Zolang je leeft is er de broosheid van het bestaan

Deze week werd de filosoof Awee Prins in het Filmtheater in Hilversum geïnterviewd door de filosofische econoom Arjo Klamer. Georganiseerd door ‘Hilversum in gesprek‘. Een vreemde voornaam, Awee, maar het staat voor A.W. ofwel Arent Weert.

De twee heren kenden elkaar van vroeger. Klamer had zijn aanstelling bij ‘Hilversum in gesprek’ aangenomen op voorwaarde dat hij Awee Prins een keer kon uitnodigen. Bij deze. Klamer stelde een paar goeie vragen maar gaf vooral Prins alle ruimte. En dat verdiende hij, hoewel ik graag een kritische vraag had gehoord over de anti-socialistische Nietzsche en over Heidegger die lid was van de Nazi partij, filosofen waar Prins zich door laat inspireren.

In de video hieronder zegt Prins voor een groot deel dezelfde dingen als in Hilversum. Veel goede oneliners zoals “Meten is weten maar meten is ook, het leven vergeten” en “alle gevoelens zijn gemengde gevoelens”, passeren de revue.


Hieronder een interview uit 2017 van Edith Janstra met A.W. Prins voor het magazine voor religie en samenleving: Volzin.

Prins heeft het in dit interview begrepen op de bekende Amerikaanse hoogleraar maatschappelijk werk, Brené Brown. Psychologen bevelen haar werk aan. Ik doe deze aanbevelingen niet maar wel bekijk ik soms samen met een cliënt een kort tekenfilmpje waarin Brown het verschil tussen sympathie en empathie uitlegt. Dat vind ik een heel leuk en leerzaam filmpje. Brown laat er in zien dat empathisch zijn helemaal niet zo moeilijk is en hoeveel het betekent voor een relatie. Het filmpje is geplaatst bij mijn bericht Afstemmen creëert een band.

Ik ben het met de kritiek van Prins eens – Brown heeft een tik van de Amerikaanse individualistische en ‘positief denken‘ molen meegekregen – maar ben ook blij dat hij haar verdienste ziet.

Lees vooral dit interview met de titel: “Het leven wordt niet beter”.

Heeft de mens eindelijk een manier gevonden om z’n kwetsbaarheid te trotseren, grijpt de filosoof in. “Kwetsbaarheid is geen kracht. Van kwetsbaarheid een kracht maken is een retorische truc om perfectionistische mensen langs een omweg te doen volharden in hun perfectionisme”, zegt Awee Prins.

Dat kwetsbaarheid een kracht kan zijn, wie wil dat niet horen? Brené Brown, Amerikaans hoogleraar maatschappelijk werk, schreef er een bestseller over, in Nederland verschenen onder de titel De kracht van kwetsbaarheid. Meer dan 30 miljoen mensen bekeken intussen op internet haar TED Talk over dit boek.

Wanneer ik het ‘cultboek’ van Brown noem, begint Awee Prins sneller te praten, feller, onverbiddelijk. Verontwaardigd vraagt hij: “En al die mensen die aan hun kwetsbaarheid geen kracht weten te ontlenen, mensen die hun kwetsbaarheid gewoon niet kunnen verdragen? Die de moed verliezen? Falen? Zelfmoord plegen? Die mensen vind ik niet minder belangrijk.”

Awee Prins is universitair hoofddocent aan de Erasmus Universiteit en zijn vakgebied is de fenomenologie, de tak van filosofie die kanttekeningen plaatst bij de manier waarop we de wereld steeds meer rationeel zijn gaan benaderen. Maar de ratio is maar een aspect van het menselijk bestaan, aldus Prins, en daarom ligt hij ‘van huis uit’ in de clinch met het maakbaarheidsideaal en daarmee ook met Brené Brown, die de kwetsbaarheid wil begrijpen en er een positieve draai aan probeert te geven. “Hoewel ik De kracht van kwetsbaarheid een goed boek vind binnen de tsunami van zelfhulpboeken, belazert Brown haar lezers.”

Hoe dan?

“Het is een retorische truc die ze uithaalt, en eigenlijk ook – en dat verwijt ik haar – een gemene streek, om mensen die het gevoel hebben dat ze kwetsbaar zijn en niet genoeg presteren, die door hun perfectionisme worden gesloopt, te vertellen: ‘Dat perfectionisme mag je loslaten en ik ga jullie nu uitleggen dat je daardoor nóg succesvoller kunt worden’.”

