Categorie archief: Dierengedrag

Een wild leven

Ik voel de laatste jaren steeds vaker een verlangen naar een leven dichter bij de natuur. Misschien lijd ik aan ‘solastalgia’. Dit is een nieuw woord, onlangs voor het eerst gehoord op het symposium Psyche en Klimaat van de Stichting Psychiatrie en Filosofie en staat voor een soort van heimwee naar een fysieke omgeving die verdwenen is.

Volgens de maker van dit filmpje, George Monbiot, bioloog en journalist leven we op het moment in een schaduwwereld, in een mat en eentonig overblijfsel van wat er ooit was. Als we meer wild toelaten in het ecosysteem worden we ook zelf een beetje wilder. Zo zouden we een boel ontroering, verwondering en verrukking terug krijgen in ons leven. De olifant terug in Europa!

 

 

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie en klimaat

Dit filmpje over verslaving gaat over verbinding

Een aanrader! Je ontwikkelen van een ongezonde verbinding naar gezonde verbindingen.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie

De ander is lui en hebzuchtig…

MAAR WIJZELF ZIJN DAT NIET…

Het artikel in De Correspondent van Rutger Bregman: ‘Weg met controle. Leve de intrinsiek gemotiveerde mens.’, gaat over het mensbeeld dat wij hebben van onze medemens. We zien niet onszelf maar vooral de ander als lui en hebzuchtig, als een ‘homo economicus’.

Bregman is de journalist die graag argumenten aandraagt voor het idee van ‘gratis geld voor iedereen’. Hij is een van mijn favoriete correspondenten. In dit artikel citeert hij meerdere psychologen.

Over onszelf denken we dat wij prikkels van buitenaf, zoals geld of dwang, niet nodig hebben. Wij denken dat het vooral de ander is die alleen maar in actie komt als er van dit soort prikkels mee gemoeid zijn. Alsof die ander de intrinsieke motivatie niet kent.

Bewezen is echter dat de meeste mensen in actie komen vanuit intrinsieke motivatie. Dus ook onze medemens. De meeste studenten bijvoorbeeld gaan iets studeren omdat het vakgebied hen interessant lijkt. Niet om het geld. Niet omdat ze gedwongen worden. Waarom geloven we dit alleen over onszelf en niet van de ander? Fluistert het systeem waarin wij leven ons in om de ander te wantrouwen? Hier een samenvatting en bewerking van het artikel van Bregman.

Homo economicus is een chimpansee

Over het mensbeeld dat de ander lui en hebzuchtig:

Eigenlijk is het hele moderne kapitalisme op dit mensbeeld gebaseerd. ‘Wat werknemers het liefste willen van hun werkgevers, meer dan wat ook, is een hoog loon,’ zei een van de eerste consultants, Frederick Taylor, honderd jaar geleden al. Taylor is beroemd geworden met zijn ‘wetenschappelijke bedrijfsvoering’ die ervan uitging dat prestaties heel precies gemeten moeten worden om fabrieken zo efficiënt mogelijk te maken. (En om arbeiders zo hard mogelijk uit te buiten.)

Als het vandaag gaat over thuiszorgers die in zeven minuten steunkousen moeten uittrekken, callcentermedewerkers die constant gemonitord worden of dokters die betaald worden per ‘diagnose-behandelcombinatie,’ dan hebben we het eigenlijk nog steeds over het taylorisme.

Taylor had een gitzwart mensbeeld. Hij zag zijn ideale werknemer als een beest – ‘zo dom, zo onverschillig, dat hij geestelijk meer wegheeft van een os.’

Het blijkt een psycholoog te zijn geweest die lijnrecht tegen Taylor inging. Deze psycholoog heette Edward Deci. Hij werkte aan zijn proefschrift toen de psychologie in de ban was van het ‘behaviorisme’. Het behaviorisme gaat er vanuit dat mensen passieve wezens zijn die prikkels nodig hebben en alleen in beweging komen voor een beloning of uit angst voor straf.

Maar Deci had het gevoel dat er iets niet klopte. Mensen doen voortdurend rare dingen die niet passen in het behavioristische mensbeeld. Denk aan bergbeklimmen (koud!), vrijwilligerswerk (gratis!) en kinderen krijgen (heftig!).

We doen de hele tijd dingen die geen geld opleveren en zelfs doodvermoeiend zijn, zonder dat we ertoe gedwongen worden. Waarom, in vredesnaam?

Deci kwam er zelfs achter dat mensen soms juist mìnder gemotiveerd zijn wanneer ze ergens geld voor krijgen. De meeste economen moesten niets van hem hebben en jammer genoeg konden ook de behavioristische psychologen niet aannemen dat extrinsieke beloningen de intrinsieke motivatie konden ondermijnen. Het ‘taylorisme’ heeft zich ondanks Deci als een virus over de wereld verspreid. Pas later in de 20e eeuw zouden steeds meer wetenschappers de vermoedens van Deci bevestigen.

De London School of Economics vond bijvoorbeeld bewijs dat financiële bonussen, de intrinsieke motivatie en het morele kompas van werknemers kunnen afstompen. Ze kunnen de creativiteit aantasten. Met extrinsieke prikkels zoals geld of angst voor straf krijg je eigenlijk vooral meer van hetzelfde.

Als je betaalt per uur krijg je meer uren. Als je betaalt per publicatie krijg je meer publicaties. Als je betaalt per operatie krijg je meer operaties.

Communistisch of kapitalistisch – in beide gevallen draait de cijferdictatuur de intrinsieke motivatie de nek om.

Bonussen blijken alleen effectief te zijn als het gaat om eenvoudige, mechanische handelingen. In onze moderne economie wordt meer en meer van dat werk door robots gedaan. Robots kunnen zonder intrinsieke motivatie maar wij mensen niet. Wij zijn niet de calculerende robots waar de tayloristen en behavioristen van uit gingen.

Het definitieve bewijs hiervoor is geleverd door Joseph Henrich van de Harvard-universiteit. Samen met zijn team zocht hij de hele wereld af naar homo economicus. Ze bezochten vijftien kleine gemeenschappen in twaalf landen op vijf continenten. Ze lieten landbouwers, nomaden, jagers en verzamelaars allerlei testjes doen, op zoek naar diegenen die voldeden aan het mensbeeld waar economen decennia vanuit gingen. Zonder resultaat. Keer op keer bleken mensen te sociaal en te intrinsiek gemotiveerd.

Het model van de homo economicus bleek eigenlijk alleen maar succesvol te zijn bij het voorspellen van het gedrag van chimpansees in eenvoudige experimenten.

Intrinsieke motivatie wordt afgestompt

We gaan er te vaak vanuit dat mensen van dit soort chimpansees zijn. Op kantoor. In callcenters. Op school. In ziekenhuizen. Aan de balies van de sociale dienst. Keer op keer nemen we het luie en zelfzuchtige in elkaar aan. Tegelijk blijkt uit onderzoek dat de overgrote meerderheid van de mensen zich meer identificeert met waarden als behulpzaamheid, eerlijkheid en rechtvaardigheid dan met geld, status en macht.

