Tagarchief: grenzen

Met de juiste maat en creativiteit is duurzaamheid mogelijk

De juiste maat

Paul van Tongeren, hoogleraar wijsgerige ethiek in Leuven en Nijmegen denkt dat de deugdethiek beter kan dienen als inspiratie voor duurzaamheid dan het idee van de verantwoordelijkheid die wij zouden moeten hebben voor toekomstige generaties. We hebben niet eens genoeg verantwoordelijkheid voor ons zelf!

De deugd, het juiste midden kan een duurzame samenleving tot stand brengen. Citaten uit de Groene Amsterdammer:

‘Deugdethiek wordt ten onrechte vaak voor moralisme gehouden’, zegt hij. ‘Eerder dan een voorschrift van wat mensen moeten doen, laat staan een oordeel daarover, is ze een richtlijn voor hoe zij de extremen kunnen vermijden en het juiste midden houden. Deugden als betrouwbaarheid, eerlijkheid, oprechtheid, solidariteit en rechtvaardigheid zijn daarbij behulpzaam.’

‘Je kunt uit een deugdethiek nooit exacte regels hoe te handelen halen, het is geen norm en die moet je er ook niet van proberen te maken, maar met alle vaagheid die er onvermijdelijk in zit, kan die ethiek mensen wel van dienst zijn in hun zelfvorming. Het gaat om de manier waarop wij reageren op onze eigen verlangens, passies, agressie.’

Van deugdethiek wordt een mens behalve duurzamer ook mooier:

‘Maat houden als het gaat om het milieu betekent aan de ene kant dat je je verlangen naar het hebben moet temperen. Het is mateloos om almaar meer te willen. Je moet een maat vinden in je con­sumptieniveau, in je omgang met natuurlijke hulpbronnen, in je reispatroon, niet omdat er ergens een objectieve grens is of omdat je je moet verantwoorden tegenover anderen, maar omdat je jezelf niet op een fraaie manier vorm geeft door ongelimiteerd aan je verlangens toe te geven.’

Creativiteit en geluk

Econoom en filosoof Antoon Vandevelde, hoogleraar aan het Hoger Instituut voor Wijsbegeerte van de Universiteit van Leuven ziet een herwaardering van de creativiteit als voorwaarde voor duurzaamheid: ‘Nóg meer consumeren maakt mensen niet gelukkiger.’

‘Geluk schuilt in de creativiteit. Ik ben daarover hoopvol gestemd. Veel meer dan vroeger biedt onze rijke maatschappij mensen de gelegenheid om van kunst, muziek, theater te genieten en hun eigen creativiteit te ontplooien. Onze voorstellingen zijn op de hele wereld te zien, zoals deze zomer nog op het toneel­festival van Avignon, waar Vlaamse en Nederlandse theatergroepen een substantieel deel van het programma verzorgden. Daarop moeten we fier zijn, dat moeten we koesteren, dat is wat de verzuring kan wegnemen en het optimisme brengen. Het goede leven is een veelheid van creatieve, inventieve dingen ondernemen.’

Het idee dat we economisch, materieel moeten groeien zit in onze genen gebakken volgens Vandevelde.

‘Eeuwen en eeuwen lang heeft de grote meerderheid van de mensen moeten vechten tegen de schaarste. Successen op dit front, hoe klein ook, maakten hen gelukkig. Waarom zou dat nu niet meer het geval zijn?’

Vandevelde verwacht niet veel van de politiek. De politiek blijft geloven dat geluk te maken heeft met materie en consumptie. Bovendien is de politiek gericht op de korte termijn (verkiezingen). Het economische domein wordt net zoals de politiek geregeerd door kortzichtigheid (kwartaalwinsten en aandelenkoersen). Duurzaamheid en betere publieke voorzieningen raken steeds verder uit beeld.

Het doet hem denken aan de dialoog die Seneca met zijn oudere broer Gallio voert over het geheim van een gelukkig leven.

‘Allen willen gelukkig leven, broeder Gallio, maar ze tasten in het duister wanneer het erop aankomt te doorzien wat het is dat een gelukkig leven tot stand brengt’, zegt Seneca in De vita beata. ‘En het is zo verre van gemakkelijk een gelukkig leven te bereiken dat iedereen die de verkeerde weg heeft genomen zich er des te verder van verwijdert, naarmate hij er zich voortvarender naartoe beweegt.’

Onze blik is teveel gericht op wat anderen hebben en te weinig op wat we zelf hebben.

‘Ongetwijfeld zijn we sociale wezens, maar dan veeleer door afgunst dan door mededogen. Als ik harder werk en mijn inkomen neemt toe, dan maak ik anderen ongelukkig. Om dat te vermijden gaan zij op hun beurt harder werken voor meer inkomen. Zo zijn wij terechtgekomen in een overstreste maatschappij waarin de meeste mensen zich te pletter werken, hun kinderen nauwelijks zien en geen tijd hebben voor partner of vrienden, om uiteindelijk uitgeblust vervroegd uit de arbeidsmarkt te treden. Onze rijke wereld streeft naar een steeds hoger inkomen, maar boekt tegelijkertijd records in depressie, alcoholisme, zelfmoord.’

‘De correlatie tussen geld en geluk is er wel zolang mensen niet kunnen voorzien in hun basale levensbehoeften. Boven die grens daalt het gelukseffect van meer inkomen snel en ontstaat het negatieve effect van de inkomensconcurrentie die voortkomt uit afgunst.’

We kunnen niet zonder vooruitgang. Maar volgens Vandervelde is er ook niets mis met vooruitgang alleen moeten we die zoeken in de creativiteit…

‘… in de creativiteit die mensen ontwikkelen, in de cultuur, in het duurzaam maken van onze economie, in doorbraken in energiezuinigheid, wetenschap, techniek. De creativiteit en verbeelding zijn het beste wat er in mensen zit. Creativiteit, je bestemming vinden, jezelf realiseren, dat geeft je voldoening in je leven. Geluk ligt in het lukken van onze activiteiten. Een architect wil stevige huizen bouwen, een arts zijn patiënten genezen, een landbouwer gezonde gewassen voortbrengen. Als dat lukt, dan zijn ze gelukkig.’

‘Consumptie wordt overgewaardeerd als geluksfactor, zelfrealisatie ondergewaardeerd’, zo vat Vandevelde zijn betoog samen. Dat is geen nieuw inzicht: ‘Aristoteles doceerde al dat een goed leven wordt bepaald door het intrinsieke doel van de activiteiten die mensen ondernemen, eerder dan door extrinsieke drijfveren zoals geld, eer of macht.’

Politiek

Het betoog van Vandevelde mondt uit in een betrekkelijk concreet politiek programma, met als kernpunten een drastische herverdeling van de rijkdom ten gunste van de armen, meer vrijheid voor de burgers, betrouwbare en democratische instituties, de ondersteuning van sociale netwerken, de afremming van de 24-uurs­economie en de vervanging van de belasting op arbeid door een hogere consumptieheffing. Maar daarnaast speekt hij zich ook uit voor een eerherstel van de cultuurpolitiek, in de brede betekenis van dat woord. ‘Misschien moet de agenda van de regering eruit bestaan dat ze mensen zegt dat de echte vooruitgang meer creativiteit, meer verbeeldingskracht en meer dienstbaarheid aan de maatschappij is.’

