Tagarchief: luisteren

Burgerschapsonderwijs

Hier een citaat uit een artikel in Trouw: ‘Wie stelt dat populisme ondemocratisch is, moet uitleggen waarom’. Aan het woord is de politiek filosoof Michael Sandel:

Beschaafdheid en wederzijds respect zijn aan het afbrokkelen in onze maatschappij. We moeten een cultuur van beschaafdheid ontwikkelen. Dan heb ik het niet alleen over beleefdheid en goede manieren tegenover mensen met wie we fors van mening verschillen. Het vraagt meer. Het vermogen om een ander te overtuigen en de mogelijkheid om zelf overtuigd te worden door mensen met wie je het oneens bent. Daar zijn we niet goed in. We hebben burgerschapsonderwijs nodig. Goede burgers worden gemaakt, ze worden niet geboren. Leren luisteren moet je oefenen.

Sandel zet het afwijzen van populisme neer als ondemocratisch. Hij wil hiermee een moreel dilemma voorleggen:

‘Veel mensen zeggen te snel dat populisten ondemocratisch zijn zonder precies uit te leggen wat dat betekent.’

Het bovenstaande verwijt is terecht. Maar Sandel legt niet goed uit wat populisme is. Hij zegt alleen: ‘Op het eerste gezicht gaat populisme over besturen door het volk.’  Dat hij het niet verder uitlegt is jammer want het is, ook voor de respectvolle discussie over democratie en populisme die hij wil stimuleren, belangrijk om te weten waar het begrip populisme precies vandaan komt.

Het begrip ontstond als naam van een beweging onder arme boeren in de Verenigde Staten, met name in de zuidelijke staten in de jaren 1890. Deze beweging keerde zich tegen banken en andere grote bedrijven die de boeren schade toebrachten. Het populisme was uniek omdat het zwarte en witte boeren en andere arme mensen samenbracht: toen een groot taboe in het door en door racistische zuid-oosten van de Verenigde Staten.

Het is ironisch dat President Trump tegenwoordig ‘populist’ genoemd wordt. Trump, die blanke suprematie verheerlijkt en raciale scheidslijnen versterkt. Trump, die banken en andere grote bedrijven honderden miljarden dollars cadeau geeft ten koste van arme mensen.

‘Populisme’ is een woord geworden dat misbruikt wordt door journalisten in grote media, die te laf zijn om politici zoals Trump in Amerika, Salvini in Italië, Le Pen in Frankrijk, enz. aan te duiden als ‘racistisch’, ‘extreem rechts’ of ‘neofascistisch’.

Afgezien van deze omissie ben ik het geheel met Sandel eens dat goed burgerschap en goed luisteren te leren is.


Je kunt hem aan het werk zien op TV in het programma: ‘Change Your Mind’ (Human) is vanaf dinsdag 7 augustus 2018 te zien, om 22.45 uur op NPO 2.

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Onderwijs, Persoonlijk en politiek

Filosoferen met kinderen

Dit interessante filmpje kwam ik op zoek naar iets anders tegen op het internet. Het is in 2000 gemaakt door Jan Diederen voor Noorderlicht, het wetenschapskanaal van de VPRO, nu Tegenlicht. Het is prachtig om te zien hoe kinderen slimme antwoorden geven op moeilijke vragen en hoe kritisch ze kunnen denken. De tekst van de VPRO bij het filmpje:

Kinderen hebben een natuurlijke neiging tot filosoferen. Jammer genoeg wordt deze ergens rond hun achtste jaar – onder andere door het onderwijssysteem – in de kiem gesmoord. Noorderlicht filmde op een basisschool in Heemstede waar met jonge kinderen wordt gefilosofeerd en op een school in Oost-Duitsland, waar na ‘die Wende’ filosofie als keuzevak op alle basisscholen werd ingevoerd.

 

Ik denk dat onze neiging tot filosoferen inderdaad wordt ingeperkt. En niet alleen binnen het onderwijs. Filosoferen is in zekere zin een subversieve bezigheid zegt iemand in het filmpje.

Hoe het momenteel gesteld is met het filosofie onderwijs op de basisscholen weet ik eigenlijk niet. Er wordt nog wel anno 2016 gefilosofeerd met kinderen blijkt uit een recent bericht in het tijdschrift Filosofie.


De drieteenstrandlopertjes dribbelen driftig langs de strandrand

De kiekendief schommelt geruststellend boven het waddenland

Niet alles is al helemaal

Kapot

Gedicht van Peter Storm.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Onderwijs, Opvoedkunde, Persoonlijk en politiek

Narratieve therapie: taal, metaforen en verhaal

Er zal mij het een en ander bij blijven van de tweedaagse zomerworkshop narratieve therapie van Jan Olthof en Ineke Rood. Jan Olthof is psychotherapeut en auteur van het recent gepubliceerde Handboek voor narratieve psychotherapie. Ineke rood is docent systeemtherapie en psychotherapeut.

