Tagarchief: context

Begrijpen van terreurdaden

‘Het gevaar komt eerder van binnen dan van buiten en daar moet toch iets aan te doen zijn’, dacht ik toen ik las dat de aanvaller in Nice, Mohamed Lahouaiej Bouhlel, persoonlijke problemen had.

Ik las dat Bouhlel werkte als bezorger-chauffeur en drie kinderen had. Zijn buren omschreven hem tegenover de Franse krant Le Parisien als een stille en eenzame man. Hij zag er niet uit als een gelovig persoon.

In het NOS bericht stond:

Een andere buurman heeft tegen de zender France 3 gezegd dat hij ervan overtuigd is dat de aanslag niets te maken heeft met de islam. “Hij heeft niets met religie, hij bidt niet, hij doet niet aan de ramadan. Hij is een depressieve man die in scheiding ligt. Hij woont alleen en hij heeft financiële problemen.”

Crimineel

Bouhlel was volgens Franse media een bekende van de politie. Hij zou meerdere keren zijn veroordeeld, onder meer voor geweld en wapenbezit. De veiligheidsdiensten hadden hem niet in het vizier.

De chauffeur zou in maart voor het laatst zijn veroordeeld, vanwege een uit de hand gelopen verkeersruzie.

De zus van Bouhlel beschreef haar broer als psychisch labiel. Verder verklaarde de openbare aanklager François Molins dat Bouhlel veroordeeld was voor lichamelijk geweld en beschuldigd van huiselijk geweld.

Het begon er steeds meer op te lijken dat financiële en sociaal emotionele problemen deze man uit Nice tot zijn brute wanhoopsdaad hadden gedreven. Of alcohol, medicatie of drugs een rol speelden werd niet bekend.

Sociaal-psychologische factoren, de context, maken de aanslag minder geschikt voor de ‘oorlog tegen terreur’ propaganda en minder interessant voor de op sensatie beluste media dan wanneer er islamitisch terrorisme achter zou zitten. Karel Smouter in zijn column in De Correspondent spreekt van een wijdverbreid fenomeen wat tot dit soort aanslagen kan leiden: een geradicaliseerde existentiële verwarring.

Ondanks de mededelingen van de buren en de zus van Bouhlel en ondanks het feit dat de Franse justitie denkt dat de aanslag waarschijnlijk niet het werk is van een islamitische terreurorganisatie, bleef de Franse premier Valls beweren dat Bouhlel waarschijnlijk banden had met radicaal-islamitische groepen. Niet alleen van Valls maar ook van andere politieke leiders tot Clinton en Trump aan toe, kwamen dit soort beweringen.

Veel politici lijken graag te wijzen naar het gevaar dat van buiten komt. Angst voor de buitenwereld en de ‘vreemde’ godsdienst maakt het gemakkelijk om de aandacht af te leiden van de problemen in het eigen land.

Het gevaarlijkst is misschien wel de politicus die niet met verklaringen kan komen die hoop bieden na gruwelijke gebeurtenissen zoals die in Nice, die geen verklaringen kan bieden met aanknopingspunten om zèlf iets te veranderen. Een regering die de oorlog verklaart aan een andere regering kan althans in theorie die oorlog winnen. Maar wie de oorlog verklaart aan een handelwijze als ‘het terrorisme’ begint een oorlog zonder eind. Politici die niets beters weten te verzinnen zijn gevaarlijk.

Van dat soort politici lijken er steeds meer te zijn, net zoals het lijkt alsof er steeds meer wanhopige mensen rondlopen. We moeten politici kiezen die hoop kunnen bieden in dit soort situaties. Politici die oorlog na oorlog beginnen moeten we links (of rechts) laten liggen.


Met een essay in De Groene Amsterdammer probeerde Joost de Vries eerder dit jaar uit te zoeken wat de literatuur kan bijdragen aan het begrijpen van terreurdaden. Hiertoe had namelijk hoogleraar internationale betrekkingen en terrorisme Beatrice de Graaf kort na de aanslagen in Parijs van eind 2015, uitgenodigd toen ze over terroristen opmerkte: ‘Ze zijn niet altijd ongelukkig, ze zijn niet altijd arm, ze komen niet altijd uit dezelfde regio. Ze zijn wel vaak crimineel en hebben wel vaak broertjes of zusjes die terrorist zijn. Om een individuele terrorist echt te begrijpen, kun je misschien beter bij een romanschrijver dan bij een wetenschapper aankloppen.’

De Vries komt o.a. met twee regels uit Menno Wigmans nieuwe dicht bundel ‘Slordig met geluk’, een gedicht waarin iemand een aanslag op Koningsdag lijkt te overwegen:

‘Nog voor het eind van het festijn

zal ik de grootste zoekterm zijn.’

In de volgende veronderstelling van de Vries kan ik mij met mijn analyse over de wanhoop van de terreurdader vinden:

Misschien lijken terroristen meer op de high school shooters die om de haverklap opduiken in de VS, die niet vanuit een politieke of religieuze overtuiging handelen, maar vanuit een existentiële wanhoop. Hun geweld is geen middel, het dient nergens toe, het veroorzaakt geen betere wereld. Het kan niet anders dan dat de aanslagplegers in Parijs dat ook wisten. Het is een laatste, groteske poging tot zingeving.

