“We zijn heel goed in het niet willen weten”

Dit zegt Abram de Swaan (72), socioloog, psychotherapeut, in een interview met Michiel Krielaars vandaag in de NRC naar aanleiding van de publicatie van zijn nieuwe boek: ‘Compartimenten van vernietiging’. De Swaan onderzocht daarvoor twintig massamoorden uit de twintigste eeuw. Hoe kon het zover komen? Wat bewoog de daders? Wat betekent het ‘ervan weten’ en het ‘wegkijken’?

Over de beweegredenen van de plegers van massamoorden is weinig bekend omdat maar relatief weinig beulen zijn berecht en omdat zij geen oprechte getuigenissen hebben afgelegd.

Voor De Swaan is ‘het kwaad niet banaal’ zoals in de theorie van Hannah Ahrendt. De ‘banaliteit van het kwaad’ gaat volgens de Swaan hoogstens op voor indirecte medeplichtigen zoals de machinisten van de treinen naar de kampen en de aannemers die de gaskamers bouwden. Tijdens de oorlogsmisdadigers-processen in Frankfurt stonden gewoon een stel arrogante, smerige rotzakken in de beklaagdenbank. Niks banaal. Gewoon moordpartijen uitgevoerd door beulen.

Een andere visie over Ahrendt’s theorie hier.

De Swaan gebruikt het woord ‘compartimentalisatie’ bij zijn verklaring van genocide. Hiermee bedoelt hij dat er bewust een tweedeling in een samenleving wordt gecreëerd tussen ‘wij’ en ‘zij’. Een bepaalde groep wordt apart gezet, eerst politiek door racistische politici, daarna institutioneel door de staat en vervolgens geografisch, fysiek. Zo’n tweedeling vertaald in regels en wetten loopt parallel aan ons privé-leven en bepaalt met wie je wel of niet om gaat.

Hij heeft het zelf in het interview in de NRC over ‘populistische’ politici maar dat is een wat ongelukkig gekozen term omdat het begrip populisme historisch gezien verwijst naar een groep die zowel uit zwarten als uit blanken bestond. Deze groep kwam eind 19e eeuw in verzet tegen de grote banken in de VS.

Bij ‘compartimentalisatie’ wordt een mechanisme op gang gezet van wat je op een gegeven moment weet en wat je nìet wilt weten. De Swaan ziet precies dat mechanisme als een belangrijke factor bij het mogelijk maken van genocide.

De discussie over het wel of niet weten over de uitroeiing van de Joden, vind de Swaan dom. Want in die discussie doen we alsof we weten wat ‘weten’ is. We moeten er rekening mee houden dat in een samenleving ook aan iets níet gedacht kan worden. In de psychoanalyse heet dat verdringing.

Op 9 oktober 1942 schrijft Anne Frank in haar dagboek: “De Engelse radio spreekt van vergassing; misschien is dat wel de vlugste sterfmethode.” De Swaan dacht over die woorden na. Anne Frank heeft het zonder blikken of blozen over de vergassing maar laat dit door een dooddoener volgen. Alsof ze de vergassing meteen van zich afschuift. Volgens de Swaan wist ze dat ze vergast zou worden maar wilde ze het niet tot zich door laten dringen. Ze schrijft wat haar te wachten staat en maakt het vervolgens ongedaan. Een beetje zoals tijdens de eerste fase van een rouwproces: de fase van de ontkenning.

Volgens mij oordeelt De Swaan hier te hard over Anne Frank. Het volledige citaat uit haar boek luidt:

Als ’t in Holland al zo erg is, hoe zullen ze dan in de verre en barbaarse streken leven waar ze heengezonden worden? Wij nemen aan dat de meesten vermoord worden. De Engelse radio spreekt van vergassing, misschien is dat wel de vlugste sterfmethode. Ik ben helemaal van streek.

‘Ik ben helemaal van streek’, is geen ontkenning of verdringing.

Het concept van verdringing ligt denk ik in het verlengde van concepten als ‘cognitieve dissonantie‘ en ‘dominant vertoog‘ of ‘discourse’ waarover meer op dit blog bijvoorbeeld hier.

De Swaan heeft het lang uitgesteld om aan dit onderzoek te beginnen. De psycholoog Nico Frijda suggereerde hem al in 1994 om uit te zoeken waarom mensen soms met zo een enorme emotionele inzet, anderen die ze helemaal niet kennen, kunnen haten. In die tijd brak in Rwanda de burgeroorlog uit en werden door de Hutu-regering tussen een half en een miljoen Tutsi’s en gematigde Hutu’s vermoord. De Swaan ging de verschillen bestuderen tussen deze groepen. Dat bestuderen van die verschillen was net zoals bij Joden buitengewoon ingewikkeld. Genetisch zijn Hutu’s en Tutsi’s aan elkaar verwant maar toch kun je ze ook van elkaar onderscheiden. Waarschijnlijk hebben ze een aantal typen in hun hoofd, zoals dat ook voor Joden geldt. De Swaan denkt zelf dat hij zo’n tien typen Joodse gezichten kan onderscheiden.

