Tagarchief: samenwerken

Opeens heel anders naar iets kijken

Door een podcast op de site van de Correspondent met Tamar Stelling en Joris Luyendijk kijk ik ineens anders naar enkele voor ons voortbestaan essentiële zaken. Met iets meer optimisme.

Het is niet zozeer strijd maar samenwerking die de evolutie veroorzaakt

Heel anders naar iets gaan kijken, vanuit een heel ander en nieuw perspectief, is een belangrijke voorwaarde voor verandering. Dit weten veel mensen al maar wanneer we de evolutie nou eens niet meer zouden zien als een uitkomst van strijd, maar als een uitkomst van samenwerking, wat dan? Wat wordt dan ons bredere perspectief? Zouden we ons dan zelfs een eind aan oorlog en geweld kunnen voorstellen en een eind aan de trauma’s die er door veroorzaakt worden? Zouden we ons dan kunnen voorbereiden op het uitbreken van de wereldvrede? Misschien wel.

De biologen zijn al een tijdje klaar voor het nieuwe perspectief. De meerderheid heeft uiteindelijk kunnen aanvaarden waar de evolutietheorie van Charles Darwin* te kort schoot. Darwin verklaarde weliswaar hoe de beste variant van een soort, althans de beste op een bepaald tijdstip en plaats, de meeste nakomelingen krijgt maar verklaarde niet wat de drijvende kracht was achter de grote variatie van soorten. Van het artikel van Stelling begrijp ik dat het vooral de bioloog en bacterioloog Lynn Margulis is, die ontdekte hoe evolutie echt werkt. Namelijk door samenwerkingen.

Tamar Stelling publiceerde vòòr de genoemde podcast met Joris Luyendijk het artikel: Vergeet even alle oorlogen. En zie: het bestaan is een grote wonderlijke samenwerking, op de Correspondent. Hierin wordt de revolutie die Margulis in de biologie veroorzaakte, helder beschreven. In de podcast horen we de verwondering van Luyendijk over wat Stelling in haar artikelen aankaart. Ze schrijft over kennis van het leven waar veel te weinig mensen van af weten. Uit het hierboven genoemde artikel:

De laatste jaren blijkt strijd dan ook steeds meer gewoon slechts één – onterecht overbelichte – kant van de evolutionaire medaille. Wat maakt de natuurlijke wereld dan wel tot wat hij is? Juist extreem geraffineerde samenwerkingsverbanden.

‘De planeet hangt van symbioses aan elkaar’, stelde Margulis. Samenwerkingen dus. Wat zijn voorbeelden van symbiose? Neem koraal. Koraal heeft algen nodig om zonlicht om te zetten in energie. Algen wonen in koraal. Of neem korstmos, dat bestaat uit schimmels en algen in innige omhelzing.

Soms is het samenzijn zelfs zó innig, dat diersoorten letterlijk in elkaar opgaan. Die fusie van totaal verschillende soorten tot nieuwe beestjes noemen we symbiogenesis. En symbiogenesis staat, volgens Margulis, aan de basis van alle evolutie. Een revolutionaire gedachte.

Dit soort wetenswaardigheden uit de biologie spreken mij als systeemtherapeut aan. Juist vanuit de samenwerking, vanuit de verbinding en de context, willen systeemtherapeuten problemen oplossen. Niet zozeer door strijd verder komen in het leven maar door samenwerking!

Margulis kwam al met haar inzichten in het midden van de vorige eeuw maar ze werden pas aan het einde van de vorige eeuw geaccepteerd. Ze ging tegen de evolutietheorie in wat haar niet direct in dank werd afgenomen.

Tijdens een debat in 2009, getiteld ‘Homage to Darwin,’ aan de universiteit van Oxford, vroeg een zichtbaar getergde Richard aan Margulis: ‘Waarom? Waarom zou je onze elegante ideeën over evolutie nu willen compliceren met zoiets oneconomisch als

Waarop Margulis antwoordde, immer Because it’s there.’ ‘I am not controversial, I am right’

Ze vervolgde: ‘En noem me één geval! Uit het fossielenverslag, uit het lab, uit het veld of waar dan ook! Waarbij het slechts een optelsom van willekeurige mutaties was, die leidde tot de evolutie van de ene diersoort in de andere?’

Geen van de aanwezige vooraanstaand biologen kon een soort noemen.