Ook Paul van Tongeren omarmt de idee van cultuurpolitiek. ‘De ellende van de hedendaagse politiek is dat ze alleen nog maar gaat over concrete problemen en pragmatische oplossingen. Politiek is gaan samenvallen met bestuur. Over moraal, over waarden spreekt ze niet meer.

Het betekent niet dat de politiek aan de mensen moet dicteren wat de goede keuzes zijn en wat de foute, integendeel, aan dat soort moralisme heb ik een broertje dood. Ik ben voor een politiek die zorg draagt voor de morele cultivering. Ze moet mensen de mogelijkheden bieden om vorm te geven aan zichzelf, door zich te oefenen in de wijze waarop ze met hun verlangens en passies omgaan.’

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

2 reacties

Opgeslagen onder Filosofie, Persoonlijk en politiek

Minuchin VIII Herstructureren in gezinstherapie

HERSTRUCTUREREN IS CONFRONTEREN EN UITDAGEN

Het invoegen van de therapeut in het gezin, waar het vorige bericht in deze serie over ging, houdt geen confrontatie of uitdaging in, ook al kan het invoegen wel een herstructurerende werking hebben. Invoegen heeft voornamelijk tot doel om de afstand tussen het gezin en de therapeut te verkleinen. Bij het herstructureren daarentegen zal de afstand tussen het gezin en de therapeut groter worden want dan daagt de therapeut uit of confronteert hij het cliëntsysteem. Invoegen en herstructureren horen echter bij elkaar. Een behandeling kan niet zonder invoegen en heeft geen resultaat zonder herstructurering.

Het is bij invoegen ongeveer zoals bij jiu-jitsu; de beweging van de tegenstander wordt gebruikt om hem uit zijn evenwicht te brengen. De therapeut gebruikt als het ware de eigen beweging van het gezin om te herstructureren; om het gezin in de richting van het gewenste doel te sturen. De therapeut is als het ware een acteur in het toneelspel van het gezin. Bij het meer uitdagende en confronterende herstructureren is de therapeut zowel regisseur als acteur in het toneelspel. Hij maakt het scenario en de choreografie, zet bepaalde onderwerpen in een speciaal licht en laat de gezinsleden improviseren. Maar hij is tegelijk acteur omdat hij partij kiest en coalities aangaat, omdat hij grenzen trekt, grenzen versterkt of verzwakt en doordat hij transactiepatronen steunt of tegenwerkt.

Herstructurerende activiteiten zijn de hoogtepunten van de behandeling. Het zijn dramatische, spannende interventies die een beweging op gang brengen in de richting van het therapeutische doel. Deze interventies worden vaker beschreven dan invoegende activiteiten maar nogmaals: herstructurerende activiteiten alléén hebben geen resultaat. Er moet eerst sprake zijn van een hechte therapeutische groep want anders zal het gezin de therapie afbreken of op zijn minst de herstructurerende interventies van de therapeut verwerpen. En zelfs bij een sterke therapeutische groep moet er ook ruimte zijn om op adem te komen, ruimte voor troost, om te hergroeperen, enz. (Over hechting tijdens de therapie is ook te lezen in een ander bericht: Hechting tussen cliënt en therapeut.)

De therapeut moet accomoderen maar moet ook zijn positie als leider handhaven. Hij moet zich aanpassen om in het systeem te komen en tegelijk zijn vrijheid behouden om uit te dagen, te confronteren en het systeem te dwingen om zich zodanig aan te passen dat het therapeutisch doel bereikt kan worden. De therapeut moet zich tegen de zuigkracht van het systeem verzetten.

Zuigkracht

De therapeut verliest zijn vrijheid als hij bezwijkt voor de druk vanuit het gezin om zich zo in te voegen dat hij de organisatie van het gezin aanvult en bestendigt. Hij kan dan geen herstructurerende interventies uitvoeren. Bijvoorbeeld als de therapeut in een systeem waar de ouder niets meer te zeggen heeft over de kinderen, tijdens een sessie het gezag overneemt dan kan hij geen herstructurerende activiteiten meer ontplooien. Door aanvullend bezig te zijn is hij opgezogen in het systeem.

Gezinnen komen in behandeling omdat zij lijden en hulp nodig hebben. Zij lijden onder chronisch disfunctionele patronen en kunnen alleen geholpen worden als zij deze patronen veranderen. De therapeut moet het gezin manipuleren in de richting van de verandering. Het woord manipuleren heeft een negatieve bijklank en toch moet volgens Minuchin de therapeut een positie innemen waarin hij de expert kan zijn in sociale manipulatie. Hierover mag in het contract met het gezin geen misverstand bestaan.

7 herstructurerende activiteiten: ‘the battle for structure’

1. Actualiseren van de transactiepatronen

Ook al komt het gezin bij de therapeut in de verwachting dat hij een professional is en ook al moet hij de leiding hebben toch moet hij zorgen dat hij niet te centraal komt te staan. Gezinsleden willen hem uitleggen hoe zij de situatie zien en daarbij richten ze zich alleen tot hem. Maar als hij teveel centraal komt te staan krijgt de therapeut een onrealistisch beeld van het gezin. De therapeut is dan teveel bezig met opeenvolgende twee-gesprekken tussen hem en een gezinslid en krijgt geen kans om afstand te nemen en de gebruikelijke gezinstransacties te observeren.

Als de therapeut toestaat dat de zitting beperkt blijft tot een beschrijving van de gebeurtenissen dan kan het zijn dat hij de werkelijke transactiepatronen niet leert kennen, mede omdat gezinsleden zich er niet eens van bewust gemaakt worden. Hun eigenlijke transactiepatronen kunnen heel anders zijn dan hun beschrijving er van.

Inhoud versus context

De therapeut let op non-verbale aanwijzingen die bevestigen of tegenspreken wat gezinsleden vertellen. Ook de context van de transacties is van belang. De inhoud van het verhaal van mevrouw Smith is dat haar man zwijgzaam is. Maar iedere keer als hij spreekt onderbreekt ze hem. De therapeut luistert naar de inhoud maar registreert tegelijk de processen waar gezinsleden zich niet van bewust zijn. Hij luistert naar wat zij al zo vaak verteld hebben namelijk dat meneer Smith het probleem is. Maar hij ervaart transactiepatronen die de symptomen van meneer Smith bekrachtigen. De vaardigheid om zowel te luisteren naar de inhoud als de context waar te nemen levert veelzijdige gegevens op.

