Tagarchief: partnerrelatie

Hoe gehecht bent u?

Iedereen is op zijn eigen manier gehecht aan anderen. We kunnen meer of minder gehecht zijn aan anderen. We kunnen gezond en veilig gehecht zijn of ongezond en onveilig gehecht zijn. Ruwweg zijn er vier stijlen van gehecht zijn te onderscheiden: één gezonde stijl en (helaas) drie ongezonde stijlen.*

De stijl van gehecht zijn wordt al heel vroeg in ons leven ontwikkeld en vormt de basis voor de manier waarop we mentaliseren en de manier waarop we emoties toelaten of afweren. Gehechtheid, reguleren van emoties en vermogen tot mentaliseren gaan samen.

Mentaliseren is ons vermogen om onszelf en anderen te kunnen begrijpen door middel van innerlijke gedachten, gevoelens en verlangens, kortom begrijpen via de mentale ervaringswereld.

Emotie en gevoel

Ons vermogen om emoties te reguleren, in contact met anderen of wanneer we alleen zijn, is bepalend voor het gezond functioneren. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt tussen emotie en gevoel. Emoties spelen zich af in het lijf. De lijfreacties vertellen ons of de buitenwereld veilig of onveilig is, of we weg willen rennen of toenadering willen zoeken. Het is ons basisgereedschap dat ons in staat stelt – en met ons vele diersoorten – om te overleven. Emoties zijn naar buiten gericht en waarneembaar voor anderen. Aan onze lichaamshoudingen gezichtsuitdrukking, toon en volume van onze stem, kunnen anderen merken of wij boos, bang, verdrietig of blij zijn.

Pas als iemand zich bewust wordt van zijn emotie spreken we van gevoel. Over een gevoel kun je vertellen en nadenken.

Als je aan een zichtbaar geëmotioneerd iemand vraagt: “Wat voel je?”, krijg je niet zelden te horen “Niets”. Als je dan aan hem of haar vraagt om het lijf langs te lopen, van het hoofd langzaam tot de voeten, dan wordt die iemand zich bewust van spanning, pijn en onrust, wordt hij zich bewust dat er zich binnenin van alles afspeelt. Dit bewustwordingsproces leidt tot gevoel: gevoel is het eindproduct van emotie.

Hechten moet

Bij de geboorte is een baby totaal afhankelijk van de ouders om in leven te blijven. Hechten moet, ongeacht of de ouders aardig zijn of niet, ongeacht de kwaliteit van hun zorg.

Baby’s kunnen prikkels registreren als fijn of niet fijn en kunnen met hun lijf signalen afgeven – huilen, schoppen, gillen, lachen – over hun innerlijke toestand. Hoe de ouders op deze signalen reageren is cruciaal. Kunnen zij de emotie van hun kind verdragen, zijn zij in staat hun kind te troosten en verzorgen, gerust te stellen, of worden ze zelf in hun eigen emoties te erg geraakt of ontregeld?

De gehechtheidstheorie beschrijft de emotionele interactie tussen ouder en kind en is in feite een theorie over emotie- en stress regulatie. De ervaringen van het kind worden opgeslagen in het onbewuste, lijfelijke, procedurele geheugen, dat toegankelijk is via lijfervaringen maar grotendeels buiten het bereik valt van het autobiografische, bewuste en op taal gebaseerde geheugen. Het kind leert zichzelf kennen als lief en geliefd of als lastig en tot last. De betekenis die een ouder aan het gedrag van de baby geeft, zal afhangen van zijn of haar vermogen tot empathie en het kanaliseren van de eigen emotionele reacties.

De vier stijlen van hechten kunnen hieronder dankzij de gehechtheidstheorie helder op een rij gezet worden. 

Veilige hechting: ‘ik ben er om van te houden’

Veilige gehechtheid ontstaat in een relatie waarin de ouder de emoties en het gedrag van zijn kind kan onderkennen als van iets van dat kind, los van de eigen emotie. Zo kan de ouder troost bieden, zonder zelf te ontregelen of angstig of boos te worden.

Het kind leert op deze manier dat zijn emoties iets van hem zijn en leert er woorden aan te geven. Hij leert om de realiteit binnenin hem te onderscheiden van de realiteit buiten hem en om zijn eigen emoties te onderscheiden van die van anderen.