Zo zie je maar dat strijd nog wel belangrijk blijft. Margulis heeft moeten strijden voor erkenning van haar endosymbiose-theorie.

Stelling is correspondent ‘niet-mens’ en houdt zich vooral met dieren bezig maar haar artikelen hebben veel gevolgen voor de mens. We zouden ook op een heel andere manier kunnen gaan kijken naar onszelf. Wij bestaan namelijk niet alleen uit ons DNA maar wij bestaan zeker voor de helft dankzij allerlei vreemde bacteriën.

Iedereen draagt zo’n anderhalve kilo bacteriën mee, met name in de En van daaruit bestieren bacteriën de boel, zo komt uit steeds meer onderzoek naar voren.

Overleven zonder ons selecte gezelschap aan bacteriën – zo’n 100 triljoen van 1000 verschillende soorten alleen al in het maagdarmkanaal – zal niet gaan. Bacteriën genereren bijvoorbeeld een derde van alle moleculen in je bloedbaan. De ene bacterie maakt essentiële vitamines zoals de andere bacterie zorgt dat je voedingsstoffen kunt halen uit je eten. Zo vinden we in Japanners veel Bacteroides plebeius, die zorgen dat Japanners het beste halen uit sushi.

En we hadden nooit gedacht dat darmbacteriën iets te maken zouden hebben met allerlei aandoeningen zoals maar ook dat bleek onlangs het

Maar daar stopt de bacterie-mens-symbiose Want ook elke cel mét menselijk DNA – de eukaryotische cel – is niet het gevolg van een oercel die middels goed uitpakkende mutaties gewoon steeds maar complexer werd. Nee, onze cellen zijn van origine een samenwerkingsverband tussen losse bacteriën, die om hun moverende redenen besloten dat het beter vertoeven was samen binnen hetzelfde

Dat hokken van meerdere kleine bacteriën in een grotere cel, noemen we ‘endosymbiose.’ Een enkeling sprak daar vroeg in de twintigste eeuw ook al wel over, maar dankzij Margulis werd de endosymbiontentheorie een coherente theorie.

Geneeskunde

Lange tijd had de geneeskunde alleen aandacht voor die paar bacteriën die de boel verzieken, nooit voor de bacteriën die de zaak structureel in stand houden. Hoe anders is dat nu. Bestreden we bacteriën eerst nog met hand en tand – iedereen aan de antibacteriële zeep! – nu is het juist aan deze nijvere eencelligen om ons weer beter te maken, of weer meer ‘onszelf.’

Want misschien zijn veel ziektes en aandoeningen – zoals diabetes of zelfs autisme – wel geen genetisch defect, maar veel eerder een verstoring van je populatie minibeestjes. Dokters experimenteren inmiddels naar met zogenaamde ‘poeptransplantaties’ van gezonde naar zieke mensen, en het tijdschrift Wired berichtte onlangs over de

En nee, het zijn niet alleen bacteriën en beesten die elkaar vinden in samenwerkingsverbanden. Wetenschappers verwachten nog allerlei gelijksoortige symbiotische verbonden te tussen schimmels, planten en dieren.

Zonder samenwerking zijn we ten dode opgeschreven

Dus: de volgende keer dat iemand je vertelt dat het leven getekend wordt door dat de natuur ‘nu eenmaal wreed is’ en we onze bedrijven, overheden en relaties maar beter kunnen inrichten in ‘de geest van de evolutie’ – vertel dan het verhaal van Lynn Margulis.

‘Wat is een koe die geen gras kan eten?’, vroeg Margulis haar studenten. ‘Een uitgehongerde koe. Wat is een termiet die niet in staat is om hout te verteren? Een dode termiet. Beide soorten danken hun bestaan aan grote gemeenschappen zeer specifieke symbionten, die in hun magen en darmen leven en van daaruit voedsel verwerken.’

Negentig procent van de bacteriën in de magen van termieten komen nergens anders ter wereld voor. En de termietbacterie die enzymen produceert die hout omzetten in pulp, wordt zelf óók weer bijgestaan door honderdduizenden nóg kleinere bacteriën, die op hun beurt de houtverwerkende bacterie ‘ronddragen’ door hun gezamenlijke termietgastheer.

Samenwerking maakt sterk en fit, samenwerking zorgt dat soorten zich kunnen aanpassen aan nieuwe omgevingen en situaties. En zonder samenwerking zijn we ten dode opgeschreven.