Transacties laten plaatsvinden

Zoals al gezegd is kan de therapeut slechts beperkt gegevens krijgen uit een beschrijving. Hij zal de gezinsleden moeten uitnodigen om transacties uit te voeren waarmee zij normaliter conflicten oplossen, elkaar steunen, partijen vormen en coalities maken, stress verminderen, enz. De therapeut kan een instructie geven zoals: “spreek daarover met je vader”.  Op deze manier ervaren gezinsleden hun eigen transacties meer bewust en kan de therapeut hen in actie zien en de structuur die daar onder ligt ontdekken.

Communicaties op gang brengen

Wanneer zich een situatie voordoet waar een gezinslid spreekt òver het gedrag van het andere gezinslid dan kan de therapeut de aanwijzing geven om mèt dat gezinslid te spreken in plaats van over hem. Dit kan verzet oproepen; gezinsleden kunnen zeggen dat ze het al zo vaak samen hebben besproken en dat ze het nu aan de therapeut willen vertellen. Of ze kunnen weliswaar beginnen met elkaar te praten maar gaan zich al gauw toch tot de therapeut te richten. De therapeut kan herhalen dat ze met elkaar moeten praten, hij kan zijn stoel naar achteren schuiven, hij kan weigeren te antwoorden als men zich tot hem richt en gebaren dat een ander gezinslid iets moet zeggen. In het voorbeeld van de familie Smith bleven de ouders zich tot de therapeut richten en bleven ze hun huwelijksconflict vermijden en zich vast houden aan het idee dat het probleem bestond uit een geïsoleerde intrapsychische ziekte; de depressie van meneer Smith. Deze mythe konden ze in stand houden door zich steeds tot de therapeut te richten waardoor ze de afstand tot elkaar handhaafden. Toen het de therapeut uiteindelijk lukte om hen met elkaar te laten praten ontstond onmiddellijk de echtelijke ruzie. De therapeut kon toen iets minder zijn aandacht geven aan de inhoud en meer aan de volgorde van de transacties. Het hoeft niet zo te zijn dat hij daar meteen iets mee doet en zijn observaties kunnen alleen dienen als een bijdrage aan een hypothese maar het kan ook zijn dat hij er wel meteen iets mee doet. In dit geval koos de therapeut er voor om een coalitie te vormen met meneer Smith tegen diens vrouw en wel zodanig dat meneer Smith ineens een competent persoon bleek te zijn.

Het mèt elkaar praten in plaats van óver elkaar moet dus de regel worden en niet de uitzondering. Gezinsmythes worden in stand gehouden en conflicten worden vermeden door vast te houden aan één geïsoleerde psychische ziekte. De onderlinge afstand van gezinsleden tot elkaar worden in stand gehouden door ieder voor zich een relatie met de therapeut te leggen.

Hergroeperen in de ruimte

De plek die men in de ruimte inneemt kan een metafoor zijn voor de afstand en de nabijheid tussen mensen. Als een gezin voor de eerste keer komt kunnen de plaatsen die zij kiezen aanwijzingen geven over coalities, over wie er centraal staat en wie er geïsoleerd is en over de regels die er gelden met betrekking tot nabijheid.

De ruimte tot elkaar kan de interactie vergemakkelijken of juist afremmen en kan een uitdrukking zijn van hoe subsystemen georganiseerd zijn. Bijvoorbeeld: in een gezin ging de therapeut tussen de moeder en de ‘adjudant’ zitten om de afstand te vergroten en wisselde hij van stoel met de moeder waardoor ze naast de ‘zondebok’ kwam te zitten. Dit hergroeperen diende het therapeutische doel om de grens tussen de moeder en de ‘adjudant’ groter te maken.

Posities geven kan een heel effectieve manier zijn om te werken met de grenzen in een gezin. Als een therapeut een grens wil creëren of versterken kan hij de leden van een subsysteem in het midden van de kamer zetten en de andere leden hun stoelen naar achteren laten schuiven zodat deze beter kunnen observeren en minder goed kunnen ingrijpen. Als hij het contact tussen twee gezinsleden wil blokkeren dan kan hij hen uit elkaar zetten of er zelf tussenin gaan zitten. Het manipuleren met de ruimte heeft de kracht van de eenvoud.

2. Het markeren van grenzen

Om gezond te kunnen functioneren moet een gezin de samenhang van het systeem als geheel maar ook de autonomie van de onderdelen handhaven. Ieder gezinslid en subsysteem moet over zijn autonomie en afhankelijkheid onderhandelen.

De therapeut helpt de gezinsleden om flexibiliteit van autonomie en onderlinge afhankelijkheid te bereiken die het beste de psychosociale groei van de gezinsleden zal bevorderen. ‘Onafhankelijkheid’ is niet het doel. Een gezinstherapeut weet dat de mens altijd afhankelijk is. ‘Afhankelijkheid’ heeft voor een gezinstherapeut geen negatieve lading. In de gezinstherapie gaat men uit van een onderlinge afhankelijkheid.

Het gaat in de gezinstherapie om de juiste mate van doordringbaarheid van de grenzen tussen de subsystemen. In een kluwen-gezin moeten grenzen versterkt worden (meer doordringbaar maken), in een loszand-gezin juist verzwakken (minder doordringbaar maken en meer verbinden).

Individuele grenzen: autonomie

Regels ter bevordering: therapeut en gezin moeten luisteren naar wat een gezinslid zegt en antwoord geven. Gezinsleden moeten met elkaar praten en niet over elkaar. Gezinsleden mogen niet een vraag beantwoorden die aan iemand anders gesteld is en dingen vertellen over andere gezinsleden die zelf aanwezig zijn of onnodig allerlei mededelingen doen over het gezin.

Er moet een differentiatie zijn tussen de kinderen in een gezin. Ze hebben individuele rechten en privileges afhankelijk van hun leeftijd en positie in het gezin. Als de individuele autonomie van de kinderen belemmerd wordt dan moet de therapeut het gezin helpen om juist de verschillen tussen de kinderen te verduidelijken. Zij hebben recht op een verschillende behandeling afhankelijk van hun ontwikkelingsfase.

Grenzen tussen subsystemen

  • Tussen echtgenoten. Een rigide of vage grens rond het subsysteem van de echtgenoten is een veel voorkomende bron van disfunctionele transactiepatronen. Soms helpt het om opdrachten te geven die de transacties binnen het partnersubsysteem bevorderen.
  • Tussen ouders. Een gezin heeft een leidinggevend subsysteem nodig. Meestal zijn dit de ouders. En dit leidinggevende subsysteem moet gezag hebben. De ouders moeten de grenzen van het toelaatbare kunnen aangeven. De therapeut moet dit ondersteunen.
  • Tussen kinderen. De kinderen in het gezin moeten de gelegenheid krijgen om te leren hoe ze moeten onderhandelen over samenwerking, competitie, manieren van ontwijken en van verlies aanvaarden, over hoe je een bondgenoot kunt krijgen en verliezen en andere vaardigheden die betrekking hebben op het samenleven met leeftijdsgenoten. Deze mogelijkheid tot groeien zonder de tussenkomst van ouders moet worden gerespecteerd.
  • Rigide triades. Dit zijn transactiepatronen tussen verschillende generaties (meestal tussen de ouders en één van de kinderen) waarbij de grens rond het drietal ondoordringbaar is. De therapeut moet er aan werken dat de grenzen anders getrokken worden; de grens rond de echtgenoten moet versterkt worden. De partners moeten over hun eigen onderwerpen onderhandelen zonder er een derde gezinslid bij te betrekken. De therapeut moet de grens die de autonomie van het derde gezinslid beschermt, versterken. De therapeut moet de grens rond de rigide triade verzwakken zodat het weer een open subsysteem wordt.

De rigide triade komt aan het licht als de therapeut een conflict tussen de echtgenoten actualiseert en één van de kinderen zich er dan mee bemoeit en een positie krijgt waardoor hij betrokken raakt. Het kind kiest de partij van één ouder tegen de ander, geeft een oordeel over beide ouders, vertoont lastig gedrag,  of andere symptomen die afleiden van het conflict tussen de echtgenoten. Het symptoom van het kind kan een bliksemafleider zijn voor het conflict. De eerste stap van de therapeut is waarschijnlijk om de afstand tussen het kind en zijn ouders te vergroten. De therapeut kan bijvoorbeeld een dochter verbieden om met haar ouders over haar symptomen (bijv. braken) te praten maar om symptomen alleen met hem te bespreken. Hij plaatst zich als barrière tussen de dochter en haar moeder waardoor de band tussen man en vrouw bevorderd werd. Als de grenzen rond het subsysteem van de partners versterkt is zal het functioneren van het systeem er op vooruitgaan.

In een andere gezinskluwen versterkte de therapeut de grens om het subsysteem van de echtgenoten door hen als ouders te prijzen voor de liefde en zorg voor hun kinderen. Tegelijkertijd versterkte hij daarmee de band tussen hem en de dochter die gewoonlijk de bliksemafleider was. Man en vrouw konden zich nu met hun conflict bezighouden. Door het versterken van de grenzen rond subsystemen kunnen processen ontstaan die anders niet zouden voorkomen.

Ook in het volgende voorbeeld beïnvloedt de therapeut de grens rond twee subsystemen tegelijk. De therapeut laat een alleenstaande moeder werken met de dochter die zij tot zondebok had gemaakt, waarmee hij de grens rond moeder en dochter versterkt en hij geeft de ‘adjudant’ van de moeder de leiding over de andere kinderen waarmee hij de grens rond de moeder en de ‘adjudant’ verzwakt. Binnen de nieuwe grenzen kon de moeder op een verzorgende en competente manier met de zondebok omgaan.

De therapeut kan grenzen versterken door selectief te werken met de verschillende subsystemen in een gezin. Maar hij zal beginnen te werken met alle gezinsleden. Sommige therapeuten geven er de voorkeur aan om alleen met de echtgenoten of de ouders te werken. Anderen werken liever met iedereen uit het sociale netwerk van het gezin of met meerdere gezinnen tegelijk. Minuchin werkt het liefs met één gezin maar verandert soms de samenstelling. Als hij met pubers werkt heeft hij altijd een aparte zitting met de oudere kinderen. Soms nodigt hij een familielid die invloed heeft er bij uit. Maar de gezinstherapeut werkt altijd met de kaart van het gehele gezin in zijn gedachten en heeft de herstructurering van het hele gezin tot doel.

3. Stress versterking door stress te veroorzaken

Disfunctionele patronen worden meestal ontwikkeld door stress. Bij de aanmelding staat de geïdentificeerde patiënt hierbij in het middelpunt. Meestal is het gezin vastgelopen en kan het niet meer experimenteren met alternatieve manieren van omgaan met elkaar en met de situatie. De therapeut moet helpen door te onderzoeken welk alternatief gedrag binnen de gezinsorganisatie mogelijk is. Hij moet onderzoeken en ervaren hoe flexibel het systeem is en nagaan welke mogelijkheden er zijn om tot herstructurering te komen. Hij kan de mate van flexibiliteit van het systeem testen door in verschillende subsystemen stress te veroorzaken. Zijn inbreng en peilingen veroorzaken nieuwe omstandigheden waaraan het gezin zich ter plaatse moet aanpassen. De therapeut kan verschillende manoeuvres uitvoeren om stress te veroorzaken.

  • Transactiepatronen blokkeren ofwel; bepaalde communicatiekanalen indammen. De therapeut blokkeert een interventie van de ‘adjudant’ waardoor moeder contact kan maken met haar dochter die zij als zondebok zag. Even later blijkt de flexibiliteit in het gezin als de adjudant opnieuw tussenbeide komt en de moeder hem zelf zegt dat hij er niet tussen moet komen.
  • Verschillen benadrukken in het geval dat het gezin doet alsof het eensgezind is. De therapeut kan een boodschap van een gezinslid ‘verbeteren’ of het er gewoon niet mee eens zijn. Hij kan luisteren naar de mening van een gezinslid en vragen naar de mening van een ander gezinslid. Hij kan dan zeggen: “Jullie zijn het hier niet over eens. Kunnen jullie hier samen over praten?”
  • Impliciete conflicten ontwikkelen. Gezinnen kunnen automatisch, snel en gemakkelijk hun conflicten laten ondersneeuwen. De therapeut kan vragen of ze het conflict willen uitvechten.
  • De therapeut kan stress veroorzaken door tijdelijk partij te kiezen voor een gezinslid of een subsysteem. Dit moet wel zorgvuldig gebeuren zodat de therapeut zich ook weer los kan maken en niet meegezogen wordt in een gezinsoorlog. Hij kan eerst partij kiezen voor de een en daarna voor de ander. Door de stress die veroorzaakt wordt kan een kluwen gezin gedifferentieerde regels en aangepaste steunende reacties gaan ontwikkelen. De therapeut moet ook weten hoe hij zich voor langere tijd bij één gezinslid kan voegen. Dit kan nodig zijn wanneer gezinnen hardnekkig ieder conflict ontkennen of doen ondersneeuwen en die blijven ontkennen dat het hele gezin een probleem is. Als de therapeut zich voor enige tijd voegt bij een van de echtgenoten tegen de andere, dan staan beide echtgenoten onder stress. Hierdoor kan een rigide systeem in beweging gebracht worden. In een gezin werd het conflict tussen de echtgenoten ontweken door een van de zonen tot zondebok te maken. Toen de therapeut in coalitie met de man, hem ging steunen tegen de vrouw had dit tot gevolg dat het conflict naar boven kwam waarbij de therapeut hen ging helpen. De jongen raakte zo uit zijn moeilijke positie. Het is natuurlijk belangrijk dat de therapeut in zijn coalitie met de één ook nog enige steun biedt aan degene die het doelwit is van de ‘aanval’. Het gevaar is dat gezinsleden die zich aangevallen voelen van de therapie afhaken of een tegenaanval doen, niet zozeer op de therapeut maar op het gezinslid waarmee hij zich verbond. Zo kan het gezinslid dat toch al onder stress stond, overbelast raken. Het uiteindelijke doel is natuurlijk dat het hele gezin er op vooruit gaat en dat moet het gezin kunnen blijven aanvoelen.

4. Opdrachten

Opdrachten richten de aandacht direct op de mogelijkheden tot herstructurering in het gezin. De therapeut wordt gedwongen om zijn kaart van het gezin te verduidelijken, om specifieke doelen te formuleren en de stappen die tot het doel leiden. Opdrachten zijn ook een manier om de flexibiliteit van het gezin te testen. Tegelijk is de opdracht, zoals vele andere interventies, niet veel meer dan een peiling van het gezinssysteem. Er worden geen gevolgen aan het al dan niet volbrengen van de opdracht verbonden. Een opdracht biedt een kader voor alternatieve transacties. Soms ervaart het gezin dat het alternatieve gedrag te prefereren is boven het gebruikelijke. Soms wijzigen de gezinsleden de opdracht of gaan ze er tegen in of vermijden ze de uitvoering er van. Dit alles geeft een beter idee van hoe ver het gezin is en waar het naar toe wil werken.

Opdrachten tijdens de sessie

Een opdracht kan een verzoek zijn om over een onderwerp of probleem met een ander gezinslid te praten. De opdracht kan daarbij gebruik maken van de ruimte. Bijvoorbeeld: “Ik wil dat u naast uw vrouw gaat zitten en haar hand pakt als u denkt dat ze bang is”. Met een opdracht kunnen gezinstransacties gedramatiseerd worden. Bijvoorbeeld (opdracht aan de kinderen): “Kunnen jullie gedurende drie minuten je zusje niet tot zondebok maken”, waarna de therapeut zijn horloge aan het oudste kind geeft om de tijd bij te houden. Bijvoorbeeld (opdracht aan de vader):  “Ik wil dat u er voor zorgt dat Jim in deze zitting John niet in de reden valt”. In een gezin met een ‘kloek-achtige’ moeder vraagt de therapeut dat alleen de vader de problemen met de kinderen ter sprake brengt. Door het geven van deze opdrachten onderstreept de therapeut dat hij degene is die bepaalt welke gedragsregels er gelden.

Huiswerk

Bijvoorbeeld: Een moeder krijgt de opdracht om met de dochter die brandjes heeft gesticht (de zondebok) vijf minuten per dag bezig te zijn om haar te leren hoe ze veilig met lucifers om kan gaan. De ‘adjudant’ van het gezin, die eerder het positieve contact tussen de moeder en de dochter blokkeerde, moet ondertussen op de andere kinderen letten.

5. Het symptoom gebruiken

Vanuit de gezinstherapie worden symptomen van een individueel gezinslid gezien als uitdrukking van een probleem van het gezinssysteem. De gezinstherapeut bestrijdt de neiging van het gezin om zich te concentreren op degene met het symptoom. Maar hij kan er ook voor kiezen om direct met het symptoom te werken. Soms is het symptoom gevaarlijk, soms kan het gezin geen therapeutisch contract maken dat betrekking heeft op het probleem van het systeem, soms is het werken met het symptoom de snelste manier om de gezinspatronen te veranderen. De symptomen nemen een speciale plaats in binnen de gezinstransacties. Zij geven de gezinsstress in een geconcentreerde vorm weer. Heel vaak zijn zij een van de gebruikelijke manieren waarop het gezin met stress omgaat. Het werken met de symptomen kan de koninklijke weg zijn naar verandering van de gezinsstructuur.

Concentratie op het symptoom

Dit is nodig als het aangemelde probleem urgent is zoals bijvoorbeeld bij het kind dat brandjes sticht. De therapeut zegt niet dat hij zich gaat bezighouden met de gezinsstructuur maar hij laat de moeder van het kind wel van positie wisselen waardoor ze dichter bij het kind komt te staan. Concentratie op het symptoom gebeurt ook in het gezin met de dochter wiens anorexia levensgevaarlijk is. De therapeut laat rond het symptoom een conflict ontstaan waardoor de ouders dichter bij elkaar komen te staan. De beschermende band tussen moeder en dochter waarmee het probleem in stand gehouden werd werd hierdoor verzwakt. In een ander geval was het aangemelde probleem een zodanige fobie voor honden dat het kind niet meer de straat op ging. De diagnose van de therapeut was dat het symptoom in stand gehouden werd door een impliciet en onopgelost conflict tussen de echtgenoten en een te hechte band tussen moeder en zoon. De therapeut ging eerst de band tussen de vader en de zoon versterken waarbij hij de vader de opdracht gaf om zijn zoon te leren omgaan met vreemde honden. Dat versterkte hun relatie en verzwakte de band tussen de moeder en de zoon. Toen het symptoom verdwenen was ging hij zich bezighouden met de  conflicten tussen de echtgenoten.

Een andere vorm van concentratie op het symptoom wordt toegepast als de therapeut zegt dat degene met het symptoom dit vooral moet volhouden omdat er anders iets kan gebeuren in het gezin. Dit deed de therapeut in het gezin met het kind dat het steeds in zijn broek deed. Hij gaf de ouders de opdracht om zorgvuldig na te gaan wat de gevolgen voor hen zouden zijn als het kind zou ophouden met het in de broek doen. Deze procedure duurde langer dan een maand maar het werd duidelijk hoe het symptoom gebruikt werd en welke disfunctionele patronen er mee verborgen bleven.

Het overdrijven van het symptoom

Bij een kluwen-gezin was het aangemelde probleem  het braken van de oudste dochter. De therapeut bevorderde het symptoom door het meisje de opdracht te geven thuis in bed te blijven zodat zij het ziek zijn kon voelen in plaats van bang te zijn om ziek te worden. Het meisje kon de therapeut opbellen om te onderhandelen over haar dieet. De ouders mochten er niet tussen komen. Het doel van de therapie werd duidelijk gemaakt aan het gezin: de geïdentificeerde patiënt meer in contact brengen met leeftijdsgenoten en de vader en moeder er toe te brengen om over hun conflicten te onderhandelen in plaats van zich van elkaar te isoleren (hij in de paardensport en zij door tijd met haar dochter door te brengen).

Minder nadruk leggen op het symptoom

Soms kan de therapeut het symptoom gebruiken om de nadruk er op te verminderen. Een therapeut ging lunchen met een geïdentificeerde patiënt met anorexia en het gezin. De therapeut slaagde er in om een conflict te genereren op het terrein van het eten en de aandacht af te leiden van het symptoom. Het conflict werd belangrijker. In een ander gezin waar de vader een ziekelijke braker was slaagde hij erin om zijn vrouw en de kinderen op zijn minst mee te krijgen naar het intakegesprek. De vrouw hield vol dat het een probleem was van haar man. Maar in het intakegesprek werd duidelijk dat de vrouw in het gezin de baas was. De man schikte zich daarin behalve op het punt van het braken. De therapeut gaf het echtpaar de keus; hij zou de man kunnen helpen met het braken maar hij zou ook het echtpaar kunnen helpen om hun wederzijds respect te vermeerderen.

