Tagarchief: het maakbare individu

Een patroon van geweld tegen vrouwen

Therapie is taal maar feminisme is ook taal. Althans dat heb ik begrepen uit het artikel in de Correspondent van Lynn Berger dat gaat over twee essay-bundels die het debat over het feminisme proberen open te breken.

Volgens de Amerikaanse schrijfsters van deze essays is de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op een fundamenteel niveau nijpend en dan hebben ze het over het geweld tegen vrouwen. Ook in Nederland is geweld tegen vrouwen nog lang niet uitgebannen. Minister Bussemaker stelt in haar emancipatie-nota dat 39 procent van alle Nederlandse vrouwen ooit slachtoffer is geweest van seksueel geweld, en dat 84 procent van de meisjes tussen 15-25 jaar te maken heeft gehad met ‘seksueel grensoverschrijdend gedrag.

In dit blog aandacht hiervoor omdat ik nogal wat meisjes en vrouwen in therapie krijg die geweld van jongens en mannen proberen te verwerken. Taal helpt daarbij. Ik maak gebruik van schrijftherapie en narratieve therapie en ben regelmatig getuige van de strijd die vrouwen hebben om woorden te geven aan hun ervaringen.

Therapie is taal maar therapie is ook verbinden en daar gaat het bij de schrijfsters van deze essays ook om. Het geweld tegen vrouwen wordt nog steeds afgedaan als een individuele aangelegenheid en daar zijn zij het niet mee eens. Er is sprake van een patroon.


53ee1d29d7af70258964694

Untitled (Performance documentation at San Diego/Tijuana border) 2012, van kunstenares Ana Teresa Fernandes (Courtesy: Gallery Wendi Norris)

Een van de schrijfsters, Rebecca Solnit, bracht in 2008 in haar bundel; ‘Men Explain Things To Me’, een nieuw woord in omloop: ‘mansplaining’. Het woord ‘mansplaining’ omschrijft de neiging van (sommige) mannen om dingen aan vrouwen uit te leggen waarvan die vrouwen vaak zelf veel meer verstand hebben.

Er is bij mijn weten nog geen Nederlandse vertaling van ‘mansplaining’ dus gebruik ik in mijn gesprekken voorlopig maar het Engelse woord.

Solnit maakt bezwaar tegen de vele feministische teksten waarin het feminisme als een individuele aangelegenheid wordt voorgesteld. In deze teksten is men erop gericht dat vrouwen ‘de top’ moeten bereiken, of in elk geval een succesvolle carrière moeten op bouwen. Als hen dit niet lukt is hebben de vrouwen volgens deze teksten een persoonlijke probleem. Zo denkt ook de nieuwe hoofdredacteur Irene de Bel van het Nederlandse blad Opzij er over aldus het artikel in de Correspondent.

Het is natuurlijk belangrijk dat vrouwen financieel onafhankelijk zijn zodat ze door kunnen als hun huwelijk op de klippen loopt of als het inkomen van hun partner wegvalt. Er is in de Europese Unie nog steeds een verschil van 20 procent in de gemiddelde inkomens van werkende mannen en vrouwen. Economische ongelijkheid draagt denk ik bij aan een gunstig klimaat voor geweld tegen vrouwen.

Het is goed om het over arbeidsparticipatie te hebben, stellen de twee schrijfsters, maar op een veel basaler niveau is de ongelijkheid tussen man en vrouw stukken nijpender. En dan bedoelen ze het geweld tegen vrouwen waarbij de taal tekortschiet. Ik denk persoonlijk dat het er niet om gaat welk onderwerp het meest basaal is; het geweld tegen vrouwen of de economische ongelijkheid, omdat beide onderwerpen met elkaar te maken hebben. Het is een kip of ei kwestie.

Solnit schrijft in haar essay; ‘The longest war’, over een patroon van geweld tegen vrouwen dat breed en diep en afschuwelijk is en waar continu aan voorbij wordt gegaan. Geweld kent geen ras, klas, religie, of nationaliteit, maar het heeft wel een sekse – en daar moeten we het over hebben, schrijft ze.