Verwondering en escalerende interesses

De nieuwe biologische theorie leidt tot verwondering. Hier geeft Luyendijk in de pod-cast uiting aan: “De grens tussen mij en niet-mij (het vreemde) is minder absoluut dan we dachten want al het andere leven zit ook in mij. Net zoals de grens tussen leven en dood minder absoluut is. Kijk bijvoorbeeld naar het ‘onsterfelijke’ kwalletje Turritopsis dohrnii.” Hier heeft Stelling eerder over geschreven: Hoe de onsterfelijke kwal mythische proporties aannam.

Wat dit kwalletje doet staat haaks op wat wij tot nu toe denken over veroudering. Het stuurt zijn cellen als het ware terug in de tijd op een moment dat de omstandigheden voor hem niet ideaal zijn. In een soort babyfase wacht hij betere tijden af en groeit later uit tot volwassene.

Turritopsis dohrnii, getekend op een T-shirt

Wat ook tot verwondering leidt is het feit dat meer dan 99% van alles wat leeft niet menselijk is. Meer dan 99% van het leven bestaat uit planten, microben, insecten en schimmels. Als de mens wegvalt heeft dat weinig gevolgen voor de algemene leefbaarheid van de planeet.

Stelling spreekt in de podcast over haar escalerende interesse. Er wordt bijvoorbeeld teveel vis uit zee gehaald. IJsland en Noorwegen willen zich niet houden aan de visquota en sluiten zich daarom niet aan bij de EU. En dan blijkt dat dit samenhangt met de Brexit van Groot-Britannië. Hier kom je niet zo gauw op.

We hebben last van kwallen omdat we hun natuurlijke vijanden hebben gedood. Dan vinden we een ‘kwallenshredder’ uit. Door dit apparaat te gebruiken komen de zaadjes en eicellen van de kwallen allemaal los waardoor we weer meer kwallen krijgen. We vernietigen koraalriffen en mangrovebossen waardoor we overstromingen krijgen en dan komt de industrie met techniek om ons te wapenen tegen overstromingen.

We kunnen ons verwonderen over dat kleine beetje leven dat wij mensen zijn en dat die soort bezig is om alles te vernietigen wat hij nodig heeft. Stelling probeert positief te blijven. Ze benadrukt dat onze cultuur voor ons belangrijk is en laat zien dat de cultuur voor bijvoorbeeld walvissen en andere dieren net zo belangrijk is. In de podcast zegt Luyendijk dat mensen gevangen zitten in hun cognitieve beperkingen. Omdat mensen de panda zo leuk vinden gaan ze die beschermen maar de sprinkhaan niet en zo gaat de mensheid ten onder. Stelling voegt hier aan toe dat er heel veel geld besteed wordt aan onderzoek naar buitenaards leven en zwarte gaten maar dat we nog te weinig weten over het leven op deze planeet: ‘Kwallen zijn belangrijker dan zwarte gaten.’

We hebben te weinig morele kaders waarbinnen we over het leven nadenken. Het is de techniek die bepaalt wat er gebeurt. De wetenschap construeert met techniek de werkelijkheid terwijl het eerder haar rol is om dingen te ontdekken over de werkelijkheid.

Mensen die een kind willen lijken de aanjagers te zijn van het embryo onderzoek maar waarom zijn er zoveel van deze mensen? Waarom kunnen ze niet een kind krijgen op een natuurlijke manier? Omdat ze er te laat aan begonnen zijn! En waarom is dat? Omdat de samenleving niet ingericht is op gelijkwaardige man-vrouw verhoudingen. De eigenlijke aanjager achter de embryo-techniek is de ongelijke man/vrouw verhouding. Weer zo’n escalerende interesse van Stelling.

Luyendijk vraagt haar: Hoe krijgen we grote groepen mensen geïnteresseerd in dit soort wetenschap die hen zo direct raakt? Stelling geeft als voorbeeld de Noorse insectendeskundige Anne Sverdrup-Thygeson die haar best doet om mensen te interesseren voor insecten.

