Psychologenpraktijk Gerie Hermans

Gerie Hermans is een volgens de wet BIG (Beroepen Individuele Gezondheidszorg) geregistreerde GZ – psycholoog (Gezondheid Zorg – psycholoog), Orthopedagoog en erkend Systeemtherapeut. Als verzekerde hulp valt haar praktijk onder de wettelijke basis geestelijke gezondheidszorg (basis-GGZ). Zij wil desondanks zoveel mogelijk vrij blijven van de gezondheidsindustrie en bureaucratie zoals die door de overheid en de zorgverzekeraars opgelegd worden.

Voor wie

Voor jongeren, volwassenen, partners en gezinnen die psychologische en systeem-therapeutische behandeling zoeken bij problemen met de opvoeding, de relatie of de persoonlijke ontwikkeling. Voor mensen die graag te maken hebben met een psycholoog die een voorloper is in het behouden van beroepseer, gelijkwaardigheid en privacy in de GGZ.

You can also have therapy in English. I worked and lived in Australia for twelve years.

Waar

Bereikbaar op telefoonnummer: 035-6210745

Per e-mail: geriehermans@planet.nl

Werkzaam in praktijk aan huis gevestigd in het centrum van Hilversum: Ruitersweg 49B

Wachttijd is 4 à 5 weken. Afspraken in 2019 worden zoveel mogelijk op dinsdagen en donderdagen gemaakt.

Visie

Psychische klachten staan niet op zichzelf. Dikwijls hebben de klachten of problemen te maken met de situatie waarin iemand leeft. Een goede therapeut kan inzoomen maar heeft ook een flinke groothoeklens. Door psychische klachten in een bredere context te plaatsen kan men zelfs een dieper begrip van de klacht krijgen.

Individuen, relaties, gezin en verdere omgeving vormen een systeem en mensen komen sneller uit de problemen met hulp die daar aandacht voor heeft. Het (gezins-)systeem kan een stelsel zijn voor genezing en groei van al zijn leden. Systeemtherapie gaat over interacties en relaties, over context en levensfasen. Anders gezegd: ‘Het probleem zit niet tussen de oren maar tussen de neuzen’.

Ook in individuele therapie wordt gewerkt met ‘open deuren en ramen’. De cliënt reflecteert samen met de therapeut over zijn relaties en interacties met anderen in de verschillende contexten waarin hij leeft. Meerdere standpunten en perspectieven worden gezocht en meerstemmigheid wordt aangemoedigd.

Over deze manier van werken staat meer op de website van mijn beroepsvereniging: de Nederlandse Vereniging voor Relatie- en Gezinstherapie, de NVRG.

Benadering van de hulp

– Hoogwaardige en duurzame psychologische zorg. We gaan in op dieperliggende, structurele en contextuele achtergronden van de problematiek waardoor u een echte positieve en blijvende verandering gaat ervaren zodat u minder beroep hoeft te doen op de gezondheidszorg.

– Geen bureaucratische ‘zorg-producten’ of ‘behandel-protocollen’ maar hulp specifiek op u, uw situatie, uw geschiedenis maar vooral op uw toekomst toegesneden. Zorg op maat.

– Psycholoog en cliënt zijn gelijkwaardige gesprekspartners. Er is geen medisch-lineaire, klinische of gezagsrelatie. Problemen worden niet ingekaderd als een ziekte of stoornis waar de dokter of de psycholoog over gaat. We werken toe naar een beter gevoel voor eigen vragen, eigen kracht en eigen oplossingen. U blijft de eigenaar van uw veranderingsproces. De therapeut is deskundig maar niet de expert over uw leven.

– Soms zijn de tijden tussen de consulten langer zodat u op uw eigen tempo naar verandering toe kunt werken: Langdurige korte therapie.

– Korte communicatielijnen. Doorverbinden is er niet bij. U wordt niet behandeld door een lager (hbo) opgeleid iemand die onder een geregistreerd iemand werkt tegen een lager loon, zoals bij veel GGZ instellingen en huisartsenpraktijken het geval is.

– Mijn eigen functioneren krijgt voortdurend aandacht en verdieping via intervisie met collega’s in de regio en daarbuiten, via supervisie, leertherapie, na- en bijscholing.

Diagnostiek en behandeling

Een deel van het diagnostisch proces bestaat uit het verruimen van het denken over wat het probleem is. De behandeling bestaat uit systeemtherapeutische technieken uit de contextuele, structurele, emotie-gerichte, oplossings-gerichte en narratieve therapie worden toegepast. Verschillende perspectieven op de kern van het probleem worden onderzocht waardoor blijkt dat er vele ingangen mogelijk zijn. Duidelijk wordt hoe het probleem in stand gehouden wordt door huidige posities, relaties en interacties. Er wordt gewerkt aan het horen van iedereen door iedereen. Wat kunt u leren van het probleem? Unieke situaties wanneer het probleem niet speelt worden onderzocht. Door te oefenen met nieuwe posities, relaties en interacties komt verandering op gang en zo wordt het probleem opgelost.

Individuele psychotherapie en cognitieve gedragstherapie. Therapie met expressieve middelen zoals schrijven, tekenen, poppetjes, rollen-spelen, enz.

IMG_2174

Werkplek

Contract-vrij

De praktijk sluit bewust en uit principe geen contracten af met zorgverzekeraars (voor meer info: de contract-vrije psycholoog en zorg voor kwaliteit). Voornaamste punt van kritiek op de contracten met zorgverzekeraars is dat het verplicht tot medewerking aan een zorgstelsel waarin de zorg-verzekeraars steeds meer macht krijgen en de vrije keuze in de zorg onder druk staat. Het contract tussen zorg-verlener en cliënt raakt steeds meer op de achtergrond.

Het zorgstelsel is een op winst gericht, bureaucratisch en geldverslindend systeem geworden waarin de regie over de zorg steeds meer bij de professional wordt weggehaald. Zorgverzekeraars exploiteren zorg-verleners en belasten zorg-verleners met tijdrovende administratie. Geld is een doel geworden.

Het voordeel van contract-vrij werken is dat de facturering via de cliënt verloopt zodat de cliënt niet alleen de controle behoudt over privacy-gevoelige informatie maar ook over datgene wat in rekening wordt gebracht. Het nadeel is dat de cliënt een deel van de behandeling zelf moet betalen (wanneer deze een natura-polis heeft) maar daardoor raakt de cliënt ook meer verbonden bij de behandeling. De cliënt zal er sterker op gericht zijn om er uit te halen wat er in zit. Dit staat in dienst van een scherpe en dynamische werkrelatie.

Vrije keuze

Zorgverzekeraars zijn ondanks het contract-vrij werken van mijn praktijk nog steeds wettelijk verplicht om de kosten van de psychologische hulpverlening van een BIG geregistreerde GZ psycholoog te vergoeden. De beroepsregistratie en kwaliteit is bij contract-vrij werkenden dezelfde als bij gecontracteerde psychologen. De politiek doet de laatste jaren zijn best om aan de vergoeding van een onafhankelijke manier van werken en om aan de vrije keuze in de zorg een eind te maken maar dit is nog niet helemaal gelukt. Het is afwachten wat er in de komende jaren gaat gebeuren.

Met name in de geestelijke gezondheidszorg is de vrije keuze belangrijk omdat het contact tussen hulpverlener en cliënt cruciaal is voor het slagen van de behandeling. Met een restitutie-polis heeft u altijd vrije keuze en krijgt u alles vergoed. Houdt er rekening mee dat de zorgverzekeraar altijd eerst uw eigen risico zal aanspreken.

Wilt u meer weten over het contract-vrij werken en de vrije keuze in de zorg? Luister naar een uitzending op BNR Radio van 27 november 2017.

Privacy

Mijn werk als hoofdbehandelaar in een zelfstandige praktijk valt onder de Basis GGZ. Dit is een ingewikkelde regeling waar veel bureaucratie bij komt kijken en die de privacy nagenoeg onmogelijk maakt. Daarom werk ik met een privacy-verklaring die al mijn cliënten kunnen ondertekenen. Er zal bij de intake ook gevraagd worden of u de ROM privacy verklaring wil ondertekenen.

Geheimhouding is een recht van de cliënt. Dientengevolge is het mijn plicht om dit recht niet te schenden. Leveren van informatie zonder toestemming van de cliënt is strafbaar.

Zie ook Privacy.

Kosten en vergoeding door de zorgverzekeraar

Gerie Hermans is een BIG geregistreerde GZ (gezondheidszorg) psycholoog. De praktijk is in het bezit van een goedgekeurd kwaliteitsstatuut GGZ. Op aanvraag mag u deze inzien. Het uurtarief is € 94,- (een uur bestaat uit ¾ contact en ¼ voorbereiding).

Per maand ontvangt u een voorschot-factuur die u zelf betaalt. Na afloop van de behandeling volgt er een eindfactuur met alle informatie die nodig is voor een vergoeding van de kosten door uw zorgverzekeraar. Wanneer u een restitutiepolis heeft, wordt het volledige bedrag vergoed. Druk voor meer informatie op de knop Kosten bovenaan de homepage van dit weblog

Vergoeding van Jeugdzorg door de Regio Gooi en Vechtstreek in 2018

Per 1 juli 2018 worden er geen nieuwe Jeugdzorg cliënten meer aangenomen.

‘Flip the system’

Psychologenpraktijk Gerie Hermans heeft de missieverklaring van de Stichting Beroepseer ondertekend. Het alternatief voor het marktdenken in de zorg en het onderwijs wordt door deze stichting benoemd als ‘flip the system’ en houdt in: kleinschalige, platte organisaties waar professionals met beroepseer werken die zelf hoge kwaliteit nastreven in het belang van hun patiënten, studenten en leerlingen omdat ze daar plezier in hebben. Docenten, artsen en verpleegkundigen zijn de afgelopen decennia gedegradeerd tot uitvoerders van beleid en management (in hiërarchische organisaties). Dat moet veranderen: ze moeten weer eigenaar worden van de kwaliteit van hun werk.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychologenpraktijk Gerie Hermans, Zorgverzekeringen

Therapie is Taal

“Als woorden ontbreken om over een trauma te praten… dan ben je verbannen”.  Manon Uphoff aan het woord op de Parade. Hoe kunnen we een slachtoffer weer als mens zien, hoe kan een slachtoffer zichzelf weer als mens zien en zich verbonden voelen met anderen.

Hier een link naar haar gehele voordracht op de website van Brainwash:

https://www.brainwash.nl/bijdrage/als-woorden-ontbreken-om-over-een-trauma-te-praten

Uphoff komt met drie verhalen om haar punt duidelijk te maken. Het verhaal van Frans Kafka, de metamorfose, het verhaal van Sonali Deraniyagala over de tsunami bij Sri Lanka in 2004, de vloedgolf en een eigen verhaal over een bezoek aan Srebenica in 2004. In alle verhalen komt de vervreemding van degene met het trauma tot uiting; het is een eenzaam bestaan.

Dan komt ze met nog een verhaal met een systemische visie op de behandeling van trauma. We moeten volgens haar het trauma van het individu tot een gemeenschappelijk verhaal maken en het individu niet terugdringen in de rol van het slachtoffer. De titel van dit verhaal is De schapen met de blote billen en het is van de Japanse schrijver Kenzaburō Ōe.

