Tagarchief: narcisme

De waarheid van Trump

Een van de psychologisch spelletjes die de nieuwe president van de Verenigde Staten, Donald Trump, speelt wordt in Amerika ‘gaslighting’ genoemd. Dit is het geestelijk manipuleren van iemand totdat diegene gaat twijfelen aan zijn eigen geestelijke vermogens. Hoe Trump dit doet wordt beschreven door Frida Ghitis van CNN.

Hier werd ik op gewezen door de journalist en filosoof Rob Wijnberg van de Correspondent die onlangs schreef over de ‘post-waarheid’ samenleving waarin we terecht lijken te zijn gekomen sinds de verkiezing van Trump.

De onbeschaamdheid waarmee Trump halve waarheden en hele leugens verkoopt leidt tot een gevoel dat de ‘waarheid’ irrelevant is geworden. Maar wat ìs waarheid vraagt Wijnberg zich af.

Vier soorten waarheid

Volgens Wijnberg waren er lange tijd drie soorten waarheid: 1. De gegeven waarheid (het geloof). 2. De gevonden waarheid (de kennis) en 3. De zelfgemaakte waarheid (interpretaties). Hoewel alle drie soorten waarheid in alle tijden en in alle samenlevingen tegelijk aanwezig zijn geweest, verschillen tijdperken en maatschappijen in dominantie van één van de typen. Tot 16oo was volgens Wijnberg de gegeven waarheid, het geloof, in het Westen dominant. Ik weet niet zo zeker of ik het hier mee eens ben want volgens mij is in het Westen een bepaald geloof nog steeds dominant namelijk het geloof in de marktwerking. Dit is weliswaar geen geloof zoals in God, Allah of het hiernamaals maar het is volgens mij tòch een geloof.

Wijnberg komt ook uit op de marktwerking. Volgens hem heeft die er voor gezorgd dat er een vierde soort waarheid is bijgekomen: De waarheid als product. Waar is wat verkoopt.

Onze informatievoorziening is sinds de jaren ’80 van de vorige eeuw steeds commerciëler geworden zegt Wijnberg. Marktwerking is niet alleen doorgedrongen in de zorg en het onderwijs maar ook in de productie van ons wereldbeeld:

Bijna alle invloedrijke informatie over de wereld om ons heen – van televisie tot boeken tot nieuwssites – is in handen van circa dertig multinationals. Bedrijven die allemaal luisteren naar de wetten van de markt en dus hoofdzakelijk gestuurd worden op kijkcijfers, oplages, advertentie-inkomsten, rendement en winst.

De waarheid als product is de waarheid waar het vaakst op wordt geklikt en het is deze vorm van waarheid die nu de boventoon voert. De opkomst van deze nieuwe soort waarheid geeft ons het gevoel dat we in een post-waarheid samenleving terecht gekomen zijn.

Terug naar het CNN artikel van Ghitis en de psychologische spelletjes van Trump.


‘Gaslighting’ 

Het werkwoord ‘gaslighting’ komt uit een film met de naam Gaslight, met Ingrid Bergman in de hoofdrol. Misschien heeft u hem wel eens gezien. Hij kwam uit in 1944.

Een echtgenoot probeert van zijn vrouw af te komen door haar perceptie van de werkelijkheid te manipuleren. Hij zorgt voor het dimmen van de gaslampen en doet dan net alsof zij het zich verbeeldt dat de lampen afwisselend meer en minder licht geven. Dit is nog maar het begin. Hij gebruikt een hele serie van waarheid versluierende technieken met het doel om haar onzeker te maken over wat wel en niet waar en werkelijk is. Uiteindelijk is het zijn doel om haar te bestelen. Ik heb de film lang geleden gezien en dacht dat hij van Hitchcock was maar hij is van Cukor.

Volgens psychologen is ‘gaslighting’ een van de favoriete praktijken van mensen met een narcistische persoonlijkheidsstoornis. Ghitis schrijft dat het knoeien met de waarheid in het algemeen toegepast wordt door de sterke mannen van deze wereld. Dictators passen het toe maar het is nu ook in de mode bij politici die in min of meer democratische landen de macht over nemen.

Trump zegt en doet dingen die hij vervolgens weer ontkent. Bij hem in de buurt wordt de waarheid vaag volgens Ghitis. Zijn technieken bestaan bijvoorbeeld uit het zeggen en doen van dingen die hij later ontkent en anderen de schuld geven van het misverstand, het geringschatten van de bezorgdheid die mensen hebben over zijn uitspraken als overgevoelig en het beweren dat de schandalige uitspraken die hij deed, grappen of misverstanden waren.

Als Trump eerst iets zegt dat door een deel van het volk schandelijk wordt gevonden stelt hij een ander deel van de bevolking tevreden en als hij het gezegde vervolgens ontkent stelt hij het andere deel van het volk tevreden. Uiteindelijk kunnen maar weinig mensen bijhouden wat de feiten zijn. Journalisten die de feiten wilden checken tijdens zijn verkiezingscampagne konden hem nauwelijks bijhouden. Zo lang was de lijst van dingen die hij zei en dan weer ontkende.

Hij raadde bijvoorbeeld zijn aanhangers aan om mensen die protesteerden op zijn verkiezingsbijeenkomsten in elkaar te slaan. “I will pay your legal fees,” zei hij. Later zei hij dat hij dit niet gezegd had.

Vlak voordat er informatie zou vrijkomen over eventuele Russische hackers die de Amerikaanse verkiezingen gemanipuleerd zouden hebben ‘tweette’ Trump goedkeurend over Julian Assange’s opmerking dat de Russen er niet bij betrokken waren. Toen Trump kritiek kreeg op het vertrouwen dat hij stelde in de leider van WikiLeaks, meer dan in de Amerikaanse geheime dienst, beschuldigde hij de media er van dat ze hadden beweerd dat hij het met Assange eens zou zijn.


Autocratische kleptocratie

Hoe gevaarlijk het is om voortdurend twijfel te zaaien maakt Wijnberg duidelijk in een volgend artikel in de Correspondent: Zo verslaan we Donald Trumps aanval op de democratie. Een gesprek bij de koffieautomaat:

‘Heb je gehoord wat Trump nu weer heeft gedaan?’
‘Ja, ongelofelijk.’
‘Alhoewel, ik hoorde ook alweer dat het niet klopte.’
‘Ja, moeilijk te zeggen inderdaad.’
‘Hmm, nou ja, benieuwd hoe het afloopt.’

Dit soort gesprekken zullen zich herhalen en precies die herhaling is volgens Wijnberg het perfecte recept voor vermoeidheid, gewenning en uiteindelijk apathie. Uit de Correspondent:

Zo kweekt nieuws de perfecte emotionele staat waarin fascistische, autocratische en kleptocratische bewegingen gedijen. Nieuws is de wieg waarin democratisch verzet in slaap wordt gesust.

Lees vooral ook dit artikel van Wijnberg over Trump want het toont op een overtuigende manier aan hoe deze president in een rap tempo de democratie aan het veranderen is in een kleptocratische autocratie. Uiteindelijk is Trump er op uit om zijn eigen entourage te verrijken en de bevolking te bestelen. De transformatie naar de kleptocratische autocratie was al aan de gang sinds het begin van de privatiseringen eind vorige eeuw maar is nu in de VS in een stroomversnelling gekomen.


Ontkenning is de hoeksteen in de relatie met de ‘gaslighter’

Ghitis verwijst naar een weblog van een Amerikaanse psychotherapeut die over ‘gaslighting’ en narcisme schrijft: Christine Louis de Canonville. Hier volgt een samenvatting.

‘Gaslighting’ is een vorm van misbruik waarbij het de bedoeling is dat er bij het slachtoffer veel angst en verwarring ontstaat tot dat deze niet langer vertrouwt op zijn eigen geheugen, waarneming en oordeel. De techniek lijkt op die van het hersenspoelen.

Het mentale evenwicht, het zelfvertrouwen, het gevoel van eigenwaarde van het slachtoffer wordt zo danig aangetast dat h/zij niet langer op een onafhankelijke manier kan functioneren. Feitelijke informatie wordt het slachtoffer onthouden. Valse informatie komt er voor in de plaats.

De slachtoffers worden steeds onzekerder en kunnen zelfs over minder belangrijke zaken geen beslissingen meer nemen. Ze worden depressief, trekken zich terug en worden in hun voelen en denken over de werkelijkheid steeds meer afhankelijk van degene die hen aan het misbruiken is. De werkelijkheid van het slachtoffer wordt op zijn kop gezet.

Het begint met enkele subtiele spelletjes waarmee ingespeeld wordt op iemands beperkte vermogen om onzekerheid of dubbelzinnigheid te verdragen. Het slachtoffer raakt in de war. Ook al vraagt die zich af: ‘Wat gebeurt hier eigenlijk?’, is h/zij toch niet geneigd om de ‘gaslighter’ te zien voor wie die is: een manipulerende narcist. Dit is de ontkenning en de hoeksteen van de relatie.

Iedereen kan slachtoffer worden. ‘Gaslichting’ komt niet alleen voor in partnerrelaties, ook in ouder-kind relaties, tussen broers en zussen, vrienden, collega’s enz. Nu in Amerika nemen velen het waar in de relatie tussen de bevolking en hun leider. Het wereldwijde gevoel van verwarring over waar het heen gaat in de wereld onder Trump is evident. Velen zijn nog in de fase van de ontkenning maar niet iedereen.

Een web van bedrog

De relatie tussen het slachtoffer en narcist verloopt in drie fasen: Het idealiseren, het devalueren en het afdanken. Gelukkig zijn de beginfasen er want dan kan het slachtoffer nog weglopen uit het energieveld van de narcist, fysiek of metaforisch. Maar je moet de fasen wel herkennen.

In de fase van het idealiseren toont de narcist zijn mooiste gezicht zodat het slachtoffer zich voegt in de symbiotische relatie waarbij de narcist voor de toevoer zorgt. H/zij zorgt voor aandacht, is lief, charmant, energiek, opwindend en leuk om mee om te gaan. Het slachtoffer geniet van elk moment in de relatie en wil net zoals de narcist ook zo heerlijk en intens leven en begint zich sterk te hechten. In zijn/haar onschuld gelooft het slachtoffer dat de narcist zich precies zo voelt en dat de relatie wederkerig is. Maar dat is bedrieglijk.

Het slachtoffer raakt emotioneel verslaafd aan de ‘gaslighter’s’ uitbundigheid en grandiose uitstraling. Zijn of haar hormoonhuishouding veranderd zelfs; endorfines worden aangemaakt in de hersenen die voor de euforische gevoelens zorgen in deze fase van de relatie. Helaas is de relatie een illusie.

De narcist kent inmiddels de sterke en zwakke kanten van het slachtoffer en de tweede fase van de relatie kan beginnen. De fase van de devaluatie. De narcist lijkt te veranderen in een koud en zelfs wreed iemand.

Gegijzeld 

In de fase van de devaluatie kan het slachtoffer niets meer goed doen. De liefdevolle woorden zijn vervangen voor kritiek. Het slachtoffer wordt bij elke stap gedevalueerd, loopt op eieren, raakt in de war, gespannen en depressief. H/zij moet steeds harder werken om de narcist te geven wat die nodig heeft. Hun narcistische drugs, de endorfines, krijgen ze niet meer.

Om het gevoel van verlating en afwijzing niet te hoeven voelen neemt het slachtoffer zijn/haar toevlucht tot allerlei overlevingsmechanismen: ontkenning, regressie, cognitieve dissonantie, enz. en raakt geïsoleerd. Wat ze ook proberen elke keer raakt de narcist gekwetst en krijgt het slachtoffer een enorme woede over zich heen zonder dat deze begrijpt waar de woede door veroorzaakt werd. Door alleen bezig te zijn met overleven wordt het slachtoffer de gegijzelde in de relatie en afhankelijk van de narcist, de gijzelaar. Dit noemt men ook wel het Stockholm Syndroom.