De Vries begint zijn essay met het vergelijken van terroristen van nu met die van eind 19e eeuw, begin 20e eeuw. Toen waren het anarchistische terroristen die de wereld steeds deden opschudden.

Verander in de geschriften van de anarchisten ‘bourgeois’ in ‘heidenen’ en ze lijken volkomen actueel. Terrorisme als breekijzer, een kalasjnikov als gereedschap om in één keer superieur te worden aan de krachten om je heen.

De sociologische voedingsbodem lijkt voor beide soorten terrorisme evident: een uitzichtloze sociale achterstand, de behoefte gehoord en gezien te worden, het gemis van een politieke garde die voor de rechten van de minder bedeelden opkomt. Armoede, angst, honger, druk.

Maar wat is dat irrationele waar geen sociologie tegenop kan boksen, vraagt de Vries zich af; wat is

… het moment dat de maatschappelijke realiteit en persoonlijke moraliteit worden opgegeven voor het blinde verlangen van jezelf een bom te maken, om je leven te geven en zo veel mogelijk andere levens mee te sleuren het ravijn in. Dat moment is uniek, want voor elke geradicaliseerde moslim in de banlieues die naar een bomgordel grijpt, zijn er tienduizenden in exact dezelfde sociale situatie die dat niet doen.

Joseph Conrad schrijft naar aanleiding van zo’n anarchistische aanslag uit een vorig tijdperk een roman genaamd ‘The secret agent’ (1907). De Vries merkt over de hoofdpersoon Verloc in deze roman op:

… we leren wel één essentieel ding van Conrads personage kennen, misschien wel het meest essentiële wat romanschrijvers kunnen laten zien en wetenschappers niet – via de verhaallijn van zijn huwelijk. Het lukt Verloc niet zijn vrouw als een mens te zien, met eigen emoties en behoeften – hij ziet haar alleen als een instrument voor zijn eigen wensen. ‘Every time he passed by the door, Mr Verloc glanced at his wife uneasily. It was not that he was afraid of her. Mr Verloc imagined himself loved by that woman. But she had not accustomed him to make confidences.’ Mooi is dat ‘that woman’. Dat ‘that’ schetst een onoverbrugbare afstand. De volkomen egocentrische Verloc kan niet bij haar gevoelens komen, zoals hij eigenlijk aan niemand anders gevoelens denkt – als je die eigenschap koppelt aan zijn roeping als bommenlegger snap je ineens veel beter hoe hij kan doen wat hij doet. Hij is niet alleen het maatschappelijke voorbij, ook het menselijke.

In ‘The secret agent’ zit ook een bijfiguur, de Professor. Hij is de bommenmaker. Over deze figuur en verder over de roman schrijft de Vries:

Coherent wordt zijn ideologie nooit. Dat is ook het schrikbeeld van de roman: het irratio­nele, het ongrijpbare. De roman eindigt met de Professor, die doelloos door de straten van Londen loopt, oogcontact mijdend, met zijn eeuwige bomgordel om, die hij elk moment kan laten ontploffen. Slotzinnen: ‘He had no future. He disdained it. He was a force. His thoughts caressed the images of ruin and destruction. (…) He passed on unsuspected and deadly, like a pest in a street full of men.’

Volgens de Vries is de kracht van dit personage en dat van de terrorist niet een middel tot een betere wereld maar is zijn kracht een doel op zich.

De reactie op de aanslagen in Parijs van de Nederlandse schrijver, dichter Ilja Leonard Pfeiffer die ook in het artikel van De Vries wordt genoemd geeft volgens mij perspectief. Hier zijn verhaal dat uit de NRC van 16 januari 2015 komt:

Dit is een poging de daders in Parijs te begrijpen.

Keihard heeft de veroordeling geklonken van de aanslagen in Frankrijk. Lost dit iets op? Nee, zegt Ilja Leonard Pfeijffer. Wat helpt? Empathie tonen.

Dit stuk gaat over ongemak. Want na de aanvankelijke verontwaardiging over de aanslag in Parijs voelde ik mij de afgelopen week in toenemende mate ongemakkelijk bij de wijze waarop de aanslag in het publieke domein werd geannexeerd.

Het idee begon bij mij post te vatten om een stuk voor deze krant te schrijven over het ongemak dat ik voel voor de overweldigend unanieme en hartverwarmend eenzijdige steun voor die rebelse kwajongens, die met hun dekselse tekeningetjes toch maar mooi de profeet te kakken hebben gezet en daarmee helden zijn geworden van het vrije woord en martelaren in de heilige oorlog van het glorieus verlichte Westen tegen de achterlijke en verachtelijke islam. Het leek mij nodig ook de andere kant van het verhaal te belichten en een stuk te schrijven waarin ik begrip opbreng voor de daders. Die worden nu zonder enig voorbehoud verketterd als monsters die nog erger zijn dan misdadigers, als vijanden van onze vrijheid en als de verpersoonlijking van het kwaad dat met wortel en tak dient te worden uitgerukt, verdelgd, platgebrand en verbannen naar de diepste kringen van de hel.