Natuurlijk zijn er ook gewelddadige vrouwen; en natuurlijk zijn er ook ontzettend veel mannen die nooit een vrouw geweld aan zullen doen. Maar wie geweld door mannen tegen vrouwen als een individuele aangelegenheid blijft zien, als een reeks uitzonderingen en incidenten, die heeft een bord voor z’n kop.

We have dots so close they’re spatters melting into a stain, but hardly anyone connects them, or names that stain.

Solnit komt met haast ongelooflijke statistieken. In de Verenigde Staten wordt elke 6,2 minuten een verkrachting gerapporteerd en slaat elke 9 seconden een man zijn vrouw. Wereldwijd lopen vrouwen tussen de 15 en 44 jaar een grotere kans om te sterven of verminkt te raken door een gewelddadige man dan door kanker, malaria, oorlog en verkeersongelukken bij elkaar.

We hebben nieuwe woorden nodig, zegt ze, om de werkelijkheid goed te kunnen zien en zolang we die woorden niet hebben, dan toch in elk geval schrijvers – feministen – die hun best doen er bij in de buurt te komen.

Het onzorgvuldige taalgebruik van seksueel geweld

Roxanne Gay is zo’n schrijfster. Zij is professor in de Engelse taal en schrijft over tekenen van geweld en onderdrukking in de populaire cultuur. Dit is bij uitstek de plaats waar de normen en waarden van de maatschappij worden overgedragen. De populaire cultuur die Gay bespreekt wordt ook in Nederland volop geconsumeerd.

Ze schrijft over een zanger als Robin Thicke, die in het nummer ‘Blurred Lines’ zingt dat hij precies weet wat een vrouw wil, beter dan die vrouw zelf. Ze schrijft over het succes van boeken als ‘Fifty Shades of Grey’, waarin een jonge vrouw zich opoffert om haar bezitterige controlfreak van een man te behagen.

Net als Solnit schrijft Gay over seksueel geweld – iets waarvan zij zelf, op haar twaalfde, slachtoffer is geweest, zoals ze vertelt in het pijnlijke en openhartige essay ‘What We Hunger For.’ Ze schrijft over wetgevers in Texas, Ohio en North Carolina die, vorig jaar nog, probeerden te beperken waar en wanneer vrouwen een abortus kunnen krijgen, en die opnieuw wilden definiëren wat een foetus is. Er schemert een soort ongeloof door haar essays: ongeloof dat ze dit, anno 2014, nog moet zeggen, maar dat vrouwen toch echt zelf zouden moeten kunnen bepalen wat er met hun lichaam gebeurt.

In; ‘The careless language of sexual violence’, analyseert Gay de woordkeuze in een New York Times-artikel over een meisje van elf in Cleveland, Texas, dat door achttien jonge mannen werd verkracht. Het artikel richtte zich vooral op de gevolgen hiervan voor de gemeenschap waar de mannen en het meisje vandaan kwamen, ‘as if the victim in question were the town itself.’ Het meisje zelf kwam nauwelijks aan bod – behalve toen werd opgemerkt dat ze zich ‘kleedde alsof ze twintig was.’ Het haast vergoelijkende taalgebruik in dat artikel ziet zij als symptomatisch voor een cultuur die ‘doordrenkt is’ van het idee ‘dat mannelijke agressie en geweld jegens vrouwen acceptabel en vaak zelfs onvermijdelijk is.’ We hebben het over verkrachting, schrijft ze, ‘but we carefully don’t talk about rape.’