Onvoorspelbaarheid en onzekerheid zijn aan de orde van de dag. En dat is de situatie waar de bevolking onder Trump in terecht gekomen is. Ze hebben voor hem gekozen, hoewel daar ook enkele manipulaties aan vooraf gingen die niet alleen van Trump kwamen. Neem alleen al het buiten spel zetten van Bernie Sanders door de Democraten en het vreemde kiessysteem in Amerika. Op de keper beschouwd had Clinton de meeste stemmen. Trump heeft zijn macht niet alleen te danken aan zijn narcistische spelletjes.

Het slachtoffer van de narcist raakt in de devaluatie fase gevangen in een macabere dans met het ziekelijk grandioze ego van de narcist en vervalt in een kinderlijk gedragspatroon. H/zij is niet meer dan een schaduw van zijn/haar vroegere zelf.

De narcist veracht degene waar hij zijn/haar narcistische bevrediging uit haalt. Hoe wanhopiger het slachtoffer is hoe meer die aanlevert wat de narcist nodig heeft en hoe belangrijker en machtiger deze zich voelt. H/zij zal verbaal en fysiek steeds gewelddadiger worden. Elke beweging die het slachtoffer maakt om uit de relatie te komen is een bedreiging van de narcistische bevrediging en dus wordt elke vorm van zelfbeschikking van het slachtoffer gedevalueerd op een meedogenloze manier. De devaluatie kan plaatsvinden op verschillende niveaus; het niveau van de hechtins-behoefte van het slachtoffer, op het niveau van het uiterlijk, de seksualiteit, de intelligentie, de creativiteit, enz.

De fase van het afdanken

Uiteindelijk is het slachtoffer totaal afhankelijk geworden en de narcist is geheel onverschillig geworden voor de behoeften of wensen van het slachtoffer. Het slachtoffer wil de stervende relatie nog repareren maar de pogingen daartoe stuiten op kilte. Deze pogingen voeden het ego van de narcist nog wel maar h/zij is eigenlijk toe aan een nieuw slachtoffer.

Het slachtoffer gaat door fasen van ongeloof, afweer en depressie. Velen gaan kapot aan de relatie. Degenen die in therapie gaan laten ‘shock’, ongeloof, diepe bedroefdheid, schuld, schaamte, boosheid, angst, eenzaamheid en allerlei lichamelijke symptomen zien zoals paniekaanvallen, herbelevingen, vermoeidheid, eetproblemen, dissociatie, enz. Deze cliënten gaan door de bekende rouwfasen maar laten ook opluchting zien. Eindelijk beginnen ze te begrijpen wat er gebeurt is en kunnen ze beginnen aan hun bevrijding.


Trump gediagnosticeerd

Een Amerikaanse top psychotherapeut John D Gartner durft het aan, breekt met de ethische codes en diagnosticeert Trump als een kwaadaardige narcist. Eerder hadden drie Harvard professoren in de psychiatrie al een brief geschreven naar Obama waarin ze hun zorgen meedeelden over de geestelijke gezondheid van Trump.

Op de site van de Britse internet krant: Independant, staat een twee minuten durend filmpje waarin duidelijk gemaakt wordt hoe ook andere psychologen op de diagnose narcisme uitkomen. Alle criteria voor narcisme worden nagelopen en met beeldmateriaal ondersteund. De diagnose kwaadaardig narcisme voor Trump is overtuigend en confronterend.

Kijk vooral zelf: http://www.independent.co.uk/life-style/health-and-families/donald-trump-mental-illness-narcisissm-us-president-psychologists-inauguration-crowd-size-paranoia-a7552661.html

Het blijft ondanks alles belangrijk dat we ons realiseren dat het individualistische prestatiegerichte systeem waarin we leven, voor de narcistische persoonlijkheidsstoornis een perfecte voedingsbodem is. Zie hierover o.a. mijn bericht: Waarom we narcistischer zijn geworden.


Om met een positieve noot te eindigen hier een interview met Noam Chomsky die uitlegt hoe we met het presidentschap van Trump om kunnen gaan. Volgens hem zijn er veel mogelijkheden en is er in Amerika meer betrokkenheid bij burgerrechten en het milieu dan ooit. De meerderheid van jonge stemmers waren tegen Trump en voor Sanders. Het is een lange weg naar een beschaafde maatschappij maar er zijn volgens hem genoeg tekenen van hoop. Zeker ook de arbeiders hebben daar behoefte aan. Trump heeft hen als oplichter hoop gegeven maar het is goed mogelijk dat arbeiders zich opnieuw zelf gaan verenigen om voor hun rechten op te komen. Dat hebben we al eerder gezien in de geschiedenis.

 

 

 

 

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Persoonlijk en politiek, Psychologie

Zelfhulpindustrie is opium voor het volk

WE VOELEN ONS NIET GEZIEN EN DAT KOMT OMDAT WE TEVEEL MET ONS ZELF BEZIG ZIJN… Dit was volgens mij het thema van de Zomergasten uitzending van de VPRO met Griet op de Beeck. Haar boodschap was: Als het niet goed met je gaat en je het leven niet ziet zitten ga dan in therapie. Het helpt! Je kunt er iets aan doen! Ga niet stil in een hoekje zitten hopen tot het beter wordt. Zoek een goede ‘shrink’ zegt Griet.

Als het niet goed met je gaat kan dit te herleiden zijn tot het ‘niet gezien zijn’ in de kindertijd. In ieder geval gold dit voor Griet zelf. En ze betoogde dat volwassenen meer naar hun kinderen moeten kijken. Hun eigen kinderen maar ook die van anderen. Dan zouden die kinderen zich tenminste wèl gezien voelen en dan konden ze ook voorbij zichzelf gaan zien. Griet legde nog uit dat kinderen àlles zien maar het niet kunnen vertellen. Volwassenen moeten kinderen daarbij helpen.

Het gaat hier om een positief circulair proces van het zien van de een, je gezien voelen door de ander, dus meetellen en dus voorbij jezelf kunnen zien en dus sociaal en empathisch kunnen zijn. Voilà! Het recept voor creatief explorerend gedrag èn voor de liefde. Een contextueel en individueel proces van veilige hechting.

Maar wat is nu eigenlijk dat ‘teveel met onszelf bezig zijn’? Er zijn kennelijk verschillende manieren waarop je met jezelf bezig kunt zijn.

Zelfontplooiing moet niet het hoogste ideaal zijn

Te veel met onszelf bezig zijn blijkt bijvoorbeeld uit de extreme focus op zelfontplooiing die tot een reusachtige zelfhulpindustrie leidde. Hierover gaat een artikel in De Groene Amsterdammer van Jop de Vrieze. Sommige critici zien zelfhulpboeken als ‘opium voor de massa’ of zelfs als ‘ritalin voor de massa’.

Zelfhulpboeken maken narcistisch zegt de Deense filosoof Svend Brinkmann:

‘Ze geven ons de indruk dat we al onze problemen kunnen oplossen door in onszelf te kijken en dat zelfontplooiing het hoogste ideaal is. Terwijl wat de meeste boeken doen niets meer is dan symptoom­bestrijding.’

Hier wordt inderdaad niemand gelukkig van en de maatschappij niet beter. Wat Griet op de Beek bedoelde met haar geloof in de maakbaarheid van het individu is dat we vooral niet passief moeten gaan zitten hopen totdat het beter gaat met ons. Daar maakt ze een belangrijk punt maar de zelfhulpindustrie maakt hier misbruik van. Die belooft het individu teveel of leidt het individu om de tuin. Die stimuleert ons mensen om te veel of op een verkeerde manier met onszelf bezig te zijn.

Er wordt in het artikel in De Groene Amsterdammer gesproken over een zelfhulpindustrie waar niet alleen goeroes en pseudo wetenschappers maar nu ook serieuze journalisten en vooraanstaande wetenschappers in bezig zijn. Naast de zelfhulpboeken zijn er natuurlijk nog de meer autoritaire groepen zoals Scientology en Landmark die tot de zelfhulpindustrie gerekend kunnen worden. Het zijn kapitalistische op winst gerichte multinationale bedrijven. Landmark erkent dat ze een onderneming zijn. Scientology niet, die zeggen dat ze een kerk zijn, om geen belasting te hoeven betalen. Dit soort groepen noemt het artikel in De Groene niet.

Dat de reguliere zorg en de reguliere psychologische hulpverlening sinds de marktwerking ook een beetje een industrie is geworden, met o.a. winst voor zorg-verzekeraars, komt ook niet aan de orde. Maar de historische context van de zelfhulpindustrie komt wèl aan de orde in het artikel.

De godsdienst is steeds minder belangrijk geworden in het Westen maar de Westerling bleek niet zonder zingeving te kunnen. Citaat uit de Groene Amsterdammer:

‘Zelfhulp voorziet in een gigantische behoefte’, verzucht filosoof René ten Bos van de Radboud Universiteit Nijmegen. ‘De opkomst ervan kun je niet los zien van zwakke regeringen, die het lot meer in de hand van de burger hebben gelegd. Zo kwam de ‘self made man’ op die zichzelf moest zien te redden. Niet voor niets is deze trend opgekomen in de Angelsaksische wereld, hand in hand met de zelfhulpindustrie.’

De ethiek trok zich terug in een ivoren toren

We hebben in het Westen veel vrijheid, maar weinig houvast.

Hoe moeten we leven? Wat is goed? Waar worden we gelukkig van? Op al die vragen poogt zelfhulp een antwoord te bieden. Volgens Ten Bos draait het daarbij steeds weer om een nieuwe hype, waar grote groepen mensen achteraan lopen. ‘Het geldt eigenlijk voor alles wat met mode, met trends en hypes te maken heeft: daar ben je alleen gevoelig voor als je niet goed weet waar je zelf voor staat.’

De Britse filosoof Alain de Botton die de School of Life oprichtte heeft een meer genuanceerde blik op de zelfhulp boeken. Hij richtte de School of Life op uit frustratie. Scholen en universiteiten van tegenwoordig leren mensen van alles voor het professionele domein, maar vrijwel geen kennis die nodig is voor het dagelijks leven. Volgens Alain de Botton werd kennis voor het dagelijks leven ook in de Oudheid gezien als relevant.

‘Lange tijd gold het zelfhulpboek in het Westen als een hoogtepunt op het gebied van literaire prestaties. De oude Grieken waren bijzonder bedreven beoefenaars. Aristoteles, Epicurus, Seneca. Christelijke schrijvers en wijsgeren zoals de benedictijnen en jezuïeten zetten deze traditie voort.’

Deugd-ethicus en filosoof Paul van Tongeren van de Radboud Universiteit Nijmegen die liever spreekt van zelfzorg in plaats van zelfhulp ziet dit net zoals De Botton als een klassieke, reeds lang bestaande beweging. De oude denkers hielden zich volgens hem vooral bezig met situaties waarin er géén evidente ‘zin’ was. Het ging niet om het vinden van de ‘zin’ maar juist om het omgaan met het ontbreken daarvan.

Toen in de achttiende eeuw het liberalisme opkwam, veranderde de focus van de ethiek. Iedereen moest zelf maar gaan bedenken wat goed en slecht voor hem was. Van Tongeren:

Het worden van een ‘goed mens’ werd niet langer gezien als een ideaal. Jezelf ontplooien was belangrijker en de vrijheid van de een hield op waar die van de ander begon. De ethiek trok zich terug in de ivoren toren. ‘Op de universiteiten werden filosofen en intellectuelen niet langer beloond om nuttig te zijn maar voor het verzamelen van feiten’, zegt Van Tongeren. ‘Er is natuurlijk niets mis met het verzamelen van feiten maar dat ging gepaard met een sterke versmalling van de ethiek en een volledige verwaarlozing van ‘het nut’.’ Voor de zingeving was er eerst nog de kerk, maar toen ook die wegviel bleef de westerse mens vertwijfeld achter. Tot daar de zelfhulpindustrie was. ‘Zelfhulp, of zelfzorg, is dus niet iets nieuws, geen modieus ding maar terug van weg geweest’.

