Tagarchief: veel werken

‘Meer, meer, meer’ gaat ons niet helpen

“Veel werken leidt tot stress, een onregelmatig gezinsleven, minder gemeenschapszin en minder maatschappelijk engagement”.

Tot deze conclusie komt de Amerikaanse econoom en socioloog Juliet Schor in haar boek ‘Plenitude: The New Economics of True Wealth (2010)’  waarin ze pleit voor een ‘nieuwe economie’.  Mensen worden volgens haar niet alleen gemotiveerd door geld, maar ook door de behoefte zich nuttig te voelen, creatief te zijn en verbonden te zijn met anderen.

De toename van stress bij te veel werken gaat samen met allerlei psychische klachten. Misschien kan de ‘nieuwe economie’  tot zinvoller en leuker werk leiden en tot minder stress. In de oude economie draait het om ‘meer, meer, meer’, wat alleen maar tot ‘meer, meer, meer’ stress leidt.

Met het publiceren van dit economische en politieke artikel, wordt op dit blog een nieuwe categorie artikelen gestart. De categorie: Persoonlijk is politiek. Dit was in de zeventiger jaren een motto van de feministen.

Met het intreden van de nieuwe economie zoals o.a. Juliet Schor dit voor ogen heeft, zou veel werk in de geestelijke gezondheidszorg weleens overbodig kunnen worden omdat er minder stress zal zijn en meer gemeenschapszin. Bezuinigen, de andere tendens in de ‘oude’ economie, gaat dan als vanzelf en spelenderwijs.

Volgens Schor moeten we af van het idee dat economische groei de crisis en de werkeloosheid gaat oplossen. Om het evenwicht op de arbeidsmarkt te herstellen zouden in de VS zo’n 11 miljoen banen gecreëerd moeten worden. ‘Zelfs bij een wel zeer optimistische economische groei van vier procent per jaar gaat dat niet lukken’.

Onder de titel: ‘Het nodeloze juk van de voltijds baan’, met als subtitel: ‘Op naar een andere economie’, verscheen in de Groene Amsterdammer een artikel van Mars van Grunsven, waarin de ideeën van Juliet Schor en ook die van Douglas Rushkoff, een bekende Amerikaanse mediatheoreticus naar voren kwamen. Hieronder een verkorte versie van dit artikel. 

De paradox in de heersende economische doctrine

Amerikanen kunnen met minder mensen meer produceren dan ooit tevoren. Dat is goed, zou je zeggen: Het perfecte recept voor minder arbeid – en meer rust. Maar dat is niet wat de huidige economische doctrine propageert.

Obama en Romney stellen dezelfde economische diagnose: De Amerikaanse beroeps­bevolking is de productiefste ter wereld, dus zodra de wereldeconomie aantrekt zal het afgeslankte Amerikaanse bedrijfsleven automatisch weer mensen aannemen. Het enige wat nu moet gebeuren is dat men in Washington DC de juiste beleidsmaatregelen neemt om dit herstel te versnellen. De huidige situatie – structurele werkloosheid (boven de acht procent) en een almaar groeiende staatsschuld (bijna zestien biljoen dollar) – is immers niet houdbaar. Over wat dit beleid zou moeten zijn, verschillen Obama en Romney uiteraard van inzicht.

Maar uiteindelijk stellen beiden arbeids­productiviteit in dienst van een hoger doel: Volledige werkgelegenheid en groei van het bruto nationaal product. Het bruto nationaal product (bnp) is datgene wat ‘nationaal’ verdiend/geproduceerd is, meestal in een jaar, door de staatsburgers van een land.

Streven naar volledige werkgelegenheid is begrijpelijk, helemaal in een land met een minimaal sociaal vangnet als Amerika: Veel van de ongeveer veertien miljoen werkloze Amerikanen zitten in serieuze problemen, waaruit schijnbaar alleen een baan hen kan redden.

Maar het blijft, als je erover nadenkt, paradoxaal: Proberen iedereen aan het werk te krijgen door te stimuleren dat voor hetzelfde werk steeds minder mensen nodig zijn – want dat is waartoe stijgende arbeidsproductiviteit in de regel leidt. Sterker, dat is zelfs de bedoeling van de (vooral digitale) technologieën die we ontwikkelen ter verbetering van de arbeidsproductiviteit.

