of Life op uit frustratie. Scholen en universiteiten van tegenwoordig leren mensen van alles voor het professionele domein, maar vrijwel geen kennis die nodig is voor het dagelijks leven. Volgens Alain de Botton werd kennis voor het dagelijks leven ook in de Oudheid gezien als relevant.

‘Lange tijd gold het zelfhulpboek in het Westen als een hoogtepunt op het gebied van literaire prestaties. De oude Grieken waren bijzonder bedreven beoefenaars. Aristoteles, Epicurus, Seneca. Christelijke schrijvers en wijsgeren zoals de benedictijnen en jezuïeten zetten deze traditie voort.’

Deugd-ethicus en filosoof Paul van Tongeren van de Radboud Universiteit Nijmegen die liever spreekt van zelfzorg in plaats van zelfhulp ziet dit net zoals De Botton als een klassieke, reeds lang bestaande beweging. De oude denkers hielden zich volgens hem vooral bezig met situaties waarin er géén evidente ‘zin’ was. Het ging niet om het vinden van de ‘zin’ maar juist om het omgaan met het ontbreken daarvan.

Toen in de achttiende eeuw het liberalisme opkwam, veranderde de focus van de ethiek. Iedereen moest zelf maar gaan bedenken wat goed en slecht voor hem was. Van Tongeren:

Het worden van een ‘goed mens’ werd niet langer gezien als een ideaal. Jezelf ontplooien was belangrijker en de vrijheid van de een hield op waar die van de ander begon. De ethiek trok zich terug in de ivoren toren. ‘Op de universiteiten werden filosofen en intellectuelen niet langer beloond om nuttig te zijn maar voor het verzamelen van feiten’, zegt Van Tongeren. ‘Er is natuurlijk niets mis met het verzamelen van feiten maar dat ging gepaard met een sterke versmalling van de ethiek en een volledige verwaarlozing van ‘het nut’.’ Voor de zingeving was er eerst nog de kerk, maar toen ook die wegviel bleef de westerse mens vertwijfeld achter. Tot daar de zelfhulpindustrie was. ‘Zelfhulp, of zelfzorg, is dus niet iets nieuws, geen modieus ding maar terug van weg geweest’.

Zelfhulpboeken geven een reflectie van welke thema’s de mensen mee worstelen. Iedere tijd heeft zijn eigen kenmerken en uitwassen en de auteurs spelen daarop in. De laatste jaren zijn we overspoeld met boeken over mindfulness, die ons ervan doordringen te leven in het nu in plaats van constant met van alles en nog wat tegelijk bezig te zijn.

Behalve een teken des tijds kunnen zelfhulpboeken ook taboedoorbrekend zijn, en geschreven met een duidelijke missie voor ogen. Een bekend voorbeeld hiervan is de Amerikaanse hoogleraar maatschappelijk werk Brené Brown, die in haar bestsellers De kracht van kwetsbaarheid en De moed van imperfectie (beide in Nederland verschenen in 2013) juist ingaat tegen de hoge eisen die we onszelf stellen en pleit voor authenticiteit en realiteitszin.

Van Tongeren:

‘Zelfhulp wordt oppervlakkig wanneer het te veel een geheel van adviezen of leefregels wordt, die niet meer ingebed zijn in een reflectie over waarom dat soort dingen voor ons relevant zijn en zich verhouden tot andere plekken en tijden.’

gr3_5b1_5d

Het onderscheid tussen goede en slechte zelfhulpboeken

Onder goede zelfzorg liggen wetmatigheden en principes verscholen. Oppervlakkige zelfhulp blijft hangen bij praktische lijstjes. Zelfhulp wordt oppervlakkig wanneer het te veel een geheel van adviezen of leefregels wordt die niet meer ingebed zijn in een reflectie over waarom ze voor ons relevant zijn en hoe ze zich verhouden tot andere plekken en tijden.

Het publiek is gaan hunkeren naar snelle oplossingen maar die zijn meestal te mooi om waar te zijn. De meest populaire boeken zijn meestal de minst goede. Boeken die meer van de lezer vragen zijn vaak minder populair.