Zelfhulpboeken geven een reflectie van welke thema’s de mensen mee worstelen. Iedere tijd heeft zijn eigen kenmerken en uitwassen en de auteurs spelen daarop in. De laatste jaren zijn we overspoeld met boeken over mindfulness, die ons ervan doordringen te leven in het nu in plaats van constant met van alles en nog wat tegelijk bezig te zijn.

Behalve een teken des tijds kunnen zelfhulpboeken ook taboedoorbrekend zijn, en geschreven met een duidelijke missie voor ogen. Een bekend voorbeeld hiervan is de Amerikaanse hoogleraar maatschappelijk werk Brené Brown, die in haar bestsellers De kracht van kwetsbaarheid en De moed van imperfectie (beide in Nederland verschenen in 2013) juist ingaat tegen de hoge eisen die we onszelf stellen en pleit voor authenticiteit en realiteitszin.

Van Tongeren:

‘Zelfhulp wordt oppervlakkig wanneer het te veel een geheel van adviezen of leefregels wordt, die niet meer ingebed zijn in een reflectie over waarom dat soort dingen voor ons relevant zijn en zich verhouden tot andere plekken en tijden.’

gr3_5b1_5d

Het onderscheid tussen goede en slechte zelfhulpboeken

Onder goede zelfzorg liggen wetmatigheden en principes verscholen. Oppervlakkige zelfhulp blijft hangen bij praktische lijstjes. Zelfhulp wordt oppervlakkig wanneer het te veel een geheel van adviezen of leefregels wordt die niet meer ingebed zijn in een reflectie over waarom ze voor ons relevant zijn en hoe ze zich verhouden tot andere plekken en tijden.

Het publiek is gaan hunkeren naar snelle oplossingen maar die zijn meestal te mooi om waar te zijn. De meest populaire boeken zijn meestal de minst goede. Boeken die meer van de lezer vragen zijn vaak minder populair.

Gedragsverandering is nu eenmaal niet makkelijk, en suggereren dat het dat wél is, is oneerlijk.

sig0801221

Cartoon van Peter de Wit

Goede zelfhulp is grotendeels beschrijvend en niet voorschrijvend. De auteur vertelt je niet hoe je je leven moet leiden maar helpt je om zelf uit te vinden hoe dat te doen, door je de juiste vragen te laten stellen en te helpen de antwoorden daarop te vinden.

Zelfs de Deense filosoof Brinkmann beaamt dat zelfhulpboeken effectief kunnen zijn, maar volgens hem is dat juist een van de problemen:

‘De toch al succesvolle, pro-actieve mensen worden nog effectiever in het bereiken van hun eigen doelen, en kijken des te meer neer op anderen die daar niet in slagen.’ Kansarme mensen hebben het vaak te druk met overleven om zich met reflectie en zelfverbetering bezig te houden, laat staan dat ze erin geloven. Zelfhulp maakt problemen per definitie individueel, terwijl ze dat vaak niet zijn. Vaak zijn problemen een gevolg van sociale structuren en ongelijkheid, waaruit een vicieuze cirkel ontstaat van op papier onverstandige keuzes. Voor deze mensen geven die boeken een vals signaal af: als je ongelukkig bent, is het je eigen schuld.

Geen ‘selfhelp’ maar ‘otherhelp’

Svend Brinkmann heeft het over zelfhulpboeken die de niet zozeer opium maar eerder ‘ritalin’ voor de massa zijn:

‘Het is een vorm van symptoombestrijding die belooft je problemen op te lossen, en wanneer gewone mensen het nemen raken ze niet verdoofd, maar worden ze hyperalert en nóg productiever. Dat is wat de maatschappij van hen verlangt.’

Vanwege deze perverse kanten zou Brinkmann het liefst de focus helemaal af halen van het individu.

‘Misschien hebben we een nieuw genre nodig. Geen ‘selfhelp’, maar iets als ‘otherhelp’. Over hoe je samen met elkaar je gemeenschap en maatschappij beter kunt maken en wat je daar als verschillende individuen voor nodig hebt.’ In feite is dat genre er zelfs al, zegt hij: ‘We hebben niet voor niets de roman uitgevonden. Welke filosoof heeft ons meer levenslessen bij­gebracht dan Charles Dickens? En tegenwoordig hebben we prachtige televisieseries, met meer diepgang, realistische dilemma’s en karakters. Daar leer je vaak meer van dan van een zelfhulpboek.’

De ethiek weer de straat op, maar niet op een vermomde manier

Toch laat Brinkmann nog wel wat ruimte over voor zelfhulp, zij het binnen een meer sociaal-­maatschappelijke context. Uiteindelijk zou het volgens hem niet moeten draaien om beter presteren of lekkerder in je vel zitten, maar om zin­geving. Om ideeën die ons leven betekenis geven. Daarmee pleit hij in feite voor een terugkeer van het moralisme. Daarin is hij niet de enige. Waar zelfhulpklassiekers als Dale Carnegie’s How to Win Friends and Influence People uit 1936 nog schaamteloos immoreel waren, zijn de zelfhulpboeken van nu weer meer moralistisch, zoals de klassieke zelfzorg dat ook was.

Deze ontwikkeling is niet alleen maar positief, aldus Van Tongeren. De klassieke zelfzorg ging over hoe mensen zich het best kunnen gedragen en wat ze kunnen doen om een goed mens te worden binnen de gemeenschap, over deugden en karaktervorming, terwijl zelfhulp binnen het liberale individualisme wordt geschreven als een persoonlijke zoektocht, het ontwikkelen van dat wat je zelf in je hebt en slechts handreikingen doet. ‘Wanneer die twee samengaan, dan ontstaat er frictie: eerst schrijf je iets voor en tegelijk zeg je dat iedereen het zelf moet weten’, zegt Van Tongeren. Hij noemt als voorbeeld de Duitse levenskunstfilosoof Wilhelm Schmid, van wie verscheidene boeken zijn vertaald in het Nederlands. ‘Je moet beseffen dat wanneer je bijvoorbeeld tips geeft over liefdes­relaties je impliciet ook aangeeft wat de waarde is van een relatie en wat de lezer zou moeten nastreven’, zegt Van Tongeren. ‘Als je dat niet expliciet benoemt is er sprake van een soort vermomd moralisme.’

Het moralisme moet dus explicieter, maar dat ligt gevoelig, zegt Brinkmann: ‘Daar zijn we sinds de opkomst van het liberalisme namelijk allergisch voor. Iedereen moest kunnen worden wie hij wilde zijn, en wie was jij om te oordelen over de ideeën en waarden van anderen? Daar komen we langzaam op terug.’ Die extreme focus op zelfontplooiing heeft ons heel veel vrijheid gegeven, maar ook een vorm van moreel relativisme die leidde tot een maatschappij waarin reputatie belangrijker is dan daden, tot kinderen die liever beroemd worden dan iets bijdragen aan de samenleving, enorme verschillen tussen arm en rijk en tot een bankencrisis waarbij vrijwel niemand de hand in eigen boezem steekt omdat vrijwel alles wat gebeurde binnen de wet viel.

De onvrede over deze uitwassen en leegheid uit zich in het maatschappelijk debat, waarin we eerst nog schouderophalend reageerden op de ‘normen en waarden’ van Jan Peter ­Balkenende, en nu volop discussiëren over waar we voor staan. Wat Brinkmann betreft voeren we dit debat volop en kijken we daarbij wat vaker in de spiegel. ‘Het is juist waardevol als we weer leren karakter te tonen en te staan voor onze fundamentele waarden, zonder dogmatisch te worden. Die middenweg moeten we zien te vinden. Met of zonder hulpboeken.’

Unknown

6 reacties

Opgeslagen onder Filosofie, Persoonlijk en politiek

Verbinding met de natuur maakt ons minder narcistisch

… HET HELPT ONS OM ONSZELF OPNIEUW TE BEGRIJPEN

Blijvend op zoek naar oplossingen voor het persoonlijk lijden dat veroorzaakt wordt door het narcisme raakte ik geïnspireerd door een artikel van Sanne Bloemink in De Groene Amsterdammer waarin een alternatief voor ons Westerse superieure mensbeeld wordt geboden. Verbinding met de natuur speelt er een grote rol in. De titel van het artikel : Mieren staan nooit in de file.

‘Als we ons superieure mensbeeld in de wetenschap overboord gooien, gaat er een inspirerende wereld voor ons open.’

Aan het woord hier is hoogleraar natuur, landschap en cultuur Erik de Jong, verbonden aan Artis en de Universiteit van Amsterdam. Hij meent dat er behoefte is aan een meer holistisch beeld van de natuur.

Het superieure mensbeeld in de natuurwetenschap vertoont overeenkomsten met het psychologische concept van het narcisme. Als systeemtherapeut leg ik de nadruk op verandering binnen relaties, posities en interacties bij het oplossen van psychische problemen. In deze vorm van therapie gaat het dus voornamelijk over verbindingen die worden onderzocht en veranderd ook als er sprake is van narcisme. Psychologisch onderzoek bewees al dat verbinding met de natuur helpt tegen depressie. Waarom zou verbinding met de natuur niet helpen tegen het narcisme?

In het psychiatrische handboek, de DSM wordt het gedrag van ‘de’ superieure mens beschreven. Bij de narcistische persoonlijkheidsstoornis spreekt men over een diepgaand patroon van grootheidsgevoelens ofwel een opgeblazen gevoel van eigen belangrijkheid. Maar ook bij andere persoonlijkheidsstoornissen komen superioriteit en gebrek aan verbinding terug: gebrek aan achting voor anderen (anti-sociaal), diepgaande instabiliteit in intermenselijke relaties (borderline), buitensporige emotionaliteit en aandacht vragen (theatraal) of diepgaande geremdheid in gezelschap (ontwijkend).

Hieronder een samenvatting van het artikel in De Groene Amsterdammer met oog voor het belang ervan voor mijn vakgebied.


Het antropoceen

Hoogleraar De Jong vindt dat de geesteswetenschappen zich net zoals de natuurwetenschappen moeten bezighouden met de natuur. De geesteswetenschappen richten zich van oudsher op de mens. Maar in het antropoceen (het tijdperk waarin we nu leven en waarin het aardse klimaat en de atmosfeer grote gevolgen ondervinden van menselijke activiteit) gaat het juist over de mens èn over zijn optreden op de aarde. Je kunt daarom het onderzoek naar de natuur en de aarde niet meer alleen vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief bezien.

De Jong citeert de beroemde bioloog Edward Wilson die in 1984 de hypothese ontwikkelde dat de liefde voor natuur in alle lagen van de samenleving voor komt en dat we deze liefde allemaal voelen. Maar het is een complexe liefde want we zijn ook bang voor de natuur. Hoe krijgt de liefde voor de natuur vorm in het antropoceen? Het is belangrijk dat dit soort vragen worden gesteld.

We hebben de ziel uit de natuur gehaald

In het Westen menen wij dat de natuur buiten onszelf staat. De natuur is onttoverd, ontzield. Het is ons decor, waarin wij ons spel spelen. Het is ons onderzoeksobject dat we kunnen meten en bestuderen. We kunnen van de natuur genieten als het past in ons ideaalbeeld van ongereptheid. Maar we kunnen de natuur ook kapot­maken als we denken dat we meer ruimte nodig hebben. Juridisch gezien hebben we de natuur ‘in bezit’. De mens is de baas. Of dénkt de baas te zijn.

Hoewel we wel weten dat in inheemse culturen heel anders wordt gedacht over de natuur en dat er daarin wèl sprake is van bezielde natuur, wordt dit door ons Westerlingen meestal weggezet als onderontwikkeld, achtergebleven en niet-wetenschappelijk.

Het bestuderen van de inheemse blik op natuur biedt ons echter een verruiming van onze blik en daar is behoefte aan. We hebben zorgen over de klimaatcrisis, we zijn bang voor de in razend tempo dalende biodiversiteit en we voelen onmacht over de verzuring van oceanen. Deze nood­toestand levert een vruchtbare voedingsbodem op voor nieuw gedachtegoed en dat begint bij een nieuw mensbegrip. Een mens die niet boven de natuur staat maar verbonden is met de natuur.

Antropologie voorbij de mens

In ‘How Forests Think’ (2013) stelt de antropoloog Eduardo Kohn de uitgangspunten van ons mensbegrip ter discussie. Hij deed onderzoek bij een inheems volk in het Amazonegebied van Ecuador en onderzocht niet alleen de manier waarop deze mensen betekenis geven aan de wereld om hen heen, hij probeerde ook te begrijpen hoe de omgeving zèlf betekenis verleent aan de mens. Hoe het oerwoud denkt, hoe honden dromen, hoe de jaguar naar ons kijkt. Hoe andere organismen ons zien doet ertoe. Dàt andere organismen ons zien verandert ons!

De mens ìs niet dat exceptionele wezen, verheven boven alle andere vormen van leven. Als we onszelf zo bekijken sluiten we onszelf af van de wereld om ons heen. We bestuderen de wereld vanuit onze menselijke betekenis-geving, vanuit onze taal, cultuur en geschiedenis. Zodoende zien we niet hoe we op talloze manieren verbonden zijn met een bredere wereld. We moeten leren denken voorbij onze menselijke taal en cultuur.

Wie denken wij mensen wel dat we zijn?

Gedragsbioloog Frans de Waal spreekt over de beperkingen van ons mensen als wezens die van alles menen te kunnen overbrengen met onze taal terwijl in feite een groot deel van onze communicatie verloopt via het lichaam. Sanne Bloemink in De Groene Amsterdammer:

Als geen ander weet De Waal de nieuwste onderzoeken naar intelligentie van dieren met elkaar in verband te brengen en samen te voegen in een coherent verhaal met als rode draad: wie denken wij mensen wel dat we zijn? Zijn boek lezend krijg je bijna te doen met die zielige mens: zichzelf op de borst kloppend blijven die narcistische wezens naarstig op zoek naar het ultieme bewijs dat ze beter zijn dan alle andere levende wezens. De enige met gevoel, met verstand, met wapens, met werktuigen.

Maar de wetenschap komt telkens met voorbeelden van dieren die dat ook blijken te kunnen. Apen gebruiken óók werktuigen, dolfijnen noemen elkaar óók bij de naam, olifanten hèbben een fenomenaal geheugen. En het wordt pas echt interessant als we kijken naar de dingen die dieren kunnen en die mensen níet kunnen. De Waal: ‘We moeten veel breder kijken, naar àlle vormen van cognitie.’ De titel van zijn boek is: Zijn we slim genoeg om te begrijpen hoe slim dieren zijn?

Het is niet eerlijk om van een eekhoorn te vragen het alfabet op te zeggen, want zo is die eekhoorn nu eenmaal niet geëvolueerd. Net zo goed als het oneerlijk zou zijn om van mensen te vragen te onthouden waar meer dan honderd verschillende nootjes verstopt liggen. De Waal zoekt naar een alternatief voor de overdreven cerebrale benadering in de wetenschap. Cognitie begint volgens hem bij perspectiefname en is waarschijnlijk gebonden aan het lichaam. Cognitie komt het als het ware voort uit empathie.

‘Neem de olifant: die beschikt over een heel ander lichaam en andere neurale vermogens om een hoge cognitie te bereiken. Zijn slurf heeft aan het uiteinde twee gevoelige ‘vingers’, waarmee voorwerpen zo klein als een grassprietje kunnen worden opgepakt, maar met die slurf kan het dier ook acht liter water opzuigen of een vervelend nijlpaard omvergooien. De olifant heeft misschien een ander soort cognitie. Zoals de mens een ‘handige’ cognitie heeft, zo heeft een olifant mogelijk een ‘slurvige’ cognitie.’

Onder invloed van de religie denken we nog steeds dat wij beter zijn, hoger geplaatst dan dieren. In de psychologie zie je dat dit idee onder invloed van de neurowetenschap aan het veranderen is. Neuro-wetenschappelijk onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat ratten net zoals wij mensen angst kennen.

Elephant kiss

‘Slurvige’ cognitie. Getty Images: Elephant kiss

Collectieve intelligentie

Het onderzoek naar intelligentie van minder aaibare dieren zoals insecten, krijgt steeds meer aandacht. Daarbij gaat het vooral om collectieve vormen van intelligentie. Hoe kan het dat termieten heuvels bouwen die honderden malen groter zijn dan zijzelf, zonder dat er een leider is die instructies geeft? Hoe komt het dat mieren nooit in de file staan? Hoe weten bijen welke baan ze hebben gekregen?

Nicholas Ouellette geeft aan de universiteit van Stanford leiding aan een lab dat onderzoek doet naar zelforganisatie in complexe systemen. Allerlei verschillende soorten dieren, zoals vogels, vissen en insecten, vertonen relatief uniform groepsgedrag. Die groepssystemen zijn robuust, want het maakt voor een zwerm niet uit of er een individu wegvalt. Het zijn zelforganiserende, leiderloze systemen, die foutjes van een individu kunnen opvangen.

Ouellette ontdekte dat mannetjesmuggen bij het horen van het geluid van een vrouwtjesmug allemaal op het geluid af gaan, maar dat ze bij het geluid van een mannetjesmug juist een bepaalde afstand hielden. Niet te dichtbij en niet te ver weg, er ontstond precies dezelfde afstand tussen alle mannetjesmuggen. Zo vormde zich de zwerm. Eenvoudige regels tussen individuele muggen, zoals de afstand die moet worden gehouden tot het andere individu, bepalen hier dus wat er uiteindelijk in het collectief gebeurt.

Onderzoek naar dit soort collectief gedrag heeft nu echt een vlucht genomen. In het bijzonder ingenieurs zijn uitermate geïnteresseerd in de uitkomsten want allerlei toepassingen waarbij collectieve zelforganisatie een rol speelt zijn denkbaar.

In haar TED-talk legt Radhika Nagpal, hoogleraar computerwetenschap in Harvard uit hoe termieten als groep een heuvel bouwen. Ze praten niet met elkaar en ze hebben geen leider, maar ze gebruiken de omgeving om te weten wat ze gaan bouwen en hoe. Er zijn robots gebouwd die door middel van allerlei sensoren de zintuigen van de termiet nabootsen en daarmee kunnen reageren op hun omgeving. Deze kunstmatige systemen kennen dezelfde regels van zelforganisatie als de termieten en bieden een oneindig aantal toepassingen. Voordat Nagpal dit kon doen moest ze zich openstellen voor de specifieke situatie van de individuele termiet en voor de cognitie die ontstaat in het collectief als gevolg van de regels tussen die individuen. Ze moest het perspectief innemen van de bouwende termiet.

Cognitie van planten, bomen en bossen

Boswachter Peter Wohlleben legt uit hoe bomen met elkaar communiceren, hoe bomen voor elkaar zorgen en met elkaar een gezond bos vormen. Er wordt door wetenschappers gesproken van het ‘wood wide web’. Wohlleben spreekt in antropomorfe termen over bomen om zijn punt te maken. Zo hebben bomen ‘kinderen’ die ze ‘voeden’, ze vormen ‘vriendschappen’ en hebben een ‘sociaal vangnet’.

Tegelijk baseert Wohlleben zich wel degelijk op allerlei natuurwetenschappelijk onderzoek. Hij probeert met zijn terminologie ons denken om te keren en ons een ander perspectief in te laten nemen. Net zoals insecten een vorm van collectieve intelligentie ontwikkelen, kan een bos worden gezien als een netwerk met een vorm van collectieve intelligentie.

Suzanne Simard, hoogleraar bos-ecologie aan de Universiteit van British Columbia, doet onderzoek naar de stroom van voedingsstoffen en chemische signalen via het ‘wood wide web’ onder de grond. Haar onderzoeksgroep injecteerde sparren met radioactieve koolstof-isotopen om die vervolgens met een geigerteller onder de grond te volgen. Binnen een paar dagen waren alle bomen binnen een gebied van dertig vierkante meter met elkaar verbonden, waarbij de oudere bomen als een spil fungeerden met soms wel meer dan 47 connecties. Het voordeel voor het bos als geheel is een betere gezondheid, meer fotosynthese en een grotere veerkracht.

Ook over planten worden onder fyto-biologen en botanisten verhitte debatten gevoerd. Hoogleraar Stefano Mancuso neemt het op voor het perspectief van planten. Hij is directeur van het Internationaal Instituut voor de Neurobiologie van Planten aan de Universiteit van Florence. Hoewel het instituut officieel niet meer zo mag heten omdat het begrip ‘neuro’ is voorbehouden aan organismen met met hersenen, blijft Mancuso deze naam gebruiken om zijn punt te maken.

Volgens Mancuso waarderen mensen te weinig wat planten allemaal kunnen. Omdat planten niet weg kunnen rennen en regelmatig gedeeltelijk worden opgegeten, komt hun vorm en manier van leven hun perfect van pas. Hun intelligentie is een reflectie van hun ‘lichaam’ en omgeving, van hun evolutie. Vergelijk deze plant-intelligentie maar met de slurvige intelligentie van olifanten.

Een plant kan negentig procent van zijn lichaam verliezen zonder dood te gaan. Een plant moet zichzelf verdedigen en alles vinden wat hij nodig heeft terwijl hij vastgegroeid zit op één plek. Deze leefstijl heeft ervoor gezorgd dat planten tussen de vijftien en twintig soorten zintuigen hebben ontwikkeld. Naast de zintuigen die wij ook kennen, zoals gehoor en tastzin, heeft een plant zintuigen voor vochtigheid, volume, fosfor, gifstoffen en voor chemische en elektrische signalen van de planten om hem heen.

Planten communiceren met elkaar in een biochemische taal die wij niet zomaar kunnen verstaan. Mancuso werkt daarom in zijn laboratorium aan een ‘woordenboek’ van het chemisch vocabulaire van elke plantensoort. Bovendien leven planten in een andere tijdsdimensie. Mancuso laat dit zien door filmpjes van planten versneld af te spelen. Plotseling komen de planten tot leven. Een wortel vindt zijn weg onder de grond, jonge plantenscheuten ‘spelen’ met elkaar, ’s nachts zien we de activiteit afnemen als ze gaan ‘slapen’.

Mancuso definieert intelligentie als manieren om problemen op te lossen en wijst op collectieve vormen van intelligentie in planten, vergelijkbaar met die van insecten, waarvoor hersenen niet noodzakelijk zijn. De verschillende wortel­uiteinden die onder de grond een netwerk vormen kunnen gezien worden als de veroorzaker van een vorm van collectieve intelligentie net zoals dit bij zwermen vliegen gebeurt en bij mensen in de hersenen. Bij een plant zouden de ‘hersenen’ in de vorm van het wortelnetwerk dan onder de grond liggen en de geslachtsorganen boven de grond.

Mancuso is ervan overtuigd dat planten een bepaalde vorm van bewustzijn hebben en zelfs pijn kunnen voelen. Daarom zouden we respect voor ze moeten hebben, maar het zou ons er niet van moeten weerhouden om ze op te eten. Planten hebben zich geëvolueerd om te worden opgegeten. Daarnaast kunnen we ons door planten laten inspireren. Planten kunnen leven van licht en ontwikkelen in een wortelnetwerk onder de grond een robuuste vorm van collectieve intelligentie.

Wat mij inspireert

Als we ons steeds meer bewust worden van het feit dat andere organismen ons waarnemen en ervaren en dat wij iets betekenen voor al dat andere buiten onszelf dan kunnen wij als mensen onze superioriteit en narcisme makkelijker loslaten. Dan kunnen we het kinderlijke van Narcissus uit de Griekse mythe, die niet door had dat hij naar zijn eigen reflectie keek, achter ons laten en kunnen we onszelf opnieuw begrijpen in een gelijkwaardige relatie tot àlles wat ons omgeeft. Jezelf kunnen bekijken door de ogen van anderen is voor de systeemtherapeut een belangrijk middel dat nu ook door natuurwetenschappelijk onderzoek wordt gezien als iets wat van groot belang is voor ons voortbestaan als soort.