Lees het artikel van Uphoff of bekijk haar voordracht op de Parade: https://www.brainwash.nl/bijdrage/als-woorden-ontbreken-om-over-een-trauma-te-praten.


Ik heb eerder een bericht geplaatst met de titel: Therapie is taal, over narratieve therapie. Mogelijk is dit bericht over schrijftherapie bij trauma nog interessant in dit verband.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Psychotherapie - Trauma, Systeemtherapie

“Het grijpt me aan hoeveel mensen zich verdoven”

Dit zijn de woorden van schrijver/dichter Erik Jan Harmens. Alle vormen van bedwelming intrigeren hem.

Hij hield een interview met zijn vriend en collega Ilja Leonard Pfeiffer maar de rollen werden op een bepaald moment omgedraaid toen Pfeiffer vroeg naar Harmens’ sterke interesse voor dit thema. Pfeiffer is al enkele jaren van de alcohol af, net als Harmens maar het afkicken houdt Pfeiffer niet meer zo enorm bezig. Is het wel goed voor de kunst als je er zo’n belangrijk thema van maakt?

Het blijkt dat Pfeiffer er nog veel interessants over kan vertellen. Hij gaat in op de psychologische aspecten van het stoppen met het drinken van alcohol: “Ik was mijn identiteit kwijt. Het drinken was zo’n deel van mij geworden. Ik wist niet meer hoe ik mezelf moest zijn zonder de drank.” Hij ging op zoek naar een nieuw narratief over zichzelf.

Beide mannen waren het er over eens dat de mensen die ‘ja’ zeggen tegen hun lichaam in de minderheid zijn.

Het interview is een deel van een serie die Harmens maakte voor het dagblad Trouw onder de naam: Onverdoofd. Er worden podcasts van gemaakt. Luister! Er zijn begenadigde vertellers aan het woord.

https://www.trouw.nl/nieuws/onverdoofd-een-nieuwe-podcast-van-trouw-met-erik-jan-harmens~bbf873ef/

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychologie, Psychologie, proza en poëzie

“Iedereen heeft last van psychotische wanen”

Aan het woord is psychiater Jim van Os.

Een belangrijk artikel op de web site van Brainwash: Psychiater Jim van Os: Iedereen heeft last van psychotische wanen.

Er stonden voor mij nieuwe woorden in zoals: ‘zuchtigheid’, dit is het lijden aan een abnormale zucht naar zoiets als alcohol of gokken. En het woord: ‘psychotroop’: invloed hebbend op de geest.

Lees dit artikel of luister naar de podcast

Er kan iets veranderen ofwel, je kunt je psychose beïnvloeden, bij het aannemen van een nieuw meta perspectief. Dit is vaak iets wat een willekeurige ander over je zegt. Een ander perspectief dat jouw leven een wending geeeft, een ‘turning point’. Die ander is vaak niet de psychiater die louter vanuit het perspectief van een DSM classificatie spreekt en de daar aan gekoppelde medicatie uitdeelt. De DSM kan de prullenmand in. Hier een filmpje van Jim van Os over dit onderwerp.

En hier een filmpje van psychiater, systeemtherapeut Dirk de Wachter over psychoses. Hij kwam eerder al met ook zo’n mooi nieuw woord: ‘verdrietdokter’.

2 reacties

Opgeslagen onder Psychiatrie, Psychotherapie

Een gevoel van isolement

In een nieuwe bijdrage op De Correspondent van Nina Polak gaat ze samen met filosoof en psycholoog Bert van den Bergh op zoek naar een nieuwe taal rond het verschijnsel depressie. Van den Bergh promoveerde op een culturele geschiedenis van het denken hierover: ‘De schaduw van de zwarte hond. Depressie als symptoom van onze tijd’.

Zwarte hond is een metafoor voor depressie, bedacht door de Britse staatsman Winston Churchill. Matthew Johnstone, een Australisch auteur en illustrator herkent zichzelf terug in deze metafoor en maakte er een treffend stripverhaal over: “Black Dog. Leven met een depressie.” (Acco, 2011). En hier is een filmpje van gemaakt.

Hier volgt een korte versie van de bijdrage van Polak in de Correspondent.

Sociale pathologie

Van den Bergh vindt het belangrijkste kenmerk van depressie: een gevoel van isolement, niet terug in de lijst symptomen van de DSM. Isolement: Het gevoel dat je anderen niet kunt bereiken, dat je eenzaam, geïsoleerd en opgesloten bent in je ervaring.

‘Physically I was not alone, but I felt an immense and aching solitude’, zo schreef de Amerikaanse auteur William Styron in een van de beroemdste depressiedagboeken, Darkness Visible (1990).

Depressief zijn is een persoonlijke ervaring maar de taal waarin depressie besproken wordt is vaak medisch, mechanisch en heeft betrekking op symptomen en niet op de existentiële beleving.

‘Het is zaak’, zo schrijft Van den Bergh in zijn inleiding, ‘om de individuele aandoening te beschouwen als een sociale pathologie: een probleem met een collectieve voedingsbodem. Depressie is een schop tegen onze fundamenten. Het gaat over onze existentie.’

Hiermee schaart Van den Bergh zich bij vakgenoten als Paul Verhaeghe en Dirk De Wachter, die psychische ziekten beschouwen als sociale pathologie, te maken met de tijdgeest. Verhaeghe pleit in zijn laatste boek: ‘Intimiteit’, voor een biopsychosociale benadering waarbij lichaam en geest geen dualiteiten meet zijn. De Wachter heeft het over dè ziekte van deze tijd: het idee dat het leven vooral leuk moet zijn. Ook schaart Van den Bergh zich bij wetenschapsfilosoof Trudy Dehue wiens boek ‘De depressie-epidemie‘, veel invloed heeft gehad sinds het tien jaar geleden verscheen.

De bewering dat depressie een hersenziekte is, is misleidend

Overal zie je de aanname dat depressie een hersenziekte is terug. Van den Bergh haalt de psychiater Kraepelin, een tijdgenoot van Freud, er bij:

‘Als cabaretier Mike Boddé bij Jinek vertelt over zijn depressie herhaalt hij, gevraagd naar wat depressie is, bijna letterlijk wat Kraepelin al schreef in 1883: “Wat een depressie is, is heel moeilijk uit te leggen. Dat weten ze ook nog niet precies. We weten inmiddels dat het waarschijnlijk een hersenziekte is.”

Ook de Hersenstichting herhaalt dit vaak. Depressie is een hersenziekte, je kunt er niks aan doen, horen we een jonge depressieve vrouw zeggen in een recent spotje.

Van den Bergh wil de ervaring van mensen die zich doodziek voelen in hun depressie niet bagatelliseren. Het kan een opluchting zijn om te horen dat je ziek bent. Toch is de bewering dat depressie een hersenziekte is, gezien de huidige stand van onze kennis, misleidend. Het een hersenziekte noemen, is een van vele manieren om de aandoening in een biologisch kader te plaatsen en te suggereren dat de wetenschap op een dag een definitieve, lichamelijke oorzaak zal vinden.

Deze manier van denken is volgens Van den Bergh extra dominant geworden door de ‘DSM-revolutie’. Met het diagnostisch handboek van de psychiatrie, de Diagnostical and Statistical Manual of Mental Disorders, die vanaf de jaren tachtig steeds meer toonaangevend werd, deed het medisch-diagnostisch model van psychische ziekten definitief zijn intrede. De medische benadering ontneemt ons het zicht op de betekenis van de individuele ervaring.

De DSM omschrijft depressie aan de hand van negen symptomen, waaronder ‘somberheid’ en ‘verlies van interesse in bijna alle activiteiten’. Isolementsgevoelens zijn niet geclassificeerd als kernsymptoom, maar als bijverschijnsel. Terwijl uit autobiografische verslagen van depressieve personen blijkt dat verstoorde interpersoonlijke relaties een wezenlijk deel uitmaken van depressies, en er niet alleen een gevolg van zijn.

Van den Bergh denkt dat je dat gevoel van isolement het beste ‘fenomenologisch’ kunt benaderen, dat wil zeggen: kijkend naar de inhoud van de ervaring. En daar helpt de huidige psychiatrische praktijk vaak niet bij.

‘Depressie is formeel weliswaar gecategoriseerd als een stoornis van het gevoelsleven’, zegt hij, maar dat zie je niet terug in de omgang ermee. ‘Waarschijnlijk de meest toegepaste behandeling naast antidepressiva is paradoxaal genoeg cognitieve gedragstherapie, die ingaat op je gedachten.’

Van den Bergh: ‘Of je nu zegt “het is een hersenaandoening, waarvoor je medicatie moet nemen”, of “het is een cognitief probleem van negatieve gedachten, die je kunt ombuigen”; allebei leidt het tot symptoombestrijding, dweilen met de kraan open. Je adresseert niet de diepe ontstemdheid die depressie is.’ Die ontstemdheid tekent onze hedendaagse cultuur.

Wees alleen, wees een winnaar

Hoe cultuur depressie kan voortbrengen, leggen alle critici aan wie Van den Bergh verwant is, op een eigen manier uit. Voor Dehue is depressie de keerzijde van hedendaagse deugden als zelfverwerkelijking en de plicht het lot in eigen handen te nemen. Verhaeghe brengt het in verband met het maakbaarheidsideaal. De Britse Johann Hari noemt depressie een kwestie van verbroken sociale verbindingen.

Voor Van den Bergh heeft het te maken met wat we tegenwoordig zien als het ‘goede leven’, in feite een set etiketten en gedragsnormen die voorschrijven hoe je een succesvol mens moet zijn. De druk van die eisen voelt bijna iedereen – ze maken ons rijp voor depressie.

Wat dat ‘goede leven’ namelijk in ons opwekt laat zich in één woord samenvatten als isolisme – een giftig mengsel van egoïsme en hedonisme.

Je ziet de kern van dat isolisme bijvoorbeeld goed terug in de alomtegenwoordigheid van talentenshows, aldus Van den Bergh, die ook bij de jongste kinderen heel populair zijn. ‘Wat is de boodschap die de kijker aan talentenshows kan ontlenen?’ vraagt hij. ‘Schitter en geniet, ook van je medekandidaten, maar zorg dat ze verdwijnen.’

‘Wees succesvol, wees alleen en wees een winnaar’, kortom.

Van den Bergh: ‘Het is niet voor niets dat de persoon die troont in het hart van onze ultraliberale cultuur zo’n boodschap belichaamt. Donald Trump werd bekend door zijn talentenshow The Apprentice. We worden tegenwoordig allemaal aangesproken als aspiranten en worden geacht ontvankelijk te zijn voor die boodschap.’

‘Depressie is het isolisme dat pijn begint te doen’, zegt Van den Bergh. ‘Het is de erfenis van de jaren zestig en zeventig, en van de jaren tachtig en negentig. De zelfbevrijding van die eerste epoche en de marktbevrijding van het tweede klikten soepel in elkaar. En hier zijn we: een legioen isolisten die massaal last hebben van depressie.’