Feit is dat Amerikanen – en hetzelfde geldt voor de rest van de ontwikkelde wereld – met minder mensen meer kunnen maken en doen dan ooit tevoren. Vooral digitale technologie neemt mensen werk uit handen. De tol langs Amerikaanse wegen wordt al door computers geïnd en als het aan Google ligt zijn taxi­chauffeurs straks vervangen door zelf-rijdende auto’s. Elk nieuw ontworpen computerprogramma kan iets wat voorheen door een mens werd gedaan – alleen doet de computer het sneller, beter en goedkoper.

Een van de laatste grote slachtoffers van deze ontwikkelingen is de U.S. Postal Service, zeg maar de Amerikaanse PTT. Dankzij de komst van e-mail verzenden mensen nu 22 procent minder post dan ze in 2007 deden, met als gevolg dat duizenden postkantoren in het land sluiten en honderdduizenden hun baan zullen verliezen. Dus roept Obama dat werkloosheid hét vraagstuk van het moment is.

Werkeloosheid een probleem?

De Amerikaanse denker Douglas Rushkoff waagt de wijsheid daarvan te betwijfelen. ‘Alsof de reden om een hogesnelheidstrein netwerk te ontwikkelen of een brug te repareren is dat we mensen aan een baan moeten helpen’, schreef hij in een geruchtmakende column op cnn.com. ‘Ik durf het bijna niet te vragen’, vervolgde hij, ‘maar waarom is werkloosheid eigenlijk een probleem? Ik begrijp dat we allemaal een salaris willen – of in ieder geval geld. We willen voedsel, onderdak, kleding en alle dingen die we met geld kunnen kopen. Maar willen we werkelijk een baan?’

Het is een ongebruikelijke, maar daarom niet minder prikkelende vraag. ‘We leven in een economie waarin niet productiviteit, maar werkgelegenheid het doel is geworden’, schrijft Rushkoff. ‘Dat komt doordat we al nagenoeg alles hebben wat we nodig hebben. Amerika is productief genoeg om de hele bevolking te voorzien van voedsel, onderdak, onderwijs en gezondheidszorg, terwijl slechts een fractie van ons hoeft te werken.’

Kom dus bij Rushkoff niet aan met een voorstel om de productiecapaciteit van het land te vergroten. ‘Ons probleem is niet dat we niet genoeg spullen maken’, schrijft hij. ‘Het is dat we niet genoeg manieren hebben om mensen aan het werk te zetten zodat ze kunnen bewijzen dat ze die spullen verdienen.’

Het is goed om ons te realiseren dat een baan als concept relatief nieuw is, stelt Rushkoff. Mensen hebben weliswaar altijd gewerkt, maar tot aan de opkomst van bedrijven in de Renaissance werkten de meeste mensen voor zichzelf – als ambachtslieden, handelslui of boeren. Pas toen door regeringen gecharterde bedrijven de economie begonnen te domineren, werd werken ‘een baan nemen’. Hier wil ik Rushkoff aanvullen: De boeren in Europa werkten in de Renaissance voor een groot deel voor hun landheren. Het gaat hier om het feodalisme, een andere systeem dan kapitalisme met een ander type uitbuiting.

Ook van de in Amerika gangbare term worker moet Rushkoff niets weten, ‘zoals we onszelf al lang niet meer beschouwen als slaven, lijfeigenen of edellieden, zo zouden we nu onszelf niet meer moeten zien als consumenten, managers of werkers; dat zijn termen uit het industriële tijdperk. Je bent geen werker, je bent een persoon.

Nu nieuwe technologieën meer en meer mensen overbodig maken, vraagt Rushkoff zich af: Hoe slecht is dat eigenlijk voor de mensen? Is dat sowieso niet waarvoor technologie bedoeld is? De vraag zou niet moeten zijn hoe we manieren vinden om die mensen alsnog aan een baan te helpen, maar hoe we een maatschappij kunnen organiseren rondom iets anders dan volledige werkgelegenheid. ‘We proberen almaar de logica van een schaarse markt te gebruiken om te onderhandelen over dingen die we eigenlijk in overvloed hebben’, constateert hij. ‘Het ontbreekt ons niet aan werkgelegenheid, maar aan een manier om de buit die de technologie ons heeft gebracht eerlijk te verdelen – en aan een manier om betekenis te scheppen in een wereld die al veel te veel spullen heeft geproduceerd.’