De aandacht verschuiven naar een symptoom van een ander gezinslid

De aandacht verschuiven van het brandje stichtende of brakende kind naar de verlegenheid van een zusje. Het foutieve label van het ene gezinslid veranderen in een evenzeer foutief label van een ander gezinslid.

Een ander label geven aan het symptoom

De anorexia van een dochter wordt omgedoopt tot: ‘ongehoorzaamheid en tot het machteloos maken van de ouders’. Het probleem wordt op een andere manier geformuleerd.

Verandering van het gevoel rond het symptoom

De moeder wordt aangemoedigd om met het ‘brandjes stichtende’ kind met vuur te spelen. De transacties rond het symptoom worden anders.

6. Het manipuleren van de stemming

De toon van een gezin kan bijvoorbeeld depressief, apatisch of juist jolig zijn, voortdurend plagend of grappen makend. De gevoelstoon van de gezinstransacties kan het gedrag van de therapeut in zijn gedrag bepalen. Hij kan de toon overnemen om in te voegen. Maar de therapeut kan met de toon ook herstructureren. Hij kan de toon op een overdreven manier imiteren en het gezin daarmee confronteren. Hij kan ook met een meer aangepaste toon een model zijn zoals bijvoorbeeld bij een sterk controlerend gezin zou hij een accepterende, ontspannen houding kunnen aannemen. Als in een gezin noodsituaties zo gewoon zijn – bijvoorbeeld in gezinnen met psychosomatisch, zieke gezinsleden – dan kan de therapeut intensiteit inbrengen om het gezin zich de ernst van de situatie te laten realiseren zodat ze inzien dat verandering nodig is. De therapeut kan affectieve reacties geven om de afstand tussen gezinsleden te beïnvloeden. Zoals in een kluwen-gezin (een gezin met gebrekkige onderlinge grenzen) waar de man zijn vrouw verweet dat zij kinderachtig was. Zijn elf-jarige zoon viel hem bij door te zeggen dat zijn moeder flauw deed als hij spelletjes met haar deed. De therapeut reageerde hier met verontwaardiging op en zei tegen de vader dat hij toch niet kon  tolereren dat zijn zoon geen respect voor zijn moeder toonde. Dit maakte dat het kind zich schaamde. De therapeut ‘leende’ hiermee verontwaardiging aan de vader. Zowel de verontwaardiging als de schaamte werkten afstand vergrotend waardoor de zwakke grenzen in het gezin versterkt werden. Het kan ook herstructurerend werken als een bepaalde emotie een ander label krijgt: bij een te bedisselende grootmoeder kunnen haar bemoeienissen ook benoemd worden als bezorgdheid.

7. Steunen, opvoeden, leiding geven

Dit zijn meestal technieken om in te voegen maar zij kunnen ook een herstructurerende werking hebben. Een gezin moet verzorging en steun geven aan de gezinsleden! Dit is van vitaal belang voor zowel de gezinsleden als voor het voortbestaan van het systeem als geheel.  De therapeut moet zich bewust zijn van deze functies en moet weten hoe je die ondersteunt. Vaak zal hij de gezinsleden leren hoe ze elkaar kunnen bekrachtigen. Hij kan ouders leren om anders op hun kinderen te reageren. Als de leiding in het gezin zwak is dan kan de therapeut zich tijdelijk opstellen als model voor de ouders. Een therapeut kan een individueel gezinslid leren hoe hij met contacten buiten het gezin om moet gaan.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Systeemtherapie

Minuchin’s gezinstherapie III

Na het blog Minuchin’s gezinstherapie I, over de mythe van de geïdentificeerde patiënt en het blog Minuchin’s gezinstherapie II, over de mythe van het vreedzame normale gezin ga ik nu in op de interventies van de therapeut. Die moeten gericht zijn op de structuur van het gezin, op ontwikkelingen binnen gezinnen en op de aanpassingen binnen gezinnen. Dit om zowel het gezin te doen voortbestaan als om de psychosociale groei van de individuele gezinsleden te blijven bevorderen ondanks de moeilijkheden van het normale gezinsleven.

Gezinsstructuur

Het gezin is een systeem dat werkt dankzij transactiepatronen. Gezinsstructuur is de manier waarop de gezinsleden transacties met elkaar aangaan, met elkaar omgaan. Herhaalde reacties op elkaar vormen patronen van hoe, wanneer en met wie er een relatie is en deze patronen zijn de pijlers van het systeem.

Transactiepatronen – in de loop van de jaren ontstaan – regelen het gedrag van de gezinsleden. Het systeem laat overschrijdingen van vertrouwde patronen niet gemakkelijk toe. Als de overschrijding te groot is, komen er mechanismen in werking die het oude patroon proberen te herstellen.

Maar als de omstandigheden veranderen moet de gezinsstructuur zich aanpassen. De kracht van het gezin als systeem hangt af van de beschikbaarheid van alternatieve transactiepatronen en van de flexibiliteit waarmee deze gemobiliseerd kunnen worden als het nodig is.

Een systeem dat moet reageren op interne en externe veranderingen moet kunnen transformeren om nieuwe omstandigheden het hoofd te kunnen bieden zonder dat de continuïteit, die voor de gezinsleden het referentiekader is, verloren gaat.

Subsystemen

Een gezinssysteem differentieert zich en kan zijn functies uitoefenen door de subsystemen. Individuen zijn subsystemen maar ook dyaden kunnen subsystemen zijn. Dyaden zoals man-vrouw of moeder-kind kunnen subsytemen zijn.

Subsystemen kunnen worden gevormd naar generatie, naar sekse, naar interesse of naar taken. Subsystemen worden bepaald door regels die de interacties tussen subsystemen bepalen. De transactiepatronen die de interacties tussen moeder en kind regelen bepalen ook de grens rond het moeder-kind subsysteem.

Een individu kan tot verschillende subsystemen behoren. Daarin heeft hij verschillende machtsposities en leert hij verschillende vaardigheden. Een man kan tegelijk zoon zijn of neef, oudere broer, jongere broer, echtgenoot, vader, etc. In de verschillende subsystemen gaat hij verschillende complementaire relaties aan. Mensen passen zich op een kaleidoscopische manier aan om de wederzijdsheid te verkrijgen die menselijke interactie mogelijk maakt. Het kind moet zich als zoon gedragen als zijn vader zich als een vader gedraagt. Het kan zijn dat hij dan de machtspositie die hij graag heeft in de interactie met zijn jongere broer, moet afstaan. Op deze manier krijgen de leden van een gezin een waardevolle training in het handhaven van een gedifferentieerd ‘ik’.