Insecten redden elke dag een klein beetje ons leven. Ze zijn klein maar hun prestaties zijn onmisbaar. Ze recyclen voedingsstoffen en dienen als een soort lijm in de natuur: ze verbinden soorten met elkaar en zorgen voor producten die mensen nodig hebben. Denk aan alles wat dood gaat en de mest die dat veroorzaakt. Dat moet allemaal gerecycled worden. Insecten werken samen met schimmels en bacteriën om afval terug in de circulatie te brengen. Dat composteren is belangrijk voor ons mensen. Als dat niet zou gebeuren zouden we ons niet meer in de natuur kunnen begeven. We hebben lange tijd insecten voor lief genomen maar nu door de intensieve landbouw, de insecticiden en de invasieve soorten zijn we de voorwaarden voor het leven zo snel aan het beïnvloeden dat de insecten hun diensten niet meer kunnen bewijzen.

Het blijft Luyendijk verbazen hoe beperkt de kennis is over datgene dat het leven mogelijk maakt. Dat raakte me. Vandaar dit bericht over het werk van Tamar Stelling op de Correspondent.


* Darwin heeft het zelf niet over strijd maar over overleving van de best aangepasten, ‘survival of the fittest’, wat iets anders is dan strijd. Het zijn de sociaal Darwinisten, die na hem kwamen en die het idee van strijd met zijn evolutietheorie verbonden. Dit onder leiding van de rechts liberale socioloog, filosoof en antropoloog Herbert Spencer.

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie en klimaat

‘Meer, meer, meer’ gaat ons niet helpen

“Veel werken leidt tot stress, een onregelmatig gezinsleven, minder gemeenschapszin en minder maatschappelijk engagement”.

Tot deze conclusie komt de Amerikaanse econoom en socioloog Juliet Schor in haar boek ‘Plenitude: The New Economics of True Wealth (2010)’  waarin ze pleit voor een ‘nieuwe economie’.  Mensen worden volgens haar niet alleen gemotiveerd door geld, maar ook door de behoefte zich nuttig te voelen, creatief te zijn en verbonden te zijn met anderen.

De toename van stress bij te veel werken gaat samen met allerlei psychische klachten. Misschien kan de ‘nieuwe economie’  tot zinvoller en leuker werk leiden en tot minder stress. In de oude economie draait het om ‘meer, meer, meer’, wat alleen maar tot ‘meer, meer, meer’ stress leidt.

Met het publiceren van dit economische en politieke artikel, wordt op dit blog een nieuwe categorie artikelen gestart. De categorie: Persoonlijk is politiek. Dit was in de zeventiger jaren een motto van de feministen.

Met het intreden van de nieuwe economie zoals o.a. Juliet Schor dit voor ogen heeft, zou veel werk in de geestelijke gezondheidszorg weleens overbodig kunnen worden omdat er minder stress zal zijn en meer gemeenschapszin. Bezuinigen, de andere tendens in de ‘oude’ economie, gaat dan als vanzelf en spelenderwijs.

Volgens Schor moeten we af van het idee dat economische groei de crisis en de werkeloosheid gaat oplossen. Om het evenwicht op de arbeidsmarkt te herstellen zouden in de VS zo’n 11 miljoen banen gecreëerd moeten worden. ‘Zelfs bij een wel zeer optimistische economische groei van vier procent per jaar gaat dat niet lukken’.

Onder de titel: ‘Het nodeloze juk van de voltijds baan’, met als subtitel: ‘Op naar een andere economie’, verscheen in de Groene Amsterdammer een artikel van Mars van Grunsven, waarin de ideeën van Juliet Schor en ook die van Douglas Rushkoff, een bekende Amerikaanse mediatheoreticus naar voren kwamen. Hieronder een verkorte versie van dit artikel. 

De paradox in de heersende economische doctrine

Amerikanen kunnen met minder mensen meer produceren dan ooit tevoren. Dat is goed, zou je zeggen: Het perfecte recept voor minder arbeid – en meer rust. Maar dat is niet wat de huidige economische doctrine propageert.

Obama en Romney stellen dezelfde economische diagnose: De Amerikaanse beroeps­bevolking is de productiefste ter wereld, dus zodra de wereldeconomie aantrekt zal het afgeslankte Amerikaanse bedrijfsleven automatisch weer mensen aannemen. Het enige wat nu moet gebeuren is dat men in Washington DC de juiste beleidsmaatregelen neemt om dit herstel te versnellen. De huidige situatie – structurele werkloosheid (boven de acht procent) en een almaar groeiende staatsschuld (bijna zestien biljoen dollar) – is immers niet houdbaar. Over wat dit beleid zou moeten zijn, verschillen Obama en Romney uiteraard van inzicht.