Van den Bergh haalt Jan Cremer aan, in plat Amsterdams: ‘Je komt alleen, je bent alleen en je gáát alleen. En als je dát maar doorhebt, dan heb je een geweldige tijd.’

‘Dat is onze hedendaagse opdracht’, zegt hij, ‘en die opdracht maakt ons depressief. Het staat haaks op het wezen van de mens. Wat is een mens? “Het niet-vastgestelde dier”, zei Friedrich Wilhelm Nietzsche (1844-1900) De mens is een afstemmingswezen. De mens wordt getypeerd door een fundamentele openheid ten aanzien van de wereld en moet zich aanhoudend afstemmen op anderen en op zichzelf.

‘Wat we een stemmingsstoornis noemen, is dus eigenlijk een afstemmingsstoornis.’

‘Dat afstemmen vraagt namelijk tijd en ruimte die we niet krijgen en nemen in deze hyperdynamische en ultra-individualistische wereld. Onze verhouding tot de wereld is vluchtig en instrumenteel. De depressie-epidemie vraagt om een elementaire en massale herstemming, om herstel van onze ontvankelijkheid en betrokkenheid, op allerlei fronten, op allerlei niveaus, op allerlei manieren.’

‘Anders zal de war on depression nooit ophouden.’

Depressie is een probleem van iedereen

Want door de aandoening massaal te duiden als een hersenziekte, stelt Van den Bergh, brengen we tot zwijgen wat depressie ons wil vertellen. ‘We verweren ons tegen ons eigen verweer.’

Neem Laura van Kaam, zegt hij, die in 2013 The Voice Kids won. ‘In 2016 deelt ze op Facebook dat ze zwaar depressief is. Niet veel later verschijnt ze weer op het podium, maar daarop volgt een suïcidepoging.’

‘Laura zat nog op school toen ze de talentenshow won. In een talkshow legt ze later uit dat ze daarvoor al op een hoog niveau paard reed. Ze zei: we zijn allemaal enorm ambitieus bij ons thuis – niet omdat het móét maar omdat we zo zijn.’

‘Je hoort haar tussen de regels door zeggen dat de prestatiedruk haar te veel is’, aldus Van den Bergh, ‘maar ze zegt het nét niet. Iemand concludeerde in een krantenartikel dat dit soort bekentenissen van bekende mensen zinnig zijn, omdat zo voor iedereen duidelijk wordt dat je depressief kunt zijn en toch op een podium kunt staan. Dat lijkt me nu echt precies de verkeerde conclusie!’

The show must go on, is de boodschap. Wees een winnaar, wees alleen.’ Terwijl de symptomen van je depressie – somberheid, slapeloosheid, schuldgevoel – eigenlijk een waarschuwing zijn: ‘Misschien moet je die show wat veranderen.’

Van Kaam flirt met een maatschappelijke duiding van haar depressie (prestatiedruk) maar uiteindelijk concludeert ze dat ze lijdt aan een individuele ziekte, die genezen moet worden. Juist dat is volgens Van den Bergh zo pijnlijk aan de moderne omgang met depressie.

Want hoewel de ervaring hoogst individueel is, zou het probleem dat niet moeten zijn. Van den Bergh: ‘Er bestaan culturen waarin emotie veel meer als een groepsding gezien wordt.’

Polak vraagt: ‘Maar is het niet ook gewoon veel overzichtelijker voor iemand die lijdt om te zeggen dat het een ziekte is waarvan je zelf kunt genezen? Wat heeft een depressief persoon aan het ingewikkelde boek van Van den Berg, behalve een hoop verwarring? Polak lijkt enige moeite te hebben met de verscheidenheid aan culturele verklaringen die voor depressie worden gegeven.

Van den Bergh geeft een verstandig antwoord: ‘Iets wat ingewikkeld is, moet je niet willen versimpelen. We moeten de complexiteit van het fenomeen depressie aandurven. Het kan troostrijk zijn en je minder eenzaam maken als je je realiseert dat dit complexe probleem iets is wat we delen. En dat het daarmee niet je eigen schuld is. De vervreemding speelt zich alom af en aldoor, iedereen kan daaraan relateren. We zullen ons met z’n allen moeten herschikken.’

Van onderlinge strijd naar solidariteit

‘Gelukkig hebben we een cultuur waarin je die mogelijkheden tot herschikking kunt verkennen’, meent de auteur. ‘Er zijn allerlei manieren waarop je op zoek kunt gaan naar meer verbinding en afstemming.’

De Duitse socioloog Hartmut Rosa, wiens werk van groot belang is voor Van den Bergh, hoopt bijvoorbeeld dat het basisinkomen kan helpen bij het omzetten van de existentiële grondmodus van onze cultuur, van onderlinge strijd naar solidariteit, zodat de diepe angst voor de sociale dood verdwijnt.

Van den Bergh: ’Zulk optimisme hoor ik ook in de verhalen van collega’s als Dehue, Verhaeghe en Johann Hari. Hoewel er geen simpele oplossing bestaat, wijzen ze allemaal in de richting van nieuwe vormen van collectiviteit als tegenwicht voor het dominante ultraliberalisme.’ Zo noemt hij het werk van de Vlaamse historica Tine De Moor, die spreekt van een ‘derde collectieven revolutie’.

Sinds Dehues boek, meent Van den Bergh, beginnen er steeds meer scheuren te ontstaan in het vertrouwen in het ‘DSM-regime’ en de visie op psychisch leed die daarbij hoort. ‘Op allerlei fronten in de geestelijke gezondheidszorg klinken tegengeluiden, waarbij meer aandacht komt voor het unieke verhaal en de individuele ervaring van mensen die lijden.’

Hij haalt hoogleraar Innovatie in de GGZ Floor Scheepers aan, die aan de Universiteit Utrecht onderzoek doet met ervaringsdeskundigen en net als veel collega’s pleit voor het afschaffen van de DSM labels.

Het zijn beginnetjes in het ontwikkelen van een nieuwe taal om over psychisch leed te praten. Een taal waarbinnen de ervaring meer ruimte heeft en het woord ‘diagnose’ een andere betekenis krijgt of wellicht helemaal verdwijnt.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychiatrie, Psychotherapie

Zolang je leeft is er de broosheid van het bestaan

Deze week werd de filosoof Awee Prins in het Filmtheater in Hilversum geïnterviewd door de filosofische econoom Arjo Klamer. Georganiseerd door ‘Hilversum in gesprek‘. Een vreemde voornaam, Awee, maar het staat voor A.W. ofwel Arent Weert.

De twee heren kenden elkaar van vroeger. Klamer had zijn aanstelling bij ‘Hilversum in gesprek’ aangenomen op voorwaarde dat hij Awee Prins een keer kon uitnodigen. Bij deze. Klamer stelde een paar goeie vragen maar gaf vooral Prins alle ruimte. En dat verdiende hij, hoewel ik graag een kritische vraag had gehoord over de anti-socialistische Nietzsche en over Heidegger die lid was van de Nazi partij, filosofen waar Prins zich door laat inspireren.

In de video hieronder zegt Prins voor een groot deel dezelfde dingen als in Hilversum. Veel goede oneliners zoals “Meten is weten maar meten is ook, het leven vergeten” en “alle gevoelens zijn gemengde gevoelens”, passeren de revue.


Hieronder een interview uit 2017 van Edith Janstra met A.W. Prins voor het magazine voor religie en samenleving: Volzin.

Prins heeft het in dit interview begrepen op de bekende Amerikaanse hoogleraar maatschappelijk werk, Brené Brown. Psychologen bevelen haar werk aan. Ik doe deze aanbevelingen niet maar wel bekijk ik soms samen met een cliënt een kort tekenfilmpje waarin Brown het verschil tussen sympathie en empathie uitlegt. Dat vind ik een heel leuk en leerzaam filmpje. Brown laat er in zien dat empathisch zijn helemaal niet zo moeilijk is en hoeveel het betekent voor een relatie. Het filmpje is geplaatst bij mijn bericht Afstemmen creëert een band.

Ik ben het met de kritiek van Prins eens – Brown heeft een tik van de Amerikaanse individualistische en ‘positief denken‘ molen meegekregen – maar ben ook blij dat hij haar verdienste ziet.

Lees vooral dit interview met de titel: “Het leven wordt niet beter”.

Heeft de mens eindelijk een manier gevonden om z’n kwetsbaarheid te trotseren, grijpt de filosoof in. “Kwetsbaarheid is geen kracht. Van kwetsbaarheid een kracht maken is een retorische truc om perfectionistische mensen langs een omweg te doen volharden in hun perfectionisme”, zegt Awee Prins.

Dat kwetsbaarheid een kracht kan zijn, wie wil dat niet horen? Brené Brown, Amerikaans hoogleraar maatschappelijk werk, schreef er een bestseller over, in Nederland verschenen onder de titel De kracht van kwetsbaarheid. Meer dan 30 miljoen mensen bekeken intussen op internet haar TED Talk over dit boek.

Wanneer ik het ‘cultboek’ van Brown noem, begint Awee Prins sneller te praten, feller, onverbiddelijk. Verontwaardigd vraagt hij: “En al die mensen die aan hun kwetsbaarheid geen kracht weten te ontlenen, mensen die hun kwetsbaarheid gewoon niet kunnen verdragen? Die de moed verliezen? Falen? Zelfmoord plegen? Die mensen vind ik niet minder belangrijk.”

Awee Prins is universitair hoofddocent aan de Erasmus Universiteit en zijn vakgebied is de fenomenologie, de tak van filosofie die kanttekeningen plaatst bij de manier waarop we de wereld steeds meer rationeel zijn gaan benaderen. Maar de ratio is maar een aspect van het menselijk bestaan, aldus Prins, en daarom ligt hij ‘van huis uit’ in de clinch met het maakbaarheidsideaal en daarmee ook met Brené Brown, die de kwetsbaarheid wil begrijpen en er een positieve draai aan probeert te geven. “Hoewel ik De kracht van kwetsbaarheid een goed boek vind binnen de tsunami van zelfhulpboeken, belazert Brown haar lezers.”

Hoe dan?

“Het is een retorische truc die ze uithaalt, en eigenlijk ook – en dat verwijt ik haar – een gemene streek, om mensen die het gevoel hebben dat ze kwetsbaar zijn en niet genoeg presteren, die door hun perfectionisme worden gesloopt, te vertellen: ‘Dat perfectionisme mag je loslaten en ik ga jullie nu uitleggen dat je daardoor nóg succesvoller kunt worden’.”

Maar als een retorische truc nou helpt…

“Maar het helpt niet. Wij leven nog steeds in de tijd van de Radarmens, zoals beschreven door David Riesman in The Lonely Crowd. Wij zijn constant om ons heen aan het kijken om te zien hoe anderen over ons denken. Neem Facebook. Je kijkt de hele tijd of je wordt geliket. Je bent voortdurend alert, maar ook heel kwetsbaar als je dag in dag uit erkend wil worden.

