Tagarchief: conflicten

Collusie en co-evolutie

EEN MODEL VOOR PARTNERRELATIETHERAPIE

Angst voor hechting

Met de begrippen collusie en co-evolutie reikt de Oostenrijkse psychiater en relatie-en gezinstherapeut Jurg Willi enkele wegwijzers aan in een doolhof van conflicten en spanningen. Hij laat zien hoe angst voor hechting bij partners aanleiding kan geven tot verkramping in de relatie.

Willi past de objectrelatie-theorie toe. Volgens deze theorie staan relaties vanaf de geboorte centraal in de ontwikkeling van een individu. In de afstemming tussen ouder en kind komt de psychologische ontwikkeling van het kind op gang. Als de afstemming goed loopt, is er bevrediging en als het fout loopt, is er frustratie bij het kind. Bevrediging en frustratie vormen de motor voor de ontwikkeling.

Binnen de dyade ouder-kind worden objectrelaties opgebouwd die bestaan uit een beeld van de ander (objectrepresentatie), een beeld van zichzelf (zelfrepresentatie) en een bepaald gevoel of affect dat de relatie tussen het beeld van zichzelf en dat van de ander kleurt.

Later in het volwassen leven kunnen in een intieme relatie zoals de partnerrelatie de beelden en het gevoel over de relatie daartussen verder worden bijgesteld.

Collusie als wegwijzer naar een ziekmakend grondthema

Voor Willi zijn partner-relatieconflicten eindeloze variaties op eenzelfde grondthema. Een grondthema thema waarbinnen beide partners overgevoelig en kwetsbaar reageren. De escalerende en verkrampte interacties en de narratieven die ontstaan rond het gevoelige thema duidt Willi aan als het collusiepatroon.

Door oog te hebben voor terugkerende collusie-patronen, los van de inhoudelijk concrete aanleidingen voor het conflict, overbrugt Willi de kloof tussen het interactionele en het intrapsychische model, tussen individuele psychotherapie en systeemtherapie. Collusie betekent dat er rond een gemeenschappelijk gevoelig en kwetsbaar grondthema, gepolariseerde en verkrampte interactiepatronen ontstaan. De partners vinden elkaar in een wisselwerking waarbij de ene de behoefte inbrengt om zijn eigen verlangens te laten vervullen door de ander en de ander de uitdrukkelijke wens heeft om de verlangens van de partner in te willigen. De positie van de eerstgenoemde partner is regressief en die van de andere partner is progressief. Hun complementaire posities berusten op verwante verlangens die ze op tegengestelde manieren proberen te verwezenlijken. Een dergelijk samenspel noemt Willi collusie.

Een gemeenschappelijk grondthema zoals het zorgthema, het orale grondthema, komt in verschillende posities, rollen en narratieven tot uiting. De posities cirkelen rond het thema zorg. Er is een welomschreven interactiepatroon. Rond het zorgthema cirkelen de posities van de actieve zorgdrager (progressieve positie) en de claimende, passieve zorgvrager (regressieve positie).

De zorgdrager die verantwoordelijk is voor de zorg ten aanzien van een hulpeloze zorgvrager illustreert dit in een terugkerend narratief. En er is de zorgvrager die door zijn narratief heen verduidelijkt waarom hij geen verantwoordelijke zorg durft of kan dragen. Door de totaal verschillende posities ontstaat de indruk dat de ene positie het tegendeel is van de andere maar het zijn alleen maar gepolariseerde varianten van hetzelfde gevoelige grondthema, in dit voorbeeld het orale grondthema, waarmee beide partners worstelen vanuit hun kinderlijke voorgeschiedenis.

De centrale rol van projectieve identificatie in de collusies

Projectieve identificatie is het projecteren van afgesplitste delen van de persoonlijkheid op een ander waarbij die ander zich gaat identificeren met wat op hem geprojecteerd wordt. De ander gaat zich in de interactie gedragen zoals van hem wordt verwacht. Iedere positie verantwoord zichzelf met een eigen narratief dat moet illustreren en verklaren waarom iemand die bepaalde rol op zich neemt.