Maar uiteindelijk stellen beiden arbeids­productiviteit in dienst van een hoger doel: Volledige werkgelegenheid en groei van het bruto nationaal product. Het bruto nationaal product (bnp) is datgene wat ‘nationaal’ verdiend/geproduceerd is, meestal in een jaar, door de staatsburgers van een land.

Streven naar volledige werkgelegenheid is begrijpelijk, helemaal in een land met een minimaal sociaal vangnet als Amerika: Veel van de ongeveer veertien miljoen werkloze Amerikanen zitten in serieuze problemen, waaruit schijnbaar alleen een baan hen kan redden.

Maar het blijft, als je erover nadenkt, paradoxaal: Proberen iedereen aan het werk te krijgen door te stimuleren dat voor hetzelfde werk steeds minder mensen nodig zijn – want dat is waartoe stijgende arbeidsproductiviteit in de regel leidt. Sterker, dat is zelfs de bedoeling van de (vooral digitale) technologieën die we ontwikkelen ter verbetering van de arbeidsproductiviteit.

Feit is dat Amerikanen – en hetzelfde geldt voor de rest van de ontwikkelde wereld – met minder mensen meer kunnen maken en doen dan ooit tevoren. Vooral digitale technologie neemt mensen werk uit handen. De tol langs Amerikaanse wegen wordt al door computers geïnd en als het aan Google ligt zijn taxi­chauffeurs straks vervangen door zelf-rijdende auto’s. Elk nieuw ontworpen computerprogramma kan iets wat voorheen door een mens werd gedaan – alleen doet de computer het sneller, beter en goedkoper.

Een van de laatste grote slachtoffers van deze ontwikkelingen is de U.S. Postal Service, zeg maar de Amerikaanse PTT. Dankzij de komst van e-mail verzenden mensen nu 22 procent minder post dan ze in 2007 deden, met als gevolg dat duizenden postkantoren in het land sluiten en honderdduizenden hun baan zullen verliezen. Dus roept Obama dat werkloosheid hét vraagstuk van het moment is.

Werkeloosheid een probleem?

De Amerikaanse denker Douglas Rushkoff waagt de wijsheid daarvan te betwijfelen. ‘Alsof de reden om een hogesnelheidstrein netwerk te ontwikkelen of een brug te repareren is dat we mensen aan een baan moeten helpen’, schreef hij in een geruchtmakende column op cnn.com. ‘Ik durf het bijna niet te vragen’, vervolgde hij, ‘maar waarom is werkloosheid eigenlijk een probleem? Ik begrijp dat we allemaal een salaris willen – of in ieder geval geld. We willen voedsel, onderdak, kleding en alle dingen die we met geld kunnen kopen. Maar willen we werkelijk een baan?’

Het is een ongebruikelijke, maar daarom niet minder prikkelende vraag. ‘We leven in een economie waarin niet productiviteit, maar werkgelegenheid het doel is geworden’, schrijft Rushkoff. ‘Dat komt doordat we al nagenoeg alles hebben wat we nodig hebben. Amerika is productief genoeg om de hele bevolking te voorzien van voedsel, onderdak, onderwijs en gezondheidszorg, terwijl slechts een fractie van ons hoeft te werken.’

Kom dus bij Rushkoff niet aan met een voorstel om de productiecapaciteit van het land te vergroten. ‘Ons probleem is niet dat we niet genoeg spullen maken’, schrijft hij. ‘Het is dat we niet genoeg manieren hebben om mensen aan het werk te zetten zodat ze kunnen bewijzen dat ze die spullen verdienen.’

Het is goed om ons te realiseren dat een baan als concept relatief nieuw is, stelt Rushkoff. Mensen hebben weliswaar altijd gewerkt, maar tot aan de opkomst van bedrijven in de Renaissance werkten de meeste mensen voor zichzelf – als ambachtslieden, handelslui of boeren. Pas toen door regeringen gecharterde bedrijven de economie begonnen te domineren, werd werken ‘een baan nemen’. Hier wil ik Rushkoff aanvullen: De boeren in Europa werkten in de Renaissance voor een groot deel voor hun landheren. Het gaat hier om het feodalisme, een andere systeem dan kapitalisme met een ander type uitbuiting.

Ook van de in Amerika gangbare term worker moet Rushkoff niets weten, ‘zoals we onszelf al lang niet meer beschouwen als slaven, lijfeigenen of edellieden, zo zouden we nu onszelf niet meer moeten zien als consumenten, managers of werkers; dat zijn termen uit het industriële tijdperk. Je bent geen werker, je bent een persoon.