Laat duidelijk zijn: ik vind het de verdienste van Brené Brown, dat ze oog heeft voor de zwakke kanten van de mens. Ze beschrijft overtuigend dat we in deze tijd onze kwetsbaarheid en angsten overstemmen door druk, druk, druk te worden, krampachtig allerlei netwerken opbouwen, en daarbij desnoods drugs gebruiken of tranquilizers. Het siert haar bovendien dat ze haar eigen ontsporingen niet onvermeld laat. Terecht stelt ze, dat wij ons leven verpesten door veel te hoge verwachtingen en eisen aan onszelf te stellen, en ons teveel vergelijken met anderen. Perfectionisme leidt tot eenzaamheid, schaamte en een gebrek aan betrokkenheid. Dat heeft ze goed gezien, al thematiseert ze niet de topsporters en eenzame wetenschappers die dat allemaal op de koop toe nemen, wat ook niet onbelangrijk is. Maar dat neem ik haar niet kwalijk. Ze zegt: ‘geluk is een kwestie van momenten.’ Dat denk ik ook, en dat betoog ik ook onvermoeibaar: geluk is iets wat je toevalt. Een moment. Niet een toestand. Dus tot zover zijn we het eens. Maar meteen daarna schrijft ze: ‘Laat geluk niet door je vingers glippen!’ En dan komt mijn kritiek. Brown begrijpt niet wat kwetsbaarheid werkelijk is. Ze adresseert met veel mooie woorden de kwetsbaarheid, op een manier waarin iedereen zich herkent, en maakt daar vervolgens een eigenaardige successtory van. Kwetsbaarheid onderkennen zou volgens haar tot een beter, ja, zelfs een ‘bezield leven’ leiden. Dat dit ons zelden lukt en wat dat ‘bezielde leven’ precies is, daarover zegt ze eigenlijk niets. Dat vind ik het ergste.

Brown geeft in haar boek een lijstje van ‘ervaringen die een gevoel van kwetsbaarheid geven’. Daar heeft ze het over ‘ontslagen worden’, ‘zwanger worden na drie miskramen’, ‘de eerste date na mijn scheiding’, enzovoorts. Maar is dat werkelijke kwetsbaarheid? Er zijn vrouwen die in hun jeugd door hun vader zijn verkracht. Er zijn mensen die hun kind hebben verloren. Dat is echte kwetsbaarheid. Die staan niet in haar lijstje. Waarom schrijft ze daar niet over? Er zijn veel mensen die verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt en daardoor het leven eenvoudigweg niet meer aankunnen. Voor hen is De kracht van kwetsbaarheid een klap in het gezicht. Zij zullen er alleen maar verdrietiger en onmachtiger van worden, omdat ze blijkbaar de moed en de kracht niet kunnen opbrengen om te doen wat Brown adviseert: ‘Je emotioneel blootgeven, je onzekerheden trotseren, risico’s nemen.’ Deze mensen, die mij zeer na aan het hart liggen, zullen zich nog meer schamen en nog schuldiger voelen. En ik vind die mensen niet minder belangrijk, interessant, waardig of bezield. Iemand die ten onder gaat, die echt en alleen maar faalt, die zelfmoord pleegt, omdat ie z’n kwetsbaarheden niet aankan; ook voor die mensen had ze haar boek moeten schrijven, ook voor hen had ze ruimte moeten vrijmaken. Ik vind dat Brown er meer oog voor zou moeten hebben dat er geen gebruiksaanwijzing voor het leven bestaat.”

Als u haar dit vertelt, zou ze het dan niet met u eens zijn?

“Weet ik niet, maar ik hoop dat ze zou inzien dat ze verzandt in haar eigen goede bedoelingen. Brown rehabiliteert de kwetsbaarheid. Dat is het goede aan haar boek. Maar ze faalt wanneer ze kwetsbaarheid inzet als een manier om het leven vanuit die kwetsbaarheid te optimaliseren, er beter door te functioneren, sterker te worden, en zelfs gelukkiger te worden. Brown had moeten bedenken: er klopt iets niet in wat ik zeg. Haar truc, hoe ze mensen belazert – en ik gebruik dat woord met opzet – is: ‘Als jij jouw authentieke imperfecte zelf aan de wereld laat zien, dan zal je merken dat je het waard bent om liefde te ontvangen er erbij te horen.’ Kijk, dat wil iedereen lezen! Maar jij en ik weten dat niemand zoiets eenvoudigweg zal meemaken, dat je je imperfecte zelf aan de wereld laat zien en er dan opeens bij hoort. Brown belooft gewoon te veel.

Ik lees haar anders. Volgens mij wil ze vooral dat mensen zich realiseren dat iedereen kwetsbaarheden heeft, en daarmee het voor ons wat makkelijker maken om ons masker te laten zakken en niet langer vermoeid een perfect plaatje van onszelf te laten zien. Wat minder hangen aan wat we denken dat andere mensen van ons denken.

“Helemaal eens, maar dat is niets bijzonders; dat is common sense.”

Maar dat is geen common sense voor heel veel mensen! Haar filmpje over haar boek is een van de best bekeken TED-filmpjes wereldwijd. Psychologen schrijven haar boek voor. Ik lees blogs van normale leuke mensen waarin ze vertellen dat ze huilend haar TED Talk bekijken.

“Er zullen mensen zijn die, wanneer ze hun kwetsbaarheid onderkennen – en ik gun het ze van harte – openhartiger worden, maar er zullen er ook zijn die de moed verliezen. En dan houd ik voet bij stuk: daar had zij ook rekening mee moeten houden. Dat meen ik echt.”

Als haar stelling niet klopt, waarom zijn we daar dan collectief blind voor?

“Omdat haar boek zoveel mooie en naïeve beloften in zich draagt. Brown spreekt van ‘De tien wegwijzers naar een bezield leven’. Maar wat is dat, een ‘bezield leven’? In hoofdstuk 7 spreekt ze met droge ogen over ‘bezield ouderschap’. Kijk, ouderschap is ongelofelijk moeilijk. Een ouder houdt van z’n kinderen en heeft ook soms een hekel aan z’n kinderen; is teleurgesteld in z’n kinderen. En niet minder belangrijk: die kinderen zijn op hun beurt teleurgesteld in hun ouders. Ouderschap is een ongelooflijk complex gebeuren, waarbij het meer gaat om met je kwetsbaarheden om te leren gaan dan om die kwetsbaarheden te gebruiken als een soort reservoir, een basiskamp van succes-expedities. ‘Bezield ouderschap’ vind ik een bedenkelijk toverwoord, waarbij iedere ouder denkt: ‘Wauw, dat moet ik hebben, bezield ouderschap!’ En dan heb je die ónuitstaanbare puber in je kamer die níks wil en die nérgens zin in heeft. Ik denk dat je veel beter zo’n kind in z’n onmogelijkheid kan dulden dan dat je daar dan ineens een semantische deken van bezield ouderschap overheen gaat leggen.”

Wat moeten we wel doen?

“Als ik college geef en het gaat over een moeilijk onderwerp zeg ik op een gegeven moment tegen mijn studenten: ‘Er zijn nu zijn er een aantal van jullie die in radeloosheid denken dat ze de enige zijn die het niet begrijpen, iedereen om je heen zit braaf te schrijven. Maar ik verzeker je, de helft van de aanwezigen snapt het ook niet.’ Waar het om gaat, is schik krijgen in je eigen kwetsbaarheid en in de kleine waanzin en rare dingetjes die we allemaal hebben. Let wel, en dit is volgens mij van groot belang: ik denk niet dat het leven mooier wordt als je je beseft dat je broos bent. Kwetsbaarheid vind ik daarom ook niet zo’n geschikt woord. Broos-zijn is ruimer. Zachter. Er zit ook de eindigheid in. Wij zijn altijd breekbaar. Zolang je leeft, is er de broosheid van je bestaan.”

Van wie heeft u dat geleerd?

“Van Nietzsche, opmerkelijk genoeg, die geheel ten onrechte als de filosoof van de ‘sterke mens’, de ‘Übermensch’ wordt gelezen. Dat is onzin: Nietzsche kende als geen ander de broosheid van het menselijk bestaan. Maar mijn echte held is Dostojevski, die in al zijn romans laat zien dat de mens het meerstemmige dier is, het polyfone subject. We kunnen de mens niet definiëren. Wij worden allemaal opgeleid met het idee dat er een ego is, een ik, een identiteit. Allemaal nonsens. Het is allemaal veel vager.
Er is een zin bij Dostojevski waarin hij over iemand schrijft dat je niet weet of hij ‘op pelgrimstocht zal gaan naar Jeruzalem of dat hij z’n geboortedorp in brand zal steken’. En hij voegt er aan toe – en dat is de grootsheid van Dostojevski – ‘misschien doet hij het wel allebei’. De mens is wezenlijk polyfoon, meerstemmig. Alle gevoelens zijn gemengde gevoelens, alle gedachten zijn gemengde gedachten. Dat zie ik bij Brené Brown niet terug. Zij kent alleen rood en grijs, kracht en kwetsbaarheid.”

Wat bedoelt u met gemengde gevoelens?

“Nou, als jij zegt tegen iemand ‘ik houd van je’, dan zit daar ook een dimensie in van domme zelfzucht, van hoop, onzekerheid, afgunst, jaloezie, en de angst diegene kwijt te raken. Dat loopt allemaal door elkaar heen. Wij leven nog steeds in de tijd van Descartes; wij geloven in welonderscheiden, meetbare gedachten. Maar alle gedachten zijn gemengde gedachten. Het is heel gek dat wij met elkaar hebben besloten, en alle universiteiten stralen dat uit, dat wetenschap een soort summum is van de manier waarop je de wereld kunt vatten. Maar waarom zou de kunst dat niet zijn? Of de liefde? Of het geloof? Misschien ben je de wereld veel meer nabij wanneer je gelooft en je naaste liefhebt, dan wanneer je wetenschap bedrijft. Waarom zouden we al onze kaarten op het verstand zetten? Het verstand is maar een manier van je tot de wereld verhouden.

Wanneer zijn we zo gaan denken?

“‘Vertrouwen op je verstand’ is het adagium van de Verlichting, dus het speelt al vanaf de achttiende eeuw. Het is ons ‘verstand van de dag’. Wij spreken in de media vaak meewarig van de ‘waan de dag’, maar veel hardnekkiger en lastiger is het ‘verstand de dag’ dat ons beheerst: dat wij de wereld kunnen begrijpen en naar onze hand kunnen zetten. En hoewel Brown ook ons gevoel en onze kwetsbaarheid in het spel brengt, roept ze ons toch vooral op om dat gevoel te doordenken, te begrijpen, te evalueren en productief te maken: onderken je kwetsbaarheid, begrijp je kwetsbaarheid en je leven zal beter worden. Daar valt veel op af te dingen. T.S. Elliot kaart in The Waste Land, een meer fundamenteel probleem aan, de uitzichtloosheid:

What shall I do now? What shall I do?
I shall rush out as I am, and walk the street
With my hair down so. What shall we do tomorrow?
What shall we ever do?

