Tagarchief: dialoog

Het kind in de systeemtherapie

Dit is het thema van de eerste dag van een cursus die ik momenteel doe. We moeten er aardig wat vakliteratuur voor lezen. Gelukkig had ik er meteen iets aan voor de dagelijkse praktijk. Alleen al het voorwoord van John Burnham bij het boek van Jim Wilson: ‘Child-focused practice. A Collaborative Systemic Approach’ was inspirerend.

Burnham belooft in zijn voorwoord namelijk dat Wilson verder zal gaan dan het beschrijven van verschillende therapeutische technieken. Hij zal ook schrijven over wat je als therapeut achteraf leert van een sessie, hij zal het hebben over het stoppen van een sessie als je die niet productief vindt, over hoe je je eigen tekortkomingen kunt toegeven zonder het vertrouwen van de cliënt kwijt te raken, over hoe je eigen ervaringen kunt delen, enz. Al deze niet zozeer technische zaken houden me inderdaad bezig.

Maar Wilson zal wel degelijk therapeutisch gereedschap aanreiken vooral om op een zodanige manier met kinderen te werken dat hun mogelijkheden om invloed uit te oefenen op hun eigen leven bevorderd worden en ook om op een manier met volwassenen te werken dat hun vaardigheden om voor kinderen te zorgen nieuw leven krijgen ingeblazen en natuurlijk zal hij het hebben over hoe je ruimte kunt scheppen voor een betere communicatie tussen kinderen en volwassenen.

Ik pluk een aantal dingen uit de eerste hoofdstukken die een gezinstherapeut verder op weg kunnen helpen.

  • Hoe je over een gezin nadenkt wordt niet alleen bepaald door wat de ouders jou er over vertellen.
  • Het verhaal van de ouder moet niet de enige waarheid worden.
  • Welk woord geeft het kind aan het probleem?
  • Niet alles wat je tijdens een sessie opmerkt hoef je meteen naar voren te brengen.
  • Probeer een algemeen beeld van het leven van het kind te krijgen.
  • Probeer het verlangen van de ouder om de problemen van het kind te beschrijven uit te stellen.
  • Praat over hun leven binnen en buiten het gezin.
  • Hoe vinden ze het om hier te zijn?
  • Probeer een beeld te krijgen van de sterke punten van het gezin.
  • Verwacht niet dat kinderen het over hun gevoelens zullen hebben.
  • Vraag het kind eerst of je het kunt hebben over een pijnlijk onderwerp.
  • De eigen beschrijving van de zorgen die het kind heeft kun je verweven met die van de andere gezinsleden.

Een mooie beschrijving van een stukje gesprek:

One reluctant young teenage boy was brought to therapy by his mother but refused to be drawn into ‘problem talk’, despite his mothers prompting. I quickly turned my attention to non-problem areas of his life. I asked if I could hear more about his life “to help me get a bigger picture”. He reluctantly agreed and after some prompting he told me that one of his pastimes was playing the guitar. I secretly lit up inside because playing the guitar is one of my personal passions and asked him more about his interest in music. He described a number of musicians from an era well before he was born. When I asked him how he became so interested in music, he explained that his father had given him many records which he still listened to. This allowed the beginnings of a discussion about the importance of his father: he had committed suicide eighteen months earlier, and since then the boy had not talked to anyone about his relationship with his father.

Wilson neemt nogal wat gesprekken op en legt uit aan de gezinnen dat de opnames hem helpen om te kijken naar hoe hij met hen praat. Eerst vraagt hij hier natuurlijk toestemming voor. Enkele grondregels zijn voor hem dat iedereen het recht heeft om mee te praten maar ook om te zwijgen. Het is maar goed ook dat de meeste mensen goed nadenken over aan wie ze hun zorgen vertellen!