We zeggen dat we zo verlicht zijn en dat we haat nimmer zullen tolereren, maar haat is het enige antwoord dat wij op haat weten te geven. En dat heeft nog nooit tot iets geleid. Het enige juiste antwoord is empathie en een poging om de daders te begrijpen. Zo’n stuk wilde ik schrijven en ik had ‘Je suis Kouachi’ als provocerende titel bedacht.

Maar met het voornemen om mijn ongemak onder woorden te brengen, werd ik overvallen door een ander gevoel van ongemak. Want uiteraard besefte ik maar al te goed dat ik uiterst gevoelige, om niet te zeggen explosieve materie zou aanroeren. Misschien was zo’n stuk eigenlijk geen goed idee.

Twee dagen geleden mailde ik de redactie van deze krant, om te vragen of het verstandig zou zijn zo’n stuk te schrijven. Dat deed ik natuurlijk niet voor niets. Dat doe ik anders nooit. Het antwoord bevatte wijze woorden. ‘Waarom niet? Je weet hoe het werkt: hoe gevoeliger het onderwerp, hoe beter de argumentatie van de auteur moet zijn. Immers, als de lezer het a priori met je eens is, is die in het algemeen wat luier in z’n denken en neemt dan genoegen met halve waarheden. Als de lezer het a priori met je oneens is, of heel sterk oneens, dan slaat hij bij je eerste argument al op tilt.’

Misschien is ongemak in dit geval wel een eufemisme voor hypocrisie. Want we staan nu allemaal schouder aan schouder met een potlood in de lucht, pal voor de vrijheid van meningsuiting, maar die vrijheid geldt alleen voor ons en niet voor de ander. Je mag je mening vrijelijk uiten op voorwaarde dat je de juiste mening hebt. Iedereen mag alles zeggen wat hij wil, behalve dat hij begrip heeft voor de daders die nog een paar appeltjes te schillen hadden met dat zogenaamde vrije Westen van ons.

Vrijheid van meningsuiting is sinds vorige week ons grootste goed en ons hoogste recht, zeker in Frankrijk, maar eergisteren is de Franse komiek Dieudonné opgepakt omdat hij op Facebook had gezegd dat hij begrip heeft voor de terroristen. En er lopen nog 54 vergelijkbare zaken in Frankrijk. Vijf mensen zijn al veroordeeld. Twee mannen kregen een jaar cel, omdat ze op straat hadden geroepen: ‘Ik ben er trots op een moslim te zijn. Ik houd niet van Charlie. Ze hadden het recht dat te doen.’

Ik wil de aanslag in Parijs niet goedpraten, begrijp me niet verkeerd. Natuurlijk is het fout om mensen neer te schieten omdat hun gevoel van humor het jouwe niet is. Sterker nog, dat is bij wet verboden. Evenmin wil ik mezelf opwerpen als verdediger van een geloof dat de doodstraf uitvaardigt jegens iedereen die spot met zijn profeet of van welk ander geloof dan ook. Het liefste zou ik ook elke vorm van religie bij wet verbieden, maar dat is nu even niet het punt. Ik zou wel graag de kanttekening willen maken dat de humor van Charlie Hebdo niet de mijne is. Ik kan niet lachen om die tekeningetjes. Ik vind ze grof en onnodig kwetsend. Hier begeef ik mij al op glad ijs, dus haast ik mij eraan toe te voegen dat iedereen uiteraard het volste recht moet hebben om onleuke en onnodig kwetsende plaatjes te tekenen. Die vrijheid zal ik tot mijn laatste snik verdedigen, maar ik zal diegenen die van die vrijheid gebruikmaken daar niet om bewonderen, laat staan dat ik ze zal vereren als helden van de vrijheid.

Maar mijn grootste gevoel van ongemak betreft onze hypocrisie. Het trof mij als een bliksemschicht toen ik een van de honderden cartoons voorbij zag komen die naar aanleiding van de aanslag zijn gemaakt. Er waren twee moslims getekend. Die kon je herkennen aan het feit dat ze bivakmutsen droegen en kalasjnikovs in hun handen hadden. Vol ontzetting keken ze naar de hemel van waaruit een bombardement van potloden op hen neerdaalde.

Precies zo zien wij het graag. De moslims zaaien dood en verderf met hun achterlijke geloof en hun automatische wapens en wij, verlichte westerlingen die wij zijn, slaan terug met onze universele waarden en vrijheid van meningsuiting, die zijn gesymboliseerd door die regen van potloden.

Maar zo is het natuurlijk niet. En die cartoon laat dat pijnlijk duidelijk zien. Want in werkelijkheid staan die moslims zonder bivakmuts en kalasjnikov op hun schamele akkers in Irak, Afghanistan, Syrië of in de Gazastrook – en wat op hen uit de hemel neerdaalt, is geen bombardement van potloden, maar een bombardement van bommen. Met de vriendelijke groeten uit het vrije, verlichte Westen. Ik kan mij voorstellen dat je als moslim wel een paar bedenkingen hebt om onze universele westerse waarden onvoorwaardelijk te omarmen, zoals wij van hen eisen.