Onze huidige ‘menselijke conditie’ is: Er is geen werkelijk doel in het leven, in elk geval geen hoger doel. Dus hebben we een cultuur ingericht die op zelfbevestiging en vermaak is gericht en die de zwaarte van het leven zo min mogelijk wil onderkennen. Vandaar ook die gekkigheid met euthanasie aanvragen als je vindt dat je leven ‘voltooid’ is. Dat klinkt mooi. Verstandig. Net als bij Brené Brown: kwetsbare mensen, bezielde mensen, betekenisvol leven, en als dat allemaal niet meer lukt: een exit-pil. Maar is er iemand die werkelijk weet wat een ‘voltooid leven’ is?
Elke cultuur en elke historische periode maakt zichzelf iets wijs. Wij maken onszelf in deze tijd wijs dat het leven leefbaar en maakbaar is. Maar dat is helemaal niet waar. Er gaan zoveel dingen mis in een mensenleven. Mijn vrouw is twee jaar geleden overleden. En ik blijf maar moedeloos. Ik kan eenvoudigweg niet omgaan met deze nieuwe ‘kwetsbaarheid’ in mijn leven. Mijn huisarts zei tegen me: ‘Zou je niet aan de antidepressiva gaan?’ Ik voel me daardoor aangesproken; ik merk dat ik het heel vervelend vind dat ik meer kwetsbaar dan ooit ben, niet meer sterk ben, dat ik niet meer graag naar vergaderingen ga, veel minder plezier heb in college geven. Dus ik sta in de verleiding van het verstand van de dag. Gelukkig ben ik zo wijs om te weten dat antidepressiva niet helpen. Alleen de bijverschijnselen zal je krijgen. Elke weldenkende arts is het daar ook mee eens. Ze weten dat bij antidepressiva het placebo-effect bijna even hoog is als het werkelijke effect. Dat vind ik overigens een mooi verhaal, een broos verhaal. Wij zijn zulke rare wezens dat wanneer iemand ons een pilletje geeft wat gewoon een snoepje is en erbij zegt ‘nu ga je het licht in je leven weer zien’, wij het licht weer gaan zien.

Is dat troostend?

“Nee… nee. “ (Lacht).

Helpend op z’n minst?

“Nee, maar laten we in het geheel niet de fout maken om troost te zoeken. Of verlossing. Je moet topisch worden, daar gaat het om. Je bent dan niet meer voortdurend utopisch. Je maakt niet meer de fout te denken dat het aan de andere kant beter is. Waarschijnlijk kunnen we dat utopische moment nooit van ons afschudden. Er is immers altijd zoiets als een toekomst. We zullen altijd over de toekomst nadenken en er op anticiperen. Maar de utopische dimensie in ons leven is in onze tijd buitenproportioneel groot. De meeste mensen plannen liever een vakantie dat dat ze op vakantie zijn.
Mijn adagium is: ‘Het wordt niet beter en het kan niet beter’. Wij leven nog steeds – dus het gaat verder terug dan de Verlichting! – in het visioen van Plato, dat er een ontsnapping bestaat uit het schaduwrijk van de grot. Dat weerklinkt in ons huidige hardnekkige streven naar ‘vooruitgang’. Maar het leven wordt niet beter. Het loopt af. We zijn sterfelijk. Dat moeten we eindelijk eens werkelijk leren denken: topisch worden. Ik weet overigens niet of Eckhart Tolle daar een bijdrage aan levert met zijn boek De kracht van het nu. Er is geen ‘kracht van het nu’, net zoals er geen ‘kracht van de kwetsbaarheid’ bestaat. Wij zijn existerende wezens, wij staan in het broze ogenblik van het nu uit naar het verleden, en naar de toekomst. Je kunt het nu niet idealiseren. Je kunt het verleden niet idealiseren en je kunt de toekomst niet idealiseren. Je kunt en moet niets idealiseren.”

Wat stelt u voor?

“Ik stel niets voor. Ik heb geen recepten voor het leven, maar ik wil graag mijzelf en anderen aanmoedigen om ontvankelijk te blijven voor het geluk en de betekenissen die je in dit broze leven bijwijlen kunnen toevallen. Als ik al iets wil, dan is het dat mensen indachtig worden omtrent wat het betekent om te leven en – nog belangrijker – met en voor anderen te leven. Kwetsbaarheid is daarbij een gegeven, geen kracht.”

Paspoort Awee Prins (Rotterdam-Hilligersberg, 1957) is filosoof en doceert Fenomenologie & Hermeneutiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
● Studeerde filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit van Amsterdam.
● Maakte naam met zijn boek Uit verveling (Klement, 2007); dit voorjaar verscheen daarvan de negende druk.
● In 2018 verschijnt bij uitgeverij De Bezige Bij zijn nieuwe boek Broos denken, over een filosofie van de hartelijkheid.
● Is een kenner van het werk van Martin Heidegger.
● Stichtte met zijn collega Henk Oosterling aan de Erasmus Universiteit het Centrum voor Filosofie en Kunst.
● Is aan de Erasmusuniversiteit hoofd van de Honours Academy.
Awee Prins woont in Rotterdam, is weduwnaar en heeft twee volwassen kinderen.


Wat mij de kunst lijkt is hoe we onze kwetsbaarheid of broosheid kunnen verdragen. Hier lijkt Prins ideeën voor aan te dragen in het interview ook al heeft hij geen recept. We moeten in ieder geval ophouden met idealiseren: Niet utopisch maar topisch worden. We moeten ons niet alleen op de wetenschap richten maar ook op de kunst, het geloof en de liefde. Hij komt met het gedicht van de dichter T.S. Elliot waarin het gaat over het gevoel van uitzichtloosheid: “What shall we ever do.” Misschien helpt deze regel nog wel het meest want hij geeft ons het gevoel dat we niet alleen zijn.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychologie

Klimaat acties door scholieren

Een van de grote inspiratoren voor de acties van scholieren van de afgelopen weken is de Zweedse Greta Thunberg (16) die sprak op de klimaat conferentie van de Verenigde Naties in Katowice in de herfst van 2018. Ik zag dit filmpje vandaag voor het eerst. Beter laat dan nooit. En sterk en verfrissend betoog.


ER IS IETS MET GRETA THUNBERG

Dit is de titel van een essay in de Vlaamse krant De Standaard door Marc Reynebeau waarin Thunberg wordt vergeleken met Bernadette Soubirous (die Maria zag verschijnen in Lourdes), Jeanne d’Arc (die de Fransen leidde tegen de Engelsen) en Pippi Langkous (“ik heb het nog nooit gedaan dus ik denk dat ik het kan”). Hieronder een verkorte versie.

Illustratie: Rhonald Blommenstijn

Ze wordt een klimaaticoon genoemd, een ‘superstar’, een ‘beautytrend’. Een fragiel uitziend meisje, twee vlechtjes, ze lacht nooit, uiterlijk onbewogen, ‘asperger’, met een bord waarop staat dat ze aan het spijbelen is voor het klimaat. Er lijkt een dreiging van haar uit te gaan.

Ze heeft geen tijd voor beleefdheidsformules. “Ik hoef jullie hoop niet”, voegt ze de zakenlui van Davos toe, die niet gewend zijn aan tegenspraak. “Ik wil niet dat jullie hoopvol zijn, ik wil dat jullie in paniek zijn”. Juncker en de zijnen mochten haar op 21 februari 2019 in Brussel horen zeggen: “Wij hebben ons huiswerk gemaakt, jullie niet. De meeste politici willen niet met ons praten. Wij ook niet met hen. Wij willen dat ze met wetenschappers praten. Wij moeten nu actie voeren om jullie rotzooi op te ruimen. Jullie dreigen ‘als de grootste schurken ooit’ de geschiedenis in te gaan.”

Ze klinkt onmiskenbaar als ‘speaking truth to power.

De vergelijking met Pippi Langkous hoeft niet te stoppen bij de vlechtjes of de Zweedse achtergrond. Pippi toont zich als een soort ‘anarcho-ecologiste’. De bedenker van Pippi, schrijfster Astrid Lindgren was een in Zweden bekende pleitbezorger voor dierenrechten en de groene zaak. Pippi gaat ook niet naar school en woont in een ouderloos huis waar geen straffen worden uitgedeeld. Haar vriendjes zijn veeleer burgerlijk, gaan wel naar school en zouden nu waarschijnlijk roepen: “ja maar, wat zal dat allemaal niet kosten?” Thunberg zal wellicht niet snel een paard optillen.

Er is nog iets waardoor politici moeilijk om iemand als Greta Thunberg heen kunnen. Ze herkennen in haar een dochter of kleindochter, niet alleen in leeftijd, maar ook sociaal. Zij komt niet uit de onderste bevolkingslagen, maar uit de culturele en intellectuele middenklasse. Het gaat om jongeren die, als ze hun toekomst afwegen tegen het leven van hun ouders, wel wat te verliezen hebben.

En als ze dan ook beginnen, zoals Thunberg bij de Europese Unie, met te zeggen dat we ‘een nieuwe politiek’ nodig hebben en ‘een nieuwe economie’, dat het tijd is om te stoppen met een systeem ‘dat alleen op concurrentie’ berust, omdat dit de noodzakelijke samenwerking in de weg staat, en dat het nodig is om ‘de middelen van de planeet op een eerlijke manier te delen’, ja, dan wordt het tijd om zich zorgen te maken over de jeugd. Met hun onschuld en zuiverheid krijgen jonge vrouwen zoals zij het krediet en vertrouwen dat de als corrupt ervaren politiek wordt ontzegd.

Juncker’s handkus in Brussel was ongepast: jonge vrouwen zoals Thunberg vallen niet voor macht, geld of charme. Hij maakte er een ‘oudemannenzootje’ van.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Psychologie en klimaat

De kunst van het wandelen

Dit bericht is een vertaling en samenvatting van een essay van de eigenzinnige Amerikaanse dichter en filosoof Henry David Thoreau. Het essay heet ‘Walking’ en is gepubliceerd in 1862, een maand na zijn dood. Thoreau bezingt het wandelen, hij is de eerste ware natuurflaneur. Een beroemd boek van hem is ‘Walden’ over het leven in de bossen.

Hij neemt het op voor de natuur, voor de absolute vrijheid en voor de wildheid en wil de mens beschouwen als een onderdeel van de natuur, eerder dan als lid van de maatschappij.

Er werd naar dit essay verwezen door Bregje Hofstede in een bijdrage in De Correspondent over hoe zijzelf uit een burn-out kwam door te wandelen. Hofstede over Thoreau en haar wandeltherapie:

‘Iedere wandeling is een soort kruistocht,’ vindt hij, ‘om dit Heilige Land te heroveren.’ Het Heilige Land dat hij bedoelt, is een heel aards paradijs, nergens te vinden behalve hier en nu; de verlossing bestaat uit landweggetjes en een paar uur voor jezelf.

Wandelen stond centraal in mijn herstel van de burn-out, en is een constante in alle adviezen die ik daar ooit over las. Wandelcoaching is een genre binnen de begeleiding van burn-outpatiënten, daarnaast is er een joggingvariant. Ook om burn-out te voorkomen, lijkt wandelen effectief. Thoreau’s heilsverwachting begeleidt de wandelaar nog steeds. Waarom?

