Categorie archief: Dierengedrag

Opeens heel anders naar iets kijken

Door een podcast op de site van de Correspondent met Tamar Stelling en Joris Luyendijk kijk ik ineens anders naar enkele voor ons voortbestaan essentiële zaken. Met iets meer optimisme.

Het is niet zozeer strijd maar samenwerking die de evolutie veroorzaakt

Heel anders naar iets gaan kijken, vanuit een heel ander en nieuw perspectief, is een belangrijke voorwaarde voor verandering. Dit weten veel mensen al maar wanneer we de evolutie nou eens niet meer zouden zien als een uitkomst van strijd, maar als een uitkomst van samenwerking, wat dan? Wat wordt dan ons bredere perspectief? Zouden we ons dan zelfs een eind aan oorlog en geweld kunnen voorstellen en een eind aan de trauma’s die er door veroorzaakt worden? Zouden we ons dan kunnen voorbereiden op het uitbreken van de wereldvrede? Misschien wel.

De biologen zijn al een tijdje klaar voor het nieuwe perspectief. De meerderheid heeft uiteindelijk kunnen aanvaarden waar de evolutietheorie van Charles Darwin* te kort schoot. Darwin verklaarde weliswaar hoe de beste variant van een soort, althans de beste op een bepaald tijdstip en plaats, de meeste nakomelingen krijgt maar verklaarde niet wat de drijvende kracht was achter de grote variatie van soorten. Van het artikel van Stelling begrijp ik dat het vooral de bioloog en bacterioloog Lynn Margulis is, die ontdekte hoe evolutie echt werkt. Namelijk door samenwerkingen.

Tamar Stelling publiceerde vòòr de genoemde podcast met Joris Luyendijk het artikel: Vergeet even alle oorlogen. En zie: het bestaan is een grote wonderlijke samenwerking, op de Correspondent. Hierin wordt de revolutie die Margulis in de biologie veroorzaakte, helder beschreven. In de podcast horen we de verwondering van Luyendijk over wat Stelling in haar artikelen aankaart. Ze schrijft over kennis van het leven waar veel te weinig mensen van af weten. Uit het hierboven genoemde artikel:

De laatste jaren blijkt strijd dan ook steeds meer gewoon slechts één – onterecht overbelichte – kant van de evolutionaire medaille. Wat maakt de natuurlijke wereld dan wel tot wat hij is? Juist extreem geraffineerde samenwerkingsverbanden.

‘De planeet hangt van symbioses aan elkaar’, stelde Margulis. Samenwerkingen dus. Wat zijn voorbeelden van symbiose? Neem koraal. Koraal heeft algen nodig om zonlicht om te zetten in energie. Algen wonen in koraal. Of neem korstmos, dat bestaat uit schimmels en algen in innige omhelzing.

Soms is het samenzijn zelfs zó innig, dat diersoorten letterlijk in elkaar opgaan. Die fusie van totaal verschillende soorten tot nieuwe beestjes noemen we symbiogenesis. En symbiogenesis staat, volgens Margulis, aan de basis van alle evolutie. Een revolutionaire gedachte.

Dit soort wetenswaardigheden uit de biologie spreken mij als systeemtherapeut aan. Juist vanuit de samenwerking, vanuit de verbinding en de context, willen systeemtherapeuten problemen oplossen. Niet zozeer door strijd verder komen in het leven maar door samenwerking!

Margulis kwam al met haar inzichten in het midden van de vorige eeuw maar ze werden pas aan het einde van de vorige eeuw geaccepteerd. Ze ging tegen de evolutietheorie in wat haar niet direct in dank werd afgenomen.

Tijdens een debat in 2009, getiteld ‘Homage to Darwin,’ aan de universiteit van Oxford, vroeg een zichtbaar getergde Richard aan Margulis: ‘Waarom? Waarom zou je onze elegante ideeën over evolutie nu willen compliceren met zoiets oneconomisch als

Waarop Margulis antwoordde, immer Because it’s there.’ ‘I am not controversial, I am right’

Ze vervolgde: ‘En noem me één geval! Uit het fossielenverslag, uit het lab, uit het veld of waar dan ook! Waarbij het slechts een optelsom van willekeurige mutaties was, die leidde tot de evolutie van de ene diersoort in de andere?’

Geen van de aanwezige vooraanstaand biologen kon een soort noemen.

Zo zie je maar dat strijd nog wel belangrijk blijft. Margulis heeft moeten strijden voor erkenning van haar endosymbiose-theorie.

Stelling is correspondent ‘niet-mens’ en houdt zich vooral met dieren bezig maar haar artikelen hebben veel gevolgen voor de mens. We zouden ook op een heel andere manier kunnen gaan kijken naar onszelf. Wij bestaan namelijk niet alleen uit ons DNA maar wij bestaan zeker voor de helft dankzij allerlei vreemde bacteriën.

Iedereen draagt zo’n anderhalve kilo bacteriën mee, met name in de En van daaruit bestieren bacteriën de boel, zo komt uit steeds meer onderzoek naar voren.

Overleven zonder ons selecte gezelschap aan bacteriën – zo’n 100 triljoen van 1000 verschillende soorten alleen al in het maagdarmkanaal – zal niet gaan. Bacteriën genereren bijvoorbeeld een derde van alle moleculen in je bloedbaan. De ene bacterie maakt essentiële vitamines zoals de andere bacterie zorgt dat je voedingsstoffen kunt halen uit je eten. Zo vinden we in Japanners veel Bacteroides plebeius, die zorgen dat Japanners het beste halen uit sushi.

En we hadden nooit gedacht dat darmbacteriën iets te maken zouden hebben met allerlei aandoeningen zoals maar ook dat bleek onlangs het

Maar daar stopt de bacterie-mens-symbiose Want ook elke cel mét menselijk DNA – de eukaryotische cel – is niet het gevolg van een oercel die middels goed uitpakkende mutaties gewoon steeds maar complexer werd. Nee, onze cellen zijn van origine een samenwerkingsverband tussen losse bacteriën, die om hun moverende redenen besloten dat het beter vertoeven was samen binnen hetzelfde

Dat hokken van meerdere kleine bacteriën in een grotere cel, noemen we ‘endosymbiose.’ Een enkeling sprak daar vroeg in de twintigste eeuw ook al wel over, maar dankzij Margulis werd de endosymbiontentheorie een coherente theorie.

Geneeskunde

Lange tijd had de geneeskunde alleen aandacht voor die paar bacteriën die de boel verzieken, nooit voor de bacteriën die de zaak structureel in stand houden. Hoe anders is dat nu. Bestreden we bacteriën eerst nog met hand en tand – iedereen aan de antibacteriële zeep! – nu is het juist aan deze nijvere eencelligen om ons weer beter te maken, of weer meer ‘onszelf.’

Want misschien zijn veel ziektes en aandoeningen – zoals diabetes of zelfs autisme – wel geen genetisch defect, maar veel eerder een verstoring van je populatie minibeestjes. Dokters experimenteren inmiddels naar met zogenaamde ‘poeptransplantaties’ van gezonde naar zieke mensen, en het tijdschrift Wired berichtte onlangs over de

En nee, het zijn niet alleen bacteriën en beesten die elkaar vinden in samenwerkingsverbanden. Wetenschappers verwachten nog allerlei gelijksoortige symbiotische verbonden te tussen schimmels, planten en dieren.

Zonder samenwerking zijn we ten dode opgeschreven

Dus: de volgende keer dat iemand je vertelt dat het leven getekend wordt door dat de natuur ‘nu eenmaal wreed is’ en we onze bedrijven, overheden en relaties maar beter kunnen inrichten in ‘de geest van de evolutie’ – vertel dan het verhaal van Lynn Margulis.

‘Wat is een koe die geen gras kan eten?’, vroeg Margulis haar studenten. ‘Een uitgehongerde koe. Wat is een termiet die niet in staat is om hout te verteren? Een dode termiet. Beide soorten danken hun bestaan aan grote gemeenschappen zeer specifieke symbionten, die in hun magen en darmen leven en van daaruit voedsel verwerken.’