Gedragsverandering is nu eenmaal niet makkelijk, en suggereren dat het dat wél is, is oneerlijk.

sig0801221

Cartoon van Peter de Wit

Goede zelfhulp is grotendeels beschrijvend en niet voorschrijvend. De auteur vertelt je niet hoe je je leven moet leiden maar helpt je om zelf uit te vinden hoe dat te doen, door je de juiste vragen te laten stellen en te helpen de antwoorden daarop te vinden.

Zelfs de Deense filosoof Brinkmann beaamt dat zelfhulpboeken effectief kunnen zijn, maar volgens hem is dat juist een van de problemen:

‘De toch al succesvolle, pro-actieve mensen worden nog effectiever in het bereiken van hun eigen doelen, en kijken des te meer neer op anderen die daar niet in slagen.’ Kansarme mensen hebben het vaak te druk met overleven om zich met reflectie en zelfverbetering bezig te houden, laat staan dat ze erin geloven. Zelfhulp maakt problemen per definitie individueel, terwijl ze dat vaak niet zijn. Vaak zijn problemen een gevolg van sociale structuren en ongelijkheid, waaruit een vicieuze cirkel ontstaat van op papier onverstandige keuzes. Voor deze mensen geven die boeken een vals signaal af: als je ongelukkig bent, is het je eigen schuld.

Geen ‘selfhelp’ maar ‘otherhelp’

Svend Brinkmann heeft het over zelfhulpboeken die de niet zozeer opium maar eerder ‘ritalin’ voor de massa zijn:

‘Het is een vorm van symptoombestrijding die belooft je problemen op te lossen, en wanneer gewone mensen het nemen raken ze niet verdoofd, maar worden ze hyperalert en nóg productiever. Dat is wat de maatschappij van hen verlangt.’

Vanwege deze perverse kanten zou Brinkmann het liefst de focus helemaal af halen van het individu.

‘Misschien hebben we een nieuw genre nodig. Geen ‘selfhelp’, maar iets als ‘otherhelp’. Over hoe je samen met elkaar je gemeenschap en maatschappij beter kunt maken en wat je daar als verschillende individuen voor nodig hebt.’ In feite is dat genre er zelfs al, zegt hij: ‘We hebben niet voor niets de roman uitgevonden. Welke filosoof heeft ons meer levenslessen bij­gebracht dan Charles Dickens? En tegenwoordig hebben we prachtige televisieseries, met meer diepgang, realistische dilemma’s en karakters. Daar leer je vaak meer van dan van een zelfhulpboek.’

De ethiek weer de straat op, maar niet op een vermomde manier

Toch laat Brinkmann nog wel wat ruimte over voor zelfhulp, zij het binnen een meer sociaal-­maatschappelijke context. Uiteindelijk zou het volgens hem niet moeten draaien om beter presteren of lekkerder in je vel zitten, maar om zin­geving. Om ideeën die ons leven betekenis geven. Daarmee pleit hij in feite voor een terugkeer van het moralisme. Daarin is hij niet de enige. Waar zelfhulpklassiekers als Dale Carnegie’s How to Win Friends and Influence People uit 1936 nog schaamteloos immoreel waren, zijn de zelfhulpboeken van nu weer meer moralistisch, zoals de klassieke zelfzorg dat ook was.

Deze ontwikkeling is niet alleen maar positief, aldus Van Tongeren. De klassieke zelfzorg ging over hoe mensen zich het best kunnen gedragen en wat ze kunnen doen om een goed mens te worden binnen de gemeenschap, over deugden en karaktervorming, terwijl zelfhulp binnen het liberale individualisme wordt geschreven als een persoonlijke zoektocht, het ontwikkelen van dat wat je zelf in je hebt en slechts handreikingen doet. ‘Wanneer die twee samengaan, dan ontstaat er frictie: eerst schrijf je iets voor en tegelijk zeg je dat iedereen het zelf moet weten’, zegt Van Tongeren. Hij noemt als voorbeeld de Duitse levenskunstfilosoof Wilhelm Schmid, van wie verscheidene boeken zijn vertaald in het Nederlands. ‘Je moet beseffen dat wanneer je bijvoorbeeld tips geeft over liefdes­relaties je impliciet ook aangeeft wat de waarde is van een relatie en wat de lezer zou moeten nastreven’, zegt Van Tongeren. ‘Als je dat niet expliciet benoemt is er sprake van een soort vermomd moralisme.’