Nu nieuwe technologieën meer en meer mensen overbodig maken, vraagt Rushkoff zich af: Hoe slecht is dat eigenlijk voor de mensen? Is dat sowieso niet waarvoor technologie bedoeld is? De vraag zou niet moeten zijn hoe we manieren vinden om die mensen alsnog aan een baan te helpen, maar hoe we een maatschappij kunnen organiseren rondom iets anders dan volledige werkgelegenheid. ‘We proberen almaar de logica van een schaarse markt te gebruiken om te onderhandelen over dingen die we eigenlijk in overvloed hebben’, constateert hij. ‘Het ontbreekt ons niet aan werkgelegenheid, maar aan een manier om de buit die de technologie ons heeft gebracht eerlijk te verdelen – en aan een manier om betekenis te scheppen in een wereld die al veel te veel spullen heeft geproduceerd.’

Rushkoffs antwoord op die vragen is er een dat ‘we ons voor het digitale tijdperk niet hadden kunnen voorstellen. We hoeven geen dingen meer te maken om geld te verdienen. In plaats daarvan kunnen we op informatie gebaseerde producten aan elkaar verkopen.’

In Rushkoffs ideale maatschappij zijn voedsel, onderdak, gezondheidszorg en onderwijs basisrechten. Het werk dat we doen – ‘de waarde die we creëren’ – is voor de dingen die het leven plezierig en betekenisvol maken. In zo’n maatschappij is werk ‘niet zozeer een baan als wel creatieve activiteit. We kunnen games voor elkaar maken, boeken schrijven, problemen oplossen en elkaar verlichten en inspireren zonder dat grote bedrijven eraan te pas komen.’

Zelfredzaamheid, medewerken en samenwerken

Rushkoff’s ideale maatschappij doet wellicht wat utopisch aan. Dat geldt in mindere mate voor de ideeën van de Amerikaanse econoom en socioloog Juliet Schor, die in haar boek Plenitude: The New Economics of True Wealth (2010) pleit voor een ‘nieuwe economie’. Daarbij gaat ook zij uit van de vaststelling dat het gelijktijdig streven naar een grotere arbeidsproductiviteit en volledige werkgelegenheid paradoxaal – en dus onwenselijk – is. Ook wil ze af van het idee dat de Amerikaanse economie afhankelijk zou zijn van economische groei (gemeten in het een percentage van het bnp).

Schor ziet drie grote vraagstukken in deze tijd. De ecologische gevarenzone waarin we ons bevinden, globale armoede en ongelijkheid in het rijke Noorden.

‘De noodzaak om die drie problemen gelijktijdig op te lossen, opent ruimte voor een nieuw soort economie’, zegt Schor. ‘Hier in de VS zie ik een alternatieve route die werkloosheid en ecologische schade terugdringt zonder verdere groei van het bnp. Deze route versterkt het algehele welzijn, de kwaliteit van het dagelijks leven en de hechtheid van gemeenschappen. Het is overigens geen puur technologische oplossing, hoewel groene, schone technologieën er een belangrijk onderdeel van zijn.’

Het kerninzicht, vervolgt Schor – en hiermee komt ze opeens weer in de buurt van Rushkoff – ‘is de noodzaak om de wijze te transformeren waarop mensen hun tijd besteden’.

De nieuwe economie die Schor voor zich ziet, krijgt twee hoofdcomponenten. De eerste is het onttrekken van arbeid aan de formele economie ofwel: Mensen moeten minder gaan werken. De tweede is het uitbreiden van de lokale economie, onder meer via doe-het-zelf-productie en kleinschalige ondernemingsactiviteiten.

Tussen 1973 en 2006 zijn Amerikanen gemiddeld 204 uur per jaar meer gaan werken. Dat heeft tot een enorme groei van het bruto nationaal product geleid, maar evengoed tot meer klimaatemissies en ecologische schade, constateert Schor. Bovendien leidt het vele werken tot stress, een onregelmatig gezinsleven, minder gemeenschapszin en minder maatschappelijk engagement. Maar er speelt nog iets anders: Groei van het bnp is simpelweg niet meer in staat het verstoorde evenwicht op de Amerikaanse arbeidsmarkt te herstellen. ‘De VS moeten elf miljoen nieuwe banen creëren om terug te keren naar het niveau van voor de financiële crisis’, zegt Schor. ‘Zelfs bij een wel zeer optimistische economische groei van vier procent per jaar lukt dat niet. De oplossing ligt in vierdaagse werkweken, gedeelde banen en vervroegd pensioen.’