Zowel Solnit als Gay betogen dat het feminisme geen individuele aangelegenheid is, maar iets wat op de helft van de wereldbevolking betrekking heeft (en eigenlijk ook op de andere helft). Wereldwijd gaat de ongelijkheid tussen man en vrouw nog altijd veel verder dan ongelijkheid op de werkvloer. De manier waarop dat zich uit blijft vaak onzichtbaar – mede omdat onze taal niet specifiek genoeg is, of zelfs misleidend. Gay en Solnit zouden graag over andere dingen schrijven, maar dit vergt volgens hen nu de aandacht.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie

Een goed gesprek voorkomt ruzie en zelfmoord

Het is nu in korte tijd de zoveelste keer dat ik ergens hoor of lees: “Een goed gesprek, dat is waar mensen behoefte aan hebben…. ” Het lijkt alsof goede gesprekken een schaars goed geworden zijn.

De eerste keer…

Mijn supervisor zei: “Ach, een uurtje praten over je gezin is voor iedereen goed”. Deze eenvoudige spontane opmerking nam een boel ‘zwaarte’ bij me weg. Het was voor mijzelf dan ook een goed gesprek. Mijn leerdoel was om niet zo keihard en prestatiegericht te werken met een cliënt, zodat ik meer gebruik kon maken van mijn intuïtie. Omdat de ‘zwaarte’ weggenomen was konden de intuïtie en het filosoferen weer op gang komen.

Enkele weken later…

In het weekblad De Groene las ik een artikel van Margreet Fogteloo en Casper Thomas : ‘Iedereen psycholoog’. Het is geschreven naar aanleiding van de recente affaire rond de sociaal psycholoog Diederik Stapel die fraude pleegde met gegevens uit onderzoek. Daarnaast is het  bezwaar dat Stapel met nogal wat onderzoeksuitslagen komt met een hoog ‘nogal wiedes’ gehalte. De sociale psychologie ligt onder vuur.

In bestsellers kun je slimme psychologische trucs vinden die je rijker, gelukkiger en gezonder kunnen maken. En die trucs zijn dan zogenaamd op gedragswetenschappelijke kennis gestoeld. De sociale psychologie lijkt de plaats in te willen nemen van de theologie of de filosofie.

Trudy Dehue (wetenschapsfilosoof) en Alfred Lange (hoogleraar klinische psychologie) komen hierover in De Groene aan het woord.

Dehue (bekend van het boek ‘De depressie-epidemie’) plaatst het succes van de psychologie in het licht van het voortschrijdend liberalisme. Iedereen is in dit systeem verantwoordelijk voor zijn eigen geluk en als dat niet lukt ben je een ‘loser’. Mensen moeten aan zichzelf werken, waarbij een coach tegen forse tarieven helpt, als was hij of zij een goede vriend of een wijze schoonmoeder. Als de nieuwe inzichten van de coach gebaseerd zijn op onderzoek ervaren de zoekende zielen de adviezen als bewezen dus waar. Wetenschap als dogma zoals de bijbel dat vroeger was.

Eigenlijk is in de individualistische maatschappij iedereen psycholoog – bij voorkeur van zichzelf, meent Dehue. Zij noemt de sociale psychologie ‘de geïndividualiseerde vorm van sociologie’.

De macht van de sociologie en politicologie in de jaren zestig en zeventig – de tijd van de maakbare samenleving – is overgenomen door de sociale psychologie. Niet voor niks floreert in het tijdperk van het maakbare ‘ik’ het tijdschrift Psychologie, dat sinds de oprichting dertig jaar geleden is gegroeid tot inmiddels ruim honderdduizend lezers per maand.

Tekenend voor het succes van het tijdschrift is de verklaring van hoofdredacteur Sterre van Leer: ‘Alles is een keuze geworden en daarbij is er behoefte aan richting. Zoals dat vroeger in de kerk gebeurde en door je naasten die je hielpen bij dagelijkse problemen. De verworven openheid en vrijheid hebben ons veel gebracht maar we moeten het wel allemaal zélf invullen. Onze missie is mensen meer inzicht geven in zichzelf en het gedrag van anderen.’
Het blad ‘dat antwoord geeft op vragen die iedereen op de lippen heeft’, schrijft vooral over emoties, relaties, persoonlijkheid en over alles wat met het brein te maken heeft. Maar ze geven ook online trainingen, zoals deze maand ‘de eerste online cursus in de wetenschappelijke psychologie’. De thuiscursus is keurig wetenschappelijk verantwoord ontwikkeld in samenwerking met psychologen van diverse universiteiten.