Lees vooral het artikel van Hofstede maar dit bericht is een vertaalde en verkorte versie van Thoreau’s essay. Zijn negentiende eeuwse engels is niet makkelijk te lezen maar hij zegt interessante dingen en neemt interessante dingen waar. Vandaar dat ik er voor ging zitten om het te ontcijferen. Mijn wandelingen zijn er een stuk romantischer op geworden.

Foto’s gemaakt tijdens wandelingen op de Oude Buisse Heide, januari 2019

Wandelen is dwalen

Een Engels woord voor wandelen, voor de kunst van het wandelen, slenteren of kuieren is ‘sauntering’. Dit woord is volgens Thoreau afgeleid van het Franse ‘sainte terrer’ dat gebruikt werd voor de middeleeuwse zwervers die te voet en bedelend door Frankrijk trokken. Deze wandelaars werden als lui en nutteloos gezien, als vagebonden die maar zeiden dat ze op weg waren naar het heilige land. Franse kinderen riepen deze mensen na: ‘sainte terrers’, ‘heilige landers’. Volgens etymologen is het woord ‘sauntering’ verwant aan het Nederlandse woord ‘slenteren’ of het Duitse woord ‘schlendern’. Het heeft dus niet echt iets te maken met het op weg zijn naar het heilige land.

Je zou volgens Thoreau ook kunnen bedenken dat het woord ‘saunterer’ afgeleid is van het Franse ‘sans terre’, zonder aarde, zonder vaste verblijfplaats. De zwerver of de wandelaar die zich overal thuis voelt. Dit is het geheim van de wandelaar; hij voelt zich overal thuis terwijl hij wandelt. Degene die thuis blijft is pas echt lui en nutteloos.

Hoewel ik de betekenis van de ‘saunterer’ als mens zonder vaste verblijfplaats een aantrekkelijke vind gaat Thoreau’s voorkeur uit naar de meer transcendente betekenis; die van de wandelaar die op weg is naar ‘het heilige land’. Thoreau heeft zelf maar weinig mensen ontmoet die op deze manier wandelen en die volgens hem echt begrepen wat de kunst van het wandelen inhield. Een wandelaar is zoals een slingerende beek, die de kortste weg naar de zee zoekt.

De tegenwoordige wandelaar begint zelden meer aan een eindeloze tocht. Meestal keert hij aan het eind van de dag terug naar de haard die hij ’s ochtends verliet. Veel wandelingen hebben we al eens eerder gemaakt. Toch zouden we zelfs de kortste wandelingen kunnen maken in de geest van het eindeloze avontuur, alsof we niet meer zullen terugkeren. Alsof we bereid zijn om familie en vrienden achter ons te laten. Onze schulden afgelost, de erfenis nagelaten, zaken geregeld en dan als vrij mens op pad. Pas als je op deze manier kunt vertrekken, ben je klaar voor het echte wandelen.

Samen met een wandelvriend fantaseerde Thoreau soms alsof zij iets belichaamden van een heldhaftige ridder te paard uit oude tijden, maar dan wel een ridder van een eerbare orde en niet in dienst van de kerk of de staat maar een dolende ridder. Zij meenden dat zij de twee enigen waren die deze edele kunst van het wandelen beoefenden. De vrije tijd, de vrijheid en onafhankelijkheid van deze toestand vonden ze van onschatbare waarde. Zij ontvingen als wandelaars direct toestemming vanuit de hemel. Ze waren geboren om te wandelen.

Volgens Thoreau mijmeren mensen graag over het verdwalen dat zij ooit, jaren geleden een keer op een wandeling meemaakten. Daarna hebben zij zich voor de rest van hun leven gehouden aan de gebaande paden. Zij menen over vrijheid en avontuur te kunnen meepraten omdat ze één keer gedurende een half uur de weg kwijt geweest zijn.

Hij meent dat je alleen gezond blijft als je minstens vier uur per dag door de bossen, velden of heuvels dwaalt, vrij van de wereldlijke beslommeringen. Hij beschrijft winkeliers uit zijn buurt die de hele dag in hun winkel zitten alsof hun benen niet gemaakt zijn om mee te lopen. Volgens Thoreau pleit het voor deze mensen dat ze nog geen eind aan hun leven gemaakt hebben, want hij zou het zitten geen dag vol houden. Hij zou zich vastgeroest voelen. Wanneer hij op een dag pas aan wandelen toekomt om vier uur ’s middags, als het licht het einde van de dag aan kondigt dan voelt het voor hem alsof hij een zonde heeft begaan.

Hij verbaast zich over het uithoudingsvermogen van zittende mensen maar ook over hun morele ongevoeligheid. Hoe kunnen ze het weken en maanden lang zittend in hun kantoren uithouden? Hij verbaast zich ook over hoe vrouwen, die meer aan huis gebonden zijn dan mannen, dit kunnen, hoewel hij denkt dat vrouwen het eigenlijk helemaal niet kunnen. Misschien hebben temperament en leeftijd er wel iets mee te maken bedenkt hij dan. Als je ouder wordt kun je makkelijker stil zitten en heb je genoeg aan een korte wandeling laat in de middag.

Het wandelen zoals Thoreau het beschrijft lijkt desalniettemin in weinig op lichamelijke oefening. Voor hem is een wandeling een avontuur; een zoektocht naar de bron van het leven. De bron die opborrelt in een veld verderop waar je het niet verwacht. Een zoektocht naar het heilige land.

Verblijven in de buitenlucht, in de zon en de wind leidt mogelijk tot een wat ruwere persoonlijkheid zoals ook het doen van veel handarbeid leidt tot ruwe handen, maar van veel binnen blijven zitten kan de huid weer te dun worden en de persoonlijkheid overgevoelig. Het mooist is als er een goede verhouding is tussen een dikke en een dunne huid, net zoals er goede verhoudingen zijn tussen dag en nacht, zomer en winter, tussen denken en ervaren.

Onze gedachten kunnen volgens Thoreau wel wat meer lucht en zonlicht gebruiken. We moeten de bossen en de velden in en dan niet alleen met ons lichaam maar ook met onze geest. Als je gedachten nog bij je werk zijn dan ben je niet waar je lichaam is en je zintuigen zijn. Wat heb je in het bos te zoeken als je er met je gedachten niet bij bent, vraagt Thoreau zich af.

Hij woonde zelf in een omgeving waar vele en verschillende goede wandelingen mogelijk waren. Dat er steeds meer bossen gekapt werden zag hij met lede ogen toe. Maar hij zelf kon nog gemakkelijk vele mijlen lopen vanuit zijn eigen voordeur zelfs zonder eerst langs andere huizen of wegen te moeten gaan. Behalve dan langs de wegen die door een vos of een das gebruikt werden. Mijlen in de omtrek was er geen bebouwing. Hij liep eerst langs een rivier en dan langs een meer, een wei en een houtstapel. Het deed hem goed om te zien hoe weinig plaats de mens en zaken die de mens bezighouden, innamen op zijn wandelingen, zaken zoals kerk, staat, school, handel, fabricage, agricultuur en politiek, wat hij het ergste van alles vindt. Op zijn wandelingen kan hij van dat alles gemakkelijk afstand nemen.

Hij heeft er weinig behoefte aan om een weg te volgen naar een herberg of een winkel. Hij loopt liever de natuur in zoals een dichter en liever niet op de gebaande paden. Er zijn maar weinig wegen waar je als wandelaar iets aan hebt. Een zo’n weg is ‘the Old Marlborough Road’, waar Thoreau een gedicht over geschreven heeft. Elke stad heeft wel een paar van dat soort wegen. ‘The old Marlborouh Road’  is een weg die eigenlijk geld had moeten opleveren, wat niet gebeurde en waarover het reizen nu zoet is. Enkele regels uit het gedicht:

The Old Marlborough Road

When the spring stirs my blood
With the instinct to travel,
I can get enough gravel
On the Old Marlborough Road.

Nobody repairs it,
For nobody wears it;
It is a living way,
As the Christians say.

What is it, what is it
But a direction out there,
And the bare possibility
Of going somewhere?

If with fancy unfurled
You leave your abode
You may go round the world
By the Old Marlborough Road.

Het beste land is van niemand, het is land waar je vrij kan rondlopen. Op een dag zal ook dit land een bestemming krijgen waardoor je er minder plezier aan beleeft, land waar hekken geplaatst zijn en andere beperkingen gelden. Wanneer een stuk land iemands eigendom is dan wordt het lopen over God’s aarde als lopen op verboden terrein. Het exclusief hiervan genieten door de eigenaar kan geen ècht genieten zijn volgens Thoreau. Mogelijkheden om vrij te wandelen moeten we juist vergroten in plaats van verkleinen.

Hij meent dat er in de natuur een soort magnetisme werkzaam is die ons een bepaalde richting op stuurt, die ons iets zal opleveren. Soms is het goed om een richting in te slaan die vreemd voor je is. Als hij zelf zijn instinct volgt dan leidt de richting hem meestal naar het westen of zuidwesten. Daar ligt zijn toekomst, denkt hij. De omtrek van zijn wandeling heeft meestal de vorm van een eclips. Hij vindt het moeilijk om te geloven dat er in oostelijke richting ook mooie en wilde landschappen te vinden zijn en dat er daar ook vrijheid achter de horizon gloort.

De natuur in het wilde westen

In zijn neiging om westwaarts te gaan meent Thoreau niet alleen te staan. Volgens hem trekken mensen oostwaarts voor de kunst en de literatuur maar trekken ze westwaarts op zoek naar de toekomst en het avontuur. Hij is een Amerikaanse filosoof en Amerikanen zijn over de Atlantische Oceaan gekomen, lieten de Oude Wereld achter zich en vòòr hen in het westen lag de Stille Oceaan die nog veel groter was dan de Atlantische. Elke zonsondergang inspireert volgens Thoreau het verlangen om in Westelijke richting te lopen; de zon migreert naar het Westen en verleidt ons om te volgen.

Columbus voelde zich aangetrokken tot het Westen. Thoreau meent dat er nergens op aarde zoveel rijk en vruchtbaar land is als in de Amerika’s. Er zijn bijvoorbeeld veel meer soorten grote bomen dan in Europa. Het Amazonegebied van Zuid Amerika is de grootste wildernis op aarde. Wat dit alles bewijst is Thoreau uiteindelijk niet zo zeker van maar hij ziet de neiging om een bepaalde richting uit te gaan ook in de trek van vogels en andere dieren.

Hij schrijft nog wat verder aan zijn romantische visie op de natuur in de Amerika’s en zijn voorkeur om in westelijke richting te wandelen. Hij noemt zichzelf een echte patriot. Amerika is volgens hem en veel andere ontdekkingsreizigers en tijdgenoten gemaakt voor de mens uit de oude wereld. De oorspronkelijke bewoners, de Indianen, zullen hier wel anders tegen aan gekeken hebben en nog kijken, denk ik.

‘De mens’, vervolgt Thoreau, heeft de rijke aarde van Europa uitgeput en steekt dan de oceaan over richting het Westen, op avontuur om zich verder te ontwikkelen. Hij citeert een Latijnse uitspraak: ‘Oriente lux, ex occidente frux’: Uit het oosten komt het licht en uit het westen de vruchten.