Negentig procent van de bacteriën in de magen van termieten komen nergens anders ter wereld voor. En de termietbacterie die enzymen produceert die hout omzetten in pulp, wordt zelf óók weer bijgestaan door honderdduizenden nóg kleinere bacteriën, die op hun beurt de houtverwerkende bacterie ‘ronddragen’ door hun gezamenlijke termietgastheer.

Samenwerking maakt sterk en fit, samenwerking zorgt dat soorten zich kunnen aanpassen aan nieuwe omgevingen en situaties. En zonder samenwerking zijn we ten dode opgeschreven.

Verwondering en escalerende interesses

De nieuwe biologische theorie leidt tot verwondering. Hier geeft Luyendijk in de pod-cast uiting aan: “De grens tussen mij en niet-mij (het vreemde) is minder absoluut dan we dachten want al het andere leven zit ook in mij. Net zoals de grens tussen leven en dood minder absoluut is. Kijk bijvoorbeeld naar het ‘onsterfelijke’ kwalletje Turritopsis dohrnii.” Hier heeft Stelling eerder over geschreven: Hoe de onsterfelijke kwal mythische proporties aannam.

Wat dit kwalletje doet staat haaks op wat wij tot nu toe denken over veroudering. Het stuurt zijn cellen als het ware terug in de tijd op een moment dat de omstandigheden voor hem niet ideaal zijn. In een soort babyfase wacht hij betere tijden af en groeit later uit tot volwassene.

Turritopsis dohrnii, getekend op een T-shirt

Wat ook tot verwondering leidt is het feit dat meer dan 99% van alles wat leeft niet menselijk is. Meer dan 99% van het leven bestaat uit planten, microben, insecten en schimmels. Als de mens wegvalt heeft dat weinig gevolgen voor de algemene leefbaarheid van de planeet.

Stelling spreekt in de podcast over haar escalerende interesse. Er wordt bijvoorbeeld teveel vis uit zee gehaald. IJsland en Noorwegen willen zich niet houden aan de visquota en sluiten zich daarom niet aan bij de EU. En dan blijkt dat dit samenhangt met de Brexit van Groot-Britannië. Hier kom je niet zo gauw op.

We hebben last van kwallen omdat we hun natuurlijke vijanden hebben gedood. Dan vinden we een ‘kwallenshredder’ uit. Door dit apparaat te gebruiken komen de zaadjes en eicellen van de kwallen allemaal los waardoor we weer meer kwallen krijgen. We vernietigen koraalriffen en mangrovebossen waardoor we overstromingen krijgen en dan komt de industrie met techniek om ons te wapenen tegen overstromingen.

We kunnen ons verwonderen over dat kleine beetje leven dat wij mensen zijn en dat die soort bezig is om alles te vernietigen wat hij nodig heeft. Stelling probeert positief te blijven. Ze benadrukt dat onze cultuur voor ons belangrijk is en laat zien dat de cultuur voor bijvoorbeeld walvissen en andere dieren net zo belangrijk is. In de podcast zegt Luyendijk dat mensen gevangen zitten in hun cognitieve beperkingen. Omdat mensen de panda zo leuk vinden gaan ze die beschermen maar de sprinkhaan niet en zo gaat de mensheid ten onder. Stelling voegt hier aan toe dat er heel veel geld besteed wordt aan onderzoek naar buitenaards leven en zwarte gaten maar dat we nog te weinig weten over het leven op deze planeet: ‘Kwallen zijn belangrijker dan zwarte gaten.’

We hebben te weinig morele kaders waarbinnen we over het leven nadenken. Het is de techniek die bepaalt wat er gebeurt. De wetenschap construeert met techniek de werkelijkheid terwijl het eerder haar rol is om dingen te ontdekken over de werkelijkheid.

Mensen die een kind willen lijken de aanjagers te zijn van het embryo onderzoek maar waarom zijn er zoveel van deze mensen? Waarom kunnen ze niet een kind krijgen op een natuurlijke manier? Omdat ze er te laat aan begonnen zijn! En waarom is dat? Omdat de samenleving niet ingericht is op gelijkwaardige man-vrouw verhoudingen. De eigenlijke aanjager achter de embryo-techniek is de ongelijke man/vrouw verhouding. Weer zo’n escalerende interesse van Stelling.

Luyendijk vraagt haar: Hoe krijgen we grote groepen mensen geïnteresseerd in dit soort wetenschap die hen zo direct raakt? Stelling geeft als voorbeeld de Noorse insectendeskundige Anne Sverdrup-Thygeson die haar best doet om mensen te interesseren voor insecten.

Insecten redden elke dag een klein beetje ons leven. Ze zijn klein maar hun prestaties zijn onmisbaar. Ze recyclen voedingsstoffen en dienen als een soort lijm in de natuur: ze verbinden soorten met elkaar en zorgen voor producten die mensen nodig hebben. Denk aan alles wat dood gaat en de mest die dat veroorzaakt. Dat moet allemaal gerecycled worden. Insecten werken samen met schimmels en bacteriën om afval terug in de circulatie te brengen. Dat composteren is belangrijk voor ons mensen. Als dat niet zou gebeuren zouden we ons niet meer in de natuur kunnen begeven. We hebben lange tijd insecten voor lief genomen maar nu door de intensieve landbouw, de insecticiden en de invasieve soorten zijn we de voorwaarden voor het leven zo snel aan het beïnvloeden dat de insecten hun diensten niet meer kunnen bewijzen.

Het blijft Luyendijk verbazen hoe beperkt de kennis is over datgene dat het leven mogelijk maakt. Dat raakte me. Vandaar dit bericht over het werk van Tamar Stelling op de Correspondent.


* Darwin heeft het zelf niet over strijd maar over overleving van de best aangepasten, ‘survival of the fittest’, wat iets anders is dan strijd. Het zijn de sociaal Darwinisten, die na hem kwamen en die het idee van strijd met zijn evolutietheorie verbonden. Dit onder leiding van de rechts liberale socioloog, filosoof en antropoloog Herbert Spencer.

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie en klimaat

Streven naar waarheid kan verbinden

Uit het ‘Pleidooi voor de waarheid‘ van de filosoof en psycholoog Kees Kraaijeveld hier een paar interessante citaten:

Streven naar waarheid betekent onderkennen dat de ene uitspraak meer waar is dan de andere. Als we de waarde van waarheid in ere herstellen, komen we niet meer weg met het gemakkelijke relativisme van ‘jij jouw waarheid, ik de mijne’. De waarde van waarheid houdt in dat ik ongelijk kan hebben en jij gelijk. Het betekent dat we met elkaar in debat moeten om hiërarchie aan te brengen in meer en minder waar. En dat staat op gespannen voet met gelijkheid, een centraal uitgangspunt van onze samenleving. Onze liefde voor gelijkheid en de hieruit volgende democratisering van kennis, macht en kapitaal, verklaart ook de minachting voor experts. Democratie betekent ‘one man one vote’. Maar zonder de waarheid als kwaliteitstoets leidt dit democratisch uitgangspunt al snel tot verwarring. De mening van de professor die er jaren op heeft gestudeerd, weegt ineens even waar als de mening van iemand die net voor het eerst op het onderwerp heeft gegoogeld.

Dus: Niet iedere zienswijze is even waar en daarmee even waardevol.

Logicus Bertrand Russell, een man die leefde voor de waarheid, heeft hiervoor ooit mooie vuistregels geformuleerd:

  1. 1)  als de experts het eens zijn, moeten leken accepteren dat het waarschijnlijker is dat deze consensus waar is, dan dat het tegendeel waar zou zijn; en
  2. 2)  als de experts van mening verschillen, kan de leek zich beter van een oordeel onthouden.

Waarheid verbindt en leidt tot vertrouwen

We hebben waarheid gewoon nodig, ook heel praktisch. Het streven naar het ware is wat ons bindt. Alleen voor wie naar waarheid zoekt, is het inhoudelijk interessant te debatteren. Vergeten we de waarheid, dan kunnen we ons net zo goed helemaal terugtrekken in de comfortabele filterbubbles van het eigen gelijk. Dan versplintert de samenleving. Als we de zoektocht naar de waarheid blijven relativeren, als we blijven ontkennen dat er zoiets bestaat als een meer en een minder waar en als we experts koppig als onze gelijke blijven zien, dan zullen paranoia en wantrouwen nog meer de overhand krijgen. En met het verlies van onze ‘high trust’-samenleving verdwijnen ook alle politieke, sociale, culturele, juridische én economische voordelen die daarbij horen. Dit mogen we niet laten gebeuren. Alleen met de waarheid hoog in het vaandel kunnen we samenleven in een maatschappij waarin we elkaar kunnen vertrouwen: ‘in truth we trust’.