De progressieve zorgpositie (de zorgdrager) externaliseert en delegeert bijvoorbeeld haar regressief verlangen naar vertroeteling en zorg aan de regressieve positie. De zorgdrager wil alleen nog maar zorg geven en heeft daardoor minder of geen voeling meer met haar eigen verlangen naar zorg. Die positie is bang om zorg voor zichzelf te vragen en ontslaat zichzelf door externalisatie van de regressieve positie om nog zorg te moeten vragen en ontvangen. Omgekeerd voelt de regressieve zorgpositie (de zorgvrager) zich zo kwetsbaar en hulpeloos, dat zij het zorg dragen uitbesteedt en de progressieve positie projecteert op de zorgdragende partner. Daardoor ontslaat zij zichzelf van zorg te moeten geven aan de ander, wat zij toch al te moeilijk vindt. In dit voorbeeld zijn de partners beiden van het vrouwelijk geslacht.

Door afsplitsing van een (zorgvragend of zorgdragend) deel van jezelf ontstaan grote spanningen in de relatie!

De grondthema’s die Willi beschrijft zijn te beschouwen als existentiële thema’s die spelen in elk interactiesysteem waar mensen gedurende een langere periode intens samen werken of omgaan met elkaar. Deze thema’s kunnen spelen tussen partners maar ook in gezinnen, vriendschapsrelaties, tussen volwassen broers en zussen en in werk-situaties. Willi ziet het als de opdracht van de coach of de therapeut om het grondthema dat de voedingsbodem is voor terugkerende conflicten naar voren te halen. Als dit gevoelige thema op metaniveau tot onderwerp van gesprek kan worden gemaakt kunnen de sterk verschillende posities die met elkaar in conflict komen weer worden samengebracht als onderdelen van hetzelfde bipolaire thema.

Overzicht van de collusionele grondthema’s

Willi benadrukt dat de thema’s pas na verloop van tijd aanleiding geven tot ernstige conflicten. In het begin van de relatie heeft het voor beide partners gevoelige thema juist een aantrekkingskracht om voor elkaar te kiezen. Aanvankelijk onderscheidde Willi 4 grondthema’s. Later werkte hij een 5e thema uit: het grondthema van de gehechtheid, waar hier het meest uitgebreid bij stilgestaan wordt.

1. Het narcistische grondthema

Hier gaat het om de polariteit tussen almacht en onmacht. De partners worstelen met de volgende fundamentele vragen: ‘Ben ik God in het diepst van mijn gedachten’ (de progressief collusionele pool)? ‘In hoeverre ben ik in feite Niets’ (de regressief collusionele pool)? In hoeverre moet ik mijzelf wegcijferen en opofferen voor anderen? In hoeverre mag ik mijzelf blijven als mens van vlees en bloed met beperkingen en grenzen? In hoeverre kan ik mijzelf afgrenzen of in hoeverre moet ik versmelten met anderen? In hoeverre durf ik stil te staan bij de onmacht van anderen, zonder de angst te verdwijnen of uiteen te vallen? In welke mate heb ik het nodig dat anderen mij ophemelen en bewonderen? In welke mate ben ik alleen maar iemand als ik kan opkijken naar anderen? In hoeverre moet de ander zich hoe dan ook met mij identificeren, alleen voor mij leven en zo mijn wankele gevoel van eigenheid hooghouden?

2. Het orale grondthema

Hier gaat het om de polariteit tussen zorg dragen en zorg vragen en nodig hebben van anderen. Fundamentele vragen waar dit interactiesysteem mee worstelt zijn: In hoeverre moeten we anderen koesteren, verzorgen en helpen (progressieve pool)? In welke mate kan ik er van uit gaan dat de ander mij met zorg zal omringen als ik het nodig heb (regressieve pool)? In hoeverre moet ik mij tot helper en redder van de ander maken en een onuitputtelijke gevende rol op mij nemen? In hoeverre moet ik mijzelf als hulpeloze patiënt definiëren om zorg te kunnen krijgen van anderen?