Woorden kunnen pijn doen. Iemand uitschelden of iemand een klap geven zetten dezelfde hersengebieden in beweging. Mentaal of fysiek aangevallen worden maakt dus voor de hersenen weinig uit. Als dit zo is dan zullen woorden van troost of een streling met de handen ook dezelfde hersengebieden in beweging brengen. De tekst van het Christelijke, zwart-Amerikaanse kinderliedje: ‘Sticks and stones can break my bones, but words (of ‘names’) can never hurt me’, klopt dus niet. Het liedje maande indertijd zwarte Amerikaanse kinderen aan om rustig te blijven als ze uitgescholden werden.

Narratieve therapie is een ontrafeling of deconstructie van niet helpende conclusies die je meeneemt over jouw leven vanuit je jeugd. Met gerichte vragen ondersteun je de ander om tot eigen betekenissen te komen, tot een eigen definitie van de plaats die je in dit leven inneemt. Ondanks alle goede bedoelingen geven ouders hun kind negatieve betekenissen mee, die kinderen in zich opnemen als waarheden. Met narratieve therapie plaats je het probleem in de context van het levensverhaal. Daardoor kunnen nieuwe, meer passende betekenissen worden gevonden. Het draait hier om het verkrijgen van macht over wat van jou is, namelijk jouw verhaal van jouw eigen leven, jouw eigen beeld en niet dat van anderen, beschreven in je eigen woorden.

De kunst van de narratieve therapeut is om heel actief te zijn in het ‘niet weten’ waarover de cliënt spreekt. Olthof is een enthousiast gebruiker van een etymologisch woorden boek. Als hij en de cliënt niet weten waar een woord vandaan komt zoekt hij het op. De oorsprong van het woord kan een inspiratie zijn voor de therapie. Zo duiken we nog dieper in de taal van de cliënt.

Er komen tijdens deze twee dagen voortdurend fragmenten voorbij uit de dagelijkse praktijk van de docenten en de cursisten waarin metaforen een rol spelen.

Een ontoegankelijke oudere vrouw loopt over een afdeling van een verpleeghuis te dwalen in haar bontjas. Ze heeft zich lange tijd verwaarloosd en werd in verwarde toestand gevonden op straat. Op de afdeling weet men dat zij niet lang geleden gescheiden is maar daarover wil zij niet praten. Niemand krijgt contact met haar. Op een dag begint de therapeut een gesprek met haar over een pauw. Hij blijft over de pauw praten. Zij zegt opeens: “Ik ben gescheiden”. De therapeut gaat nog een paar keer door over de pauw totdat hij aan haar vraagt iets meer te vertellen over de scheiding.

Milton Erickson, een Amerikaanse psychiater, psychotherapeut en meester in de hypnose, onderscheidt het digitale domein van de feiten van het analoge domein van de metaforen. Deze twee verschillende domeinen liggen dicht tegen elkaar aan.

Een meisje vertelt dat haar vader haar geslagen heeft. De vader doet net alsof het niet gebeurd is. Dit is het domein van de feiten. De therapeut begint een gesprek met de vader over dat hij op die dag iemand zag trappen tegen een struik met rijpe tomaatjes. Het domein van de metaforen. Zo zonde van die tomaatjes…

We luisterden naar het lied: ‘Café Biljart’ van Toon Hermans. “Balletje tik, dat ben jij, dit ben ik….” Het biljarten als metafoor voor de interactie, voor het spreken met elkaar. “Alleen kan een mens niet biljarten…. ” Het groene laken als metafoor voor  de narratieve ruimte, de ruimte waar je op verhaal kunt komen. “Een klein stukje groen voor een eenzaam hart….”

Een Engelstalig meisje van 15 jaar zegt tijdens de therapie dat ze klaar is met haar vader. Er is teveel over hem gepraat. Het onderwerp: vader, is ‘overworked’. Wat bedoelt het meisje met ‘overworked’? Ze legt uit dat wanneer je pasta-deeg te lang kneed dat het dan hard wordt, dan is het deeg ‘overworked’. Wat een bijzondere metafoor gebruikt ze! De therapeut, die toevallig iets over de Italiaanse kookkunst geleerd heeft sluit aan: “En als je het deeg een tijdje laat staan onder een vochtige doek dan blijft het soepel”. Misschien is dit de juiste tijd voor een pauze in de therapie…

Een zeer oude man heeft een versleten hart. Hij wil niet sterven. De dokter heeft moeite om hem uit te leggen dat een operatie te risicovol is. Dan bedenkt hij dat de man veel van auto’s heeft gehouden en legt het uit met een metafoor: voor het plaatsen van een nieuwe accu (de pacemaker) de motorkap (de bovenkant van het lichaam) open gemaakt moet worden en dat daardoor het hele motorblok door de auto kan zakken. De man en zijn familie begrijpen het nu en kunnen zich instellen op het einde van zijn leven.