Maar als een retorische truc nou helpt…

“Maar het helpt niet. Wij leven nog steeds in de tijd van de Radarmens, zoals beschreven door David Riesman in The Lonely Crowd. Wij zijn constant om ons heen aan het kijken om te zien hoe anderen over ons denken. Neem Facebook. Je kijkt de hele tijd of je wordt geliket. Je bent voortdurend alert, maar ook heel kwetsbaar als je dag in dag uit erkend wil worden.

Laat duidelijk zijn: ik vind het de verdienste van Brené Brown, dat ze oog heeft voor de zwakke kanten van de mens. Ze beschrijft overtuigend dat we in deze tijd onze kwetsbaarheid en angsten overstemmen door druk, druk, druk te worden, krampachtig allerlei netwerken opbouwen, en daarbij desnoods drugs gebruiken of tranquilizers. Het siert haar bovendien dat ze haar eigen ontsporingen niet onvermeld laat. Terecht stelt ze, dat wij ons leven verpesten door veel te hoge verwachtingen en eisen aan onszelf te stellen, en ons teveel vergelijken met anderen. Perfectionisme leidt tot eenzaamheid, schaamte en een gebrek aan betrokkenheid. Dat heeft ze goed gezien, al thematiseert ze niet de topsporters en eenzame wetenschappers die dat allemaal op de koop toe nemen, wat ook niet onbelangrijk is. Maar dat neem ik haar niet kwalijk. Ze zegt: ‘geluk is een kwestie van momenten.’ Dat denk ik ook, en dat betoog ik ook onvermoeibaar: geluk is iets wat je toevalt. Een moment. Niet een toestand. Dus tot zover zijn we het eens. Maar meteen daarna schrijft ze: ‘Laat geluk niet door je vingers glippen!’ En dan komt mijn kritiek. Brown begrijpt niet wat kwetsbaarheid werkelijk is. Ze adresseert met veel mooie woorden de kwetsbaarheid, op een manier waarin iedereen zich herkent, en maakt daar vervolgens een eigenaardige successtory van. Kwetsbaarheid onderkennen zou volgens haar tot een beter, ja, zelfs een ‘bezield leven’ leiden. Dat dit ons zelden lukt en wat dat ‘bezielde leven’ precies is, daarover zegt ze eigenlijk niets. Dat vind ik het ergste.

Brown geeft in haar boek een lijstje van ‘ervaringen die een gevoel van kwetsbaarheid geven’. Daar heeft ze het over ‘ontslagen worden’, ‘zwanger worden na drie miskramen’, ‘de eerste date na mijn scheiding’, enzovoorts. Maar is dat werkelijke kwetsbaarheid? Er zijn vrouwen die in hun jeugd door hun vader zijn verkracht. Er zijn mensen die hun kind hebben verloren. Dat is echte kwetsbaarheid. Die staan niet in haar lijstje. Waarom schrijft ze daar niet over? Er zijn veel mensen die verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt en daardoor het leven eenvoudigweg niet meer aankunnen. Voor hen is De kracht van kwetsbaarheid een klap in het gezicht. Zij zullen er alleen maar verdrietiger en onmachtiger van worden, omdat ze blijkbaar de moed en de kracht niet kunnen opbrengen om te doen wat Brown adviseert: ‘Je emotioneel blootgeven, je onzekerheden trotseren, risico’s nemen.’ Deze mensen, die mij zeer na aan het hart liggen, zullen zich nog meer schamen en nog schuldiger voelen. En ik vind die mensen niet minder belangrijk, interessant, waardig of bezield. Iemand die ten onder gaat, die echt en alleen maar faalt, die zelfmoord pleegt, omdat ie z’n kwetsbaarheden niet aankan; ook voor die mensen had ze haar boek moeten schrijven, ook voor hen had ze ruimte moeten vrijmaken. Ik vind dat Brown er meer oog voor zou moeten hebben dat er geen gebruiksaanwijzing voor het leven bestaat.”

Als u haar dit vertelt, zou ze het dan niet met u eens zijn?