Rushkoffs antwoord op die vragen is er een dat ‘we ons voor het digitale tijdperk niet hadden kunnen voorstellen. We hoeven geen dingen meer te maken om geld te verdienen. In plaats daarvan kunnen we op informatie gebaseerde producten aan elkaar verkopen.’

In Rushkoffs ideale maatschappij zijn voedsel, onderdak, gezondheidszorg en onderwijs basisrechten. Het werk dat we doen – ‘de waarde die we creëren’ – is voor de dingen die het leven plezierig en betekenisvol maken. In zo’n maatschappij is werk ‘niet zozeer een baan als wel creatieve activiteit. We kunnen games voor elkaar maken, boeken schrijven, problemen oplossen en elkaar verlichten en inspireren zonder dat grote bedrijven eraan te pas komen.’

Zelfredzaamheid, medewerken en samenwerken

Rushkoff’s ideale maatschappij doet wellicht wat utopisch aan. Dat geldt in mindere mate voor de ideeën van de Amerikaanse econoom en socioloog Juliet Schor, die in haar boek Plenitude: The New Economics of True Wealth (2010) pleit voor een ‘nieuwe economie’. Daarbij gaat ook zij uit van de vaststelling dat het gelijktijdig streven naar een grotere arbeidsproductiviteit en volledige werkgelegenheid paradoxaal – en dus onwenselijk – is. Ook wil ze af van het idee dat de Amerikaanse economie afhankelijk zou zijn van economische groei (gemeten in het een percentage van het bnp).

Schor ziet drie grote vraagstukken in deze tijd. De ecologische gevarenzone waarin we ons bevinden, globale armoede en ongelijkheid in het rijke Noorden.

‘De noodzaak om die drie problemen gelijktijdig op te lossen, opent ruimte voor een nieuw soort economie’, zegt Schor. ‘Hier in de VS zie ik een alternatieve route die werkloosheid en ecologische schade terugdringt zonder verdere groei van het bnp. Deze route versterkt het algehele welzijn, de kwaliteit van het dagelijks leven en de hechtheid van gemeenschappen. Het is overigens geen puur technologische oplossing, hoewel groene, schone technologieën er een belangrijk onderdeel van zijn.’

Het kerninzicht, vervolgt Schor – en hiermee komt ze opeens weer in de buurt van Rushkoff – ‘is de noodzaak om de wijze te transformeren waarop mensen hun tijd besteden’.

De nieuwe economie die Schor voor zich ziet, krijgt twee hoofdcomponenten. De eerste is het onttrekken van arbeid aan de formele economie ofwel: Mensen moeten minder gaan werken. De tweede is het uitbreiden van de lokale economie, onder meer via doe-het-zelf-productie en kleinschalige ondernemingsactiviteiten.

Tussen 1973 en 2006 zijn Amerikanen gemiddeld 204 uur per jaar meer gaan werken. Dat heeft tot een enorme groei van het bruto nationaal product geleid, maar evengoed tot meer klimaatemissies en ecologische schade, constateert Schor. Bovendien leidt het vele werken tot stress, een onregelmatig gezinsleven, minder gemeenschapszin en minder maatschappelijk engagement. Maar er speelt nog iets anders: Groei van het bnp is simpelweg niet meer in staat het verstoorde evenwicht op de Amerikaanse arbeidsmarkt te herstellen. ‘De VS moeten elf miljoen nieuwe banen creëren om terug te keren naar het niveau van voor de financiële crisis’, zegt Schor. ‘Zelfs bij een wel zeer optimistische economische groei van vier procent per jaar lukt dat niet. De oplossing ligt in vierdaagse werkweken, gedeelde banen en vervroegd pensioen.’