Experts komen niet altijd met de waarheid

Ik kan het met Kraaijeveld eens zijn dat we naar de waarheid moeten blijven zoeken en ga er inderdaad van uit dat een bijvoorbeeld universitair opgeleide geneeskundige, een expert, eerder met de waarheid komt dan Jomanda. Aan de andere kant zijn er ook geneeskundigen geweest die in de jaren ’50 en ’60 van de vorige eeuw beweerden dat roken goed voor je gezondheid zou zijn. Experts komen niet altijd met de waarheid. En dan kan de regel van Bertrand Russell helpen: ‘onthoud je als leek van een oordeel’.
Het wordt vooral problematisch om op experts te vertrouwen voor de waarheid als ze verstrikt zijn geraakt in het politieke of economische establishment. Neem de ontkenning door het establishment van de klimaatopwarming. Daar werken sommige experts aan mee. Of neem bijvoorbeeld de expert en historicus en VVD kamerlid Arend-Jan Boekestijn die op TV zei dat hij bang was dat Saddam Hoessein een atoomraket zou afvuren richting zijn achtertuin, terwijl Irak in het geheel geen atoomwapens had.
Andersom kan een ‘niet expert’ zoals Jane Goodall, die geen bioloog was, dichter bij de waarheid zitten dan de experts. Goodall ontdekte namelijk dat chimpanzees zowel gereedschap gebruiken als ook maken, waarmee ze het establishment van biologen en zoölogen uitdaagde om met een nieuwe definitie te komen van de mens. Toen Goodall met haar waarnemingen kwam werd ze door de zogenaamde experts verketterd.

1 reactie

Opgeslagen onder Dierengedrag, Filosofie, Psychologie

Een wild leven

Ik voel de laatste jaren steeds vaker een verlangen naar een leven dichter bij de natuur. Misschien lijd ik aan ‘solastalgia’. Dit is een nieuw woord, onlangs voor het eerst gehoord op het symposium Psyche en Klimaat van de Stichting Psychiatrie en Filosofie en staat voor een soort van heimwee naar een fysieke omgeving die verdwenen is.

Volgens de maker van dit filmpje, George Monbiot, bioloog en journalist leven we op het moment in een schaduwwereld, in een mat en eentonig overblijfsel van wat er ooit was. Als we meer wild toelaten in het ecosysteem worden we ook zelf een beetje wilder. Zo zouden we een boel ontroering, verwondering en verrukking terug krijgen in ons leven. De olifant terug in Europa!

 

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie en klimaat

Dit filmpje over verslaving gaat over verbinding

Een aanrader! Je ontwikkelen van een ongezonde verbinding naar gezonde verbindingen.

 

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie

De ander is lui en hebzuchtig…

MAAR WIJZELF ZIJN DAT NIET…

Het artikel in De Correspondent van Rutger Bregman: ‘Weg met controle. Leve de intrinsiek gemotiveerde mens.’, gaat over het mensbeeld dat wij hebben van onze medemens. We zien niet onszelf maar vooral de ander als lui en hebzuchtig, als een ‘homo economicus’.

Bregman is de journalist die graag argumenten aandraagt voor het idee van ‘gratis geld voor iedereen’. Hij is een van mijn favoriete correspondenten. In dit artikel citeert hij meerdere psychologen.

Over onszelf denken we dat wij prikkels van buitenaf, zoals geld of dwang, niet nodig hebben. Wij denken dat het vooral de ander is die alleen maar in actie komt als er van dit soort prikkels mee gemoeid zijn. Alsof die ander de intrinsieke motivatie niet kent.

Bewezen is echter dat de meeste mensen in actie komen vanuit intrinsieke motivatie. Dus ook onze medemens. De meeste studenten bijvoorbeeld gaan iets studeren omdat het vakgebied hen interessant lijkt. Niet om het geld. Niet omdat ze gedwongen worden. Waarom geloven we dit alleen over onszelf en niet van de ander? Fluistert het systeem waarin wij leven ons in om de ander te wantrouwen? Hier een samenvatting en bewerking van het artikel van Bregman.

Homo economicus is een chimpansee

Over het mensbeeld dat de ander lui en hebzuchtig:

Eigenlijk is het hele moderne kapitalisme op dit mensbeeld gebaseerd. ‘Wat werknemers het liefste willen van hun werkgevers, meer dan wat ook, is een hoog loon,’ zei een van de eerste consultants, Frederick Taylor, honderd jaar geleden al. Taylor is beroemd geworden met zijn ‘wetenschappelijke bedrijfsvoering’ die ervan uitging dat prestaties heel precies gemeten moeten worden om fabrieken zo efficiënt mogelijk te maken. (En om arbeiders zo hard mogelijk uit te buiten.)

Als het vandaag gaat over thuiszorgers die in zeven minuten steunkousen moeten uittrekken, callcentermedewerkers die constant gemonitord worden of dokters die betaald worden per ‘diagnose-behandelcombinatie,’ dan hebben we het eigenlijk nog steeds over het taylorisme.

Taylor had een gitzwart mensbeeld. Hij zag zijn ideale werknemer als een beest – ‘zo dom, zo onverschillig, dat hij geestelijk meer wegheeft van een os.’

Het blijkt een psycholoog te zijn geweest die lijnrecht tegen Taylor inging. Deze psycholoog heette Edward Deci. Hij werkte aan zijn proefschrift toen de psychologie in de ban was van het ‘behaviorisme’. Het behaviorisme gaat er vanuit dat mensen passieve wezens zijn die prikkels nodig hebben en alleen in beweging komen voor een beloning of uit angst voor straf.

Maar Deci had het gevoel dat er iets niet klopte. Mensen doen voortdurend rare dingen die niet passen in het behavioristische mensbeeld. Denk aan bergbeklimmen (koud!), vrijwilligerswerk (gratis!) en kinderen krijgen (heftig!).

We doen de hele tijd dingen die geen geld opleveren en zelfs doodvermoeiend zijn, zonder dat we ertoe gedwongen worden. Waarom, in vredesnaam?

Deci kwam er zelfs achter dat mensen soms juist mìnder gemotiveerd zijn wanneer ze ergens geld voor krijgen. De meeste economen moesten niets van hem hebben en jammer genoeg konden ook de behavioristische psychologen niet aannemen dat extrinsieke beloningen de intrinsieke motivatie konden ondermijnen. Het ‘taylorisme’ heeft zich ondanks Deci als een virus over de wereld verspreid. Pas later in de 20e eeuw zouden steeds meer wetenschappers de vermoedens van Deci bevestigen.

De London School of Economics vond bijvoorbeeld bewijs dat financiële bonussen, de intrinsieke motivatie en het morele kompas van werknemers kunnen afstompen. Ze kunnen de creativiteit aantasten. Met extrinsieke prikkels zoals geld of angst voor straf krijg je eigenlijk vooral meer van hetzelfde.

Als je betaalt per uur krijg je meer uren. Als je betaalt per publicatie krijg je meer publicaties. Als je betaalt per operatie krijg je meer operaties.

Communistisch of kapitalistisch – in beide gevallen draait de cijferdictatuur de intrinsieke motivatie de nek om.

Bonussen blijken alleen effectief te zijn als het gaat om eenvoudige, mechanische handelingen. In onze moderne economie wordt meer en meer van dat werk door robots gedaan. Robots kunnen zonder intrinsieke motivatie maar wij mensen niet. Wij zijn niet de calculerende robots waar de tayloristen en behavioristen van uit gingen.

Het definitieve bewijs hiervoor is geleverd door Joseph Henrich van de Harvard-universiteit. Samen met zijn team zocht hij de hele wereld af naar homo economicus. Ze bezochten vijftien kleine gemeenschappen in twaalf landen op vijf continenten. Ze lieten landbouwers, nomaden, jagers en verzamelaars allerlei testjes doen, op zoek naar diegenen die voldeden aan het mensbeeld waar economen decennia vanuit gingen. Zonder resultaat. Keer op keer bleken mensen te sociaal en te intrinsiek gemotiveerd.

Het model van de homo economicus bleek eigenlijk alleen maar succesvol te zijn bij het voorspellen van het gedrag van chimpansees in eenvoudige experimenten.

Intrinsieke motivatie wordt afgestompt

We gaan er te vaak vanuit dat mensen van dit soort chimpansees zijn. Op kantoor. In callcenters. Op school. In ziekenhuizen. Aan de balies van de sociale dienst. Keer op keer nemen we het luie en zelfzuchtige in elkaar aan. Tegelijk blijkt uit onderzoek dat de overgrote meerderheid van de mensen zich meer identificeert met waarden als behulpzaamheid, eerlijkheid en rechtvaardigheid dan met geld, status en macht.

We hebben een verwrongen beeld van elkaar. Het probleem is echter ook dat het beeld dat we hebben van elkaar, ‘zelfvervullende voorspellingen’ kunnen worden. Wat je aanneemt in de ander is wat je eruit krijgt. Hoe meer we geloven dat we homo economicus zijn, hoe meer we ons als chimpansees (proefdieren) gaan gedragen.

Het bewijs stapelt zich hier voor op. Hoe langer studenten economie studeren, hoe meer ze op homo economicus gaan lijken. Ze gaan zich steeds zelfzuchtiger gedragen en verwachten dat ook van anderen. Ook de manier waarop je beloond wordt, kan je een ander mens maken. Psychologen hebben een paar jaar geleden aangetoond dat advocaten en consultants die per uur worden betaald uiteindelijk een prijs op ál hun tijd zetten. Ook als ze niet aan het werk zijn. Veel van onze grootste problemen worden veroorzaakt worden door de dictatuur van dit mensbeeld:

De lijst is eindeloos. CEO’s die alleen maar focussen op hun kwartaalresultaten trekken hun bedrijf de afgrond in. Academici die vooral worden afgerekend op hun plaats op een ranglijst voelen de verleiding te frauderen. Scholen die worden beoordeeld op de meetbare resultaten van gestandaardiseerde toetsen geven minder aandacht aan wat niet meetbaar is. Psychologen die betaald worden om zo lang mogelijk te behandelen gaan steeds langer behandelen. Bankiers die hun bonussen verdienen door zo veel mogelijk rommelhypotheken te verkopen, brengen het mondiale financiële systeem aan het wankelen. Enzovoorts, en zo verder.

Honderd jaar na Frederick Taylor zijn we elkaars intrinsieke motivatie nog altijd aan het afstompen. Uit een enorm onderzoek onder 230.000 werknemers in 142 landen bleek een paar jaar geleden dat slechts 13 procent zich ‘geëngageerd’ voelt op zijn werk. Nederland scoorde nog slechter dan gemiddeld: hier is slechts 9 procent echt enthousiast over zijn baan.

Het belang van intrinsieke motivatie wordt steeds duidelijker

De psycholoog Barry Schwarz vond dat 90 procent van de volwassenen inmiddels de helft van hun wakkere leven besteedt aan dingen die ze liever niet doen op plaatsen waar ze liever niet zijn.

Dat extrinsieke beloningen en angst voor straffen of dwang de intrinsieke motivatie kunnen ondermijnen is ‘een van de meest robuuste bevindingen van de sociale wetenschap – en ook een van de meest genegeerde’, zegt de psycholoog Dan Pink die een bestseller schreef over intrinsieke motivatie. We laten een enorme hoeveelheid ambitie en energie liggen.

Stel je voor dat we op grote schaal inzetten op elkaars intrinsieke motivatie. Het zou een immense revolutie betekenen. CEO’s zouden ploeteren omdat ze geloven in hun bedrijf, academici zouden overuren draaien omdat ze gewoon nieuwsgierig zijn, leraren zouden lesgeven omdat ze verantwoordelijkheid voelen voor hun kinderen, psychologen zouden zo lang behandelen als nodig is voor hun cliënt en bankiers zouden voldoening halen uit hun rol als dienstverlener. Vakmanschap en competentie zouden centraal staan, niet rendement en productiviteit.

Natuurlijk zijn er op dit moment nog steeds talloze leraren, psychologen en ondernemers die tot op het bot intrinsiek gemotiveerd zijn om anderen te helpen. Maar die motivatie hebben ze eerder ondanks, dan dankzij de extrinsieke middelen van het geld en de dwang.

Bregman vroeg Jos de Blok, de oprichter van het succesvolle Buurtzorg, wat de grootste risico’s van intrinsieke motivatie zijn. Zijn antwoord: ‘Dat mensen te hard werken.’

Je leest het goed: een organisatie die de extrinsieke prikkels vaarwel zegt, krijgt niet te maken met luiheid en ledigheid. Integendeel. Ze moet oppassen dat haar werknemers geen burn-out krijgen door een explosie van werklust.

Nieuwsgierigheid en speelsheid zijn meer onze natuur dan luiheid en hebzucht

Als we het nu hebben over gedemotiveerde werklozen, gefrustreerde werknemers of hebzuchtige bankiers, dan hebben we steeds de neiging om aan te nemen dat er van nature iets mis is met de mens. Maar wat als het andersom is? Wat als luiheid, cynisme en hebzucht eerst aangeleerd moeten worden? En wat als veel van onze bedrijven, onze sociale regelingen en onze universiteiten daar min of meer voor ontworpen zijn?

Dan blijkt: het probleem zit niet in onze natuur. Iedere ouder weet dat kinderen als nieuwsgierige en speelse wezens geboren worden. Maar zoals een plant vruchtbare grond nodig heeft, zo heeft ook de mens een stimulerende omgeving nodig. De belofte van een nieuwe generatie psychologen en economen is dat we naar een samenleving kunnen evolueren waarin we kunnen blijven spelen. Of beter gezegd: waar het onderscheid tussen ‘werken’ en ‘spelen’ is vervaagd, we onze talenten kunnen ontwikkelen en onze dromen najagen.

Naar wat onze aard van nature is doet de bioloog Frans de Waal interessant onderzoek. We zouden van nature niet alleen nieuwsgierig en speels zijn maar ook empathisch. Een eerder bericht hierover is bijvoorbeeld: Empathie en mededogen.

De man bij wie de revolutie in het denken over motivatie begon, Edward Deci, gelooft dat de vraag niet langer is hoe we elkaar motiveren. De echte vraag luidt: hoe scheppen we een samenleving waarin mensen zichzelf motiveren? Dat is niet links of rechts, en ook niet kapitalistisch of communistisch. We hebben het hier over een derde beweging, waar de naam nog niet voor gevonden is. Maar één ding is zeker: niets is krachtiger dan mensen die doen wat ze doen omdat ze het willen doen.


Bregman kwam met collega Jesse Frederiks, kort na het publiceren van dit artikel met een podcast over hoe geld is ontstaan en waarom het hetzelfde is als schuld. Daar maakte een 17 jarige lezer van De Correspondent, Lotte Schuengel een leuke animatie bij. Die moet u zien en u begrijpt hoe de extrinsieke motivatiefactor van het geld is ontstaan.

 

 

 

3 reacties

Opgeslagen onder Dierengedrag, Persoonlijk en politiek, Psychologie

De mens die niet langer de maat der dingen is

In de Correspondent stond een serie verhalen over het einde van de mens als maat der dingen. Een van deze verhalen waarin de ideeën van de Kameroense filosoof Achille Mbembe naar voren komen, vatte ik al samen in het  bericht: De mens als object: een dingmens.  Mbembe betoogt dat we zèlf object zijn geworden; ‘Negers’ zijn we geworden, handelswaar.

5735e863de53e4116732096

Foto: Frauke Thielking. Uit de serie ‘Auf die plätze, fertig, los’.

Misschien is de mens wel steeds meer een object geworden juist dòòr het zichzelf zien als de maat der dingen. Je zelf zo zien draagt natuurlijk niet echt bij aan de wederkerigheid en de empathie in het contact met andere mensen.

In de serie verhalen van de twee Correspondenten Lynn Berger en Anouk Nuyens wordt aangetoond hoe het zichzelf centraal stellen gevolgen heeft voor hoe de mens naar de natuur en naar andere dieren kijkt, hoe hij de rol van technologie in zijn leven begrijpt en hoe hij met de aarde omgaat. De vraag die zij aan het eind stellen is wat de mens te doen staat wanneer hij zichzelf niet meer langer zo zou zien.

Hier een samenvatting van hun gehele reeks over het einde van de mens als maat der dingen. Uit de Correspondent:

We zagen onszelf heel lang als een uniek schepsel. Een rationeel, autonoom subject in een wereld van passieve objecten en dieren die er vooral waren om ons te dienen. Maar er zijn er barsten in dat beeld gekomen. Wanneer precies, daar kan je over twisten maar de laatste twee decennia worden de barsten steeds duidelijker.

Of zij zichzelf nu posthumanist, bioloog, advocaat van de aarde of filosoof noemen, overal vind je denkers die ervoor pleiten om het oude mensbeeld bij te stellen of misschien zelfs te vervangen. Van een uniform en breed gedragen alternatief is nog geen sprake, maar het rommelt.

Als psycholoog voel ik er voor om in het ‘zichzelf centraal stellen’ een narcistisch kenmerk te zien. Wanneer hier een einde aan zou komen lijkt het mij heel mooi om te zien hoe de mens dàn met andere mensen om zal gaan. Waarschijnlijk met meer empathie.

De Correspondenten komen voorlopig tot twee belangrijke conclusies.

1. De natuur verarmt, het klimaat verandert

Untitled #5, The Bonsai Project: Typology. © Sjoerd Knibbeler en Rob Wetzer

Untitled #5, The Bonsai Project: Typology. © Sjoerd Knibbeler en Rob Wetzer

Omdat we bomen volledig verkeerd begrijpen zien we niet dat ze sociale wezens zijn die met elkaar communiceren, elkaar helpen en zelfs een lerend vermogen hebben. Dit stelt de Duitse bosbeheerder Peter Wohlleben in zijn boek: Het verborgen leven van bomen. Mensen behandelen bomen op een manier die geen recht doet aan hoe ze in elkaar zitten én we hebben niet door dat eigenschappen waarvan we dachten dat ze uniek menselijk waren ook in het plantenrijk voorkomen. Wohlleben pleit voor een radicale herwaardering van de natuur.

Volgens de filosoof Norbert Peeters had niemand minder dan Charles Darwin al door wat wij nu pas mondjesmaat beginnen te accepteren: ieder wezen evolueert op zijn eigen manier. De mens is niet de kroon op de schepping, maar het verre achterneefje van de sleutelbloem, die zich op zijn eigen manier aan zijn omgeving en zijn biologie heeft aangepast. Het enige dat ons in de weg staat om dit werkelijk te begrijpen, zijn onze eigen vooroordelen.

Zoals Darwin en Wohlleben de natuur bekijken, zo doet de mens dat meestal nog niet: die ziet in fauna, en in de natuur in het algemeen, passieve objecten die naar hartenlust kunnen worden ingezet voor het eigen welzijn. De gevolgen van die houding zijn steeds lastiger te ontkennen: van uitstervende soorten en klimaatverandering tot een menselijke impact op de aarde die zo groot is dat er zelfs sprake lijkt van een nieuw geologisch tijdperk, het Antropoceen.

We hebben het nauwelijks door, zegt de Belgische filosoof Lieven De Cauter, maar het paradijs waarin we nu leven is gebouwd op drijfzand. De mens heeft te lang centraal gestaan, met zijn uitzinnige drang naar groei. We moeten radicaal anders gaan nadenken over de relatie tussen mens en niet-mens en tussen mensen onderling.

2. Wij maken de dingen, maar de dingen maken ook ons

Wat we nauwelijks doorhebben, stelt techniekfilosoof Peter-Paul Verbeek, is hoezeer de autonomie waarmee wij ons als mensen menen te kunnen onderscheiden, een illusie is. De mens wordt voor een groot deel gevormd en gestuurd door de dingen. Van brillen en auto’s tot hersenimplantaten. Verbeek toont aan hoe de technologie steeds dieper ons leven doordringt en hoe het lastig het is om ons zelf als vrij en autonoom wezen te blijven zien. De dingen beginnen hun plek op te eisen.

We zijn hybride wezens, zegt het posthumanisme, de filosofische stroming waar Verbeek zich onder schaart: deels mens, deels ding. Hybride betekent kruising. Zolang we niet inzien hoe sterk technologie ingrijpt in ons leven, hoezeer we er mee versmelten, begrijpen we ook niet wie we zijn.

Posthumanisten zien de mens niet langer als middelpunt, maar als onderdeel van een complex en alomvattend systeem dat zowel uit mensen, dieren en planten bestaat, maar ook uit materiële werelden (fossiele brandstoffen, drinkwater) en niet-menselijk leven (bits en bytes).

Het posthumanisme is niet tegen de mens, maar probeert te waken voor de blinde vlekken van het humanisme. Want is het niet zo dat de ecologische crisis voortkomt uit het feit dat alles moet wijken voor de behoeften van de mens? De oplossing voor de grote crises ligt misschien wel in een mensbeeld waarin de mens, ten opzichte van mede-mensen, dingen en dieren, een nieuwe rol moet leren spelen.

Volgens de filosoof Achille Mbembe is het niet alleen zo dat objecten de mens vormen maar dat de mens zelf ook steeds meer als object wordt behandeld. Mbembe beschrijft ‘de vernegering’ van de mens. Het menselijke van de mens gaat verloren. Daarvoor in de plaats komt de ‘Neger.’ Een mens die de status krijgt van een ding, iets wat je kunt bezitten en waar je handel mee kunt drijven. Om die objectificatie tegen te gaan, stelt Mbembe, is verbeelding van levensbelang. Voor meer over Mbembe kijk hier.

Wat staat ons te doen als we onze grootheidswaan gaan beteugelen?

Je zou kunnen zeggen dat de mens aan een filosofische grootheidswaan lijdt: hij denkt superieur te zijn over de natuur en de dingen om hem heen. Natuurlijk zijn er genoeg mensen en culturen die hier anders over denken maar het gaat nu over wat in de afgelopen eeuwen in de westerse samenleving de teneur is geweest. Die superioriteit zie je terug in hoe de mens de dieren ziet en behandelt. Lang bestudeerde hij andere dieren zonder oog te hebben voor hun unieke evolutionaire omstandigheden en concludeerde dat hij zelf wel de allerslimste, sociaalste en meest empathische soort van allemaal moest zijn. Maar onderzoek je dieren op hun eigen merites, dan blijft er van die uniciteit weinig over, zegt bioloog Frans de Waal.

Wie al dit soort inzichten bij elkaar optelt komt tot de conclusie dat de scheidslijnen tussen mens, dier en ding aan het verdwijnen zijn – of beter, dat ze nooit hebben bestaan, behalve dan in onze hoofden.

Tot zover de diagnose. Maar hoe moet het dan wel?

De verhouding tussen mens en niet-mens moeten we anders gaan bekijken en anders vormgeven, zegt de Nederlandse filosoof Marli Huijer, Denker des Vaderlands. Dit wordt op verschillende manieren al gedaan. De wetenschappelijke benadering van Frans de Waal, die dieren onderzoekt op een manier die logisch is voor hun habitat en evolutionaire merites, is één voorbeeld en de manier waarop iemand zoals Peter Wohlleben inzichten uit de plantenbiologie vertaalt voor een groter publiek, een ander.

Sommige voorstellen zijn heel concreet: De filosoof Lieven De Cauter pleit ervoor minder vaak het vliegtuig te nemen, juristen als Polly Higgins en, hier in Nederland, Femke Wijdekop willen ecocide strafbaar stellen.

Andere voorstellen zijn abstracter of liggen meer op het terrein van de verbeelding. Zoals het Parlement van de Dingen, waarbij mensen proberen de dingen, van rivieren tot rotsblokken, een stem te geven. De jonge techniekfilosoof Esther Keymolen stelt voor dat we op zoek gaan naar een nieuw vocabulaire dat meer uitgaat van paradoxen en minder van harde tegenstellingen.