Het moralisme moet dus explicieter, maar dat ligt gevoelig, zegt Brinkmann: ‘Daar zijn we sinds de opkomst van het liberalisme namelijk allergisch voor. Iedereen moest kunnen worden wie hij wilde zijn, en wie was jij om te oordelen over de ideeën en waarden van anderen? Daar komen we langzaam op terug.’ Die extreme focus op zelfontplooiing heeft ons heel veel vrijheid gegeven, maar ook een vorm van moreel relativisme die leidde tot een maatschappij waarin reputatie belangrijker is dan daden, tot kinderen die liever beroemd worden dan iets bijdragen aan de samenleving, enorme verschillen tussen arm en rijk en tot een bankencrisis waarbij vrijwel niemand de hand in eigen boezem steekt omdat vrijwel alles wat gebeurde binnen de wet viel.

De onvrede over deze uitwassen en leegheid uit zich in het maatschappelijk debat, waarin we eerst nog schouderophalend reageerden op de ‘normen en waarden’ van Jan Peter ­Balkenende, en nu volop discussiëren over waar we voor staan. Wat Brinkmann betreft voeren we dit debat volop en kijken we daarbij wat vaker in de spiegel. ‘Het is juist waardevol als we weer leren karakter te tonen en te staan voor onze fundamentele waarden, zonder dogmatisch te worden. Die middenweg moeten we zien te vinden. Met of zonder hulpboeken.’

Unknown

6 reacties

Opgeslagen onder Filosofie, Persoonlijk en politiek

Partij van de Eenvoud

Iedereen die de zorg een warm hart toedraagt moet dit artikel van Rutger Bregman in De Correspondent lezen.

Waarom de baas van buurtzorg de baas van Nederland zou moeten zijn.

De baas van Buurtzorg is Jos de Blok. De kern van zijn filosofie kan op een tegeltje aan de wand:

‘Het is heel makkelijk om iets moeilijker te maken, maar het is heel moeilijk om iets makkelijker te maken.’

Terwijl de zorg een product werd en de patiënt een klant, begon De Blok met de bouw van een klein paradijs middenin de bureaucratische hel: Buurtzorg.

Volgens De Blok moet de zorg helemaal op de schop. Nog enkele citaten uit het artikel van Bregman zijn:

‘Het hele contracteren, dat financieel-juridische, is veel te dominant geworden. We moeten naar een andere manier van afspraken maken toe. Nu word je als tegenovergestelde partijen gezien: een partij die inkoopt, en een partij die verkoopt. Ik was vorige week nog bij een ziekenhuis waar ze me vertelden: ja, we hebben nu ons eigen verkoopteam. Moet je voorstellen! We hebben ziekenhuizen met commerciële afdelingen en verkoopteams. En aan de andere kant zitten de verzekeraars met inkoopteams. Op beide plekken zitten mensen zonder achtergrond in de zorg. De een koopt in, de ander verkoopt – en beiden weten ze niet waar het over gaat.’

Ondertussen groeit de bureaucratie. ‘Omdat ze elkaar niet vertrouwen gaan ze het ene na het andere voorbehoud inbakken. Allerlei controles, die resulteren in heel veel bureaucratie. Het is echt absurd om te zien. Bij de verzekeraars neemt het aantal consultants en bestuurskundigen alleen maar toe. En het aantal vakmensen neemt af.’

We moeten terug naar de basis. ‘Het begint met een simpele, maar radicale vraag: wat voor zorg hebben mensen nodig? Bij het antwoord op deze vraag hoort een totaal andere financiering.

 ‘Het productdenken moet eruit. Laten we de vakinhoud voorop stellen en simpele systemen van bekostiging bedenken. Hoe eenvoudiger de bekostiging, hoe meer aandacht er is voor de inhoud. Hoe ingewikkelder de bekostiging, hoe meer er naar mogelijkheden wordt gezocht om het systeem te misbruiken. Dan gaan de financiële afdelingen groeien en gaan zij beslissingen nemen over de inhoud.’