“Weet ik niet, maar ik hoop dat ze zou inzien dat ze verzandt in haar eigen goede bedoelingen. Brown rehabiliteert de kwetsbaarheid. Dat is het goede aan haar boek. Maar ze faalt wanneer ze kwetsbaarheid inzet als een manier om het leven vanuit die kwetsbaarheid te optimaliseren, er beter door te functioneren, sterker te worden, en zelfs gelukkiger te worden. Brown had moeten bedenken: er klopt iets niet in wat ik zeg. Haar truc, hoe ze mensen belazert – en ik gebruik dat woord met opzet – is: ‘Als jij jouw authentieke imperfecte zelf aan de wereld laat zien, dan zal je merken dat je het waard bent om liefde te ontvangen er erbij te horen.’ Kijk, dat wil iedereen lezen! Maar jij en ik weten dat niemand zoiets eenvoudigweg zal meemaken, dat je je imperfecte zelf aan de wereld laat zien en er dan opeens bij hoort. Brown belooft gewoon te veel.

Ik lees haar anders. Volgens mij wil ze vooral dat mensen zich realiseren dat iedereen kwetsbaarheden heeft, en daarmee het voor ons wat makkelijker maken om ons masker te laten zakken en niet langer vermoeid een perfect plaatje van onszelf te laten zien. Wat minder hangen aan wat we denken dat andere mensen van ons denken.

“Helemaal eens, maar dat is niets bijzonders; dat is common sense.”

Maar dat is geen common sense voor heel veel mensen! Haar filmpje over haar boek is een van de best bekeken TED-filmpjes wereldwijd. Psychologen schrijven haar boek voor. Ik lees blogs van normale leuke mensen waarin ze vertellen dat ze huilend haar TED Talk bekijken.

“Er zullen mensen zijn die, wanneer ze hun kwetsbaarheid onderkennen – en ik gun het ze van harte – openhartiger worden, maar er zullen er ook zijn die de moed verliezen. En dan houd ik voet bij stuk: daar had zij ook rekening mee moeten houden. Dat meen ik echt.”

Als haar stelling niet klopt, waarom zijn we daar dan collectief blind voor?

“Omdat haar boek zoveel mooie en naïeve beloften in zich draagt. Brown spreekt van ‘De tien wegwijzers naar een bezield leven’. Maar wat is dat, een ‘bezield leven’? In hoofdstuk 7 spreekt ze met droge ogen over ‘bezield ouderschap’. Kijk, ouderschap is ongelofelijk moeilijk. Een ouder houdt van z’n kinderen en heeft ook soms een hekel aan z’n kinderen; is teleurgesteld in z’n kinderen. En niet minder belangrijk: die kinderen zijn op hun beurt teleurgesteld in hun ouders. Ouderschap is een ongelooflijk complex gebeuren, waarbij het meer gaat om met je kwetsbaarheden om te leren gaan dan om die kwetsbaarheden te gebruiken als een soort reservoir, een basiskamp van succes-expedities. ‘Bezield ouderschap’ vind ik een bedenkelijk toverwoord, waarbij iedere ouder denkt: ‘Wauw, dat moet ik hebben, bezield ouderschap!’ En dan heb je die ónuitstaanbare puber in je kamer die níks wil en die nérgens zin in heeft. Ik denk dat je veel beter zo’n kind in z’n onmogelijkheid kan dulden dan dat je daar dan ineens een semantische deken van bezield ouderschap overheen gaat leggen.”

Wat moeten we wel doen?

“Als ik college geef en het gaat over een moeilijk onderwerp zeg ik op een gegeven moment tegen mijn studenten: ‘Er zijn nu zijn er een aantal van jullie die in radeloosheid denken dat ze de enige zijn die het niet begrijpen, iedereen om je heen zit braaf te schrijven. Maar ik verzeker je, de helft van de aanwezigen snapt het ook niet.’ Waar het om gaat, is schik krijgen in je eigen kwetsbaarheid en in de kleine waanzin en rare dingetjes die we allemaal hebben. Let wel, en dit is volgens mij van groot belang: ik denk niet dat het leven mooier wordt als je je beseft dat je broos bent. Kwetsbaarheid vind ik daarom ook niet zo’n geschikt woord. Broos-zijn is ruimer. Zachter. Er zit ook de eindigheid in. Wij zijn altijd breekbaar. Zolang je leeft, is er de broosheid van je bestaan.”

Van wie heeft u dat geleerd?