Minder werken vermindert ook de ecologische impact van de economie, betoogt Schor. ‘Huishoudens met veel vrije tijd kiezen in de regel voor vervoersvormen en consumptiepatronen die minder belastend zijn voor het milieu.’

Een ander belangrijk voordeel van korter werken is dat mensen hun nieuwe vrije tijd kunnen gebruiken om meer zelfvoorzienend te worden, wat in de volksmond do-it-yourself wordt genoemd. ‘Zo kunnen mensen hun consumptie opvoeren en tegelijkertijd hun afhankelijkheid van inkomen terugbrengen, vaardigheden leren en hun creativiteit uitleven.’

Verschillende vormen van do-it-yourself winnen sinds de crisis in de VS sterk aan populariteit, stelt Schor in haar onderzoek vast. ‘Voorbeelden zijn het verbouwen van eigen voedsel, veehouderij, bijen houden, eigen energie­voorziening, milieuvriendelijk bouwen, eigen kleren maken en andere ambachtelijke vaardigheden.’

Volgens de gangbare economische doctrine moeten mensen zich specialiseren in een bepaalde activiteit, daarmee hun geld verdienen op de arbeidsmarkt, waarmee ze vervolgens kopen wat ze nodig hebben of begeren. Schor gelooft daarentegen dat het uitbreiden van activiteiten en inkomensstromen de toekomst heeft. ‘In staat zijn om in het geval van een instortende markt of een ecologische catastrofe in de eigen behoeften te voorzien, is een slimme strategie. Nog slimmer is het om dat niet op individueel niveau maar op gemeenschapsniveau te doen.’

Deze nieuwe zelfredzaamheid wordt in combinatie met ‘medewerking’ en ‘samenwerking’ de basis voor de nieuwe economie. ‘Het peer-to-peer-productiemodel steunt niet, of in ieder geval niet alleen, op eigenbelang. Mensen worden niet alleen gemotiveerd door geld, maar ook door de behoefte zich nuttig te voelen, creatief te zijn en verbonden te zijn met anderen. Dergelijke behoeften worden niet noodzakelijkerwijs in een gewone baan in het bedrijfsleven of bij de overheid bevredigd.’

De verschuiving van arbeidsuren op de formele arbeidsmarkt naar het niveau van huishoudens en gemeenschappen is volgens Schor ook verstandig omdat de ‘economie van schaalvoordelen is veranderd. Automatisering en het internet hebben kleinschalige productie aanzienlijk efficiënter gemaakt, vooral als dit binnen een sterk netwerk gebeurt. De opkomst van de informatietechnologie heeft de kleine onderneming getransformeerd van een nostalgisch overblijfsel uit een romantisch verleden tot de slimme ondernemingsvorm van de 21ste eeuw.’

Tot zover de verkorte versie van het artikel van Mars van Grunsven.

Ten slotte

Intussen zijn er allerlei ontwikkelingen in de VS en elders waarbij kleine bedrijven door grote worden verdrongen en zo de nieuwe economie tegenwerken. Voorbeelden in de GGZ in Nederland zijn bijvoorbeeld dat eigen praktijken van zelfstandige eerstelijns psychologen door de grote zorgverzekeraars aan banden worden gelegd. Op het gebied van internet zijn er kleine weblog-hostbedrijven die door grote bedrijven worden opgekocht en dan de vernieling ingaan. In de VS deze week kregen kleine grondeigenaren te horen dat hun land wordt onteigend voor een pijplijn van een ‘joint venture’ van grote olieconcerns.

Als ik de nieuwe economische zienswijze goed begrijp dan ben ik met mijn eigen kleine psychologen-praktijk duurzaam bezig. Mijn netwerk bestaat uit enkele lokale mensen die mijn werkwijze goed kennen en naar mij verwijzen, ik verzamel mijn eigen psycho-educatie materiaal, doe mijn eigen PR, maak zelf de WC schoon en sponsor een lokaal cultureel ‘event’. Dit alles ondanks de tegenwerking van de grote zorgverzekeraars die mij bestraffen door te korten op de vergoedingen die mijn cliënten krijgen omdat ik geen contract met hen wil afsluiten.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Zorgverzekeringen