Eerder berichtte ik over hoe in de psychologie de mens in relatie tot de natuur onderzocht wordt. Door ‘natuur’ in te tikken in het zoekvenster op de startpagina van mijn weblog kunt u deze berichten vinden. Psychologen van de Universiteit van Leiden kwamen zeer recent nog met bewijs voor het belang van de natuur voor herstel bij stress. Het gaat bij deze onderzoeken vooral om de therapeutische betekenis die onze relatie met de natuur kan hebben.

Misschien zullen we het superieure beeld van onszelf en onze angst voor de natuur overwinnen als we de natuur beter begrijpen. Veel van de genoemde natuurwetenschappelijke kennis uit dit bericht voegt iets toe aan de systeemtheorie. Een beter begrip van het grotere systeem van de natuur kan ons als individu en als soort van een toekomst verzekeren.


De Vlaamse dichteres Ruth Lasters was misschien geïnspireerd door het idee van de collectieve intelligentie toen ze het volgende gedicht schreef:

 

SOORT

 

Waarom wij niet bij wanhoop, eender wiens, formaties vormen

zoals eenden eensklaps tegen luchtwerveling

 

een v. Misschien een visgraatvloer van wij

honderd dichtsbijzijnden, voeten geschrankt tegen kruinen

 

zodra een gong weerklinkt waarmee die ene aanvraagt een

tijdelijke bevrijding, evacuatie uit zichzelf naar

 

‘de soort’. Of haalbaarder: die ene radeloze die zich wurmt

acrobatisch in een reiskoffer die wij dan door-en doorgeven door

 

straten, met als bestemming slechts zijn onvoorwaardelijke

blijven. Tot hij de koffer openstampt, zichzelf weer aandurft, aan-

 

vat.


Lees ook: Narcissus was niet narcistisch

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie, Psychologie, proza en poëzie

Narcissus was niet narcistisch…

… althans niet in de betekenis zoals wij die er tegenwoordig aan geven.

Dit begrijp ik uit het artikel van Casper Thomas in De Groene Amsterdammer: De glorieuze terugkeer van het ‘ik’. Ken uw selfie.

Het begrip narcisme is de laatste decennia onterecht gebruikt om een egoïstisch individu mee te beschrijven. Maar met Narcissus zouden we eerder medelijden moeten hebben. De Groene Amsterdammer:

 … een belangrijk, en vaak vergeten, detail van de mythe is dat Narcissus zich aanvankelijk niet realiseerde dat hij naar zichzelf keek. Toen dat tot hem doordrong, schrok hij weg van de waterkant. Maar op dat moment was hij al fataal verliefd, niet op zijn selfie maar op wat hij dacht dat een prachtige onbekende jongeman was. Tragisch tot en met.

Het begrip narcisme komt uit de psychoanalyse en bij de popularisering er van is er een nuance verloren gegaan.

Freud was de eerste die het begrip gebruikte in 1914 in een essay: ‘Zur Einführung des Narzißmus’. Oorspronkelijk werd er zowel het beste als het slechtste in de mens mee aangeduid:

Het verklaarde onze capaciteiten voor creativiteit en idealisme, evenals onze woede en wreedheid, zowel ons streven naar perfectie als onze neiging tot destructiviteit.’ Narcisme, zo schreef de psychoanalyse voor, is nodig voor het streven van een kind om zelfstandig te zijn, op eigen benen te staan. Eenmaal volwassen, maakt het kinderlijke egoïsme plaats voor een gezonde aandacht voor het eigen welzijn, gecombineerd met aandacht voor de noden van anderen. Wie lijdt aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis is blijven hangen in de fase waarin de mens denkt dat alles op aarde om hem draait.

Hoe Freud en latere psychoanalytici het begrip narcisme gebruiken is nog iets uitgebreider te lezen in het psychoanalytisch woordenboek.

Het begrip narcisme is beroofd van zijn dubbele betekenis schrijft Thomas in de Groene Amsterdammer. Het werd vanaf de jaren ’70 van de vorige eeuw vooral gebruikt om er de naoorlogse consumentencultuur mee aan te klagen. En nog steeds wordt het narcisme ongeveer gebruikt in die betekenis. Zelfoverschatting – en blindheid voor anderen – wordt steevast opgevoerd als reden waarom politiek en economie ontsporen.

Het waren narcistische bankiers die zichzelf superieur waanden en het algemeen belang offerden op het hakblok van hun eigen salarisstrookje. Ook de meest desastreuze politieke keuzes in de recente geschiedenis worden toegeschreven aan dit soort hybris. In 2009 schreef David Owen, dokter en politicus, het boek ‘The Hubris Syndrome: Bush, Blair the Intoxication of Power’, waarin hij constateerde dat veel leiders, politieke leiders vooral, zich op zo’n manier gedragen dat ze in aanmerking komen voor de kwalificatie ‘medisch erkende afwijking’. Ze geloven in de onfeilbaarheid van hun eigen gelijk, dichten zichzelf een haast messianistische rol toe en geloven dat zij boven wet en norm verheven zijn. Het zijn trekjes die in ieder mens aanwezig zijn, maar bij leiders en bestuurders vaak pathologische vormen aannemen, met alle destructieve gevolgen van dien.

Maar het begrip narcisme houdt meer in dan het geobsedeerd in jezelf geïnteresseerd zijn. Narcisme is ook nog ergens goed voor.

Vergeet niet op tijd jezelf los te rukken van het spiegelbeeld

De Engelse filosoof Simon Blackburn houdt een pleidooi voor zelfkennis en gepaste trots op de eigen prestaties, zonder daarin door te slaan:

… wie zichzelf wil kennen, zal naar zichzelf moeten kijken en misschien zelfs een beetje van zichzelf moeten houden. Zelfhaat, het tegenovergestelde van narcisme, is net zo hinderlijk, zij het meer voor de persoon zelf dan voor de maatschappij. Een beetje narcisme dus, maar niet te veel.

Dat narcisme een noodzakelijk station is richting zelfkennis is ook de overtuiging van filosoof en schrijver Martijn Meijer. ‘Waarom ik een filosofische narcist ben’, zo opent zijn boek ‘Moeilijk te geloven dat ik echt besta. Over het verlangen naar zelfkennis’, dat een verzameling korte overpeinzingen bevat over hoe het ik met zichzelf wordt geconfronteerd. Meijer gelooft in zelfreflectie die uiteindelijk moet leiden tot zelfkennis. Hij is bovenmatig geïnteresseerd in zichzelf als studieobject niet omdat hij zo interessant is, maar omdat er niemand dichter bij hem staat dan hijzelf.

Meijer meent net als velen dat we in een narcistisch tijdperk leven. Was in de negentiende eeuw de dandy met zijn zorgvuldig geconstrueerde verschijning een uitzondering, zo merkt hij op, ‘vandaag leven en slapen we allemaal voor de spiegel’. Loop op een gemiddelde dag door Amsterdam en je ziet wat Meijer bedoelt: een parade van zorgvuldig gestylede mensen, in de zomer met vintage-zonnebril, ’s winters met de juiste muts en donsjack. Maar hoewel we zo gecharmeerd zijn van ons eigen voorkomen komen we nog altijd te kort en daarom zoeken we bevestiging bij anderen. En dus wordt de telefoon te voorschijn gehaald om een selfie te maken voor onze vrienden op Facebook. We kijken naar onszelf, maar doen dat door de blik van anderen. Maar dat leidt niet tot zelfkennis, en mensen zonder zelfkennis zijn misschien nog vervelender dan de persoon die zichzelf met de Taj Mahal op de foto zet…

Voor zelfkennis moet je tijd met jezelf doorbrengen, ongehinderd door anderen. Wees daarom een narcist, en dan wel een echte graag, die naar zichzelf kijkt en genoeg heeft aan zichzelf. Daar komt de middenweg die de filosofen Blackburn en Meijer bepleiten op neer. Maar vergeet niet jezelf op tijd los te rukken van dat spiegelbeeld.

Narcissus bleef een kind

Ik zou willen toevoegen dat het voortdurend naar jezelf kijken door de ‘bewonderende’ blik van anderen inderdaad verwijst naar het narcisme in de huidige, eenzijdige betekenis.

Het naar jezelf kijken vanuit het perspectief van de ander kan inderdaad betekenen dat je empathie en interesse voor de ander hebt en kan diepte geven aan het sociale contact. Als therapeut leerde ik om circulaire vragen te stellen. Hoe denk jij dat de ander jou ziet, hoort of beleeft? Wat denk jij, dat hetgeen jij zegt of doet betekent voor de ander? Dit soort vragen stimuleert het wederzijds begrip en daardoor ook het (relatie-probleem) oplossend vermogen.

Onze huidige ‘narcist’ fantaseert dat hij bewonderd wordt door anderen en frustratie van deze verbeelding leidt tot woede. Narcissus uit de oude mythe (er zijn meerdere versies van de mythe) lijkt inderdaad meer dan dat.

Volgens Wikipedia keek Narcissus in bewondering naar zijn spiegelbeeld maar hij dacht dat het een mooie geest was die in de vijver woonde. Dat had hij niet door waardoor het uiteindelijk slecht met hem afliep. Hij was zich te weinig bewust van wie hij was. Hij was gebleven als een kind. Maar in de mythe was deze kind toestand ook voorspeld. Hij zou alleen in leven blijven als hij zichzelf niet zou kennen. Een straf die bedacht werd door de blinde ziener: Tiresias. Wat een straf!

Zowel uit de oude mythe als uit Freud’s begrip van het narcisme leren we inderdaad dat wij niet goed kunnen leven als volwassenen met anderen zonder zelfkennis. En daarom mogen we wel een beetje narcistisch zijn.

centeroftheuniverse-150x150-1unknown-53

2 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie

De mensheid geobsedeerd door zichzelf

De Amerikaanse dichter Robinson Jeffers (1887-1962) publiceerde lange, epische gedichten. Daarnaast schreef hij ook korte poëzie met snijdende kritiek op de moderne samenleving. Hij kwam met de term ‘inhumanism’, om de mensheid die geobsedeerd is door zichzelf en die onverschillig is voor zijn relatie tot de natuur, onverschillig is voor de schoonheid en het ritme van het leven, om die mensheid te bekritiseren. In het gedicht Carmel Point schreef hij:

We must uncenter our minds from ourselves;

We must unhumanize our views a little, and become confident

As the rock and ocean that we were made from.

Schrijver en milieuactivist Paul Kingsnorth bracht deze bijna vergeten dichter terug in de aandacht. Hij zocht naar een taal  voor onze relatie tot wat we ‘de natuur’ noemen.

Ik besteed hier aandacht aan op dit blog omdat ik nogal wat overlap zie tussen de obsessie van de mensheid met zichzelf en de door psychologen waargenomen toename van het narcisme.


In The Guardian schreef Kingsnorth vele jaren over de manier waarop het mondiale economische systeem het mondiale ecosysteem vernietigt. Hij deed alles wat milieuactivisten doen. Maar daar stopte hij mee om in 2009 te beginnen aan het zogenaamde Dark Mountain Project. Dit is een groep kunstenaars en auteurs die nadenkt over de toekomst, die de wereld aanklaagt en die de ontwikkelingen in de politiek en het milieuactivisme van commentaar voorziet. Ze hebben een succesvolle website die regelmatig wordt bijgewerkt. Thijs Kleinpaste laat Kingsnorth aan het woord in De Groene Amsterdammer :

‘Individuen kunnen wel protesteren, maar ze zijn machteloos tegenover een systeem dat blind is voor zijn eigen fouten. De enige houdbare conclusie die overblijft is dat alle instrumenten die de moderne wereld heeft voor het afdwingen van verandering (de democratie, publieke opinie, demonstraties, activisme) uitgeput zijn. Het is het systeem dat niet deugt, omdat de mens binnen dat systeem het verleerd is om te leven in harmonie met de aarde. De Moloch haalt zijn schouders op en gaat verder.’