“Van Nietzsche, opmerkelijk genoeg, die geheel ten onrechte als de filosoof van de ‘sterke mens’, de ‘Übermensch’ wordt gelezen. Dat is onzin: Nietzsche kende als geen ander de broosheid van het menselijk bestaan. Maar mijn echte held is Dostojevski, die in al zijn romans laat zien dat de mens het meerstemmige dier is, het polyfone subject. We kunnen de mens niet definiëren. Wij worden allemaal opgeleid met het idee dat er een ego is, een ik, een identiteit. Allemaal nonsens. Het is allemaal veel vager.
Er is een zin bij Dostojevski waarin hij over iemand schrijft dat je niet weet of hij ‘op pelgrimstocht zal gaan naar Jeruzalem of dat hij z’n geboortedorp in brand zal steken’. En hij voegt er aan toe – en dat is de grootsheid van Dostojevski – ‘misschien doet hij het wel allebei’. De mens is wezenlijk polyfoon, meerstemmig. Alle gevoelens zijn gemengde gevoelens, alle gedachten zijn gemengde gedachten. Dat zie ik bij Brené Brown niet terug. Zij kent alleen rood en grijs, kracht en kwetsbaarheid.”

Wat bedoelt u met gemengde gevoelens?

“Nou, als jij zegt tegen iemand ‘ik houd van je’, dan zit daar ook een dimensie in van domme zelfzucht, van hoop, onzekerheid, afgunst, jaloezie, en de angst diegene kwijt te raken. Dat loopt allemaal door elkaar heen. Wij leven nog steeds in de tijd van Descartes; wij geloven in welonderscheiden, meetbare gedachten. Maar alle gedachten zijn gemengde gedachten. Het is heel gek dat wij met elkaar hebben besloten, en alle universiteiten stralen dat uit, dat wetenschap een soort summum is van de manier waarop je de wereld kunt vatten. Maar waarom zou de kunst dat niet zijn? Of de liefde? Of het geloof? Misschien ben je de wereld veel meer nabij wanneer je gelooft en je naaste liefhebt, dan wanneer je wetenschap bedrijft. Waarom zouden we al onze kaarten op het verstand zetten? Het verstand is maar een manier van je tot de wereld verhouden.

Wanneer zijn we zo gaan denken?

“‘Vertrouwen op je verstand’ is het adagium van de Verlichting, dus het speelt al vanaf de achttiende eeuw. Het is ons ‘verstand van de dag’. Wij spreken in de media vaak meewarig van de ‘waan de dag’, maar veel hardnekkiger en lastiger is het ‘verstand de dag’ dat ons beheerst: dat wij de wereld kunnen begrijpen en naar onze hand kunnen zetten. En hoewel Brown ook ons gevoel en onze kwetsbaarheid in het spel brengt, roept ze ons toch vooral op om dat gevoel te doordenken, te begrijpen, te evalueren en productief te maken: onderken je kwetsbaarheid, begrijp je kwetsbaarheid en je leven zal beter worden. Daar valt veel op af te dingen. T.S. Elliot kaart in The Waste Land, een meer fundamenteel probleem aan, de uitzichtloosheid:

What shall I do now? What shall I do?
I shall rush out as I am, and walk the street
With my hair down so. What shall we do tomorrow?
What shall we ever do?

Onze huidige ‘menselijke conditie’ is: Er is geen werkelijk doel in het leven, in elk geval geen hoger doel. Dus hebben we een cultuur ingericht die op zelfbevestiging en vermaak is gericht en die de zwaarte van het leven zo min mogelijk wil onderkennen. Vandaar ook die gekkigheid met euthanasie aanvragen als je vindt dat je leven ‘voltooid’ is. Dat klinkt mooi. Verstandig. Net als bij Brené Brown: kwetsbare mensen, bezielde mensen, betekenisvol leven, en als dat allemaal niet meer lukt: een exit-pil. Maar is er iemand die werkelijk weet wat een ‘voltooid leven’ is?
Elke cultuur en elke historische periode maakt zichzelf iets wijs. Wij maken onszelf in deze tijd wijs dat het leven leefbaar en maakbaar is. Maar dat is helemaal niet waar. Er gaan zoveel dingen mis in een mensenleven. Mijn vrouw is twee jaar geleden overleden. En ik blijf maar moedeloos. Ik kan eenvoudigweg niet omgaan met deze nieuwe ‘kwetsbaarheid’ in mijn leven. Mijn huisarts zei tegen me: ‘Zou je niet aan de antidepressiva gaan?’ Ik voel me daardoor aangesproken; ik merk dat ik het heel vervelend vind dat ik meer kwetsbaar dan ooit ben, niet meer sterk ben, dat ik niet meer graag naar vergaderingen ga, veel minder plezier heb in college geven. Dus ik sta in de verleiding van het verstand van de dag. Gelukkig ben ik zo wijs om te weten dat antidepressiva niet helpen. Alleen de bijverschijnselen zal je krijgen. Elke weldenkende arts is het daar ook mee eens. Ze weten dat bij antidepressiva het placebo-effect bijna even hoog is als het werkelijke effect. Dat vind ik overigens een mooi verhaal, een broos verhaal. Wij zijn zulke rare wezens dat wanneer iemand ons een pilletje geeft wat gewoon een snoepje is en erbij zegt ‘nu ga je het licht in je leven weer zien’, wij het licht weer gaan zien.