De Engelse reiziger Francis Head, die later gouverneur van Canada werd, beschrijft de natuur in de Nieuwe Wereld als aanwezig op een grotere schaal met meer kostelijke kleuren dan in de Oude Wereld. De hemel is er hoger en blauwer, de lucht is er frisser, de kou intenser, de sterren helderder, de maan lijkt groter, het onweer klinkt luider, de bliksem is levendiger, de wind sterker, de regen zwaarder, de bergen hoger, de rivieren langer, de wouden groter en de vlakten wijder.

Thoreau meent dat dit alles iets zou moeten betekenen voor het niveau van de filosofie, de dichtkunst en de godsdienst die uit Amerika komt. Want een klimaat heeft invloed heeft op de mens. Frisse berglucht kan de geest voeden en inspireren. Of maakt het soms niet uit of je vele dagen van je leven in de mist doorbrengt, vraagt hij. Wij Amerikanen zouden toch tot meer verbeelding in staat moeten zijn en tot helderdere gedachten, frisser en spiritueler en tot een dieper en breder begrip moeten kunnen komen als onze vlakten, bergen, hemel, rivieren, wouden, enz. wijder, hoger, langer en groter zijn? Wat zou anders de zin zijn geweest van het ontdekken van de Amerika’s?

Leven dat de mens nog niet onderworpen heeft, verheft hem

Het westen is eigenlijk het wilde westen en de wildernis ligt ten grondslag van onze wereld. Elke boom is met zijn vezels op zoek naar het wilde. Onze voorouders waren wild. Het verhaal uit de Oudheid van Romulus en Remus die gezoogd werden door een wolvin, is niet zonder betekenis. De bron die ons voedt en levenskracht geeft is een wilde bron. Het lag niet aan de wolf dat het Romeinse Rijk instortte. Thoreau zou het liefst leven op een plek waar nooit eerder iemand zich vestigde. De Schot George Gordon-Cumming, die in Afrika jaagde schreef dat de huid van een elandantilope de meest verrukkelijke geur van bomen en gras verspreidt. Thoreau zou het liefst willen dat je aan mensen ook kunt ruiken op welke plek in de natuur ze de meeste tijd doorbrengen.

Darwin beschreef ooit een blanke man die aan het baden was naast een Tahitiaan en het leek hem alsof hij naar een, door kunstgrepen verbleekte plant keek en daarnaast een fijnere, groene en wilde plant vol met energie zag. Het wilde is het meest levende. Leven dat de mens nog niet onderworpen heeft tilt hem op, verfrist hem. Hoop en toekomst zijn niet te vinden in een gecultiveerd landschap maar wel in de ondoordringbare en van leven trillende moerassen.

Er is niets rijker voor het oog dan een veld met wilde bloemen. Als Thoreau voor de keuze zou worden gesteld om te verblijven in de buurt van de mooiste tuin die ooit door een mens gemaakt is of een of ander rampzalig moeras, dan zou hij beslist voor het moeras kiezen. Voor hem is al het werk van de mens aan zijn tuin ijdelheid.

‘Geef me de oceaan, de woestijn of de wildernis!’, roept hij uit. De zuivere lucht en de eenzaamheid van een woestijn compenseren voor het gebrek aan water. Je moraal verbetert er, je wordt er vriendelijk, hartelijk en gastvrij. Zij die gereisd hebben in de steppen van Tartarije zeggen als ze thuis komen: Terugkomend in het gecultiveerde land zijn het de agitatie, de verwarring en de verstoringen die je bedrukken en verstikken.

Thoreau betreedt een moeras alsof het een heilige plaats is want daar is de kern en de kracht van de natuur te vinden. Wild hout overwoekert er de maagdelijke schimmels en de aarde is er goed voor zowel bomen als mensen. Moerassen en wouden zijn net zo onontbeerlijk voor het leven in de stad als rechtvaardige mensen. Een stad of dorp dat omgeven wordt door wilde natuur geeft zijn bewoners niet alleen aardappelen maar ook dichters en filosofen. Beschavingen overleven zolang de aarde niet uitgeput wordt.

Ook in de literatuur is het wilde het meest aantrekkelijk. Het is het onbeschaafde, vrije en wilde denken in Hamlet en de Ilias en in alle andere verhalen en mythologieën die ons verrukken. Het tamme is saai. Een goed boek is iets natuurlijks, onverwacht zuiver en perfect zoals een wilde bloem in de prairie of de jungle. Genialiteit geeft licht in de duisternis, een bliksemschicht die de tempel van kennis op zijn grondvesten doet schudden.

Waar is de literatuur die uitdrukking geeft aan de Natuur? Waar is de dichter die indruk maakt op de wind en de rivieren, die deze laat spreken, die woorden geeft aan hun zintuigen? Waar is de dichter die woorden op een bladzijde zet waar de aarde nog aan vast zit zoals de aarde vast zit aan de wortels, woorden die zo waar en vers zijn dat het lijkt alsof ze op springen staan zoals de knoppen in de lente, woorden die in bloei staan en elk jaar opnieuw vruchten geven aan de lezer, woorden die houden van de natuur?

Thoreau kent geen gedichten die het verlangen naar de wildernis echt goed uitdrukken. Zelfs de beste poëzie vind hij matig in dit opzicht. De Griekse mythologie komt het meest dichtbij, een mythologie die de oogst was van de antieke wereld voordat deze uitgeput werd en de inbeelding en verbeelding verteerd werden. Een mythologie die nog steeds werkt wanneer haar zuivere zeggingskracht de ruimte krijgt.

Het westen moet zijn verhalen nog toevoegen aan die van het oosten. De valleien van de Ganges en de Nijl wierpen hun literaire vruchten af en het valt te bezien of de Amazone en de Mississippi dit ook zullen doen. Misschien ontstaat er ooit een inspirerende Amerikaanse mythologie. Misschien wordt de Amerikaanse vrijheid ooit een inspirerend verdicht verzinsel uit het verleden.

Hoe dan ook, goede dingen zijn wilde dingen. Een stuk muziek dat klinkt als een zomeravond of als het roepen van een wild dier uit het woud bijvoorbeeld. Thoreau houdt er van als een huisdier nog iets laat zien van zijn oorspronkelijke wildheid zoals een koe in de weide die op een lentedag een rivier inspringt. Er is nog iets van instinct bewaard gebleven. Hij hoopt dat ook de mens iets van zijn wilde trekken bewaart.

Een wild paard moet gebroken worden voordat hij de knecht van een mens kan zijn. De meeste mensen worden tam geboren maar dat betekent niet dat degenen die een beetje wilder zijn gebroken moeten worden. Je hoeft een tijger niet te temmen en ook hoef je niet, andersom, een schaap te laten verwilderen. We moeten ruimte geven aan het kind in ons en niet te snel de aangepaste volwassene willen zijn. We moeten niet elk onderdeel van een mens willen cultiveren zoals we ook niet alle aarde moeten willen cultiveren. Een deel van de aarde kunnen we bebouwen maar het grootste deel moet niet in gebruik zijn zodat de schimmels hun weg weten te vinden.

Voor ons ligt de uitgestrekte, woeste, zwevende moeder natuur, die ons overal omringt, met zo’n schoonheid en genegenheid voor haar kinderen, zoals een luipaard dat heeft; en toch maken we ons los van haar en wenden ons richting de mensen maatschappij die een beschaving produceert die bestemd is om snel te eindigen.

Het mooie van onwetend zijn

Spanjaarden hebben een goed woord voor wilde en schemerige kennis ‘grammatica parda’, een soort van aangeboren gevatheid. Kennis is macht zegt men maar er is volgens Thoreau naast nuttige kennis ook nuttige onwetendheid of schone kennis, een kennis die bruikbaar is in hogere zin. Nuttige kennis maakt ons verwaand, we scheppen op met die kennis maar we zijn beroofd van de voordelen van onwetendheid. We verzamelen een ontelbare hoeveelheid feiten, slaan deze op in ons geheugen maar als er een lente in ons leven komt en we rondstruinen zoals een paard in de wei, dan willen we vers gras en geen hooi. Eet gras, je hebt lang genoeg hooi gegeten!

Met wie heb je liever te maken? Met een mens die over een onderwerp niets weet en die, wat uitzonderlijk is, weet dat hij niets weet òf met de mens die wèl iets van het onderwerp weet en meent dat hij er alles van weet?

Thoreau heeft een onophoudelijk verlangen naar kennis maar baadt zijn hoofd graag in het onbekende. Het hoogste waar we volgens hem naar moeten streven is niet zozeer kennis maar een ingenomen zijn met intelligentie, een ingenomen zijn met momenten waarop de mist plaats maakt voor de zon.

Er zit iets slaafs in het volgen van de regels. We kunnen wetten en regels bestuderen maar er zijn geen regels voor een succesvol leven. Leef vrij, kind van de mist! Want dat zijn we allemaal; kinderen in de mist. De mens die vrij is staat boven de wet, juist op grond van zijn verhouding met de wet. Volgens een oude Indiase tekst is het onze plicht om actief kennis te vergaren die ons bevrijdt. Alle andere plichten zijn vermoeiend; alle andere kennis is niet veel meer dan een handigheid.

Er is te weinig waardering voor de schoonheid van de natuur. We weten dat de oude Grieken de wereld Kosmos noemde, wat schoonheid of orde betekent, maar we begrijpen niet echt waaròm ze de wereld zo noemden. Thoreau ziet de natuur als een enorme en universele persoonlijkheid die wij amper kennen.

In hoeverre laat de natuur zich kennen

Thoreau wandelde veel rond de kleine stad Concord in de staat Massachusetts waar hij woonde. Hij had het gevoel dat hij leefde op de grens van de natuur waar hij af en toe in kon bevinden: “Tot een leven dat ik echt natuurlijk noem, zou ik graag zelfs een dwaallicht volgen door ondenkbare moerassen en slenken, maar geen maan of vuurvlieg heeft me ooit de weg er naartoe laten zien.”

Hij beschrijft een wandeling op het landgoed Spaulding bij hem in de buurt en ziet de ondergaande zon oplichten aan de andere kant van een statig dennenbos. Hij ziet de gouden stralen afsteken op de bospaden en fantaseert dat de paden leiden naar een of andere statige hal van een huis waar een oud en bewonderenswaardig en stralend gezin woont, bij wie de zon de dienstknecht is. Hij zag hun park, hun lusthof en verderop in het bos, hun cranberry weide. Hun huis was niet voor de hand liggend om te zien; de bomen groeiden erdoorheen. Het lijkt alsof er geluiden te horen zijn van een onderdrukte vrolijkheid. De familieleden leunen tegen de zonnestralen. Met de zonen en dochters gaat het redelijk goed. Het karrenpad van de boer loopt rechtstreeks door de hal maar dat stoort hen in het geheel niet, omdat ze in de poeltjes van de modderige bodem soms de weerkaatste lucht zien. Ze hebben nog nooit van Spaulding gehoord en weten niet dat de boer hun buurman is, ondanks dat ze hem kunnen horen fluiten wanneer hij door hun huis rijdt. Niets kan de sereniteit van hun leven evenaren. Hun wapenschild is een eenvoudig korstmos. Die is op de dennen en de eiken geschilderd. Hun zolders liggen in de toppen van de bomen. Ze doen niet aan politiek, maken geen lawaai van arbeid. Hij ziet ze niet weven of draaien. Toch hoorde hij, toen de wind ging liggen, het fijnst denkbare zoete muzikale gebrom – als van een verre bijenkorf in mei – wat waarschijnlijk het geluid van hun denken was. Ze hadden geen ijdele gedachten en niemand zag wat voor werk zij deden.