Kingsnorth gaf twee redenen waarom hij stopte met het milieuactivisme:

‘De eerste was dat geen van de campagnes succes had, behalve op een heel kleine schaal. In het algemeen werd alles steeds slechter. De tweede reden was dat environmentalists, zo leek het, niet eerlijk waren tegen zichzelf. Het was in toenemende mate overduidelijk dat klimaatverandering niet gestopt kan worden en dat het moderne leven niet in overeenstemming te brengen is met de noden van het mondiale ecosysteem, dat economische groei deel van het probleem is, en dat de toekomst met tien miljard mensen niet helder, groen, knus en ‘duurzaam’ wordt en dat het waarschijnlijker is dat ons verval, uitputting, chaos en ontbering te wachten staat. En toch bleven we doen alsof het, als we maar campagne zouden blijven voeren als altijd, het onmogelijke toch zou gebeuren. Ik trapte er niet meer in, en ik was niet de enige.’

Volgens de oprichters van het Dark Mountain Project sprak de vergeten dichter Robinson Jeffers waarheden die niet gehoord wilden worden.

‘Zijn misdaad was dat hij de zelfbelangrijkheid van de mens doorprikte.’

Samen met anderen schreef Kingsnorth het manifest ter oprichting van Dark Mountain getiteld: ‘Uncivilisation’. Het stuk verscheen op het hoogtepunt van de mondiale kredietcrisis (2009). In het openingssalvo wordt de wereld aangeklaagd:

‘Er is een val aanstaande. We leven in een tijdperk waarin vertrouwde beperkingen weggeschopt worden en fundamenten onder ons worden weggeroofd.

‘Nu ontvouwt zich een vertrouwd menselijk verhaal. Het verhaal van een keizerrijk dat van binnenuit verteert. Het verhaal van een mensheid die lang geloofde dat haar handelingen geen consequenties zouden hebben. (…) Over de hele wereld hoort men het misnoegen. Extremisten slijpen hun messen en stappen uit de coulissen naar voren, terwijl het horten en stoten van de machine de ontoereikendheid van de politieke oligarchieën blootlegt, die beweerden alles in de hand te hebben. Oude goden richten hun kop op en er weerklinken oude antwoorden: revolutie, oorlog, etnisch conflict. Politiek zoals we die kennen wankelt samen met de machine die ontworpen was om haar te dragen. In haar plaats kan zich gemakkelijk iets elementairs oprichten, met een duister hart.’

Mijn vraag is of Kingsnorth hier terecht revolutie gelijk stelt met oorlog en etnisch conflict. Geweldloze revolutie hoeft volgens mij niet verkeerd te zijn; integendeel, die is nu juist nodig.

Kingsnorth vraagt zich nog af:

‘Wat betekent het, in een tijd als deze, nu het Verlichtingsproject van liberalisme, democratie en de rede wordt aangevallen van alle kanten, om deel uit te maken van een culturele beweging die een diepere verbintenis met onze lichamen, met de intuïtieve en niet-rationele aspecten van onze psyche en met de grond onder onze voeten bepleit?

Wat heeft het Dark Mountain Project te bieden?

‘Wandel ver genoeg de schaduw in, en wie weet stuit je op iets onverwachts: de tederheid van verbondenheid die ontstaat uit het onder ogen komen van de dood. (…)’

Het project biedt een levensbeschouwing, die haar voedingsbodem vindt in de gedachte dat de samenleving (de politieke gemeenschap en haar instituties) en de cultuur van het kapitalisme, waarmee ze is verbonden, niet geschikt zijn om de wereld te redden – en dat misschien ook nooit zijn geweest. Het biedt volgens mij aan milieuactivisten een soort toevluchtsoord, een plek om op krachten te komen na alle frustraties.

Deze beschaving is niet te beschaven volgens de ‘dark mountaineers’ en in een wereld die zich niet laat veranderen trekken zij zich terug tot haar grenzen, tot waar de scheuren tussen de beschaving en de natuur breed genoeg zijn om er in te verdwijnen. Het is een revolutionaire daad: niet langer meedoen, een eigen universum scheppen.

Tegenwoordig woont Kingsnorth met zijn vrouw en jonge kinderen in het uiterste westen van Ierland, waar ze zich voorbereiden op de onvermijdelijke ineenstorting van het systeem. Het gezin verbouwt zijn eigen groenten en woont hoog genoeg om de stijging van de zeespiegel te verteren.

Is Kingsnorth een onheilsprofeet?

Media die over de ‘dark mountaineers’ berichten, schrijven ook over het ongemak dat ze ervaren bij het nadrukkelijk aanwezige donkere, nihilistische en mystieke karakter van de beweging. Maar de beweging kenmerkt zich ook door een vrij ontspannen soort berusting. Of is de berusting soms toch te veel een soort verbittering, vraagt de Groene Amsterdammer journalist Thijs Kleinpaste, zich af.

Zoals iedere prediker zal Kingsnorth wellicht ook verlangen naar de bevestiging van zijn gelijk. De ineenstorting van het systeem.

Gaat de technologie ons redden?

De berusting van Kingsnorth weerhoudt hem niet van een blijvend engagement. Hij schrijft essays en mengt zich in debatten. In de nieuwste Dark Mountain-uitgave neemt Kingsnorth het techno-utopisme van Ray Kurzweil op de hak. Vandaag de dag is Ray Kurzweil technisch directeur bij Google.

‘Er zijn genoeg mensen te vinden die zullen beweren (…) dat technologie ons gaat redden van zo ongeveer ieder probleem op aarde, als we technologie maar zouden vertrouwen. Techno-utopisme is een afgeleide van het huidige geloof in de religie van Vooruitgang, waarin we allemaal gedoopt worden bij onze geboorte. Als Vooruitgang God is, dan is technologie de messias die zijn wil komt vervullen op aarde. (…)’

‘Ik vermoed’, besluit Kingsnorth, ‘dat ik niet bevrijd wil worden op dezelfde manier waarop zij dat willen.’

Technologie kan natuurlijk wel helpen bij duurzaamheid maar dan moet die technologie niet in dienst staan van het winst streven van grote bedrijven zoals Google.

Het is misschien voorlopig niet zo’n slecht idee om zoals de dichter Robinson Jeffers het zegt, ons te vereenzelvigen met de rotsen en de oceanen waaruit we gemaakt zijn. Misschien moeten we ons net als Kingsnorth een beetje terugtrekken en zo weinig mogelijk mee doen aan de ‘ratrace’ van het grote geld en de consumptie. Misschien worden we daarmee een onderdeel van een vreedzame revolutie.

Misschien waren de kleine veranderingen waarmee Kingsnorth niet tevreden was als milieuactivist wel het begin van grotere veranderingen en had hij meer geduld moeten hebben.

Wie je kunt bewonderen om zijn geduld is de Franse glacioloog en milieuwetenschapper Claude Lorius die de hoofdrol speelt in de documentaire film ‘Ice and the Sky’ van Luc Jacquet (van de Oskar-winnende ‘ The march of the penguins’). Lorius werkte 50 jaar aan onderzoek waarmee hij bewees dat de CO2 uitstoot van de mens verantwoordelijk is voor de laatste periode van klimaat-opwarming. Hierdoor dreigen massa’s ijs te smelten die massale overstromingen teweeg brengen. Pseudo-wetenschappers betaald door ‘Big Oil’ ontkennen deze waarheid. Dat is om moedeloos van te worden, maar Lorius zegt aan het eind van deze indrukwekkende film dat de mens op zijn best is als hij met tegenslag wordt geconfronteerd.


Hier het hele gedicht Carmel Point en hier een mooie bespreking er van.

vista_point_by_lilyflowerr-d53iw7o

The extraordinary patience of things!
This beautiful place defaced with a crop of surburban houses –
How beautiful when we first beheld it,
Unbroken field of poppy and lupin walled with clean cliffs;
No intrusion but two or three horses pasturing,
Or a few milch cows rubbing their flanks on the outcrop rockheads –
Now the spoiler has come: does it care?
Not faintly. It has all time. It knows the people are a tide
That swells and in time will ebb, and all
Their works dissolve. Meanwhile the image of the pristine beauty
Lives in the very grain of the granite,
Safe as the endless ocean that climbs our cliff. – As for us:
We must uncenter our minds from ourselves;
We must unhumanize our views a little, and become confident
As the rock and ocean that we were made from.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, proza en poëzie

Waarom we narcistischer zijn geworden

De psycholoog Jan Derksen geeft drie verklaringen hiervoor in een interview met Marilse Eerkens in de Correspondent.

Het artikel in de Correspondent begint met humor over het narcistische in deze tijd van de Amerikaanse standup-comedian Louis C.K. die zegt: ‘We leven in een waanzinnige en fantastische wereld die helaas wordt bevolkt door een waardeloze generatie verwende debielen.’ Hij windt er geen doekjes om maar het is alsof hij het laatste pamflet van Jan Derksen gelezen heeft: Iedereen een psychische aandoening?  Daarin staat dat de toename van psychische zorg kosten vooral veroorzaakt wordt door zorg aan de jeugd, de 25-minners. En dat is omdat ze verwend zijn, omdat ze minder goed hebben geleerd om met tegenslagen om te gaan.

Waarom we narcistischer zijn geworden

De eerste verklaring van Derksen is de neiging van ouders om te kiezen voor een ‘steriele’ opvoeding. Dit is een opvoeding waarbij ieder hobbeltje dat kinderen op hun levenspad tegenkomen voor hen wordt geëffend. Hierdoor neemt het aantal ‘narcistische ervaringen’ toe.

Verder leiden gebrekkige verlofregelingen voor ouders er gemakkelijker toe dat de zorg voor heel jonge kinderen in de eerste levensmaanden – cruciaal voor de totstandkoming van een veilige hechting – over (veel) meer personen verspreid wordt. Het zwakkere psychische fundament dat hierdoor kan ontstaan, brengt meer onzekere mensen voort met een sterkere behoefte aan aandacht en bevestiging. Daar kan de aandacht die kinderen krijgen als de ouders er wél zijn, niet altijd iets tegen doen. Derksen: “Het lijkt in de kindertijd op communicerende vaten: minder hechting produceert meer narcisme en omgekeerd.”

Als derde oorzaak noemt Derksen het wegvallen van ideologische structuren: een acceptabel kerkelijk kader, een vakbondsideologie, een liberale leefwijze of een socialistische belevingswereld. Dit betekent dat jonge mensen bij het zoeken naar hun identiteit meer dan ooit moeten varen op hun eigen kompas. Er is weinig om je tegen af te zetten of om je mee te identificeren.

Prestatiedruk

In het zelfde artikel uit de Correspondent komt ook Robert Vermeiren, professor Kinder- en Jeugdpsychiatrie, aan het woord.

Waar Derksen de nadruk legt op het verwennen legt Vermeiren de nadruk op de hoge eisen die aan 25-minners worden gesteld in een steeds complexere maatschappij, de prestatiedruk. En dat in een wereld in crisis met hoge jeugdwerkeloosheid. Dit samen kan de stijgende zorg-kosten voor de jeugd wel verklaren. Vermeiren voegt nog toe dat er ook veel jongeren hulp zoeken omdat ze mishandeld en misbruikt zijn. Die hebben vreselijke dingen meegemaakt en zijn verre van verwend.

Vermeiren vind de oplossing van Derksen dat er in de opvoeding niet verwend moet worden onbevredigend:

… we leven in een neoliberale maatschappij waarin het ‘ik’ sterk wordt verheerlijkt en waarin ‘falen’ geen pech meer mag zijn, maar altijd je eigen verantwoordelijkheid is. De overheersende gedachte is dat alles maakbaar is en altijd op te lossen. En dat gaat gepaard met een enorme druk op mensen. Daar is door de beste opvoeder niet ‘tegen op te voeden.’