We hebben een verwrongen beeld van elkaar. Het probleem is echter ook dat het beeld dat we hebben van elkaar, ‘zelfvervullende voorspellingen’ kunnen worden. Wat je aanneemt in de ander is wat je eruit krijgt. Hoe meer we geloven dat we homo economicus zijn, hoe meer we ons als chimpansees (proefdieren) gaan gedragen.

Het bewijs stapelt zich hier voor op. Hoe langer studenten economie studeren, hoe meer ze op homo economicus gaan lijken. Ze gaan zich steeds zelfzuchtiger gedragen en verwachten dat ook van anderen. Ook de manier waarop je beloond wordt, kan je een ander mens maken. Psychologen hebben een paar jaar geleden aangetoond dat advocaten en consultants die per uur worden betaald uiteindelijk een prijs op ál hun tijd zetten. Ook als ze niet aan het werk zijn. Veel van onze grootste problemen worden veroorzaakt worden door de dictatuur van dit mensbeeld:

De lijst is eindeloos. CEO’s die alleen maar focussen op hun kwartaalresultaten trekken hun bedrijf de afgrond in. Academici die vooral worden afgerekend op hun plaats op een ranglijst voelen de verleiding te frauderen. Scholen die worden beoordeeld op de meetbare resultaten van gestandaardiseerde toetsen geven minder aandacht aan wat niet meetbaar is. Psychologen die betaald worden om zo lang mogelijk te behandelen gaan steeds langer behandelen. Bankiers die hun bonussen verdienen door zo veel mogelijk rommelhypotheken te verkopen, brengen het mondiale financiële systeem aan het wankelen. Enzovoorts, en zo verder.

Honderd jaar na Frederick Taylor zijn we elkaars intrinsieke motivatie nog altijd aan het afstompen. Uit een enorm onderzoek onder 230.000 werknemers in 142 landen bleek een paar jaar geleden dat slechts 13 procent zich ‘geëngageerd’ voelt op zijn werk. Nederland scoorde nog slechter dan gemiddeld: hier is slechts 9 procent echt enthousiast over zijn baan.

Het belang van intrinsieke motivatie wordt steeds duidelijker

De psycholoog Barry Schwarz vond dat 90 procent van de volwassenen inmiddels de helft van hun wakkere leven besteedt aan dingen die ze liever niet doen op plaatsen waar ze liever niet zijn.

Dat extrinsieke beloningen en angst voor straffen of dwang de intrinsieke motivatie kunnen ondermijnen is ‘een van de meest robuuste bevindingen van de sociale wetenschap – en ook een van de meest genegeerde’, zegt de psycholoog Dan Pink die een bestseller schreef over intrinsieke motivatie. We laten een enorme hoeveelheid ambitie en energie liggen.

Stel je voor dat we op grote schaal inzetten op elkaars intrinsieke motivatie. Het zou een immense revolutie betekenen. CEO’s zouden ploeteren omdat ze geloven in hun bedrijf, academici zouden overuren draaien omdat ze gewoon nieuwsgierig zijn, leraren zouden lesgeven omdat ze verantwoordelijkheid voelen voor hun kinderen, psychologen zouden zo lang behandelen als nodig is voor hun cliënt en bankiers zouden voldoening halen uit hun rol als dienstverlener. Vakmanschap en competentie zouden centraal staan, niet rendement en productiviteit.

Natuurlijk zijn er op dit moment nog steeds talloze leraren, psychologen en ondernemers die tot op het bot intrinsiek gemotiveerd zijn om anderen te helpen. Maar die motivatie hebben ze eerder ondanks, dan dankzij de extrinsieke middelen van het geld en de dwang.

Bregman vroeg Jos de Blok, de oprichter van het succesvolle Buurtzorg, wat de grootste risico’s van intrinsieke motivatie zijn. Zijn antwoord: ‘Dat mensen te hard werken.’

Je leest het goed: een organisatie die de extrinsieke prikkels vaarwel zegt, krijgt niet te maken met luiheid en ledigheid. Integendeel. Ze moet oppassen dat haar werknemers geen burn-out krijgen door een explosie van werklust.

Nieuwsgierigheid en speelsheid zijn meer onze natuur dan luiheid en hebzucht

Als we het nu hebben over gedemotiveerde werklozen, gefrustreerde werknemers of hebzuchtige bankiers, dan hebben we steeds de neiging om aan te nemen dat er van nature iets mis is met de mens. Maar wat als het andersom is? Wat als luiheid, cynisme en hebzucht eerst aangeleerd moeten worden? En wat als veel van onze bedrijven, onze sociale regelingen en onze universiteiten daar min of meer voor ontworpen zijn?

Dan blijkt: het probleem zit niet in onze natuur. Iedere ouder weet dat kinderen als nieuwsgierige en speelse wezens geboren worden. Maar zoals een plant vruchtbare grond nodig heeft, zo heeft ook de mens een stimulerende omgeving nodig. De belofte van een nieuwe generatie psychologen en economen is dat we naar een samenleving kunnen evolueren waarin we kunnen blijven spelen. Of beter gezegd: waar het onderscheid tussen ‘werken’ en ‘spelen’ is vervaagd, we onze talenten kunnen ontwikkelen en onze dromen najagen.

Naar wat onze aard van nature is doet de bioloog Frans de Waal interessant onderzoek. We zouden van nature niet alleen nieuwsgierig en speels zijn maar ook empathisch. Een eerder bericht hierover is bijvoorbeeld: Empathie en mededogen.

De man bij wie de revolutie in het denken over motivatie begon, Edward Deci, gelooft dat de vraag niet langer is hoe we elkaar motiveren. De echte vraag luidt: hoe scheppen we een samenleving waarin mensen zichzelf motiveren? Dat is niet links of rechts, en ook niet kapitalistisch of communistisch. We hebben het hier over een derde beweging, waar de naam nog niet voor gevonden is. Maar één ding is zeker: niets is krachtiger dan mensen die doen wat ze doen omdat ze het willen doen.


Bregman kwam met collega Jesse Frederiks, kort na het publiceren van dit artikel met een podcast over hoe geld is ontstaan en waarom het hetzelfde is als schuld. Daar maakte een 17 jarige lezer van De Correspondent, Lotte Schuengel een leuke animatie bij. Die moet u zien en u begrijpt hoe de extrinsieke motivatiefactor van het geld is ontstaan.

 

 

 

3 reacties

Opgeslagen onder Dierengedrag, Persoonlijk en politiek, Psychologie

De mens die niet langer de maat der dingen is

In de Correspondent stond een serie verhalen over het einde van de mens als maat der dingen. Een van deze verhalen waarin de ideeën van de Kameroense filosoof Achille Mbembe naar voren komen, vatte ik al samen in het  bericht: De mens als object: een dingmens.  Mbembe betoogt dat we zèlf object zijn geworden; ‘Negers’ zijn we geworden, handelswaar.

5735e863de53e4116732096

Foto: Frauke Thielking. Uit de serie ‘Auf die plätze, fertig, los’.

Misschien is de mens wel steeds meer een object geworden juist dòòr het zichzelf zien als de maat der dingen. Je zelf zo zien draagt natuurlijk niet echt bij aan de wederkerigheid en de empathie in het contact met andere mensen.

In de serie verhalen van de twee Correspondenten Lynn Berger en Anouk Nuyens wordt aangetoond hoe het zichzelf centraal stellen gevolgen heeft voor hoe de mens naar de natuur en naar andere dieren kijkt, hoe hij de rol van technologie in zijn leven begrijpt en hoe hij met de aarde omgaat. De vraag die zij aan het eind stellen is wat de mens te doen staat wanneer hij zichzelf niet meer langer zo zou zien.

Hier een samenvatting van hun gehele reeks over het einde van de mens als maat der dingen. Uit de Correspondent:

We zagen onszelf heel lang als een uniek schepsel. Een rationeel, autonoom subject in een wereld van passieve objecten en dieren die er vooral waren om ons te dienen. Maar er zijn er barsten in dat beeld gekomen. Wanneer precies, daar kan je over twisten maar de laatste twee decennia worden de barsten steeds duidelijker.

Of zij zichzelf nu posthumanist, bioloog, advocaat van de aarde of filosoof noemen, overal vind je denkers die ervoor pleiten om het oude mensbeeld bij te stellen of misschien zelfs te vervangen. Van een uniform en breed gedragen alternatief is nog geen sprake, maar het rommelt.

Als psycholoog voel ik er voor om in het ‘zichzelf centraal stellen’ een narcistisch kenmerk te zien. Wanneer hier een einde aan zou komen lijkt het mij heel mooi om te zien hoe de mens dàn met andere mensen om zal gaan. Waarschijnlijk met meer empathie.

De Correspondenten komen voorlopig tot twee belangrijke conclusies.

1. De natuur verarmt, het klimaat verandert

Untitled #5, The Bonsai Project: Typology. © Sjoerd Knibbeler en Rob Wetzer

Untitled #5, The Bonsai Project: Typology. © Sjoerd Knibbeler en Rob Wetzer

Omdat we bomen volledig verkeerd begrijpen zien we niet dat ze sociale wezens zijn die met elkaar communiceren, elkaar helpen en zelfs een lerend vermogen hebben. Dit stelt de Duitse bosbeheerder Peter Wohlleben in zijn boek: Het verborgen leven van bomen. Mensen behandelen bomen op een manier die geen recht doet aan hoe ze in elkaar zitten én we hebben niet door dat eigenschappen waarvan we dachten dat ze uniek menselijk waren ook in het plantenrijk voorkomen. Wohlleben pleit voor een radicale herwaardering van de natuur.

Volgens de filosoof Norbert Peeters had niemand minder dan Charles Darwin al door wat wij nu pas mondjesmaat beginnen te accepteren: ieder wezen evolueert op zijn eigen manier. De mens is niet de kroon op de schepping, maar het verre achterneefje van de sleutelbloem, die zich op zijn eigen manier aan zijn omgeving en zijn biologie heeft aangepast. Het enige dat ons in de weg staat om dit werkelijk te begrijpen, zijn onze eigen vooroordelen.

Zoals Darwin en Wohlleben de natuur bekijken, zo doet de mens dat meestal nog niet: die ziet in fauna, en in de natuur in het algemeen, passieve objecten die naar hartenlust kunnen worden ingezet voor het eigen welzijn. De gevolgen van die houding zijn steeds lastiger te ontkennen: van uitstervende soorten en klimaatverandering tot een menselijke impact op de aarde die zo groot is dat er zelfs sprake lijkt van een nieuw geologisch tijdperk, het Antropoceen.

We hebben het nauwelijks door, zegt de Belgische filosoof Lieven De Cauter, maar het paradijs waarin we nu leven is gebouwd op drijfzand. De mens heeft te lang centraal gestaan, met zijn uitzinnige drang naar groei. We moeten radicaal anders gaan nadenken over de relatie tussen mens en niet-mens en tussen mensen onderling.

2. Wij maken de dingen, maar de dingen maken ook ons

Wat we nauwelijks doorhebben, stelt techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek, is hoezeer de autonomie waarmee wij ons als mensen menen te kunnen onderscheiden, een illusie is. De mens wordt voor een groot deel gevormd en gestuurd door de dingen. Van brillen en auto’s tot hersenimplantaten. Verbeek toont aan hoe de technologie steeds dieper ons leven doordringt en hoe het lastig het is om ons zelf als vrij en autonoom wezen te blijven zien. De dingen beginnen hun plek op te eisen.

We zijn hybride wezens, zegt het posthumanisme, de filosofische stroming waar Verbeek zich onder schaart: deels mens, deels ding. Hybride betekent kruising. Zolang we niet inzien hoe sterk technologie ingrijpt in ons leven, hoezeer we er mee versmelten, begrijpen we ook niet wie we zijn.

Posthumanisten zien de mens niet langer als middelpunt, maar als onderdeel van een complex en alomvattend systeem dat zowel uit mensen, dieren en planten bestaat, maar ook uit materiële werelden (fossiele brandstoffen, drinkwater) en niet-menselijk leven (bits en bytes).

Het posthumanisme is niet tegen de mens, maar probeert te waken voor de blinde vlekken van het humanisme. Want is het niet zo dat de ecologische crisis voortkomt uit het feit dat alles moet wijken voor de behoeften van de mens? De oplossing voor de grote crises ligt misschien wel in een mensbeeld waarin de mens, ten opzichte van mede-mensen, dingen en dieren, een nieuwe rol moet leren spelen.

Volgens de filosoof Achille Mbembe is het niet alleen zo dat objecten de mens vormen maar dat de mens zelf ook steeds meer als object wordt behandeld. Mbembe beschrijft ‘de vernegering’ van de mens. Het menselijke van de mens gaat verloren. Daarvoor in de plaats komt de ‘Neger.’ Een mens die de status krijgt van een ding, iets wat je kunt bezitten en waar je handel mee kunt drijven. Om die objectificatie tegen te gaan, stelt Mbembe, is verbeelding van levensbelang. Voor meer over Mbembe kijk hier.

Wat staat ons te doen als we onze grootheidswaan gaan beteugelen?

Je zou kunnen zeggen dat de mens aan een filosofische grootheidswaan lijdt: hij denkt superieur te zijn over de natuur en de dingen om hem heen. Natuurlijk zijn er genoeg mensen en culturen die hier anders over denken maar het gaat nu over wat in de afgelopen eeuwen in de westerse samenleving de teneur is geweest. Die superioriteit zie je terug in hoe de mens de dieren ziet en behandelt. Lang bestudeerde hij andere dieren zonder oog te hebben voor hun unieke evolutionaire omstandigheden en concludeerde dat hij zelf wel de allerslimste, sociaalste en meest empathische soort van allemaal moest zijn. Maar onderzoek je dieren op hun eigen merites, dan blijft er van die uniciteit weinig over, zegt bioloog Frans de Waal.

Wie al dit soort inzichten bij elkaar optelt komt tot de conclusie dat de scheidslijnen tussen mens, dier en ding aan het verdwijnen zijn – of beter, dat ze nooit hebben bestaan, behalve dan in onze hoofden.

Tot zover de diagnose. Maar hoe moet het dan wel?

De verhouding tussen mens en niet-mens moeten we anders gaan bekijken en anders vormgeven, zegt de Nederlandse filosoof Marli Huijer, Denker des Vaderlands. Dit wordt op verschillende manieren al gedaan. De wetenschappelijke benadering van Frans de Waal, die dieren onderzoekt op een manier die logisch is voor hun habitat en evolutionaire merites, is één voorbeeld en de manier waarop iemand zoals Peter Wohlleben inzichten uit de plantenbiologie vertaalt voor een groter publiek, een ander.