De aanslag in Parijs wordt door velen beschouwd als een oorlogsdaad. Dat zou je zo kunnen zien, maar dan moet je je wel afvragen wie die oorlog is begonnen. In zijn stuk in deze krant van gisteren citeerde Arend Jan Boekestijn Leon Trotski: ‘Wij kiezen niet voor een oorlog, maar de oorlog kiest ons.’ Hij citeerde het om duidelijk te maken dat we ernst moeten beginnen te maken met het bestrijden van de islam. Maar je zou het evengoed kunnen omdraaien. Het citaat zou ook uit de mond kunnen komen van de terroristen.

Als het oorlog is, hebben wij het daar zelf naar gemaakt. Dan moet je niet raar opkijken als de vijand begint terug te schieten. Als het oorlog is, mag de vijand ook meedoen, anders is het niet eerlijk. Die vijand moet je dan bestrijden, maar je moet niet opeens heel hypocriet in een protestmars gaan lopen roepen dat de vijand niet mag bestaan en dat hij een smet is op onze vredelievendheid.

Mijn gevoel van ongemak betreft het algeheel gedeelde gevoel dat het nu oorlog is. Want met een oorlogsverklaring creëer je niets anders dan vijanden. In NRC Handelsblad van zaterdag schrijft Tom-Jan Meeus over verschillende Amerikaanse veiligheidsadviseurs die er achteraf spijt van hebben dat de VS in antwoord op de aanslag op de Twin Towers de ‘War on Terror’ hebben uitgeroepen. Dat heeft volgens hen averechts gewerkt. Een van hen, Mark Fallon, de special agent die meteen na 9/11 was belast met de opsporing van Osama Bin Laden, zei dat je terroristen pas aan je zijde krijgt als je je in hen verdiept. „Alles draait om empathie”, zei hij. En toen Meeus hem vol ongeloof vroeg of hij bedoelde dat we een kopje thee moeten gaan drinken met de terroristen, antwoordde hij: „Absoluut. Want dát verwachten ze niet.

Empathie en verbinding leiden tot het verminderen van het gevaar. Daar kunnen we allemaal elke dag opnieuw mee aan de slag.

Een mooie suggestie voor het probleem van de wanhoop of de existentiële verwarring binnen in de terreurdader doet ook Karel Smouter in zijn column in De Correspondent; hij houdt een pleidooi voor meer sereniteit en haalt daarbij een aantal regels aan uit het ‘Serenity Prayer’ van de theoloog Reinhold Niebuhr:

‘Grant us the serenity to accept the things we cannot change,
the courage to change the things we can,
and the wisdom to know the difference.’

We hebben volgens Smouter meer begrip nodig voor elkaars verwarde toestand. En we hebben hulp nodig om daar uit te geraken voor de verwarring escaleert. Dit begrip begint met het besef dat elke verwarde man die het nieuws haalt, uiteindelijk een geradicaliseerde versie van onszelf is.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, proza en poëzie

Naast degene staan die worstelt en achtergelaten is

De chaos in Europa lijkt na de Brexit, het referendum in Groot-Brittannie waarin de meerderheid voor uittreding uit de Europese Unie stemde, compleet. Het is alsof men in de war is. Leiders vallen over elkaar heen of vertrekken. Politieke opportunisten proberen er een slaatje uit te slaan door het voor de Britse City banken aantrekkelijk te maken om naar hun land uit te wijken. Alsof Joris Luyendijk nooit heeft aangetoond dat deze banken de crisis van 2008 op hun geweten hebben en alsof het niet allang duidelijk is dat deze banken gewoon op de oude voet zijn doorgegaan.

De Brexit stem wordt verkeerd uitgelegd alsof deze hoofdzakelijk gevoed wordt door vreemdelingenhaat. De ernst van de situatie wordt onvoldoende begrepen.

Gelukkig zijn er Europeanen die zien dat het de democratie is die hier op het spel staat. Maar er is ook een Amerikaan die dit goed begrijpt. En dat is de onafhankelijke senator en Democratische kandidaat voor de presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten Bernie Sanders.

Zijn ingezonden brief van 28 juni 2016 in de New York Times heeft als aanhef:

‘Democraten moeten wakker worden’

Hier een vertaling van zijn brief die ik ook voor dit blog interessant vind omdat het wel of niet leven in een democratie persoonlijke gevolgen heeft voor iedereen. We groeien op in het systeem van een familie, een gezin, een school en deze kleinere systemen maken deel uit van een groter systeem.

Bernie Sanders legt duidelijk uit hoe dat grotere systeem werkt. Zijn woorden doen mij denken aan die van mijn favoriete psychiater Dirk de Wachter die de metafoor van de speedboat gebruikt voor een maatschappij waar allerlei mensen uitvallen. De psychiaters hebben reddingsvesten om de mensen weer de boot in te helpen maar dan zegt de politiek dat ze gaan bezuinigen op reddingsvesten…

Hier de ingezonden brief van Bernie Sanders.

Het is niet verassend dat de werknemers in Groot-Brittannië, die veelal hun levensstandaard hebben zien dalen, de Europese Unie de rug hebben toegekeerd. Ze hebben gezien dat de zeer rijken in het land veel rijker geworden zijn. De geglobaliseerde economie blijkt er niet voor hen te zijn en ook niet voor hun kinderen. Maar het zijn niet alleen de Britten die lijden.