Of neem de twee Engelse auteurs die zich in dieren probeerden te verplaatsen door een tijd lang vrij letterlijk door het leven te gaan als das, otter en geit. Het heeft iets dwaas, maar ook iets sympathieks, hun poging om tot een zo groot mogelijke empathie te komen.

In het algemeen valt iets meer bescheidenheid en minder consumeren ook onder de oplossingen zou ik denken.

Kunnen we dingen- en dierenrechten vastleggen?

Een belangrijke denkrichting ligt op het terrein van het recht. Zo trekt het Amerikaanse Nonhuman Rights Project op basis van het werk van De Waal en andere wetenschappers de conclusie dat er geen reden is om dieren voor de wet anders te behandelen dan mensen. Bepaalde dieren, zoals chimpansees en dolfijnen, lijken qua intelligentie en autonomie zodanig op mensen dat ze ook een rechtspersoonlijkheid zouden moeten krijgen, meent deze organisatie. In Amerika lopen nu meerdere rechtszaken waarin deze these wordt getest. Er wordt o.a. campagne gevoerd om vier chimpansees erkend te krijgen als personen, zodat ze hun gevangenschap kunnen aanvechten.

In Nieuw-Zeeland werd de Whanganui-rivier onlangs tot rechtspersoon uitgeroepen. Om de instrumentalistische houding van de mens ten opzichte van die rivier in te dammen, kreeg de rivier een stem in het legale en politieke bestel. De grote paradox is dat de emancipatie van ‘de niet-mens’, de rivier, een menselijk project is.

Het recht is een bij uitstek menselijk instrument. Zowel bij het Nonhuman Rights Project als in het geval van de Whanganui-rivier, zijn het nog steeds mensen zijn die optreden als vertegenwoordigers van deze nieuwe (would-be) rechtspersonen. De rivier heeft er niet om gevraagd rechten te krijgen, de chimpansee al evenmin.

Misschien is die paradox onontkoombaar. Zoekend naar een wereldbeeld waarin de mens minder centraal staat, vertrekt de mens vanuit zichzelf en behandelt niet-mensen al gauw als mensen. Deze zoektocht wordt gemotiveerd door een oprechte betrokkenheid bij het lot van de niet-mens – van dieren in gevangenschap, van bossen die verkeerd worden beheerd, van een klimaat dat verandert en een rivier die daar de gevolgen van ondervindt. En door het verlangen om logische praktische consequenties te verbinden aan nieuwe en minder nieuwe wetenschappelijke en filosofische inzichten.

Experimenteren

Je zou kunnen zeggen dat de voorgestelde oplossingen zoals minder vliegen, meer verbeelding en juridische innovaties nauwelijks opwegen tegen de diagnose van de filosofische grootheidswaan. Maar je zou ook kunnen concluderen dat we nog maar aan het begin staan: dat er geëxperimenteerd wordt op allerlei terreinen en dat een aantal van die experimenten in de toekomst misschien wel echt iets nieuws op gang zullen zetten. Stel dat we echt zouden consuminderen… minder afval en verontreiniging zouden produceren…

Volgens Marli Huijer kunnen de mensen aan de dingen en de dieren geen stem geven. Maar we kunnen wel experimenteren met manieren om de niet-menselijke ander beter te kennen en te begrijpen. Niet alleen door rechten toe te kennen maar misschien in het klein, bijvoorbeeld door eens een tijdje je tafel weg te halen om zo te ervaren hoe bepalend zo’n object eigenlijk is in je leven.

Een kind kan met de was praten. Waarom juichen we dat niet toe?

‘Kleine kinderen maken nauwelijks onderscheid tussen mensen en dingen – of tussen zichzelf en de ander,’ zegt Huijer. Ze praten tegen hun pop, brengen tomaten naar bed, vinden de douche lief en de drempel stout. Pas ergens rond ons vierde of vijfde jaar beginnen we onderscheid aan te brengen tussen mens en ding, mens en dier.

Misschien heeft dit wel te maken met de ontwikkeling van taal – mensen praten immers terug; poppen, tomaten en drempels doen dat niet.

Als de verklaring voor het maken van een onderscheid tussen mensen, dieren en dingen inderdaad met taal te maken heeft dan spiegelt de ontwikkeling in één mensenleven, de ontwikkeling van de mensheid in het algemeen. Zoals de Franse filosoof Michel Foucault schreef, was het vanaf het ontstaan van de taal dat de mens zichzelf ging onderscheiden. Taal kun je zien als iets wat op zichzelf kan bestaan, los van de wereld van de dingen. De mens werd de naamgever van de dingen en kende zichzelf daarmee een buitenstaanderspositie toe.

Volgens Huijer zouden we eens kunnen proberen om ons wat minder talig en wat meer met onze andere zintuigen tot de wereld om ons heen te verhouden. Wie weet helpt dat om tot een nieuw evenwicht komen. Ook zouden we eens kunnen onderzoeken wat er gebeurt wanneer we onze kinderen stimuleren om wat langer in een wereld te blijven leven waarin de grenzen tussen mensen, dingen en dieren minder hard zijn en minder vastliggen dan in die van ons.


Toen Marli Huijer (Amsterdam, 1955) René Gude opvolgde als Denker des Vaderlands, interviewde Lex Bohlmeijer haar voor De Correspondent. Wat ze van Gude wil overnemen is de behoefte om als filosoof tussen de mensen te gaan staan. We denken te leven in het tijdperk van het individu. Maar er lopen draden tussen alle mensen en dieren en planten en dingen en tussen onze acties en door de tijd: we zijn gerelateerd en verbonden.

Vanwege onze onderlinge verbondenheid gaan ze bij De Correspondent een Afhankelijkheidsverklaring maken. Afhankelijkheid wordt volgens vaak gezien als iets zwaks en onaantrekkelijks waar we van af moeten. We gaan ervoor naar de psycholoog of een verslavingskliniek. (Het moge duidelijk zijn dat de systeemtherapie hier een eigen visie over heeft aangezien binnen deze vorm van therapie bij uitstek het probleem van een individu behandeld wordt in samenhang met de context en de mensen om het individu heen.) Lees het essay van Rebekka de Wit over de Afhankelijkheidsverklaring in de Correspondent.

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Filosofie, Psychologie

Verbinding met de natuur maakt ons minder narcistisch

… HET HELPT ONS OM ONSZELF OPNIEUW TE BEGRIJPEN

Blijvend op zoek naar oplossingen voor het persoonlijk lijden dat veroorzaakt wordt door het narcisme raakte ik geïnspireerd door een artikel van Sanne Bloemink in De Groene Amsterdammer waarin een alternatief voor ons Westerse superieure mensbeeld wordt geboden. Verbinding met de natuur speelt er een grote rol in. De titel van het artikel : Mieren staan nooit in de file.

‘Als we ons superieure mensbeeld in de wetenschap overboord gooien, gaat er een inspirerende wereld voor ons open.’

Aan het woord hier is hoogleraar natuur, landschap en cultuur Erik de Jong, verbonden aan Artis en de Universiteit van Amsterdam. Hij meent dat er behoefte is aan een meer holistisch beeld van de natuur.

Het superieure mensbeeld in de natuurwetenschap vertoont overeenkomsten met het psychologische concept van het narcisme. Als systeemtherapeut leg ik de nadruk op verandering binnen relaties, posities en interacties bij het oplossen van psychische problemen. In deze vorm van therapie gaat het dus voornamelijk over verbindingen die worden onderzocht en veranderd ook als er sprake is van narcisme. Psychologisch onderzoek bewees al dat verbinding met de natuur helpt tegen depressie. Waarom zou verbinding met de natuur niet helpen tegen het narcisme?

In het psychiatrische handboek, de DSM wordt het gedrag van ‘de’ superieure mens beschreven. Bij de narcistische persoonlijkheidsstoornis spreekt men over een diepgaand patroon van grootheidsgevoelens ofwel een opgeblazen gevoel van eigen belangrijkheid. Maar ook bij andere persoonlijkheidsstoornissen komen superioriteit en gebrek aan verbinding terug: gebrek aan achting voor anderen (anti-sociaal), diepgaande instabiliteit in intermenselijke relaties (borderline), buitensporige emotionaliteit en aandacht vragen (theatraal) of diepgaande geremdheid in gezelschap (ontwijkend).