Het is natuurlijk zo dat in elke oorlog politici, officieren enz. de gewone soldaten en burgers leren om de ‘vijand’ te haten. In het geval van de Hutu’s en de Tutsi’s was er trouwens ook sprake van een economisch verschil. Tutsi’s zaten in de veeteelt en Hutu’s in de landbouw.

Genocide kwam volgens De Swaan in de twintigste eeuw eigenlijk veel vaker voor dan hij eerst dacht. In zijn boek koos hij voor zo’n twintig voorbeelden. Zoals de moord op meer dan een miljoen Bengalen door (West)-Pakistaanse troepen in de jaren ’70. En de oorlog in voormalig Joegoslavië. Daar vond ook ‘compartimentalisatie’ plaats en werden onschuldige Kroaten, Serviërs en Bosnische moslims, die jarenlang vreedzaam hadden samengeleefd, apart gezet en vermoord. Ondanks de gemengde huwelijken was er weinig nodig om de boel te laten exploderen.

Er bestaan er nog altijd geen vaststaande inzichten over genocide, zegt De Swaan. Sommige massale vernietigingscampagnes zijn zo irrationeel dat er geen enkel voordeel voor de daders te bedenken valt zoals in de laatste fase van de holocaust. De visie van de daders is dan: Als we nu alle Joden uitroeien, of alle Tutsi’s of alle Armeniërs of alle klasse-vijanden, zoals in Cambodja, dan zal de geschiedenis voor eens en altijd ten goede keren. Dat de daders op het punt staan te verliezen van een invasieleger nemen zij op de koop toe.

Wat betreft Cambodja kan De Swaan beter niet het marxistische begrip klasse-vijand gebruiken. Bij klasse-vijand denkt men in de eerste plaats aan een tegenstelling tussen arbeiders en kapitalisten. De massamoord in Cambodja was het gevolg van een massaal opleggen van dwangarbeid aan stedelingen door de Rode Khmer leiding, die afkomstig was van de elite (grootgrondbezitters) van het platteland. De Rode Khmer wantrouwde de stedelingen die bestonden uit een gemengd gezelschap en niet verenigd waren als arbeiders noch als kapitalisten.

Wat de leiders van een genocide bezielt, is volgens De Swaan met moeite te reconstrueren juist omdat zij zo zelden verantwoording hebben hoeven afleggen. Dit geldt bijvoorbeeld ook voor Indonesië waar in 1965-’66 naar schatting een miljoen mensen door Soeharto’s leger werden omgebracht. Zijn opvolgers hebben de ware toedracht toegedekt. Alleen onder president Wahid gingen de archieven even open. Pas nu zijn er antropologen die in dorpen onderzoek doen naar wat er echt gebeurde.

Wat altijd buiten beeld blijft is de 90 tot 99% van de bevolking die niet meedoet. Die hebben er geen zin in. Iemand gaat bij een oproer de straat op, omdat zijn vriend het ook doet. Van het een komt het ander ook al had hij het niet bedoeld. Een uitbarsting van geweld speelt zich vaak af in een chaotische situatie van enkele dagen, weken of maanden. Maar dat is iets anders dan wanneer iemand jarenlang voor zijn brood weerloze mensen afmaakt. Toch maakt in beide gevallen de situatie tot op zekere hoogte de dader. Grote vraag is alleen waarom sommigen in die situatie belanden en anderen niet.

De grootste variabele hierbij, vermoedt de Swaan, is iemands mate van empathie. Je herkent een ander die net zo is als jij en hebt geen zin die om te brengen.

THE CHRISTMAS TRUCE 1914 CARD DESIGN-2(3)

Het Kerst bestand in 1914. Ontwerp voor een kaart. Soldaten uit verschillende legers spelen voetbal.

Empathie gaat samen met een gewetensfunctie. Bij heel veel daders valt op dat ze zelf menen dat ze nooit een beslissing genomen hebben. SS-ers kozen voorgoed voor het niet-kiezen en voor ‘Befehl ist Befehl’. En dit zie ik dan toch als vrij banaal.

Tot zover een samenvatting van het interview.

Ter inspiratie tegen de ‘compartimentalisatie’, het wij-zij denken en ter verdere inspiratie bij het innemen van een positie daar tegen, een prachtig gedicht van Rilke.

“Wellicht zijn alle draken in ons leven
uiteindelijk wel prinsessen
die er in angst en beven
slechts naar haken om ons,
eenmaal dapper en schoon
te zien ontwaken.

Wellicht is alles wat er aan verschrikking leeft
in diepste wezen wel niets anders dan iets
dat onze liefde nodig heeft.”

Advertenties

1 reactie

Opgeslagen onder Persoonlijk en politiek, Psychologie, Psychologie, proza en poëzie

Een Reactie op ““We zijn heel goed in het niet willen weten”

  1. Pingback: Vreemdelingenhaat in slecht functionerende familie | psychologenpraktijk

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.