Tagarchief: denkfout

Vastzitten aan je eigen gelijk

Weer een leuke TED talk. Deze keer van schrijver en journalist Kathryn Schulz.

Het gaat over fouten maken en fouten toegeven. We weten dat de mens feilbaar is maar onze eigen fouten kunnen we vaak niet toegeven.

Waarom zitten we zo vast aan ons eigen gelijk? En waarom is dat een probleem?

We zitten er aan vast en geven onze fouten niet toe omdat we denken dat ongelijk hebben betekent dat er iets mis is met ons als persoon. Op eenzelfde manier denken veel scholieren en studenten dat hun resultaten bij het leren verbonden zijn met hun persoonlijkheid, waardoor zij denken dat zij falen als persoon wanneer ze fouten maken. De Amerikaanse psycholoog Carol Dweck noemt deze manier van denken de ‘fixed mindset’. Hierover gaat een vorig bericht: Manier van denken bij het leren: geloven in groei.

Het is alsof men in de VS de denkfout van de personalisatie aan het herontdekken is. Naarmate ik ouder wordt zie ik steeds meer oude wijn in nieuwe zakken:)

De denkfout van de personalisatie werd bedacht door de Amerikaanse psychiater, psychotherapeut en grondlegger van de cognitieve therapie Aaron Beck. Het is de denkfout waarbij iemand gebeurtenissen of situaties ten onrechte op zichzelf als persoon betrekt. Zo kan een vrouw wier man altijd zout strooit over haar maaltijden in de waan verkeren dat haar kookkunst te wensen overlaat, terwijl hij in werkelijkheid gewoon van zout eten houdt.

In het geval van deze TED talk gaat het om de ‘gebeurtenis’ of het geval dat je ongelijk hebt. In de TED talk van Carol Dweck gaat het om ‘de gebeurtenis’ of het geval dat je een fout maakt en dat je daar jezelf als persoon op afrekent. Er wordt onvoldoende onderscheid gemaakt tussen gedrag, gebeurtenis of situatie en het zelf als persoon (of de ander als persoon).

Terug naar de TED talk van Kathryn Schulz. Het komt er op neer dat het vastzitten aan ons eigen gelijk ons onmenselijk maakt en dat we er grote fouten niet mee voorkomen. Grote fouten zoals de operatie van een verkeerd been of een olielek in de zee… En psychologisch onderwerp met verstrekkende gevolgen op een onderhoudende manier gebracht.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie

De GGZ is ziek en de zorg-verzekeraar slaat zijn slag

Het dominante vertoog in de GGZ luidt de laatste jaren steeds meer: Geestelijke problemen worden veroorzaakt door stoornissen en in de GGZ weet men welke stoornis het is en heeft men er een protocollaire behandeling, een zorg-product voor.

Ten grondslag aan dit betoog ligt volgens mij een lineaire en hiërarchische denkwijze waarbij een cliënt onderaan de ladder staat en beleidsmakers en zorg-verzekeraars bovenaan. De psychiatrie met zijn DSM er tussen in. Lineair denken is oorzaak-gevolg denken waarbij de oorzaak van een probleem bij het individu wordt gelegd en niet bij de wisselwerking tussen het individu en zijn omgeving. De oorzaak wordt gelegd bij een DSM geclassificeerde stoornis in het individu. Deze visie wordt van bovenaf opgelegd en heeft tot gevolg dat de cliënt zijn/haar autonomie verliest en dat de hulpverlener de expert moet spelen die met allerlei protocollaire behandelingen het probleem te lijf gaat. Dit soort van denken is mede door de marktwerking meer en meer gaan domineren en maakt de GGZ steeds zieker.

Lineair, hierarchisch denken en marktwerking hand in hand

In het lineaire denken is de hulpverlener vooral gericht op het indelen en beoordelen van de cliënt en gericht op zijn pathologie en niet op zijn kracht. Deze denkwijze schept afstand tussen de hulpverlener en de cliënt. Hier valt sinds de marktwerking zijn intrede deed winst mee te behalen voor instellingen en zorgverzekeraars. Sinds de marktwerking valt er meer geld te verdienen dan ooit aan de stoornis van de cliënt. De zorg wordt dan ook steeds duurder.

Beleidsmakers en zorgverzekeraars hebben op een indringende en bureaucratische manier het lineaire denken steeds verder doorgevoerd. Werkers in de GGZ en de overheid stonden er bij en keken er naar.

Lager opgeleide hulpverleners, met minder ervaring, doen steeds vaker in GGZ instellingen het moeilijkste werk voor de laagste lonen. Zij zijn steeds verder onderaan in de hiërarchie terechtgekomen en staan zij aan zij met de cliënten op het Malieveld te protesteren tegen de marktwerking en tegen de bezuinigingen.

De marktwerking maakt dat winst maken in de GGZ een doel is geworden. Maar het zijn nìet de hulpverleners die meer zijn gaan verdienen. Integendeel. De tarieven waarvoor hulpverleners moeten werken worden steeds lager. Die tarieven worden namelijk sinds de privatisering en marktwerking eenzijdig bepaald in contracten met zorgverzekeraars. De hulpverlener moet meedoen want anders volgen er verdenkingen, controles, boetes, budgetteringen, strafkortingen, enz. De zorgverzekeraar is heer en meester. De politiek heeft het uit handen gegeven.

De hiërarchische, lineaire manier van denken die hand in hand werkt met de marktwerking is destructiever dan ooit. Werd eerst de cliënt in het extreme geval, door een expert-hulpverlener in meer of mindere mate afhankelijk gehouden en geïntimideerd, nu is het een heel financieringssysteem dat niet alleen de cliënt afhankelijk maakt of houdt maar ook de hulpverlener afhankelijk maakt. En dit gebeurt op steeds grotere schaal. Of hulpverleners nu wel of niet, bewust of onbewust, vanuit de expert positie werken, zij zitten net als de cliënten gevangen in het systeem van de zorgverzekeraars met behandelprotocollen en goedkope zorg-producten. Er is bijna geen ontkomen meer aan.

Op zoek naar de gaten binnen het systeem

Met een salaris verdienen door anderen verder te helpen is natuurlijk niets mis. Zeker niet als het gepaard gaat met beroepseer, respect en liefde voor de medemens. Maar ook aan beroepseer heeft, sinds de privatisering, de hulpverlener flink moeten inleveren. Natuurlijk waren en zijn er nog steeds veel hulpverleners met respect voor de autonomie van de client èn met passie voor hun beroep. Maar helaas lopen juist zij enorm  tegen de marktwerking en de daarmee gepaard gaande bureaucratisering aan. De parels in de GGZ worden voor de zwijnen gegooid.

Laatst deed ik een workshop met 100 gezinstherapeuten. We moedigden elkaar aan om aan om cliënten zèlf te vragen welke classificatie of stoornis, afkomstig uit het psychiatrische handboek (DSM), ze dachten dat het beste bij hen zou passen. Op deze manier hoefden we niet teveel energie te stoppen in het pathologiseren. De door de cliënt zelf gekozen stoornis zouden we dan aan de administratie of aan de collega’s doorgeven. Dan hadden we voldaan aan de eisen die het administratie- en financieringssysteem stelt.

Deze 100 gezinstherapeuten wilden vasthouden aan hun beroepseer en hadden het ideaal om collaboratief samen te werken met cliënten. De uit Australië afkomstige docent drukte de therapeuten op het hart om een zo licht mogelijke ‘voetafdruk’ in het leven van de cliënt achter te laten en ze dus niet afhankelijk te maken. De therapeuten wilden niet lineair, niet hiërarchisch en niet pathologisch bezig zijn. Ze waren geïnteresseerd in een constructieve en collaboratieve manier van werken en geïnteresseerd in de diepere en maatschappelijke achtergronden van de problemen van hun cliënten.

Kiloknallers hulpverlening

De meerderheid van hulpverleners zijn meegegaan met het hele neo-liberale systeem omdat ze anders geen baan of werk meer zouden hebben. Het begin van de crisis was voelbaar. De rechtse politieke partijen en soms ook de PvdA zochten hun toevlucht in de privatisering van de zorg.

Sommige collega hulpverleners zagen wel wat in het marktdenken, zetten instellingen op met protocollaire behandelingen voor enkelvoudige problematiek. Die ‘behandelingen’ worden uitgevoerd door lager opgeleid personeel voor lage lonen en zo lopen deze instellingen goed. Maar ook zij moeten oppassen want de zorg-verzekeraar kan hen controleren en heeft meer macht dan zij.

Er gaat meer geld om dan ooit in de GGZ. Worden we er geestelijk gezonder op? Nee. Volgens mij is het de combinatie van het marktdenken en het lineaire-hierarchische denken met de daaruit voortvloeiende, op pathologie gerichte protocollaire behandelingen, dat de maatschappelijke onrust toe neemt. Cliënten kunnen niet blijvend verder met hun leven door de ‘kiloknallers’ hulpverlening. En dan moet er meer repressie komen. Meer blauw op straat.

Systeem gebaseerd op een denkfout

Bij dit alles komt dat het op de DSM gebaseerde financieringssysteem (de DBC’s, Diagnose Behandel Combinaties) gebaseerd is op een denkfout. De DSM classificaties zijn namelijk een eigen leven gaan leiden. In het zoeken naar oorzaken van menselijke problemen wordt niet meer gezocht naar diepere oorzaken, naar persoonlijke en sociale  levensverhalen of gebrek aan zorg en opvoeding maar wordt gezocht naar een DSM classificatie die bij de symptomen past. Vervolgens wordt die classificatie als de oorzaak aangewezen. Een mens voelt zich onveilig, is onrustig of somber omdat hij ‘borderline’, ‘ADHD’ of een ‘depressie’ heeft. Maar produceert een mens veel geluid omdat hij een schreeuwlelijk is? Hier wordt een denkfout gemaakt.

Een concentratieprobleem wordt in de werkelijke wereld niet veroorzaakt door ADHD maar door een complex van ‘nature’ – ‘nurture’ factoren. De samenstellers van vorige DSM-versies waarschuwden tegen deze  foute toepassing van de DSM vooral omdat er geen neurobiologische correlaten voor de ziektenamen zijn vastgesteld. Zelfs bij stoornissen waarvan overduidelijk is dat ze biologisch verankerd zijn (denk aan klassiek autisme of alzheimer) is onbekend om welke neurobiologische afwijkingen het precies gaat. De indrukwekkende vooruitgang die neurobiologisch onderzoek boekte, leidde vooral tot het besef dat de achtergronden van DSM-stoornissen veel complexer zijn dan aanvankelijk gedacht.

Iemand die deze denkfout beschrijft is Trudie Dehue, hoogleraar wetenschapstheorie en -geschiedenis. In haar boek: ‘Depressie-epidemie’, schrijft zij dat in 2002 de APA (American Psychiatric Assocation) – commissie voor psychiatrische diagnostiek geconcludeerd heeft dat een persoon vaak met verschillende labels te beschrijven valt en dat mensen bovendien vaak van stoornis wisselen. Volgens de commissie is de DSM van nut geweest voor het standaardiseren van het psychiatrisch taalgebruik maar leidt de ‘reïficatie’ van DSM kwalificaties, tot aan het punt dat zij aan ziekten gelijk worden gesteld, eerder tot verduistering dan tot verheldering.

Reïficeren is een filosofisch begrip dat ‘tot ding maken’ betekent: Het verstoffelijken van een bedenksel. Het concreet maken van iets wat abstract is. De term verwijst naar de neiging om definities als dingen te zien die gevoelens en gedragingen produceren.

Trudie Dehue ziet het classificeren als een centrale taak van de wetenschap. Wat dat betreft heeft de DSM het goed gedaan zijn indelingen zijn wereldwijd verankerd geraakt. Maar de vraag of dit goed is, is volgens Dehue legitiem want er is volgens haar iets bijzonders aan classificaties in de menswetenschappen. Mensen kunnen namelijk labels tot onderdeel maken van hun identiteit en hun leven er naar inrichten. Dan zijn deze labels harde feiten geworden tot op het meest intieme niveau.

Er is volgens Dehue veel werk verzet om de DSM labels tot geaccepteerde feiten te maken. Bestaande problematiek moest in nieuwe kaders worden ingepast. Het classificatiesysteem reguleert niet alleen het werk van hulpverleners, het beïnvloedt de identiteit van de mensen die het indeelt. Mensen kunnen zich geholpen voelen met een ziekte label voor zichzelf of voor hun kinderen en dan kunnen ze de betrokken classificatie tot een eigen identiteit maken, tot onderdeel van hun zelfbeeld en hun bestaan. Als ze hun gedragingen en gevoelens er op gaan afstemmen, de opvoeding en het leven van hun kinderen ernaar gaan inrichten, maken zij de DSM labels tot onomstotelijke feiten.