Hieronder een samenvatting van het artikel in De Groene Amsterdammer met oog voor het belang ervan voor mijn vakgebied.


Het antropoceen

Hoogleraar De Jong vindt dat de geesteswetenschappen zich net zoals de natuurwetenschappen moeten bezighouden met de natuur. De geesteswetenschappen richten zich van oudsher op de mens. Maar in het antropoceen (het tijdperk waarin we nu leven en waarin het aardse klimaat en de atmosfeer grote gevolgen ondervinden van menselijke activiteit) gaat het juist over de mens èn over zijn optreden op de aarde. Je kunt daarom het onderzoek naar de natuur en de aarde niet meer alleen vanuit een natuurwetenschappelijk perspectief bezien.

De Jong citeert de beroemde bioloog Edward Wilson die in 1984 de hypothese ontwikkelde dat de liefde voor natuur in alle lagen van de samenleving voor komt en dat we deze liefde allemaal voelen. Maar het is een complexe liefde want we zijn ook bang voor de natuur. Hoe krijgt de liefde voor de natuur vorm in het antropoceen? Het is belangrijk dat dit soort vragen worden gesteld.

We hebben de ziel uit de natuur gehaald

In het Westen menen wij dat de natuur buiten onszelf staat. De natuur is onttoverd, ontzield. Het is ons decor, waarin wij ons spel spelen. Het is ons onderzoeksobject dat we kunnen meten en bestuderen. We kunnen van de natuur genieten als het past in ons ideaalbeeld van ongereptheid. Maar we kunnen de natuur ook kapot­maken als we denken dat we meer ruimte nodig hebben. Juridisch gezien hebben we de natuur ‘in bezit’. De mens is de baas. Of dénkt de baas te zijn.

Hoewel we wel weten dat in inheemse culturen heel anders wordt gedacht over de natuur en dat er daarin wèl sprake is van bezielde natuur, wordt dit door ons Westerlingen meestal weggezet als onderontwikkeld, achtergebleven en niet-wetenschappelijk.

Het bestuderen van de inheemse blik op natuur biedt ons echter een verruiming van onze blik en daar is behoefte aan. We hebben zorgen over de klimaatcrisis, we zijn bang voor de in razend tempo dalende biodiversiteit en we voelen onmacht over de verzuring van oceanen. Deze nood­toestand levert een vruchtbare voedingsbodem op voor nieuw gedachtegoed en dat begint bij een nieuw mensbegrip. Een mens die niet boven de natuur staat maar verbonden is met de natuur.

Antropologie voorbij de mens

In ‘How Forests Think’ (2013) stelt de antropoloog Eduardo Kohn de uitgangspunten van ons mensbegrip ter discussie. Hij deed onderzoek bij een inheems volk in het Amazonegebied van Ecuador en onderzocht niet alleen de manier waarop deze mensen betekenis geven aan de wereld om hen heen, hij probeerde ook te begrijpen hoe de omgeving zèlf betekenis verleent aan de mens. Hoe het oerwoud denkt, hoe honden dromen, hoe de jaguar naar ons kijkt. Hoe andere organismen ons zien doet ertoe. Dàt andere organismen ons zien verandert ons!

De mens ìs niet dat exceptionele wezen, verheven boven alle andere vormen van leven. Als we onszelf zo bekijken sluiten we onszelf af van de wereld om ons heen. We bestuderen de wereld vanuit onze menselijke betekenis-geving, vanuit onze taal, cultuur en geschiedenis. Zodoende zien we niet hoe we op talloze manieren verbonden zijn met een bredere wereld. We moeten leren denken voorbij onze menselijke taal en cultuur.

Wie denken wij mensen wel dat we zijn?

Gedragsbioloog Frans de Waal spreekt over de beperkingen van ons mensen als wezens die van alles menen te kunnen overbrengen met onze taal terwijl in feite een groot deel van onze communicatie verloopt via het lichaam. Sanne Bloemink in De Groene Amsterdammer:

Als geen ander weet De Waal de nieuwste onderzoeken naar intelligentie van dieren met elkaar in verband te brengen en samen te voegen in een coherent verhaal met als rode draad: wie denken wij mensen wel dat we zijn? Zijn boek lezend krijg je bijna te doen met die zielige mens: zichzelf op de borst kloppend blijven die narcistische wezens naarstig op zoek naar het ultieme bewijs dat ze beter zijn dan alle andere levende wezens. De enige met gevoel, met verstand, met wapens, met werktuigen.

Maar de wetenschap komt telkens met voorbeelden van dieren die dat ook blijken te kunnen. Apen gebruiken óók werktuigen, dolfijnen noemen elkaar óók bij de naam, olifanten hèbben een fenomenaal geheugen. En het wordt pas echt interessant als we kijken naar de dingen die dieren kunnen en die mensen níet kunnen. De Waal: ‘We moeten veel breder kijken, naar àlle vormen van cognitie.’ De titel van zijn boek is: Zijn we slim genoeg om te begrijpen hoe slim dieren zijn?

Het is niet eerlijk om van een eekhoorn te vragen het alfabet op te zeggen, want zo is die eekhoorn nu eenmaal niet geëvolueerd. Net zo goed als het oneerlijk zou zijn om van mensen te vragen te onthouden waar meer dan honderd verschillende nootjes verstopt liggen. De Waal zoekt naar een alternatief voor de overdreven cerebrale benadering in de wetenschap. Cognitie begint volgens hem bij perspectiefname en is waarschijnlijk gebonden aan het lichaam. Cognitie komt het als het ware voort uit empathie.

‘Neem de olifant: die beschikt over een heel ander lichaam en andere neurale vermogens om een hoge cognitie te bereiken. Zijn slurf heeft aan het uiteinde twee gevoelige ‘vingers’, waarmee voorwerpen zo klein als een grassprietje kunnen worden opgepakt, maar met die slurf kan het dier ook acht liter water opzuigen of een vervelend nijlpaard omvergooien. De olifant heeft misschien een ander soort cognitie. Zoals de mens een ‘handige’ cognitie heeft, zo heeft een olifant mogelijk een ‘slurvige’ cognitie.’

Onder invloed van de religie denken we nog steeds dat wij beter zijn, hoger geplaatst dan dieren. In de psychologie zie je dat dit idee onder invloed van de neurowetenschap aan het veranderen is. Neuro-wetenschappelijk onderzoek toont bijvoorbeeld aan dat ratten net zoals wij mensen angst kennen.

Elephant kiss

‘Slurvige’ cognitie. Getty Images: Elephant kiss

Collectieve intelligentie

Het onderzoek naar intelligentie van minder aaibare dieren zoals insecten, krijgt steeds meer aandacht. Daarbij gaat het vooral om collectieve vormen van intelligentie. Hoe kan het dat termieten heuvels bouwen die honderden malen groter zijn dan zijzelf, zonder dat er een leider is die instructies geeft? Hoe komt het dat mieren nooit in de file staan? Hoe weten bijen welke baan ze hebben gekregen?

Nicholas Ouellette geeft aan de universiteit van Stanford leiding aan een lab dat onderzoek doet naar zelforganisatie in complexe systemen. Allerlei verschillende soorten dieren, zoals vogels, vissen en insecten, vertonen relatief uniform groepsgedrag. Die groepssystemen zijn robuust, want het maakt voor een zwerm niet uit of er een individu wegvalt. Het zijn zelforganiserende, leiderloze systemen, die foutjes van een individu kunnen opvangen.

Ouellette ontdekte dat mannetjesmuggen bij het horen van het geluid van een vrouwtjesmug allemaal op het geluid af gaan, maar dat ze bij het geluid van een mannetjesmug juist een bepaalde afstand hielden. Niet te dichtbij en niet te ver weg, er ontstond precies dezelfde afstand tussen alle mannetjesmuggen. Zo vormde zich de zwerm. Eenvoudige regels tussen individuele muggen, zoals de afstand die moet worden gehouden tot het andere individu, bepalen hier dus wat er uiteindelijk in het collectief gebeurt.

Onderzoek naar dit soort collectief gedrag heeft nu echt een vlucht genomen. In het bijzonder ingenieurs zijn uitermate geïnteresseerd in de uitkomsten want allerlei toepassingen waarbij collectieve zelforganisatie een rol speelt zijn denkbaar.