Hoe het verder moet met de revolutie?

De eerste stap is dat er meer organisaties zoals Buurtzorg komen, denkt De Blok, die laten zien dat het beter, goedkoper en eenvoudiger kan. ‘En de andere weg is dat het ook in Den Haag doordringt. Dat er een Partij van de Eenvoud komt. Mensen vragen me vaak wat voor obstakels we allemaal zijn tegengekomen bij het oprichten en uitbouwen van Buurtzorg. Maar ik zou eigenlijk niet zoveel weten. Ik vind eerlijk gezegd dat de zorg heel eenvoudig is. We hebben het heel complex gemaakt.’

Lees vooral het hele artikel van Bregman.

Laten we de GGZ net zo organiseren als Buurtzorg! Baseer de GGZ op het vertrouwen dat hulpverleners hun werk goed doen. Ontsla de bureaucratie.

2 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Zorgverzekeringen

De mens die niet langer de maat der dingen is

In de Correspondent stond een serie verhalen over het einde van de mens als maat der dingen. Een van deze verhalen waarin de ideeën van de Kameroense filosoof Achille Mbembe naar voren komen, vatte ik al samen in het  bericht: De mens als object: een dingmens.  Mbembe betoogt dat we zèlf object zijn geworden; ‘Negers’ zijn we geworden, handelswaar.

5735e863de53e4116732096

Foto: Frauke Thielking. Uit de serie ‘Auf die plätze, fertig, los’.

Misschien is de mens wel steeds meer een object geworden juist dòòr het zichzelf zien als de maat der dingen. Je zelf zo zien draagt natuurlijk niet echt bij aan de wederkerigheid en de empathie in het contact met andere mensen.

In de serie verhalen van de twee Correspondenten Lynn Berger en Anouk Nuyens wordt aangetoond hoe het zichzelf centraal stellen gevolgen heeft voor hoe de mens naar de natuur en naar andere dieren kijkt, hoe hij de rol van technologie in zijn leven begrijpt en hoe hij met de aarde omgaat. De vraag die zij aan het eind stellen is wat de mens te doen staat wanneer hij zichzelf niet meer langer zo zou zien.

Hier een samenvatting van hun gehele reeks over het einde van de mens als maat der dingen. Uit de Correspondent:

We zagen onszelf heel lang als een uniek schepsel. Een rationeel, autonoom subject in een wereld van passieve objecten en dieren die er vooral waren om ons te dienen. Maar er zijn er barsten in dat beeld gekomen. Wanneer precies, daar kan je over twisten maar de laatste twee decennia worden de barsten steeds duidelijker.

Of zij zichzelf nu posthumanist, bioloog, advocaat van de aarde of filosoof noemen, overal vind je denkers die ervoor pleiten om het oude mensbeeld bij te stellen of misschien zelfs te vervangen. Van een uniform en breed gedragen alternatief is nog geen sprake, maar het rommelt.

Als psycholoog voel ik er voor om in het ‘zichzelf centraal stellen’ een narcistisch kenmerk te zien. Wanneer hier een einde aan zou komen lijkt het mij heel mooi om te zien hoe de mens dàn met andere mensen om zal gaan. Waarschijnlijk met meer empathie.

De Correspondenten komen voorlopig tot twee belangrijke conclusies.

1. De natuur verarmt, het klimaat verandert

Untitled #5, The Bonsai Project: Typology. © Sjoerd Knibbeler en Rob Wetzer

Untitled #5, The Bonsai Project: Typology. © Sjoerd Knibbeler en Rob Wetzer

Omdat we bomen volledig verkeerd begrijpen zien we niet dat ze sociale wezens zijn die met elkaar communiceren, elkaar helpen en zelfs een lerend vermogen hebben. Dit stelt de Duitse bosbeheerder Peter Wohlleben in zijn boek: Het verborgen leven van bomen. Mensen behandelen bomen op een manier die geen recht doet aan hoe ze in elkaar zitten én we hebben niet door dat eigenschappen waarvan we dachten dat ze uniek menselijk waren ook in het plantenrijk voorkomen. Wohlleben pleit voor een radicale herwaardering van de natuur.