Olthof benadrukt dat we de woorden van de cliënt niet te ver mogen verlaten als we metaforen gebruiken. Bij deze man moet je niet over konijntjes beginnen.

Sprekend over sterven – meerdere deelnemers aan de workshop werken met ouderen als psycholoog of arts – bekijken we de vele gezegden daarover: klaar zijn met het leven, het laatste eindje, de overgang.

Het woord ‘overgang’ wordt nog iets nader bekeken: over, gang, gaan. Gaan: je moet iets doen, het is actief, van hier naar daar. Een gang koppelt verschillende ruimtes aan elkaar. Je gang gaan, je eigen gang gaan.

Een van de deelnemers ziet in ‘het laatste eindje’ een knoop. Wat zegt die knoop die zij ziet? Vasthouden? Waar zit die knoop? Zit je in de knoop? We blijven onderzoeken en dicht bij het woord knoop. Het blijkt een superknoop te zijn. Is het misschien een knoop zoals aan het eind van een dik touw in de gymzaal, de knoop waar je al zwierend op zit? Ja, zo’n knoop is het! Dit beeld maakt haar blij. Ze zit niet ín de knoop maar òp de knoop!

Als therapeut blijf je zoeken naar de betekenis van woorden van de cliënt.

We doen een oefening: Stel dat jouw leven 10 centimeter lang is en je zet op die lijn drie punten waarop je een mens bent tegen gekomen die voor jou van grote betekenis was.  Wat blijkt is dat ‘grote mensen’ ons op een bepaald pad zetten, voor een keerpunt in ons leven zorgen, een voorbeeld voor ons zijn, ons leren wat van waarde is, ons nieuwsgierig maken.

Nog een oefening: Wat zijn zinnen die je nooit meer wil horen? Wat zijn zinnen die je opgetild hebben? En waar wonen deze zinnen in jouw lichaam? De zin die ik nooit meer wil horen is: “Jij moet de oudste en de wijste zijn”. Die zin zit in mijn schouders. De zin die me optilde toen ik een keer niet in staat was om iets uit te leggen was: “Misschien komen de woorden nog”. Deze zin bracht lucht, ik kon weer rustig ademhalen en hij maakte mijn buik zacht. Het waren de zinnen van mijn geliefde.

De bekende Noorse psychotherapeut Tom Anderson zegt: “Voices must have homes”. Woorden wonen in het lichaam. Olthof zou het woord psychosomatisch willen afschaffen omdat daarmee voorgesteld wordt alsof de psyche en het lichaam twee verschillende dingen zijn.  Alsof ze nà elkaar komen. Terwijl ze er tegelijkertijd zijn: stress en maagpijn zijn één ding. Woorden raken het lichaam; woorden worden geschreven in het lichaam en het lichaam heeft een geheugen.

Narratieve therapie komt van narrare, van vertellen, meedelen. Op verhaal komen, terughalen, iets wat ver weg is terughalen, een afgesplitst verhaal, bijvoorbeeld een trauma, dichterbij halen. De therapie is gericht op taal en tekst. Taal is ons medicijn, ons instrumentarium en dat luistert ontzettend nauw. We moeten heel nauwkeurig zijn in het luisteren. Narratieve therapie wil psychotherapie verbinden met literatuur, poëzie, film, theater, filosofie en taalwetenschap.

Een patiënt met oorsuizingen zegt dat hij zijn oor niet meer te luisteren wil leggen. Hij kan geen oor-delen meer horen.

Taal beweegt zich binnen de wereld van de interpretatie, dus van de vertelde werkelijkheid. De werkelijkheid als verhaal. Het subject, wij zijn een verhaal. Als therapeut kun je een interpretatie aanreiken maar de cliënt is de uiteindelijke meester over de betekenis van zijn woorden. Een interpretatie kan een dissonant zijn of een confrontatie. Je kunt vragen of je zoiets zeggen mag? Je maakt geen fouten als je maar tot een akkoord komt. Samenwerking en transparantie zijn de sleutel. “What you see is what you get”, een transparante therapeut hoeft niet negatief over een cliënt te praten.