Sommige voorstellen zijn heel concreet: De filosoof Lieven De Cauter pleit ervoor minder vaak het vliegtuig te nemen, juristen als Polly Higgins en, hier in Nederland, Femke Wijdekop willen ecocide strafbaar stellen.

Andere voorstellen zijn abstracter of liggen meer op het terrein van de verbeelding. Zoals het Parlement van de Dingen, waarbij mensen proberen de dingen, van rivieren tot rotsblokken, een stem te geven. De jonge techniekfilosoof Esther Keymolen stelt voor dat we op zoek gaan naar een nieuw vocabulaire dat meer uitgaat van paradoxen en minder van harde tegenstellingen.

Of neem de twee Engelse auteurs die zich in dieren probeerden te verplaatsen door een tijd lang vrij letterlijk door het leven te gaan als das, otter en geit. Het heeft iets dwaas, maar ook iets sympathieks, hun poging om tot een zo groot mogelijke empathie te komen.

In het algemeen valt iets meer bescheidenheid en minder consumeren ook onder de oplossingen zou ik denken.

Kunnen we dingen- en dierenrechten vastleggen?

Een belangrijke denkrichting ligt op het terrein van het recht. Zo trekt het Amerikaanse Nonhuman Rights Project op basis van het werk van De Waal en andere wetenschappers de conclusie dat er geen reden is om dieren voor de wet anders te behandelen dan mensen. Bepaalde dieren, zoals chimpansees en dolfijnen, lijken qua intelligentie en autonomie zodanig op mensen dat ze ook een rechtspersoonlijkheid zouden moeten krijgen, meent deze organisatie. In Amerika lopen nu meerdere rechtszaken waarin deze these wordt getest. Er wordt o.a. campagne gevoerd om vier chimpansees erkend te krijgen als personen, zodat ze hun gevangenschap kunnen aanvechten.

In Nieuw-Zeeland werd de Whanganui-rivier onlangs tot rechtspersoon uitgeroepen. Om de instrumentalistische houding van de mens ten opzichte van die rivier in te dammen, kreeg de rivier een stem in het legale en politieke bestel. De grote paradox is dat de emancipatie van ‘de niet-mens’, de rivier, een menselijk project is.

Het recht is een bij uitstek menselijk instrument. Zowel bij het Nonhuman Rights Project als in het geval van de Whanganui-rivier, zijn het nog steeds mensen zijn die optreden als vertegenwoordigers van deze nieuwe (would-be) rechtspersonen. De rivier heeft er niet om gevraagd rechten te krijgen, de chimpansee al evenmin.

Misschien is die paradox onontkoombaar. Zoekend naar een wereldbeeld waarin de mens minder centraal staat, vertrekt de mens vanuit zichzelf en behandelt niet-mensen al gauw als mensen. Deze zoektocht wordt gemotiveerd door een oprechte betrokkenheid bij het lot van de niet-mens – van dieren in gevangenschap, van bossen die verkeerd worden beheerd, van een klimaat dat verandert en een rivier die daar de gevolgen van ondervindt. En door het verlangen om logische praktische consequenties te verbinden aan nieuwe en minder nieuwe wetenschappelijke en filosofische inzichten.

Experimenteren

Je zou kunnen zeggen dat de voorgestelde oplossingen zoals minder vliegen, meer verbeelding en juridische innovaties nauwelijks opwegen tegen de diagnose van de filosofische grootheidswaan. Maar je zou ook kunnen concluderen dat we nog maar aan het begin staan: dat er geëxperimenteerd wordt op allerlei terreinen en dat een aantal van die experimenten in de toekomst misschien wel echt iets nieuws op gang zullen zetten. Stel dat we echt zouden consuminderen… minder afval en verontreiniging zouden produceren…

Volgens Marli Huijer kunnen de mensen aan de dingen en de dieren geen stem geven. Maar we kunnen wel experimenteren met manieren om de niet-menselijke ander beter te kennen en te begrijpen. Niet alleen door rechten toe te kennen maar misschien in het klein, bijvoorbeeld door eens een tijdje je tafel weg te halen om zo te ervaren hoe bepalend zo’n object eigenlijk is in je leven.

Een kind kan met de was praten. Waarom juichen we dat niet toe?

‘Kleine kinderen maken nauwelijks onderscheid tussen mensen en dingen – of tussen zichzelf en de ander,’ zegt Huijer. Ze praten tegen hun pop, brengen tomaten naar bed, vinden de douche lief en de drempel stout. Pas ergens rond ons vierde of vijfde jaar beginnen we onderscheid aan te brengen tussen mens en ding, mens en dier.

Misschien heeft dit wel te maken met de ontwikkeling van taal – mensen praten immers terug; poppen, tomaten en drempels doen dat niet.

Als de verklaring voor het maken van een onderscheid tussen mensen, dieren en dingen inderdaad met taal te maken heeft dan spiegelt de ontwikkeling in één mensenleven, de ontwikkeling van de mensheid in het algemeen. Zoals de Franse filosoof Michel Foucault schreef, was het vanaf het ontstaan van de taal dat de mens zichzelf ging onderscheiden. Taal kun je zien als iets wat op zichzelf kan bestaan, los van de wereld van de dingen. De mens werd de naamgever van de dingen en kende zichzelf daarmee een buitenstaanderspositie toe.

Volgens Huijer zouden we eens kunnen proberen om ons wat minder talig en wat meer met onze andere zintuigen tot de wereld om ons heen te verhouden. Wie weet helpt dat om tot een nieuw evenwicht komen. Ook zouden we eens kunnen onderzoeken wat er gebeurt wanneer we onze kinderen stimuleren om wat langer in een wereld te blijven leven waarin de grenzen tussen mensen, dingen en dieren minder hard zijn en minder vastliggen dan in die van ons.


Toen Marli Huijer (Amsterdam, 1955) René Gude opvolgde als Denker des Vaderlands, interviewde Lex Bohlmeijer haar voor De Correspondent. Wat ze van Gude wil overnemen is de behoefte om als filosoof tussen de mensen te gaan staan. We denken te leven in het tijdperk van het individu. Maar er lopen draden tussen alle mensen en dieren en planten en dingen en tussen onze acties en door de tijd: we zijn gerelateerd en verbonden.

Vanwege onze onderlinge verbondenheid gaan ze bij De Correspondent een Afhankelijkheidsverklaring maken. Afhankelijkheid wordt volgens vaak gezien als iets zwaks en onaantrekkelijks waar we van af moeten. We gaan ervoor naar de psycholoog of een verslavingskliniek. (Het moge duidelijk zijn dat de systeemtherapie hier een eigen visie over heeft aangezien binnen deze vorm van therapie bij uitstek het probleem van een individu behandeld wordt in samenhang met de context en de mensen om het individu heen.) Lees het essay van Rebekka de Wit over de Afhankelijkheidsverklaring in de Correspondent.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Filosofie, Psychologie

Verbinding met de natuur maakt ons minder narcistisch

… HET HELPT ONS OM ONSZELF OPNIEUW TE BEGRIJPEN

Blijvend op zoek naar oplossingen voor het persoonlijk lijden dat veroorzaakt wordt door het narcisme raakte ik geïnspireerd door een artikel van Sanne Bloemink in De Groene Amsterdammer waarin een alternatief voor ons Westerse superieure mensbeeld wordt geboden. Verbinding met de natuur speelt er een grote rol in. De titel van het artikel : Mieren staan nooit in de file.