Volgens Trudy Dehue hebben de meeste mensen ‘diep in hun hart meer behoefte aan een gewoon goed gesprek dan aan een therapie of een zoveelste test’.

Onze samenleving is langzamerhand gepsychologiseerd, en dat gaat verder dan de belangstelling voor de thematiek. Mensen praten in psychotherapeutische termen als ‘dicht bij jezelf blijven’ of ‘dat voelt niet goed’.
Alfred Lange moppert erop: ‘… de maatschappij is complexer geworden maar ook zijn mensen verwender. Ze willen overal meteen een oplossing voor. Je mag niet meer verlegen zijn, er mogen geen problemen zijn. We kunnen niet meer leven met problemen. Door al die assertiviteitstrainingen krijg je van die aangeleerde assertiviteit bij mensen die het eigenlijk niet zijn.’

Voor de derde keer…

images-1

‘Beachy head’, Engeland

Opnieuw een artikel uit de Groene. Deze keer over zelfmoord en de Japanse cultuur: De mythe van de eervolle suïcide, van Jan Willem van Poortvliet.

De hoge zelfmoordcijfers in Japan blijken niet zozeer te maken te hebben met de cultuur van de samoerai en de kamikazepiloten maar met een schrikbarend gebrek aan hulp voor mensen met zelfmoordneigingen.

Uit onderzoek van Rene Druignan, een gezondheidseconoom in Tokio die jaren onderzoek deed naar suïcide blijkt dat wanneer mensen na een zelfmoordpoging in het ziekenhuis komen, ze bij hun ontslag een gesprek hebben van gemiddeld vier minuten met een psychiater die in die tijd vooral bezig is met het uitschrijven van een recept voor pillen. Therapie wordt nauwelijks aangeboden. Telefonische hulpdiensten voor mensen in geestelijke nood zijn overbezet en nauwelijks bereikbaar.

In Japan is net als in veel andere landen economische crisis en wil de regering dat oplossen met bezuinigingen. Mogelijk was de therapie-situatie in Japan beter vòòr de bezuinigingen maar dat verteld het artikel in de Groene niet.

Tot ergernis van Druignan is het zelfmoordhandboek The Complete Manual of Suicide van Wataru Tsurumi wél overal in Japan voorhanden, meten de media ‘spectaculaire’ zelfmoorden breed uit en keren levensverzekeraars ook bij suïcide uit.

Druignan een een documentaire gemaakt over dit onderwerp: ‘Saving 10.000’. Aan het einde er van komt een oude man aan het woord. Tijdens zijn werkzame leven heeft hij jarenlang de lijken uit zee gevist van mensen die van een bepaalde rots sprongen. Nu surveilleert hij daar samen met andere vrijwilligers. Als hij iemand langere tijd op een plek ziet staan, gaat hij eropaf: “Ze wachten vaak tot zonsondergang voor ze ­springen”, vertelt hij. “We hebben uren de kans om een gesprek te beginnen. Vaak willen de mensen niet meer dan dat iemand naar hun verhaal luistert”.

De getallen lijken deze zelfmoordsurveillant gelijk te geven. In de afgelopen jaren zijn 264 mensen uiteindelijk niet gesprongen nadat ze door iemand waren aangesproken. De overgrote meerderheid heeft de draad van het leven weer opgepakt.

En nog een keer

De filosoof Frank Meester hoorde ik in het programma Boeken van Wim Brands zeggen dat we geen filosofische gesprekken meer kunnen voeren: “We kunnen niet meer met elkaar filosoferen over wat we belangrijk vinden. In plaats daarvan maken we ruzie met elkaar”. Voor het gemak noem ik een filosofisch gesprek, een goed gesprek. Een gesprek waarin men naar elkaar luistert.

Waar een goed gesprek al niet goed voor is!

2 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie