Samenleven begint met alleen kunnen zijn

Getipt door de Correspondent las ik dit artikel van de Amerikaanse historica Jennifer Stitt, ‘Before you can be with others, first learn to be alone’.

Clamdigger 1935 by Edward Hopper.

In 1840 was het Edgar Allen Poe die het belang van alleen zijn beschreef. Mensen die niet alleen kunnen zijn, waren volgens hem ongelukkig. Hij beschreef de boze energie van een oude man die door London zwierf van zonsopgang tot zonsondergang en die alleen opluchting kon vinden voor zijn wanhoop als hij zich onderdompelde in het onstuimige gedrang van de stadsbewoners.

Twintig jaar daarna was het Ralph Waldo Emerson, een andere bekende 19e-eeuwse Amerikaanse schrijver, die ook gegrepen was door het idee van het alleen zijn. Hij kwam met een uitspraak die aan Pythagoras is toegeschreven:

‘In the morning, – solitude; … that nature may speak to the imagination, as she does never in company.’

Emerson moedigt docenten aan om er bij hun leerlingen de nadruk op te leggen dat periodes en praktijken van alleen zijn, serieus en abstract nadenken mogelijk maken.

Weer later in de 20e eeuw, stond het alleen zijn centraal in de filosofie van Hannah Arendt (1906-1975). Zij was een Duits-Joodse emigrant, gevlucht naar de Verengde Staten voor de Nazi’s en bestudeerde een groot deel van haar leven de relatie tussen het individu en de politiek.

Voor haar was vrijheid verbonden met het alleen zijn in de privé-sfeer (‘vita contemplativa’) èn met samen zijn in de publieke of politieke sfeer (‘vita activa’). Zij begreep dat vrijheid veel meer was dan het vermogen van de mens om spontaan te handelen in de publieke ruimte. Vrijheid was voor haar ook het vermogen om na te denken en te oordelen in stilte, ver weg van de kakofonie van de massa.

In 1961 volgde Arendt, in opdracht van The New Yorker, het proces Adolf Eichmann, de SS officier die meehielp aan het ten uitvoer brengen van de Holocaust. Arendt probeerde er achter te komen hoe iemand tot zoveel kwaad in staat was. Ze werd verrast door Eichmann’s volkomen gebrek aan verbeelding en conventionalisme. Hij kwam niet over als een door en door slechte sociopaat. Zijn daden waren monstrueus maar als persoon kwam hij als alledaags op haar over.

Zij ontdekte geen sterke ideologische overtuigingen bij hem en schreef zijn immoraliteit – zijn vermogen en zelfs zijn begeerte om misdaden te plegen – toe aan zijn gedachteloosheid, aan zijn banaliteit. Het was volgens haar zijn onvermogen om stil te kunnen staan en na te denken waardoor het voor hem mogelijk werd om deel te nemen aan de massamoorden.


Hier wil ik iets toevoegen aan het artikel van de Amerikaanse historica want op het punt dat Arendt hier maakt valt wel iets af te dingen. Eichmann was wel degelijk een overtuigd antisemiet ook al deed hij zich tijdens zijn proces onnozel voor. Hij dacht wel degelijk na, maar geheel conform de nazi-ideologie. Hij dacht dus niet anders dan massa’s andere nazi’s. Arendt’s concept van ‘de banaliteit van het kwaad’ blijft waardevol, ook al heeft ze zich door de onnozele pose van Eichmann gedurende het proces laten misleiden.

Een saillant detail is nog dat Arendt’s leermeester, de filosoof Heidegger wel degelijk moet hebben nagedacht maar toch lid werd van de nazi-partij. Arendt heeft hem verdedigd door te zeggen dat dit naïef van Heidegger was.

Terug naar waar het hier om gaat:  De waarde van het alleen en in stilte overdenken van dingen.


Edgar Allen Poe vermoedde dat er iets duisters schuilde binnen de mens in de massa. Arendt’s ideeën sluiten hier op aan. Iemand die het in stilte onderzoeken van wat je gezegd en gedaan hebt niet kent, zal volgens haar ook niet tegen zichzelf in gaan en zal niet in staat zijn of bereid zijn om rekenschap te geven want hij rekent er op dat zijn daden vergeten zullen worden.

Eichmann meed zelfreflectie volgens Arendt. Hij keerde niet terug naar een stil moment in zichzelf, een toestand van beschouwing waarmee de betekenis van de dingen onderzocht kunnen worden, waarbinnen feiten en fictie, waarheid en leugen, goed en kwaad onderscheiden kunnen worden. Het is niet zo dat mensen die niet nadenken automatisch monsters zijn maar volgens haar kan een maatschappij niet vrij en democratisch functioneren zonder individuen die zelf in stilte nadenken. Arendt geloofde dat samenleven met anderen begint met kunnen leven met jezelf.

Alleen of eenzaam

Wat als we ons in het alleen zijn eenzaam voelen of wat als we ons isoleren? Wat als we ons afgesneden voelen van het plezier van vriendschap?

Filosofen maakten heel lang geleden al een onderscheid tussen alleen zijn en eenzaamheid. Een parabel van Plato uit De Republiek (350 voor Christus) gaat over een filosoof die uit een ondergronds hol ontsnapt aan het gezelschap van andere mensen en het zonlicht van de contemplatie in loopt. Alleen, maar niet eenzaam stemt de filosoof volgens Plato af op zijn innerlijke zelf en de wereld. In het alleen zijn luistert hij naar een dialoog die de ziel heeft met zichzelf en die dan eindelijk hoorbaar is.

Je hoort inderdaad mensen wel eens klagen als er veel geluid en drukte om hen heen is: “ik kan mijzelf niet eens meer horen denken.”

Arendt vindt in navolging van Plato dat alleen zijn en denken niet eenzaam is. Eenzaam ben je als je naar gezelschap verlangt en het niet vinden kan. Zij ziet het alleen zijn als een toestand waarin je jezelf gezelschap houdt. Het is een soort van ‘existentieel spreken’. In het alleen zijn is je innerlijke zelf jouw gezelschap, jouw vriend waarmee je van gedachten wisselt, een stille stem die een Socratische vraag stelt (een vraag die je stelt met het doel om verder te komen) zoals: ‘Wat bedoel je als je zegt …? Het ‘zelf’ is volgens Arendt de enige waaraan je niet kunt ontsnappen tenzij je ophoudt met denken.
In onze hyperverbonden wereld is het waardevol om ons de woorden van Arendt te herinneren. We leven nu in een wereld waarin we voortdurend en direct communiceren via het internet en we nemen zelden de tijd voor contemplatie. We checken voortdurend onze emails, zijn obsessief bezig met sociale media, lijden onder de voortdurende verbinding met zowel nauwe als minder nauwe kennissen. Het lijkt wel alsof we zo nodig voortdurend in gezelschap moeten zijn.
Als we ons vermogen om alleen te kunnen zijn verliezen, als we ons vermogen om in ons eigen gezelschap te verkeren verliezen, dan verliezen we volgens Arendt ons denkvermogen. We lopen het risico dat we weggevaagd worden door wat alle anderen doen en waar alle anderen in geloven, we lopen het risico dat we niet langer in staat zijn om goed van kwaad of mooi van lelijk te onderscheiden. Gevangen in een kooi van gedachteloze conformiteit.
Alleen zijn is niet alleen een noodzakelijke mentale toestand voor de ontwikkeling van het bewustzijn en het geweten maar het is ook een praktijk die ons voorbereidt op deelname aan het sociale en politieke leven. Voordat we in gezelschap kunnen zijn moeten we leren om alleen te zijn.

Ik denk dat niet alle vormen van in stilte nadenken automatisch tot positieve resultaten zullen leiden. Bij het alleen nadenken loop je toch een risico dat je niet tegengesproken wordt. Het in stilte nadenken kan broeierig worden en dan leidt het nergens toe. Het in stilte nadenken van eenzame en gestrande mensen kan zelfs leiden tot daden van wanhoop, van agressie en geweld. Denk aan Syrië-gangers of aan de Noorse massamoordenaar Breivik. Deze mensen zoeken alleen nog het contact met gelijkgestemden. Misschien zijn ze wel zo eenzaam dat ze zich helemaal nooit meer laten tegenspreken omdat dit onverdraaglijk is geworden.
Het begrip cognitieve dissonantie is in verband hiermee interessant. Cognitieve dissonantie is de onaangename spanning die iemand ervaart bij tegenstrijdige overtuigingen, ideëen of opvattingen of als er wordt vastgesteld dat diegene in strijd met de eigen overtuiging handelt. De spanning leidt ertoe dat men een of meer meningen of houdingen onbewust herziet om ze meer met elkaar in overeenstemming te brengen, consonant te maken. Dit vrij recente sociaal psychologische begrip van de cognitieve dissonantie (1957) werd heel lang geleden al herkend getuige een fabel van de Griekse dichter Aisopos (ca. 620-560 voor Christus): De fabel van de vos en de druiven. Wanneer de vos niet tot bij de druiven kan, besluit hij dat hij ze achteraf bekeken niet écht wilde “…omdat ze toch zuur waren.”
Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Filosofie, Persoonlijk en politiek

Een Reactie op “Samenleven begint met alleen kunnen zijn

  1. booxalivedotnl

    Goed artikel, Gerie!! Zei Blaise Pascal in 1654 al niet: „[…] alle ellende van de mensen [heeft] maar één oorzaak, namelijk dat zij niet in staat zijn rustig in een kamer te blijven.”? 😉

    Like

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.