‘Als we ons superieure mensbeeld in de wetenschap overboord gooien, gaat er een inspirerende wereld voor ons open.’

Aan het woord hier is hoogleraar natuur, landschap en cultuur Erik de Jong, verbonden aan Artis en de Universiteit van Amsterdam. Hij meent dat er behoefte is aan een meer holistisch beeld van de natuur.

Het superieure mensbeeld in de natuurwetenschap vertoont overeenkomsten met het psychologische concept van het narcisme. Als systeemtherapeut leg ik de nadruk op verandering binnen relaties, posities en interacties bij het oplossen van psychische problemen. In deze vorm van therapie gaat het dus voornamelijk over verbindingen die worden onderzocht en veranderd ook als er sprake is van narcisme. Psychologisch onderzoek bewees al dat verbinding met de natuur helpt tegen depressie. Waarom zou verbinding met de natuur niet helpen tegen het narcisme?

In het psychiatrische handboek, de DSM wordt het gedrag van ‘de’ superieure mens beschreven. Bij de narcistische persoonlijkheidsstoornis spreekt men over een diepgaand patroon van grootheidsgevoelens ofwel een opgeblazen gevoel van eigen belangrijkheid. Maar ook bij andere persoonlijkheidsstoornissen komen superioriteit en gebrek aan verbinding terug: gebrek aan achting voor anderen (anti-sociaal), diepgaande instabiliteit in intermenselijke relaties (borderline), buitensporige emotionaliteit en aandacht vragen (theatraal) of diepgaande geremdheid in gezelschap (ontwijkend).

Hieronder een samenvatting van het artikel in De Groene Amsterdammer met oog voor het belang ervan voor mijn vakgebied.


Het antropoceen

Hoogleraar De Jong vindt dat de geesteswetenschappen zich net zoals de natuurwetenschappen moeten bezighouden met de natuur. De geesteswetenschappen richten zich van oudsher op de mens. Maar in het antropoceen (het tijdperk waarin we nu leven en waarin het aardse klimaat en de atmosfeer grote gevolgen ondervinden van menselijke activiteit) gaat het juist over de mens èn over zijn optreden op de aarde. Je kunt daarom het onderzoek naar de natuur en de aarde niet meer alleen vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief bezien.

De Jong citeert de beroemde bioloog Edward Wilson die in 1984 de hypothese ontwikkelde dat de liefde voor natuur in alle lagen van de samenleving voor komt en dat we deze liefde allemaal voelen. Maar het is een complexe liefde want we zijn ook bang voor de natuur. Hoe krijgt de liefde voor de natuur vorm in het antropoceen? Het is belangrijk dat dit soort vragen worden gesteld.

We hebben de ziel uit de natuur gehaald

In het Westen menen wij dat de natuur buiten onszelf staat. De natuur is onttoverd, ontzield. Het is ons decor, waarin wij ons spel spelen. Het is ons onderzoeksobject dat we kunnen meten en bestuderen. We kunnen van de natuur genieten als het past in ons ideaalbeeld van ongereptheid. Maar we kunnen de natuur ook kapot­maken als we denken dat we meer ruimte nodig hebben. Juridisch gezien hebben we de natuur ‘in bezit’. De mens is de baas. Of dénkt de baas te zijn.

Hoewel we wel weten dat in inheemse culturen heel anders wordt gedacht over de natuur en dat er daarin wèl sprake is van bezielde natuur, wordt dit door ons Westerlingen meestal weggezet als onderontwikkeld, achtergebleven en niet-wetenschappelijk.

Het bestuderen van de inheemse blik op natuur biedt ons echter een verruiming van onze blik en daar is behoefte aan. We hebben zorgen over de klimaatcrisis, we zijn bang voor de in razend tempo dalende biodiversiteit en we voelen onmacht over de verzuring van oceanen. Deze nood­toestand levert een vruchtbare voedingsbodem op voor nieuw gedachtegoed en dat begint bij een nieuw mensbegrip. Een mens die niet boven de natuur staat maar verbonden is met de natuur.

Antropologie voorbij de mens

In ‘How Forests Think’ (2013) stelt de antropoloog Eduardo Kohn de uitgangspunten van ons mensbegrip ter discussie. Hij deed onderzoek bij een inheems volk in het Amazonegebied van Ecuador en onderzocht niet alleen de manier waarop deze mensen betekenis geven aan de wereld om hen heen, hij probeerde ook te begrijpen hoe de omgeving zèlf betekenis verleent aan de mens. Hoe het oerwoud denkt, hoe honden dromen, hoe de jaguar naar ons kijkt. Hoe andere organismen ons zien doet ertoe. Dàt andere organismen ons zien verandert ons!

De mens ìs niet dat exceptionele wezen, verheven boven alle andere vormen van leven. Als we onszelf zo bekijken sluiten we onszelf af van de wereld om ons heen. We bestuderen de wereld vanuit onze menselijke betekenis-geving, vanuit onze taal, cultuur en geschiedenis. Zodoende zien we niet hoe we op talloze manieren verbonden zijn met een bredere wereld. We moeten leren denken voorbij onze menselijke taal en cultuur.

Wie denken wij mensen wel dat we zijn?

Gedragsbioloog Frans de Waal spreekt over de beperkingen van ons mensen als wezens die van alles menen te kunnen overbrengen met onze taal terwijl in feite een groot deel van onze communicatie verloopt via het lichaam. Sanne Bloemink in De Groene Amsterdammer:

Als geen ander weet De Waal de nieuwste onderzoeken naar intelligentie van dieren met elkaar in verband te brengen en samen te voegen in een coherent verhaal met als rode draad: wie denken wij mensen wel dat we zijn? Zijn boek lezend krijg je bijna te doen met die zielige mens: zichzelf op de borst kloppend blijven die narcistische wezens naarstig op zoek naar het ultieme bewijs dat ze beter zijn dan alle andere levende wezens. De enige met gevoel, met verstand, met wapens, met werktuigen.

Maar de wetenschap komt telkens met voorbeelden van dieren die dat ook blijken te kunnen. Apen gebruiken óók werktuigen, dolfijnen noemen elkaar óók bij de naam, olifanten hèbben een fenomenaal geheugen. En het wordt pas echt interessant als we kijken naar de dingen die dieren kunnen en die mensen níet kunnen. De Waal: ‘We moeten veel breder kijken, naar àlle vormen van cognitie.’ De titel van zijn boek is: Zijn we slim genoeg om te begrijpen hoe slim dieren zijn?

Het is niet eerlijk om van een eekhoorn te vragen het alfabet op te zeggen, want zo is die eekhoorn nu eenmaal niet geëvolueerd. Net zo goed als het oneerlijk zou zijn om van mensen te vragen te onthouden waar meer dan honderd verschillende nootjes verstopt liggen. De Waal zoekt naar een alternatief voor de overdreven cerebrale benadering in de wetenschap. Cognitie begint volgens hem bij perspectiefname en is waarschijnlijk gebonden aan het lichaam. Cognitie komt het als het ware voort uit empathie.