Volgens de filosoof Norbert Peeters had niemand minder dan Charles Darwin al door wat wij nu pas mondjesmaat beginnen te accepteren: ieder wezen evolueert op zijn eigen manier. De mens is niet de kroon op de schepping, maar het verre achterneefje van de sleutelbloem, die zich op zijn eigen manier aan zijn omgeving en zijn biologie heeft aangepast. Het enige dat ons in de weg staat om dit werkelijk te begrijpen, zijn onze eigen vooroordelen.

Zoals Darwin en Wohlleben de natuur bekijken, zo doet de mens dat meestal nog niet: die ziet in fauna, en in de natuur in het algemeen, passieve objecten die naar hartenlust kunnen worden ingezet voor het eigen welzijn. De gevolgen van die houding zijn steeds lastiger te ontkennen: van uitstervende soorten en klimaatverandering tot een menselijke impact op de aarde die zo groot is dat er zelfs sprake lijkt van een nieuw geologisch tijdperk, het Antropoceen.

We hebben het nauwelijks door, zegt de Belgische filosoof Lieven De Cauter, maar het paradijs waarin we nu leven is gebouwd op drijfzand. De mens heeft te lang centraal gestaan, met zijn uitzinnige drang naar groei. We moeten radicaal anders gaan nadenken over de relatie tussen mens en niet-mens en tussen mensen onderling.

2. Wij maken de dingen, maar de dingen maken ook ons

Wat we nauwelijks doorhebben, stelt techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek, is hoezeer de autonomie waarmee wij ons als mensen menen te kunnen onderscheiden, een illusie is. De mens wordt voor een groot deel gevormd en gestuurd door de dingen. Van brillen en auto’s tot hersenimplantaten. Verbeek toont aan hoe de technologie steeds dieper ons leven doordringt en hoe het lastig het is om ons zelf als vrij en autonoom wezen te blijven zien. De dingen beginnen hun plek op te eisen.

We zijn hybride wezens, zegt het posthumanisme, de filosofische stroming waar Verbeek zich onder schaart: deels mens, deels ding. Hybride betekent kruising. Zolang we niet inzien hoe sterk technologie ingrijpt in ons leven, hoezeer we er mee versmelten, begrijpen we ook niet wie we zijn.

Posthumanisten zien de mens niet langer als middelpunt, maar als onderdeel van een complex en alomvattend systeem dat zowel uit mensen, dieren en planten bestaat, maar ook uit materiële werelden (fossiele brandstoffen, drinkwater) en niet-menselijk leven (bits en bytes).

Het posthumanisme is niet tegen de mens, maar probeert te waken voor de blinde vlekken van het humanisme. Want is het niet zo dat de ecologische crisis voortkomt uit het feit dat alles moet wijken voor de behoeften van de mens? De oplossing voor de grote crises ligt misschien wel in een mensbeeld waarin de mens, ten opzichte van mede-mensen, dingen en dieren, een nieuwe rol moet leren spelen.

Volgens de filosoof Achille Mbembe is het niet alleen zo dat objecten de mens vormen maar dat de mens zelf ook steeds meer als object wordt behandeld. Mbembe beschrijft ‘de vernegering’ van de mens. Het menselijke van de mens gaat verloren. Daarvoor in de plaats komt de ‘Neger.’ Een mens die de status krijgt van een ding, iets wat je kunt bezitten en waar je handel mee kunt drijven. Om die objectificatie tegen te gaan, stelt Mbembe, is verbeelding van levensbelang. Voor meer over Mbembe kijk hier.

Wat staat ons te doen als we onze grootheidswaan gaan beteugelen?