Je mag als therapeut niet in de ‘expert’ positie gaan zitten die de kinderen wel eens aan het praten zal krijgen omdat je de ouders niet teleur wil stellen. Therapie moet niet een krenkende of tenenkrommende ervaring worden. Je kunt wel zoeken naar andere woorden die achter de verwijten liggen. Want verwijten zijn er vaak.

Basisregels

Als er veel verwijten zijn kun je familieleden een keer apart uitnodigen. Wilson wil eventueel wel de scheidsrechter zijn maar als de regels van de scheidsrechter worden overtreden en er aan de verwijten geen einde komt dan stopt hij de sessie. Je hoeft als therapeut geen held te zijn.

Je onderzoekt hoe de verschillen of conflicten geuit kunnen worden en hoe deze nuttig kunnen worden. Waar je op moet letten is dat sommige manieren van praten vernederend kunnen zijn of een gezinslid ernstig in verlegenheid kunnen brengen en hier ligt dan ook een grens of grondregel waaraan je iedereen moet houden. Mochten deze basisregels zijn overtreden dan kun je daarvoor je verontschuldiging aanbieden. Je hoeft hierbij andere gezinsleden niet te beschuldigen; je kunt gewoon toegeven dat jij een therapeutische vergissing maakte zonder daarin jezelf weer te vernederen. Vergissen is menselijk.

Als de gemoederen hoog oplopen en je jezelf ‘niet meer kunt horen denken’ maak je enkele kalmerende gebaren of opmerkingen, ga je zachter praten en herinner je iedereen nog even aan de basisregels zoals dat er zo weinig mogelijk door elkaar gepraat wordt en dat jij als therapeut niet naar iedereen tegelijk kunt luisteren en niet alle details kan onthouden.

Vragen die je aan kinderen kunt stellen

Open vragen zijn voor kinderen moeilijker dan meer-keuze vragen. Een leuke meerkeuze vraag van Wilson aan een 11 jarig meisje:

Clare, do you think that being brought here was more like being brought to see the headmaster for doing something wrong… or the dentist because you had a toothache… or would be a little bit worrying but sort of OK… or something else?

Als je toestemming hebt om over pijnlijke dingen te vragen kun je nog vragen of je vraag OK is of stom. Je kunt vragen hoe het kind er over praat met zijn vrienden. Je moet niet gaan interpreteren maar je mag wel raden naar emoties of gedachten. Over de vader die zelfmoord pleegde (zie hierboven) vroeg Wilson:

“I imagine your dad must have been very unhappy with himself to decide he would take the pills.”

“I imagine he locked himself in the bathroom so nobody would be able to stop him from swallowing them. He must have been sure he wanted to take them.”

Je kunt wel raden naar emoties maar je mag niet dramatiseren. Eventueel kun je gevoelens opschrijven in een wolk boven een tekening van de familieleden. Zo worden de gevoelens los gezien van het individuele gezinslid en worden ze een systemisch fenomeen. Een wolk is een mooie metafoor want een wolk kan ook weer overwaaien, leeg regenen of opgelost worden door zonneschijn. Je kunt het over gevoelens hebben met werkwoorden en vragen naar wat het kind doet als het verdrietig of boos is. Geef kinderen altijd de mogelijkheid om niet te antwoorden op een vraag.

Vertalen in kindertaal

Er is een verschil tussen de taal van volwassenen en kinderen. De betekenis van volwassen woorden kan zelfs duidelijker worden in kindertaal. Bijvoorbeeld:

Appropriate                                       ‘right thing to do’

Appointment                                     ‘when we meet again’

Boundary                                            ‘not giving in, saying ‘yes’ or ‘no’

Anxious                                               ‘worried, nervous’

Depression                                         ‘sad, down’

Confusion                                           ‘just don’t know what to think’

Communication                                ‘talk’

Relationship to                                  ‘how you get on with’

Reflecting Team                                ‘our listeners’

Speculation                                         ‘guess’

Acting out                                            ‘what you do when you have a problem’

Reflection                                            ‘what i think, feel’

Context                                                 ‘all the things and people important to us’

Genogram                                            ‘family tree’

Interaction                                           ‘what he or she does and what you do back’

Outcome                                               ‘what happened at the end’

Help mensen als therapeut om te bedenken dat je kunt verschillen van de anderen in het gezin zonder dat men daarom niet meer van je houdt. Vraag: Hoe kun je verschillen en toch om elkaar geven?