Maar ook Derksen vindt dat er aan jongeren steeds hogere eisen worden gesteld. Hij vraagt zich af waar die prestatiedruk vandaan komt.

“We leven in een ‘ik’ cultuur en die wakkert de concurrentie flink aan. Het is in de afgelopen twintig jaar meer en meer gaan draaien om het ‘ik’ en minder om ‘de publieke zaak’. Dat zie je ook in het buitenland ook.”

De verklaringen van Derksen en Vermeiren vullen elkaar aan volgens mij. Het persoonlijke (de verwenning in het gezin) en het politieke (de neo-liberale maatschappij, de ‘ik’ cultuur) liggen in elkaars verlengde.

Misschien worden we minder narcistisch door nog eens om onszelf te lachen. Hier nog wat humor van Louis C.K. over egoïsme. Echt leuk!

Op dit blog staan meer berichten over het narcisme van onze tijd: Narcisme: “Dat maak ik zelf wel uit” en Vijf subtiele tekenen die duiden op narcisme.

3 reacties

Opgeslagen onder Opvoedkunde, Persoonlijk en politiek, Psychologie

Stress veroorzaakt door een illusie van vrijheid

Onder de titel: ‘Zonder 500 LinkedIn connecties ben je een mislukkeling’, stond deze week een artikel van Marcel ten Hooven in De Groene over de ideeën van de Vlaamse filosoof Herman De Dijn.

De Dijns ideeën hebben raakvlakken met veel onderwerpen waar ik graag over schrijf op dit blog.

Raakvlakken met de beweging tegen de marktwerking waardoor zorg een zogenaamd rationeel product is geworden, met de nieuwe economie die begrijpt dat mensen niet alleen door geld worden gemotiveerd en dat het ‘meer, meer, meer’ ons niet gaat helpen, met de geestelijke gezondheidszorg die voor iedereen die uit de boot valt een stoornis heeft bedacht, met biologen die naast competitie ook empathie zien als een evolutionair principe, met het concept van het nieuwe gezag van de psycholoog Haim Omer dat een alternatief biedt voor het traditionele gezag, met de kritiek van velen op onze maatschappij die het individu afrekent op zijn prestaties waardoor het individu steeds narcistischer wordt en naast dit alles is De Dijn kenner van de wijsheid van Spinoza waar ik eerder aandacht aan besteedde.

Opnieuw is het een filosoof die mij als psycholoog inspireert.  De Dijn schrijft over stress en de meeste psychologische klachten komen voort uit stress en als we begrijpen waar die stress vandaan komt, dan kan dat helpen bij het beteugelen er van.

Volgens De Dijn wordt stress veroorzaakt wordt doordat mensen dènken te leven in vrijheid terwijl die vrijheid een illusie is. Zonder dat ze het weten gehoorzamen mensen aan een onzichtbare, anonieme dwang tot discipline. Hoe vrij zijn we eigenlijk, vraagt hij zich af.

Deze onzichtbare, verborgen discipline lijkt in de plaats te zijn gekomen van de normale en relationele discipline die wij allemaal (zouden moeten) leren van onze ouders en leraren. Meer daarvan verlangen we misschien gewoon naar terug en meer daarvan zou opnieuw ‘in de mode’ kunnen komen. Het blijft natuurlijk altijd uitkijken met zowel het begrip discipline als met het begrip vrijheid.

Hieronder een bewerking van het artikel uit de Groene Amsterdammer. De Dijn heeft de Groene journalist Marcel ten Hooven een soort privé college gegeven.

00390257

Herman de Dijn

‘Autoriteiten zoals de pastoor, de paus, de koning en de minister zijn hun vanzelfsprekende gezag kwijt. Maar vrij zijn we daarmee niet geworden. In veel gevallen is het niet meer dan een illusie van vrijheid die verworven is. Dat geeft stress.’

We leven volgens De Dijn in een ‘systeemwereld’; in een wereld met min of meer verborgen systemen van disciplinering en we komen steeds meer onder dwang daarvan te staan. Zowel op ons werk als in onze vrije tijd.

‘Dag in, dag uit staat er een enorme druk op mensen om te slagen in het leven en zich daarin door de anderen gezien te weten. En dat moet je allemaal zelf bolwerken’.

De Dijn (70), emeritus hoogleraar filosofie in Leuven en internationaal erkend als kenner van Baruch Spinoza en David Hume, beschreef dit verschijnsel onder meer in boeken zoals ‘Hoe overleven we de vrijheid?’ (1996) en (met collega-filosoof Arnold Burms) ‘De rationaliteit en haar grenzen’ (1986).

‘Ik zeg zeker niet: vroeger was het beter. Toen had je een baas die je de hele dag afblafte. Stel je voor dat je kind was in de tijd van Stijn Streuvels, die in De Vlaschaard beschrijft hoe een boer zijn zoon doodslaat omdat hij niet gehoorzaam is. Die autoriteit was niet om te lachen, hè? Maar is dan de disciplinering van nu om te lachen?’

Moderniteit en traditie: er is van alles tegelijk

‘Er bestaat een spanning tussen moderniteit en traditie. Een van de vergissingen is te denken dat de moderniteit met alle tradities heeft afgerekend. In werkelijkheid is er van alles tegelijk: archaïsche overblijfselen, moderne verworvenheden, laat-moderne frustraties. Het is een warboel en het is maar beter dat te onderkennen. Het heeft niet zoveel zin te juichen: “Eindelijk zijn we van God af”, als God er voor veel mensen nog is. Het kan ons dus van veel vooroordelen en nodeloze ergernissen bevrijden als we de moderniteit niet louter als tegengesteld zien aan tradities. Er zijn andere vormen van redelijkheid dan die uit de moderniteit voortkomen’.

Eerder dan dat ze tegenstrijdig aan elkaar zijn, bestaat er volgens De Dijn een soort continue wisselwerking tussen de moderniteit en de traditie: ‘Dat wordt niet altijd gezien. Het beeld is dat de drijvende krachten achter de moderniteit ons in staat stellen de traditie en de daarmee verbonden waarden achter ons te laten. Vooral van de wetenschap wordt dat gezegd. Het heet dat we dankzij de wetenschap de capaciteit tot afstandelijkheid hebben verworven en dat wij de wereld nu kunnen zien zoals hij werkelijk is en niet meer zien als een gevolg van onze opvoeding en andere tradities’. Maar de wetenschap heeft liefde en nieuwsgierigheid nodig.

De markt, nog zo’n domein dat een enorme impuls van de moderniteit heeft gekregen, is afstandelijk. Voor de markt is niets heilig. Alles is verkoopbaar, auto’s en schilderijen, organen en illusies. Om het even wat, als het maar een zo hoog mogelijke opbrengst heeft. Maar de markt heeft ook vertrouwen nodig.

De vraag is nu of de wetenschap en de markt zonder meer tot die afstandelijkheid in staat zijn. Kunnen ze op eigen benen staan? Nee dus. De grootste denkers van de moderniteit, zoals Hume of Hegel, hebben de paradox gezien, namelijk dat de moderne systemen van wetenschap en markt eigenlijk parasiteren op tradities. Ze kunnen niet zonder.

De wetenschap teert op de traditie waarin de jeugd wordt opgevoed in liefde voor de wetenschap. Zij zou niet kunnen overleven zonder opvoeding in een bepaald ideaal van leven dat essentieel is voor de wetenschappelijke houding. En met de markt zou het gedaan zijn als zij alle deugdzaamheid uitschakelt en puur cynisch wordt. Voor dat gevaar zijn we hardhandig gewaarschuwd in de financiële crisis. Ook de markt veronderstelt dus het bestaan van iets anders dan de markt, iets wat de markt zelf niet voortbrengt.

In The Theory of Moral Sentiments doet Adam Smith het morele systeem uit de doeken waarop de economie steunt die hij schetst in dat andere boek van hem, The Wealth of Nations. De basis van het morele systeem van Adam Smith wordt gevormd door de erkenning dat collectieve emoties, uiteenlopende denkbeelden, deugden en ondeugden het fundament van het samenleven zijn, dus niet de rationaliteit. Tot de deugden hoort de neiging om goed van vertrouwen te zijn. Niet rationeel maar wel reuze nuttig. Een markt zonder vertrouwen kan niet blijven bestaan.

De onderkenning van de continue wisselwerking tussen de moderniteit en de traditie is een van de fantastische inzichten die we hebben te danken aan enkele grote moderne denkers. Dat is wat Spinoza, Smith, Hegel hebben gezien.

Dat inzicht betreft óók de paradox dat de moderniteit zelf het fundament ondermijnt waarop ze rust. Naarmate de moderniteit zich ontwikkelt, ontstaat immers meer afstandelijkheid ten opzichte van de traditie en van de deugden die zich daarin ontwikkelen. Het grote probleem van de moderne tijd is, anders gezegd, om de verdringing van de traditie niet zo ver te laten gaan dat de moderniteit in elkaar stort’.

Politiek

‘Wat is de politieke consequentie van dit denken? Dat ook de politiek zichzelf zou ondermijnen als zij alleen rationeel probeert te zijn. Zij moet daarom, zoals Spinoza al wist, rekening houden met de zeden en alledaagse gewoonten van mensen, met de illusies van de verbeelding.

De politiek moet niet proberen alle mensen rationeel te maken. Mensen zijn niet alleen rationeel en dat weet je, als je verstandig bent. Dat betekent dat het moderne, de ratio, altijd iets nodig heeft wat David Hume het hart noemde. Bij Hume symboliseert het hart een zekere niet-rationele redelijkheid. De rationaliteit wordt begrensd door de redelijkheid van het hart, door deugden en gewoonten.’

In 1986, het jaar waarin hij met Burms De rationaliteit en haar grenzen schreef, zou De Dijn naar zijn zeggen klaar geweest zijn met zijn verhaal maar twee denkers, sociologen met een filosofische inslag, Niklas Luhmann en Zygmunt Bauman, houden hem nog even gaande. De Dijn zegt aan hen schatplichtig te zijn voor zijn duiding van zijn concept ‘laatmoderniteit’.

Waarden zoals de liefde zijn sentimenteel geworden: het gaat om mij

‘We zijn in de periode van het radicale individualisme terechtgekomen. Eerst konden mensen nog van elkaar worden onderscheiden dankzij het bestaan van redelijk overzichtelijke groepen, zoals katholieken en protestanten, socialisten en communisten. Ieder hadden ze een eigen traditie, rituelen en symbolen en ook een eigen gezagsstructuur, gebaseerd op autoriteit. Met het laat moderne individualisme is er iets fundamenteels veranderd. In het laat-moderne individualisme is individualisme is geen keuze meer, het is een systeem waarin we met zijn allen terecht gekomen zijn.

Je kunt het radicaal individualisme pas goed begrijpen als je het verbindt met het fenomeen van de ontwaarding van de waarden. Niet dat de waarden verdwijnen maar ze zijn getransformeerd. Waarden zijn minder dan ooit verbonden met tradities en de daarbij behorende geboden en verboden. Ook is er geen duidelijke autoriteit meer die ze doorgeeft.

Het gezag kon bij het in stand houden van waarden rekenen op een stilzwijgende acceptatie. De schaduwkant was natuurlijk het machtsmisbruik, iets waarvoor individualisten in hoge mate gevoelig zijn. En ze hebben gelijk! Over het gevaar van machtsmisbruik moet je nooit naïef zijn.

Vóór 1960, in de tijd dat waarden en tradities nog vast en zeker waren, was een waarde zoals de liefde verbonden met een symbolische orde. Daarin stonden mensen symbool voor de betekenis die zij in een relatie hadden, als man of als vrouw, kind of ouder, gelovige of God. Deze symbolische relaties gingen gepaard met ongeschreven geboden en verboden, taboes. Deze scherpe dichotomieën zijn veranderd in graduele verschillen. Waarden zijn vloeibaar geworden.