De geglobaliseerde economie is opgericht en wordt onderhouden door de economische elite. De rijkste 62 mensen op deze planeet bezitten net zo veel rijkdom als de armste helft van de wereldbevolking – ongeveer 3,6 miljard mensen. De rijkste 1 procent van de bovenkant bezit nu meer vermogen dan de gehele onderkant van 99 procent. De zeer, zeer rijken genieten van onvoorstelbare luxe, terwijl miljarden mensen extreme armoede, werkloosheid, gebrekkige gezondheidszorg, onderwijs, huisvesting moeten verduren en vervuild drinkwater moeten drinken.

De afwijzing  van deze huidige vorm van de wereldeconomie door de Britten kan ook gebeuren in de Verenigde Staten. Tijdens mijn campagne voor de Democratische presidentiële nominatie heb ik 46 staten bezocht. Wat ik bij te veel gelegenheden tegenkwam waren pijnlijke realiteiten die door de politiek en de media niet eens herkend worden.

In de afgelopen 15 jaar zijn er bijna 60.000 fabrieken in dit land gesloten en meer dan 4,8 miljoen goedbetaalde banen zijn verdwenen. Veel hiervan heeft te maken met de rampzalige handelsovereenkomsten die bedrijven aanmoedigen om te verhuizen naar lagelonenlanden.

Ondanks de grote stijging van de productiviteit verdient de gemiddelde mannelijke werknemer in Amerika vandaag de dag 726 dollar minder dan hij deed in 1973, terwijl de gemiddelde vrouwelijke werknemer 1154 dollar minder verdient dan ze deed in 2007 en dit is na de correctie voor de inflatie.

Bijna 47 miljoen Amerikanen leven in armoede. Naar schatting 28 miljoen hebben geen ziekteverzekering en vele anderen zijn onderverzekerd. Miljoenen mensen worstelen met waanzinnige studieschulden. Misschien zal voor het eerst in de moderne geschiedenis onze jongere generatie een lagere levensstandaard hebben dan hun ouders en zullen miljoenen slecht opgeleide Amerikanen een kortere levensduur hebben dan de vorige generatie omdat ze bezwijken aan wanhoop, drugs en alcohol.

Ondertussen bezit in ons land de top 10 procent bijna net zo veel rijkdom als de onderste 90 procent. Wall Street en miljardairs zijn in staat zijn om uitslagen van verkiezingen te kopen.

Tijdens mijn campagne heb ik gesproken met werknemers die niet in staat zijn om rond te komen van 8 of 9 dollar per uur, met gepensioneerden die moeite hebben om medicijnen aan te schaffen, met jonge mensen die zich niet kunnen veroorloven om naar een universiteit te gaan. Ik bezocht Amerikaanse burgers in Puerto Rico waar 58 procent van de kinderen in armoede leeft en waar slechts 40 procent van de volwassenen een baan heeft.

Laten we duidelijk zijn. Deze wereldeconomie werkt niet voor de meerderheid van de mensen in ons land en niet in de rest van de wereld. Het is een economisch model door de economische elite ontwikkeld om de economische elite ten goede komen. We hebben een echte verandering nodig.

Maar we hebben niet een verandering nodig die gebaseerd is op demagogie, op onverdraagzaamheid en anti-immigrant sentimenten waar veel van de retoriek van de Brexit campagne mee doorspekt was en die ook centraal staat in de boodschap van Donald Trump.

We hebben een president nodig die internationale samenwerking bevordert en de mensen van de wereld dichter bij elkaar brengt, die het hypernationalisme vermindert waardoor oorlogen kunnen ontstaan. We hebben een president nodig die de democratische rechten van het volk respecteert en die zal vechten voor een economie die de belangen van de werkende mensen beschermt en niet alleen Wall Street beschermt of de farmaceutische industrie enz.

We moeten ons ‘vrijhandel’ beleid verwerpen en toewerken naar eerlijke handel. Amerikanen moeten niet hoeven te concurreren tegen werknemers in lagelonenlanden die maar enkele centen per uur verdienen. We moeten het Trans-Pacific Partnership verwerpen. We moeten arme landen helpen met de ontwikkeling van duurzame economische modellen. We moeten een eind maken aan het internationale schandaal waardoor grote bedrijven en rijken miljarden dollars aan belastingen ontduiken. We moeten miljoenen banen creëren waarmee de wereldwijde klimaatverandering bestreden kan worden door een transformatie van de energie, weg van fossiele brandstoffen. We moeten internationale inspanningen doen om te snijden in de militaire uitgaven over de hele wereld en de oorzaken van de oorlog aanpakken: armoede, haat, wanhoop en onwetendheid.

In het idee dat Donald Trump weleens zou kunnen profiteren van dezelfde krachten die de Brexit voorstanders een meerderheid gaf in Groot-Brittannië, klinkt een waarschuwing door voor de Democratische Partij in de Verenigde Staten.

Miljoenen Amerikaanse kiezers, zijn net zoals de Brexit voorstanders begrijpelijkerwijs boos en gefrustreerd door de economische krachten die de middenklasse heeft vernietigd.