Minder werken vermindert ook de ecologische impact van de economie, betoogt Schor. ‘Huishoudens met veel vrije tijd kiezen in de regel voor vervoersvormen en consumptiepatronen die minder belastend zijn voor het milieu.’

Een ander belangrijk voordeel van korter werken is dat mensen hun nieuwe vrije tijd kunnen gebruiken om meer zelfvoorzienend te worden, wat in de volksmond do-it-yourself wordt genoemd. ‘Zo kunnen mensen hun consumptie opvoeren en tegelijkertijd hun afhankelijkheid van inkomen terugbrengen, vaardigheden leren en hun creativiteit uitleven.’

Verschillende vormen van do-it-yourself winnen sinds de crisis in de VS sterk aan populariteit, stelt Schor in haar onderzoek vast. ‘Voorbeelden zijn het verbouwen van eigen voedsel, veehouderij, bijen houden, eigen energie­voorziening, milieuvriendelijk bouwen, eigen kleren maken en andere ambachtelijke vaardigheden.’

Volgens de gangbare economische doctrine moeten mensen zich specialiseren in een bepaalde activiteit, daarmee hun geld verdienen op de arbeidsmarkt, waarmee ze vervolgens kopen wat ze nodig hebben of begeren. Schor gelooft daarentegen dat het uitbreiden van activiteiten en inkomensstromen de toekomst heeft. ‘In staat zijn om in het geval van een instortende markt of een ecologische catastrofe in de eigen behoeften te voorzien, is een slimme strategie. Nog slimmer is het om dat niet op individueel niveau maar op gemeenschapsniveau te doen.’

Deze nieuwe zelfredzaamheid wordt in combinatie met ‘medewerking’ en ‘samenwerking’ de basis voor de nieuwe economie. ‘Het peer-to-peer-productiemodel steunt niet, of in ieder geval niet alleen, op eigenbelang. Mensen worden niet alleen gemotiveerd door geld, maar ook door de behoefte zich nuttig te voelen, creatief te zijn en verbonden te zijn met anderen. Dergelijke behoeften worden niet noodzakelijkerwijs in een gewone baan in het bedrijfsleven of bij de overheid bevredigd.’

De verschuiving van arbeidsuren op de formele arbeidsmarkt naar het niveau van huishoudens en gemeenschappen is volgens Schor ook verstandig omdat de ‘economie van schaalvoordelen is veranderd. Automatisering en het internet hebben kleinschalige productie aanzienlijk efficiënter gemaakt, vooral als dit binnen een sterk netwerk gebeurt. De opkomst van de informatietechnologie heeft de kleine onderneming getransformeerd van een nostalgisch overblijfsel uit een romantisch verleden tot de slimme ondernemingsvorm van de 21ste eeuw.’

Tot zover de verkorte versie van het artikel van Mars van Grunsven.

Ten slotte

Intussen zijn er allerlei ontwikkelingen in de VS en elders waarbij kleine bedrijven door grote worden verdrongen en zo de nieuwe economie tegenwerken. Voorbeelden in de GGZ in Nederland zijn bijvoorbeeld dat eigen praktijken van zelfstandige eerstelijns psychologen door de grote zorgverzekeraars aan banden worden gelegd. Op het gebied van internet zijn er kleine weblog-hostbedrijven die door grote bedrijven worden opgekocht en dan de vernieling ingaan. In de VS deze week kregen kleine grondeigenaren te horen dat hun land wordt onteigend voor een pijplijn van een ‘joint venture’ van grote olieconcerns.

Als ik de nieuwe economische zienswijze goed begrijp dan ben ik met mijn eigen kleine psychologen-praktijk duurzaam bezig. Mijn netwerk bestaat uit enkele lokale mensen die mijn werkwijze goed kennen en naar mij verwijzen, ik verzamel mijn eigen psycho-educatie materiaal, doe mijn eigen PR, maak zelf de WC schoon en sponsor een lokaal cultureel ‘event’. Dit alles ondanks de tegenwerking van de grote zorgverzekeraars die mij bestraffen door te korten op de vergoedingen die mijn cliënten krijgen omdat ik geen contract met hen wil afsluiten.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Zorgverzekeringen