‘Neem de olifant: die beschikt over een heel ander lichaam en andere neurale vermogens om een hoge cognitie te bereiken. Zijn slurf heeft aan het uiteinde twee gevoelige ‘vingers’, waarmee voorwerpen zo klein als een grassprietje kunnen worden opgepakt, maar met die slurf kan het dier ook acht liter water opzuigen of een vervelend nijlpaard omvergooien. De olifant heeft misschien een ander soort cognitie. Zoals de mens een ‘handige’ cognitie heeft, zo heeft een olifant mogelijk een ‘slurvige’ cognitie.’

Onder invloed van de religie denken we nog steeds dat wij beter zijn, hoger geplaatst dan dieren. In de psychologie zie je dat dit idee onder invloed van de neurowetenschap aan het veranderen is. Neuro-wetenschappelijk onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat ratten net zoals wij mensen angst kennen.

Elephant kiss

‘Slurvige’ cognitie. Getty Images: Elephant kiss

Collectieve intelligentie

Het onderzoek naar intelligentie van minder aaibare dieren zoals insecten, krijgt steeds meer aandacht. Daarbij gaat het vooral om collectieve vormen van intelligentie. Hoe kan het dat termieten heuvels bouwen die honderden malen groter zijn dan zijzelf, zonder dat er een leider is die instructies geeft? Hoe komt het dat mieren nooit in de file staan? Hoe weten bijen welke baan ze hebben gekregen?

Nicholas Ouellette geeft aan de universiteit van Stanford leiding aan een lab dat onderzoek doet naar zelforganisatie in complexe systemen. Allerlei verschillende soorten dieren, zoals vogels, vissen en insecten, vertonen relatief uniform groepsgedrag. Die groepssystemen zijn robuust, want het maakt voor een zwerm niet uit of er een individu wegvalt. Het zijn zelforganiserende, leiderloze systemen, die foutjes van een individu kunnen opvangen.

Ouellette ontdekte dat mannetjesmuggen bij het horen van het geluid van een vrouwtjesmug allemaal op het geluid af gaan, maar dat ze bij het geluid van een mannetjesmug juist een bepaalde afstand hielden. Niet te dichtbij en niet te ver weg, er ontstond precies dezelfde afstand tussen alle mannetjesmuggen. Zo vormde zich de zwerm. Eenvoudige regels tussen individuele muggen, zoals de afstand die moet worden gehouden tot het andere individu, bepalen hier dus wat er uiteindelijk in het collectief gebeurt.

Onderzoek naar dit soort collectief gedrag heeft nu echt een vlucht genomen. In het bijzonder ingenieurs zijn uitermate geïnteresseerd in de uitkomsten want allerlei toepassingen waarbij collectieve zelforganisatie een rol speelt zijn denkbaar.

In haar TED-talk legt Radhika Nagpal, hoogleraar computerwetenschap in Harvard uit hoe termieten als groep een heuvel bouwen. Ze praten niet met elkaar en ze hebben geen leider, maar ze gebruiken de omgeving om te weten wat ze gaan bouwen en hoe. Er zijn robots gebouwd die door middel van allerlei sensoren de zintuigen van de termiet nabootsen en daarmee kunnen reageren op hun omgeving. Deze kunstmatige systemen kennen dezelfde regels van zelforganisatie als de termieten en bieden een oneindig aantal toepassingen. Voordat Nagpal dit kon doen moest ze zich openstellen voor de specifieke situatie van de individuele termiet en voor de cognitie die ontstaat in het collectief als gevolg van de regels tussen die individuen. Ze moest het perspectief innemen van de bouwende termiet.

Cognitie van planten, bomen en bossen

Boswachter Peter Wohlleben legt uit hoe bomen met elkaar communiceren, hoe bomen voor elkaar zorgen en met elkaar een gezond bos vormen. Er wordt door wetenschappers gesproken van het ‘wood wide web’. Wohlleben spreekt in antropomorfe termen over bomen om zijn punt te maken. Zo hebben bomen ‘kinderen’ die ze ‘voeden’, ze vormen ‘vriendschappen’ en hebben een ‘sociaal vangnet’.

Tegelijk baseert Wohlleben zich wel degelijk op allerlei natuurwetenschappelijk onderzoek. Hij probeert met zijn terminologie ons denken om te keren en ons een ander perspectief in te laten nemen. Net zoals insecten een vorm van collectieve intelligentie ontwikkelen, kan een bos worden gezien als een netwerk met een vorm van collectieve intelligentie.

Suzanne Simard, hoogleraar bos-ecologie aan de Universiteit van British Columbia, doet onderzoek naar de stroom van voedingsstoffen en chemische signalen via het ‘wood wide web’ onder de grond. Haar onderzoeksgroep injecteerde sparren met radioactieve koolstof-isotopen om die vervolgens met een geigerteller onder de grond te volgen. Binnen een paar dagen waren alle bomen binnen een gebied van dertig vierkante meter met elkaar verbonden, waarbij de oudere bomen als een spil fungeerden met soms wel meer dan 47 connecties. Het voordeel voor het bos als geheel is een betere gezondheid, meer fotosynthese en een grotere veerkracht.

Ook over planten worden onder fyto-biologen en botanisten verhitte debatten gevoerd. Hoogleraar Stefano Mancuso neemt het op voor het perspectief van planten. Hij is directeur van het Internationaal Instituut voor de Neurobiologie van Planten aan de Universiteit van Florence. Hoewel het instituut officieel niet meer zo mag heten omdat het begrip ‘neuro’ is voorbehouden aan organismen met met hersenen, blijft Mancuso deze naam gebruiken om zijn punt te maken.

Volgens Mancuso waarderen mensen te weinig wat planten allemaal kunnen. Omdat planten niet weg kunnen rennen en regelmatig gedeeltelijk worden opgegeten, komt hun vorm en manier van leven hun perfect van pas. Hun intelligentie is een reflectie van hun ‘lichaam’ en omgeving, van hun evolutie. Vergelijk deze plant-intelligentie maar met de slurvige intelligentie van olifanten.

Een plant kan negentig procent van zijn lichaam verliezen zonder dood te gaan. Een plant moet zichzelf verdedigen en alles vinden wat hij nodig heeft terwijl hij vastgegroeid zit op één plek. Deze leefstijl heeft ervoor gezorgd dat planten tussen de vijftien en twintig soorten zintuigen hebben ontwikkeld. Naast de zintuigen die wij ook kennen, zoals gehoor en tastzin, heeft een plant zintuigen voor vochtigheid, volume, fosfor, gifstoffen en voor chemische en elektrische signalen van de planten om hem heen.

Planten communiceren met elkaar in een biochemische taal die wij niet zomaar kunnen verstaan. Mancuso werkt daarom in zijn laboratorium aan een ‘woordenboek’ van het chemisch vocabulaire van elke plantensoort. Bovendien leven planten in een andere tijdsdimensie. Mancuso laat dit zien door filmpjes van planten versneld af te spelen. Plotseling komen de planten tot leven. Een wortel vindt zijn weg onder de grond, jonge plantenscheuten ‘spelen’ met elkaar, ’s nachts zien we de activiteit afnemen als ze gaan ‘slapen’.