Hoopvol is dat classificaties mensen veranderen maar dat andersom mensen op hun beurt classificaties kunnen veranderen! Een verhelderend voorbeeld hiervan gaat over homoseksualiteit. De Etrusken beeldden seks tussen mannen openlijk af op hun vazen en kruiken. Ze hadden geen woord voor ‘homoseksuelen’ want ze zagen geen reden om seks tussen partners van hetzelfde geslacht te benoemen. In latere tijden ontstonden er denkbeelden over ‘homoseksuelen’ die varieerden van acceptatie tot afwijzing. Het was zondig of onnatuurlijk. Het woord ‘homoseksueel’ werd bedacht door de Hongaarse journalist Karl Maria Kertbeny, en voor het eerst door hem gebruikt in 1869. Eind 19e eeuw werd de term door een psycholoog ingevoerd om aan te geven dat seks met mensen van hetzelfde geslacht een ziekte is. Homoseksualiteit kwam als stoornis in de DSM terecht. Veel van de betrokkenen gingen zichzelf ook als ziek zien maar na verloop van tijd hebben ‘homoseksuelen’ de strijd aangebonden en hun normaliteit opgeëist. Net zoals de ‘homoseksuelen’ verzetten ook de ‘hoger functionerende autisten’ zich en de mensen met de diagnose ‘bipolaire stoornis’.

Belangen van de farmaceutische bedrijven

Naast het bezwaar van de denkfout in het toepassen van de DSM classificaties komen de belangen van de samenstellers. Ondanks klachten over te veel gemedicaliseerde kinderen, soldaten en ouderen gaat de APA door met pathologiseren en verzinnen ze nog meer stoornissen om nieuwe groepen een stoornis aan te praten. Ook in de VS bepaalt de DSM in steeds grotere mate welke behandelingen de verzekeraar vergoed, welke stoornissen subsidies verdienen omdat ze een gevaar zouden zijn voor de publieke gezondheid en bepaalt de DSM de marketing en de winsten van farmaceutische bedrijven. Vanuit de DSM labels gedacht worden vaak farmaceutische behandelingen bedacht en ‘verkocht’. Hoe objectief kan de DSM zijn als 57% van de schrijvers er van linken hebben met farmaceutische bedrijven en verdienen aan een steeds grotere poel van patiënten en steeds meer nieuwe geestelijke ziektes?

Politiek

De hulpverleners in de GGZ zijn aan zet. Zij kunnen zich net als de homoseksuelen ontworstelen aan een beeld namelijk het beeld dat zij de ‘experts’ zijn over het leven van hun cliënten door hun labels op te plakken. En ze moeten hun stem gaan uitbrengen op politieke partijen die de zorg weer aan hen teruggeeft.

De politiek moet hulpverleners een handje helpen om meer bij onze tijd passende en meer democratische werkwijzen in te voeren door de macht bij zorgverzekeraars, farmaceutische industrie en DSM weg te halen uit de GGZ. Zij verdienen er aan en gaan daar niet uit zichzelf mee stoppen. Integendeel: Elke keer als blijkt dat de zorg duurder is geworden sinds de marktwerking, komen ze met het zelfde argument: Er is nog niet genoeg marktwerking.

Hoe lang laten we ons dit waanidee nog aanpraten? De politiek moet juist in deze tijd van crisis een meer leidende rol op zich durven nemen. De politiek moet hand in hand met hulpverleners toewerken naar een duurzame hulpverlening.

Bij de vorige grote economische crisis, in de jaren dertig van de twintigste eeuw, was Roosevelt president van de Verenigde Staten. Onder hem werd er door de staat steeds meer uitgegeven aan zorg en kwam hij overeen met verzekeraars dat de de bedragen die zij ontvingen beperkt zouden worden. Hij bezuinigde òòk niet op cultuur. Integendeel: Werkloze kunstenaars kregen massaal regeringsopdrachten.

De politiek moet laten zien hoe we een sociale en moderne samenleving kunnen zijn. Gebaseerd op voortschrijdende inzichten uit de wetenschap. Niet-lineaire denkwijzen in de GGZ hebben allang bewezen effectievere vormen hulpverlening te kunnen bieden.

Als we willen dat de GGZ weer beter wordt, dan zullen we met elkaar afstand moeten doen van het marktdenken èn van het lineaire denken. Niet meer bezig zijn met de pathologie maar met de kracht van de cliënt en met het systeem om hem heen. Dit is ecologisch verantwoord hulpverlenen. Niet meer bezig zijn met: Hoe kan ik het meeste geld verdienen in de zorg, maar wat is de meest optimale hulp op de lange termijn. Er zijn genoeg alternatieven.


Dit bericht werd geschreven in 2012 en drie jaar later werd de DSM in Amerika afgeschaft.

10 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, Zorgverzekeringen