Grenzen moeten duidelijk zijn: hoe duidelijker, hoe beter het systeem functioneert

De grenzen van een subsysteem worden gesteld door de regels die bepalen wie er deelneemt en hoe. De grens van het subsysteem van de ouders wordt bijvoorbeeld bepaald als een moeder tegen haar oudste kind zegt: “Jij hoeft je broertje niet te verbieden. Als hij met zijn fietsje op straat komt, zeg het dan tegen mij dan zal ik hem wel terug roepen.”

moeder                         (gezaghebbend subsysteem)

———————————————————— (grens)

kinderen                       (subsysteem van kinderen)

Als het subsysteem van de ouders een ‘adjudant’ (hulp in de opvoeding) omvat dan wordt de grens anders bepaald. De moeder zegt bijvoorbeeld tegen de kinderen: “Tot ik terug ben van het boodschappen doen, moeten jullie naar Annie (de oudste dochter, het oudste zusje) luisteren.”

moeder en Annie       (gezaghebbend subsysteem)

————————————————————-(grens)

andere kinderen         (subsysteem van kinderen)

De grenzen beschermen de differentiatie binnen het systeem. Ieder subsysteem heeft specifieke functies en stelt specifieke eisen aan zijn leden. De ontwikkeling van vaardigheden om met elkaar om te gaan, is afhankelijk van de mate waarin het subsysteem bescherming biedt tegen inmenging door andere subsystemen. Een voorbeeld: om complementair gedrag tussen echtgenoten mogelijk te maken is het een vereiste dat er geen inmenging is van kinderen of van schoonfamilie en soms ook niet van de buitenwereld. Een ander voorbeeld: om met leeftijdsgenoten te leren omgaan, iets wat kinderen van elkaar leren, is het een vereiste dat de ouders zich er niet in mengen.

Voor het goed functioneren van een gezin moeten de grenzen tussen subsystemen duidelijk zijn. Zo kunnen de leden van het subsysteem hun functie uitoefenen. Tegelijk moet het subsysteem ook contact kunnen houden met leden van andere subsystemen. De functies zijn minder belangrijk dan de duidelijkheid van de grenzen. Het is zelfs zo dat de duidelijkheid van de grenzen als parameter gebruikt kan worden om het functioneren van een gezin te beoordelen!

Vage grenzen ………………………………………..

Sommige gezinnen keren zich geheel in zichzelf en vormen zo hun eigen microkosmos. Dit is een kluwen-gezin. De communicatie met elkaar en de zorg voor elkaar zijn sterk. De differentiatie binnen het systeem vervaagt. Zo’n systeem kan overbelast raken en de reserves missen om zich aan te passen en te veranderen in nieuwe omstandigheden.

Starre grenzen _________________

Er is onderling weinig contact met leden van andere subsystemen. Dit is het los-zand gezin.

Duidelijke grenzen ——————————-


kluwen-gezin                                                                                     los-zand gezin

……………………———————————————————————__________


Er is een breed stuk op bovenstaand continuüm dat ‘normaal’ genoemd kan worden, waar de grenzen tussen de subsystemen duidelijk zijn en waar de meeste gezinnen te plaatsen zijn. De benamingen ‘kluwen-gezin’ en ‘los-zand gezin’ slaan op de stijl van transacties, op de voorkeur voor een bepaalde soort transacties. Zij duiden geen kwalitatief verschil aan tussen functioneel of disfunctioneel. De meeste gezinnen hebben subsystemen die een kluwen zijn en anderen die los-zand zijn. Het subsysteem moeder-kinderen zal vaak in de richting van een kluwen gaan als de kinderen klein zijn en de vader zal een afstandelijker positie hebben tot de kinderen.

Maar interacties die zich afspelen op de uiteinden van het continuüm kùnnen pathologisch zijn. De saamhorigheid van de leden van een subsysteem of een gezin dat een ‘kluwen’ vormt kan ten koste gaan van de autonomie. Er is binnen een kluwen te weinig differentiatie tussen de leden, wat remmend werkt op het autonoom exploreren en oplossen van problemen. Speciaal bij kinderen kunnen cognitieve en affectieve vaardigheden hierdoor gehandicapt raken. Stress bij één individueel lid dringt door de vage grenzen heen en direct vindt dit zijn weerklank in andere subsystemen. Leden van een ‘los-zand’ subsysteem of gezin kunnen autonoom functioneren maar hebben een overtrokken gevoel van zelfstandigheid en een gebrek aan saamhorigheidsgevoel en loyaliteit. Hun mogelijkheid om afhankelijk te zijn of om hulp of steun te kunnen vragen kunnen gehandicapt zijn. Pas bij extreem zware stress binnen een subsysteem worden de mogelijkheden om elkaar te steunen geactiveerd.

In beide bovenstaande gevallen zijn de aanpassingsmechanismen scheef getrokken. Ouders van een kluwen-gezin kunnen te snel en te hevig reageren op iedere afwijking en bijvoorbeeld geheel van slag zijn als een kind zijn toetje niet op eet. Een los-zand gezin reageert niet als het wel noodzakelijk is. Ze maken zich er bijvoorbeeld geen enkele zorg over als een kind met veel tegenzin naar school gaat.

De therapeut heeft vaak de taak om de vage grenzen te verduidelijken en de rigide grenzen te openen. Het taxeren van de subsystemen in het gezin en het functioneren van de grenzen geeft hem een snel diagnostisch beeld waarop hij zijn interventies kan richten.

Het subsysteem van de echtgenoten

Meestal heeft een echtpaar de bedoeling om een gezin te stichten. Daarvoor zijn bepaalde taken of functies van levensbelang. Voor de uitvoering van deze functies zijn aanpassingsvermogen, wederzijdse afhankelijkheid en complementariteit een vereiste. Het paar moet patronen ontwikkelen die het functioneren van beide partners op velerlei gebied kan ondersteunen. Ze moeten complementaire patronen ontwikkelen waardoor iedere partner kan toegeven zonder het gevoel te hebben dat hij iets opgeeft. Man en vrouw moeten beiden iets opgeven van hun zelfstandigheid om daardoor te winnen aan saamhorigheid.

Het partnersubsysteem kan een vluchtheuvel zijn voor stress uit de buitenwereld maar kan ook een middel zijn om contact te leggen met andere sociale systemen. Het kan creativiteit en groei bevorderen. In het proces van wederzijdse aanpassing kunnen de partners de creatieve aspecten van elkaar die eerder niet aan bod kwamen, actualiseren en elkaars beste kanten bevestigen.

Andersom kan een echtpaar ook elkaars negatieve kanten activeren. Ze kunnen elkaar willen verbeteren, beschermen of redden en elkaar daardoor diskwalificeren. Er kan een afhankelijk-beschermend patroon ontstaan waarin het afhankelijke lid afhankelijk blijft om het ‘beschermersgevoel’ van de partner te beschermen. Er kunnen dergelijke patronen ontstaan zonder dat er sprake hoeft te zijn van uitgebreide pathologie of kwaadwillige intenties van de partners. Om de complementariteit van het systeem te benadrukken en de positieve en negatieve kanten van iedere partner te verbinden zou een therapeut in het geval van een afhankelijk-beschermend patroon kunnen opmerken: “U beschermt uw vrouw op een manier die haar remt, maar anderzijds bent u er knap in om van uw man meer bescherming te krijgen dan nodig is”.