Je zou kunnen zeggen dat de mens aan een filosofische grootheidswaan lijdt: hij denkt superieur te zijn over de natuur en de dingen om hem heen. Natuurlijk zijn er genoeg mensen en culturen die hier anders over denken maar het gaat nu over wat in de afgelopen eeuwen in de westerse samenleving de teneur is geweest. Die superioriteit zie je terug in hoe de mens de dieren ziet en behandelt. Lang bestudeerde hij andere dieren zonder oog te hebben voor hun unieke evolutionaire omstandigheden en concludeerde dat hij zelf wel de allerslimste, sociaalste en meest empathische soort van allemaal moest zijn. Maar onderzoek je dieren op hun eigen merites, dan blijft er van die uniciteit weinig over, zegt bioloog Frans de Waal.

Wie al dit soort inzichten bij elkaar optelt komt tot de conclusie dat de scheidslijnen tussen mens, dier en ding aan het verdwijnen zijn – of beter, dat ze nooit hebben bestaan, behalve dan in onze hoofden.

Tot zover de diagnose. Maar hoe moet het dan wel?

De verhouding tussen mens en niet-mens moeten we anders gaan bekijken en anders vormgeven, zegt de Nederlandse filosoof Marli Huijer, Denker des Vaderlands. Dit wordt op verschillende manieren al gedaan. De wetenschappelijke benadering van Frans de Waal, die dieren onderzoekt op een manier die logisch is voor hun habitat en evolutionaire merites, is één voorbeeld en de manier waarop iemand zoals Peter Wohlleben inzichten uit de plantenbiologie vertaalt voor een groter publiek, een ander.

Sommige voorstellen zijn heel concreet: De filosoof Lieven De Cauter pleit ervoor minder vaak het vliegtuig te nemen, juristen als Polly Higgins en, hier in Nederland, Femke Wijdekop willen ecocide strafbaar stellen.

Andere voorstellen zijn abstracter of liggen meer op het terrein van de verbeelding. Zoals het Parlement van de Dingen, waarbij mensen proberen de dingen, van rivieren tot rotsblokken, een stem te geven. De jonge techniekfilosoof Esther Keymolen stelt voor dat we op zoek gaan naar een nieuw vocabulaire dat meer uitgaat van paradoxen en minder van harde tegenstellingen.

Of neem de twee Engelse auteurs die zich in dieren probeerden te verplaatsen door een tijd lang vrij letterlijk door het leven te gaan als das, otter en geit. Het heeft iets dwaas, maar ook iets sympathieks, hun poging om tot een zo groot mogelijke empathie te komen.

In het algemeen valt iets meer bescheidenheid en minder consumeren ook onder de oplossingen zou ik denken.

Kunnen we dingen- en dierenrechten vastleggen?

Een belangrijke denkrichting ligt op het terrein van het recht. Zo trekt het Amerikaanse Nonhuman Rights Project op basis van het werk van De Waal en andere wetenschappers de conclusie dat er geen reden is om dieren voor de wet anders te behandelen dan mensen. Bepaalde dieren, zoals chimpansees en dolfijnen, lijken qua intelligentie en autonomie zodanig op mensen dat ze ook een rechtspersoonlijkheid zouden moeten krijgen, meent deze organisatie. In Amerika lopen nu meerdere rechtszaken waarin deze these wordt getest. Er wordt o.a. campagne gevoerd om vier chimpansees erkend te krijgen als personen, zodat ze hun gevangenschap kunnen aanvechten.

In Nieuw-Zeeland werd de Whanganui-rivier onlangs tot rechtspersoon uitgeroepen. Om de instrumentalistische houding van de mens ten opzichte van die rivier in te dammen, kreeg de rivier een stem in het legale en politieke bestel. De grote paradox is dat de emancipatie van ‘de niet-mens’, de rivier, een menselijk project is.

Het recht is een bij uitstek menselijk instrument. Zowel bij het Nonhuman Rights Project als in het geval van de Whanganui-rivier, zijn het nog steeds mensen zijn die optreden als vertegenwoordigers van deze nieuwe (would-be) rechtspersonen. De rivier heeft er niet om gevraagd rechten te krijgen, de chimpansee al evenmin.

Misschien is die paradox onontkoombaar. Zoekend naar een wereldbeeld waarin de mens minder centraal staat, vertrekt de mens vanuit zichzelf en behandelt niet-mensen al gauw als mensen. Deze zoektocht wordt gemotiveerd door een oprechte betrokkenheid bij het lot van de niet-mens – van dieren in gevangenschap, van bossen die verkeerd worden beheerd, van een klimaat dat verandert en een rivier die daar de gevolgen van ondervindt. En door het verlangen om logische praktische consequenties te verbinden aan nieuwe en minder nieuwe wetenschappelijke en filosofische inzichten.

Experimenteren

Je zou kunnen zeggen dat de voorgestelde oplossingen zoals minder vliegen, meer verbeelding en juridische innovaties nauwelijks opwegen tegen de diagnose van de filosofische grootheidswaan. Maar je zou ook kunnen concluderen dat we nog maar aan het begin staan: dat er geëxperimenteerd wordt op allerlei terreinen en dat een aantal van die experimenten in de toekomst misschien wel echt iets nieuws op gang zullen zetten. Stel dat we echt zouden consuminderen… minder afval en verontreiniging zouden produceren…

Volgens Marli Huijer kunnen de mensen aan de dingen en de dieren geen stem geven. Maar we kunnen wel experimenteren met manieren om de niet-menselijke ander beter te kennen en te begrijpen. Niet alleen door rechten toe te kennen maar misschien in het klein, bijvoorbeeld door eens een tijdje je tafel weg te halen om zo te ervaren hoe bepalend zo’n object eigenlijk is in je leven.

Een kind kan met de was praten. Waarom juichen we dat niet toe?

‘Kleine kinderen maken nauwelijks onderscheid tussen mensen en dingen – of tussen zichzelf en de ander,’ zegt Huijer. Ze praten tegen hun pop, brengen tomaten naar bed, vinden de douche lief en de drempel stout. Pas ergens rond ons vierde of vijfde jaar beginnen we onderscheid aan te brengen tussen mens en ding, mens en dier.

Misschien heeft dit wel te maken met de ontwikkeling van taal – mensen praten immers terug; poppen, tomaten en drempels doen dat niet.

Als de verklaring voor het maken van een onderscheid tussen mensen, dieren en dingen inderdaad met taal te maken heeft dan spiegelt de ontwikkeling in één mensenleven, de ontwikkeling van de mensheid in het algemeen. Zoals de Franse filosoof Michel Foucault schreef, was het vanaf het ontstaan van de taal dat de mens zichzelf ging onderscheiden. Taal kun je zien als iets wat op zichzelf kan bestaan, los van de wereld van de dingen. De mens werd de naamgever van de dingen en kende zichzelf daarmee een buitenstaanderspositie toe.

Volgens Huijer zouden we eens kunnen proberen om ons wat minder talig en wat meer met onze andere zintuigen tot de wereld om ons heen te verhouden. Wie weet helpt dat om tot een nieuw evenwicht komen. Ook zouden we eens kunnen onderzoeken wat er gebeurt wanneer we onze kinderen stimuleren om wat langer in een wereld te blijven leven waarin de grenzen tussen mensen, dingen en dieren minder hard zijn en minder vastliggen dan in die van ons.


Toen Marli Huijer (Amsterdam, 1955) René Gude opvolgde als Denker des Vaderlands, interviewde Lex Bohlmeijer haar voor De Correspondent. Wat ze van Gude wil overnemen is de behoefte om als filosoof tussen de mensen te gaan staan. We denken te leven in het tijdperk van het individu. Maar er lopen draden tussen alle mensen en dieren en planten en dingen en tussen onze acties en door de tijd: we zijn gerelateerd en verbonden.

Vanwege onze onderlinge verbondenheid gaan ze bij De Correspondent een Afhankelijkheidsverklaring maken. Afhankelijkheid wordt volgens vaak gezien als iets zwaks en onaantrekkelijks waar we van af moeten. We gaan ervoor naar de psycholoog of een verslavingskliniek. (Het moge duidelijk zijn dat de systeemtherapie hier een eigen visie over heeft aangezien binnen deze vorm van therapie bij uitstek het probleem van een individu behandeld wordt in samenhang met de context en de mensen om het individu heen.) Lees het essay van Rebekka de Wit over de Afhankelijkheidsverklaring in de Correspondent.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Filosofie, Psychologie