Je kunt raden naar de reactie van een ander, hoe een soortgelijk probleem in de toekomst opgelost gaat worden, raden naar wat er moet gebeuren zodat het probleem verdwijnt, raden naar wat het gezin gaat doen als het probleem is opgelost, raden naar hoe er met een probleem zou zijn omgegaan in de tijd dat de ouders zelf jong waren. ‘Wat als’ vragen tillen gezinsleden op naar een ander tijdsbestek.

Je kunt vragen naar de sterkte van een probleem op een schaal van 1 tot 10. Je kunt gebruik maken van metaforen in je vragen. Een jongen van 12 had schuldgevoelens die bij elkaar wel een ton wogen. De volgende sessie vroeg Wilson of de jongen nog wat had kunnen wegbikken van het gewicht. In een gezin waar de vader ergens anders is gaan wonen brengt Wilson in dat in die situaties gezinsleden zich vaak voelen alsof ze in het diepe gegooid zijn. Aan een van de kinderen vraagt hij: “Hoe diep denk je dat iedereen zich erin gegooid voelt?” “Is je vader aan het rond spartelen, naar adem happend of zwemt hij ver vooruit je?” “Heb je het gevoel dat je bijna verdrinkt of ben je bezig naar het ondiepe te zwemmen?”

Wilson gebruikt de metafoor van twee eilanden: ‘Lost Island’ en ‘Found Island’, en hij tekent twee grote cirkels op een vel papier. Iedereen kan potloden pakken. Nadat ze hebben getekend wat er op die eilanden te vinden is begint hij samen met het gezin een brug te tekenen tussen de twee eilanden… Hoe ziet die brug er uit? Hoe groter de verschillen hoe mooier de brug?


 

We kregen een artikel van Peter Rober te lezen: ‘Kindertekeningen in de gezins-therapeutische sessie’ uit het Tijdschrift voor Systeemtherapie, 2006, jaargang 16, nr 4.  Rober biedt een dialogische benadering van het onderwerp. Gezinstherapie is volgens hem een dialoog over dingen die moeilijk zijn. Hij wil ruimte maken voor dingen die nog niet gezegd zijn.

Dialogisch in dit geval is dat niet zozeer de achterliggende betekenis die de expert heeft van de kindertekening van belang is, maar dat de dialoog tussen alle betrokkenen over de betekenis van de tekening van belang is. De therapeut probeert een gesprek op gang te krijgen waarbij zoveel mogelijk betekenissen ruimte krijgen. Je bent nieuwsgierig en wil graag over de tekening praten. Je geeft je associaties bij de tekening en het kind kan afwachten of reageren. Dit is veiliger dan een ondervraging over de tekening. Welke associaties hebben de anderen? Dan vraag je naar de relevantie voor de therapie.

Rober heeft ook een dialogische visie op communicatie. Taal is een instrument om ons samenleven te structureren en onze handelingen te coördineren. De therapeut gaat niet in op de inhoud maar bouwt het verhaal van het gezin uit. Begrijpen is praktisch verder kunnen uitwisselen. Is een emotie bespreekbaar? Je ontwikkelt samen met het gezin een context van veiligheid waarin onzekerheid verdragen kan worden en exploratie mogelijk is.

De therapeut nodigt uit om samen betekenissen te onderzoeken maar er is ruimte en aandacht voor aarzelingen.


Ook lazen we van Diane Gehart: ‘Creating Space for Children’s Voices: A Collaborative and Playful Approach to Working with Children and Families’. Gehart maakt er net als Wilson een punt van dat we ruimte moeten maken voor de kinderstem in plaats van dat we ouders laten vertellen hoe lastig hun kind is.