Mancuso definieert intelligentie als manieren om problemen op te lossen en wijst op collectieve vormen van intelligentie in planten, vergelijkbaar met die van insecten, waarvoor hersenen niet noodzakelijk zijn. De verschillende wortel­uiteinden die onder de grond een netwerk vormen kunnen gezien worden als de veroorzaker van een vorm van collectieve intelligentie net zoals dit bij zwermen vliegen gebeurt en bij mensen in de hersenen. Bij een plant zouden de ‘hersenen’ in de vorm van het wortelnetwerk dan onder de grond liggen en de geslachtsorganen boven de grond.

Mancuso is ervan overtuigd dat planten een bepaalde vorm van bewustzijn hebben en zelfs pijn kunnen voelen. Daarom zouden we respect voor ze moeten hebben, maar het zou ons er niet van moeten weerhouden om ze op te eten. Planten hebben zich geëvolueerd om te worden opgegeten. Daarnaast kunnen we ons door planten laten inspireren. Planten kunnen leven van licht en ontwikkelen in een wortelnetwerk onder de grond een robuuste vorm van collectieve intelligentie.

Wat mij inspireert

Als we ons steeds meer bewust worden van het feit dat andere organismen ons waarnemen en ervaren en dat wij iets betekenen voor al dat andere buiten onszelf dan kunnen wij als mensen onze superioriteit en narcisme makkelijker loslaten. Dan kunnen we het kinderlijke van Narcissus uit de Griekse mythe, die niet door had dat hij naar zijn eigen reflectie keek, achter ons laten en kunnen we onszelf opnieuw begrijpen in een gelijkwaardige relatie tot àlles wat ons omgeeft. Jezelf kunnen bekijken door de ogen van anderen is voor de systeemtherapeut een belangrijk middel dat nu ook door natuurwetenschappelijk onderzoek wordt gezien als iets wat van groot belang is voor ons voortbestaan als soort.

Eerder berichtte ik over hoe in de psychologie de mens in relatie tot de natuur onderzocht wordt. Door ‘natuur’ in te tikken in het zoekvenster op de startpagina van mijn weblog kunt u deze berichten vinden. Psychologen van de Universiteit van Leiden kwamen zeer recent nog met bewijs voor het belang van de natuur voor herstel bij stress. Het gaat bij deze onderzoeken vooral om de therapeutische betekenis die onze relatie met de natuur kan hebben.

Misschien zullen we het superieure beeld van onszelf en onze angst voor de natuur overwinnen als we de natuur beter begrijpen. Veel van de genoemde natuurwetenschappelijke kennis uit dit bericht voegt iets toe aan de systeemtheorie. Een beter begrip van het grotere systeem van de natuur kan ons als individu en als soort van een toekomst verzekeren.


De Vlaamse dichteres Ruth Lasters was misschien geïnspireerd door het idee van de collectieve intelligentie toen ze het volgende gedicht schreef:

 

SOORT

 

Waarom wij niet bij wanhoop, eender wiens, formaties vormen

zoals eenden eensklaps tegen luchtwerveling

 

een v. Misschien een visgraatvloer van wij

honderd dichtsbijzijnden, voeten geschrankt tegen kruinen

 

zodra een gong weerklinkt waarmee die ene aanvraagt een

tijdelijke bevrijding, evacuatie uit zichzelf naar

 

‘de soort’. Of haalbaarder: die ene radeloze die zich wurmt

acrobatisch in een reiskoffer die wij dan door-en doorgeven door

 

straten, met als bestemming slechts zijn onvoorwaardelijke

blijven. Tot hij de koffer openstampt, zichzelf weer aandurft, aan-

 

vat.


Lees ook: Narcissus was niet narcistisch

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie, Psychologie, proza en poëzie

De koekoek op de divan

Deze column van Marco Kamphuis, uitgesproken tijdens de radio uitzending Vroege Vogels is een aanrader. Om op een leuke manier nog iets meer te begrijpen van de hechtingstheorie en van de koekoek natuurlijk.

De meeste mensen weten wel dat de koekoek haar ei laat uitbroeden door een andere, veel kleinere vogel en dus niet voor zijn eigen jong zorgt. Marco Kamphuis staat hier samen met zijn vriendin bij stil vanuit een psychologisch standpunt.

Het is een groot geluk wakker te worden met de roep van de koekoek, en daarom breng ik ieder jaar de meivakantie in het Zuid-Limburgse Mechelen door. De daar residerende koekoek heeft me nog nooit teleurgesteld. Zoals alle koekoeken is hij schuw, hij laat zich liever horen dan zien, maar dit jaar nam ik hem toch waar. We liepen door het Geuldal toen zijn roep boven ons hoofd klonk. Mijn vriendin vond hem aandoenlijk, want voor zo’n gestroomlijnde vogel vliegt hij wat onhandig, met snelle slagen, waarbij hij zijn puntige vleugels geforceerd onder zijn lichaam houdt en zijn staart hem in de weg lijkt te zitten – het is alsof hij zelf zo’n beetje heeft uitgedokterd hoe het moet. En inderdaad, wie had hem moeten leren vliegen? De graspieper soms? Of de heggenmus?

Om de sympathie van mijn vriendin wat te temperen begon ik over zijn immorele nestgedrag. Strikt genomen is dat natuurlijk het gedrag van het vrouwtje, en een roepende koekoek is per definitie een mannetje, maar dit tegen de wind in harkende heerschap was op zijn minst medeplichtig. Maar mijn vriendin was begripvoller dan ik. ‘Hij heeft waarschijnlijk een hechtingsstoornis,’ zei ze.

Zo had ik het nog niet bekeken. De hechtingsstoornis is bekende problematiek bij adoptiekinderen. Het diepe besef dat hij zijn leven is begonnen als door zijn biologische ouders ongewenst ei, maakt het voor een koekoek op volwassen leeftijd allerminst vanzelfsprekend het ouderschap te verwelkomen. Ik dacht aan Jean-Jacques Rousseau, de bekendste filosoof die Zwitserland – het land van de koekoeksklok – heeft voortgebracht. Aan zijn moeder kon hij zich niet hechten omdat ze stierf bij zijn geboorte. Zoals hij zelf schreef: ‘Mijn geboorte was de eerste ramp die mij getroffen heeft.’ En wat deed Jean-Jacques toen hij later zelf vijf kinderen kreeg? Juist, die bracht hij regelrecht naar het vondelingenhuis! En dat was maar goed ook, want zo had hij zijn handen tenminste vrij voor zijn meesterwerk Émile ou De l’éducation, waarin hij haarfijn uitlegt hoe je kinderen moet opvoeden.

Ik vroeg mijn vriendin welke behandeling ze voorstelde – voor de koekoek, want Rousseau heeft het niet meer nodig. ‘Inzichtgevende psychotherapie,’ antwoordde ze. ‘Maar dan moet hij wel snel zijn, nu de zorgverzekeraar het nog vergoedt…’ Ik ben bang dat het weggegooid geld is, want met bevoegde biologen houd ik het erop dat de koekoek door een van Darwins nukken geprogrammeerd is om pleegouders voor het grootbrengen van zijn jongen te laten opdraaien. Net zoals hij ’s winters instinctief, zonder koekoek die hem de weg wijst, naar Afrika vliegt.