Veilige hechting is gebaseerd op een innerlijk model van de ander als veilig en betrouwbaar en van zichzelf als competent en ‘om van te houden’.

Onveilige hechting

Onveilige hechting ontstaat als de ouder zelf minder goed in staat is om zijn eigen emoties te reguleren en zelf ontregeld raakt bij een confrontatie met de emoties van het kind. Er zijn drie soorten onveilige hechting.

1. Angstig-ambivalente of aanklampende gehechtheid

De ouder neemt de emotie van het kind over: kind angstig ⟶ ouder angstig ⟶ kind nog angstiger. Het gevoel escaleert wat een langere periode van ontregeling met zich meebrengt. Wiens emotie van wie is, is niet duidelijk.

Het kind blijft afhankelijk wat ten koste gaat van de exploratie van zijn omgeving en van zijn autonomie.  Er is sprake van onderregulatie: men reguleert niet zelf en klampt aan bij de ander.

2. Angstig-vermijdende of gereserveerde gehechtheid

De ouder is gewend om eigen emoties te negeren of af te doen als aanstellerij. Deze ouders zullen te weinig reageren op signalen van ontreddering van hun kind. Een kind dat niet huilt als het pijn heeft, wordt als makkelijk ervaren maar dit kind heeft al geleerd dat in nood niet op steun of troost gerekend kan worden.

Autonomie en zelfredzaamheid heeft al de overhand genomen ten koste van de hechting. Er is sprake van overregulatie: men reguleert teveel en neemt afstand van de ander.

3. Gedesorganiseerde gehechtheid

De ouders zijn een bron van angst; het zijn ouders die agressief, verwaarlozend en vooral onvoorspelbaar zijn. Het kind kan geen eenduidig innerlijk werkmodel ontwikkelen; ze blijven innerlijke representaties houden van hulpeloosheid aan de ene kant en vijandigheid  aan de andere kant. Het kind heeft geleerd dat anderen niet beschikbaar zijn en heeft ook niet geleerd om zijn eigen heftige emoties te reguleren.

Bowlby, Johnson en de partnerrelatie

John Bowlby

Volgens de grote grondlegger van de gehechtheidstheorie, de psychoanalyticus John Bowlby, houden alle betekenisvolle interacties met belangrijke anderen in de volwassen leeftijd verband met de basisaannames uit de kindertijd over de beschikbaarheid en veiligheid van anderen. Hoe onveiliger en problematischer de vroegere hechtingsrelatie geweest is, hoe minder stressbestendig en stabiel de relaties in het latere leven zullen zijn en hoe sneller de persoon in kwestie zich bedreigd en onveilig zal voelen.

Sue Johnson borduurt hier op voort en plaatst emoties en emotionele reacties in het kader van de gehechtheid en de angst voor verlies of het gevoel van verlies van contact met de ander. Vermeende afwijzing of verraad door de partner of een partner die niet beschikbaar is in momenten van nood roepen angst en protest op en brengen gedrag op gang dat bedoeld is om contact te herstellen. Oud hechtingsgedrag wordt geactiveerd. Vroeg geleerde reacties worden zichtbaar: vechten of vluchten, zich terugtrekken, verlammen, zich afsluiten. De ene partner hoopt dat de ander ‘het zal begrijpen’. Maar juist hier kan het fout gaan! De emoties van de partner zijn niet altijd begrijpelijk en kunnen voor de ander juist een signaal van onveiligheid vormen. De heftigheid van een emotie kan gevoeld worden als kritiek of afwijzing en niet als een verlangen naar begrip of opvang. Zo ontstaat een cirkel van angst voor contactbreuk en noodkreten over en weer die alleen maar tot emotionele escalatie leiden.

Sue Johnson

Veilige gehechtheid en de partnerrelatie

Veilig gehechte stellen delen meer emoties met elkaar en zijn accurater in het interpreteren van de non-verbale communicatie bij de partner. Delen met elkaar maakt het mogelijk om pijn te verdragen.

Het oplossen van een conflict heeft een positieve invloed op de beleving van de partner. Zo werkt het bij onveilig gehechte mensen niet; het negatieve oordeel over een partner blijkt niet te veranderen na het oplossen van een conflict.