In haar TED-talk legt Radhika Nagpal, hoogleraar computerwetenschap in Harvard uit hoe termieten als groep een heuvel bouwen. Ze praten niet met elkaar en ze hebben geen leider, maar ze gebruiken de omgeving om te weten wat ze gaan bouwen en hoe. Er zijn robots gebouwd die door middel van allerlei sensoren de zintuigen van de termiet nabootsen en daarmee kunnen reageren op hun omgeving. Deze kunstmatige systemen kennen dezelfde regels van zelforganisatie als de termieten en bieden een oneindig aantal toepassingen. Voordat Nagpal dit kon doen moest ze zich openstellen voor de specifieke situatie van de individuele termiet en voor de cognitie die ontstaat in het collectief als gevolg van de regels tussen die individuen. Ze moest het perspectief innemen van de bouwende termiet.

Cognitie van planten, bomen en bossen

Boswachter Peter Wohlleben legt uit hoe bomen met elkaar communiceren, hoe bomen voor elkaar zorgen en met elkaar een gezond bos vormen. Er wordt door wetenschappers gesproken van het ‘wood wide web’. Wohlleben spreekt in antropomorfe termen over bomen om zijn punt te maken. Zo hebben bomen ‘kinderen’ die ze ‘voeden’, ze vormen ‘vriendschappen’ en hebben een ‘sociaal vangnet’.

Tegelijk baseert Wohlleben zich wel degelijk op allerlei natuurwetenschappelijk onderzoek. Hij probeert met zijn terminologie ons denken om te keren en ons een ander perspectief in te laten nemen. Net zoals insecten een vorm van collectieve intelligentie ontwikkelen, kan een bos worden gezien als een netwerk met een vorm van collectieve intelligentie.

Suzanne Simard, hoogleraar bos-ecologie aan de Universiteit van British Columbia, doet onderzoek naar de stroom van voedingsstoffen en chemische signalen via het ‘wood wide web’ onder de grond. Haar onderzoeksgroep injecteerde sparren met radioactieve koolstof-isotopen om die vervolgens met een geigerteller onder de grond te volgen. Binnen een paar dagen waren alle bomen binnen een gebied van dertig vierkante meter met elkaar verbonden, waarbij de oudere bomen als een spil fungeerden met soms wel meer dan 47 connecties. Het voordeel voor het bos als geheel is een betere gezondheid, meer fotosynthese en een grotere veerkracht.

Ook over planten worden onder fyto-biologen en botanisten verhitte debatten gevoerd. Hoogleraar Stefano Mancuso neemt het op voor het perspectief van planten. Hij is directeur van het Internationaal Instituut voor de Neurobiologie van Planten aan de Universiteit van Florence. Hoewel het instituut officieel niet meer zo mag heten omdat het begrip ‘neuro’ is voorbehouden aan organismen met met hersenen, blijft Mancuso deze naam gebruiken om zijn punt te maken.

Volgens Mancuso waarderen mensen te weinig wat planten allemaal kunnen. Omdat planten niet weg kunnen rennen en regelmatig gedeeltelijk worden opgegeten, komt hun vorm en manier van leven hun perfect van pas. Hun intelligentie is een reflectie van hun ‘lichaam’ en omgeving, van hun evolutie. Vergelijk deze plant-intelligentie maar met de slurvige intelligentie van olifanten.

Een plant kan negentig procent van zijn lichaam verliezen zonder dood te gaan. Een plant moet zichzelf verdedigen en alles vinden wat hij nodig heeft terwijl hij vastgegroeid zit op één plek. Deze leefstijl heeft ervoor gezorgd dat planten tussen de vijftien en twintig soorten zintuigen hebben ontwikkeld. Naast de zintuigen die wij ook kennen, zoals gehoor en tastzin, heeft een plant zintuigen voor vochtigheid, volume, fosfor, gifstoffen en voor chemische en elektrische signalen van de planten om hem heen.

Planten communiceren met elkaar in een biochemische taal die wij niet zomaar kunnen verstaan. Mancuso werkt daarom in zijn laboratorium aan een ‘woordenboek’ van het chemisch vocabulaire van elke plantensoort. Bovendien leven planten in een andere tijdsdimensie. Mancuso laat dit zien door filmpjes van planten versneld af te spelen. Plotseling komen de planten tot leven. Een wortel vindt zijn weg onder de grond, jonge plantenscheuten ‘spelen’ met elkaar, ’s nachts zien we de activiteit afnemen als ze gaan ‘slapen’.

Mancuso definieert intelligentie als manieren om problemen op te lossen en wijst op collectieve vormen van intelligentie in planten, vergelijkbaar met die van insecten, waarvoor hersenen niet noodzakelijk zijn. De verschillende wortel­uiteinden die onder de grond een netwerk vormen kunnen gezien worden als de veroorzaker van een vorm van collectieve intelligentie net zoals dit bij zwermen vliegen gebeurt en bij mensen in de hersenen. Bij een plant zouden de ‘hersenen’ in de vorm van het wortelnetwerk dan onder de grond liggen en de geslachtsorganen boven de grond.

Mancuso is ervan overtuigd dat planten een bepaalde vorm van bewustzijn hebben en zelfs pijn kunnen voelen. Daarom zouden we respect voor ze moeten hebben, maar het zou ons er niet van moeten weerhouden om ze op te eten. Planten hebben zich geëvolueerd om te worden opgegeten. Daarnaast kunnen we ons door planten laten inspireren. Planten kunnen leven van licht en ontwikkelen in een wortelnetwerk onder de grond een robuuste vorm van collectieve intelligentie.

Wat mij inspireert

Als we ons steeds meer bewust worden van het feit dat andere organismen ons waarnemen en ervaren en dat wij iets betekenen voor al dat andere buiten onszelf dan kunnen wij als mensen onze superioriteit en narcisme makkelijker loslaten. Dan kunnen we het kinderlijke van Narcissus uit de Griekse mythe, die niet door had dat hij naar zijn eigen reflectie keek, achter ons laten en kunnen we onszelf opnieuw begrijpen in een gelijkwaardige relatie tot àlles wat ons omgeeft. Jezelf kunnen bekijken door de ogen van anderen is voor de systeemtherapeut een belangrijk middel dat nu ook door natuurwetenschappelijk onderzoek wordt gezien als iets wat van groot belang is voor ons voortbestaan als soort.

Eerder berichtte ik over hoe in de psychologie de mens in relatie tot de natuur onderzocht wordt. Door ‘natuur’ in te tikken in het zoekvenster op de startpagina van mijn weblog kunt u deze berichten vinden. Psychologen van de Universiteit van Leiden kwamen zeer recent nog met bewijs voor het belang van de natuur voor herstel bij stress. Het gaat bij deze onderzoeken vooral om de therapeutische betekenis die onze relatie met de natuur kan hebben.

Misschien zullen we het superieure beeld van onszelf en onze angst voor de natuur overwinnen als we de natuur beter begrijpen. Veel van de genoemde natuurwetenschappelijke kennis uit dit bericht voegt iets toe aan de systeemtheorie. Een beter begrip van het grotere systeem van de natuur kan ons als individu en als soort van een toekomst verzekeren.


De Vlaamse dichteres Ruth Lasters was misschien geïnspireerd door het idee van de collectieve intelligentie toen ze het volgende gedicht schreef:

 

SOORT

 

Waarom wij niet bij wanhoop, eender wiens, formaties vormen

zoals eenden eensklaps tegen luchtwerveling

 

een v. Misschien een visgraatvloer van wij

honderd dichtsbijzijnden, voeten geschrankt tegen kruinen

 

zodra een gong weerklinkt waarmee die ene aanvraagt een

tijdelijke bevrijding, evacuatie uit zichzelf naar

 

‘de soort’. Of haalbaarder: die ene radeloze die zich wurmt

acrobatisch in een reiskoffer die wij dan door-en doorgeven door

 

straten, met als bestemming slechts zijn onvoorwaardelijke

blijven. Tot hij de koffer openstampt, zichzelf weer aandurft, aan-

 

vat.


Lees ook: Narcissus was niet narcistisch

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Dierengedrag, Psychologie, Psychologie, proza en poëzie