Thoreau vind het moeilijk om deze denkbeeldige familie uit zijn geheugen op te roepen. Ze vervagen onherroepelijk uit zijn herinnering, zelfs terwijl hij het over hen heeft. Steeds opnieuw probeert hij hen voor de geest te halen en probeert hij ook om zichzelf daar te herinneren. Pas na een lange en serieuze poging lukt het. Als het niet voor zulke families was, besluit hij, zou hij Concord verlaten.

Het is volgens Thoreau een goed idee om eens in een boom te klimmen. Hij heeft het een keer gedaan. Het was een hoge witte pijnboom op de top van een heuvel en door dit te doen ontdekte hij bergen aan de horizon die hij nooit eerder zag. Daarbij ontdekte hij vlak bij zich – het was tegen het einde van juni – aan de uiteinden van de bovenste takken, een paar fijne, rode bloesems. Het is de vruchtbare bloem van een boom die zich naar de hemel uitstrekt. De natuur laat deze bloesems van het woud boven het hoofd van de mensen groeien, en blijven door hen onopgemerkt.

Het is goed om in het heden te leven en geen moment van dat heden te verliezen door je met verleden of toekomst bezig te houden. De mens die zo leeft blijft niet achter; hij is vroeg begonnen en vroeg opgehouden, hij is waar hij is en in het seizoen waarin hij is, hij bevindt zich op de eerste rang van de tijd.

Thoreau zag op een dag in november een opmerkelijke zonsondergang. Hij liep samen met een vriend in een weiland, vlak bij de bron van een klein beekje, toen de zon eindelijk vlak voor het ondergaan, na een koude, grijze dag, een heldere laag aan de horizon bereikte en het zachtste, helderste zonlicht op het droge gras viel en op de stengels van de bomen aan de horizon en op de bladeren van de heesters op de heuvel, terwijl hun eigen schaduwen zich lang over de weide oostwaarts uitstrekten, alsof zij de meeldraden waren. Het was een licht dat zij zich een moment daarvoor niet hadden kunnen voorstellen. Toen bedachten ze dat dit geen op zichzelf staand verschijnsel was, een verschijnsel dat zich nooit meer voor zou doen, maar dat dit steeds opnieuw kon gebeuren, een oneindig aantal avonden en zo werd het moment nog glorieuzer.

De zon ging onder. Ze wandelden in een zo puur en helder licht dat het droge gras en de bladeren er door verguld werden, zo’n  zacht en sereen en helder licht, dat Thoreau het idee kreeg dat hij in een gouden stroom baadde, zonder een rimpeling of geruis te veroorzaken. De westkant van het bos glinsterde en de zon op hun rug voelde als een vriendelijke herder die hen die avond naar huis bracht.

Op deze manier slenteren wandelaars in de richting van ‘het heilige land’, totdat de zon op een dag helderder zal schijnen dan ooit tevoren en misschien ook zal schitteren in onze geest en ons hart en ons hele leven zal oplichten.

Wandelen in een urbane omgeving in de 21e eeuw

Thoreau was een eigenzinnig mens en een verwoed wandelaar met romantische ideeën over de natuur. Hij was de eenzame wandelaar die de natuur beleeft met onbekommerde ontvankelijkheid. Zijn essay gaf mij inspiratie voor mijn eigen wandelingen om alles achter me te laten op het moment dat ik vertrek, om in het hier-en-nu te zijn. Vanuit mijn huis kan ik de wildernis niet in, niet eens een 21e eeuws natuurgebied, maar ik probeer toch afstand te nemen van alles wat te maken heeft met onze beschaving, het haasten, het consumeren, het presteren, enz. Ik ben met mijn aandacht bij wat ik waarneem, zoveel mogelijk bij natuurverschijnselen zoals een lichtval, een rimpeling van het water, een vogelgeluid, enz. Ook neem ik waar wat ik lichamelijk voel en beleef, de ademhaling, de beweging van het lichaam en voel me met elke stap thuis. Ik loop op gebaande paden maar vermijdt zoveel mogelijk de drukte. Ik volg een inval om een ander pad in te slaan en de wandeling uit te breiden. Ik probeer verwonderd te zijn en niets te weten. Misschien ontspringt er een bron een eindje verderop. Het is inderdaad meer dan een lichamelijke oefening.

Henriette Roland Holst

In de tijd dat ik het essay van Thoreau aan het ontcijferen was, wandelde ik in een natuurgebied waar ooit de schilder Vincent van Gogh ronddoolde maar waar ook de Nederlandse dichteres Henriette Roland Holst haar toevlucht zocht en inspiratie vondt: de Oude Buisse Heide. Natuurmonumenten heeft een gedichtenwandeling uitgezet waar je acht van haar gedichten kunt lezen tijdens de wandeling. Of deze gedichten in de ogen van Thoreau de natuur goed genoeg laten spreken weet ik niet. Vermoedelijk had Roland Holst, wellicht via Frederik van Eeden wel kennis van Thoreaus geschriften, vooral van Walden.

Roland Holst gebruikte de natuur vaak als spiegel van haar gemoedstoestand. Zoals blijkt uit deze regels uit het gedicht ‘De vrouw in het woud’:

Er zijn in de duistere dichtheid
van het onzalige woud
plekken gelukkige lichtheid
waar een glazige klaarte blauwt

Tijden van groen-oase
ruischende innigheid
tusschen het heete smart-razen
als dauwdruppels geluk gespreid

Dit sonnet schreef ze na een wandeling op de Buisse Heide.

Wij togen op weg in den stillen morgen;
De glansgedrenkte nevel was nog dicht,
De dingen lagen half in hem verborgen,
Maar toen we kwamen in het volle licht,

Aan ’t einde van het Bosch en haar gezicht
De gouden zon hief uit omsluieringen,
Blonk blauw de luchtzee zonder rimpelingen,
Zuiver stonden de stammen opgericht.

Op het gele gras, langs de smalle paden
Millioenen verwonderlijk fijne draden
Fonkelend lagen in den zwaren dauw;

Soms valt een eikel niet ver van ons neder,
Een kort geluidje; even krast een kauw
Of vliegt een vogel op, dan heerscht de stilte weder.

Een ander gedicht van de gedichtenwandeling: ‘Ik kreeg de stilte weder lief’

Ik heb de stilte weder liefgewonnen:
een korte poos was ik van haar vervreemd
maar nu heb ik opnieuw haar liefgewonnen
ik mag weer drinken aan haar klare bronnen
en zwerven door haar schaduwbeemd.

Weer gaan haar dromenlanden voor mij open
waar bloeit het kruid van de herinnering
door haar zachte geuren omdropen
weet ik nauwelijks hoe de tijd verging.

Het verenigen van wildernis en beschaving

Samen met cultuursocioloog Ruben Jacobs zou ik, ondanks mijn waardering voor het essay van Thoreau en voor de Roland Holst’ gedichten die de natuur bezingen, afstand willen nemen van een al te romantische visie op de natuur.

Veel maatschappijkritische kunstenaars en filosofen zijn in reactie op de industrialisatie, de natuur gaan zien als een toevluchtsoord, een ruimte van spirituele redding en geven de natuur een intrinsieke waarde.  Zo trok onlangs ook de schrijver en ex-milieuactivist Paul Kingsnorth zich met zijn familie terug in een dunbevolkt en bosrijk gebied in West-Ierland. Hij is een beetje gaan leven zoals Thoreau.

Jacobs is het eens met een aantal aspecten die Kingsnorth aankaart en die Thoreau natuurlijk ook wel zag, namelijk dat er ten diepste iets mis is met onze beschaving (obsessie met eindeloze groei en materiële vooruitgang) en dat het leven niet om ons draait (antropocentrisme). Hij meent echter dat we met het ons terugtrekken in ‘de natuur’ terugvallen op een romantische en achterhaalde notie van ‘de natuur’.

Volgens Jacobs kùnnen we niet terug naar ‘de natuur’ want we zijn er nooit uit weg geweest. Het enige wat we gedaan hebben is dat we de natuur hebben bedolven onder een laag beton, gif, plastic en fijnstof. Hij meent dat we de wildernis en de beschaving moeten verbinden met elkaar. Hoe moeilijk dat ook is.

We zijn de natuur teveel gaan zien als een plaats waar we naar toe gaan, als iets dat exotisch, afgelegen, ergens daar verderop is. Het resultaat is zelfs dat we de natuur dichtbij huis gaan zien als ‘gemaakt’ of  ‘nep’. Dit terwijl we juist op de plaatsen waar we leven – onze achtertuin, onze daken, parken en boerderijen – onze relatie met de natuur zullen moeten vormgeven.

In een systeem dat gericht is op economische groei en winst worden zowel mensen als de natuur uitgebuit. De ‘romantische’ Thoreau had het over het uitputten van de natuur, waarna een beschaving tot zijn einde komt. Maar Thoreau had het ook over het wilde, het levende, in ons zelf en dat we dat niet teveel moeten cultiveren:

We moeten niet elk onderdeel van een mens willen cultiveren zoals we ook niet alle aarde moeten willen cultiveren. Een deel van de aarde kunnen we bebouwen maar het grootste deel moet niet in gebruik zijn zodat de schimmels hun weg weten te vinden.

Volgens Jacobs moeten we inzien dat we àltijd in de biosfeer zijn, ook als onze directe leefomgeving bestaat uit fijnstof. We moeten volgens hem af van het idee dat ‘stad’ en ‘natuur’ onverenigbaar zijn. We hoeven niet ‘de wildernis’ in om onszelf te reinigen van het vervuilde urbane leven. De uitdaging is juist om een stedelijke leefwereld te creëren waar de natuur doorheen kruist, overheen buigt en onderdoor kruipt; een stedelijke natuur.


Voorlopig moet ook ik het hebben van de stedelijke natuur. Meer dan af en toe een uitstapje naar een natuurgebied (met hekken en gebaande paden) zit er niet in. De wildernis zie ik niet vaak en dat is misschien maar goed ook gezien de schade die het toerisme daar veroorzaakt. Na lezing van Thoreau draag ik een eigen bedachte romantische wildernis met mij mee.

NB Kort na publicatie van dit bericht ontving ik een email van de Historische Uitgeverij die mij er op attent maakte dat het hele essay van Thoreau in 2018 in het Nederlands vertaald is door Edzard Krol. Een bespreking hier van is te vinden op de site van het Nexus Instituut: Thoreau Wandelen.

De vlaamse filosoof Dirk de Schutter waardeert net zoals ik het positieve van Thoreau’s natuurervaringen, zie: http://www.dirkdeschutter.com/wandelen-henry-david-thoreau/.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychologie, proza en poëzie, Psychotherapie