De Dijn beschouwt Michel Houellebecq als een werkelijk groot expert in de laatmoderniteit. In geen ander boek laat hij dat zo goed zien als in Mogelijkheid van een eiland, waarin hij de grote liefde van de transhuman David tot Fox, zijn hondje, beschrijft. Aan die liefde kan niets raken. Treffend! Hier zie je dat de tradities waarmee de moderniteit nog was verbonden in de laatmoderniteit vloeibaar zijn geworden: ‘liquid modernity’. Van een hond kan men net zoveel houden als van een kind. Om het even wat kan object worden van liefde.

In de liefde gaat het niet meer om een relatie met een welbepaalde symbolische realiteit, maar om mij, om mijn gevoel. Vandaar dat ik zeg dat de liefde zoals zoveel waarden sentimenteel is geworden. De waarden worden voortdurend vertaald in termen van gevoelens. De allesbepalende vraag bij zo’n waarde is of zij mij deugd doet, of zij mij het pretje van de dag of het pretje van de nacht geeft. Het gevoel staat centraal, ook in de relatie met de ander, van wie ik hoop dat hij mij iets geeft wat mijn gevoelens bevredigt.

Daar komt nog iets bij. Naast sentimentalisme wordt het individualisme gekenmerkt door behoefte aan spiegeling. Individuen willen voortdurend bevestigd worden door andere individuen. En wat ze zoeken is niet een bevestiging zonder meer, maar het plezante gevoel van bevestiging. I like! Om bij de liefde te blijven: het ergste wat je kan gebeuren is dat anderen denken dat jij geen love kent. Je ziet dus: individualisme betekent niet dat je geheel op jezelf staat. Integendeel, je wilt ook van anderen de erkenning dat ge zo content zijt en zo’n plezant leven hebt. Kijk eens naar mijn foto’s! Kijk eens naar mijn lief of, beter nog, naar mijn tien lieven! Dus je moet laten zien dat je wordt gezien, dat je geliefd bent.

En het plezier van het gezien worden moet ook weer gezien worden. Hoe noemen we dat? Christopher Lasch heeft ons dat uit de doeken gedaan. Dat noemen we narcisme’.

Van ‘s morgens vroeg tot ’s avonds laat bezig zijn met je imago: ziet u mij?

‘Als de situatie in grote lijnen is zoals ik haar heb beschreven, als de essentie van het leven is dat je moet slagen en dat jouw succes gezien moet worden, dan begrijpt u hoe belangrijk het is om dat leven te beheersen. Er is niemand die je dat succes gaat geven. Nee, je moet het helemaal zelf bolwerken. Hoe doe je dat? Wel, door slank te zijn, de juiste stoppelbaard te hebben en naar de mode gekleed te zijn, door precies te weten hoe je je moet gedragen op de weide van het popfestival, de juiste gadgets te hebben en op Facebook veel vrienden te verzamelen. Dat vraagt een enorm werk. Lastig! Als je op LinkedIn niet boven de vijfhonderd connecties zit, dan ben je een mislukkeling. We krijgen een maatschappij waarin je van ’s morgens tot ’s avonds, zelfs als je niet werkt, bezig bent met je imago. Dit systeem vergt een activistisch management van het eigen leven. Hoe leef je nu je leven? Niet meer, zoals vroeger, door je in te voegen in een voorgegeven symbolische orde met haar vaste betekenissen, maar door je te verbinden met zelfgekozen tekens die je genot en het genot van de erkenning bezorgen.

De tekens zijn inwisselbaar. Ze zijn vooral bedoeld voor de buitenwereld. Wat is het sterkste teken van allemaal? Het lichaam. Het lichaam is niet meer ‘ik’, nee, het is datgene waarvan het ik gebruik maakt om te krijgen wat het wil hebben, namelijk genot en het goede gevoel gezien te worden. Dus dat lichaam wordt eindeloos aan het werk gezet, gefatsoeneerd en in een bepaald dwangbuis geduwd, tot het in de buurt komt van het ideaalbeeld dat men voor ogen heeft. Dat beeld wordt sterk bepaald door de media en de reclame, door de tribune, een heel complex dat behoort tot de laat-moderne systeemwereld die het individu in z’n greep heeft’.

Hoe dit lichaam in de dwangbuis van de plastische chirurgie terechtgekomen is wordt geïllustreerd in de documentaire ‘Beperkt houdbaar’ van de filosofe Sunny Bergman uit 2007.

De Dijn verder over het complex van media en reclame die het individu in zijn greep heeft: ‘Daarvan komt onvermijdelijk allerlei miserie. Zo gaat het individualisme gepaard met de marginalisering van de mensen die niet meedoen of niet mee kunnen doen, zoals migranten die er raar bij lopen en de mode niet volgen, gehandicapten, ouderen, mensen die het lichaam niet in het gareel krijgen. Spijtig voor hen’.

Discipline en controle op het werk gaat ten koste van de kerntaken

De ‘systeemwereld’ oefent volgens De Dijn niet alleen in de persoonlijke sfeer zijn invloed uit. Hij rukt ook op in de collectieve sfeer van het werk. Er zijn legio voorbeelden van bedrijven en organisaties die door het management met een steeds zwaarder systeem van beheersings-, disciplinerings- en controle­mechanismen worden opgetuigd. In het Vlaams-Nederlands cultureel maandblad Streven analyseerde De Dijn onlangs aan de hand van deze tendens de toestand in de zorg en het onderwijs.

Ook aan de scholen, universiteiten en ziekenhuizen verdwijnt de oude symbolische orde die deze instellingen hun betekenis gaf. De Dijn nam zorg en onderwijs niet toevallig als voorbeeld. Dit zijn bij uitstek terreinen waar de ratio botst met de redelijkheid van het hart. De ratio dicteert een organisatiemodel waarin alles gemeten en gecontroleerd wordt, opdat het zich zo efficiënt mogelijk voltrekt. Maar de niet-rationele redelijkheid vergt juist een concentratie op zinvolle en waardevolle menselijke relaties, ook als ze niet aan de eis van efficiency en effectiviteit voldoen.

Het gevolg is dat de controlerende afdelingen in zorg- en onderwijsorganisaties allengs groter worden, soms zelfs ten koste van de kerntaken en diensten van de instelling.

Een andere omkering van de oude realiteit is dat de eigenlijke doelen, dus zorg en onderwijs, middelen worden, gericht op de ‘output’ van meetbare resultaten. Daardoor boeten ze in op hun ethische en menselijke betekenis, hun intrinsieke waarde.

Tot slot bestaat het risico dat de schijn over de realiteit gaat heersen. In de concurrentieslag is het imago, de perceptie van doorslaggevend belang. Daarom bevordert het management resultaten die de organisatie aan de ‘excellente’ top brengen en stoot het af wat niet voldoende oplevert, ook al zijn dat activiteiten die de werkelijke waarde van zorg en onderwijs bepalen.

Van instelling naar organisatie

De Dijn: ‘Wat is een instelling? Dat is letterlijk iets wat ingesteld is. Het komt niet van ons. Het is van vroeger, een erfenis. Een instelling heeft ook altijd een eigen doel, zorg of onderwijs bijvoorbeeld. De universiteit van Leuven, gesticht in 1425, was zo’n instelling, met het doel universitair onderwijs te geven, de wetenschap te ontwikkelen en de intellectuele elite te vormen, generatie na generatie. Een zorg-instelling dient om mensen gezond te maken, maar ze biedt ook zorg, menselijke zorg. Een instelling brengt beroepsbeoefenaren bijeen die zich kunnen vereenzelvigen met dat interne doel. In dat woord ‘beroep’ zit niet voor niets de notie van geroepen zijn. Je bent niet een dokter zonder meer, je bent dokter voor een bepaalde gemeenschap, in een bepaalde kliniek, in een bepaalde stad, dus niet op planeet 254.

Aan het hoofd van de instelling ten slotte staat een autoriteit, iemand die met recht het vertrouwen toekomt dat hij het doel van de instelling bewaakt en die op zijn beurt de beroepskrachten zijn vertrouwen gunt dat zij zorgvuldig met die erfenis omgaan. Dat behoort allemaal tot instelling. Zoals elke ‘topuniversiteit’ is ook de universiteit van Leuven nu veranderd in een organisatie.

Wat is een organisatie? Het is de vloeibaar geworden instelling. Het doel van de organisatie is output, om het even wat. Het kunnen autobanden zijn, maar ook diploma’s of patiënten. Een autoriteit aan het hoofd, iemand die de erfenis begrijpt, is niet meer nodig, wel een manager die het proces bewaakt en de resultaten meet, zodanig dat de organisatie optimaal produceert. Aan beroepskrachten in de traditionele zin van het woord is evenmin nog behoefte, wel aan professionals met de competenties voor het halen van een bepaalde productie. Ook de output van universiteiten bestaat vooral uit professionals. Zelfs op Harvard noemen ze naar het schijnt hun studenten tegenwoordig young professionals. Even ongelooflijk als symptomatisch’!

Vakmanschap en beroepseer

‘Een goede professor, dat is tegenwoordig de docent die zoveel mogelijk studenten aan een diploma helpt en daartoe gehoorzaamt aan de regels die het management stelt. De intellectueel die maar zit te piekeren en te lezen gehoorzaamt niet aan die regels. Hij heeft niet zoveel kans meer op een professoraat. Het is eigenlijk een mirakel dat hier nog wordt nagedacht. Meestal gebeurt dat dan ook in wat vrije tijd heet. Een boek schrijven is tegenwoordig een hobby. Niet van belang. Men heeft liever een zo hoog mogelijke productie van artikelen, want die zijn meer waard in de concurrentiestrijd om de hoogste citatie-score. Met Richard Sennett vrees ik dat hetzelfde lot de handmatige arbeid heeft getroffen.

De Amerikaanse dichter Henry Wadsworth Longfellow dichtte ooit: “In the elder days of art/ Builders wrought with greatest care/ Each minute and unseen part/ For the Gods see everywhere”. Ook de meest verborgen plekken, de beelden hoog in een kathedraal, moesten perfect worden gebeeldhouwd, want God kon overal kijken. Dat idee is compleet verdwenen. In de ogen van zijn voorman zal de bouwvakker die nu op deze wijze eer in zijn werk legt een zonderling zijn. Hij zal misschien zelfs met ontslag worden bedreigd omdat hij niet efficiënt werkt’.

Mijn favoriete psychiater de Vlaamse Dirk de Wachter krijgt wel eens het verwijt van managers in de geestelijke gezondheidszorg dat hij teveel naar zijn patiënten luistert. Hij doet zijn werk te goed. De Nederlandse Stichting Beroepseer komt op voor mensen die hun werk goed willen doen.

Is er nog hoop? 

De Dijn: ‘Het is steeds moeilijker voorstelbaar wat de systeemwereld kan vervangen. Dat is het probleem. Welk alternatief bevrijdt ons van dit beheersingssysteem zonder vruchteloos terug te keren naar het oude? Amai! Wat een moeilijke vraag! Van waar zou ze moeten komen, de verandering? Niet van de politiek. Integendeel, de politiek stimuleert de systeemwereld en is er zelf zo langzamerhand onderdeel van. Ik zie ook niet in hoe de kerken of sociale organisaties tegenwicht kunnen bieden.

Toch ben ik geen pessimist. Ik ben geneigd te denken dat de verandering van onderaf zal komen, van individuen en niet van organisaties. Het heil kan alleen komen van der Einzelne, zou Kierkegaard zeggen. Van de weerstander die medestanders zoekt. Zullen ze sterk genoeg zijn om tegen het systeem op te tornen, of zullen zij roependen in de woestijn zijn? Nu, in een woestijn zijn er oases waar van alles groeit en bloeit en waar het goed toeven is. De zaadjes die daar ontkiemen zullen ooit iets veranderen. De toekomst begint in die oases.’

Misschien vinden we de echte vrijheid wel in een oase van mindfulness. Zie hier een leuk en leerzaam filmpje van een korte uitleg over minfulness.

IMG_8832

Oase in de Marokkaanse Sahara

1 reactie

Opgeslagen onder Filosofie, Persoonlijk en politiek, Psychologie