Op dit cruciale moment moet de Democratische Partij en moet de nieuwe Democratische president duidelijk maken dat we naast degenen staan die worstelen en die zijn achtergelaten. We moeten een nationale en mondiale economie creëren die voor iedereen werkt en niet alleen voor een handvol miljardairs.

Terwijl ik dit bericht maakte kreeg ik bericht van de NVRG dat hun congres in 2016 over sociale uitsluiting zal gaan. Als Europees burger loop je 24% kans op sociale uitsluiting.

2 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek

Minuchin’s gezinstherapie I

Psychische problematiek niet veroorzaakt door een stoornis in het individu

Gezinstherapie is een vorm van therapie waarbij de therapeut de aandacht afleidt van de zogenaamde patiënt ofwel van de individuele ‘zondenbok’ met zijn zogenaamde stoornis en brengt waar die zijn moet: namelijk bij de rondom gaande interacties tussen de subsystemen van zijn of haar systeem of familie. En dat is niet gemakkelijk!

Subsystemen zijn meestal de individuele leden van het systeem. En één van die subsystemen is de zogenaamde patiënt. Minuchin is er duidelijk over. Op bladzijde 186 van zijn boek Gezinstherapie schrijft hij:

Zij (lees; de ouders) voelen zich op hun gemak in de monologen die zij tegen de therapeut houden waarmee zij de symptomen van hun geïdentificeerde patiënt (lees: hun kind) aanbieden. Ze vermijden hun huwelijksconflict en houden vast aan de fictie dat het probleem bestaat uit één geïsoleerde intrapsychische ziekte. Zij kunnen hun gezinsmythe in stand houden zolang ze hun onderlinge afstand kunnen handhaven, en ze kunnen deze afstand handhaven door ieder voor zich een relatie met de therapeut te leggen. Als de therapeut er ten slotte in slaagt om hen met elkaar te laten praten, ontstaat ogenblikkelijk de echtelijke ruzie die ze tot nu toe hebben kunnen vermijden.

Als dit punt bereikt is gebeuren er dingen in het hier-en-nu, in de kamer van de therapeut en kan deze de echte gezinstransacties waarnemen en kan de therapie beginnen.

“Dat een probleem uit een geïsoleerde intrapsychische ziekte bestaat, is een fictie!”, schreef Minuchin al in 1973. Maar er lijkt geen kruid tegen deze fictie gewassen. Anno 2014 is de gezinstherapie door het beleid van de overheid zowat op non-actief gezet. Er zou veel meer protest tegen dit beleid moeten komen. Het gaat hier om een collectief en hardnekkig misverstand waar de farmaceutische industrie, andere markten en bureaucraten mogelijk wel bij varen maar waar een gewoon mens of gezin met een probleem geen bal aan heeft.

Gezinsstructuur therapie

Voor mijn werk is het boek Gezinstherapie van Minuchin een belangrijk boek geworden, maar zoals eerder gesteld, het is niet zo gemakkelijk om toe te passen binnen het denken in stoornissen. Het is niet zo gemakkelijk en dat vond Minuchin zelf ook. Vooral in het begin. Hij was als individueel therapeut opgeleid maar wilde gezinstherapie doen. Er was volgens hem geen brug tussen deze twee benaderingen. Minuchin legt in de video hieronder uit dat je daarom als therapeut moet springen van de ene naar de andere benadering. Montalvo, die Minuchin als een leermeester beschouwde, legt in de video uit dat de gezinstherapie eigenlijk voortkwam uit een politieke strijd tegen onderdrukking.

Hij is gericht op de mens in zijn sociale kader maar zijn therapie richt zich vooral op verandering van structuur en organisatie van het gezin. Interacties in het gezin worden door zijn therapie getransformeerd. De posities van de gezinsleden in de gezinsprocessen en gezinsverhoudingen veranderen daarmee. Met als gevolg dat de ervaring en beleving van ieder gezinslid verandert. Dus ook de ervaring en beleving van de zogenaamde patiënt.

Als je de gezinsstructuur niet meeneemt in de therapie werk je ongeveer zoals Commandant Peary (ontdekkingsreiziger) die op een van zijn Noordpoolreizen eens een hele dag naar het noorden reisde, waarbij hij zijn honden eens flink kon laten opschieten. Althans dat dacht hij. ’s Avonds bepaalde hij zijn positie ten opzichte van de sterren en tot zijn verbazing bevond hij zich veel zuidelijker dan ’s morgens. Hij had de hele dag noord-waards gezwoegd op een immense ijsberg die naar het zuiden afdreef!

Los van de context afgedreven schiet men ook in therapie niets op. Hoe hard men ook werkt. Interactie van het individu en de omgeving is namelijk bepalend voor de menselijke ervaring.

De oud-Griekse dichter Homerus beschreef al dat de mens weet dat hij wordt beïnvloed door zijn omgeving waar hij zelf ook weer invloed op uitoefent. De toepassing van dit idee op technieken binnen de geestelijke gezondheidszorg staat onder immense druk. Traditioneel concentreren therapeuten zich op het onderzoeken van intrapsychische aspecten wat tot gevolg heeft dat individuele behandelingstechnieken sterk zijn ontwikkeld. Dat is onder druk van het denken in stoornissen van de laatste jaren nog sterker geworden en daarbij ook nog verarmd. Er is een grens getrokken tussen individu en omgeving en deze grens wordt door de vorm van therapie van vandaag steeds strakker gehandhaafd. De pathologie wordt steeds vaker gelokaliseerd in het individu.