Kinderen hechten andere betekenissen aan gebeurtenissen dan volwassenen en kinderen willen niet praten maar iets doen, iets meemaken. Naast woorden hebben ook handelingen betekenis. Kinderen leren wat OK is en leren sociaal te navigeren door acties en reacties.

Door acties en reacties, over en weer, creëren mensen, meestal zonder dit te beseffen, een voortdurende zee aan mogelijkheden en beperkingen, aan privileges en aanspraken, aan feedback, enz. In de kindertijd leren we dit door acties en later meer door woorden. Gezinstherapeuten zouden minder afhankelijk van woorden moeten worden.

Kinderen zijn het ‘gezonde verstand’ nog aan het ontwikkelen. Het gebrek aan ‘gezond verstand’ moet gezien worden als een bron van verandering. De therapieruimte moet kindvriendelijk zijn. We moeten de tijd nemen om naar het kind te luisteren. De therapeut moet echt nieuwsgierig zijn naar het wereldbeeld en het perspectief van het kind en niet in de expert positie gaan zitten. Hoe geeft het kind betekenis aan zijn ervaringen, zowel binnen als buiten het gezin?

De therapeut mag komen met gepaste maar ongewone reacties want die kunnen leiden tot reflectie of tot nieuwe zienswijzen. Die ongewone reacties hoeven niet verbaal te zijn, soms teken je iets, of schrijf je een woord op een bord of zeg je iets tegen een pop of maak je gebaren. Als je met een kind of een puber het gevoel hebt de plank mis te slaan vraag dan of het wel gaat over waar het over moet gaan.

Unieke wijzen van vertellen vinden plaats in een zandbak, een tekening of een poppenhuis. Soms wordt daar de interne dialoog zichtbaar. Gehart maakt gebruik van samen gemaakte bordspelen waarbij gezinsleden zelf gemaakte opdrachten krijgen of vragen moeten beantwoorden als ze op een bepaald vakje komen met hun pion. Opdrachten kunnen zijn: Vertel een leuke familieherinnering, deel iets van wat je waardeert in een ander familielid. Vragen kunnen zijn: Wat hoop je ten aanzien van…? Wat is je grootste zorg over…? Je kunt gebruik maken van poppen en rollenspelen.

Als gezinsleden elkaar niet laten uitspreken kun je een bal gebruiken. Wie de bal heeft mag spreken.

Expressie in tekeningen of klei resulteren in beelden die meer zeggen dan 1000 woorden. Eindeloze en wonderlijke mogelijkheden komen voort uit de kinderstem.

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Systeemtherapie

Dialoog in tijden van wantrouwen

IN SOMMIGE GEZINNEN IS WANTROUWEN DE LUCHT DIE MEN INADEMT

Dit bericht is gebaseerd op een artikel van Linne de Loof (klinisch psycholoog en contextueel systeemtherapeut) in het blad Systeemtherapie deel 3 2016: ‘Op de fiets naar school – Dialoog in tijden van onbetrouwbaarheid’. Hier een samenvatting en bewerking van dit artikel.

Gezinnen die zo erg vastlopen dat elk gesprek een risico vormt om een slagveld te worden, kloppen soms aan bij de hulpverlening. Dit doen ze in de hoop dat ze opnieuw met elkaar kunnen praten zonder steeds opnieuw gekwetst te worden. Maar dit is geen eenvoudige opdracht voor de hulpverlener.

Het klimaat van wantrouwen maakt namelijk dat elk gesprek een gelegenheid is om opnieuw uit te halen naar elkaar, om opnieuw gekwetst te worden en elkaar zodoende nog meer te verliezen. Het spreken is zowel het doel als de valkuil van de behandeling.

Hoe kun je gezinsleden weer met elkaar laten spreken zonder een herhaling van de strijd en zonder te verzanden in het toedekken van de moeilijkheden?