Het partnersubsysteem moet een grens hebben die het beschermt tegen de inmenging van vragen en eisen van andere systemen. Vooral als er kinderen zijn moet het paar een eigen psychosociaal territorium hebben, een toevluchtsoord waar zij elkaar emotioneel kunnen steunen. Als de grenzen te star zijn kan het systeem onder stress komen te staan door hun isolement. Als de grenzen te vaag zijn kunnen andere subsystemen zoals schoonfamilie of kinderen inbreuk maken op het subsysteem van het echtpaar.

Eenvoudig gezegd: man en vrouw moeten bij elkaar hun toevlucht kunnen zoeken tegen de vele eisen die het leven hen stelt. Een therapeut moet zo nodig de grenzen rond dit subsysteem beschermen.

Het subsysteem van de ouders

Bij de geboorte van een kind moet het partnersubsysteem gaan differentiëren omdat het nu ook moet zorgen voor het kind zonder dat daarbij de wederzijdse steun – die het partnersubsysteem kenmerkt – verloren gaat. Er moet een grens komen die het kind toestaat zijn beide ouders te bereiken terwijl het kind buiten de partnerfuncties wordt gehouden.

Als het kind groter wordt gaat het meer autonomie maar ook meer leiding vragen. Het ouderlijk subsysteem moet zich aanpassen om aan deze vragen tegemoet te kunnen komen. Het kind komt in contact met andere socialiserende factoren. Het ouderlijk subsysteem moet zich aanpassen aan deze nieuwe factoren die een inbreuk kunnen zijn op zijn socialiserende en leidinggevende taak. Als het kind buiten het gezin onder zware stress staat dan kan dit zowel invloed hebben op zijn relatie met zijn ouders als op de transacties binnen het partnersubsysteem.

Het oude onbetwistbare gezag van het oudersubsysteem is grotendeels verdwenen. Ouders van nu hebben een meer flexibele, rationele autoriteit. Ze moeten begrip hebben van de behoeften van hun kinderen in de verschillende ontwikkelingsfasen en de regels die zij stellen kunnen uitleggen. Opvoeden is een heel moeilijk proces dat verandert met de leeftijd van de kinderen. Waarschijnlijk is het altijd min of meer onmogelijk om er zonder schrammen doorheen te komen. Het is essentieel dat men begrijpt hoe moeilijk opvoeden is. Om te kunnen opvoeden moet men kunnen verzorgen, leiding geven en controleren afhankelijk van de ontwikkelingsfase van de kinderen. Volgens Minuchin vereist opvoeden altijd autoriteit: om effectief te kunnen functioneren is het een vereiste dat zowel ouders als kinderen het feit accepteren dat een gedifferentieerd gebruik van autoriteit een noodzakelijk bestanddeel is van het ouderlijk subsysteem. Maar een puber probeert autonoom te worden en te groeien. Dat is zijn recht en zijn plicht en het kan zijn dat een therapeut ziet dat dit een therapeutisch doel is. In deze situaties moet de therapeut in gedachten houden dat alleen een zwak ouderlijk subsysteem teveel inperkende controle uitoefent en dat teveel controle vooral voorkomt als de controle niet effectief is. De therapeut moet het stellen van regels blijven ondersteunen. Het is zijn functie om de subsystemen te helpen bij hun onderhandelingen en hun aanpassing aan elkaar.

Het subsysteem van de kinderen

Binnen dit subsysteem steunen en isoleren kinderen elkaar, maken zij elkaar tot zondebok en leren zij van elkaar. In de wereld van broertjes en zusjes leren kinderen onderhandelen, samenwerken en wedijveren, hoe je vrienden en bondgenoten moet maken, hoe je je gezicht kunt redden als je voor iemand moet onderdoen en hoe je erkenning kunt krijgen voor je vaardigheden. Zij kunnen verschillende wegen opgaan om de uitdagingen aan elkaar te ontlopen en deze posities, reeds vroeg in het subsysteem ingenomen, kunnen bepalend zijn voor de rest van hun leven.

In grotere gezinnen is het subsysteem van de kinderen nog onderverdeeld. De jongeren die nog verzorging nodig hebben en de ouderen die gericht zijn op de buitenwereld.

Als kinderen contact leggen met leeftijdsgenoten buiten het gezin, dan zullen zij dat eerst doen op de manier zoals zij dat met hun broers en zussen deden. Als zij buiten andere manieren leren nemen ze dat mee naar binnen. Wanneer het gezin er een heel aparte stijl op na houdt, dan kunnen de grenzen tussen het gezin en de wereld daarbuiten te star, te rigide worden. Het kind kan het dan moeilijk krijgen om in andere sociale systemen te worden opgenomen. Enige kinderen ontwikkelen al vroeg een gedrag dat aangepast is aan de volwassenen. Zij kunnen moeilijkheden ervaren in het ontwikkelen van autonomie, in het kunnen delen, samenwerken en wedijveren met anderen.

De therapeut moet het recht van het kind op autonomie ondersteunen zonder af te doen aan het recht van de ouders. Soms is hij tolk tussen de ouders en de kinderen. Soms zal hij een subsysteem moeten helpen om duidelijke maar overschrijdbare grenzen te trekken naar de buitenwereld toe en andersom als het kind gevangen zit in een  web van overdreven gezinsloyaliteit zal de therapeut als brug fungeren tussen het kind en de buitenwereld.

Aanpassing van het gezin aan de druk van buiten en de druk van binnen

Om op deze druk te kunnen reageren is vaak een transformatie nodig van de posities van de gezinsleden ten opzichte van elkaar. Het gezin als geheel bewaart ondanks deze transformaties zijn continuïteit. Kenmerkend voor een overgangsproces zijn gevoelens van angst en een gebrekkige differentiatie waardoor het proces vaak gezien wordt als pathologisch. Dit is onterecht. Het gezin, het systeem heeft te kampen met een nieuwe situatie. De nadruk moet liggen op het overgangsproces waar het systeem zich in bevind. Het systeem moet beschouwd en behandeld worden als een gewoon gezin in een overgangssituatie, met alle narigheid die het aanpassen aan nieuwe situaties met zich meebrengt. De therapeut kan er op vertrouwen dat het systeem hulpbronnen kan mobiliseren binnen het systeem zelf die voor een transformatie zorgen.

Het woord pathologisch reserveert de therapeut voor systemen die in stress-situaties de rigiditeit van hun transactiepatronen verhogen en die het exploreren van alternatieven weerstaan of vermijden. In deze systemen moet een therapeut een acteur worden in het gezinsdrama. Hij moet tijdelijke coalities aangaan met gezinsleden om het bestaande systeem uit het lood te brengen zodat er een nieuw evenwicht bereikt kan worden.

In een volgende blog-post staat een beschrijving van de vier bronnen van stress die een gezinssysteem kunnen overbelasten en hoe de therapeut daar volgens Minuchin mee om moet gaan.

 

3 reacties

Opgeslagen onder Systeemtherapie