Het vergrootglas en de zoomlens

Een intelligente middelbare scholier wordt door de school verwezen voor een behandeling omdat zijn schoolprestaties zo slecht zijn. De school deelt mee dat de jongen zijn tijd in de klas doorbrengt met dagdromen. Hij gaat geheel zijn eigen gang en kan weinig vrienden maken.

Een individuele therapeut zal contact opnemen met het gezin en de school maar krijgt voornamelijk inzicht in het probleem door zijn interactie met de jongen. Hij gaat zich bezighouden met de gedachten en de gevoelens van de jongen over zijn situatie en de mensen die er een rol in spelen. Dan gaat hij de jongen helpen om zijn realiteit opnieuw (cognitief en affectief) te interpreteren. Dit ziet hij als een noodzakelijke stap om het probleem op te lossen. Zijn vergrootglas is op de jongen gericht. De details zijn duidelijk maar het zicht op het terrein om de jongen heen is beperkt.

De gezinstherapeut heeft een zoomlens. Hij kan een close-up nemen als hij het intra-psychische wil bestuderen maar hij kan ook een bredere focus gebruiken. De gezinstherapeut zou de interacties van de jongen bestuderen. In een gezinsinterview zou hij de relatie tussen de jongen en zijn moeder zien, met alle ambivalentie van verbondenheid en vijandigheid. Hij zou zien dat de jongen bijna niet tegen zijn vader spreekt. Als hij tegen de vader spreekt doet hij dat via de moeder die als vertaalster optreedt. Hij ziet ook dat de twee jongere kinderen in het gezin tegen de vader net zo praten als tegen de moeder. Hij hoeft niet alleen te steunen op de beschrijving die de jongen geeft van zijn gezin en ook niet op de onbewezen stellingen die de ouders hebben over de jongen. De gezinsleden zijn aanwezig en de interactie kan door hem beschreven worden. De therapeut kan zelf ervaren hoe de gezinsleden met elkaar omgaan. Hij zal een transactietheorie ontwikkelen om te verklaren wat hij waarneemt. De bredere focus en de grotere flexibiliteit vergroten de mogelijkheden voor therapeutische interventies.

De mens in zijn context

Deze gezins-therapeutische manier van denken is een reactie op het psychoanalytische denken waarbij het individu opgevat wordt als iemand die zichzelf blijft in alle omstandigheden. In de 2e helft van de 20e eeuw werd in reactie daarop de gezinsstructuur-therapie ontwikkeld. Bateson gebruikte in 1971 de cybernetica om deze manier van denken uit te leggen: ‘Neem bijvoorbeeld een man die een boom omhakt. Iedere slag met de bijl wordt bijgestuurd en gecorrigeerd afhankelijk van het oppervlak dat door de voorafgaande slag in de boom is nagelaten. Dit zelfcorrigerende … proces komt tot stand door een “totaal-systeem”: boom-ogen-hersenen-spieren bijl-slag-boom; en het is dit totaalsysteem dat de karakteristieken van … de menselijke geest heeft.

De neuroloog Delgado komt in 1969 na vele experimenten met apen en mensen tot de conclusie dat wij niet vrij kunnen zijn van onze ouders, leraren en van de gemeenschap. Zij zijn volgens hem de ‘extra-cerebrale’ bronnen van onze geest. De menselijke geest ontwikkelt zich naarmate de hersenen de veelvuldige interne en externe input verwerken en opslaan. Wat er is opgeslagen bepaalt de manier waarop iemand omgaat met de context waar hij op dat moment mee te maken heeft. Het gezin is een hoogst belangrijke factor in dit proces. Het is een natuurlijke sociale groep, die de reacties van zijn leden op de input van binnenuit en van buitenaf regelt. Het gezin kan in de meeste gevallen beschouwd worden als het ‘extra-cerebrale’ deel van de geest.

Een kind reageert op stress in het gezin. Dit hebben Minuchin en anderen in experimenten aangetoond. Individuele  fysiologische reacties (niveaus van vrije vetzuren) op stress in het gezin werden gemeten tijdens verschillende momenten in een gezinsinterview.

Waar is de pathologie?

Als we kunnen spreken van een ‘extra-cerebrale’ geest en een ‘intra-cerebrale’ geest, dan kan de pathologie gedacht worden binnen het individu, buiten het individu of in de wisselwerking die er tussen beiden plaats vindt. De kunstmatige grens wordt onduidelijk. Onze opvatting over pathologie moet veranderen.

Drie axioma’s van de gezinstherapie:

1. Het psychische leven van een individu is niet een geheel intern proces. Het individu beïnvloedt zijn omgeving in een zich voortdurend herhalende reeks van interacties. Het individu dat in een gezin leeft, is een onderdeel van een sociaal systeem waaraan hij zich moet aanpassen. Het individu reageert op stress in andere delen van het systeem. Hij kan op zijn beurt een belangrijke oorzaak zijn dat andere leden van het systeem onder druk komen te staan. Het individu kan worden opgevat als een subsysteem maar steeds moet worden uitgegaan van het geheel.