3. Het anale grondthema

Hier gaat het om de polariteit tussen autonomie en afhankelijkheid. Fundamentele vragen zijn: In hoeverre kan ik de ambitieuze autonome leider zijn aan wie de ander zich dient te onderwerpen (progressieve pool)? In hoeverre mag ik passief afhankelijk zijn van anderen zonder bang te hoeven zijn om misbruikt te worden (regressieve pool)? Beide posities zijn in de ban van het denken in hiërarchie. Het zelfbeeld en het beeld van de ander wordt vanuit dit grondthema ingekleurd in een schema van boven- en onderposities.

4. Het fallisch-oedipale man-vrouw thema

Hier gaat om de worsteling tussen het animus- en animaprincipe, tussen eenzijdig mannelijk en eenzijdig vrouwelijk gedrag. Fundamentele vragen zijn: Ben ik als man of vrouw verplicht om mij ten alle tijde ‘mannelijk’, initiatiefrijk, actiegericht en ondernemend voor te doen (progressieve pool)? Of mag ik als man of vrouw ook ‘vrouwelijke’, sensitieve en kwetsbare posities innemen (regressieve pool)?

5. De nabijheid en afstandscollusie: het grondthema van de gehechtheid

Het onderscheid tussen de progressieve en regressieve positie is niet zo makkelijk te maken in dit thema. Het gaat eerder om een collusie tussen de aanklampende positie die verkrampt nabijheid claimt en de afstandelijke positie die met grote stelligheid het afstandelijke benadrukt, die zichzelf voorhoudt geen nabijheid nodig te hebben en die zich terug trekt.

Binnen de partnerrelatie ontstaan diverse vormen van triangulatie waarbij allerlei soorten derden worden ingeschakeld om de afstand en nabijheid te reguleren en onder controle te houden. De derde kan een buitenechtelijke relatie zijn maar ook de kinderen, een psychosomatische ziekte, enz. Net zoals de beroemde Engelse gezinstherapeut Byng-Hall (1995) heeft Willi oog voor allerlei symbolische derden die ingeschakeld worden om afstand en nabijheid te moduleren.

Mensen met een angstig-vermijdende gehechtheids-stijl nemen in de worsteling rond afstand en nabijheid (intimiteit) een gedistantieerde positie in. Ze doen tegenover zichzelf en anderen alsof ze nabijheid, kwetsbaarheid en verbondenheid niet nodig hebben. Deze positie kan op een extraverte en introverte wijze ingenomen worden. Het lijkt alsof deze gedistantieerde positie de veilige haven van intieme verbondenheid niet nodig heeft.

Mensen met een angstig-gepreoccupeerde hechtings-stijl voelen zich aangetrokken tot de gedistantieerde positie. Vrouwen hebben vaak bij kennismaking het gevoel door een dergelijk gedistantieerde man op een bijzondere wijze begrepen en gerespecteerd te worden. Tegelijk groeit bij haar de ‘bekeringsijver’, waarbij het idee groeit dat zij deze emotioneel gesloten man aan zich moet binden en hem moet vervullen met haar eigen gevoelens. De over-emotionele aanklampende positie denkt dat zij beter weet dan hem wat goed voor hem is. Het gevolg is een achtervolgings-race van afwisselend aantrekken en afstoten, die eindigt in een psychische grensoverschrijding. De aanklampende positie dringt opdringerig en ongevraagd binnen in de psychische ruimte van haar partner. Daardoor ontstaat snel een destructief en escalerend interactiepatroon. Hoe sterker de intrusie en het aanklampen van de ene, hoe meer de gedistantieerde positie zich terugtrekt en omgekeerd.