In een goede  dialoog reikt men uit naar de ander, maar niet ten koste van zichzelf. In zo’n dialoog ben je aanwezig maar niet ten koste van de ander. We maken onze behoeften kenbaar, onze lasten en inzet terwijl we rekening houden met de behoeften, lasten en inzet van de ander. Jezelf tonen en contact maken met de eigenheid van de ander vraagt om kwetsbaarheid.

Hoeveel kwetsbaarheid kun je verwachten wanneer er stevige barsten zitten in de relatie? Hoe veilig is het om kenbaar te maken wat je nodig hebt als je er niet langer op kunt vertrouwen dat de ander jou graag ziet?

In sommige gezinnen of relaties kan onbetrouwbaarheid de lucht zijn die men inademt. De weg hieruit loopt langs de ontmoeting. Het helpen van cliënten om weer met elkaar te spreken houdt echter een risico in op nieuwe schade. Hierin zit de evenwichtsoefening voor de hulpverlener.

Ruimte maken voor het nog-niet-gezegde

Het doel is niet het spreken op zich. Het heeft geen zin om cliënten opnieuw te laten vertellen wat ze elkaar gisteren verweten. Het doel is om ruimte te maken voor het nog-niet-gezegde. Hoe krijg je het voor elkaar dat de cliënten in een nieuw verhaal kunnen stappen waarin ze de moeilijkheden niet uit de weg gaan en elkaar toch kunnen verdragen?

Cruciaal hierbij is volgens Linne de Loof dat de hulpverlener de leiding over het gesprek neemt en garandeert dat de gespreksruimte veilig is. Hoe de hulpverlener dit kan doen laat zij zien aan de hand van een casus waarin de moeder en de dochter in een gezin heel moeilijk tot een dialoog komen.

De hulpverlener waakt over de veiligheid en vraagt: ‘Wat gebeurt er nou tussen jullie?’

Het wantrouwen ligt op de loer in elk gesprek. Bij elke uitspraak van de ander verwachten de gezinsleden een verwijt. Ze hebben het verwijt al zo vaak ervaren dat ze niets anders meer kunnen horen. Ze gaan voortdurend in de verdediging. Intenties van zorg en begrip zijn verloren gegaan. Kwetsbaarheid tonen hebben de gezinsleden afgeleerd, terwijl ze er zo naar verlangen. Ze snakken naar een dialoog. En de dialoog is ook de enige manier om de strijd te stoppen. Hoe kunnen zij weer in contact staan zonder elkaar te kwetsen?

De hulpverlener moet heen en weer lopen op het strijdtoneel om deze en gene uit te nodigen om de wapens en de schilden neer te leggen. Om op te houden elkaar af te slachten en/of in de verdediging te gaan.

De hulpverlener nodigt steeds opnieuw uit om iets vertellen over je behoeften, over je lasten en inzet maar vaak kennen de gezinsleden deze niet. Toch ligt in elke snauw, in elk weglopen een diepere emotie, een onderliggende behoefte. De hulpverlener daalt elke keer weer af samen met de cliënten van de secundaire emoties naar de primaire emoties. Daarin neemt h/zij de leiding.

Van de inhoud naar de verhouding

De kunst is dat je als hulpverlener niet verdwaalt in de inhouden die de cliënten naar voren brengen maar dat je je richt op het proces. Je nodigt de cliënten steeds weer opnieuw uit om het te hebben over wat er tussen hen gebeurt.  Je nodigt hen steeds weer opnieuw uit om over te stappen van het inhoudelijke niveau naar hoe zij zich tot elkaar verhouden.

Je laat een moeder niet steeds herhalen dat ze het beu is dat haar dochter wederom te laat was of dat haar man niet streng genoeg is tegen de kinderen. Je laat haar vertellen dat ze het gevoel heeft dat ze niets meer te betekenen heeft als moeder of dat ze met het idee rondloopt dat zij en haar man geen team meer vormen als ouders. Dat kan de diepere laag zijn van haar ervaring en als deze moeder daar contact mee maakt in aanwezigheid van de anderen is er een aanzet tot dialoog gecreëerd.