2. Veranderingen in een gezinsstructuur, van welk onderdeel van dat systeem dan ook, zullen veranderingen tot gevolg hebben in het gedrag en in de psychische processen van de leden van het systeem.

3. Als een therapeut met een cliënt of cliënt-systeem werkt dan wordt hij een deel van dat systeem. Therapeut en gezin vormen samen een nieuw systeem en dat systeem zal het gedrag van de leden bepalen.

Deze ideeën zijn terug te vinden bij individuele psychotherapie maar daar staan zij niet centraal omdat daar altijd een kunstmatige dichotomie blijft bestaan tussen individu en omgeving.

Paranoia

Paranoia wordt gezien als een intrapsychisch verschijnsel dat slechts raakvlakken heeft met de omgeving. Daartegenover staat de visie van Goffman (1969) die een duidelijk verband legt met de omgeving die de paranoïde symptomen ondersteunt.

Stel je het volgende voor. Collega’s op het werk proberen jouw cliënt in toom te houden door te doen alsof er niets aan de hand is, zelfs als de paranoïde symptomen storend zijn. Waar mogelijk vermijden zij hem en sluiten hem uit van het nemen van beslissingen. Zij nemen hem niet helemaal serieus en gaan sussend en voorzichtig met hem om, waardoor de deelname van de cliënt aan een werkelijke interactie sterk gereduceerd wordt. De collega’s zullen hem voortdurend in de gaten houden of een samenzwering opzetten om hem met zachte hand naar de psychiater te krijgen. Deze goedbedoelde tact en geheimzinnigheid ontnemen de cliënt de mogelijkheid van corrigerende feed-back en het uiteindelijke resultaat is dat er een werkelijke paranoïde gemeenschap voor de cliënt ontstaat.

Paranoïd denken en gedrag kan opgewekt worden bij normale, hooggeschoolde deskundigen zoals is aangetoond in experimenten door het Leadership Institute van de Tavistock Clinic.

Paranoïde gemeenschap, ‘borderline times’

Een weduwe werd bestolen in haar huis en besloot om te verhuizen. Dit was het begin van een nachtmerrie voor haar. Ze ontwikkelde paranoïde symptomen. Het begon met verdenkingen over de verhuizers dat zij haar spullen opzettelijk op de verkeerde plaats hadden gezet en haar kostbaarste dingen hadden kwijt gemaakt. Zij ging naar de psychiater die haar kalmerende middelen gaf maar haar ervaringen veranderden niet. Ze ging naar een andere therapeut die ecologische kennis had van bejaarden en eenzame mensen. Hij legde haar uit dat zij haar ‘schelp’ verloren had, haar vroegere huis waar ze elk hoekje kende. Nu was ze als een schelpdier zonder schelp geworden, erg kwetsbaar. Dit probleem zou verdwijnen als ze een nieuwe ‘schelp’ had gemaakt. Ze bespraken hoe zij dit zo snel mogelijk kon doen. Zij zou vooral oude vrienden gaan opzoeken, geen nieuwe vrienden maken en alles uitpakken en opnieuw ophangen in haar nieuwe woning. Ze moest dit alles in een bepaalde routine doen. Zij zou niet meer praten over haar paranoïde ervaringen. Als iemand nog informeerde naar haar belevingen moest ze zeggen dat dat alleen maar de gewone problemen zijn van angstige oude mensen.

Deze therapeut had oog voor de context en interpreteerde de verhuizing als een ecologische crisis. Het bedreigende onbekende was door deze eenzame vrouw geïnterpreteerd als een samenzwering tegen haar. Hoe meer zij had geprobeerd om over haar belevenissen te praten, hoe meer de feed-back van haar omgeving was geweest dat dat abnormaal en psychotisch was. Haar familie en vrienden werden bang en maakten haar bang en er ontstond een sfeer van geheimzinnigheid om haar heen: een paranoïde gemeenschap. De therapeut nam de leiding terwijl zij haar nieuwe ‘schelp’ maakte en hij blokkeerde de feed-back van haar familie omdat die de pathologie alleen maar erger maakte.

Gezinsstructuur-therapie houdt zich bezig met het proces van feedback tussen de omstandigheden en de mens die daarin ingebed is; met de verandering die de mens oplegt aan zijn omgeving en hoe de feed-back op deze verandering een volgende stap van die mens weer beïnvloedt. Een verschuiving van de positie van een persoon ten opzichte van zijn omstandigheden is tegelijk een verschuiving in zijn beleving. Gezinstherapie maakt gebruik van technieken die de directe context van mensen zodanig veranderen dat hun posities ten opzichte van elkaar ook veranderen.

Over het concept van de paranoïde gemeenschap schreef Minuchin al in 1973. Zijn ideeën zijn onvoldoende doorgedrongen in de GGZ. Vandaar misschien dat veertig jaar later in 2013 de psychiater Dirk De Wachter moest komen met zijn boek over de ‘borderline’ times. Volgens De Wachter lijdt onze maatschappij aan een ‘borderline’ stoornis.

In een volgend blog-bericht zal ik de therapeutische technieken van Minuchin beschrijven.

5 reacties

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychotherapie, Systeemtherapie