Beide posities worstelen met ambivalentie ten aanzien van intimiteit, nabijheid en verbondenheid. De gedistantieerde rots-positie verlangt in feite ook naar warmte en nabijheid. Tegelijkertijd vertrouwt hij de nabijheid niet. Ook de aanklampende positie die luid om nabijheid roept is er tegelijkertijd bang voor dat de nabijheid niet zal voortduren en als los zand door haar vingers zal glippen. De gedistantieerde positie voelt zich bestookt door de opdringerige eisen van de aanklampende positie. Sommigen kunnen maar geen besluit nemen of ze de relatie zullen aanhouden of afbreken. Toenadering van de partner kan bruut worden afgeweerd. Kwetsende en beledigende of vernederende opmerkingen zijn te beschouwen als wanhopige pogingen om afstand te houden. De aanklampende positie probeert vervolgens steeds ingenieuzer en dieper tot haar partner door te dringen.

Het lijkt alsof mannen altijd in de afstandelijke positie zitten en vrouwen de aanklampende rol aannemen. Vaak is dit ook zo omdat de culturele gender-rol van mannen meer zakelijke afstandelijkheid vergt, terwijl het emotionele toebedeeld wordt aan de vrouwelijke gender-rol. In een beperkt aantal situaties komen vrouwen in de gedistantieerde positie terecht en mannen in de aanklampende.

Co-evolutie binnen het partnersysteem

In een interactiesysteem waarin sprake is van een gezonde co-evolutie ontplooien mensen hun persoonlijkheid binnen een persoonlijke relatie met anderen. Dit soort gezonde relaties noemt Willi co-relaties. Een vorm van co-relatie is noodzakelijk om menselijke persoonlijkheidsontwikkeling mogelijk te maken en gaande te houden. Ze zijn een wezenlijk onderdeel van onze psycho-ecologische niche waar zich belangrijke anderen bevinden; de partner, de kinderen, persoonlijke vriendschappen enz. In de psycho-ecologische niche zoekt ieder individu naar mogelijkheden om zijn behoeften, verlangens en wensen zo adequaat en doeltreffend mogelijk te realiseren. Het zoeken naar doeltreffende interacties in onze niche staat centraal in de persoonlijke ontwikkeling en de geestelijke gezondheid van een individu.

Het partnersysteem is de relationele niche die een individu tot belangrijke persoonlijkheidsontwikkeling kan stimuleren, maar die eveneens de persoonlijke ontwikkeling kan ontzeggen. Co-evolutie is het proces van gezonde wederzijdse beïnvloeding van de persoonlijke ontwikkeling waarbij partners op duurzame wijze samenleven.

De persoonlijke ontwikkeling van een partner wordt in een bepaalde richting sterk beïnvloed, gestuurd en gestimuleerd en afgeremd in een andere richting. Sommige ontwikkelingsmogelijkheden kunnen braakliggend terrein blijven. Na een scheiding kunnen partners soms verassende nieuwe ontwikkelingen doormaken. Maar een partnerrelatie wordt aangegaan en opgebouwd als een poging tot heelwording en genezing.

In de fase van de verliefdheid is er sprake van aantrekking en fascinatie rond een gemeenschappelijk grondthema dat op de achtergrond blijft. Willi ziet dit als een fase van overeenstemming en ontwikkelingsbereidheid van beide partners. Vaak gaat het om een voor beide partners gevoelig thema waarin zij zich gekwetst of geremd hebben gevoeld tijdens hun opvoeding. De verliefdheid levert de drive tot heelwording binnen de partnerrelatie. Verliefdheid is voor Willi dus meer dan een soort ziekte waarbij partners een geïdealiseerd beeld van elkaar hooghouden. Partners voelen volgens Willi juist heel goed intuïtief aan waar de kwetsbaarheid van de ander ligt. Er is een  fascinatie en aantrekking voor elkaars gemeenschappelijke kwetsbaarheden en met deze drive zoeken de partners vaak onbewust naar genezing.