De cliënten overstijgen het dagelijkse conflict wanneer ze spreken vanuit zichzelf (de ik-boodschap), vanuit wat zij ervaren en nodig hebben. Als ze spreken vanuit die ervaring en die behoefte dan verschilt dat enorm van het spreken over wat de ander zou moeten doen en waarin die tekortschiet (de jij-boodschap). Met het spreken vanuit de eigen ervaring en behoeften valideren zij zichzelf: ‘dit ben ik, hier verlang ik naar.’ Ze bakenen zichzelf af: ‘Ik wil dat jij luistert naar mijn verhaal en ik verwacht dat jij er rekening mee houdt. Àls de ander dit kan horen kan er een ontmoeting, een dialoog ontstaan.

Het is de taak van de hulpverlener om een klimaat te creëren waarin de andere gezinsleden iets kunnen horen van de uitgesproken noden van de ander.

Een scene uit de casus

Hier een aantal fragmenten uit het gesprek van de casus van Linne de Loof. De moeder heet Veerle, de dochter Elena. De hulpverlener zegt:

‘Ik ga jullie nogmaals onderbreken. Ik heb mij blijkbaar niet zo goed uitgedrukt, Veerle. Vertel eens waarom het belangrijk is voor jou dat Elena zelf naar school gaat en jij alleen naar jouw werk rijdt. Waarom jij dit wil, los van wat Elena moet doen.’

De hulpverlener gaat tussen de twee strijders staan, zij blokkeert de aanval van de dochter zodat de moeder terug kan spreken over datgene wat haar werkelijk raakt. De moeder zegt terwijl de tranen in haar ogen springen:

‘Het is het enige moment van de dag dat van mij is. Het is ’s ochtends altijd zo’n stress en dan stap ik in mijn auto en hoef ik even niets te regelen voor niemand. Gewoon rijden.’

De uitputting staat op haar gezicht te lezen. De dochter (die wil dat haar moeder haar een lift geeft naar school):

‘Wat is dat nu?! Tien minuutjes in de auto?!

De puber in de aanval. Meteen ziet de hulpverlener dat de moeder haar wapens weer naar boven haalt. Ze wacht hier niet op en brengt moeder en dochter terug naar de boodschap onder de strijd:

‘Elena, jouw moeder probeert iets te zeggen over wat zij nodig heeft. Ik vind het belangrijk dat je daar naar luistert. Gaat dat lukken?’ ‘Oké.’

De hulpverlener richt zich tot de moeder:

‘Je vertelt me dat die ochtendrit jouw moment is. Voor even niet beschikbaar zijn’.

De moeder:

‘Het is zoveel stress. Ik weet het soms niet meer. En dan heb ik echt nodig dat ik voor ik op mijn werk kom even op adem kan komen.’

Er is een vraagteken te zien op het gezicht van Elena. De hulpverlener:

‘Snap je wat je moeder hier vertelt?’

‘Nee, echt niet. Het is toch maar tien minuutjes rijden?’

Haar stem klinkt wat zachter. De hulpverlener ziet hierin een aarzelende stap richting de dialoog. Moeder en dochter komen voorzichtig boven hun schild uit en kijken of het veilig genoeg is. Nu mag de hulpverlener niet loslaten omdat dan de kans dat de strijd weer oplaait groot is. Ze probeert het een en ander voor Elena te vertalen:

‘Weet je nog dat we het vorige keer hadden over jouw emotionele sneltrein? Die trein racet rond en je ouders rennen er achteraan. Je moeder vertelde dat ze weet dat jij dan extra aandacht nodig hebt. Maar om die aandacht te kunnen geven heeft zij momenten nodig voor zichzelf. Die tien minuten in de auto zijn nodig om er voor jou te kunnen zijn als je haar echt nodig hebt.’