Is dat troostend?

“Nee… nee. “ (Lacht).

Helpend op z’n minst?

“Nee, maar laten we in het geheel niet de fout maken om troost te zoeken. Of verlossing. Je moet topisch worden, daar gaat het om. Je bent dan niet meer voortdurend utopisch. Je maakt niet meer de fout te denken dat het aan de andere kant beter is. Waarschijnlijk kunnen we dat utopische moment nooit van ons afschudden. Er is immers altijd zoiets als een toekomst. We zullen altijd over de toekomst nadenken en er op anticiperen. Maar de utopische dimensie in ons leven is in onze tijd buitenproportioneel groot. De meeste mensen plannen liever een vakantie dat dat ze op vakantie zijn.
Mijn adagium is: ‘Het wordt niet beter en het kan niet beter’. Wij leven nog steeds – dus het gaat verder terug dan de Verlichting! – in het visioen van Plato, dat er een ontsnapping bestaat uit het schaduwrijk van de grot. Dat weerklinkt in ons huidige hardnekkige streven naar ‘vooruitgang’. Maar het leven wordt niet beter. Het loopt af. We zijn sterfelijk. Dat moeten we eindelijk eens werkelijk leren denken: topisch worden. Ik weet overigens niet of Eckhart Tolle daar een bijdrage aan levert met zijn boek De kracht van het nu. Er is geen ‘kracht van het nu’, net zoals er geen ‘kracht van de kwetsbaarheid’ bestaat. Wij zijn existerende wezens, wij staan in het broze ogenblik van het nu uit naar het verleden, en naar de toekomst. Je kunt het nu niet idealiseren. Je kunt het verleden niet idealiseren en je kunt de toekomst niet idealiseren. Je kunt en moet niets idealiseren.”

Wat stelt u voor?

“Ik stel niets voor. Ik heb geen recepten voor het leven, maar ik wil graag mijzelf en anderen aanmoedigen om ontvankelijk te blijven voor het geluk en de betekenissen die je in dit broze leven bijwijlen kunnen toevallen. Als ik al iets wil, dan is het dat mensen indachtig worden omtrent wat het betekent om te leven en – nog belangrijker – met en voor anderen te leven. Kwetsbaarheid is daarbij een gegeven, geen kracht.”

Paspoort Awee Prins (Rotterdam-Hilligersberg, 1957) is filosoof en doceert Fenomenologie & Hermeneutiek aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.
● Studeerde filosofie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Universiteit van Amsterdam.
● Maakte naam met zijn boek Uit verveling (Klement, 2007); dit voorjaar verscheen daarvan de negende druk.
● In 2018 verschijnt bij uitgeverij De Bezige Bij zijn nieuwe boek Broos denken, over een filosofie van de hartelijkheid.
● Is een kenner van het werk van Martin Heidegger.
● Stichtte met zijn collega Henk Oosterling aan de Erasmus Universiteit het Centrum voor Filosofie en Kunst.
● Is aan de Erasmusuniversiteit hoofd van de Honours Academy.
Awee Prins woont in Rotterdam, is weduwnaar en heeft twee volwassen kinderen.


Wat mij de kunst lijkt is hoe we onze kwetsbaarheid of broosheid kunnen verdragen. Hier lijkt Prins ideeën voor aan te dragen in het interview ook al heeft hij geen recept. We moeten in ieder geval ophouden met idealiseren: Niet utopisch maar topisch worden. We moeten ons niet alleen op de wetenschap richten maar ook op de kunst, het geloof en de liefde. Hij komt met het gedicht van de dichter T.S. Elliot waarin het gaat over het gevoel van uitzichtloosheid: “What shall we ever do.” Misschien helpt deze regel nog wel het meest want hij geeft ons het gevoel dat we niet alleen zijn.

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Filosofie, Psychologie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

Deze site gebruikt Akismet om spam te bestrijden. Ontdek hoe de data van je reactie verwerkt wordt.