Collusie en co-evolutie zijn complementaire concepten

Wanneer de interacties binnen het partnersysteem soepel verlopen rond het levensthema is er sprake van gezonde co-evolutie. Soms treden spanningen op door zich opstapelende misverstanden. Betere communicatie en onderhandelen kunnen deze uit de weg ruimen. Maar soms wordt de escalatie tussen de verschillende posities zo destructief dat de partners samen met een relatietherapeut zoeken naar het gevoelige thema dat de partners ‘triggert’ tot extreme posities. Door de collusionele verkramping is alle rationaliteit zoek en worden partners meegezogen in negatieve emoties. Samen met de relatietherapeut kunnen partners uitzoeken wat er aan de hand is.

IMG_0304

co-evolutie: bloemen en bijen zijn samen geëvolueerd

 

Een vorig bericht over dit onderwerp hier. Voor dit bericht is gebruik gemaakt van Hoofdstuk 4, De visie van Willi op hechting, uit het boek Hechtingsproblemen in gezinnen, van Jean-Marie Govaerts.

Advertenties

2 reacties

Opgeslagen onder Psychologie, Psychotherapie, Systeemtherapie

Broers en zussen ruzies

Op 6 april 2010 verscheen in Science Daily * een artikel over communicatie tussen broers en zussen. Onderzoekers van de Universiteit van Missouri hebben aangetoond dat vooral ruzies tussen broers en zussen die gaan over de persoonlijke ruimte, de kwaliteit van hun relatie aantast. Het gaat bijvoorbeeld over spullen van elkaar lenen zonder het te vragen of rondhangen bij oudere broers en zussen als die hun vrienden op bezoek hebben. Dit soort conflicten beschadigen het vertrouwen en de communicatie. Voor het onderzoek werden broers en zussen geïnterviewd tussen de 8 en 20 jaar. Dit is de eerste keer dat niet alleen jongere maar ook ook oudere broer-zus relaties onderzocht werden.

Conflicten rond gelijkheid of rechtvaardigheid zoals over wie er aan de beurt is of over wie ergens voor verantwoordelijk is, hebben geen negatieve invloed, bleek uit het onderzoek.
Verder bleek dat adolescente broers en zussen vaker conflicten over persoonlijke ruimte meldden, waaruit de conclusie getrokken werd dat zij er meer gevoelig voor zijn omdat zij bezig zijn met zich af te scheiden van de familie.

Geadviseerd wordt door de onderzoekers dat ouders grenzen opstellen rond de persoonlijke ruimte; dat ze regels maken rond het respecteren van de privacy, persoonlijke ruimte en eigendommen. Maar ouders moeten een stapje terug doen op het moment dat broers en zussen conflicten hebben omdat het ook nodig is dat zij leren onderhandelen.

Door dit onderzoek dacht ik weer aan de Amerikaanse gezinstherapeuten Carter en McGoldrick** die ook over de relaties tussen broers en zussen geschreven hebben. Een vertaling en samenvatting hiervan zijn te vinden op dit blog in verschillende artikelen bijv. hier.

Kennis over broer/zus relaties zijn voor de therapie belangrijk en therapeuten zouden zich er meer in moeten verdiepen volgens McColdrick. Een sessie met een broer of zus kan een keerpunt worden in de therapie. Onrechtvaardigheden kunnen voorzichtig uitgedaagd worden en oplossing van conflicten kunnen aangemoedigd worden.

 Tot slot een mooi citaat *** over een zussen relatie:

My dearest friend and bitterest rival, my mirror and opposite, my confidante and betrayer, my student and teacher, my reference point and counterpoint, my support and dependent, my daughter and mother, my subordinate, my superior and scariest still, my equal. My sister is someone who lives out another part of myself, freeing me or limiting me to my role, which is by defenition ‘not her.’

* Dit onderzoek is gepubliceerd in Child Development onder de naam: “Who said you could wear my sweater?” De leiding was in handen van Nicole Campione-Barr.

** Chapter 9. Siblings through the life cycle. Uit: The expanded family life cycle. Individual and social perspectives.

*** E. Fishel: ‘Sisters: Shared Histories, Lifelong Ties’.

2 reacties

Opgeslagen onder Psychologie, Psychotherapie, Systeemtherapie