Elena vraagt vol ongeloof:

‘Maar dat kan toch niet helpen?’

Haar moeder is snel met haar antwoord:

‘Jawel Elena, dat helpt mij.’

Haar beschuldigende wijsvinger is nergens te bespeuren. Een broze ontmoeting komt tot stand. De hulpverlener zoekt nog naar een verbinding, naar een reden om de schilden en de wapens op de grond te leggen:

Je hebt vorige keer gezegd dat jouw ouders jou niet snappen als je het moeilijk hebt en dat je dan rust nodig hebt. Zij kunnen op dat moment niet weten wat jij nodig hebt. En niemand, ook jij niet , kan beslissen wat jouw moeder nodig heeft als zij stress heeft.’

Twee mensen die elkaar aankijken

Dit is een moment van dialoog. Twee mensen die elkaar aankijken. Vaak schrikken ze van wat ze dan zien. De dochter vindt het niet leuk dat haar moeder tien minuten in de auto nodig heeft, omdat ze anders uitgeput raakt van al het zorgen voor haar. Ze zou haar moeder liever minder kosten. Toch kiest ze niet opnieuw voor de aanval. Haar moeder toont zich aan haar. Het vertrouwen dat het zichzelf tonen veilig kan zijn en dat je dan kunt krijgen wat je nodig hebt, begint te groeien. Zo kun je beginnen te ervaren dat je gezien wordt en dat je er mag zijn zoals je bent.

De leiding nemen en ‘de kogels opvangen’

Toen dit gezin aanklopte bij de hulpverlening waren ze niet meer gewend om hun kwetsbaarheden te verwoorden. Het voelde vertrouwd om zich af te sluiten, kwaad te worden, weg te lopen of elkaar te kwetsen. Om van de langs elkaar heen lopende monologen te komen tot een dialoog, had het gezin leiding nodig. De gezinsleden hadden het nodig dat er aan de verwijten een halt toegeroepen werd en hadden de uitnodiging nodig om vragen te stellen en te luisteren naar elkaar. Telkens wanneer zij de weg van het wantrouwen insloegen moesten zij uitgenodigd worden om te kiezen voor de dialoog

De hulpverlener kan veiligheid bieden door de scherpe kanten van het wantrouwen op te vangen. ‘Catching the bullet’, noemt de Amerikaanse systeemtherapeut Sue Johnson dit. De kogel opvangen. Het gezinslid dat eindelijk iets durft te tonen van zijn worstelingen kan namelijk gemakkelijk als beloning een honende uitspraak van een ander gezinslid terugkrijgen. Die aanval moet de hulpverlener opvangen.

Als de hulpverlener deze kogels laat rondvliegen zegt hij eigenlijk dat het goed is om zo met elkaar om te gaan en voedt hij op die manier de destructieve interacties.

Wanneer een moeder in het bijzijn van haar zoon zijn vader bekritiseert zonder dat de hulpverlener haar hier een halt toeroept, geeft die hulpverlener aan dat de gespreksruimte een plaats is waar je elkaar kan en mag schaden. Het is lastig om cliënten hierop te wijzen maar zonder die begrenzingen krijgen de cliënten niet de garantie dat de gespreksruimte veilig is en zal het gezin niet in een dialoog komen.

Als de dialoog op gang gekomen is rest er alleen nog het vertrouwen in het proces. Als ieder gezinslid woorden kan vinden en uitspreken over wat hem raakt en waar hij naar verlangt en als h/zij merkt dat er momenten zijn dat de anderen dit horen en zijn eenzaamheid zien dan doet de dialoog de rest. Dan komt het gezin in een verhaal waarin ze voor elkaar beschikbaar zijn.

tightrope_walker_by_august_macke_poster-rb25d049dac07409c9b88802e066bd06d_wvc_8byvr_324

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Systeemtherapie