Het is niet de contactbreuk op zich waar het om gaat maar het vermogen om het contact te herstellen en de ander te hervinden. Van Dantzig: De mens is niet gemaakt om alleen te lijden, evenmin is hij gemaakt om alleen lief te hebben’.

Angstige gehechtheid en de partnerrelatie

Mensen die angstig gehecht zijn hebben angst voor verlating en grote onzekerheid over de liefde van anderen. Deze angst maakt mensen aanklampend, voortdurend twijfelend aan de toewijding van de ander en geneigd om die te controleren.

Zij hebben moeite de partner (en vaak de kinderen) een eigen leven toe te staan en als gevolg van hun angsten kunnen zij bemoeizuchtig en achterdochtig worden.

Behoefte van de partner aan eigen ruimte betekent een afwijzing. Time-out opdrachten met als doel de-escalatie van heftige emotionele interacties kunnen bij deze mensen mislukken omdat zij de opgelegde emotionele afstand niet verdragen.

Deze mensen moeten leren om op eigen krachten te vertrouwen.

Vermijdende gehechtheid en de partnerrelatie

Vermijdend gehechte mensen hebben vooral geleerd om autonoom te zijn. Deze mensen zijn bang om emotioneel afhankelijk te zijn en bang voor nabijheid. Uit ervaring weten deze mensen dat je vooral op jezelf moet vertrouwen – niet alleen ‘zelf doen’ maar ook alléén.

Vermijdend gehechte mensen zullen niet gauw hun partner betrekken bij een probleem en zullen moeite hebben om een hulpvraag van de partner te verdragen. Ze zijn zich weinig bewust van hun eigen emotionele behoeften noch van die van anderen en hun behoefte om emoties met hun partner of een ander te delen is beperkt.

Kwetsbare gevoelens zullen deze mensen niet gauw laten zien omdat deze gevoelens voor deze mensen zelf ook moeilijk toegankelijk zijn. Deze mensen kunnen duidelijk geëmotioneerd zijn maar ontkennen dat zij iets voelen.

Hulp van anderen wordt niet als hulp ervaren maar als een correctie, een bewijs van onvermogen. In therapie heeft zo iemand niet direct een hulpvraag. Iets niet zelf kunnen, je van anderen afhankelijk maken, is angstaanjagend.

In therapie kan men beginnen woorden te vinden voor onderliggende pijn; de pijn van het kind dat zich noodgedwongen sterk heeft moeten maken.

Gedesorganiseerde gehechtheid en de partnerrelatie

Bij partners van wie één (of beiden) gedesorganiseerd gehecht is, is de boodschap: kom dichtbij want ik heb je nodig maar ga weg want ik stik. De ander die nodig is als toeverlaat is ook de bron van angst, twee onverenigbare emotionele reacties. Vaak hebben deze mensen dissociatieve neigingen, niet alleen als vlucht voor het contact met de omgeving maar ook als vlucht voor het eigen gevoelsleven.

De partners bevinden zich in een onoplosbaar dilemma waar niets goed voelt. Oude trauma’s kunnen gereactiveerd worden. Heftige en moeilijk te reguleren emoties kunnen blootgelegd worden wat geweld tot gevolg kan hebben: wanhoop en woede zijn een explosieve combinatie.

Personen waarbij een borderline persoonlijkheidsstoornis is gediagnosticeerd, bevinden zich veelal in deze categorie.

Conclusies voor de relatietherapeut zelf

Je hebt aandacht voor emoties, emotionele regulatie en de gehechtheidsrelaties die daar aan ten grondslag liggen.

Je kunt de emoties van de cliënt verdragen en er over kunnen nadenken zonder zelf angstig te worden.

Partners functioneren als emotionele regulatoren voor elkaar: een partner die de emotie van de andere partner kan aanhoren heeft een stabiliserende werking.

Beslissend voor de gevolgen van trauma is hoe er in het latere leven over gereflecteerd wordt.

Onveiligheid kan in veiligheid veranderen, niet zozeer doordat de feiten veranderen maar doordat de beleving ervan veranderd.

De gehechtheidstheorie is makkelijk uit te leggen en biedt houvast.

* Grotendeels is gebruik gemaakt van een artikel van Jeanette de Waal uit jaargang 18 nr.4 van het tijdschrift: Systeemtherapie.

Advertenties

7 reacties

Opgeslagen onder Psychotherapie, Systeemtherapie