We bekijken een fragment uit de film: ‘The Singing Detective’. De hoofdpersoon, de detective schrijver Philip Marlow ligt in een ziekenhuisbed met een zeer ernstige vorm van psoriasis. Hij schreeuwt het uit van de pijn en de wanhoop terwijl een stel dokters aan het voeteneinde van zijn bed staan te beraadslagen over zijn bijzondere geval. De hoofdbehandelaar is steeds zijn naam vergeten. Marlow roept op een gegeven moment: “Will somebody listen to me… I can’t get on top of it… I can’t see clear of it… I can’t find my way through it… . Hij zegt dat wanneer hij het aan niemand kan vertellen dat hij er nooit overheen komt, dat hij het dan niet kan verslaan… dan begint hij te huilen en roept: zelfs die verdomde tranen doen de huid van mijn gezicht pijn… ik ben een gevangene van mijn eigen vel en botten. Daarna volgt een cabareteske scène waarin gezongen wordt van botten die los van elkaar zijn komen te staan.

We proberen dicht bij Marlows woorden te blijven: “I cannot find my way through it”, en we proberen ons voor te stellen dat Marlow onze patiënt is. Volgens Olthof moeten we achter elkaar 5 vragen kunnen stellen waarop de patiënt met een welgemeende ‘ja-respons’ kan reageren. Pas daarna kun je als behandelaar gaan leiden, een perspectief gaan bieden. ‘Leiden’ en ‘volgen’ wisselen elkaar af in de dialoog. Olthof wil dat we met onze vragen te werk gaan volgens de ‘dakpan-methode’: dakpannen liggen stevig met elkaar verankerd op een dak. Onze vragen moeten elkaar net zo verankerd opvolgen. We beginnen op het moment dat Marlow zegt: “I can ‘t…”.

Vraag: “Wie zou het wèl kunnen”?

Antwoord: “Als ik dat zou weten….” Dit is een ‘nee’.

Vraag: “Dus je weet zelfs niet wie het wèl zou kunnen”?

Antwoord: “Nee, dat weet ik niet…”

Vraag: “Dus je weet echt niet meer waar je het moet zoeken”?

Antwoord: “Nee, dat weet ik echt niet…”

Vraag: “Moeten we een zoektocht op touw zetten”?

Antwoord: “Ja”!

Vraag: “We moeten er iets op verzinnen…. we gaan je hier niet zo laten liggen… er moet toch een weg doorheen zijn”?

Je loopt nu als behandelaar rond, ijsberend, en zegt: “er moet toch ergens een uitweg zijn, een opening…”

Antwoord: “Ja”!

Nu kun je als behandelaar iets meer gaan leiden: “Als je er zo bij ligt kan ik niet met je spreken…

Antwoord: “Dat klopt”.

“Je vindt het zo belangrijk dat ik met je praat en naar je luister dat je er de pijn voor over hebt om wat meer rechtop te zitten?

Antwoord: “Ja”!

“Ik ga een stoel halen en er bij zitten, ik ga de tijd nemen, het wordt tijd dat je je verhaal verteld…”

Nu heb je veel bereikt volgens Olthof. Je gaat in gesprek.

Na deze oefening leren we om een verhaal te schrijven voor een cliënt. We maken gebruik van een levende casus. Het gaat om een 70-jarige vrouw die na een hersenbloeding verlamd is geraakt. Haar psycholoog is vastgelopen. Zij kan haar niet verder helpen. De vrouw was vroeger altijd het zonnetje in huis. Er staan familieleden en verzorgers om haar heen om haar te helpen maar het lukt hen niet om haar ‘op te beuren’.

Voordat we een verhaal gaan schrijven doen we ‘fantasiearbeid’. We gaan associëren. Waar doet het verhaal van het echte leven van deze vrouw ons aan denken? Een ster die uitdooft, een uitgedroogde bloem, een woestijnroos, een vallende ster, een Noordse stern (die tussen de polen heen en weer vliegt om in het licht te blijven), een eindeloze tunnel, plagen uit de Bijbel, schaduw van een boom. Enzovoort. We krijgen de instructie om een parallel verhaal te schrijven voor deze vrouw gebruik makend van de fantasiewoorden tot aan de crisis en om daarna binnen het fantasieverhaal een perspectief te bieden.

Ik maak samen met twee cursisten een verhaal over een Noordse stern die plotseling vleugellam wordt en in een kooi beland. Waar zij kwam was het licht maar nu is het donker om haar heen. Aan het donker kan zij niet wennen. Er komen anderen die haar naar het licht toe brengen. Maar zij zegt: “Als ik zelf aan anderen het licht niet kan geven dan kan ik het licht ook niet meer verdragen”. Op een dag wordt ze gebracht naar een land met fantastische sterrenhemels. Het is haar niet licht genoeg. Maar als de vogel voor het eerst een vallende ster ziet, die een baan van licht door de nacht trekt, tovert dit een eerste glimlach rond haar snavel…

De workshop werd georganiseerd door de RINO in Amsterdam op 27 en 28 augustus 2013.

Noordse sterns in dialoog: baltsend

4 reacties

Opgeslagen onder Psychologie, Psychotherapie