Hoe het ook zij, we waren het erover eens dat het een kapitale aanwijzing voor het bestaan van de vrije wil zou zijn, als er eens een koekoek opstond die zei: bekijk het maar, ik broed mijn ei lekker zelf uit.

De koekoek hieronder heb ik persoonlijk gezien en gefotografeerd in de Zouweboezem in Zuid-Holland. Of zijn aanwezigheid net zo voorspelbaar is als die van de koekoek in Mechelen in Zuid Limburg weet ik niet.

IMG_8464

‘een medeplichtig mannetje’

Meer over hechting op dit blog hier.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychotherapie

Verhaeghe; we moeten elkaar gaan helpen

Hij zegt het op een zachte maar directe en besliste manier: ‘Dit is geen goede ontwikkeling’, of; ‘daar ben ik het beslist niet mee eens’, met een vanzelfsprekend gezag. Hij heeft zijn onderwerp goed bestudeerd en kan zijn standpunten helder en zonder veel moeite onderbouwen. Hij spreekt vanuit bezorgdheid. Op een beetje vaderlijke toon.

Paul Verhaeghe, Vlaamse klinisch psycholoog, psychotherapeut en hoogleraar in Gent, was gisteravond op uitnodiging van Deforum in het Filmtheater in Hilversum om te spreken over het onbehagen in onze cultuur. De westerse mens heeft het nog nooit zo goed gehad, maar voelt zich slecht. In Nederland lijden 800.000 mensen aan depressie en een miljoen mensen slikt anti-depressieva.

Desgevraagd gaat zijn grootste bezorgdheid uit naar de manier waarop de psychotherapie bezig is mensen te disciplineren in plaats van te behandelen. Hij zegt dat psychotherapeuten wel anders willen maar dat zij in een systeem terecht gekomen zijn waarin zij mensen disciplineren in plaats van behandelen. Maar of psychotherapeuten dit behandelen überhaupt nog wel kunnen is volgens bijvoorbeeld prof. dr. J.J.L .Derksen, een Nederlandse klinisch psycholoog, de vraag.

Waar Verhaeghe het heeft over disciplineren spreekt Derksen in een recente column over ‘temmen’. De huidige generatie psychotherapeuten worden volgens Derksen niet meer opgeleid om een goed gesprek te voeren met hun cliënten. En het systeem waarbinnen zij moeten werken noemt hij een over-gecontroleerd neurotisch regelsysteem.

Waar Verhaeghe het beslist niet mee eens is, is het doorslaan van het individualisme in de neo-liberale maatschappij. Het idee van ‘survival of the fittest’ uit Darwin’s evolutietheorie, die gaat over ontwikkelingen van miljoenen jaren, is doorgeslagen in de richting van ‘survival of the strongest’ die gaat over een veel  kortere termijn. Dit idee van ‘survival of the strongest’ komt uit het sociaal-darwinisme wat een misvorming is van de biologische inzichten van Darwin. Het is een politieke ‘recht van de sterkste’ ideologie.

Verhaeghe is een groot bewonderaar van de Nederlandse bioloog Frans de Waal die aantoont dat er naast het streven van de mens om zelf de beste en de sterkste te zijn er ook een aangeboren streven is tot eerlijkheid en empathie. Volgens Verhaeghe gaat De Waal nog eens een Nobelprijs winnen. Hieronder een toespraak van De Waal met leuke filmfragmenten van onderzoekingen naar eerlijkheid en empathie met apen en olifanten.

Het sociaal-darwinisme was vlak na de tweede wereldoorlog taboe omdat de nazi’s er hun rassentheorie op baseerden, maar heeft ongemerkt opnieuw steeds meer invloed gekregen. Het zogenaamde ‘rank and yank’ systeem past hier in: een systeem waarbij personeel hiërarchisch georganiseerd is en waarbij regelmatig, degenen die het slechtst presteren uit het bedrijf of de instelling gezet worden. Collega’s worden concurrenten en worden bang voor elkaar. Werknemers krijgen grote verantwoordelijkheden maar niet de bijbehorende macht. 61% van de werkende bevolking ervaart stress op het werk.

Kanariepiet

De meeste psychische problemen worden veroorzaakt door maatschappelijke stress.  Dit is ook de visie van de World Health Organization. Daar tegenover staat de visie dat psychische problemen veroorzaakt worden door de hersenen en ontstaan binnen het individu. Binnen deze ‘brein-visie’ is naast behandeling met medicijnen ook de ‘perceptie-therapie’ in allerlei vormen de nu gangbare remedie. Medicijnen en perceptie-therapie moeten de cliënt ‘helpen’ (disciplineren). De boodschap is eigenlijk ‘u bent niet flink genoeg’; als u maar anders gaat denken en voelen, dan kunt u met de stress omgaan. Dit is nòg zoiets waar Verhaeghe het beslist mee oneens is. Hij weet ook wel dat de ene mens sterker is dan de andere maar je kunt volgens hem niet die ene, iets zwakkere mens de schuld geven van de stress. Dit zou hetzelfde zijn als wanneer je de kanariepiet die in de mijn dood neervalt, de schuld zou geven van het mijngas.

kanariepiet

ⓒ Christine de Tollenaere

De oplossing: een ‘wij’- cultuur

De mensen voor wie na de tweede wereldoorlog de deuren open gingen om te studeren en die in de laatste 50 jaren naar de top zijn geklommen, houden nu de deuren voor anderen dicht. Uit angst? Uit behoefte aan controle? Dit is een relatief kleine groep, extreem rijke mensen.

De inkomensongelijkheid wordt hoe langer hoe groter. Tegelijk is de politiek steeds machtelozer. De democratie is dood, al is dat bij veel politici nog niet doorgedrongen. De economie heeft het voor het zeggen.

Volgens Verhaeghe realiseren mensen zich nog onvoldoende hoeveel macht ze hebben.  Hij las ergens: ‘when you are buying, you are voting’. We kunnen volgens hem rechtstreeks invloed uitoefenen door de manier waarop we consumeren; door de manier waarop we ons geld uitgeven.

Volgens hem moeten we desalniettemin toe naar meer inkomensnivellering. Het is aangetoond dat hoe groter de inkomensongelijkheid is in een maatschappij hoe meer ellende, stoornissen, suïcides enz. We moeten ook af van het groeimodel en toewerken naar een duurzaam model. En we moeten naar een ‘wij’ model; we moeten elkaar gaan helpen. Deze nieuwe ontwikkelingen zijn hier en daar al begonnen.

Als de democratie echt dood is weet ik nog niet hoe de inkomensnivellering op gang moet komen. Gaan extreem rijken hun dichte deuren vrijwillig openen?  Met behulp van hun eerlijke en empathische kant? Zodat anderen kansen krijgen?

NL1301_0

‘When you are buying, you are voting’…

Meer over Verhaeghe op dit blog hier en hier.

Een bespreking van een Deforum presentatie over Spinoza hier.

1 reactie

Opgeslagen onder Dierengedrag, Persoonlijk en politiek, Psychotherapie